dinsdag 26 mei 2015

Gedicht: Geluk

Geluk

“Ik ben”, zei ik, “gelukkig.”
En ik schrok, mijn woorden
schenen wezensvreemd voor mij
die korte weken her nog
klaagde over slaap en stress,
een piepend oor, prikkende
vingers, mijn been ontstoken
en malaise. Toch was het waar.
Op dat moment was ik
geheel mezelf en levend
in het moment. Geen zorgen
en geaccepteerd door wie
mij vergezelde. Zwevend
als een zeepbel boven gras
tegen de blauwe lucht.
Gekleed in regenbogen
steeds verschuivend van hun plek
maar nooit verdwijnend,
rustend op de handen van
de wind. En kalm wachtend
op de tak die mij doorboort,
het vlies weer doet verdwijnen,
kleur terugbrengt tot herinnering.
Het lijkt te kort. Waarom
kan ik het gevoel niet vangen
in beton? Dat blijft, dat slijt niet.
Dat is grijs, altijd gelijk.
Ik wacht liever op wat komt
aangewaaid: niet één bel meer
maar vele, een ketting vol
met ogenblikken. Allen mooi
en allen anders. En de wind
blaast ze tot in eeuwigheid.

woensdag 13 mei 2015

Gedicht: Terugkeer

Terugkeer

En opeens is het zover:
de lucht weer blauw, het blad
van bomen schreeuwend als
de brengers van goed nieuws.
Kastanjes steken vlaggen op.
De bermen vol confetti:
fluitenkruid. Het geel van 
boterbloemen schettert
als trompetten. Het kwam uit 
het niets, rolde tapijten uit
bijna te fel voor mijn ogen
over de weiden. Het elastiek
is teruggeveerd. Het was zo strak
gespannen, leek te breken.
De wereld hield haar adem in.
Werd grijs. Niet meer. Terug is
het leven, deelt verkwistend 
uit van zichzelf. En ook aan mij.
Ja, dit gaat ooit voorbij. Eens went
de overdaad, verdwijnt de jeugd.
Maar nu ben ik hersteld 
en dans, mijn bed gedragen
op mijn schouders, op het feest.

zondag 10 mei 2015

Filmbespreking: The Avengers - Age of Ultron

Ik ben een behoorlijke liefhebber van superheldenstripboeken en ook van superheldenfilms. Als er een superheldenfilm in de bioscoop draait, ga ik daar dan ook heen. En meestal niet slechts een keer. Of het nu de X-men zijn, Spider-Man of Batman, ik ben steeds geboeid door de verhalen over mannen en vrouwen die door het lot bijzondere gaven toebedeeld krijgen en de keuzes die ze vervolgens maken (om even kleurrijke schurken te bevechten) of niet meer kunnen maken (omdat de ‘gewone’ mensen ze wantrouwen). De krachten en kostuums van de helden en heldinnen maken kleurrijke actiescenes mogelijk, maar tegelijk blijft het gaan om mensen en hun dagelijkse beslommeringen. Het zijn dus niet de omstandigheden die zijn uitvergroot, maar de karakters. Ze zijn misschien wel Herculus, maar ze moeten nog steeds de mest uit een stal vegen. Daardoor maken ze (net als een groot deel van de heldenverhalen uit de oudheid) de zorgen en dilemma’s van ons eigen leven voor ons helderder zichtbaar, en ook de weg om daar bovenuit te stijgen. Want zoals Neil Gaiman al zei, op basis van een citaat van Chesterton: sprookjes zijn waar, niet omdat ze zeggen dat draken bestaan, maar omdat ze zeggen dat ze kunnen worden verslagen. Als het Peter Parker lukt om ondanks zijn moeilijke omstandigheden zijn vriendelijkheid te bewaren en voor anderen er te zijn, dan kan het ons ook lukken. Dat is volgens mij een van de redenen waarom er zoveel superheldenparafernalia op jongens(en steeds vaker ook meisjes)kamers te vinden zijn. En omdat ook na het opgroeien de noodzaak van het maken van moeilijke beslissingen niet afneemt, blijven ook veel volwassenen geboeid door deze verhalen. Ze vervullen een belangrijke rol in de vorming van de moraliteit, en dus denk ik dat ze -analoog aan de mythologie van vroeger- niet zomaar uit de bioscoop zullen verdwijnen.
Maar er zijn mensen die niet zo blij zijn met de triomftocht van de superhelden in de filmwereld. Ze vonden een paar films wel leuk, schrijven ze in hun recensies, maar nu lijden ze aan ‘superheldenmoeheid’. Dat er nu elke paar maanden wel een superheldenfilm uitkomt, is in hun ogen overdaad. Ze lijken er naar uit te zien dat het fenomeen van de superheldenfilm instort, en de striphelden weer terugkeren naar hun obscure nichemarkt. Ik begrijp dit dus niet. Want van alle films die er over een heel jaar uitkomen (honderden) gaat het maar om enkele films, met maanden er tussenin. Hoe kan je er dan moe van worden? Er is toch tijd genoeg om ‘bij te komen’ en te genieten van al die andere films? Bovendien hoef je ze niet te kijken, als je dat niet wilt! Voor mij geldt, als fan, dat ik vaak die maanden lang wachten vind. Ik hou immers van deze films, en zou ze best elke week willen kijken. Hetzelfde geldt voor commentaar dat de komende jaren meerdere Star Wars-films zullen uitkomen. Mensen denken dat ze, als ze elk jaar een nieuwe Star Wars-film zien, dit universum zat zouden kunnen worden. Maar het gaat nog steeds om slechts een film per jaar! Ik zie niet in hoe je daar moe van zou kunnen worden. Vooral als het gaat om een fantastisch uitgebreide wereld, vol mogelijkheden om interessante verhalen te vertellen. Ook hier geldt dat ik heus elke maand wel een nieuwe Star Wars-film zou willen kijken.
Natuurlijk kan iemands liefde voor superheldenfilms veranderen. Hij/zij ziet misschien vaker terugkerende elementen en merkt dat hij verhalen voorspelbaar vindt worden. Hij/zij is misschien ook in een andere levensfase aangeland, waar andere, misschien subtielere keuzes belangrijker zijn geworden. Ikzelf merk dat ik tegenwoordig wat minder superheldenstrips lees, omdat ik wat uitgekeken ben geraakt op de voortdurende terugkeer naar de status quo, en het jammer vind dat zelfs de dood van karakters uiteindelijk geen consequenties heeft, want ze keren altijd terug. Behalve oom Ben. Ik kies liever voor afgeronde verhalen, met een duidelijk einde (met blijvende consequenties). En ik begin wat diverser strips te lezen, dus ook meer SF-verhalen, of verhalen met een fantasytintje. Het betekent niet dat ik ben vergeten waarom ik een paar jaar geleden superheldenstrips helemaal het einde vond, en die kwaliteiten niet kan waarderen als ik ze weer tegenkom. Ik ben dan wel opgegroeid, maar ik heb het kind in mij niet achtergelaten. Mocht je merken dat je niet zo van superheldenfilms houdt, even goede vrienden. Maar klaag niet over een ‘superheldenmoeheid’. Ga gewoon naar films waar je wel van houdt, en laat ons genieten van die zeldzame keren dat we onze helden op het witte doek ontmoeten.

