vrijdag 30 december 2011

Levensveranderende boeken 3 (herpublicatie)

Hoe dichter we bij het heden komen, hoe groter de dichtheid van boeken die mijn denken hebben veranderd. Ik hoop natuurlijk dat het is omdat mijn denken er nu meer voor openstaat om veranderd te worden, maar het kan ook zijn dat mijn geheugen tekort schiet.

Ongeveer acht jaar geleden leende ik van een vriend voor het eerst het boek Classic Christianity van Bob George. Ik worstelde namelijk in die periode nog steeds met de vraag hoe ik als christen kon leven. Ik was overtuigd van het belang van de genade, ik wist uit mijn 'bijbelstudieperiode' dat puur plichtsgevoel niet voldoende was, en ik was allergisch voor wetten en regels. Maar hoe kon ik dan wel leven? Dit boek sprak me heel erg aan omdat de schrijver uit een zelfde achtergrond kwam. Hij had jaren geleefd op plichtgetrouwheid en eigen inspanning, tot hij er achter kwam dat hij van God vervreemd was. Bob George gebruikt bijbelteksten, levendige voorbeelden en gesprekken met cliënten om te laten zien wat volgens hem het authentieke christelijke leven dan wel is. Hij legt uit dat door het werk van Jezus er een grote uitwisseling heeft plaatsgevonden. Jezus heeft mijn zonden gedragen, en ik heb de heiligheid van Jezus gekregen. En ik mag mezelf nu zien als een nieuwe mens, een geliefd kind van de vader. Dat is een heel ander zelfbeeld dan ik lange tijd had. Vervolgens zegt de bijbel: "U bent licht in de Heer. Wandelt als kinderen van het licht." Bob George verwoordt dit zo: "Je bent geen rups meer, maar een vlinder. Blijf daarom niet meer op je blad zitten, maar vlieg!" Een leven zonder God past gewoon niet meer bij me. Ik mag ervoor kiezen te leven naar de persoon die ik werkelijk ben. Ik heb ervaren dat dit heel bevrijdend werkt.

In mei 2004 bezocht ik een conferentie die mij altijd bij zal blijven. Een van de redenen is dat ik daar mijn eerste boek van John Eldredge kocht. Ja, die naam wordt vaker genoemd op deze blog, en voor een reden. Het boek dat ik op deze conferentie aanschafte was Wild at Heart. Een vriend van me had me dit boek aanbevolen door te zeggen dat de schrijver veel films aanhaalde. Dat intrigeerde me natuurlijk wel. Wild at Heart gaat over mannen. Volgens Eldredge kennen mannen drie diepe verlangens: naar een strijd om in te vechten, een avontuur om in te leven en naar een schoonheid om voor zich te winnen (parallellen van de universeel menselijke verlangens naar waarheid, intimiteit en schoonheid). In dit opzicht toont de man het beeld van God. Helaas is het beeld van God in de man beschadigd door negatieve woorden en oordelen die hij hoort uit de maatschappij, maar vooral door zijn vader. Het goede nieuws is dat God ons wil herstellen, hij wil die wonden in ons hart genezen, zodat we vrij in het leven kunnen staan. Dit was de eerste keer dat ik hoorde wat het betekent om man te zijn en dat het iets goeds was. En dat de verlangens in mijn hart naar bovengenoemde zaken niet kinderachtig waren, maar het beeld van God weerspiegelden. Wauw! Ik heb dit boek ondertussen wel vier keer gelezen...

Op dezelfde conferentie kocht ik het boek De waarde van Zelfrespect van Bruce Narramore. Ik worstelde dat jaar behoorlijk met een negatief zelfbeeld en ik had nog steeds ergens de gedachte dat de bijbel me niet toestond positief over mezelf te denken. In dit boek legt Narramore uit dat we juist veel respect voor onszelf mogen hebben, net als voor andere mensen, omdat wij en zij naar het beeld van God zijn geschapen. Hoe diep we ook zinken, dat verandert niet. Hij ontkracht de dwaalleer van de 'zelfverzaking', die zegt dat we slecht over onszelf moeten denken en onszelf moeten afleggen voordat God door ons kan werken. Nee, God heeft ons ieder afzonderlijk naar zijn beeld gemaakt, en Hij houdt juist van ons. Afgelopen maand heb ik dit boek opnieuw gelezen en het sprak me weer heel erg aan. Nu herkende ik vooral zijn beschrijving van de mechanismen waardoor een negatief zelfbeeld ontstaat: hoe je een 'ideaal zelf' ontwikkelt aan de hand van verwachtingen van je ouders en de maatschappij, een ideaal waaraan je nooit kunt voldoen, en hoe je vervolgens jezelf straft als je van dat ideaal afwijkt. Voor mij was het heel verhelderend en het gaf mij de wil en overtuiging om dat valse ideaal en straffende zelf af te werpen.

Omdat ik altijd een grote liefhebber ben geweest van SF- en fantasyverhalen, heb ik vaak nagedacht hoe ik mijn liefde voor de verbeelding in relatie kon brengen met mijn christelijk geloof. Nu was J.R.R. Tolkien natuurlijk mijn grote voorbeeld (The Lord of the Rings heb ik nu vier keer gelezen, en een vijfde keer staat op stapel). En ik was dus ook blij toen ik in een boek met sprookjes van hem zijn essay tegenkwam: Over Sprookjesverhalen. Ik heb dit geschrift uitgebreid bestudeerd en behandeld op een studiekring over Tolkien, omdat hij prachtig uiteenzet waarvoor we sprookjes, mythen en legendes nodig hebben. Ten eerste om een heldere blik op de werkelijkheid te behouden, zodat vertrouwde, afgestompte begrippen en waarden en normen weer voor ons gaan leven. Ten tweede om te laten zien dat onze wereld niet alles is, om ons te herinneren aan dingen die mooi en belangrijk zijn. Dat is een heel gezonde vorm van escapisme, die ons laat terugkomen met de drang onze situatie te veranderen. Ten derde om ons verlangen op te wekken. Ten vierde om te herinneren aan de troost van het 'happy end', de plotselinge wending ten goede. En dat is een overeenkomst met het evangelie, die op het dieptepunt eindigde met de onverwachte wending van de opstanding. Over Sprookjesverhalen hielp mij de waarde van fantasie te begrijpen.

Toen ik Wild at Heart uit had, wilde ik natuurlijk meer lezen van John Eldredge. Het volgende boek dat ik van hem tegenkwam was The Sacred Romance, dat hij eerder al had geschreven samen met Brent Curtis. Dit boek heeft mijn blik op wie God is, en welk belang mijn leven heeft, ingrijpend veranderd. Volgens Curtis en Eldredge is God niet passief, staat hij niet buiten zijn wereld, maar is hij intens op de wereld betrokken. Hij is niet alleen de auteur van het verhaal, maar tegelijkertijd de hoofdpersoon, niet alleen van de wereldgeschiedenis, maar ook van ons leven. Hij is de held die naar zijn geliefde op zoek is en die alles gebruikt om haar voor zich te winnen. We leven in een liefdesverhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van een kosmische strijd. Als we zo ons leven zien, winnen onze keuzes aan betekenis. We kunnen 'mindere minnaars' achter ons laten, en weerstand bieden aan de pijlen die de tegenstander op ons afschiet. En voor ons ligt de blijde hereniging met de held die ons liefheeft, het 'happy end' van de geschiedenis. Dit boek was een verademing, en maakte het christelijk leven voor mij relevant en aantrekkelijk.

donderdag 29 december 2011

Het rijpe fruit van Wales

September is de maand waarin het fruit aan de bomen begint te rijpen. Appels, bramen, rozenbottels - overal in Wales was wel fruit te vinden. Vooral bramen waren er veel! Op advies van onze gastvrouw ging ik na een regenbui de boomgaard in. De druppels op de appels waren behoorlijk fotogeniek!






