maandag 14 april 2014

Filmbespreking: Divergent

Ik herinner me nog goed dat we op de basisschool gymles kregen. En het uurtje gym begon er altijd mee dat we rondjes rond de zaal moesten hardlopen. Over de lijn op de linoleum vloer, voorbij de klimrekken, langs de bankjes, langs de ruimte met de turntoestellen. Een eindeloze tien minuten lang. Ik was altijd de langzaamste. Al tijdens het eerste rondje begonnen mijn klasgenoten op me uit te lopen. En al snel liep iedereen aan de andere kant van de zaal en kwam ik in mijn eentje achteraan. Het kwam zelfs voor dat ik door de snelsten weer werd ingehaald. Het was vernederend.
En als er tijdens gym teams werden gekozen voor een potje voetbal, of volleybal, of trefbal, werd ik er altijd als laatste tussenuit gehaald, samen met een vriend van me. De groep die uiteindelijk gedwongen was mij te kiezen, mopperde dan, want het betekende dat ze zouden gaan verliezen. Soms mochten mijn vriend en ik de keuzes maken, maar het scenario waarbij wij de laatsten waren, kwam vaak genoeg voor. Ook op de middelbare school. Ook op christelijke zomerkampen. Daar gingen mijn teamgenoten bij volleybal in een halve cirkel om mij heen staan, zodat de tegenstander maar niet in de verleiding zou komen een bal naar mij te spelen.
Ergens in die periode las ik een sciencefictionverhaal over een overbevolkte Aarde. Er waren zoveel mensen dat niet iedereen in leven kon blijven. Er was een selectieprocedure opgesteld. Als een kind op een bepaalde leeftijd kwam, moet hij testen ondergaan om zijn toekomst te bepalen. Een van die testen was een hardloopwedstrijd. Wie niet snel genoeg liep, werd gedood ... Dat scenario joeg me behoorlijk angst aan. De overleving van de snelste. Ik zou het niet lang uithouden als dat ooit werkelijkheid zou worden.

Het was natuurlijk een beeld voor onze op prestatie en productie gerichte maatschappij, waarbij je uit alle macht moet proberen mee te komen, omdat je anders in het stof bijt en achter blijft. Ik moest er weer aan terugdenken bij het zien van de nieuwe film Divergent. Ik moet toegeven dat ik sceptisch was toen ik naar de bioscoop ging. Een tienerfilm, die in productie werd genomen toen The Hunger Games een succes werd, met net als dat verhaal een stoere jonge vrouw in de hoofdrol die in een totalitaire, postapocalyptische samenleving overeind moet zien te blijven en een rol gaat spelen in de revolutie. Het klonk niet heel origineel. Maar ik ben sinds kort de gelukkige bezitter van een Pathe-pas, wat betekent dat ik naar elke film kan die ik wil voor een vast maandelijks bedrag. En dit was een sciencefictionfilm. Meer excuus heb ik niet nodig. In het eerste uur leek mijn verwachting uit te komen. Behalve wat indrukwekkende beelden van de toekomstige wereld (een vervallen Chicago, met overal windturbines), bleek het verhaal behoorlijk voorspelbaar. De hoofdpersoon blijkt bijzonder te zijn, sluit zich aan bij de stoerste groep, sluit vriendschap met een paar buitenbeentjes, maakt vijanden, moet zich bewijzen en ontmoet een zwijgzame, ogenschijnlijk harde jongen, die dan toch los blijkt te komen. Een paar van de bijfiguren vond ik bovendien interessanter dan het hoofdpersonage, die toch wel wat vlak leek. Misschien om het voor het gemiddelde tienermeisje makkelijker te maken zich met haar te identificeren.
Het uitgangspunt van de film leek me bovendien ook onwaarschijnlijk. Een wereld verdeeld in vijf partijen, die elk een bepaalde karaktereigenschap cultiveren, en die verschillende taken in de maatschappij uitoefenen. Tieners worden getest om te zien bij welke groep ze horen. Bij de meesten blijkt dat de groep waar ze in opgroeiden. Als je eenmaal bij een partij hoort, mag je niet meer van keuze veranderen. En de mensen waarbij de tests voor karaktereigenschappen niet doorslaggevend zijn, zijn voor deze maatschappij gevaarlijk. Maar aan de andere kant mogen mensen ongeacht de uitkomst van de test zelf kiezen bij welke partij ze zich aansluiten. Ze mogen bij de groep van de erudieten komen, ook als ze zelf zijn getest als opofferende zielen. Maar waarom is het dan een bedreiging als er mensen zijn die meerdere karaktereigenschappen hebben? Zij kunnen toch ook gewoon kiezen? Ik besloot het maar te zien als metafoor, en toen werd de film toch nog heel erg boeiend. Vooral omdat het verhaal een duister randje krijgt, de hoofdpersoon het echt heel moeilijk krijgt, karakters onverwachte keuzes maken en aan het eind opeens niet meer voorspelbaar was wat er in het vervolg zou gaan gebeuren. Ik leefde uiteindelijk echt mee, en dat maakt de film in mijn optiek een aanrader.

Films als Divergent (en de boeken waarop ze gebaseerd zijn) bereiken hun populariteit omdat ze voor de jonge lezers een vorm van ‘wish fulfillment’ bieden. Veel tieners willen graag geloven dat ze uniek zijn, dat zij horen bij een kleine groep mensen die niet zomaar kan worden ingedeeld in een kliek, dat de hokjes en vakjes maatschappij geen greep op hen heeft, en dat als ze door volwassenen niet begrepen worden, dat is omdat het hun taak is de wereld te vernieuwen. Voor zo iemand gelden de regels en beperkingen niet, want zij zijn de uitverkorenen. Harry Potters succes was hier ook deels door te verklaren, natuurlijk. In dit opzicht zouden deze verhalen ongezond kunnen zijn. Zie bijvoorbeeld mijn analyse van de rol van fantasie in mijn bespreking van The Secret Life of Walter Mitty. Hunger Games had dit probleem minder (daar is het karakter duidelijker slachtoffer van het systeem), maar de Harry Potterverhalen deconstrueren uiteindelijk zichzelf door Harry’s status als uitverkorene en Perkamentus’ lievelingetje onder de loep te nemen, waarbij blijkt dat zijn mentor veel voor hem verborgen hield en hij erg veel gemeen heeft met de boosaardige slechterik van de serie. Zijn overwinning behaalt hij uiteindelijk niet op basis van zijn uitzonderingsstatus (zo goed kan hij helemaal niet toveren), maar op basis van zijn opofferende liefde. En deze film maakte volgens mij een vergelijkbare keuze, die de kijker uitdaagt zich niet met de hoofdpersoon te identificeren vanwege haar status, maar vanwege haar bereidheid om iets heel moeilijks te doen.