Dat moest er even uit, onder andere na het lezen van wat minder lovende recensies van Avengers - Age of Ultron - de laatste superheldenfilm in de bioscoop, en een fantastische prestatie van regisseur Joss Whedon. Misschien niet zo vernieuwend als de eerste film, en behept met een overdaad aan karakters (die allemaal een eigen verhaallijn moeten meekrijgen). Sommige scenes zijn door die overdaad wat moeilijk te volgen geworden, en welke rol iedereen moet spelen in de ontknoping is niet altijd duidelijk. Ook zijn emotionele scenes niet altijd zo krachtig als ze hadden kunnen zijn, omdat we de personen in kwestie maar een paar minuten hebben gevolgd. De film had van mij een half uur langer mogen wezen! De muziek is niet heel memorabel, maar aan de andere kant zit er veel humor in de film (aan Whedon wel toevertrouwd), en is het slot (hoewel wat langdradig) passend episch. Voor een superheldenfilm vond ik er ook een verrassende diepgang in zitten (waarover later natuurlijk meer).

Marvel werkt al sinds 2008 aan de opbouw van een universum bestaande uit diverse striphelden, die elkaar dus ook op het scherm kunnen ontmoeten. Dit culmineerde in de eerste Avengers-film, waarin een team van superhelden het moest opnemen tegen een buitenaardse invasie. En in deze film ijlen de gevolgen van dat avontuur nog na. De speer van de boosaardige Loki, waarmee hij mensen kon hersenspoelen, blijkt namelijk nog steeds vermist. En Tony Stark, beter bekend als Iron Man, twijfelt er nog steeds aan of hij en zijn collega’s een volgende aanval van deze schaal wel zullen kunnen afweren. Als de mysterieuze Wanda Maximoff hem een visioen voorschotelt van zijn falen, begint hij aan een ambitieus project: de creatie van Ultron, een systeem dat een harnas om de wereld moet leggen, zodat buitenaardsen geen kans maken. Maar hij vertelt zijn teamleden niet wat hij eigenlijk van plan is. En dat komt hem duur te staan als blijkt dat Ultron zijn eigen ideeën heeft over wat goed zou zijn voor de mensheid. Met de hulp van Wanda Maximoff en haar snelle broer Pietro zet hij eerst de verschillende Avengers tegen elkaar op, om vervolgens te bouwen aan een enorm robotleger. Want in zijn ogen zal er pas vrede op aarde zijn, als mensen niks meer hebben in te brengen …