En als toegift weer een foto die door mij wat bewerkt is om op een foto uit de 19e eeuw te lijken. Het landschap in Wales leent zich er wel voor!

maandag 26 december 2011

Kerstboodschap: wie kondigt wat aan?

Al jaren lang sluiten radiomakers van 3FM zich rond kerst op in een glazen huis voor het programma ‘Serious request’. Ze ontzeggen zich privacy en eten en ander gemak, om voor het oog van een heleboel mensen aandacht te vragen voor minderbedeelden over de hele wereld. Dit keer oorlogsmoeders in Afrika. Door luisteraars wordt geld ingezameld, en ook de gemaakte radioprogramma’s dienen dat doel. Veel mensen vinden dit initiatief inspirerend. Ik ook. Ik vind het mooi dat er mensen zijn die bereid zijn zulke offers te brengen om anderen te helpen en die hun door God gegeven talenten gebruiken om anderen ook te stimuleren zich in te zetten voor goede doelen. En elke hulp die dit oplevert voor lijdende mensen is welkom.
Christenen laten zich door de DJ’s van het Glazen Huis ook inspireren. Vorig jaar voerde Boele Ytsma op twitter actie om als kerken bij te dragen aan de opbrengst van het Glazen Huis. En dit jaar las ik de blog Gods Marketing, die stelde dat de radiomakers eigenlijk moderne dominees zijn, met hun boodschap om je in te zetten voor anderen. “De DJ’s zijn zonder het zelf te beseffen ware dominees, priesters en voorgangers geworden ... De vermoeidheid is levensecht, maar de wilskracht en overtuiging ook. Alles voor de ander, alles voor die vreemde, daar in Afrika.” Net als dominees en voorgangers zenden deze radiomakers een boodschap de wereld in: dat we moeten omzien naar diegenen die het minder goed hebben dan wij en dat we samen alles voor de ander over moeten hebben.
Heel lovenswaardig, en het is een goede boodschap, maar het is niet HET goede nieuws. Het is niet het de boodschap die dominees, priesters en voorgangers nu opeens zouden moeten verkondigen. Juist niet! Het woord in de boodschap dat bij mij de alarmbellen deed rinkelen was ‘wilskracht’. In deze boodschap hangt het af van onze inspanning voor de ander, wat wij met onze kracht kunnen bereiken, onze discipline en ons doorzettingsvermogen. Het is trouwens niet verkeerd om te worden uitgedaagd om ons in te spannen, om onze kracht te trainen, en om door te zetten. Maar als christelijke predikers deze boodschap gaan brengen, wordt de boodschap op de een of andere manier altijd dat we deze dingen eigenlijk voor God doen of zouden moeten doen. Dat we door die inspanning, discipline en doorzettingsvermogen aan Gods koninkrijk bijdragen, dat God ons waardeert als we dat doen, dat we minder goede christenen zijn als we het niet doen. Dit zal altijd gebeuren, omdat christelijke predikers nu eenmaal namens God spreken. Plotseling hangen Gods aanvaarding en onze eeuwige toestand dis af van die heel wankele factor van onze wilskracht. En plotseling zetten we ons niet meer in voor de ander omwille van die ander, maar omdat we bang zijn Gods zegen mis te lopen of door Hem niet goed genoeg gevonden te worden.
Ik ben helemaal niet tegen oproepen om goed te doen aan anderen, om moreel en heilig te leven, en te zorgen voor het milieu, dieren en de samenleving. Verre van! Ze zouden veel vaker mogen klinken. Maar deze morele boodschappen kunnen het best worden gebracht via seculiere kanalen. Door de DJ’s van 3FM. Door iemand als Bono (ja, hij is een christen, maar hij brengt zijn boodschap van armoedebestrijding als zanger van een rockband!). Door Marianne Thieme (ook een christen, maar ze brengt haar boodschap als politicus, niet als predikante). Als zij deze boodschap brengen, gaat het om het moreel verantwoorde gedrag, en niet om eeuwig zieleheil en Gods aanvaarding. Elkaar liefhebben, zorgen voor de ander, geven om de wereld: het hoort bij het menszijn. Wie deze boodschap brengt, brengt die boodschap als mens naar mensen, ook als hij christen is en voor zijn boodschap door Christus wordt geinspireerd.

Aan de andere kant: de boodschap over ons eeuwig zieleheil en Gods aanvaarding die christenen namens God verkondigen, kan het best worden gebracht door onvolmaakte, immorele predikers. Door mensen zonder zuiver blazoen, zonder vlekkeloze reputatie. Door verslaafden die ervoor uitkomen dat ze weer zijn teruggevallen, ook al wilden ze oprecht ‘nee’ blijven zeggen. Door de kwetsbaren, die durven laten zien dat ze anderen hebben pijn gedaan, dat ze kansen hebben laten lopen, dat ze wisten wat hun plicht was, maar die niet hebben gedaan.
Als de boodschap over Gods aanvaarding en onze eeuwige toestand wordt gebracht door predikers die een zuiver moreel voorbeeld laten zien, die altijd alles geven voor anderen, nooit terugvallen in een verkeerd patroon, nooit boos zijn op hun kinderen, en voldoen aan het plaatje van de ideale burger en de ideale christen, gaan we denken dat al deze  dingen erbij horen. Dat we om net als zij door God aanvaard en gered te worden net zo goed, moreel en kerkelijk actief zouden moeten zijn als de predikers zelf. Dat dit gedrag en deze inspanningen voorwaarden zijn, dat het (opnieuw van onze wilskracht afhangt. En we worden gefrustreerd, of oneerlijk (net als die predikers, want niemand is volmaakt. Als ze zo lijken, is dat omdat ze niet open zijn over wat er in hun binnenste afspeelt).
Paulus zelf deed zijn best zich niet beter voor te doen als hij was. Hij noemde zichzelf in 1 Timoteus (in tegenwoordige tijd) de grootste van alle zondaars. Hij was zwak stond bloot aan verleiding. “Als er iemand zwak is, dan ben ik het wel. Gaan anderen onder verleidingen gebukt - ik word erdoor verteerd!” (2 Korintiers 11:29). Hij vertelde dat hij door Satan als met vuisten geslagen werd - want Gods kracht wordt zichtbaar in zwakheid. Hij was niet beter, heiliger of moreler dan zijn toehoorders, hij was zwak zoals zij en trad zwak op, maar hij had de liefde van God leren kennen, zoals die was geopenbaard in Christus, zijn heer. Daarvan predikte hij.
Daarom heb ik ook het meest geleerd over de genade en de liefde van God van schrijvers als Brennan Manning (Het Zwerversevangelie) die eerlijk uitkomt voor zijn worsteling met een alcoholverslaving en hoe hij daar steeds weer in terugvalt. Van Philip Yancey, die open is over zijn opvoeding in een strenge, racistische kerk, en hoe hij oude ingeslepen patronen moet kwijtraken. Van John Eldredge, die vertelt over de wonden die zijn vaders woorden hebben achtergelaten en hoe hij tekortschiet ten opzichte van zijn vrouw en zijn kinderen. Van andere schrijvers, sprekers en vrienden die er open voor uitkomen dat ze er soms een potje van maken, maar die weten dat God van ze houdt en uiteindelijk herstel zal brengen in het koninkrijk van God. Ze brengen niet zichzelf en hun gedrag, maar ‘Jezus Christus, de gekruisigde’ (1 Korintiers 2:2).

