maandag 10 november 2014

Filmbespreking: Interstellar

Hoe zouden Christopher Columbus en zijn medereizigers zich hebben gevoeld, toen ze na een lange reis over zee, plotseling land aan de horizon zagen. Een nieuwe wereld. Waar nog geen Europeaan voet had gezet (uitgezonderd wat Vikingen ver naar het noorden). Andere bomen, andere vogels, andere mensen. En alles moest nog worden ontdekt. Het lijkt me met niets te vergelijken: verwondering, verwachting, opwinding, spanning. Ik heb er al een voorproefje van als ik in de bergen van het pas afga en een kleine waterval vind, maar dat valt in het niets bij het binnentreden van een totaal nieuwe omgeving. Misschien dat sommige speleologen dat gevoel nog ervaren bij het binnentreden van nieuwe grotten, of diepzeeduikers, maar het aantal witte plekken op de kaart neemt nogal af.
De enige zee die we nog niet zijn overgestoken, en waar we ondertussen weten dat er nieuwe werelden liggen in overvloed, is die van de ruimte. Ja, we hebben de maan bezocht, en er rijden robots rond op mars (in zichzelf trouwens al een reden tot verwondering), maar denk aan de manen van Jupiter. Europa met zijn oceaan onder het ijs. Of die van Saturnus, zoals Titan met zeeën van methaan. En dan de planeten rond andere sterren. Waarvan er meerdere voor leven geschikt zouden moeten zijn. Ze prikkelen in elk geval mijn verbeelding. Ja, het vacuüm van de ruimte is niet zo makkelijk te overbruggen en gewichtsloosheid en straling doen de menselijke gezondheid geen goed. Maar Columbus en zijn mannen namen vergelijkbare risico’s (denk aan scheurbuik). En we weten inderdaad niet hoe de omstandigheden zijn op andere planeten (misschien wel gevaarlijk). Maar dat wist Columbus ook niet (er leefden bijvoorbeeld jaguars in Zuid-Amerika). En toch zijn we al veertig jaar niet naar de maan geweest. Plannen om mensen naar Mars te laten reizen worden uitgesteld. En van de sterren dromen we al helemaal niet meer.
Ik vind het teleurstellend, maar ja, ik ben dan ook diep van binnen een ontdekkingsreiziger. Mijn eerste verhalen die ik op school schreef gingen al over verre reizen en bijzondere ontdekkingen (een fietstocht door het Amazonewoud, de ontdekking van het monster van Loch Ness), en de hoofdpersonen van mijn latere avonturenverhalen drongen ook in nieuwe gebieden door. Zowel Neptunus als De Derde Macht gaan over ontdekkingsreizigers. En Het Wrak ook. Net als veel van mijn korte verhalen. De fantasie is nog de enige plek waarin de ervaring van het binnentreden van een nieuwe wereld mogelijk is. Het is de reden dat ik fan ben van science fiction-verhalen.
Maar ook dit genre lijkt de exploratiezucht te zijn vergeten. Er zijn meer films over postapocalyptische samenlevingen en grimmige onderdrukking met behulp van technologie, dan over de verkenning van ons heelal. En als er dan een keer een in de bioscoop komt, maakt de verwondering al heel snel plaats voor angst en afgrijzen. Of door de monsters die mensen aantreffen (zoals in Prometheus), of door de monsters die mensen zijn (Avatar). Films over andere werelden tekenen ze af als bedreiging, en maken de mensen die ze willen ontdekken belachelijk: het risico is het niet waard, lijkt de conclusie. Zijn we zo in onszelf en in onze wereld teleurgesteld? En dat terwijl deze verhalen en films ons juist hadden kunnen inspireren. Ze hadden onze fantasie kunnen prikkelen, ons verlangen kunnen aanwakkeren en ons weer enthousiast kunnen maken voor de wereld buiten ons.
Gelukkig komt er af en toe een film in de bioscoop die dit ook inderdaad doet. Zoals de nieuwste film van Christopher Nolan: Interstellar. De trailers maakten het al duidelijk, met de tagline ‘Mankind was born on earth, it was never meant to die there’. Deze film verontschuldigt zich niet voor de ontdekkingsdrang van de hoofdpersonen, de fascinatie met andere werelden, en de oproep aan de mens om weer te gaan dromen. En alleen daarom al zal ik hem van harte aanbevelen. Want volgens mij hebben we het weer nodig om te kunnen dromen.