Van Joss Whedon is bekend dat hij zichzelf identificeert als atheïst. Maar voor een atheïst schrijft hij behoorlijk vaak over religie (denk maar aan Shepard Book in Firefly), en ook in deze film is dat weer het geval. Hij heeft namelijk ook ergens gezegd dat hij weinig hoop heeft voor de toekomst van de wereld. En wie daarmee worstelt, zal zich bijna vanzelf vragen gaan stellen over geloof. Want godsdiensten hebben in de wereldgeschiedenis heel veel schade berokkend (laten we daar eerlijk over zijn), maar ze hebben ook heel veel mensen geïnspireerd tot daden van wonderbaarlijke naastenliefde, en inderdaad: hoop. Iets wat het atheïsme volgens mij nog niet voor elkaar heeft gekregen. En Whedon is door allebei deze aspecten van religie gefascineerd. De tweede Avengersfilm staat bol van de religieuze symboliek, maar er worden ook bijbelteksten in aangehaald, en er wordt opvallend expliciet naar God verwezen. Is dat alleen maar om bijbelminnend Amerika naar de film te krijgen? Zo oppervlakkig is Whedon volgens mij niet. Een aspect van de film dat bijna automatisch een religieus karakter krijgt is de opstand van een schepsel tegen zijn schepper (als een rebels kind tegen zijn vader). De val van Lucifer is Milton’s Paradise Lost is hiervoor natuurlijk het stroomschema. Maar dit element wil ik alleen maar aanstippen. Wat ik interessanter vind, is wat Whedon in deze film lijkt te zeggen over georganiseerde religie.

Ultron is volgens mij namelijk een beeld van de kerk (en van de instituten die andere godsdiensten dan het christendom kennen, maar ik houd het in de recensie bij de christelijke kerk).
Het gaat me hier niet om de kerk als bovennatuurlijk begrip (de gemeenschap van alle gelovigen, die elkaar vinden rond het werk van Christus), en zelfs niet om het samenkomen van die gelovigen rond brood en beker, de symbolen van zijn werk die Jezus ons heeft gegeven. Het gaat mij om de organisatie die de mens daar omheen heeft opgebouwd: het gebouw, zeg maar, in plaats van de mensen. De organisatie wordt door mensen opgetuigd om bepaalde doelen te bereiken. Het gebouw bijvoorbeeld om te kunnen samenkomen. Een geloofsbelijdenis om makkelijk kennis te kunnen overdragen.
Maar er kunnen al snel doelen bij komen, die niet ‘nodig’ zijn. Zoals het indruk maken op ongelovigen met pracht en praal, of een hogere toren hebben dan de kerk in je buurtdorp. Op het je kunnen onderscheiden van ketters. Of het je zelf goed kunnen voelen omdat je zo actief bent. Maar vaker gaat het om doelen die in principe goed zijn, en bijbels, zoals het verspreiden van het evangelie, of het organiseren van hulp aan achtergestelden. In plaats van op God te vertrouwen dat Hij zijn doelen in vervulling zal brengen, door zijn volk heen, gaan mensen echter vaak zelf systemen bouwen om de beoogde resultaten te verkrijgen. Ze gebruiken hiervoor menselijke middelen.  Muren, een kerkklok, banken - die allemaal gebouwd en onderhouden moeten worden. Maar ook tradities, vormen, activiteiten. Criteria om mensen in en uit te sluiten, taken die moeten worden vervuld, en waarvoor mensen moeten worden geworven. De vorm gaat onherroepelijk een beroep doen op de mensen erbinnen - hun noden en behoeften gaan ondergeschikt worden aan het in stand houden van de structuur. Hun individualiteit wordt opgenomen in het geheel. En wordt beoordeeld aan de hand van de bijdrage aan het geheel. Het systeem is het hoogste goed geworden, en is dus ‘als God’. Het wil de hoogste en belangrijkste zijn, en wil concurrenten (afgoden) tot zwijgen brengen en uitroeien (daar komen godsdienstoorlogen uit voort).
Maar zelfs als het goede dingen wil, zal het systeem zich vormen naar zijn schepper. En dat is niet God, maar de mens (en als die een systeem maakt uit een gebrek aan vertrouwen in God, gaat het om de gevallen mens - die zou sterven na het eten van de vrucht). En dus bereikt het systeem zijn doel niet op organische wijze, als in een lichaam, maar op een mechanische wijze. In plaats van de vrucht voort te brengen die God voor ogen had, brengt het de dood voort. De mensen binnen de kerk raken hun vrijheid en levenslust kwijt. Sterker nog: je hebt dode, zielloze mensen nodig om in zo’n systeem te kunnen functioneren. Wie faalt, wie zondigt, wie verlangt naar wat anders, hoort er niet bij. En de mensen buiten de kerk worden ook tot de hel veroordeeld, en zelfs mensen die anders denken of anders geaard zijn soms actief bestrijden. De kerk verlangt naar een paradijs, maar wel een paradijs waar alleen de als een robot gehoorzame kerkganger thuishoort.
Daarom verzette Jezus zich tegen het instituut van het Farizeïsme, en andere vormen van wetticisme. En daarom moeten gelovigen niet het systeem ‘vader’ noemen, of ‘meester’, want alleen God is onze meester en onze vader. Het systeem is er voor de mens, niet de mens voor het systeem. De kerk als doel in zichzelf moet dus worden bestreden, maar dit betekent niet dat er geen plek is voor het kerk-zijn (zelfs niet voor een gebouw, of voor activiteiten, tradities en vormen), maar die zijn dienend. Ze zijn geen eisen waar mensen aan worden gehouden, maar hulpmiddelen. Ze straffen niet de feilbare mensen, maar leren hen hun eigen schoonheid te zijn. Ze bevinden zich onder de mensen, tussen de mensen, als de botten in het lichaam van Christus, en helpen het groeien. Religie als instituut is dus een vijand, maar religie als uitdeler van genade en hulp (de kerk als sacrament) maakt God voor ons zichtbaar. Mijn stokpaardje van het sacramentele versus het transactionele wereldbeeld is in dit alles duidelijk terug te vinden.