Kerst is bij uitstek de gelegenheid om stil te staan bij de christelijke boodschap, de reden waarom Christus op Aarde is gekomen. Die boodschap is ten eerste een aankondiging. Een boodschap over een gebeurtenis, die op geen enkele manier te maken heeft met onze wilskracht. Of wij goed leven, of wij anderen helpen, of wij in moreel opzicht door een ringetje te halen zijn heeft er niets mee te maken. Het is geen oproep om ons te gaan gedragen of om ons beste beetje voor te zetten. Het is een feitelijke mededeling die aan ieder van ons gedaan wordt, en die van ons niet eens een reactie vereist. Of we er nou blij mee zijn of niet, of we er naar gaan leven of niet, het verandert niets aan de inhoud ervan.
En het is bovendien een aankondiging die wordt gedaan aan mensen die niet eens een passende reactie kunnen geven. Aan het uitschot van de samenleving, aan mannen en vrouwen zonder hoop, die aan de grond zitten. Aan degenen die zo lang hebben geprobeerd mee te draaien en hogerop te komen, dat ze de moed nu hebben opgegeven. Aan degenen die zich hebben verlaagd tot het verkopen van hun lichaam of het uitbuiten van hun landgenoten. Aan de verslaafden die hun verslaving haten, maar de fles niet kunnen laten staan. Aan ‘the last, the least, the little, the lost’, aan mensen die -in de woorden van Robert Farrar Capon - dood zijn.
Het is de aankondiging van de Engelen aan de herders. Niet de romantische herdertjes die bij nachte in het veld lagen. Nee, lees wat op Internetmonk werd gezegd over de herders: "Shepherds at the time of Jesus were at the bottom of society’s list of acceptable people, barely above lepers ... most shepherds were hired hands tasked with herding the sheep from pasture to pasture, tending to their wounds, birthing the lambs, and chasing away predators. These hirelings often had a higher sense of their own value than they did for their flocks ... Shepherds and thieves were thought to be one and the same—and often were ... They were filthy. Living out of doors 24/7 does not exactly allow one to keep the best personal hygiene. Shepherds smelled like sheep and all that goes with sheep. They were not only dirty, they were ritually unclean as well, having touched blood, feces and insects on a daily basis, disqualifiing them from any part of religious circles ... As far as the religious leaders were concerned, they were non-people. They were outcasts from society. Losers with a capital “L.”
Aan deze sociale uitgestotenen werd het goede nieuws verkondigd, dat het hele volk met grote vreugde zou vervullen: “Vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren ... Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen, die Hij liefheeft.” (Lukas 2:10-14) In het kort vertaald: “Jullie zijn misschien wel hopeloos, en jullie wilskracht kan jullie niet helpen, maar ook voor jullie geldt dat de redder gekomen is, omdat God alle mensen liefheeft, dus ook jullie.”
Dit is werkelijk goed nieuws. Geen wonder dat deze herders vervolgens in actie kwamen en dezelfde boodschap van onvoorwaardelijke aanvaarding brachten aan de respectabele, rechtschapen mensen in de omliggende dorpen. Geen wonder dat sommigen van hen dertig jaar later wellicht volgelingen van deze redder zijn geworden. Geen wonder dat ze misschien hun leven wel hebben opgeofferd en alles op het spel hebben gezet om hem te dienen. Deze aankondiging doet dat met mensen.

Als christenen moeten we geen andere boodschap brengen dan deze: “U is heden de heiland geboren ... Vrede op aarde, en in mensen een welbehagen.” Het koninkrijk van God is aangebroken, de beloofde koning is gearriveerd, het herstel van alle dingen wordt werkelijkheid. En het is voor iedereen! Of je nu goed doet aan anderen of niet, of je nu moreel bent of niet, of je nu hard werkt in de kerk of niet. God heeft welbehagen in je, Hij heeft je lief. Moreel rechtschapen christenen of falende, struikelende gelovigen - iets anders hebben we niet aan te kondigen. We vertellen het goede nieuws.
En dat vervolgens degenen die de boodschap horen, niet werkeloos op hun gat kunnen blijven zitten, dat ze het nieuws zelf gaan verspreiden, dat ze ook zelf vrede op Aarde willen brengen en dat ze zelf ook welbehagen en plezier gaan hebben in hun medemensen, dat zou ons niet moeten verbazen. Dat ze anderen willen gaan liefhebben, heilig willen gaan leven en actief worden in een geloofsgemeenschap, moet ons niet verwonderen. Het woord van God doet dat met mensen. Jezus doet dat met mensen. Maar het is niet waar wij ons mee bezig hoeven houden. We hoeven alleen maar een aankondiging te doen.

vrijdag 23 december 2011

Levensveranderende boeken 2 (herpublicatie)

Vandaag het tweede deel van de serie over levensveranderende boeken, vijf jaar geleden gepubliceerd op mijn blog Tol Eressea. Ik begin dit tweede deel met een boekje van Willem Ouweneel (Ja, ik zei toch dat ik ooit fan van zijn boeken was?). Het Koninkrijk Gods en de Staat is maar een dun boekje, dat de invloed van christenen in de politiek verdedigt. Nu ben ik helemaal niet geïnteresseerd in politiek of in staatskunde of dergelijke onderwerpen, maar dit boekje introduceerde voor mij een belangrijk onderscheid, namelijk tussen structuur en gerichtheid. Ouweneel betoogde dat de structuren in onze samenleving zoals ze zijn geschapen of ingesteld goed zijn, maar dat ze verkeerd gericht kunnen zijn. Overal waar een structuur, of dat een gezin, kerk, school of staat is, is gericht op God, breekt het koninkrijk van God door. Als de structuur op de mens zelf is gericht, is het wat de bijbel 'de wereld' noemt. Dus niet de structuren zelf moeten worden afgewezen, zoals ik had opgepikt in mijn opvoeding (die tegen 'de wereld' was), maar we moeten de gerichtheid afwijzen. Hetzelfde kon ik toepassen op mijzelf, zoals ik door God ben geschapen. De structuren van mijn lichaam, wil, emoties en gedachten zijn goed, want naar het beeld van God geschapen. Het gaat erom of ze op God gericht zijn of niet.

Een van de relatief weinige romans die ik las in mijn 'bijbelstudieperiode' was Deadline van Randy Alcorn, een van de christelijke thrillers die in die periode populair was. Het verhaal was spannend, maar waar het mij nu om gaat was één van de verhaallijnen, waarbij een hoofdpersoon na zijn dood in de hemel terecht komt. Natuurlijk was de beschrijving van de eeuwige toestand in dit boek grotendeels speculatie, maar wel inspirerende speculatie. Alcorn beschreef de hemel als een plek van activiteit, niet als een verzameling wolken en mensen met harpen, maar een plek van voortgaande creativiteit, van ontmoetingen met andere gelovigen (C.S. Lewis!) en van betrokkenheid bij het werk van God. Hij verzon zelfs een bibliotheek in de hemel, waar alle literatuur bewaard werd die op de een of andere manier God verheerlijkte. Zo'n beeld sprak mij natuurlijk wel aan. Ik had de hemel altijd gezien als een soort eeuwige kerkdienst, maar dit gaf een beeld dat veel meer paste bij het menszijn. Het hielp mij om in de toekomst te geloven en te vertrouwen dat het goed zal zijn.