In een zeker opzicht zijn we allemaal uitzonderingen. We passen geen van allen naadloos in het systeem van deze wereld. Ik vond dat deze film dat erg goed (misschien een beetje te goed, want weinig subtiel) uitbeeldde. De hoofdpersoon, Beatrice, sluit zich namelijk na haar mislukte test, aan bij de groep ‘Dauntless’, de onbevreesden - dit zijn de politieagenten en soldaten van de samenleving, wildebrassen die niets liever doen dan uit rijdende treinen springen en elkaar bruut tegen de grond werpen. Het was me niet echt duidelijk waarom iemand bij deze groep zou willen horen, maar dat ter zijde. De nieuwe lichting leden van de ‘Dauntless’-fractie wordt met gejuich ontvangen en de jongens en meisjes reageren euforisch. Een beetje zoals je na jarenlange scholing eindelijk deel mag zijn van het volwassen bestaan en een baan vindt. Nu gaat het werkelijke leven beginnen! Geen lessen meer, maar geld verdienen! Maar de nieuwelingen wacht een onaangename verrassing. Ze hebben wel voor deze groep gekozen, maar hun lidmaatschap is daarmee niet zeker. Er volgt een intensieve training, en wie niet genoeg presteert moet afhaken. Die wordt een fractieloze, een zwerver, alleen onderhouden door de vrijgevigheid van de zelfopofferende groep. De spanning neemt dus toe. De jongens en meisjes worden afgebeuld. Wie opgeeft in een gevecht, valt automatisch af. Degenen die succesvol zijn, kijken neer op de zwakkelingen die onderaan de rangorde bungelen. Sommigen die hun positie bovenaan de lijst verliezen (want als er een stijgt, bijvoorbeeld de hoofdpersoon, valt er een ander van de lijst af!) nemen hun toevlucht tot geweld, en sluiten zich aan bij schimmige gezelschappen. Mensen worden wantrouwig, bezorgd, hopeloos.
Een zelfde gevoel bekruipt mij soms in het werkende leven, dat met zijn functiewaarderingssystemen, ontslagen, beloningen en winstdoelstellingen niet veel verschilt van de situatie binnen ‘Dauntless’. Je wordt beoordeeld op je prestaties, en als die achterblijven bij de rest, is dat je eigen schuld en val je buiten het systeem. Dit is het kapitalistische systeem. Gelukkig hebben we in Nederland behoorlijke sociale voorzieningen die nog niet te ver afgekalfd zijn, maar deze film is gemaakt in de Verenigde Staten, en daar ben je veel meer op jezelf aangewezen. Niet voor niets wordt er over carrière maken gesproken als de ‘ratrace’. Ook in Nederland lezen we boeken als ‘Hoe word ik een rat’? Bijna driekwart van de mensen geeft aan slecht te slapen door spanningen op het werk, overspannenheid komt regelmatig voor, en we moeten op vakantie om weer bij te komen. De economie is een ‘zero sum game’, waar als je niet bij de winnaars behoort, je een verliezer bent. En over andere onderdelen van het volwassen leven denken we net zo. Kijk maar naar bijvoorbeeld de ‘dating scene’ - we beoordelen elkaar, moeten bijblijven bij de minimumeisen, we concurreren met elkaar. En de prestatiegerichte manier van denken is ook in de kerk doorgedrongen. Alsof het leven een spel is dat we moeten winnen, en waarin we niet het onderspit mogen delven. Maar je kunt er niet aan ontsnappen, lijkt het. Zelfs als je het eigenlijk anders wilt, als je weet dat je diep van binnen andere dingen belangrijk vind, als je afwijkend bent. De hoofdpersoon in dit verhaal, Beatrice, staat voor dit dilemma. Als ze niet oppast wordt ze ontmaskerd, en zal ze de dood vinden. Ze moet kijken naar de mensen om haar heen, de anderen in de ‘angstloze’ groep, en zich steeds afvragen wat die zouden doen. Dat moet ze vervolgens toepassen. Ze moet de kunst afkijken. Alleen zo valt ze niet op, trekt ze niet de aandacht, is ze niet afwijkend. Het is een stressvol bestaan, en ze vindt alleen rust bij een andere ‘afwijkende’, die zich op het eerste gezicht aan het systeem lijkt te hebben aangepast, maar die eigenlijk wil voldoen aan alle goede karaktereigenschappen en niet alleen aan de ‘onverschrokkenheid’. Als ze bij elkaar zijn kunnen ze even de race vergeten, kunnen ze even niet vergelijken, dan kunnen ze zichzelf zijn.
En dan blijkt dat een groep mensen het systeem misbruikt om zelf de macht te kunnen overnemen. En alle leden van de ‘onverschrokkenen’ laten zich daarvoor gebruiken. De film gebruikt het beeld van hersenspoeling. Een chemisch stofje maakt ze allemaal ontvankelijk, en ze nemen de idealen van de leidinggevenden over als de hunne. Dus zien ze er opeens geen been in om onschuldige mannen, vrouwen en kinderen onder schot te nemen en gevangen af te voeren. Vergezocht? Ik denk het niet. Ik zag dit weekeinde ook de film The Book Thief, die zich afspeelt in Nazi-Duitsland. En heel normale burgers, jongens en meisjes, scanderen mee: ‘Deutschland uber alles’. Als je ze het voor de opkomst van het nazisme zou hebben gevraagd, zouden ze vast gezegd hebben dat ze goede mensen wilden zijn die niet zomaar anderen wilden doden. Maar het systeem heeft vat op ze gekregen en oefent nu door hen heen zijn wil uit. Ze zijn weerloos, omdat ze zich niet weerbaar hebben gemaakt. Ze hebben altijd al meegelopen, en dus lopen ze nu ook mee.
En hier wordt voor Beatrice en haar andere afwijkende partner de grens bereikt. Ze hebben zich tot nu toe kunnen verschuilen door te doen wat anderen ook deden en alleen in de veiligheid van elkaars omhelzing zichzelf te zijn. Maar als enigen zijn zij niet door het systeem ingepalmd. Als enigen zijn zij nog in staat hun eigen keuzes te maken. En ze willen niet onschuldigen het slachtoffer laten worden van de amibitie van hun eigen groep. Ik zie hier een parallel met de volgelingen van Jezus in onze maatschappij. Mensen die wel in de wereld leven, maar die niet van de wereld zijn. We moeten meedoen met de ‘ratrace’, anders kunnen we geen deel zijn van de maatschappij, dus soms moeten we de manier van handelen kopiëren van de mensen om ons heen. Maar er zijn grenzen. Daar waar de menselijke waardigheid in het geding komt, waar mensen hun identiteit dreigen te verliezen, en het slachtoffer worden van machtswellust, moeten we in opstand komen. Want dan zijn wij degenen die zien dat de keizer geen kleren aanheeft. Dan zijn wij het die zien dat het systeem misbruikend is geworden.

