maandag 30 maart 2015

Gedicht: Er is een andere oever

Er is een andere oever

Er is een andere oever
ook al zie ik die nu niet,
moet ik door de mist laveren
zonder baken. Varen tegen
rijen huizenhoge golven in.

Het glas beslaat. De kompasnaald
tolt voortdurend. Duizelig
word ik ervan. Het zeil wappert
en ik maak ergens water.
Ik hoor de pompen protesteren.

Toch keer ik niet om. Mijn thuis heeft mij
niets meer te bieden, dan ketens
om mijn benen. Mijn rug belast
met wat vreemden wensen en ik
mag daarin niet verdwijnen.

Maar de zee rolt dag en nacht wild
onder mij, berooft mij van mijn rust.
Ook mijn bezit ging overboord.
Mijn handen kleven aan het wiel
door wrede angst geknecht.

Er is een andere oever.

dinsdag 24 maart 2015

Filmbespreking: Insurgent

Ik ben een liefhebber van de huidige tienerfilms. Veel andere films in het actie/SF genre, waar ik van houd, zijn tegenwoordig of wat cynisch, of nemen geen moreel standpunt in. Maar in de tienerfilms worden nog wel morele vragen gesteld naar wat ons mensen maakt, hoeveel we over moeten hebben voor onze vrijheid, wat onze rol is ten opzichte van onze naasten, en hoe we met onszelf kunnen omgaan als we moeilijke beslissingen hebben gemaakt. Ik houd van die vragen. De Hunger Games-serie is er een mooi voorbeeld van, maar ik vond Divergent ook heel goed. Daarom dat ik er een uitgebreide recensie over heb geschreven. Van het weekeinde zag ik het vervolg in de bioscoop: Insurgent. Er stond een andere regisseur aan het roer en dat was (volgens mij) te merken. Ik vond het verhaal minder verrassend, en ook wat minder diep. Wel waren de acteurs goed, met onder andere Kate Winslet als verrassend kille slechterik. En de beelden van het futuristische Chicago waren prachtig: techniek en verval, prima in beeld gebracht. Ook in droomscènes waarin alles uiteen lijkt te vallen. Heel overtuigend. En er waren een paar verrassingen in het slot van de film die ik niet had zien aankomen, wat verfrissend is. Maar, zoals ik zei: niet zo sterk als het eerste deel.

Het verhaal gaat over Tris, die in de vorige film een zogenoemde 'Divergent' bleek te zijn. Iemand die niet kan worden ingedeeld in een van de vijf groepen waarin deze samenleving is onderverdeeld. Om haar vrijheid te behouden heeft ze in de vorige film een paar gruwelijke dingen moeten doen. En ze heeft het idee dat ze verantwoordelijk is voor de dood van haar ouders, en een jongen die ze in zelfverdediging heeft doodgeschoten. Samen met haar broer en 'Four', haar vriend, schuilt ze bij de 'Amity'-groep. Deze vriendschappelijke mensen verbouwen graan en groente. Ze eten samen in een hoge zaal, die wat architectuur betreft op een kerkgebouw lijkt. Die associatie lijkt me bewust tot stand gebracht. De leidster van deze fractie heeft ook de beminnelijke uitstraling van een geestelijke. En de leden van de groep groeten elkaar bij elke gelegenheid zoals sommige gelovigen elkaar groeten. Eerst dacht ik dat dit niet oprecht was, maar later blijkt juist de boodschap van de leidster van deze gemeenschap centraal te staan in de film. Haar woorden tegen Tris blijken cruciaal. Ze spreekt die woorden uit, omdat blijkt dat Tris moeite heeft met zichzelf. Als in een daad van boetedoening snijdt ze haar haren af. Maar ook dat is niet genoeg. Ze sluit zich af voor haar broer en voor haar vriend, en laat niemand meer dichterbij komen. Want ze gelooft dat mensen haar zouden haten als ze zouden weten wat ze heeft gedaan. Ze haat er zichzelf om.
Maar ze is niet de enige die problemen heeft met zichzelf. Haar broer blijkt niet in staat haar te beschermen als ze worden aangevallen. Hij staat machteloos. En hij kan het niet eens tegen haar zeggen. Hij kan het niet van zichzelf toegeven. Dan is het makkelijker om haar te verlaten, om zijn oude allianties op te zoeken, om de schaamte (het centrale thema van de film) te ontlopen in dogmatische zekerheid. Zelfs 'Four', de vriend van Tris, ook Divergent, of 'Afwijkend', schaamt zich voor zijn verleden. Een verleden dat wel heel persoonlijk wordt, in de vorm van zijn moeder. Zij blijkt de leidster te zijn van de 'fractielozen', degenen die door de samenleving zijn uitgekotst. Zijn woede en schaamte om haar zorgen dat hij haar aanbod van een bondgenootschap direct afwijst. Met haar kan hij immers niet samenwerken. Alles liever dan dat. Maar dat instinct leidt tot keuzes die zijn vriendin Tris, en hemzelf, in gevaar brengen.