Nog voor mijn overspannenheid las ik het Handboek voor de christelijke levenskunstenaar van Christian Schwarz. Jammer genoeg heb ik het boek ooit uitgeleend en nooit teruggekregen van iemand van wie ik nu geen contactgegevens meer heb. Maar ik weet wel dat dit boek me uitdaagde het leven te zien als iets waarvan ik mocht genieten. Dat had ik nooit zo begrepen. Ik dacht altijd dat God wilde dat ik me tot het uiterste inspande, dat ik mezelf wegcijferde. Dingen waarvan ik genoot, die ik deed voor mijn plezier, waren eigenlijk al verdacht. Daarom dat ik geen spannende boeken meer las en ook niet meer schreef. Maar volgens Schwarz heeft God juist het goede met ons voort en is het leven met Hem juist een leven waarin we helemaal tot ontplooiing komen en kunnen genieten van zijn schepping. Heel inspirerend.

Toen kwam er een periode van overspannenheid, waarin ik twee jaar lang niet uit de bijbel las, en drie jaar lang niet kon bidden. Ook bijbelstudieboeken las ik die periode niet. Ze zieden me gewoon niets meer. Ik bleef natuurlijk wel nadenken, en ik ontwikkelde een ander wereldbeeld en een ander mensbeeld. Toen ik weer begon te bidden, probeerde ik op een persoonlijke manier met God te praten, terwijl ik naar mijn werk wandelde. Ik ervoer opeens veel meer de realiteit van God, en hoe Hij ook luisterde en antwoord wilde geven in mijn gedachten. Een boek dat mijn manier van praten met God bevestigde was Genieten van Gods nabijheid van Janet Johnson. Zij beschreef hoe ze was afgeknapt op het bidden volgens lijstjes en met een gebedsboek. Zo'n geordende manier van omgaan met God werkte voor haar niet. Ze bleef daarover gefrustreerd, tot ze zich realiseerde dat ze gewoon met God kon praten. Op elk moment van de dag kon ze zich bewust zijn dat God bij haar was en dat ze alles tegen hem kon zeggen. Zo werd God realiteit, niet alleen maar tijdens het halve uurtje bidden, maar gedurende de hele dag. Ik moet mezelf daar ook nog vaak aan herinneren.

Een andere schrijver die ik opnieuw ontdekte na mijn periode van overspannenheid was de amerikaanse journalist Philip Yancey. Ik had al eerder dingen van hem gelezen, maar ik kon er nooit veel mee. Zijn zoekende, vragende mentaliteit botste met mijn houding van rotsvaste zekerheid en vertrouwen in kennis van de bijbel. Maar nu begreep ik hem eindelijk. Hij beschrijft in zijn boeken zijn opvoeding in een strenge, wettische gemeente, hoe dat zijn denken en zijn relatie met God vormde en hoe hij later probeerde een gezonder beeld van God en van het christelijke leven te vormen. Op die reis werd hij gestimuleerd door een heel aantal christelijke schrijvers en ontmoetingen met leiders over de hele wereld. Zijn boek Genade, wat een wonder was voor mij een verademing. Hij beschrijft de totale radicaliteit van Gods genade, Gods aanvaarding ook voor mensen die wij als het uiterste uitschot zien. Hij laat zien hoe wij die genade in geen enkel opzicht verdiend hebben, en ook in ons leven nooit kunnen verdienen, maar hoe God ons toch bij zich wil hebben. Hij heeft daar zelf alles voor gedaan dat nodig was. En die genade, de wetenschap dat God ons werkelijk zonder enige voorwaarde omarmt, is een levensveranderde gewaarwording. Ik dit boek kort nadat ik deze tekst voor het eerst publiceerde voor de derde keer gelezen, en de invloed ervan is duidelijk te merken in mijn eigen boek Indrukwekkende Vrijheid.

dinsdag 20 december 2011

Een oude kerk in Wales

Het christendom heeft van oudsher een rol gespeeld in Wales. Hier liggen de wortels van de keltische spiritualiteit. Een van de mooiste kerkjes die we zagen was die op deze foto's. Gelegen ver van de bewoonde wereld, aan de rotsachtige kust onder grijze wolken. Omgeven door een oude begraafplaats met scheefgezakte stenen. Maar tegelijk een symbool van leven: er had eerder een bruiloft plaatsgevonden en boven de toegangspoort bevond zich nog een boog van bloemen. Leven en dood in een plek verenigd. Dat is de kerk.






Bonus: om te laten zien dat de tijd hier heeft stilgestaan, heb ik de foto waarmee ik begon wat bewerkt op de computer. Zo had hij honderd jaar geleden ook kunnen worden gemaakt.

maandag 19 december 2011

Filmbespreking: Rise of the Planet of the Apes

Van de zomer was ik met een goede vriendin in Burgers’ Dierenpark in Arnhem. We hadden allebei een verblijf waar we per se meer tijd wilden doorbrengen. Voor mij was dat (hoe kan het ook anders?) Burgers’ Ocean. Voor haar waren het de chimpansees. Tijdens haar studie biologie heeft ze namelijk gedragsonderzoek gedaan bij deze kolonie. Ze zat elke dag in een observatieruimte met een verrekijker om bij te houden welke chimpansee wat deed. Daardoor heeft ze een band opgebouwd met de mensapen, en nu, bijna vijftien jaar later, zoekt zij ze nog steeds af en toe op. Ook nu spendeerden we heel wat tijd achter het glas, van waar we een mooi uitzicht hadden. Veel apen die mijn vriendin toen had geobserveerd, bleken nog in leven, hoewel sommige wat grijzer waren of minder behaard. Ze kende ze zelfs bij naam! En over hun interacties praatte ze alsof het de ruzies en affaires van mensen konden zijn. Voor haar staat het wel vast dat de chimps intelligente dieren zijn, die in veel opzichten op mensen lijken. Ze leek ze ook te beschouwen als wezens met een echte persoonlijkheid, en met zelfbewustzijn (maar niet als mensen, ze is en blijft bioloog natuurlijk).
De interessante vraag is natuurlijk of deze chimpansees inderdaad zelfbewust zijn en moeten worden beschouwd als moreel verantwoordelijke personen, of dat dit iets is dat wij als toeschouwers op ze projecteren. Ik ben zelf wat huiverig om aan dieren menselijke eigenschappen toe te schrijven, ik merk namelijk dat ik dat al doe bij de maanvissen in mijn aquarium! Zelfs als een dier gedrag vertoont dat lijkt op menselijk gedrag (communiceren met gebaren, eten delen met anderen) hoeft dat nog niet dezelfde betekenis te hebben als menselijk gedrag. Neem een vogel als de prieelvogel, waarvan het mannetje een nest bouwt en versiert met gekleurde vruchtjes en keverschilden om een vrouwtje te lokken. Enthousiaste commentatoren in natuurdocumentaires roepen dan dat de vogels kunstenaars zijn en dat in dit gedrag de wortel ligt van de menselijke creativiteit. Maar de vogels volgen hun instinct. Hun gedrag is genetisch vastgelegd. Terwijl mensen nieuwe dingen kunnen maken, en vooral: deze nieuwe dingen niet HOEVEN maken. Het moeilijke is dat chimpansees (en dolfijnen, en raven) niet kunnen praten, en we dus ook niet werkelijk met ze kunnen communiceren. We kunnen geen gesprek met ze aangaan. En dus kunnen we ook nooit weten wat er werkelijk in ze omgaat. Elke keer als we ons dat proberen voor te stellen projecteren we onze menselijke gevoelens en emoties op wezens die - zelfs als ze intelligent zouden zijn - niet menselijk zijn.
Aan de andere kant zijn mensapen, en in het bijzonder chimpansees en bonobo’s, op deze wereld sinds de Neanderthaler en de Floresmens zijn uitgestorven, de wezens die het meest met ons verwant zijn. Ons genetisch materiaal vertoont grote overeenkomsten. Bovendien vertonen de apen wel degelijk intelligent gedrag. Ze gebruiken gereedschappen en tonen een probleemoplossend vermogen, ze kunnen met ons (en onderling) communiceren met behulp van gebaren en ze herkennen zichzelf in de spiegel, wat suggereert dat ze zich bewust zijn van een eigen identiteit (net als sommige vogels en dolfijnen). Bovendien - zo heel rationeel en intelligent zijn wij zelf ook vaak niet (ik zou hier een cynische verwijzing kunnen plaatsen naar TV-programma’s als Oh Oh Cherso, maar dat doe ik maar liever niet). Een groot deel van ons gedrag komt voort uit genetisch vastgelegde patronen en staat minder onder onze invloed dan wij denken. Wat wij doen, is vaak ‘bij de beesten af’. Sommige biologen noemen de mens dan ook wel ‘de naakte aap’.  Ons gedrag is vaak zelfs van een onmenselijk niveau waartoe dieren niet zouden zinken - of het nu is in oorlogen, uitbuitende economische systemen of in de manier waarop we de natuur uitwringen. Zelfs als we op essentiële punten van dieren verschillen, zijn we in elk geval niet ‘beter’.
Of je nu wel (zoals ik) gelooft dat de mens uniek is, of niet: dit zou ons moeten weerhouden van grootse claims over ons vermeende recht te heersen over de Aarde en over de dieren en planten. Als we dat recht al hadden, lijkt het erop alsof we het hebben verspeeld. Ons gedrag uit het verleden, zou ons bescheiden moeten maken. Kortom, ook al is de menselijkheid van apen iets dat wij op ze projecteren, we zouden ze moeten behandelen met het respect dat zelfbewuste, denkende wezens toekomt. We zouden de hele schepping moeten behandelen met dat respect. We zouden haar, dieren en elkaar moeten liefhebben. We zouden ons moeten gedragen als rentmeesters - precies zoals het de bedoeling was. Alleen dan zijn we namelijk echt menselijk.

