vrijdag 19 maart 2010

Van creationist naar evolutionist (2): God van de processen

Wat je gelooft over het ontstaan van de wereld heeft grote consequenties voor hoe je God ziet, hoe je de wereld ziet en hoe je jezelf ziet. Het is iets existentieels. Daarom doet het wat met je als je ideeën over de oorsprong veranderen. Het volgens mij belangrijkste gevolg van de omschakeling in het denken van jonge aarde creationisme naar een model met een langere geschiedenis, is een verandering van de manier waarop God volgens ons in de schepping en in ons leven te werk gaat. Ik geloof namelijk sinds mijn paradigmawisseling dat God vooral werkt door en aanwezig is in processen (die we vaak heel goed ‘wetenschappelijk’ kunnen beschrijven) en niet in eerste instantie in onverklaarbare, momentane gebeurtenissen, oftewel wonderen (hoewel hij die wel kan gebruiken als hij dat wil). 
Dit besef was in feite wat mij de vrijheid gaf een langere ontstaansgeschiedenis van het leven te accepteren. Ik bezocht namelijk een avond van de christelijke studentenvereniging, waar een christenwetenschapper uit Delft een lezing gaf. Hij bleek de evolutie te accepteren als beschrijving van de werkelijkheid. De vraag kwam of hij daarmee niet waarde ontnam aan de mens. Als de mens het gevolg is van evolutie, heeft hij dan nog wel betekenis? Is hij dan nog beeld van God? Hierop kwam hij met een voorbeeld dat me steeds is bijgebleven, waarschijnlijk vooral omdat ik het heel goed kende uit mijn studie Biomedische Wetenschappen (en door mijn opvoeding als kind van twee huisartsen). Hij gebruikte namelijk het voorbeeld van een baby. Hij zei: ‘Als een kind zich in een enkel moment volledig gevormd van zijn moeder zou afsplitsen, zouden we het dan waardevoller vinden dan een kind dat in de baarmoeder ontstaat uit een enkele bevruchte eicel, als product van processen (onder andere toevallige) die we met wetenschappelijke termen kunnen beschrijven?’ Het antwoord is natuurlijk: nee. Ook al bepaalt het toeval welke chromosomen en welke genen er in de eicel en zaadcel terechtkomen, welke zaadcel er met welke eicel samensmelt en of de bevruchte eicel zich innestelt in de baarmoederwand. Ook al spelen er zich talloze processen af die in de genen zijn voorgeprogrammeerd, die we in de medische studieboeken (zoals ik die in de kast had staan) kunnen beschrijven en op basis waarvan we voorspellingen kunnen doen. Ook al duurt het van ene cel tot volledige baby wel negen hele maanden: het proces leidt tot een mens die volledig dezelfde waarde heeft als was hij uit het niets door God geschapen. En die waarde heeft hij omdat hij door God is geschapen. 
 We weten nu meer over embryologie, maar kunnen nog steeds volmondig de psalmist naspreken als hij zegt: "U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel." (Psalm 139:13). We weten nu alleen meer over de manier waarop God dat 'in het verborgene' gedaan heeft (vers 14). 

Kortom, we geloven niet meer in een God van de gaten, die kleiner wordt naarmate we meer kunnen verklaren. (zie daarover mijn filmbespreking over Angels and Demons). We weten dat God nog steeds spreekt door de donder, ook al kunnen we die met natuurkundige theorieën beschrijven. We dienen een God die overal bij betrokken is, zelfs bij de processen die wij als toeval beschouwen. Hij kent de haren op ons hoofd, hij ziet elk musje op het dak, en hij weet ook van elke trilling en beweging van elk atoom en elektron in het hele heelal. En hij gebruikt die om tot zijn bedoeling te komen. Dus mogen we gebruikmaken van ontdekkingen uit de moderne medische wetenschap (vaak gedaan op basis van evolutionistische aannames met betrekking tot de verwantschap tussen dieren en mensen!), en als we genezen door een medicijn te slikken, mogen we weten dat dit net zo zeer het werk van God is als wanneer we door handoplegging waren hersteld. We hoeven het bovennatuurlijke, ogenblikkelijke werken van God niet meer te verheffen boven het werk van God dat we beschrijven door middel van de natuurwetten. 