Kortom, een film over schaamte. Een thema dat mij ook bezighoudt. Helaas had ik direct na het kijken van de film geen tijd voor het schrijven van een bespreking. Ik was bijna van plan de kans maar te laten schieten. Toen las ik echter via een link op twitter een blogbericht over schaamte. Het is een behoorlijk sterk verwoorde aanklacht tegen de kerk. De schrijver heeft gesproken met een therapeut en ontdekt welke boodschappen aan de grondslag liggen van zijn schaamte en schuldgevoelens. "All the rows and columns of my heart are filled with memories and messages saying over and over and over again: Because you are not perfect, you deserve punishment instead of love." Met zijn verstand probeert hij zichzelf ervan te overtuigen dat hij fouten zou mogen maken, maar zijn hart wil het niet geloven. Daarvoor zitten die boodschappen te diep geworteld. Hij is er namelijk mee opgegroeid. Want waar heeft hij deze boodschappen opgepikt? In de kerk. "Let me guess - you needed to tell me how bad I was before I knew I needed to be saved. You needed to convince me I was worthy of death before the offer of life would seem like a good deal. Sure, whatever. Do you realize that in doing so you partnered with the voice of Satan himself, until I can no longer distinguish between the two of you because you’re saying the same damn thing?"
Ik herken dit helemaal, omdat ik dezelfde worsteling ken - lezers van mijn blog zullen dat uit eerdere berichten herinneren. Dit is ook mijn strijd. Ik eis heel veel van mezelf, negeer de grenzen van mijn lichaam, ben vaak boos op mezelf, en durf niet te erkennen dat ik positieve eigenschappen heb of dat anderen positief over mij zouden kunnen denken. Ik ben perfectionistisch en tegelijk heel kritisch naar mezelf (geen goede combinatie). Ik bevind me vaak op de grens van overspannenheid, misschien zelfs er overheen. En deze ideeën over mezelf laten zich niet makkelijk ontwortelen. Ze hangen namelijk samen met de diepe overtuigingen die ik heb geïnternaliseerd in mijn jeugd, namelijk dat alle 'positieve' eigenschappen aan mij niet konden zorgen dat God van mij hield. Ze waren als 'kaf' en ik kon en mocht me er niet op laten voorstaan. Mijn natuurlijke talenten waren precies dat: 'natuurlijk' en daarmee minderwaardig: ze zouden in het vuur verbranden bij het oordeel. Er was in de mens niets goeds, dat werd keer op keer herhaald. En dus ook niet in mij. God moest dus wel boos op mij zijn. Mij straffen. Want zelfs de geringste overtreding (als een kind bijvoorbeeld een snoepje zou stelen) was als een klap in het gezicht van God en zijn gerechtigheid eiste daarvoor in ruil een eeuwige bestraffing. Kortom: elke imperfectie was het oordeel waard. God kon niet anders dan mij in toorn aanzien. En ja, een maas in de wet had mij weten te redden: als ik enkele leerstellingen uit de bijbel voor waar hield, zou God als hij naar mij keek niet langer mij zien (mijn zonden en mijn goede eigenschappen), maar Christus. Zo zou hij voor de gek worden gehouden en kon ik toch in de hemel komen en niet in de hel. God hield dus niet van mij, maar alleen van Christus. Als God mij zou zien, zonder dat ik 'in Christus' was, moest hij mij uit zijn woede straffen. Dus ik moest me er heel erg van bewust zijn hoe slecht ik was en dus hoe dankbaar ik Jezus moest zijn voor zijn offer (waar we elke zondag aan werden herinnerd, met beelden van bloed en kruisiging en dood). En ik moest heel erg mijn best doen om op Jezus te lijken, om perfect te zijn, de perfecte christen, als om het nog een beetje 'de moeite waard' te maken. Dus: ik moest net zo boos en kritisch op mezelf zijn als God, en de lat van mijn volmaaktheid ook nog eens net zo hoog hebben liggen. Als ik een onvolkomenheid zag bij mezelf, of geen zin had om bijbel te lezen, beschuldigde ik mezelf. Ik