Een wat lange inleiding voor mijn bespreking van misschien wel de beste ‘blockbuster’ van 2011. Ik moest de afgelopen zomer een paar van de grote films in de bioscoop aan me voorbij laten gaan. En omdat enkele spektakelfilms van eerder dit jaar een beetje tegenvielen, vond ik het niet zo erg. Een van de films die ik om deze reden liet schieten was Rise of the Planet of the Apes. De zoveelste vervolgfilm in de serie en ook nog eens met een onhandig lange titel. Noem me ongelovig, maar ik kon me niet voorstellen hoe er met dit concept een origineel verhaal te vertellen was. Bovendien was ik wat cynisch geworden door commentaren op het internet die de film al van te voren onderuit haalden - de schrijvers ervan dachten dat de film een oorlog tussen de mensheid en de apen zou tonen, en lachten al om het feit dat de laatste met stenen en stokken zouden moeten vechten tegen machinegeweren en raketten.
Maar dit bleek niet het verhaal van de film. Dat was een stuk kleinschaliger en persoonlijker, en de confrontatie tussen mens en aap bleek geloofwaardig en zelfs aangrijpend. Het begint met een aangrijpende achtervolging in Afrika, waar stropers chimpansees opjagen om ze te verkopen aan een farmaceutisch bedrijf in San Francisco. In dat bedrijf worden ze gevangen gezet in kleine hokjes en onderworpen aan vernederende experimenten. Het doel van de onderzoekers is het vinden van een middel tegen de ziekte van Alzheimer. Het gaat om een virus, dat het DNA van hersencellen verandert. Een van de apen, ‘Bright eyes’, vertoont na behandeling tekenen van een herstelde intelligentie. Ze wordt echter ook agressief, dus wordt het project stopgezet en worden de chimps geeuthanaseerd. In de kooi van ‘Bright eyes’ vinden de verzorgers echter een jonge chimp. Onderzoeker Will neemt de aap mee naar huis, naar zijn demente vader.  Die ontwikkelt een bijzondere band met het dier. Nou ja, dier? Caesar, zoals hij al snel genoemd wordt, heeft de toegenomen intelligentie overgenomen van zijn moeder. Hij begrijpt wat Will en zijn vader hem zeggen, en kan communiceren met gebaren. Hij is deel van de familie. Maar tegelijk is hij natuurlijk anders. Buurtbewoners accepteren hem niet, en denken dat hij een huisdier is. Als hij na een dramatische gebeurtenis in een apenopvang terechtkomt ontdekt hij hoe mensen zijn soortgenoten behandelen. Hij werpt zich op als hun leider (niet voor niets wordt er een beeldfragment getoond van Mozes uit The Ten Commandments). Hij wil niets liever dan deze dieren meenemen naar het beloofde land: de bossen waar hij zelf door zijn ‘vader’ Will eerder naar toe was meegenomen. Maar het is de vraag of de sadistische verzorger van het opvangcentrum en de op geld beluste directeur van het farmaceutische bedrijf dat zomaar toestaan. Het virus dat voor de verhoogde intelligentie van Caesar zorgde, blijkt ondertussen onverwachte effecten te hebben ...

Een van de belangrijkste factoren in het succes van de film is het spel van Andy Serkis - ondertussen een expert in het spelen van geanimeerde karakters: Gollum, King Kong en nu de chimpansee Caesar. Het is duidelijk dat hij voor deze film studie heeft gedaan naar het gedrag van apen. Caesar wordt namelijk nooit mens. In kleine gedragingen, in het tuiten van zijn lippen, in zijn geluiden - hij blijft een chimpansee. Maar tegelijk spreken zijn ogen boekdelen. Hij is een chimpansee die worstelt met zijn identiteit, die loyaal wil zijn aan zijn menselijke familie maar die tegelijk het verraad niet kan verkroppen, en die uitgroeit tot een doortastende, inspirerende leider. Als kijker zie je de chimpansee niet meer als computereffect, en ook niet meer als dier, maar als een intelligent persoon, ook al is hij geen mens. Het spel van de andere acteurs is goed genoeg, maar valt bij Serkis’ optreden in het niet. Verder vond ik de spanning goed opgebouwd, de actiescenes sterk, en het zonnige San Francisco goed in beeld gebracht (net als de ‘redwood forests’ - die ik ken van mijn vakantie eerder dit jaar). Ook zijn er leuke verwijzingen naar eerdere films uit de serie. En er is een gorilla die een helikopter uitschakelt. Ik ben nu al erg benieuwd naar het vervolg.