Dit is het betoog van Joss Whedon. Ik weet niet of hij de connectie bewust heeft gelegd, maar het past wel heel goed. De grondslag voor Ultron wordt gelegd door Tony Stark, omdat hij bang is. Hij ziet de wereld (door manipulatie) als een vijandige plek, en kan het niet verdragen mogelijk ten onder te gaan. Hij denkt dat hij een systeem kan bouwen (mechanisch) dat de wereld kan beschermen en dat vrede kan brengen op Aarde. En Tony overlegt niet met zijn mede-Avengers. Hij vraagt niet hun advies, hij laat zich niet door hen gerust stellen. Hij vertrouwt hen niet. De basis van het systeem is dus angst in plaats van vertrouwen. En waar vertrouwen gemeenschap vormt (het is de basis voor de samenwerking tussen de Avengers die verder niet sterker van elkaar zouden kunnen verschillen), scheurt de angst de gemeenschap apart, en leidt tot ‘wij/zij’-denken. 
De robot Ultron kiest als zijn hoofdkwartier een beschadigde kerk (in het centrum van een stad) en zet zich daar op een troon. Als hij een zeldzame grondstof vindt, zegt hij letterlijk: ‘Upon this rock I will build my church’. De connectie lijkt me duidelijk. Maar daar waar Tony’s bedoelingen misschien nog goed waren, is de uitvoering van het systeem dat in elk geval niet. Ultron zegt het zelf: ‘I was meant to be new. I was meant to beautiful. The world would've looked to the sky and seen hope, seen mercy. Instead, they'll look up in horror.’ Ultron wil de hemel op aarde brengen (‘Peace in our time’), maar dat kan niet als de situatie blijft zoals die is. Als de mens blijft zoals hij is. Dus ziet hij de mensen als vijand, die moet worden uitgeroeid. Oh, hij zegt dat ze de kans krijgen zich te ontwikkelen, zich te bekeren, maar in feite veroordeelt hij ze tot de hel. Ultron heeft geen empathie met de zwakke, de breekbare. Wie niet kan meekomen met het systeem, is het niet waard te overleven. Hij zegt het letterlijk. En van zichzelf heeft hij een heel hoge dunk: hij wil voor zichzelf een nieuw lichaam bouwen. Het lichaam van een god. Het door de mens gemaakte instituut wordt een afgod. Hij wordt daarin gedreven door zijn angst voor de dood: alleen als hij almachtig is, is zijn eeuwig voortbestaan immers zeker.
De Avengers weten ondertussen dat ze Ultron in deze vorm niet kunnen verslaan. Ze zijn immers maar mensen. Maar hun hoop schuilt in het mysterieuze nieuwe karakter The Vision. Hij komt deels voort uit Ultron (de vorm), maar zijn hart is dat van Jarvis, de butler van de Avengers, gericht op dienen. En Vision ziet zichzelf ook als dienaar, als iemand die het leven wil beschermen, die bereid is zich daarvoor op te offeren. En hoewel hij goddelijk is (kijk wat hij doet met Thors hamer!), wil hij de Avengers dienen. Als Ultron hem daarmee confronteert, zegt Vision: ‘Humans are odd. They think order and chaos are somehow opposites and try to control what won't be. But there is grace in their failings. I think you missed that.’ Ultron werpt tegen: ‘They're doomed.’ ‘Yes’, zegt The Vision, ‘but a thing isn't beautiful because it lasts. It is a privilege to be among them.’ En hij sluit zich aan bij de nieuwe Avengers, geleid door Steve Rogers. Toen Tony hem vroeg hoe ze de bedreiging van de dood konden bestrijden zonder Ultron, antwoordde Steve: ‘Samen’. En als ze zouden sterven, zou dat ook zijn geweest als vrienden, samen. De dood is immers niet het einde. Er is altijd hoop op opstanding.
Geloof is iets wat hoop kan geven, maar niet als het een systeem wordt. Het geeft hoop als het mensen, van verschillende achtergronden, nationaliteiten, zwak en sterk, samen brengt. En Jezus zegt: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben ik in het midden.’ Daar wordt hij zichtbaar. Dat is de kerk.