Hoe kunnen we het systeem veranderen? Ook daar geeft de film een antwoord op. Laat ik dit verklappen: het is niet door ook geweld te gebruiken, zoals het systeem. Het is niet door het zwaard te pakken en zelf een revolutie op gang te brengen. Dat was niet hoe Jezus het deed, en wij volgen hem. Hij veranderde het systeem door zwak te zijn, door zich aan het kruis te laten nagelen, terwijl hij bad: ‘Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen’. Het lijkt contra-intuïtief. Hoe kan zo’n daad van opoffering nu ooit de wereld veranderen? Hoe kan je zo mensen overtuigen, als je uit eigen keuze het slachtoffer wordt van het systeem? Maar Jezus’ opoffering was een daad van liefde. Juist doordat hij de mensen vergaf die het hem aandeden, konden die niet van zijn kruis wegkijken. Ze konden zijn lijden niet negeren. Want hij ontmaskerde hun betrokkenheid bij een systeem dat onschuldigen doet lijden en drukte tegelijk uit dat hij henzelf daar niet van beschuldigde, maar het systeem. En dat raakte hun hart. Daardoor werd de betovering verbroken. Hun ogen gingen open. Het systeem bleek slecht en onderdrukkend. Hun eigen daden bleken daaraan medeplichtig. En ze sloten zich aan bij de geweldloze revolutie van Gods liefde. Idealistisch? Natuurlijk. Misschien zelfs onrealistisch. Wat zwak is is immers kwetsbaar, en dat geldt ook voor Jezus’ offer. Hij nam een risico door zich zo kwetsbaar op te stellen. Want net zo goed had niemand zich er iets van aangetrokken en had het systeem de overhand behaald. Maar dat gebeurde niet. En dat is voor ons een belofte. Wij worden opgeroepen om als het puntje bij het paaltje komt het systeem te ontmaskeren. Niet door geweld, maar door opoffering. Door af te zien van een eigen systeem, maar te doen wat goed is voor de ander. Door onvoorwaardelijke liefde.
Wat er daarna gebeurt, is niet gegeven. Ook niet in deze film. En zo is het leven ook. We weten niet wat er volgt op onze keuze radicaal lief te hebben. We kunnen alleen de ene voet voor de andere zetten, en vertrouwen. Deze film herinnerde mij daaraan, en dat alleen al maakt hem de moeite waard.

donderdag 3 april 2014

Gedicht: Titanic

Titanic

De boeg is lek geslagen.
Diep onder mij bruist water,
vult ruimen, snijdt kamers af
van hun bewoners. Donker
als de aarde, koud als ijs.
Het komt de trappen op, drijft
ratten voor zich uit als vee
dat wordt geslacht. De pompen
hebben niet gewerkt. Schotten
faalden en het eind staat vast.
Slechts ogenblikken resten.

Bij de boten vechten mensen
om een plek. Door paniek
blind voor elkaar. Anderen
wachten op de dood, gelaten,
drinken whisky, lachen leeg.
Maar ik zwerf door de zalen:
voel het fluweel, zie kristal
dat fonkelt in het kaarslicht,
schone vormen in marmer
uitgehouwen. Het blijft mooi
ook al zinkt het dadelijk.

De radio blijft zwijgen.
Mijn voeten worden nat. Zee
klimt op langs het schuine dek.
Alles verdwijnt en achter blijft
slechts schuim op grauwe golven.
Toch is de diepte niet het eind.
Het gezonken schip keert terug
in glorie. Tentoongesteld
voor verwonderende ogen.
En in die nieuwe wereld wordt
mijn verhaal eeuwig bewaard.

woensdag 2 april 2014

Stand van zaken


Het staat hier boven zwart op wit (of letterlijk: wit op een gekleurde ondergrond) dat ik mijn blog niet alleen gebruik om filmbesprekingen te plaatsen, gedichten of essays, maar ook om mijn lezers te informeren over mijn andere schrijfprojecten. Maar de laatste keer dat ik een bericht plaatste dat aan dat laatste gewijd was is alweer een paar jaar geleden (behalve de jaarlijkse nieuwjaarsberichten dan). En toch is er voldoende te melden. Ik schrijf namelijk niet alleen voor deze blog. En de komende tijd zullen mijn andere schrijfprojecten er waarschijnlijk zelfs voor zorgen dat het hier weken, misschien wel maanden, stil zal blijven. Gelukkig is er een heel archief van filmbesprekingen, overdenkingen, foto’s en links (zie de balk hiernaast) die je kunt doorspitten als je tijd over hebt.

De reden waarom ik waarschijnlijk minder tijd voor mijn blog kan vrijmaken, is een hele mooie. Een uitgever heeft interesse getoond in ‘Wat als God je verhaal vertelt’, het persoonlijke theologische en filosofische boek dat ik in het voorjaar van 2012 heb geschreven. Het heeft bijna een jaar bij een uitgever gelegen die uiteindelijk besloot er niets mee te doen, maar nu heb ik wel een positieve reactie gekregen. De redacteur zei zelfs dat ze bij hun uitgeverij elke maand wel meerdere manuscripten toegezonden kregen, maar dat die van mij de beste was van heel 2013, en dat ze graag met mij in zee wilden gaan. Maar er moest nog wel het een en ander aan gebeuren. Zo herhaal ik mezelf nogal eens, en was er op de structuur van mijn betoog ook veel aan te merken. Dus ga ik met de redacteur aan de slag om het manuscript te herschrijven. Ik heb nu een opzet van het boek gemaakt waar ik tevreden over ben (na veel heen en weer mailen), en hoop snel een nieuwe eerste hoofdstuk gereed te kunnen hebben. Ik denk dat mijn boek er beter van wordt. Het zal ook een andere titel krijgen, maar daar ben ik nog niet over uit. Iets als ‘De overwinning van de zwakheid’ - maar mijn uitgever zal daar eigen ideeën over hebben.
Verder probeer ik een uitgever te vinden voor mijn fantasyduologie ‘De Krakenvorst’, die ik vorig jaar voltooide. In het begin van het vorige decennium (2001/2) was ik hieraan begonnen, en was gekomen tot en met het derde hoofdstuk, maar ik had het project nooit afgemaakt. Toen ik in 2012 me weer aan het schrijven zette was het al snel duidelijk dat ik verder moest waar ik was gebleven. En de levenservaring die ik tussendoor had opgedaan heeft ervoor gezorgd dat het een beter verhaal werd dan ik toen kon dromen. Een paar weken geleden heb ik een synposis en het eerste hoofdstuk toegestuurd aan een uitgever die gespecialiseerd is in Nederlandse fantasyliteratuur. Sindsdien controleer ik elke keer gespannen mijn e-mail om te zien of er al een reactie binnen is. Ik ben erg benieuwd. Mocht de uitgever interesse hebben, dan zal ook hier vast een redacteur goede adviezen bij hebben en zal ik tijd nodig hebben om wat zaken te herschrijven. Ik ben er zelf in elk geval heel enthousiast over!
Daarnaast heb ik me voorgenomen om een uitgever te zoeken voor mijn manuscript ‘Het Teken in de Lucht, en andere verhalen uit het millennium’, een bundel SF-verhalen in een gedeelde setting, namelijk de regering van de Autoriteit. Samen bestrijken ze een periode van ongeveer duizend jaar (hint, hint) waarin na een wereldomvattende ramp de mensheid weer overeind krabbelt en op verkenning gaat in het heelal, onder leiding van de Autoriteit en zijn vertegenwoordigers, die vriendelijker zijn dan mensen vaak van ze denken. Het was mijn bedoeling om met deze bundel een alternatief te bieden voor de ‘christelijke eindtijdverhalen’, die vaak hopeloos en triest zijn, en de lezer helemaal niet naar de toekomst laten verlangen. En soms helpt het om oude waarheden te begrijpen om een andere bril op te zetten, bijvoorbeeld die van een SF-verhaal. Verschillende mensen zijn het boek aan het lezen. Mocht geen uitgever de gok durven nemen, dan ga ik onderzoek doen naar mogelijkheden het zelf te publiceren, als e-book of via ‘publishing on demand’. Ik vind namelijk wel dat deze bundel een lezerspubliek verdient.
En dan zijn er nog projecten waar ik dit jaar aan wil beginnen, zoals een bundeling van een aantal filmbesprekingen die ik op deze blog geplaatst heb (en vanzelfsprekend een paar nieuwe), omdat ik denk dat films kijkers meer te zeggen hebben dan mensen zich soms lijken te realiseren. Daarnaast wil ik doorgaan met dichten, en aan het eind van dit jaar kijken of het mogelijk is een bundel te maken en die aan te bieden (via een uitgever of in eigen beheer, via ‘publishing on demand’). Er is ook nog een ander project waar ik ooit aan begonnen ben, maar dat ik nooit heb afgemaakt, het fantasyboek ‘Stefans eerste reis: Het Schaduwzwaard’. Ik merk dat ik nog steeds veel nadenk over de thema’s van dit verhaal, namelijk gepest worden, afwijzing, creativiteit, et cetera, en die gedachten goed in deze vorm kan vangen. En mijn idee voor het verhaal leent zich ook voor verrassende vervolgen, waarvoor ik de ideeën ook al bijna tien jaar met me meedraag. Hoog tijd om het eens op papier te zetten. Dat geldt ook voor de ideeën voor korte SF-verhalen die af en toe boven komen zetten. Mijn aantekenboekje staat vol met notities die nodig moeten worden uitgewerkt. Ik weet niet wat ik hiervan allemaal dit jaar kan doen, maar ik wil er in elk geval mee beginnen.