Onze wereld is namelijk hard op weg te veranderen in de wereld uit Interstellar. Een wereld waar plantenziektes de meeste gewassen hebben uitgeroeid (behalve mais), en stofstormen razen over de velden die zijn overgebleven. De resterende mensen wijden zich toe aan de landbouw. NASA is opgeheven. Op school wordt verteld dat de maanlandingen in scene zijn gezet. Deze generatie is een verzorgende generatie, die geen verlangens koestert, behalve mais te verbouwen en de volgende generatie te helpen overleven. Voor wie het nieuws volgt, is het allemaal angstaanjagend realistisch. Dierenpopulaties zijn in veertig jaar met de helft afgenomen. Klimaatverandering vernietigt landbouwgrond. Grondstoffen raken in een hoog tempo op. Het is moeilijk om hoop te houden.
In de wereld van Interstellar is Cooper een uitzondering. Hij is volgens anderen veertig jaar te laat geboren (of te vroeg). Een testpiloot die nu gedwongen boer moet zijn. Maar die wel nog steeds het verlangen koestert naar nieuwe ontdekkingen. Hij heeft dan ook weinig aansporing nodig als hij een vreemde zwaartekrachtsanomalie aantreft, die een locatie in de bergen lijkt aan te wijzen. Hij volgt het spoor en bereikt een uiterst geheime installatie. Het blijkt dat wat is overgebleven van NASA een laatste ruimtereis aan het voorbereiden is. Een reis naar een ander sterrenstelsel. Vlak bij Saturnus is namelijk een wormgat opgedoken, en daarachter zijn al waarnemingen gedaan van mogelijk levensvatbare planeten, cirkelend om een zwart gat. De expeditie moet vaststellen of een daarvan gekoloniseerd zou kunnen worden. Cooper wordt gevraagd mee te gaan als piloot. Dat betekent echter wel dat hij zijn dochter op Aarde moet achterlaten. En zij heeft grote bedenkingen tegen zijn vertrek. Wat Cooper aanzag voor een anomalie, is volgens haar een geest, die met haar wil communiceren. De boodschap: ‘Blijf!’ Het lijkt een waarschuwing …

Aan mijn hooggespannen verwachtingen kon deze film niet totaal recht doen. Dat ligt een beetje aan de stijl van Christopher Nolan, die een beetje klinisch is, en zelfs bij intense actiescènes een emotionele afstand houdt. Maar in andere opzichten was ik aangenaam verrast. De lange aanloop van de film, die zich op Aarde afspeelt, met in mijn ogen geloofwaardige familierelaties. Het mysterie van de geest. Verschillende ideologische discussies, die leiden tot spanningen tussen de hoofdpersonen. De interessante gevolgen van ruimtereizen voor tijdsbeleving en de weergave van andere kosmologische fenomenen. Een onverwachte gastrol van een van mijn favoriete acteurs. Van andere aspecten wist ik dat ze goed zouden zijn: de reis door de ruimte. De planeet Saturnus. Buitenaardse werelden die niet lijken op de onze. Goed acteerspel van Matthew McConaughy. Imposante muziek. Ik werd helaas een beetje uit het verhaal gehaald door een zwart gat, waarvan de zwaartekracht wel de tijd verstoorde, maar niet de hoofdpersonen uit elkaar trok (wat toch had gemoeten). Aan de andere kant heb ik ook een verhaal geschreven over een tocht door een zwart gat, dus de pot verwijt de ketel. En ik vond het einde niet helemaal recht doen aan wat ervoor kwam. Het klopte wat het plot betrof wel (hoewel het wat klinisch was), maar thematisch voor mijn gevoel niet. Ik zal hier later in de filmbespreking op terugkomen.