zaterdag 2 mei 2015

Filmbespreking: Ex Machina

Het is opvallend hoe vaak hetzelfde thema kan terugkeren in films die in dezelfde periode uitkomen. Dit wijst vaak op een onderwerp dat ons als westerse beschaving bezig houdt. Zo is er de fascinatie met zombies, die lijkt samen te hangen met angst voor veroudering, maar ook voor het gereduceerd worden tot instincten. Er zijn veel verhalen over het einde van de wereld, onder andere in tienerfilms. En dit jaar gaat de aandacht uit naar kunstmatige intelligentie, en de relatie tussen de schepper daarvan en zijn schepsel. Vaak wordt zelfs bewust een religieus tintje gegeven aan het verhaal, zodat de metafoor ons niet kan ontsnappen. Het belangrijkste voorbeeld van deze trend is The Avengers Age of Ultron, de grote superheldenfilm die nu in de bioscoop draait. Vorig jaar was er Her, deze zomer volgt weer een Terminator-film. Wat kleinschaliger is Ex Machina. Maar deze SF-film zette mijn hersencellen wel flink aan het werk, wat uiteindelijk leidde tot enkele inzichten die ik graag op mijn blog wil delen.

De regisseur van de film, Alex Garland, is beter bekend als scriptschrijver van intelligente SF als Never Let Me Go, Sunshine en dergelijke. Deze keer heeft hij dus ook de regie ter hand genomen. Het is echter niet te zien dat het zijn eerste film als regisseur is. Dat is volgens mij vooral omdat hij zich in deze film beperkt heeft tot een enkele locatie en maar een handjevol acteurs. ‘Less is more’ - zeg maar. En hij heeft zijn eigen kracht, namelijk het schrijven van een intelligent SF-verhaal, ook ten volle benut. Want dit is een van de sterkste SF-verhalen van de afgelopen jaren, wat betreft de ideeën in elk geval. Waar elders vind je diepgaande discussies tussen bedachtzame personen over bewustzijn, testmethodieken, computers en individualiteit? Discussies die bovendien het plot voortstuwen? Hoewel dit geen actiefilm is, gebeurt er conceptueel heel veel. De (vooral onderhuidse) spanning wordt zorgvuldig opgebouwd. Het is vooral de sfeer die uiteindelijk dreigend wordt. Deze film wordt niet opeens een horrorfilm, gelukkig, maar blijft vooral de focus houden op meer existentiële dreiging. De vriend waar ik de film mee keek, zei dat hij nog radicalere omwentelingen had verwacht in het einde, en grotere consequenties. Maar ik vind zelf het einde wel passend.

Programmeur Caleb wint een loterij en mag een week doorbrengen op het landgoed van Nathan, de steenrijke directeur van de Google-achtige organisatie. Aangekomen op de afgelegen locatie blijkt het niet te gaan om een vakantie. Caleb mag een rol spelen in een van de grootste ontdekkingen uit de geschiedenis van de mensheid: kunstmatige intelligentie. Hij mag namelijk de Turing-test uitvoeren: testen of de persoonlijkheid van de computer inderdaad intelligentie vertoont. De computer is niet gehuisvest in een grijze doos, maar in een lichaam, een robot met een menselijk gezicht en onmiskenbaar vrouwelijk: Ava. Caleb begint met het stellen van enkele aftastende vragen en raakt onder de indruk van haar antwoorden. Maar zijn dat antwoorden die ze echt wil geven, of is ze geprogrammeerd ze te geven? En is ze geprogrammeerd om met hem te flirten, of is ze echt op hem gevallen? Als de lichten uitgaan vanwege een stroomstoring gedraagt Ava zich opeens heel anders. Ze fluistert Caleb toe dat hij Nathan niet moet vertrouwen. Dat alles wat de directeur zegt een leugen is …

Er valt heel veel uit deze film te halen aan inzichten en ik zal hieronder niet alles kunnen aanstippen (bovendien zou ik daarvoor de film nog een tweede keer moeten zien). De belangrijkste vraag die deze film probeert te beantwoorden, is hoe we kunnen vaststellen dat een computer of robot werkelijk een zelfbewuste intelligentie is geworden. Alan Turing had hiervoor een test opgesteld. Als een proefpersoon praatte met de computer die aan de andere kant van een ondoorzichtige muur stond, en hij meende dat hij met een mens te doen had, dan was de computer voor de Turingtest geslaagd. De tekortkoming van de test is natuurlijk dat er geen werkelijke intelligentie wordt gemeten, maar vooral de mate waarin de computer menselijke communicatie kan imiteren. Dat wordt door Caleb ook als bezwaar opgeworpen: is Ava werkelijk in hem geïnteresseerd, of kan ze heel overtuigend doen alsof? Kan een computer zo goed geprogrammeerd zijn dat je het verschil niet kunt merken? Vooral als haar bewegingen altijd wel iets geprogrammeerds blijven houden: ze zijn bijna te perfect! Dit is in de film het begin van een spel tussen de drie karakters: Caleb, Nathan en Ava, waarin heel erg veel op het spel staat.