Ik ben ook op andere manieren creatief. Zo houd ik ook van tekenen. Afgelopen februari ben ik begonnen aan een eigen stripverhaal. Ik tekende als tiener al strips, maar nooit heel serieus. Nu probeer ik er een echt verhaal van te maken, met een goed plot, herkenbare karakters, en verschillende verteltechnieken uit het stripgenre. Het doel is niet om uitgegeven te worden, maar om creatief te zijn, en mijn eigen tekenstijl te verbeteren. Ook hiervoor heb ik een idee gebruikt van bijna vijftien jaar geleden, waar ik nooit aan toe ben gekomen om het uit te werken omdat ik een ‘writersblock’ had. Het was toen al een visueel idee, dat zich prima leende voor verwerking tot stripverhaal. Er komen onder andere reusachtige vissen in voor. Ik heb al vijftien pagina’s af, en het plot begint op gang te komen. Het is een leuke manier om ‘s avonds of in de lunchpauze met verhalen en fantasie bezig te zijn. En wie weet, misschien ontwikkelt mijn tekenstijl zich nog eens zo ver dat ik een eigen ‘graphic novel’ kan gaan tekenen. Of ik ontmoet iemand die graag tekent, die een van mijn verhalen zou willen uitwerken. Daar droom ik ook al lang van!
Verder ben ik mijn aquariumhobby weer serieus gaan nemen. Ik merkte dat ik mijn enthousiasme namelijk neigde te beperken (ook mijn enthousiasme voor schrijven en verhalen in het algemeen). Ik ben echter al van jongs af aan fervent aquariaan, en droom al jaren van de kans meer soorten vissen te houden, en misschien zelfs te kweken. Dus is het plan gerezen om er enkele aquaria bij te nemen. En zelfs een paludarium. Mijn broer Marten gaat voor deze bakken unieke achterwanden maken, met bijvoorbeeld ingebouwde filtersystemen, dus het duurt waarschijnlijk nog een paar jaar voor ze in ons appartement staan, maar de voorpret is al leuk! Ik ben al tekeningen aan het maken van mogelijke inrichtingen! En ik kijk aquariumforums af voor inspiratie.
Ten slotte ben ik na vele jaren eindelijk in het bezit van een Pathe unlimited card! Dat wil zeggen: voor het bedrag van een paar tientjes per maand kan ik onbeperkt naar de bioscoop. En daar ga ik gebruik van maken. Er komen heel wat films uit die ik graag wil zien, en die ik graag meer dan eens zou zien, en dat kan nu! Mijn vrouw heeft ook zo’n kaart, dus dat betekent veel mooie avondjes bioscoop!
De Anglicaanse kerk bevalt ons nog zeer. We proberen zo vaak mogelijk te gaan op zondag (maar niet als we veel andere afspraken hebben, want bij veel stress komt onze slaap in het gedrang). In januari hebben we belijdenis gedaan (confirmation). Ik heb me zelfs als vrijwilliger aangemeld om bijbelpassages te lezen tijdens de dienst. Aanstaande zondag ben ik voor de eerste keer ingedeeld.
Omdat dit alles (inclusief het (her)schrijven) niet alleen geld kost, maar ook tijd, hebben mijn vrouw en ik de keuze gemaakt dat ik een dag minder ga werken. Op mijn werk vond men dit goed, maar omdat er op de afdeling eerst het een en ander moet worden aangepakt, hebben we als startdatum 1 januari 2015 afgesproken. Dit jaar blijft dus nog behoorlijk druk (ook omdat ik weer wat vaker wil afspreken met inspirerende mensen die ik via facebook en twitter heb ontmoet), maar volgend jaar ontstaat er ruimte. Het betekent wel dat ik wat goedkoper moet gaan leven (minder filmtijdschriften en minder bezoekjes aan de coffee company bijvoorbeeld), maar tussen mijn aquaria komt dat wel goed.

Mijn blog blijf ik natuurlijk in de tussentijd onderhouden, zij het onregelmatig. De laatste maanden heb ik weer veel essays geplaatst. Dit zal weer wat minder worden. Ik blijf echter wel gedichten plaatsen en hoop ook weer filmbesprekingen te schrijven. Zo komt de film ‘Transcendence’ eraan, lijkt ‘Noah’ mooie dingen te zeggen te hebben, en zo voorts. Ik kan over de frequentie van bijdrages echter niks beloven. Volg mij op twitter of word vriend op facebook en je blijft op de hoogte! Je krijgt dan ook links naar boekensite Goodreads, waar ik recensies plaats van alle boeken die ik lees. En wil je een keer met me doorpraten over de onderwerpen waar ik over schrijf, of wil je dat ik daar iets over zeg op bijvoorbeeld een jeugdgroep of in de kerk, of wil je dat ik iets over mijn verhalen deel op school of bibliotheek, laat een berichtje achter. Ik maak niet veel reclame voor mezelf, maar ik praat graag over al deze dingen verder, een op een of voor een groep.

maandag 24 maart 2014

Gedicht: Vrije val

Vrije val

Ik vrees de grond niet meer
die op mij af komt stormen
elke keer dat ik kijk weer
iets sneller dan tevoren.
De wolken wijken. Ik zie
al bergen, velden, wegen,
een groene lappendeken
verwelkomend uitgestrekt.

Ik houd mijn ogen open,
mis geen detail. Niet langer
vecht ik met de touwen
rond mij verstrikt, het zeil dat
klappert boven mij. Ik deed
wat ik kon doen, vergeefs,
liet los. Nu ben ik vrij,
in elk geval voor even.