klaagde mezelf aan, zoals ik geloofde dat God (of de wet van God) mij aanklaagde (ik schakelde de stem van mijn overactieve geweten ook gelijk met de Heilige Geest). En ik strafte mijzelf met schaamte en naar binnen gekeerde woede, ik verteerde mezelf met zelfhaat, omdat ik geloofde dat God die fouten en onvolmaaktheden van mij haatte. Of: ze zou haten als hij niet door Jezus voor de gek werd gehouden. Maar dat was voor mij hetzelfde. Ja, hierdoor raakte ik flink verknipt. Ik vind het zelfs moeilijk te geloven dat mijn vrouw werkelijk van mij kan houden, dat ze positieve dingen in mij ziet, want ik mag die van mezelf nog steeds niet accepteren (want: 'kaf').
Wat echter als een emmer verfrissend koud water over mij heen kwam bij het lezen van dit blogbericht, was het besef dat deze aanklagende, perfectionistische boodschap, die mij aanzette tot zelfhaat, niet van God afkomstig is, maar van de duivel. Hij is de aanklager van de broeders, 'die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God.' (Openbaring 12:10). Hij is de tegenstander. Niet God! Ik had het kunnen weten. Uit de bijbel weet ik immers dat hij zich voordoet 'als een engel des lichts' (2 korinthe 11:14). Hij neemt de vorm aan van een betrouwbare boodschapper van God, als de stem van God zelf. Hij doet zich voor als het Lam. Maar hij is een leeuw die rondgaat, zoekend wie hij zal verslinden. (1 Petrus 5:8). Een stem die aanklaagt, die veroordeelt, die me zegt dat ik straf verdien in plaats van liefde, is de stem van de Aanklager. Van de Satan zelf. Ik twijfel een beetje over de letterlijke uitleg van de bijbelteksten over de duivel: ik vind ze nogal vaag en weet niet of voor een goed begrip van het evangelie een geloof in letterlijke demonen nodig is. Wat wel duidelijk is, is dat de Satan een symbool is voor de antigoddelijke boodschappen. Boodschappen die worden gebracht door de kerk: die daarmee werkelijk satanisch is geworden, hoewel ze beweert namens God te spreken. En boodschappen die ik zelf tegen mezelf uitspreek. De duivel is de stem in mij die mij veroordeelt, die mij schaamte aanpraat. Hij lijkt zo geloofwaardig, omdat hij zo op mij lijkt, maar hij is 'demonisch'. Want hij houdt me weg van de liefde die van God is (lees 1 Johannes maar). Is dat niet de aanklager, dat spiegelbeeld van mij dat me hardop uitlacht en roept: 'Je zult nooit liefde waard zijn! Niemand wil met je geassocieerd worden! Je bent niet volmaakt!'? De vijand, dat ben ik! 
En dit wordt op een prachtige wijze geïllustreerd in Insurgent. Want Tris krijgt de opdracht simulaties te doorlopen om een belangrijk artefact te openen. Elke simulatie test een belangrijke waarde: moed, intelligentie, onbaatzuchtigheid, eerlijkheid. Ze blijkt over al die kenmerken te beschikken. Maar de laatste is het moeilijkste. De laatste is 'amity', vriendschap. Even lijkt het in de simulatie alsof het de schurk van het verhaal is die haar uitdaagt, die haar boos wil maken, die haar ertoe wil verleiden te haten. Maar nee: de werkelijke tegenstander in deze simulatie is zij zelf. Haar andere zelf snauwt naar haar: 'Ik ben alles wat je haat. Ik ben wat andere mensen over jou denken. Degene die verantwoordelijk was voor de dood van haar moeder, degene die een vriend neerschoot. Mensen zijn bang van je, mensen haten je.' Ze wordt aangeklaagd: het zijn allemaal zaken die ze over zichzelf gelooft. En de verleiding is groot om zichzelf te haten, om zichzelf aan te vallen. Om met zichzelf te vechten (zoals iedereen doet met schaamte, schuldgevoel, depressie). Maar uiteindelijk doet ze het niet. In plaats daarvan blijft ze staan, met haar armen langs haar lichaam, en zegt tegen zichzelf: 'Ik vergeef je'. En dat is het einde van de aanklager. Dat kan de aanklager niet verwerken. Haar tegenstander verdwijnt en ze is vrij. 