In feite wordt in deze film de mens geconfronteerd met een andere intelligente soort. Deze verhalen roepen direct de vraag op wat het betekent mens te zijn. Ligt onze identiteit als mens in ons uiterlijk (twee benen, twee armen en twee ogen)? Ligt ze in onze taalvaardigheid? In ons gebruik van gereedschappen? In onze moraal? In dit geval is de andere soort niet een buitenaards ras van vier meter hoge, blauwe wezens, maar een soort die nauw aan ons verwant is en bovendien al op onze planeet voorkomt. Het onderscheid wordt dus kleiner gemaakt. Het wordt moeilijker om het verschil tussen de mens en de ander aan te wijzen. Eerst lijkt de kunstmatig verhoogde intelligentie te zorgen voor het verschil. De aap wordt hiermee ‘mens’ gemaakt, is de suggestie. Caesar kan zich niet aanpassen aan het instinctmatige rangordegedrag van zijn soortgenoten. Hij hoort bij ons. Maar ook deze grens wordt gerelativeerd. Ten eerste doordat Caesar een circusaap ontmoet die niet met het virus zijn behandeld, maar toch met gebarentaal kan communiceren (hoewel op een hoger niveau dan apen werkelijk kunnen). En later sluiten niet behandelde chimps uit de dierentuin zich bij zijn groep aan. De suggestie is dat het ‘op menselijk niveau’ functioneren in potentie al in de apen aanwezig is, en dat het alleen maar hoeft worden opgeroepen: door een virus, door circustraining, of door een intelligente aap zelf. Ten tweede gedragen heel wat mensen zich in deze film als chimpansees. Goed voorbeeld is de buurman van Will, die de jonge Caesar met een slaghout bewerkt omdat de aap in zijn tuin is terechtgekomen. Of de bewaker in het apenverblijf, die zijn machtspositie misbruikt om indruk te maken op twee jonge dames die hij het pand heeft binnengesmokkeld. Irrationeel territoriumgedrag. Instinctmatige agressie. Mensen vertonen in deze film voor een groot deel ‘mensaap’-gedrag.
Mijn favoriete christelijke filmrecensent vindt deze vervaging van de grenzen tussen mens en dier zorgwekkend: “Not only does it depict the beginning of the end of the age of humans, it doesn’t seem to recognize anything precious or unique being lost with human nature, since people and animals aren’t that different to begin with.” Een zelfde kritiek werd geuit op de film Avatar van James Cameron. Maar in mijn tweede bespreking van die film legde ik al uit waarom ik het met deze beweringen oneens ben. Net als in Avatar blijkt de grens tussen ‘menselijk’ en ‘niet menselijk’ namelijk niet door uiterlijke kenmerken te worden bepaald. De grens blijkt zelfs dwars door het menselijke ras te lopen. En net als in Avatar is het onderscheid ook in deze film de manier waarop we ons gedragen ten opzichte van anderen.
Caesar draagt zijn volgelingen expliciet op geen mensen te doden, hij weerhoudt ze er zelfs actief van. Hij betaalt de mensheid niet terug voor wat ze hem hebben aangedaan. In dit opzicht is hij menselijker dan bijvoorbeeld de directeur van het farmaceutische bedrijf, die alleen om geld geeft, of de verzorger in het opvangcentrum, die dieren martelt. Maar de film toont bovendien dat niet alle ‘intelligente apen’ ook menselijk worden. Een chimp die is behandeld met het virus gedraagt zich daarna net als de mensen, door een weerloos slachtoffer het laatste duwtje te geven. In zijn ogen is geen sympathie te lezen. Hij is net zo’n beest als de beestachtige mensen die in de film voorkomen. De grens loopt dus net zo goed door het apenras. In plaats van een film die de menselijkheid verafschuwt, is dit dus een film die ware menselijkheid viert. Want ware menselijkheid is dit: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf (of hij nu een aap is of een mens).

zondag 18 december 2011

Presteren is contraproductief 3 en slot: leven

Op mijn laptop staan niet veel spelletjes. Of eigenlijk maar een: een heel eenvoudige versie van het spelletje ‘pong’,een erg minimale variant op tennis of tafeltennis (vandaar de naam ‘pong’). In een tijd van heel gedetailleerde Playstation 3-spellen lijkt het niet veel, maar op een verloren moment in de trein blijkt het toch vrij verslavend. Toen ik het spelletje veel speelde, deed ik een interessante ontdekking. Ik zal die wel eens eerder op mijn blog hebben gedeeld, maar herhaling is niet altijd erg. Wat ik merkte, was namelijk dat ik heel lage scores haalde als ik probeerde mijn topscore te verbeteren. Als ik me erop focuste de stip bij de computer achter de lijn te laten verdwijnen, liet ik zelf de een na de andere door. Als ik mijn best deed om te winnen, dreigde ik te verliezen. En hoe gefrustreerder ik me daarover voelde, hoe lager mijn score. Als ik daarentegen gewoon speelde voor de lol, zonder op de score te letten, hield ik bijna alle stippen tegen en had de computer tegen mij geen kans. Als ik eenvoudig plezier beleefde aan het bewegen van het balkje en het reageren op de bewegingen van de andere partij, haalde ik de ene topscore na de andere. Hoe minder ik bezig was met het winnen, hoe vaker ik bleek te winnen.

Dit zette me aan het denken. Het verschil tussen winnen en verliezen is een oordeel. Wie wil winnen - of het nu is van de computer of van een menselijke tegenstander - wil laten zien dat hij of zij beter is dan de ander. Hij wil oordelen over zijn prestatie (en daarmee over zichzelf) aan de hand van de behaalde situatie. Als dat oordeel positief is, is hij blij. Is het oordeel negatief en heeft hij verloren, is hij verdrietig of boos. Het oordeel is namelijk nooit alleen over de situatie, maar ook over zichzelf: een winnaar is nu eenmaal beter dan een verliezer. Aan elke vorm van presteren is een dergelijk oordeel gebonden. Veel presteren is goed, weinig is slecht - en dus is degene die veel presteert goed en wie weinig doet slecht.
Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de beoordelingssystematiek (what’s in a name?) op kantoor - ik hoorde laatst van iemand die twee keer op rij een slechte beoordeling had gekregen en mede op basis daarvan was ontslagen. Er was een oordeel uitgesproken over haar functioneren. Maar ik weet helaas uit eigen ervaring dat je dit nooit alleen kunt zien als een oordeel over het werk dat je hebt verricht, maar dat je het ook ziet als oordeel over jezelf, als afwijzing. En dat je dit oordeel vervolgens met je meesleept naar je volgende baan.
Je kunt op twee manieren reageren. Je kunt gaan proberen jezelf uit alle kracht te bewijzen, meer werk op je nemen dan goed voor je is, en over je eigen grenzen heengaan om maar te presteren (dat leidt tot overspannenheid - ik heb deze route helaas te vaak genomen). Je kunt ook de handschoen in de ring gooien en iets gaan doen dat genoeg oplevert om de hypotheek te betalen, maar waar je talenten niet vrucht dragen, waar je niet je passie kunt uitleven. Waar je alleen je tijd uitzit. Dat was wat ik deed na mijn ontslag. Ik nam een plek aan beneden mijn niveau, omdat ik meende dat dit het enige was dat nog voor me open lag, het enige waar ik goed genoeg voor was. Het oordeel maakt ons onvrij - of we doen wat we niet willen of we doen niet wat we eigenlijk willen. En ik geloof niet dat het oordeel ons ooit vrij kan maken. Presteren, het moeten behalen van bepaalde resultaten, het moeten ontwikkelen van bepaalde competenties, is contraproductief.