Wie weet wat beneden wacht?

vrijdag 14 maart 2014

Gedicht: Sehnsucht

Sehnsucht

Wat bent u wreed!
Toont slechts een glimp
van wie u bent.
Ik draai mijn hoofd
opzij. En weg
is het visioen.
De leegte schreeuwt,
snel opgevuld
door schone schijn.
Ik roep, maar hoor
geen antwoord. Zucht
teleurgesteld.
Pijn knaagt. Vraagt
om verdoving.
Maar ik kan u
niet vergeten.
Ik ruik parfum
waar u eerst was,
precies genoeg.
Ik volg, negeer
verlokkingen,
rust niet voor ik
u vind. Want God
wat bent u mooi.

woensdag 12 maart 2014

Het heilige evenwicht (5 en slot): Het einde van de reis

Voor wie mijn nerveuze blogberichten over de kerk in het verleden wel eens heeft gelezen, zal deze bekentenis niet als een verrassing komen. Ik lijd aan het ‘Post Traumatic Church syndrome’. Nee, dit is geen officiële diagnose. Nee, het staat niet in de DSM IV, of welk nummer het boek ondertussen ook heeft. Maar het is wel echt. Ik las erover in een stuk op het internet. “There is a spiritual condition that is even more real and more dangerous than the disease that robbed me of my physical health for many years: Post-Traumatic Church Syndrome. PTCS presents as a severe, negative -almost allergic- reaction to inflexible doctrine, outright abuse of spiritual power, dogma and (often) praise bands and preachers. Internal symptoms include but are not limited to: withdrawal from all things religious, failure to believe in anything, depression, anxiety, anger, grief, loss of identity, despair, moral confusion, and, most notably, the loss of desire/inability to darken the door of a place of worship. The physical symptoms of PTCS -which may or may not be present- include: cold sweats, hives, nausea, vomiting, sexual dysfunction, sleep disturbance, rashes, heart palpitations, increased blood pressure — oh, to heck with it. The symptoms are as varied as the people who suffer them.”
Ja, dat beschrijft wel mijn symptomen. Ik ben jarenlang niet naar de kerk gegaan, en als ik naar de kerk ging, zat ik op mijn stoel angstig heen en weer te schuiven, omdat ik me schuldig voelde, en omdat mijn zelfbeeld afbrokkelde. Vaak had ik de hele zondag nodig om me er weer van te overtuigen dat ik geen slecht mens was, dat ik niet hoefde veranderen, dat God van me hield. Ik kon niet met regelmaat bidden, of bijbellezen. En inderdaad: ik had stressverschijnselen: eczeem, slapeloosheid, nervositeit. 
Wat is de oorzaak? “We crash into religion when we go looking for God. And the crashing has left us with spiritual whiplash, broken bones, bruises, welts and lacerations. It has left us feeling alone and scared and suffering. It has left us with a boatload of internal and external symptoms the persons of spiritual authority tell us are all in our heads and would go away if we just had more faith. Don’t believe them.” Er zijn veel mensen die problemen hebben met de kerk, en ze willen allemaal hetzelfde: ze verlangen naar God zonder door dogma’s te worden ingeperkt of aan geestelijk misbruikt te worden onderworpen. Helaas is er geen standaard recept te geven tegen deze aandoening. “Each journey back to spiritual health is as unique as the person taking it.
Voor mij was de weg naar genezing erg lang, en het betekende onder andere dat ik de evangelische kerk verliet en me aansloot bij de Anglicaanse kerk (waar mijn vrouw en ik onlangs belijdenis hebben gedaan (confirmation).). Ik ervaar de aanwezigheid van Christus in de diensten, en ontmoet Hem in het avondmaal. Elke keer als ik kniel en neem van het brood en de beker, landt het weer een beetje dieper dat zijn liefde niet van mij afhankelijk is, dat ik er niets voor hoef te doen, zelfs niet geloven, maar dat ik het alleen hoef te ontvangen. Maar tegelijk weet ik dat ik ook in de Anglicaanse kerk niet in een perfecte gemeenschap ben beland, moet ik me nog steeds wapenen tegen sommige boodschappen en zal ik me waarschijnlijk nooit intensief met de kerk of met kerkpolitiek bemoeien. Daarvoor ben ik iets te veel beschadigd.
Er zijn echter mensen die vinden dat ik me niet moet aanstellen. Die vinden dat ‘post traumatisch kerk syndroom’ een excuus is om je af te zetten tegen mensen die het allemaal goed bedoelen, en je verantwoordelijkheid te ontlopen. Iedereen die worstelt met een geestelijk probleem zal hiermee te maken hebben. Heb je last van winterdepressie, dan krijg je ook te horen dat je gewoon een paar kaarsjes moet aansteken, want dat is gezellig. Let wel, ik geloof niet dat het verstandig is als ik me veel aantrek van wat iemand tegen iemand anders gezegd heeft over mij, op basis van wat die ander weer tegen die derde vertelde. Daar zitten namelijk teveel lagen communicatie tussen. Ik houd het dus niet tegen deze derde persoon, maar wil het wel gebruiken als voorbeeld aan de start van dit bericht. Mijn broer, die ook wel eens worstelt met zijn houding ten opzichte van de kerk, had met een van zijn vrienden gepraat, onder andere over het feit dat ik bij de evangelische kerk was weggegaan. Die ander had gezegd dat ik een keer moest ophouden met vluchten. Ik had eigenlijk in de evangelische kerk moeten blijven, en moeten proberen die van binnenuit te veranderen. Nu had ik de makkelijkste weg gekozen, door weg te gaan. Ai. Toen mijn broer me dit vertelde, voelde ik het vertrouwde schuldgevoel al bijna weer terugkeren. Had ik moeten blijven? Was het mijn verantwoordelijkheid geweest de kerk van binnenuit te veranderen?