Wat een geweldig beeld vind ik dat. Ja, deze radicale zelfacceptatie, het uitspreken van vergeving over jezelf, je eigen vriend zijn, is de enige remedie tegen de aanklager. Niet langer jezelf bestrijden, ook al zijn je fouten en onvolkomenheden reeel, maar jezelf aanvaarden 'warts and all'. Om tegen jezelf te zeggen: je bent geliefd, ook al ben je onvolmaakt. En is dat niet wat de komst van Jezus, en zijn dood en opstanding, ons wilden zeggen? Dat we geliefd zijn, ook al zijn we onvolmaakt? Dat ook als we God zelf kruisigen, dat onze plek als zijn geliefde kinderen niet uitwist? Dit is wat het kruis van Christus wilde tonen: dat we ons allemaal al bevinden in de omhelzing van de vader. Dat we waardevol zijn en kostbaar. En dat we onszelf dus ook zo mogen zien. 
Dit betekent ook dat we God vergeven. Dat lijkt een raar woord, maar wat ik bedoel is dat we hem vrijspreken van de woorden van de aanklager. Dat we die niet meer aan hem toerekenen. Dat we hem zichzelf laten zijn. Dat we niet in de kramp blijven zitten van angst of boosheid jegens hem, maar dat we de aanklager laten waar God hem heeft gelaten: aan het kruis. Daar is volgens Kolossenzen immers de schuldbrief die tegen ons getuigde door zijn inzettingen en die onze tegenstander is genageld, en de overheden en de machten ontwapend. Jezus' kruis en opstanding zijn ook Gods uitnodiging aan ons om de vijandschap te laten varen en zoals de jongste zoon in de gelijkenis naar huis te komen. 
En de kerk dan, die ook zo vaak, te vaak, de rol van aanklager speelt? Moeten we die ook vergeven? Ja: uiteindelijk is de gemeenschap der heiligen, die samenkomt rond de zichtbare tekenen van Gods liefde, de sacramenten, belangrijk voor ons geloofsleven. Ik heb ook zelf gemerkt dat ik mijn antipathie moest loslaten en weer bereid moest zijn de kerk de kerk te laten zijn. Maar vergeven is niet hetzelfde als vrijspreken. Vergeven is niet hetzelfde als de ander vrij laten je te beschadigen. En waar de kerk de woorden van de aanklager spreekt, moeten we die aan de kaak stellen, en deze gemeenschap zelfs verlaten. Want deze woorden zijn demonisch. En ik moet me zo ver mogelijk weg houden van het demonische. Voor mij betekent dat wegblijven uit evangelische kerken. In mijn ervaring prediken veel evangelische kerken nog steeds de boodschap dat ik niet aanvaardbaar ben zoals ik ben, en dat ik oordeel verdien als ik tekortschiet. Of dat ik pas echt een goed christen ben als ik bid, evangeliseer, of tienden geef. Die boodschap wordt opgeleukt met een band op het podium en powerpointpresentaties, maar voor wie nadenkt over wat hij hoort of ziet heeft hij hetzelfde effect. Zelfs in de Anglicaanse kerk, waar de sacramenten van brood en wijn centraal staan en het goede nieuws steeds opnieuw klinkt in de liturgie ('God, whose nature it is always to be mercifull'), klinken soms woorden van de aanklager. Maar gelukkig zo zelden dat het me lukt ze naast me neer te leggen.