Het verhaal van deze film zou zijn gebaseerd op de ideeën van theoretisch natuurkundige Kip Thorne. En ik denk dat veel mensen die kritiek hebben op deze film, en op het einde ervan, zich niet realiseren met welke vragen de wetenschap zich op dit moment bezighoudt. Het gaat namelijk niet om het vallen van bollen van een scheve toren, of reacties in een reageerbuisje. De vragen die wetenschappers stellen zijn veel fundamenteler. Het gaat om de verschillende natuurkrachten en of die wellicht tot een enkele basis te herleiden zijn. Het gaat om de eerste microseconden na de oerknal en hoe de natuurwetten toen ‘uitkristalliseerden’. Het gaat om de vraag hoe het kan dat die natuurwetten het ontstaan van (intelligent) leven mogelijk maken. Ideeën om hiervoor verklaringen te geven, postuleren het bestaan van parallelle universa (zoveel dat alles wat mogelijk is, ook bestaat), waarvan wij toevallig in een bewoonbare leven. Anderen suggereren dat leven en intelligentie zelf de reden zijn voor de leven mogelijk makende eigenschappen van ons heelal. Er is een groep van wetenschappers die suggereert dat ‘leven’ een eigen ‘natuurkracht’ is, die ook moet worden meegenomen bij het zoeken naar de ‘grand unifying theory’. Anderen gaan verder, en stellen dat intelligentie, het kunnen begrijpen van het heelal, ook realiteit heeft (en geen illusie is, voortgebracht door zenuwcellen), en dus ook deel moet uitmaken van de ‘grand unifying theory’. En uitgaande van het idee uit quantummechanica dat een waarnemer bepaalt hoe een quantumfunctie uiteindelijk uiteenvalt, zeggen zij dat het universum levensvatbaar is voor ‘waarnemers’, omdat er ‘waarnemers’ zijn. Ze postuleren zelfs een verre toekomst waarin alle materie in het heelal deel uitmaakt van intelligentie. Die dus tegen de stroom van de tijd in, door het waarnemen ervan, de geschiedenis bepaalt.
Deze ideeën zijn controversieel, maar worden wel serieus genomen. Want anders zijn er maar twee mogelijkheden: dat alles wel heel toevallig is, of dat er een ontwerper is (en beide zijn niet echt wetenschappelijke uitspraken). Wie hierover een vrij toegankelijk boek wil lezen, raad ik ‘The Goldilocks Enigma’ aan van Paul Davies (zie mijn recensie). Ik herkende veel van de theorieën uit dit boek in Interstellar, van het serieus nemen van menselijke intelligentie (en nog radicaler: liefde) als werkelijke, relevante eigenschappen van ons universum tot het idee van een doorontwikkelde intelligentie die haar eigen verleden bepaalt aan toe. De film lijkt vergezocht, maar is het dus helemaal niet.
En ik vind het zelf wel fascinerend dat menselijkheid, intelligentie en liefde, nu eens serieus genomen worden in de science fiction. Ik moest denken aan C.S. Lewis, die in ‘Miracles’ ook suggereert dat het feit dat wij personen zijn, niet een toevallig voortvloeisel is van bewegingen van atomen in onze hersenen, maar daar los van staat. Ons denken wordt niet veroorzaakt door atoombewegingen, maar zet zelf atomen in beweging. Maar (anders dan Lewis betoogt) hoeft dat niet te betekenen dat ons denken ‘bovennatuurlijk’ is. Waar het wel op duidt, volgens mij, is dat dit heelal niet slechts ‘materieel’ is (het is in elk geval niet zo eenvoudig als ‘atomen’ en ‘energie’, denk aan de begrippen van ‘donkere materie’ en ‘donkere energie’, en bizarre zware deeltjes die toch geen interactie aangaan met reguliere materie). Het heelal is niet koud en dood als een aflopend uurwerk, maar een levende plek. Een plek waar achter de atomen en fotonen begrip en liefde zindert. En dat suggereert de aanwezigheid van persoonlijkheid, van een persoon. (Coopers dochter Murph zegt het van haar ‘geest’, dat ze die geen ‘geest’ noemt omdat ze er bang van is, maar omdat ze hem als persoon ervaart).

Dat vond ik een relevant punt in het script. Liefde is namelijk altijd persoonlijk. Niet abstract. Er worden twee mogelijke motivaties tegenover de liefde gezet. De eerste is die van de overleving van de soort. Als er niet individuele kolonisten naar een andere planeet gebracht kunnen worden, moet in elk geval de menselijke soort blijven bestaan. Al is het door het opkweken van eerder ingevroren bevruchte eicellen met behulp van draagmoeders. In plaats van liefde voor concrete individuen, wordt gesuggereerd dat de mens moet opgroeien tot ‘liefde voor de soort’.
Degenen die dit voorstellen klinken als het karakter Weston in het boek ‘Out of the Silent Planet’ van C.S. Lewis. Hij vindt ook dat hij, zelfs als hij de slechtste dingen doet aan individuen, toch gedreven wordt door liefde, omdat hij wil dat de mens zich over het heelal verspreidt. Lees het maar in zijn eigen woorden: “Life is greater than any system of morality; her claims are absolute. It is not by tribal taboos and copy-book maxims that she has pursued her relentless march from the amoeba to man and from man to civilization.She has ruthlessly broken down all obstacles and liquidated all failures and today in her highest form civilized man - and in me as his representative, she presses forward to that interplanetary leap which will, perhaps, place her for ever beyond the reach of death. It is in her right, the right, or, if you will, the might of Life herself, that I am prepared without flinching to plant the flag of man on the soil of Malacandra: to march on, step by step, superseding, where necessary, the lower forms of life that we find, claiming planet after planet, system after system, till our posterity - whatever strange form and yet unguessed mentality they have assumed - dwell in the universe wherever the universe is habitable.” C.S. Lewis maakt die houding subtiel belachelijk door de vertaling die Ransom geeft.
De vergissing is natuurlijk dat we als mensen personen zijn en onze liefde dus ook persoonlijk is. En wat we liefhebben is ook concreet, persoonlijk, buiten ons. Ja, we kunnen vechten voor idealen, maar als dat ten koste gaat van individuen, is dat geen liefde. Als we individuen opofferen voor iets abstracts, zijn we liefdeloos. Dan staan we aan de kant van de duivel en niet van God. Ook in deze film offeren de voorstanders van het ‘redden van de soort’ individuen op voor hun ideaal, door ze niet de waarheid te vertellen, en te scheiden van hun geliefden. Een teken dat deze benadering niet een liefdevolle motivatie is.
Een heel andere motivatie is die van de individuele overleving. Een karakter betoogt zelf dat onze hechting aan individuen, zoals kinderen, onze overlevingsdrift bevordert. Als we in onze laatste momenten onze geliefden voor ons zien, geeft dat ons de kracht om nog iets harder te vechten. Zo staat zelfs onze hechting aan anderen ten dienst van onszelf. Dit karakter betoogt dat alles wat mensen doen, zelfs ‘liefde’, uiteindelijk zelfzuchtig is. En ook dit karakter is bereid anderen op te offeren voor zijn eigen overleving. Uiteindelijk lijkt het zelfs bereid de hele mensheid op te offeren, om zelf maar in leven te blijven. 
Cooper laat echter zien dat zijn liefde voor zijn kinderen niet ingegeven is door overlevingsdrang. Want om hen de kans te geven te overleven, is hij bereid zichzelf op te offeren. Hij stelt het slagen van zijn missie boven zijn eigen voortbestaan, zelfs boven het terugzien van zijn kinderen. Hij wil in de diepste diepte verdwijnen, als zij maar gered worden. Zoals Jezus het zegt: ‘Groter liefde heeft geen, dan wie zijn leven opgeeft voor zijn vrienden.’ Liefde wordt uiteindelijk gekenmerkt door wat je bereid bent van je zelf op te geven voor je concrete, persoonlijke geliefde. Tot aan je leven toe.
En ik geloof dat deze onzelfzuchtige liefde voor concrete individuen de grondslag is van het universum.