Maar wat gold bij het computerspelletje ‘pong’, geldt misschien ook voor andere terreinen, misschien wel voor mijn hele leven, namelijk dat wat mij nu afhoudt van creatief bezig zijn, van relaties, van avonturen, nu juist het oordeel is. En dat als ik mijn oordeel laat varen, als ik niet langer probeer te presteren, en niet langer gericht ben op de resultaten, dat ik dan vrij ben om te gaan produceren. Als ik geniet van wat ik doe en maak, en mij openstel voor relaties, voor schoonheid en voor rechtvaardigheid, -anders gezegd: de dans van de drie-eenheid, of het Verhaal van God - ga ik datgene voortbrengen wat past bij de persoon die ik ben, dan ga ik veel vrucht dragen.
Dit is niet de eerste keer dat ik op mijn blog schrijf dat het niet gaat om de resultaten, maar om het proces van het leven zelf. De resultaten volgen uit het proces, zoals vruchten volgen uit het natuurlijke leven van de plant. Laat ik dicht bij mezelf blijven: op dit moment heb ik op mijn werk meer verantwoordelijkheid dan ik had bij mijn vorige baan op het moment dat ik ontslagen werd. Ik schrijf niet alleen meer artikelen dan ik toen deed, ik stuur freelancers aan, kort artikelen in, bedenk onderwerpen. Ik kies het beeld, verzin bijschriften, maar wijs ook stukken af. En dit alles tot grote tevredenheid van de lezers  (voor het laatste Tijdschrift voor Diergeneeskunde ontvingen we van een lezer een anderhalve pagina lange brief met complimenten, en een compliment van de voorzitter van de vereniging) en ook tot tevredenheid van mijn werkgever. De score bij mijn laatste beoordelingsgesprek was ‘excellent’ - ik kreeg er zelf een bonus bij als aanmoediging! Dit had ik nooit kunnen denken toen ik (nu iets meer dan zes jaar geleden) ontslagen werd.
Maar het geheim van mijn succes is niet dat ik mezelf heel hard onder druk ben gaan zetten. Het geheim is niet dat ik ging presteren (ik wilde juist op een minder hoog niveau gaan werken). Het geheim is ook niet de beoordelingssystematiek (die werkt op mij juist demotiverend -ook als ik excellent scoor -omdat ik mezelf al zo veel eisen opleg). Het geheim is dat ik de controle heb durven loslaten, een deel ervan ten minste. Een leidinggevende die in mij geloofde, hielp mij op weg - die leerde mij bijvoorbeeld me te richten op het proces en niet het resultaat. En ik heb geleerd om mezelf niet zo schuldig en slecht te voelen als ik een fout maak - “Laat het van je rug glijden”, zegt een collega regelmatig. En deze zomer wees iemand op kantoor me erop dat ik steeds bang was dat er iets verkeerd zou gaan, maar dat er nog geen tijdschrift is uitgekomen waarin een rubriek ontbrak, of bij een artikel geen foto was geplaatst. Diezelfde middag pakte ik een van onze tijdschriften, bladerde die door, en realiseerde me dat het eigenlijk gewoon een goed tijdschrift was. Ik was trots op het product dat ik had afgeleverd. En zelfs al zou er een keer een rubriek ontbreken in het tijdschrift - dan nog zou dat geen ramp zijn. Ik ben de afgelopen tijd mijn zelfbeeld minder gaan ontlenen aan mijn prestaties, ik ben minder over mezelf gaan oordelen (ik ben goed als ik perfect werk aflever, ik ben slecht als ik een steekje laat vallen), en ik ben meer gaan genieten van het werk zelf. En dat levert vruchten op.

Stoppen met oordelen op basis van je prestaties, de controle over de resultaten loslaten - dat lijkt allemaal heel contra-intuitief als een recept voor succes. Je zou denken dat je jezelf juist meer eisen zou moeten stellen, juist meer discipline zou moeten opleggen en strakkere regels zou moeten instellen - dat is onze neiging als we iets in ons of buiten ons willen veranderen. ‘Plausible power’, noemt een van mijn favoriete auteurs, Robert Farrar Capon, dat. Macht waarin we kunnen geloven. De kracht van de machthebbers van deze wereld, de instrumenten waarmee dictators hun wereld hun wil opleggen. De kracht van de rechterhand. Om dat los te laten en niet meer te geven om de resultaten, om je oordeel over jezelf niet meer te laten afhangen van wat je wel of niet produceert, om niet meer degene te willen zijn die de uitkomst controleert, dat gaat in tegen onze menselijke natuur, tegen ons verlangen de winnaar te willen zijn, de meeste en de sterkste. Het is niet plausibel.
Het opgeven van controle, de ‘macht van de linkerhand’, is wat Jezus bedoelt als hij het heeft over het sterven aan jezelf. “Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden” (Lukas 17:33). Hij bedoelt hier niet dat we onszelf moeten haten, of dat we beter dood zouden kunnen zijn. Hij bedoelt dat we de controle over ons leven en de uitkomsten ervan moeten opgeven. We moeten ons oordeel of we genoeg doen of niet genoeg loslaten, en ons zelfbeeld niet meer ontlenen aan de resultaten die we boeken. Omdat we nu eenmaal verslaafd zijn aan het oordelen (dat is de oerzonde: het willen zijn als God, het kunnen beslissen wat goed is en wat niet goed is), voelt dit als sterven.
Maar alleen als we op deze manier ‘dood’ zijn voor de zondige, menselijke manier van het leveren van resultaten, kunnen we het leven met eeuwigheidswaarde van God ontvangen. Dit is het leven dat Hij ons alleen uit eigen beweging kan geven, een vrije gave, een geschenk. Hij geeft ons een onverdeelde betekenis door zijn scheppende woord, hij geeft ons oneindige liefde omdat hij daarvoor kiest. Hij schenkt ons de schoonheid, de intimiteit en het avontuur die horen bij Zijn Verhaal. Hij geeft ‘aan iedereen leven en adem en al het andere’ (Handelingen 17:25). “Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven” (2 Petrus 1:3). God neemt ons uit zijn eigen initiatief op in de eeuwige dans van de drie-eenheid, een dans die vervolgens ook door ons tot expressie komt, en de wereld om ons heen verandert. Het enige dat wij hoeven doen is deze dynamische werkelijkheid, dit eeuwige leven, niet tegen te houden. Dat is het evangelie, het goede nieuws.
Het ‘sterven aan jezelf’ is dus niet een daad van zelfbeschadiging, van zelfhaat of zelfverachting. Het betekent ook niet dat je nooit meer een woord zegt, of nooit meer een initiatief neemt, dat je je eigen persoon volledig laat verdwijnen. Dat je kiest voor totale onvrijheid. Het is niet een actief dienen van het negatieve. Nee - het is juist het niet in de weg staan van het positieve. Het is de weg van de zwakheid, van jezelf openstellen, van durven ontvangen. Wie dood is, kan zelf niet meer zijn leven controleren. Hij kan het leven alleen door zich laten stromen. En is zo dus juist vrij om helemaal zichzelf te zijn, om te spreken, om initiatief te nemen, om lief te hebben, schoonheid te creeeren en voor gerechtigheid te strijden.
Lees de woorden van Robert Farrar Capon: “I want you to hold out your right hand, palm up, and imagine that someone is placing, one after another, all sorts of good gifts in it. Make the good things whatever you like - M & M’s, weekends in Acapulco, winnin the lottery, falling in love, having perfect children, being wise, talented, good looking and humble besides - anything. But nuw consider. There are two ways your hand can resond to those goods. It can respond to them as a live hand and try to clutch, to hold onto the single good that is in it in at any given moment - thus closing itself to all other possible goods; or it can respond as a dead hand - in which case it will simply lie there perpetually open to all the goods in the comings and the goings of their dance. When I talk about being dead, accordingly, I have in mind not the absence of interest in the dance of living, but the absence of clutching at our partners in the dance - not not-dancing, if you will, but not-trying-to-stop-the-dance. In a way, that is nothing more than gurus and spiritual advisers the world over have been saying for millennia. But it is also, I believe, quite specifically the way the Gospel invites us to live.” (Kingdom, Grace, Judgment).