Het is een spel dat we eigenlijk zelf ook steeds spelen. En wel elke keer als we met andere mensen omgaan. Want hoe kunnen we weten dat degene tegenover ons echt een persoon is, echt menselijk is? Filosofisch gezien is het voor ons niet te achterhalen, zoals we ook geen werkelijk bewustzijn kunnen vaststellen bij een computer. We kunnen het namelijk niet zien. En er is geen reden om te veronderstellen dat iemand anders zichzelf net zo ervaart als ik het doe. Voor hetzelfde geld is ieder ander een robot, behalve ik, en geprogrammeerd om de antwoorden te geven die gegeven moeten worden, of speel ik een rol in een TV-programma zoals in The Trumanshow. Of ik verzin de hele werkelijkheid om me heen.
Het enige dat ik met zekerheid kan zeggen is dat de mensen om mij heen zich ‘gedragen’ alsof ze mensen zijn met een eigen wil en een eigen persoonlijkheid. En zelfs dat kan schijn zijn, want bijvoorbeeld psychopaten kunnen soms heel goed empathie veinzen en doen alsof ze begrip hebben voor anderen. Mijn inschatting van de menselijkheid van de ander kan dus incorrect zijn. En we zijn echt niet vanzelf geneigd andere mensen ook als net zo menselijk als wijzelf te behandelen. Kijk hoe westerse mensen ooit over gekleurde mensen dachten. Die waren ‘als kinderen’, moesten door ons ‘worden opgevoed’, en hadden er baat bij als lastdieren te worden opgedreven omdat ze geen verantwoordelijkheid konden hebben voor hun eigen keuzes. Of kijk hoe mannen soms vrouwen zien als wezens die door hun biologie worden gedreven, in plaats van autonome individuen die hun eigen keuzes kunnen maken. Of kijk hoe we omgaan met mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking en hoe makkelijk het is keuzes voor hen te gaan maken, alsof ze het zelf niet kunnen. En minder opvallend dan dit gebeurt het elke dag als we anderen manipuleren om onze eigen doelen te kunnen bereiken. Als we managementtechnieken toepassen om productie te verhogen. Als we boeken lezen als ‘Hoe word ik een rat?’, of van ‘pick up artists’ leren hoe we elk meisje voor ons kunnen laten vallen. In deze gevallen zien we een mens niet als een waardevol individu dat eigen keuzes kan maken, maar als een voorwerp dat wij kunnen gebruiken. Als iets dat wordt gedefinieerd door ons en niet door zichzelf. Manipulatie is ontmenselijkend. Maar bovendien: je kunt eigenlijk pas manipuleren als je anderen niet als menselijk ziet.
Aan de andere kant geldt dat we zelf ook in veel opzichten geprogrammeerd zijn. Onze hersenen zijn een computer, maar dan een van vlees en bloed en niet van draadjes en chips. En veel van onze gedragspatronen zijn standaard in onze hersenen vastgelegd. Onze keuzevrijheid is heel erg beperkt. Is ons ‘ik-bewustzijn’ iets dat werkelijk bestaat? Het is in elk geval niet zo dat we als een marionettenspeler boven ons lichaam hangen en dat aansturen. Misschien kan ons ‘ik’ niets meer dan waarnemen hoe onze hersenen ons door de achtbaan van het leven sturen. We worden door allerlei zaken beïnvloed, en lang niet altijd bewust. Goochelaars en reclamemakers maken daar onder andere graag gebruik van. En wat als je een ongeluk krijgt en je geheugen kwijtraakt, ben je dan nog dezelfde? Of wordt je iemand anders? Dus hoe kunnen we in vredesnaam iets over andere mensen zeggen? Onze eigen ‘individualiteit’ is dus niet zo rotsvast als we zelf geneigd zijn te geloven. Vaak zitten we vast aan onze rollen. In deze film ook: aan het begin van de film zegt Nathan tegen Caleb dat ze de ‘werkgever-werknemerverhouding’ achter zich moeten laten, dat ze elkaar als gelijken moeten behandelen. Maar doen ze dat? Nee: direct daarna geeft Nathan Caleb een rondleiding en spreekt hem duidelijk toe als ondergeschikte. We zijn misschien het best te definiëren als ‘sociale robots’. Hoe kunnen we dan iets zeggen over het bewustzijn en de individualiteit van de ander?