Maar in het slot van de film, hoe slim het ook is geschreven, wordt dit punt, waarschijnlijk onbedoeld, volledig onderuit gehaald (ik geef hier een paar plotpunten weg, dus pas op!). De film wil een te afgerond verhaal vertellen, en sluit zijn eigen wereld dus hermetisch af. In plaats van een open universum, met een persoonlijke liefde achter het universum, waarin alles mogelijk is, blijkt het heelal toch klein te zijn. Ondanks alle dimensies, is het beperkt. De mens en zijn intelligentie en zijn liefde, blijkt toch alles wat er is. En intelligentie en liefde worden daardoor toch weer gereduceerd tot causaliteit. Gebeurtenissen blijken elkaar abstract te moeten opvolgen. En de macht achter het universum blijkt te worden gedreven door overlevingsdrift. Want als Cooper niet geslaagd was, zou die macht ook niet hebben bestaan. De slang heeft zich in zijn eigen staart gebeten en dus zichzelf opgegeten. De film die zo hoopvol en inspirerend wilde zijn (en wat mij betreft gedurende twee uur ook was), blijkt uiteindelijk toch net zo kil en deprimerend als alle andere sciencefiction films. Jammer. Als dit verhaal al zo mooi verteld kon worden, hoe gaaf zou dan een werkelijk hoopvol verhaal niet kunnen zijn?

zondag 9 november 2014

Gedicht: Klei

Klei

Ik probeer mezelf te vormen
uit rode klei. Zonder model
moet ik kiezen wie ik ben.
En dan kneden, buigen, trekken.
Alles kan, niets lijkt genoeg
om mij te vatten. Hele stukken
blijven buiten mijn bereik,
woest en ledig. Mensen lachen
om mijn falen. Kerven in mij
hun initialen. Ik ben niet
zoals ik mij had voorgesteld.
Armen te lang, ogen te dicht
op elkaar. Brozer dan verwacht.
Dan maar opnieuw beginnen,
maken wat aanvaardbaar lijkt
voor mijn gelijken. Maar dit werk
is vreugdeloos. Ik ben gevangen
in een huls. Bedrieg mezelf
en anderen met valse schijn.
Kunstenaar, verander mij
zodat ik word zoals bedoeld.
Kam mijn haren, bekleed mij
met wit linnen, kus mij
en voer mij van de spiegel weg.