Als Tris uit de simulatie komt, blijkt de strijd nog niet voorbij. Er blijken nog steeds machten die de boodschap van liefde (ook voor 'Divergents'/afwijkenden) willen begraven. De reis gaat verder. Dat geldt ook voor mij en voor de schrijver van bovengenoemd blogbericht: "I believe in God is love, somewhere in my mind. I almost believe that I am loved. Someday soon there will be room in my heart to actually let that good news sink in."

maandag 23 maart 2015

Gedicht: Watersnood

Wikimedia
Watersnood

Was ik op tijd om het tij te keren?
De wal te stutten? Deed ik genoeg
om te bestrijden wat snel nadert
boven de horizon: zwarte wolken
als bloemkolen gestapeld, begoten
met een saus van felle bliksemschichten 
van ver al aangekondigd door geraas
en opgezweepte golven door de wind?

Het land is ondergraven. Ik zag niet
hoe palen rotten door het zilte vocht
en wormen en schelpen groeven. Haastig
rende ik van ramp naar ramp, bestreed
elk opnieuw als stond hij op zichzelf.
Maar mijn reserves slonken. Uitgeput
moest ik mijn pogen staken. Ik was op
en kon niet meer dan wachten op de vloed.

Nu rijst de zee, een onstuitbaar leger
dat in gelid mijn vestingwerk bestormt.
Boven de troepen waaien ongeduldig
banieren van wit schuim. Onheilspellend
klinkt een trompet, snijdt als een mes
door de afgekalfde wering. Water
vult de droge hoeken, poelen zwellen
achter de dijk. Duurt de storm nog lang?

woensdag 18 maart 2015

Gedicht: Bepakking

Foto: Morguefile.
Bepakking

Heel lang liep ik kromgebogen
over het smalle pad. Hijgend
op de steile stukken. Zwetend
in de zon rond 't middaguur.
Mijn spieren deden pijn. 'S Nachts
kon ik niet slapen. Mijn blik 
bleef maar dwalen naar het pak
dat in de schaduw wachtte.

Eerst werd ik ruw gedwongen
andermans last te dragen.
Daarna werd ik gevraagd, maar ik
dacht nog dat het moest. Ik pakte
achtergelaten tassen,
hees zware stenen op mijn rug.
Ik was ze voor. Niemand zei nu
dat ik betekenisloos zou zijn.

Mijn knieën zijn kapot. Schouders
kraken onder het geweld
waar ik voor kies. Nog even 
en ik blijf liggen in de berm
waar ieder aan voorbijloopt
onder een eigen juk. Dus werp ik
mijn bepakking af. Draag slechts
wat ik zelf nodig heb. En ren!

zaterdag 14 maart 2015

Gedicht: vleierij

Vleierij

Je zegt het niet om mij te vleien
daarvan ben ik me bewust. Ik weet
dat juist jij steeds eerlijk bent, 
je woorden altijd weegt. Zorgvuldig.
Maar toch kan ik ze niet geloven:
dat ik schrijven kan, dat ik me niet
hoef te verstoppen, dat ik straal
in duisternis. Immers: wat als ik 
je serieus neem? Ernaar ga leven
en naast mijn schoenen loop? Vergeet
dat ik niks kan, gebroken ben,
een ander altijd beter is?

En wat als ik word gestraft? Mijn trots
kan ik beter verbergen. Ik breek
mezelf al van tevoren af.
Het is mijn glorie die ik vrees,
niet mijn tekort. Voor mijn kracht
vlucht ik nu weg, verstop me uit het zicht
onder de korenmaat. Het risico
dat ik niet goed ben, is te groot.
Ik kies de brede weg. Leun niet in
tegen mijn angst. Begraaf mijn talent
in zelfkritiek. Vergeet wat jij me zegt
juist omdat jij geen vleier bent.

dinsdag 3 maart 2015

Gedicht: De rivier

De rivier

Een rivier hoort recht te zijn
en kalm. Het land doorsnijdend
tussen stenen wanden. Van nut
als weg voor trage schepen
vol grind of kolen, auto's
of gezapige toeristen.
Maar zelf onzichtbaar, geen plek
voor schuim of onstuimigheid.

Deze grenzen liggen vast
sinds vele generaties.
Wie zich niet schikt, veroorzaakt
overlast, wordt ingedamd
met strenge wetten: hun water 
raakt levenloos en bruin van kleur.
Maar de kanalen zien geen kwaad
in deze wereld. Zij zijn thuis.

Ik ben echter niet als zij,
klater over rotspartijen
in witte golven. Kronkel 
door vlak land, met riet omzoomd.
Ben voor forel en zalm een thuis,
voor kikkers. Watervogels
vliegen op. Ik kan niet blijven
in hun bedding. Ik stroom over.

donderdag 26 februari 2015

Gedicht: Laat me

Laat me

Laat me nooit mijn oog verliezen
voor rimpels op het water van
het meer, brekend tegen rotsen.
Voor zand in een V van het duin.
Een vogel in de hemel, eenzaam.

Laat me niet murw worden voor 
het geluid van krakend gras 
onder mijn voeten. Het zonlicht
in penseelstreken als van goud
dansend boven de horizon.

Laat mijn aandacht helder blijven
voor de sporen in een bruin gelaat.
De smaak van thee. Kindergelach
dat klinkt van buiten. Vreugde
bij een boek dat mijn hart beroert.

Laat me open zijn. In elke 
omstandigheid vooral gericht op
concrete zaken. Laat me
zonder ophouden zoeken
naar de eigenheid van dingen.

Laat me nimmer vergeten wat
menszijn is. En laat me leven.