Maar voor ik door deze opmerkingen in een negatieve spiraal terecht kwam, ging het licht bij mij branden. Het was namelijk helemaal niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben helemaal niet verantwoordelijk voor de kerk, en al helemaal niet voor de evangelische kerk. Ten eerste is de Anglicaanse kerk net zo goed een kerk als de evangelische kerk - ik ben geen verrader omdat ik van kerk ben veranderd. Ik ga zelfs vaker naar de kerk dan ik de laatste jaren deed toen ik officieel bij de evangelische kerk hoorde. Bovendien kunnen andere mensen dan ik ook leren van de Anglicaanse kerk. De bronnen die mij hebben geholpen in mijn groeiproces, waardoor mijn denken is veranderd, zijn voor iedereen beschikbaar. Mensen hebben mij dus niet nodig. En dan nog: ik geloof helemaal niet dat ik mensen kan veranderen, laat staan een kerk. Je kunt niet mensen veranderen als die niet veranderd willen worden. En als mensen zelf al willen veranderen, zullen ze dat ook. En dan vinden ze ook de mensen en bronnen die daarbij helpen. ‘When the pupil is ready, the teacher will come.’ Ik ben niet de messias van wie het lot van de kerk afhangt. Dat zou ook een veel te zwaar gewicht zijn om te dragen. Het is nog altijd Jezus die zijn kerk bouwt, niet ik. En die kerk is breder dan de ‘evangelische kerk’. Het gebouw en de naam doen er niet toe. Net zo is het met het lot van de wereld. Ja, ik weet dat het klimaat naar de pleuris gaat, ik lees over het uitsterven van soorten, ik lees over milieuvervuiling, en over onrecht en oorlogen. Maar ik kan de wereld niet veranderen. Ik gebruik nog steeds soms in plastic verpakte producten, en koop goedkope kleren. En ik kan het me niet veroorloven me daar al te schuldig om te voelen. Ik kan het lot van de wereld namelijk niet op mijn schouders nemen. Het enige dat ik kan, en dus ook het enige dat ik hoef te doen, is leven als een geliefd kind van God (‘Het God lief en doe wat je wilt'). Dat betekent dat ik gedichten schrijf, filmbesprekingen, blogberichten. Dat ik verhalen schrijf, en stripverhalen teken, dat ik naar de film ga en daarover napraat met vrienden, dat ik luister naar anderen, dat ik mijn werk doe op kantoor, en lees in boeken en tijdschriften, en fotografeer. Het betekent dat ik in twitter links plaats over uitsterven van diersoorten en de kap van het regenwoud, en daar aandacht voor vraag, het betekent ook dat ik soms geld naar goede doelen overmaak, en dat ik als ik tijd en energie heb biologisch probeer te eten, of afval probeer te scheiden. En het betekent dat ik, als het me lukt, op zondag naar de kerk ga. En God kan door al die dingen heen werken. Als God mij nodig heeft om de kerk te veranderen, of de wereld, kan hij daar mijn blog voor gebruiken, of mijn boeken, of mijn overgemaakte geld. Het staat hem helemaal vrij. Ik kan niet bepalen hoe hij wil werken. Dat is aan Hem.
Ik hoef bovendien niet te produceren om een goed zelfbeeld te ontwikkelen, ik hoef niet een gepubliceerd schrijver te zijn om mezelf waardevol te vinden. Ik hoef niet te werken om ertoe te doen, of aan een bepaalde maatstaf voldoen. Dat is het denken dat bij de zondeval de wereld is ingekomen. Ik ben al waardevol, voor ik ook maar iets gedaan heb. Ik denk terug aan een inzicht dat ik een paar jaar geleden voor het eerst had, maar dat nu pas echt realiteit voor me aan het worden is. Toen God over Jezus zei: ‘Dit is mijn geliefde zoon, in wie ik welbehagen heb’, had Jezus nog niks gedaan. Hij had niks gepresteerd. Hij had zelfs nog niet de verzoeking in de woestijn doorstaan. Niks. En toch had God al welbehagen in hem. En zo kijkt God ook naar ons. Hij heeft ons al lief. Hij heeft ons lief sinds de grondlegging van de wereld. We hoeven niks te doen om dat waar te maken. Anders gezegd: hij wil met ons geassocieerd worden. Met ons zoals we zijn. We hoeven niet aan een ideaalbeeld te voldoen voor we daarvoor goed genoeg zijn.
Ik kan dus bijvoorbeeld verhalen van G.R.R. Martin lezen, die veel beter schrijft dan ik, zonder me erdoor te laten intimideren. Ik schrijf zoals ik schrijf, en dat is ook waardevol. Als iemand mijn verhalen wil uitgeven, dan is dat mooi, en het is mooi als anderen ze willen lezen, maar het zegt niks over mijn betekenis. Dat betekent dat ik de avonturen verzinnen die ik zelf wil verzinnen. Ik mag een stripverhaal tekenen dat alleen door mij en mijn vrouw wordt gelezen. Ik hoef ook niet met regelmaat te bloggen. Ik hoef mezelf niet te verantwoorden, of anderen ergens van te overtuigen. Dat betekent bijvoorbeeld dat dit wel eens mijn laatste blogserie zou kunnen zijn. Waarschijnlijk niet - het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en over een paar maanden is er weer iets nieuws waar ik over heb nagedacht en dat ik graag wil delen, zo goed ken ik mezelf ook weer. Maar ik hoef in principe niet te bloggen. En als ik wel blog, hoef ik me er niet op voor te laten staan, net als W.H. Auden in het geheim mensen hielp, zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. Als er boeken van mij gepubliceerd worden, hoef ik daar niet mensen mee om de oren te slaan. Ik hoef geen airs te krijgen als ik mag spreken op een C.S. Lewis-studiedag. Het maakt me allemaal niet beter dan anderen. Ik kan nu eenmaal schrijven en denk graag na over C.S. Lewis (onder andere). Maar ook daar mag ik voor uitkomen. Valse bescheidenheid is ook niet nodig. Als iemand mij complimenteert voor mijn striptekeningen (zoals laatst gebeurde), mag ik dat gewoon ontvangen. Dit is de vrijheid waar ik naar verlangde. Ik mag creatief zijn, ik mag goed doen, ik mag verlangen, allemaal zonder mezelf nog langer te wantrouwen.

Het zal voor sommigen misschien te makkelijk klinken. Je kunt toch niet zomaar doen wat je wilt? Je kunt toch niet zomaar anderen pijn gaan doen of kwetsen, of belachelijk maken? Nee, natuurlijk niet! Zulke vragen kreeg Paulus ook. “Zouden wij zondigen opdat de genade toeneme?” Zijn antwoord is: “Volstrekt niet!” En dat is ook mijn antwoord. Het is overigens ook wetenschappelijk aangetoond. “It's important to identify specific lifestyle choices, habits, and character traits that you should happily accept while also being objective about things you might want to work on improving. Finding the sweet spot between self-acceptance vs. self-improvement requires being honest and compassionate about who you are, while simultaneously acknowledging that nobody's perfect and we can always improve ourselves."
Grenzen blijven belangrijk. Niet voor onze acceptatie door God. Maar omdat we mensen zijn en we zijn geschapen om te voldoen aan het beeld van God. Omdat we dood waren, en van God het geschenk van het leven hebben gekregen. Omdat we onszelf zien als geliefde kinderen van God. En dat alles heeft gevolgen. Het heeft bijvoorbeeld als gevolg dat ik mezelf en anderen zie als individuen die respect waard zijn, die een identiteit hebben die ertoe doet, en die ik niet mag behandelen als machines. Het heeft als gevolg dat ik schoonheid zie als iets dat beschermd moet worden, en dat ik relaties serieus neem, dat ik ga staan voor de waarheid, en dat ik streef naar wat goed is. Zoals Paulus schrijft in Filippenzen: “Schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient.” (Filippenzen 4:8). Deze houdingen zijn niet van elkaar te scheiden. In dezelfde brief waarin Johannes stelt dat de liefde de angst uitdrijft, zegt hij: ‘Wie niet liefheeft, kent God niet.’ (1 Johannes 4:8). Dat is net zo radicaal! Maar het een kan niet zonder het andere. De verbinding ligt in wat Johannes vervolgens zegt: “Wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad.” (v19). Dat is de crux. Daar gaat het om.
Als we ontdekken dat God met ons geassocieerd wil worden, dat hij in ons welbehagen heeft, zullen we naar onszelf kijken met compassie, hoeveel er ook mis met ons is, hoeveel pijn en zonde we ook met onszelf meedragen. We zullen ons weer met onszelf willen associëren, ook als we niet volmaakt zijn, en grenzen willen aangeven om ons te beschermen tegen misbruik. En tegelijk zullen we anderen met respect gaan behandelen, omdat we weten dat God ook met hen geassocieerd wil worden, en in hen ook welbehagen heeft. Gods liefde wekt onze liefde op, voor onszelf, en voor de wereld en de mensen om ons heen. En daardoor wordt Zijn Koninkrijk realiteit. Niet door onze prestaties, niet door onze projecten, niet door alles waar we onszelf toe moeten zetten, niet door ons ego. Liefde is het antwoord. Liefde is het einde van de reis. En God is liefde. Hij is dus het einde van de reis, het einde van mijn reis. Daar verlang ik naar.