donderdag 23 oktober 2014

Filmbespreking: What Dreams May Come

Toen een paar maanden geleden het nieuws bekend werd dat komiek en acteur Robin Williams zelfmoord had gepleegd, kwam dat als een grote klap. Ik was er meer van onder de indruk dan van de dood van Michael Jackson eerder, maar ik ben dan ook meer een film- dan een muziekliefhebber, en waardeerde Robin Williams erg vanwege zijn rollen in onder andere Alladin, Dead Poets Society, Good Will Hunting en ga zo maar door. Bij het kijken van What Dreams May Come moest ik weer denken aan zijn dood. Niet omdat zijn rol in deze film nu zo memorabel is. Hij speelt een sympathieke hoofdpersoon, en brengt zijn verbazing en vastberadenheid goed, maar het is geen rol waardoor hij zal blijven voortleven. De film zelf lijkt ook al in de vergetelheid te raken, en buiten enkele prachtige visuele effecten na (de geverfde tuin, de stad aan de overkant, de vlakte van de hel - allemaal ingegeven door romantische kunst) is dat mijns inziens niet onterecht. Een filmmaker als Christopher Nolan maakte met Inception al een veel bevreemdender beeld van een andere werkelijkheid, waardoor deze toch als zoet en oppervlakkig blijft hangen (zoals ook de romantische kunst waarop de beelden van het paradijs zijn gebaseerd uiteindelijk gekunsteld aanvoelen). Het geschetste beeld van de hemel acht ik ook theologisch zwak, alhoewel ik in de film wel mooie metaforen zag, maar daarover later meer. Nu terug naar de dood van Robin Williams. Daar moest ik aan denken, omdat deze film over zelfmoord gaat. En dat zijn karakter in de film zijn vrouw voorhoudt dat ze moet kiezen voor het leven. Het is ironisch dat Williams zelf in een zo duister gat terecht is gekomen, dat hij zelf die boodschappen niet meer kon horen en koos voor zelfdestructie in plaats van hoop. De film zelf toont ook hoe diep de wanhoop moet zijn voor iemand zo’n keuze maakt, en ik bedoel dus geen verwijt aan Williams. Zijn dood is een voortvloeisel uit onze menselijke toestand, waarbij we ons op onszelf teruggeworpen voelen en niet kunnen geloven dat we waardevol zijn, of geliefd. Maar dat betekent niet dat we niet waardevol zijn en dat we niet geliefd zijn.

Williams speelt Chris Nielsen, een arts die gelukkig getrouwd is met kunstenares Annie. Bij een auto-ongeluk komen hun beide kinderen om het leven. Die klap brengt Annie zo van slag dat ze in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden opgenomen. Er dreigt een scheiding aan te komen, maar Annie kiest ervoor om de draad weer op te pakken. Vier jaar later sterft Chris echter in een auto-ongeluk. Aan gene zijde van de dood wordt hij opgewacht door Albert, een oude vriend, die hem vertelt dat hij in de hemel is. Een hemel die er precies uitziet als een schilderij dat zijn vrouw heeft gemaakt (en zelfs bestaat uit verf). Voor hij ervan heeft kunnen genieten, krijgt hij te horen dat Annie is gestorven. En omdat ze niet gelooft dat ze er mag zijn, is ze in de hel terechtgekomen. Chris krijgt te horen dat hij dat maar moet accepteren, omdat niemand ooit uit de hel is teruggebracht. Maar hij steigert. Accepteren dat de vrouw die hij zijn hele leven heeft liefgehad, met wie hij al een keer door een hel was gegaan, die zijn leven was, voor eeuwig pijn zou lijden? Dat is hij niet van plan. Dus begint hij samen met Albert aan een reis naar de diepte om haar te gaan zoeken. Ondertussen moet hij ook de waarheid over zijn kinderen onder ogen zien, want waarom heeft hij hen in de hemel eigenlijk nog niet ontmoet?