Bovendien is Hij kennelijk een kunstenaar die het proces waardoor zijn bedoelingen tot stand komen minstens even belangrijk vindt als het eindproduct. Er is zojuist een boek van mij verschenen. Het ligt nu bij mij op mijn tafel. Maar het is niet spontaan uit mijn gedachten voortgekomen. Ik knipte niet met mijn vingers en opeens stond het op de harde schijf. Het is het product van een proces, waarbij ik mijn gedachten voorzichtig probeerde te formuleren, waarbij ik corrigeerde en inkortte, waarbij ik anderen ernaar liet kijken en hen zelfs invloed liet hebben, waarbij ik gebruik maakte van andere boeken en de bijbel als bronnen, en waarbij ik uiteindelijk de controle uit handen gaf aan mijn uitgever. En nu ligt er een boek, dat helemaal mijn boek is, nog mooier dan ik in gedachten had toen ik begon. Ik zeg niet dat dit laatste geldt voor God en zijn schepping, maar ik weet wel dat er geen enkele kunstenaar is die niet werkt door middel van een proces. Dat geldt voor een beeldhouwer. Voor een schilder. Voor een schrijver. En zelfs voor een fotograaf. Deze menselijke scheppers hebben een relatie met hun schepping, van de ruwe grondstof tot het voltooide eindproduct. Het is een innige relatie, waarbij de klei onder de vingers van de pottenbakker langzaam vorm aanneemt, en de vingerafdrukken van de maker deel gaan uitmaken van de uiteindelijke pot. Het is iets intiems en moois. Het duidt op een diepe verwevenheid van maker en maaksel.


En dit is de manier waarop God nog steeds met onze levens bezig is. De groei in ons leven vindt niet plaats in een enkel moment, we zijn niet plotseling helemaal anders, we zijn niet in een klap volmaakt, nee: God werkt ook nu nog het liefst door processen. Hij is er tevreden mee als we niet stante pede volmaakt zijn, hij kan leven met imperfectie en onaffe situaties. Hij is niet bang van ‘works in progress’. Nee, als wij ons aan hem overgeven, vormt Hij ons naar zijn beeld. Maar de manier waarop hij dat doet is in een proces. En hij gebruikt daarbij niet alleen en misschien wel meestal niet de bovennatuurlijke methoden voor. Hij gebruikt processen en wetmatigheden die wij misschien zouden afwijzen. Hij gebruikt het toeval (wat niet betekenisloos is, maar ‘wat ons toevalt’, zoals ik het Antoine Bodar eens hoorde zeggen), de mensen die op ons pad komen, de twijfels, de mogelijkheden, de tegenvallers, vreugde, schoonheid, relaties, alles om ons te maken tot wie we bedoeld zijn te zijn. Het is niet aan ons om daarover te oordelen. De klei moet niet in opstand komen tegen de pottenbakker. We moeten ook geen wonderen eisen, of klagen dat we nog niet af zijn. Nee, we mogen zien dat we ons in een proces bevinden, het scheppingsproces van een kunstenaar, die ons dag na dag, moment na moment, vormt naar zijn wil. En we mogen alles wat we in ons leven tegenkomen, ook het schijnbaar toevallige, zien als de instrumenten die God in dat proces kiest te gebruiken. En erop vertrouwen dat aan het eind van dat proces, ook al denken wij dat gewoon gebeurde dat moest gebeuren, Gods bedoeling helemaal vervuld zal zijn.
Dit hangt samen met een andere verandering die het gevolg is van de stap van jonge aarde creationisme naar een langere ontstaansgeschiedenis van het heelal en het leven, namelijk in de manier waarop we onszelf zien. Maar daarover meer in het volgende deel.

3 opmerkingen:

  1. Je voorbeeld van het kind dat zich langzaam ontwikkelt, vind ik geheel niet sterk. Feit is dat het kind al bij de conceptie 100% homo sapiens is, zij het in ontwikkeling. Maar vanaf uur-u een echt mens.

    Als mensen zich langzaam uit lagere primaten hebben ontwikkeld, is er wel degelijk een vraag over de menswaardigheid. Dan is er immers GEEN principieel onderscheid, slechts gradueel.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Maar het gaat hier niet over het zijn van homo sapiens, maar over de betekenis en waarde van het individu, dat kennelijk op basis van een wetenschappelijk te beschrijven proces (ogenschijnlijk onder invloed van wat wij beschrijven als toeval) is ontstaan. Kennelijk is dit de manier waarop God individuen schept.
    Dan is het niet onredelijk om aan te nemen dat God ook processen gebruikt (die wij wetenschappelijk kunnen beschrijven) om de mens als soort te scheppen.
    Het punt is nu juist dat zoals het proces van de embryologie niet de waarde van het individu vermindert, een langduriger ontstaanproces van de mens zijn waarde als schepsel van God ook niet vermindert.
    En zoals ik zei (en Medema met mij): er zijn sterke aanwijzingen in de genen dat de mens een voorouder deelt met mensapen. Ik kan niet die overtuigende aanwijzingen naast me neerleggen zonder de realiteit te ontkennen, of God tot een leugenaar te maken die schijnbaar valse bewijzen in ons DNA heeft ingeschapen.

    Johan

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Bovendien denk ik dat onze uniciteit niet gelegen is in het biologische, maar in de adem van God die ons is ingeblazen. Ik vermoed zelf dat het een aanwijsbaar moment is geweest waarop de mens zich van zichzelf en van God bewust werd (waarop God zijn adem in de neus van de mens blies), en dus morele verantwoordelijkheid kreeg.

    Johan

    BeantwoordenVerwijderen