dinsdag 11 maart 2014

Het heilige evenwicht (4): Kijken met onbewolkte ogen

Een van mijn favoriete animatiefilms is de film Princess Mononoke, van de Japanse tekenaar Hayao Miyazaki. Het is niet een tekenfilm voor kinderen (daar is hij veel te bloederig voor), maar het is wel een film met een diep, indringend verhaal, een film die levensveranderend kan zijn. De hoofdpersoon, Ashitaka, loopt een vervloeking op, een besmetting, die hem als hij boos wordt een ongekende, destructieve kracht geeft. Hij probeert hem in te houden, maar dat lukt niet altijd, en dan gebeuren er nare dingen. Wat mij opviel bij het kijken, is dat de hoofdpersoon niet andere mensen pijn wil doen, maar dat hij tegelijk zichzelf niet veroordeelt voor de vloek die hij met zich meedraagt. En als hij arriveert bij het eiland van de mensen die verantwoordelijk waren voor de vervloeking, veroordeelt hij hen ook niet. Er is een conflict aan de gang tussen Lady Eboshi, die het bos wil omkappen om aan ijzererts te komen, en de goden van het bos, die ten strijde willen trekken tegen de vernietigende mensen. En Ashitaka staat tussen hen in. Lady Eboshi vraagt hem waarom hij is gekomen. Zijn antwoord? “To see with eyes unclouded.” Hij wil kijken met onbewolkte ogen. Hij wil zijn blik niet laten kleuren door haat. Hij weet dat hijzelf ook een vloek met zich meedraagt, die hij niet altijd onder controle kan houden. Daardoor is hij in staat te zien dat anderen ook niet volledig slecht zijn. Hij ziet hoeveel goeds Lady Eboshi doet voor de mensen onder haar, onder andere voor prostituees en melaatsen, en kan dat op zijn waarde schatten. Aan de andere kant ziet hij dat de bosgoden ook worden gedreven door wraaklust en woede, en hun motieven dus ook niet altijd zuiver zijn. Omdat hij naar allebei de zijden kijkt met compassie, zoals hij ook naar zichzelf kijkt met compassie, kan hij zoeken naar een weg die aan alle partijen recht doet. Dat is echter een weg die van hem grote opoffering zal vragen. Meer ga ik niet van de film zeggen. Kijk hem zelf! Het is een geweldige ervaring en zal je er meteen van overtuigen dat animatiefilms een volwassen medium zijn.

To see with eyes unclouded’ - dat spreekt me aan. Vooral omdat ik in de tijd dat ik de film voor het laatst zag, net een gesprek had gehad met een goede vriend. We hadden het ervoer hoe we ons vaak lieten leiden door angst, door wat we in de kerk hadden meegekregen over onszelf. We waren bang tekort te schieten, te weinig te doen, straf te verdienen. We waren (in mijn geval) bang dat God of belangrijke mensen in ons leven niet met ons geassocieerd wilden worden. En we waren bang geweest dat andere mensen naar de hel zouden gaan als we hen niet zouden vertellen over de God waar we bang voor waren. Onze angst maakte echter ook dat we de mensen om ons heen niet met respect behandelden. Ik vertelde al dat ik mensen aanviel omdat ze naar bepaalde muziek luisterden die in mijn ogen van de duivel was (of dat ik vond dat ze als man geen oorbel mochten dragen). Tegelijk dacht ik dat ik beter was dan zij (omdat ik die muziek niet luisterde, en geen oorbel droeg, en veel bijbelstudie deed) en behandelde hen soms neerbuigend. Tegelijk kon ik niet verdragen als anderen mij zeiden wat ik moest doen. Want ook dan nam de angst het over. Als iemand me zei dat ik meer moest bijbellezen, kwam dat hard binnen, want ik was toch al bang dat ik niet genoeg in de bijbel las om voor God acceptabel te zijn.
Angst is een negatieve motivatie en bewerkt alleen negatieve dingen. Wat volgens mijn vriend en ik een betere motivatie is, is compassie. Je kunt namelijk geen compassie hebben voor een ander, en niet tegelijk voor jezelf. Dit is de liefde die de vrees uitdrijft. Anderen liefhebben, werkelijk, zoals ze zijn, houdt in dat je ook jezelf in je onvolmaaktheid onder ogen moet zien, en ervoor moet kiezen jezelf lief te hebben. Dit leidt ertoe dat je jezelf niet met een zweep als slavenmeester achterna kunt zitten, en tegelijk echt anderen zichzelf kunt laten zijn. Als je anderen in hun waarde wilt laten, zul je je eigen grenzen ook moeten respecteren. Ik heb wel eens gelezen (bij John Eldredge volgens mij) dat hoe je je eigen hart behandelt, ook is hoe je anderen behandelt. Daarom vond ik het mooi wat oscarwinnares Lupita Nyong’o zei in een video die ik online tegenkwam: ‘Beauty is compassion. For yourself and for others.’
Ik gebruik het woord compassie ook omdat zelfacceptatie niet betekent dat ik mijn eigen zwakheden ontken, of denk dat ik geen fouten maak, of dat ik op de een of andere manier beter ben dan anderen. Juist niet! Ik wil immers ook naar mezelf kijken met ‘onbewolkte ogen’, namelijk realistisch zien wat er goed aan mij is en wat er slecht aan mij is, maar zonder mezelf erom af te wijzen - wat ook is hoe ik anderen wil zien. Als Jezus een melaatse omarmde, zei hij niet dat de persoon niet melaats was. Toen hij zichzelf uitnodigde bij een tollenaar, zei hij niet dat het prima was om anderen uit te buiten. Maar hij zag de mens en had hem lief. Ook als hij melaats was. Ook als hij tollenaar was.