De eerste aanwijzing dat deze film niet alleen maar te lezen is als een oppervlakkige ‘wish fulfillment’ van een Westers ideaal van het leven na de dood, was voor mij de naam van de schrijver van het oorspronkelijke verhaal. Richard Matheson. Hij is bekend als schrijver van onder andere The Omega Man, The Shrinking Man en nog veel andere verhalen (ik heb een interessante bundel SF-verhalen van hem in de kast staan). Zijn verhalen zijn meestal niet conventioneel, en zijn altijd op meerdere niveaus te lezen. Ik zie geen reden waarom dat met dit verhaal niet het geval zou zijn. (En de elementen waar ik me aan ergerde (het reïncarnatieaspect) leken er zo aan de haren bij te zijn gesleept, dat ik ervan uitga dat die niet bij het oorspronkelijke verhaal hoorden).
En een eindje op weg in de film wordt het zelfs geëxpliciteerd. Chris vraagt zijn begeleider Albert waar God eigenlijk is. Hij heeft hem namelijk nog niet ontmoet. Albert antwoordt: ‘Daarboven. En hij roept naar ons dat hij van ons houdt, en vraagt zich af waarom wij hem niet kunnen horen.’ Het lijkt eerst bedoeld als makkelijke oplossing om God buiten beeld te houden, maar niet veel later roept Chris hetzelfde tot zijn vrouw: ‘Ik houd van je!’. Maar ze hoort hem niet, gooit terpentine over een schilderij heen en zakt wanhopig in elkaar. En Chris ook, want waarom lukt het hem niet zijn liefde te communiceren? De parallel tussen deze twee scenes, zo kort achter elkaar, wijst erop dat hier het thematische hart van de film ligt, wat Richard Matheson wilde aanstippen: wat kun je doen om iemand ervan te overtuigen dat je van hem of haar houdt, als de ander je niet kan horen? Moet je dat maar accepteren en je rug naar die ander toekeren?
Ik werk op de communicatieafdeling van een organisatie, en daar heb ik wel eens de stelregel gehoord: als er iets misgaat in de communicatie en de ander heeft je niet begrepen, dan is dat niet de verantwoordelijkheid van de ander, maar van jou als degene die communiceert. Dan moet je je communicatie aanpassen. En dat is wat Chris doet. Toen hij en zijn vrouw nog leefden, dreigde hij haar ook al kwijt te raken. Zij beschuldigde hem er toen van dat hij niet bij haar was gebleven in haar verdriet, maar dat hij was gevlucht in zijn werk. En hij gaf haar gelijk. Daarom draait hij zich nu niet van haar af, maar gaat haar achterna, tot in de diepte van de hel. Als hij haar daar uiteindelijk aantreft, lukt het hem niet haar te overreden. Zijn argumenten vallen op dove oren. Ze herkent hem zelf niet. Dus besluit hij bij haar te blijven, en haar lot te delen. Hij blijft naast haar zitten, alleen om van haar te houden, zelfs al blijft zij tegen hem schelden, blijft ze hem slaan, blijft ze hem pijn doen. Zelfs al zou hij zelf dan ook verloren zijn. Hij zal zich nooit meer van haar afkeren.
Dat is precies hoe God ervoor gekozen heeft zijn liefde te communiceren naar de mensen die niet konden horen hoe hij zijn liefde voor hen uitschreeuwde. Hij heeft hen opgezocht, is bij hen komen zitten, en accepteerde zelfs hoe zij zich op hem uitleefden. Hij vergaf hen alles, omdat ze niet wisten wat ze deden. Tot zijn dood aan toe. ‘Hij opende zijn armen wijd aan het kruis’, zegt een regel in de Anglicaanse liturgie, heel mooi. Natuurlijk is het niet toevallig dat de hoofdpersoon van deze film ‘Chris’ heet. ‘Christy’ noemt zijn vrouw hem zelfs. Duidelijker kan het niet. Jezus Christus is Immanuel, God met ons. En hij heeft laten zien nooit zich van ons af te keren, zelfs niet als wij hem doden. Daar was het hem om te doen, al vanaf het begin. Niet om ons te straffen.
Albert zegt het tegen Chris: ‘Het is geen oordeel, geen rechtspraak’. Het is een gevolg. De mensen die niet de liefde van God ervaren, hebben (met de woorden van C.S. Lewis) zelf de sleutel omgedraaid aan de binnenkant van het slot. De liefde van God is namelijk niet veranderd. Ze zijn op zichzelf gericht en kiezen er kennelijk niet voor open te staan voor de ander, door zelfzucht of wanhoop. Dat is de straf - het wordt in de film ook gezegd: hun leven op Aarde was al tot een hel geworden. Zelfs de uitsluiting van mensen in het paradijs in Genesis 3 is niet te lezen als straf. God voorkomt dat de mens, die zo graag als God wilde worden en zichzelf dus centraal stelde, eeuwig zou blijven leven. Want dan zou de mens eeuwig zo op zichzelf gericht zijn, gebukt onder schaamte en de breuk met de ander. Hetzelfde verhaal uit Genesis suggereert dat de mens religie kan aangrijpen als alternatief om goed over zichzelf te denken, maar dat het vervullen van religieuze plichten niet helpt om te ontsnappen uit de eenzaamheid van het als God willen zijn - zie het verhaal van Kain. In de film komt een omgekeerd kerkgebouw voor - een treffend beeld hoe wij dat wat bedoeld is om de liefde van God te leren kennen, vervormen tot iets wat alleen ons eigen ego dient. De enige ontsnapping uit deze spiraal waarin wij wij onszelf verliezen is door de dood. We gaan verloren omdat we zo aan onze wanhoop of juis ego willen vasthouden, en kunnen alleen gered worden als we onze hand durven openen. Als we liefde toelaten. Daarop volgt de opstanding (wat in de film ook wordt gesymboliseerd, met beelden van water en onderdompeling, die met de doop en dus de dood zijn te associëren).