Toch behandelen we andere mensen niet als robots. Maar ook laten we niet ieder mens die we tegenkomen een ‘Turingtest’ afleggen of snijden we andermans hersenen open om te zien of hij of zij bewustzijn heeft. We geloven bepaalde dingen over de mensen die we tegenkomen, en dat bepaalt hoe we hen (en onszelf) behandelen. Dit wordt in deze film scherp getoond. De twee karakters Caleb en Nathan hebben een verschillende a priori houding ten opzichte van Ava. Caleb is eigenlijk al direct geneigd de computer te zien als persoon. Direct gebruikt hij namelijk termen als ‘zij’ en ‘haar’, en als zij hem voor Nathan waarschuwt, vertelt hij dat niet aan Nathan. Wanneer zij aangeeft niet te willen sterven en te willen ontsnappen, neemt hij dat serieus. Hij projecteert als het ware zichzelf op Ava. Als ze er uitziet als een mens, praat als een mens, wil leven als een mens, dan is ze een mens. In de dierenwelzijnsdiscussie gebruiken veel ethici het principe dat we ervan uit gaan dat een handeling voor een dier pijn doet, als de analoge handeling bij ons ook pijn zou doen. Een staart afsnijden bij de hond behandelen we als pijnlijk omdat we een amputatie bij onszelf ook als pijnlijk ervaren. Zelfs als we niet zeker weten of de hond daadwerkelijk op dezelfde manier pijn ervaart als wij. We geven het dier het voordeel van de twijfel. Zoals Caleb Ava het voordeel van de twijfel geeft. Dit leidt tot een ethische behandeling van andere mensen, en van onszelf.
Daar tegenover staat Nathan die vindt dat haar menselijkheid eerst bewezen moet worden, voor hij haar als mens behandelt. Hij is bereid haar te demonteren, haar geheugen te wissen, en een nieuwe robot te bouwen, zonder haar om toestemming te vragen. En hij heeft eerdere robots (niet toevallig allemaal in een vrouwelijke vorm) gebruikt als slaaf, om hem te bevredigen. Het feit dat ze zelfs hun armen stuk sloegen tegen de deur om maar naar buiten te kunnen, bracht hem er nog steeds niet toe ze respect waardig te vinden. Maar Nathan behandelt Caleb op dezelfde manier: hij manipuleert hem voortdurend, hij liegt tegen hem, hij laat hem niet vrij te zeggen wat hij wil, en ga zo maar door. Nergens laat Nathan zien dat hij Caleb werkelijk als persoon waardeert, dan wel respecteert. Caleb is voor hem ook maar een radertje in het web. Als je ziet dat hij zichzelf traint als was hij een machine en anderszins zichzelf steeds dronken drinkt, kun je zeggen dat hij zichzelf ook niet ziet als waardevol individu. Hij speelt een rol en manipuleert om die zo goed mogelijk te kunnen blijven vervullen. En hij ziet andere individuen zoals hij zichzelf ziet: als manipulerende ‘robots’ die zo goed mogelijk een bepaalde rol vervullen. Aan de andere kant: dat hij vindt dat Ava haar menselijkheid moet bewijzen, is wat hem in staat stelt haar als niet menselijk te blijven behandelen. Hij bouwt dus een barrière voor haar op, die ze niet kan overwinnen. Ze zal nooit kunnen bewijzen dat ze een individu is dat hij moet respecteren. Hij zal hooguit de eis steeds hoger leggen. Deze wantrouwende houding leidt tot onethische behandeling van anderen en van onszelf. Kortom, de vraag is niet of iets of iemand aan een Turingtest kan voldoen, maar of we er a priori waarde en respect willen verlenen.

Nog fascinerender wordt het als we deze discussie naar de theologie trekken, wat deze film ook doet. Er zijn sterke parallellen in deze film met het scheppingsverhaal uit Genesis, en de vlucht uit het paradijs. Nathan ziet wat hij doet -de creatie van een artificieel intellect- namelijk als de daad van een God (en is daar maar wat trots op). Maar wat gebeurt er? Hij blijkt een schepsel te maken ‘naar zijn beeld’. Hij leeft zelf als een manipulator, en vraagt zijn creatie zich te bewijzen door te manipuleren. Er ontstaat daardoor een manipulator. Een berekenende entiteit die vriendschap, seksualiteit en empathie allen maar gebruikt om de eigen doelen te behalen. Dit is eigenlijk het gevolg van de a-priori aanname van Nathan. Hij projecteert zijn beeld van zichzelf op de ander, op zijn schepsel, en maakt haar zo zijn ‘beelddrager’. Zijn beeld is er echter niet een van vertrouwen, maar van wantrouwen, niet van respect, maar van manipulatie.
Ik realiseerde me opeens dat ik in de kerk God heb leren zien als een Nathan-achtig figuur, die zijn schepsel, de mens, voortdurend wantrouwt. Hij vroeg de mens, Hij vroeg mij, voortdurend zichzelf/mezelf te bewijzen. Ik moest steeds laten zien dat ik het waard was om gerespecteerd te worden, om gered te worden, om geliefd te zijn. En de lat leek elke keer alleen maar hoger te worden gelegd. En ondertussen werd ik naar andere mensen toe ook wantrouwend, veeleisend, dwingend. Ik ging het beeld vertonen van de God waarin ik had leren geloven, zoals Ava Nathans beeld is gaan vertonen.
Maar dat is niet hoe God is, als we Jezus geloven. Wat als Gods a-priori houding ten opzichte van de mens er niet een is van wantrouwen, maar van vertrouwen? Wat als God ons, mij, al a-priori ziet als individuen die waardevol zijn en die Hij met respect wil behandelen? Wat als wij ons niet hoeven bewijzen, zelfs niet als we ongezonde keuzes hebben gemaakt of bij Hem zijn weggehaald (het was de slang die suggereerde dat de mens iets te bewijzen had)? Wat als God ons als personen behandelt, zelfs als we ons niet zo gedragen? En zelfs als we biologisch gezien niet eens volledig vrij zijn? Wat als God op deze manier zijn beeld op ons projecteert, ons ziet als personen die vrij zijn en kunnen liefhebben, omdat Hij zelf vrij is en kan liefhebben? Als wij God zo zouden gaan zien, en onszelf zouden gaan zien op dezelfde a-priori manier als God ons ziet … als wij andere mensen (en wellicht ook dieren. En robots) zo zouden gaan zien, als respect waardig … dan zouden we niet eerst hoeven weten of iemand wel echt menselijk is, of dat iemand goed genoeg is, of iemand wel voldoet aan de maatstaven, maar dan zouden we waarde toekennen aan elkeen en met liefde en respect in het leven staan. Dan zouden we een nieuwe natuur krijgen. Dan zouden we zelf het beeld van God gaan vertonen. Dan zouden we zijn beelddragers zijn.