Een mooi voorbeeld van deze houding kwam ik tegen bij een artikel over schrijver W.H. Auden. Hij was zich er volgens dit essay scherp van bewust dat zijn motieven niet zo zuiver waren als hij van zichzelf hoopte. “He was disgusted by his early fame because he saw the mixed motives behind his image of public virtue, the gratification he felt in being idolized and admired. He felt degraded when asked to pronounce on political and moral issues about which, he reminded himself, artists had no special insight. Far from imagining that artists were superior to anyone else, he had seen in himself that artists have their own special temptations toward power and cruelty and their own special skills at masking their impulses from themselves. He dismissed the fantasy that anyone’s private life could be innocent of the evils that so obviously drove public life. Individual persons know subjectively—as if looking in a mirror—that they treat others as objects to be used, just as nations do.” Als hij het met iemand oneens was, ook wat betreft ideologie of overtuiging, keek hij altijd bij zichzelf naar binnen, en ontdekte hij in zichzelf iets van datgene wat hij bij de ander afwees. “He described the unending war for the human heart between the playful children of Hermes the trickster and the authoritarian children of law-giving Apollo, and he urged his fellow irresponsibles to resist Apollo’s battalions. But he told a friend afterward, “I have a bit of Apollo in me too.” He later told another friend that he had authoritarian impulses in himself that he despised but could never entirely abolish.” Kortom, hij zag de persoon tegenover hem, met wie hij het oneens was, wiens denkbeelden hij veroordeelde, die hij zag als vijand, niet als fundamenteel anders dan zichzelf. Hij zag hem of haar als mens, net als hij. En hij wist dat hijzelf net zo zeer tendensen bevatte tot zelfzucht als ieder ander. Als hij met zijn wijsvinger beschuldigend naar een tegenstander wees, wezen er drie vingers terug naar hemzelf. Dit had gevolgen voor hoe hij met anderen omging. “When he felt obliged to stand on principle on some literary or moral issue, he did so without calling attention to himself. He was always professional in his dealings with editors and publishers, uncomplainingly rewriting whole essays when asked—except on at least two occasions when he quietly sacrificed money and fame rather than falsify his beliefs...” Hij zag de ander die het met hem oneens was, en die bijvoorbeeld zijn essays niet wilde plaatsen, niet als slechter dan zichzelf. En zichzelf niet als beter. Dus kon hij het conflict voor zichzelf loslaten. Zelfs toen het er een keer toe leidde dat de nobelprijs voor de literatuur aan zijn neus voorbijging. Het bracht hem niet in de put, want hij wist dat hij zelf net zo goed de neiging had rigide en hard te zijn als de mensen die hem de prijs ontzegden.
Maar hij zag niet alleen zichzelf als net zo slecht als andere mensen, hij zag ook andere mensen als net zo goed en waardevol als hijzelf - ongeacht hun positie of prestaties. Dus behandelde hij hen met respect. Hij realiseerde zich dat elk persoon net zo veel betekenis had als hijzelf. “At literary gatherings he made a practice of slipping away from “the gaunt and great, the famed for conversation” (as he called them in a poem) to find the least important person in the room. A letter-writer in the Times of London last year recalled one such incident: Sixty years ago my English teacher brought me to London from my provincial grammar school for a literary conference. Understandably, she abandoned me for her friends when we arrived, and I was left to flounder. I was gauche and inept and had no idea what to do with myself. Auden must have sensed this because he approached me and said, “Everyone here is just as nervous as you are, but they are bluffing, and you must learn to bluff too”.” Hij deed goede dingen voor buren, voor studenten, zelfs voor gevangenen, zonder daar aandacht voor te trekken, zonder er een punt van te maken. Hij was immers niet bijzonder, en de anderen waren gewoon mensen. Hij deed zelfs expres zijn best om niet te worden gezien als een ‘liefdadige schrijver’, omdat mensen anders zijn goedheid zouden verwarren met zijn beroemdheid! “At times, he went out of his way to seem selfish while doing something selfless. When NBC Television was producing a broadcast of The Magic Flute for which Auden, together with Chester Kallman, had translated the libretto, he stormed into the producer’s office demanding to be paid immediately, instead of on the date specified in his contract. He waited there, making himself unpleasant, until a check finally arrived. A few weeks later, when the canceled check came back to NBC, someone noticed that he had endorsed it, “Pay to the order of Dorothy Day.” Mensen hoefden helemaal niet te weten dat hij goede dingen deed, anders zouden ze het alleen gebruiken om hem op een podium te zetten, en dat was niet waarom hij het deed.
Auden zelf zei dat hij niet werkelijk in God geloofde, maar hij werd uiteindelijk wel anglicaan en bezocht trouw de diensten om aan het avondmaal deel te nemen. Ik denk dat ik hem in dat opzicht begrijp. Of je het gelooft of niet, is immers niet belangrijk als je een sacramentele visie aanhangt. In het avondmaal ontmoet je de liefde van God, die volledig onafhankelijk is van ons of van onze morele situatie. Of je nu zondaar bent, of heilige, of je gelooft of niet gelooft, of je moreel bent of immoreel, voor jou is het brood het lichaam van Christus en de wijn het bloed van Christus. God wil zich met je associeren. En dat is voldoende.

Ik merk dat ik zelf ook steeds meer van dit evenwicht begin te ervaren, allebei de kanten op. Ten eerste merk ik dat ik mijn ergernis kan loslaten over boodschappen die me bereiken via allerlei kanalen. Ik neem bij anderen boodschappen waar die gekleurd worden door ‘confirmation bias’, of andere vooroordelen en drogredenen waarmee we onszelf voor de gek houden. Maar ik wind me er niet meer over op, word er niet meer boos over, want ik ben me bewust dat ook mijn denken wordt gekleurd door ‘confirmation biases’. Misschien andere dan die van de mensen tegenover me, maar ik ben ook mens. Dit is misschien wat Jezus bedoelde met zijn gelijkenis van de splinter en de boomstam. Maar dat terzijde.
Een klein voorbeeld: ik merkte bij mezelf soms de neiging boos te worden op of me te ergeren aan mensen die op Twitter berichten plaatsen over hoe vaak je eigenlijk moet twitteren en op welke momenten om het meest gelezen te worden, hoe lang je blogberichten zouden moeten zijn, en hoe vaak je zou moeten retweeten (of juist niet). Ik voel me ergens schuldig dat ik niet aan deze idealen voldoe (zo zijn mijn blogs erg lang, en ik wil ook niet op de klok kijken voor ik Twitter), ik voel me tekortschieten, en voel me beoordeeld. Ik wil helemaal niet worden gedwongen om ‘effectief te twitteren’, en als ik dat zou doen, voelt het manipulatief. Ik wil daar helemaal niet mee bezig hoeven zijn. Maar tegelijk realiseer ik me dat ik steeds opnieuw controleer hoe vaak blogberichten van me zijn gelezen, en hoe vaak ik via verschillende media reacties op mijn stukken heb gehad. Ik wil mijn ego niet van mijn social media gebruik laten afhangen, maar ik kan er ook niet aan ontkomen. Als ik me erger aan mensen die tips plaatsen om effectief te twitteren, erger ik me eigenlijk aan mezelf: aan die kant van mezelf die om zich goed te kunnen voelen waardering van anderen nodig heeft. En als ik dat weet, kan ik genadig zijn voor de ander, en snap ik waarom hij zo effectief wil twitteren, en hoef ik zijn boodschap niet persoonlijk aan te trekken.
Hetzelfde geldt voor schrijvers die vertellen hoe ze hun eigen boeken op de markt zetten en een lezerspubliek trekken. Ik ben niet zo’n marketeer en voel me dan ook tekortschieten, alsof ik dit allemaal zou moeten doen om mee te tellen. Maar aan de andere kant wil ik ook graag gelezen worden. Ik ben dus niet anders dan zij. Als ik ervoor kies mezelf niet te marketen, hoef ik hen niet te veroordelen omdat ze het wel doen. Net zo met christenen die oproepen tot actie, bijvoorbeeld omdat ze enthousiast zijn voor missionaire vormen van kerk zijn. Ze hebben namelijk vaak gelijk. En als ik niet dezelfde passie heb als zij, ik ben toch niet anders, want ik probeer ook mensen op te roepen mijn gezichtspunt over te nemen. Ik probeer ook mensen enthousiast te maken voor wat ik zelf geloof of ideaal vind. Ik mag dus met ze in discussie gaan als ik wil, ik hoef ze als persoon niet af te wijzen.

Net als bij Auden gaat het gelukkig ook de andere kant op. Ik ben niet alleen vrij van het oordeel van anderen, ik ben ook vrij om anderen lief te hebben en creatief te zijn. Daarover meer in het volgende bericht.