Voor ons die opgegroeid zijn in de westerse theologie klinkt dit allemaal vreemd, onwerkelijk. Wij denken namelijk van jongs af aan dat God zich aan een wet moet houden, en een soort ‘smetvrees’ heeft, dus dat hij zich wel van ons af moet keren als wij tekortschieten. Hij kan niet meer van ons houden, als wij niet perfect zouden zijn. En we zien het werk van Jezus (die in ons beeld vaak een heel ander karakter heeft dan God zelf) als een plaatsvervangend offer. God leeft zijn afkeer (smetvrees of ‘wettelijke straf’) uit op een onschuldige tussenpersoon (zijn eigen kind nota bene), en doet dan alsof wij die persoon zijn. Door zo te doen alsof (wij ‘staan in de positie van Christus’, of ‘God ziet ons in Christus’) kan God ons toch in zijn aanwezigheid accepteren. Maar hij kan niet werkelijk van ons, onvolmaakte mensen, houden. O wee als wij niet beschermd waren door het bloed van Jezus, dan zou hij ons wel raken met eeuwige toorn. Het is dus aan ons om ons te bekeren en ons achter het offer van Jezus te scharen, willen we kunnen zeggen dat God van ons houdt (niet van ons, maar van ons ‘In Christus). En we moeten ons best doen daar niet van achter vandaan te komen.
Gisteravond, toen ik deze film bekeek, werd ik voor het eerst echt boos om dit beeld van God. Echt boos. Het is toch van de zotte dat een man ervoor kan kiezen zijn vrouw te blijven liefhebben, ook als ze psychisch ziek is en hem uitscheldt, of ouders alles doen om in contact te blijven met hun kinderen, maar dat God zijn schepselen zomaar zou laten vallen als ze een fout maken, pijn hebben, of zich van hem afkeren. Het kan toch niet zo zijn dat God zo wankelmoedig is? Dat hij zegt van mensen te houden, maar er niets voor over heeft ze die liefde te laten ervaren? Het zou toch bizar zijn als God ons alleen maar zou accepteren als we ‘on our best behaviour’ zijn, en het hem niets zou kunnen schelen als we onszelf ‘verloren’ laten gaan? Gods liefde zou dan toch puur voorwaardelijk zijn, en geen ‘liefde’ mogen heten? Dan zou God toch meer een nare werkgever zijn, of slechte tiran? Zo’n God zouden we toch niet moeten willen dienen? Ik denk dat we hier echt boos om mogen, nee, moeten worden, want dit Godsbeeld doet totaal geen recht aan wie God is, en is dus eigenlijk zelfs godslasterlijk.
Wie God is, is voor eens en altijd zichtbaar geworden in Jezus, die mens werd, zich identificeerde met zieken en zondaars, en zich zonder protesteren aan het kruis liet nagelen om bij ons te zijn in onze dood. God die zich niet van mensen afkeert, ook niet als zij zich wel van hem afkeren. Die zich bij hen voegt en hen toeroept dat Hij van hen houdt, ook als zij weigeren naar Hem te luisteren. Die hen zelfs opzoekt in de dood, want die vormt voor Hem geen beperking. Dit is een heel ander Godsbeeld, maar wel een met diepe wortels in de christelijke traditie. Namelijk de Oosterse traditie. Kijk maar eens naar deze video waarin een Oosters Orthodoxe priester het verschil uitlegde tussen het reddingsverhaal uit de Westerse en dat uit de Oosterse traditie.


Inderdaad, God is in deze film niet in beeld gebracht, en Jezus ook niet. Maar zij worden wel zichtbaar in Chris/Christy als hij nederdaalt ter helle, en zijn vrouw daar niet alleen laat, zoals hij ook zijn kinderen overtuigt van zijn liefde en zijn respect voor hen als individu. Een krachtig beeld, dat ik op dit punt in mijn geloofsreis goed kon gebruiken. Net als Annie in deze film vind ik het moeilijk echt te geloven dat ik geliefd ben, dat iemand van mij kan houden, zoals ik ben. Zelfs als mijn vrouw me vertelt dat ze me knap vindt, en lief, en begripsvol, en moedig, lijkt het alsof ze het over een ander heeft en niet over mij. Ik vind namelijk zelf dat ik meer moet doen en beter moet zijn, voor ik geaccepteerd kan worden. Daarom heb ik dit soort verhalen nodig, om me ervan te overtuigen dat God daar in elk geval niet zo over denkt. Hij zoekt me op, ook al ben ik kritisch op mezelf en ongelukkig in mijn zelfafwijzing. Hij accepteert mijn frustratie, niet maar even, maar zo lang als nodig is tot uiteindelijk zijn liefde tot me gaat doordringen.

En nee, als lezer van N.T. Wright (en als bijbellezer), moet ik natuurlijk zeggen dat ik het in deze film geschetste beeld van het leven na de dood niet overtuigend vind. De bijbelse argumenten voor het geloof in de opstanding en het leven op de nieuwe Aarde ga ik hier niet herhalen (zie daarvoor dit blogbericht), maar ik werd hier ook aan herinnerd door de scene in de film waarbij Chris voor het eerst in de hemel is. Zijn vriend Albert vertelt hem dan dat hij een universum voor zichzelf alleen heeft, dat hij met zijn gedachten kan besturen. Alles is zoals hij bedenkt dat het moet zijn. Er hangt een vogel in de lucht, die pas gaat vliegen als Chris daartoe opdracht geeft. En ik dacht: dat zou voor mij helemaal niet de hemel zijn. Een universum dat ik bij elkaar zou hebben bedacht, zou tam, saai en voorspelbaar zijn. Ik zou alles al van te voren weten, en als ik bewegende wolken zou willen zien zou ik daar zelf voor moeten zorgen. Ik denk dat het bij de ervaring van schoonheid onontbeerlijk is dat het object een onafhankelijk bestaan heeft buiten jezelf. Dat je wordt geconfronteerd met iets echts, iets waars, iets eigens. Iets waar je een relatie mee zou kunnen hebben. Want ook liefde wil een object buiten zichzelf (denk aan de film Inception waarin de hoofdpersoon uiteindelijk ook geen relatie aangaat met de ideale vrouw in zijn droom, want die heeft niet alle kleine imperfecties van de echte vrouw. Hij wil een echt persoon kunnen liefhebben). En dat is waarom onze hoop die is van een opstanding en een vernieuwing van de schepping, in al zijn concreetheid. Misschien dat in dit licht het ‘reïncarnatie-einde’ positief is uit te leggen: als een opstanding in een nieuwe wereld. Geen fantasierijk, maar een echte wereld, waar echte schoonheid en echte liefde mogelijk zijn en blijven. Ik geloof dat Robin Williams die wereld ook zal kennen, want zoals zijn karakter dat in de film deed, zal God zich bij hem voegen in zijn wanhoop, en hem net zo lang liefhebben tot hij die liefde kan ontvangen. Gods liefde is namelijk nog veel groter dan die van Chris.