Dit inzicht, dat God handelt uit een a priori vertrouwen, een houding van liefde, als basis onder zijn schepping, en dat wij daar hoe gevallen we ook zijn, nooit buiten vallen, deed me naar adem happen. Het is goed nieuws! Weg met de houding van a-priori cynisme. We zijn Gods geliefde kinderen. Laten we dan ook zelf liefhebben.

donderdag 23 april 2015

Gedicht: Museum


Museum

Ze kijken me aan vanuit
hun glazen dozen met hun
kralenogen. Vacht verkleurd.
De mooiste veren grijs
onder het stof. Houding stijf
hun poot gebogen, valse grijns.
Hun naam gespeld op geel papier
in spinnenpoten, de datum
en de vinder er zorgvuldig
bij geplaatst. Zo wachten ze
geduldig, maar de optocht
trekt aan hen voorbij, nietsziend
met kromme schouders, fluisterend
over buurvrouw, koffie, werk.
Kinderen die vragen wanneer
ze weer naar buiten mogen. Licht
van hun schermen doet de schaduw
dansen tot aan sluitingstijd.
Het doek valt opnieuw. Dit was hun
kans om te bestaan. Hun laatste
glorie. In de schemering
worden ze opnieuw begraven.

woensdag 22 april 2015

Gedicht: 'The hound of heaven'

'The hound of heaven'

Ik rende jaren lang zo snel
als mijn benen konden. Vluchtte
dwars door niet vergevend land.
Mijn longen brandden. Ogen prikten
van het zweet. Een speer doorstak
mijn zijde, maar ik gaf niet op,
negeerde blaren, krampen, dorst,
door de angst gedreven. Achter mij
meende ik te horen u, hijgend
als een panter, met prooi spelend.
Genietend van de jacht wist u
mij bij te houden, waar ik ook ging
door ravijnen of door dalen.
Dus ik mocht niet meer vertragen,
niet meer struikelen, niet rusten,
rondom me kijken, ademhalen,
of u zou mij grijpen, mij straffen
voor nalatigheid. Mij verlaten. 
Maar ik faalde, viel als dood 
ter aarde, kon niet meer presteren,
alleen nog wachten op mijn lot. 
Maar dat bleef uit. Ik keek voorzichtig op.
Ik zag niets achter mij dan leegte,
hoorde de echo. Ik was het zelf
die mij had opgejaagd. Mijn brul
had mij doen schrikken. Ik wou
mezelf ontlopen. U was nooit
in het geweld te vinden. Uw stem
klonk niet zo luid. Pas toen het stil werd
kon ik u verstaan. En het was goed.

donderdag 16 april 2015

Gedicht: Strijdtoneel

Strijdtoneel

De rook ging liggen en ik zag
in het gras de resten 
van wie ik had beschoten. 
Rood de aarde. Luid het gekrijs
uit hun soldatenkelen.
Ik schuifelde voorwaarts.
Mijn hand op mijn maag,
als spiegel van hun wonden.
Ik zonk tussen hen ineen.
Mannen van mijn leeftijd.
Met mijn ogen. Mijn onschuld.
En hun wapens ongeladen.
Handen geboeid. Gedwongen 
in vijandelijke kleren.
Ik had niet gewacht, geloofde
wat spionnen zeiden, slikte
hun verhaal als zoete koek.
Liet me verraden. Loosde
mijn vuur op mijn gelijken,
bracht dodelijke slagen toe.
Negeerde mijn verlies.
Dit was het immers, ik kon
nu overwinnen. Maar mijn krans
is tot as uiteengevallen.
Nu doe ik wat had gemoeten
van het begin, schenk water
over dorstige lippen, bind
sneden toe met eigen hemd.
Ik fluister in mijn eigen oren
dat ik geen vijand ben.