donderdag 16 oktober 2014

Gedicht: mist

Mist

Je vluchtte weg tussen de bomen,
schreeuwend, maar ik kon je niet verstaan.
De weg was te zwaar geweest. Ons doel
achter de bergpas onbereikbaar.
Ik ben je achterna gelopen
in de mist. Steeds bleef je me voor.
Ik zag je rug, misschien je enkel,
dan was je weer verdwenen. Niets te zien,
Slechts witte flarden die zich sloten.
Mijn roep leek zinloos, doofde uit,
ik kon mezelf niet horen. De kou
sloeg ketens om mijn benen, mijn hart.
Maar ik bleef gaan, sloeg takken weg,
volgde afdrukken in het mos.
Tot ik je ontwaarde bij de rivier
water rond je voeten, gezicht betraand.
Ik riep je naam, je leek te schrikken,
keerde je om. Je ogen werden groot.
Mijn angst smolt weg en ik zag jou stralen.
De wind stak op en blies de hemel schoon
toen wij elkaar opnieuw omarmden.
De reis volbrachten we daarna samen.

maandag 6 oktober 2014

Gedicht: Gevangenis

Gevangenis

U opende mijn cel,
doorbrak de harde muur
rondom mij, trok mij op,
gaf mij een vrijbrief mee.
Wat ik ook deed, u zou
altijd van mij houden.
Ik keek. Ogen pijnlijk
door fel licht. Rondom mij
een wereld vol opties.
Bergen hoog, bossen diep,
paden zonder zichtbaar eind,
verre onweerswolken
En niemand die me zei
welke weg de beste was.

Nu vraagt u wat ik wil.
Ik bouw mijn kooi weer op.
Gebruik dezelfde plek
als eerder. Dezelfde
tralies, hetzelfde slot.
Draai zelf de sleutel rond
en gooi hem weg. De kramp
neem ik voor lief net als
het werk, het eten slecht.
Ik zoek niet langer naar
identiteit. Veilig
ben ik voor verlangen.
Alles is beter dan
mezelf te mogen zijn.

donderdag 18 september 2014

Gedicht: Acceptatie

Acceptatie

De bloem is goed genoeg
Gewoon zoals hij is,
ontvangt de stralen van de zon.
En het gras. Geen onderscheid
wordt door Gods hand gemaakt.
Gulle regen verkwikt
wie haar wil ontvangen.
Zelfs het nederigste mos.
De vogel krijgt in overvloed
dagelijks brood, en vindt
zich in zijn val gedragen
door plotselinge wind.

donderdag 11 september 2014

Gedicht: Dialoog

Dialoog

Ik vraag:
"Bent u met mij tevreden?
Doe ik
wat u van mij verlangt?"

U zegt
dat ik in mijn hart moet kijken.
Wat is 't
dat ik boven alles zoek?

"Schoonheid
te vinden en te scheppen.
Waarheid.
Er te zijn voor vrouw en vriend.

Niets meer
hoef ik als dit voor mij echt wordt;
mens zijn,
oprecht mezelf op elk moment."

"En hoe
wordt dit zichtbaar in je leven?
Draagt vrucht
wat in je ziel is uitgezaaid?"

Ik knik.
Elke dag zijn er weer kansen,
contact
met de ander buiten mij.

Stilte.
Dan moet ik naar adem happen
Ik zie
wat u met mij hebt bedoeld.

Maar toch
Kan ik het niet laten rusten:
"Doe ik
echt wel genoeg voor u?"

"Waaruit
is deze vraag ontsprongen?
Door welk
geloof is hij geïnspireerd?"

"Niet door
schoonheid, waarheid en liefde,
maar angst
dat God toch boos zou zijn."

Uw stem
blijft echter vriendelijk.
Ik weet
dat ik mezelf de last opleg.

Nog niet
kan ik de teugels laten vieren.
Maar ooit
vind ik de vrijheid die u schenkt.