De resultaten komen vanzelf, ons leven draagt vrucht, niet als we ons richten op de resultaten zelf, als we presteren, maar als we ons richten op “alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient.” (Filippenzen 4:8). Als we onze blik gericht houden op degene die “de weg, de waarheid en het leven” zelf is (Johannes 14:6), als we ons zien als karakters in ZIJN verhaal, zullen we over Hem enthousiast worden, dan zullen we op een andere manier willen gaan leven, dan zullen we anderen (dichtbij en ver weg) willen liefhebben, dan zullen we zinvolle relaties willen aangaan, dan zullen we kunst willen bewonderen en maken, en dan zullen we betekenisvolle avonturen willen beleven. Dan zullen we zijn vrucht dragen.
Bij de stresstraining op kantoor lukte het niet mijn hartslag in een mooi patroon te krijgen door mezelf daartoe te dwingen en te letten op het resultaat. In plaats daarvan bracht ik me een mooie herinnering te binnen, van de schoonheid van een snoek die ik van de zomer zag in een sloot, van zeeanemonen in een getijdepoel. Ik beleefde die momenten opnieuw, en beleefde ook opnieuw de verwondering over de onverwachte schoonheid van deze ontdekkingen. En prompt veranderde mijn hartslag, verdween de stress, en verscheen op het scherm een keurige curve. Het was een vrucht, geen prestatie.

vrijdag 16 december 2011

Getijdenpoelen van Wales

Ik heb iets met waterdieren - wie bij mij in huis komt, kan niet om de drie aquariums heen. Ik heb een duikbrevet gehaald om langere tijd onder water te kunnen doorbrengen en heb tot twee maal toe in de Middellandse Zee mogen duiken. Als ik langs een sloot wandel, loop ik altijd vlak langs de kant in de hoop een vis te zien (of een zoetwatermossel, kan ook heel interessant zijn!). En als ik ergens aan de kust ben en er zijn getijdenpoelen, word ik helemaal gelukkig! Ik had dit jaar al het voorrecht om in Oregon tijd door te brengen aan een rotskust met veel leven, maar in het najaar kreeg ik in Wales ook de kans om te zoeken naar visjes, garnaaltjes, zeeanemonen en krabbetjes. Die zag ik ook nog eens allemaal! Mijn reisgenoten kunnen je vertellen dat ik mijn enthousiasme niet bepaald voor me hield ...







Levensveranderende boeken 1 (herpublicatie)

Sommige van mijn lezers herinneren zich nog wel dat ik vijf jaar geleden ook een blog had: Tol Eressea - inderdaad, genoemd naar de haven van het elfenrijk Valinor uit de verhalen van J.R.R. Tolkien. En morgen is het precies vijf jaar geleden dat ik op deze blog een serie begon over de boeken die mijn leven hebben veranderd. Niet alleen is vijf jaar in internetbegrippen een eeuwigheid geleden, en kan ik dit bericht dus met een gerust hart opnieuw plaatsen op deze blog, ik heb in de tussentijd natuurlijk nog meer boeken gelezen, waardoor het hoog tijd wordt om deze serie aan te vullen. Ik zal de komende weken en maanden wat meer berichten van mijn oude blog opnieuw plaatsen op mijn nieuwe blog.
In elk geval: wat ik toen schreef, geldt nog steeds: een wereld zonder boeken zou voor mij ondenkbaar zijn. En ik merk dat boeken heel erg bijdragen aan mijn groei als persoon. Ik heb het niet alleen over verhalende boeken, hoewel er daar ook veel tussenzitten die me diep in mijn hart raken en die mij inspireren, maar ik lees ook veel boeken over de bijbel en andere christelijke onderwerpen.  Sommige van deze boeken hebben me op nieuwe ideeën gebracht of mijn visie op bepaalde onderwerpen veranderd. En als je denken verandert, verandert ook je leven. Boeken zijn dus levensveranderd. Omdat ik hierover aan het denken was, ging ik eens bij mijn boekenkast staan om te zien welke boeken vooral mij hebben gemaakt tot de persoon die ik nu ben, meer dan andere. Er zijn er veel van, daarom is dit het eerste deel van een serie.

Het eerste dat ik wil noemen is het boek Godsverlichting van Willem J. Ouweneel. Nu was ik in mijn 'bijbelstudieperiode' een groot fan van deze bioloog, filosoof en theoloog, die ook nog eens een bekend spreker was uit de kringen van de 'Vergaderingen'. Dit boek verscheen in 1994, het jaar dat ik begon te studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. Ik weet nog steeds hoe ik dit boek las rond kerst in een huisje in een vakantiepark met mijn ouders. Voor die tijd verdedigde ik fel het standpunt dat de visie van de 'Vergaderingen' op onderwerpen als avondmaal en gemeentevormen de enige juiste was, wat leidde tot de ongelukkige gedachte dat andere kerken 'het licht niet hadden'. Mijn eerste jaar op evangelische studentenvereniging Ichthus liet me wat dat laatste betrof niet lang in de waan, maar hoe moest ik dan wel over deze onderwerpen denken? Rond dezelfde tijd begonnen leidende broeders uit de 'vergaderingen' ook vragen te stellen bij lang geaccepteerde standpunten en opnieuw de bijbel te bestuderen naar wat die nou werkelijk zei. Godsverlichting beschreef de ontdekkingen op dat gebied van Willem Ouweneel. Hij beschreef een bijbelser, liefdevoller manier van gemeente zijn, waar echt ruimte zou zijn voor God om zichzelf te laten zien. Hij haalde zelfs liederen aan uit de Opwekkingsbundel. Ongehoord, maar voor mij erg inspirerend. Het bevestigde mij in mijn zoektocht naar een opener manier van omgaan met andere christenen.

Een ander boek dat in dit proces een grote rol speelde was Water, Wijn en Waarheid van Henk P. Medema uit 1997. Ondertussen bezocht ik de zogenoemde Betteld-conferenties, waar werd gesproken over een nieuwe manier van gemeente zijn. En in die tijd was het postmodernisme een 'hot' onderwerp, onder andere op mijn studentenvereniging. Henk Medema was iemand voor wie ik veel respect had, en nog steeds heb, vooral vanwege zijn heel eerlijke benadering van moeilijke onderwerpen. En in dit boek legde hij uit wat het postmodernisme inhield, hoe het onze maatschappij en onze geloofsbeleving beïnvloedde en hoe christenen de eeuwige waarheid konden blijven verwoorden in een cultuur die niet meer in waarheid geloofde. Het maakte op mij diepe indruk. Ik leerde van dit boek dat er verschillende vormen van waarheid zijn. Alleen de diepste waarheid van God, die Hij heeft laten zien in zijn Zoon, Jezus Christus, is onwankelbaar en vast. Al onze theologische systemen en leerstellingen zijn niet zo onwankelbaar, omdat ze door mensen zijn opgesteld. Ze kunnen de waarheid misschien wel benaderen, maar ze zijn niet dé waarheid. Dit hielp mij om de leerstellingen van de 'Vergadering der gelovigen', die ik altijd voor absoluut en onwankelbaar had gehouden, te relativeren, zonder me direkt een ketter te voelen. Ook bevestigde Medema in dit boek het belang van verhalen, ik de periode in mijn leven dat ik mijn liefde voor verhalen probeerde te onderdrukken.

Ergens in deze periode las ik het boek Leven door de Geest van F. A. Schaeffer. Vanaf de laatste jaren van de middelbare school had ik mij gewijd aan het bestuderen van de bijbel. Ik verslond bijbelstudieboeken, maar daarnaast ook boeken gewijd aan de apologetiek, dat is de intellectuele verdediging van het geloof. Vooral Schaeffer en Lewis spraken mij heel erg aan. Van beide heb ik dan ook een heel aantal boeken nog steeds in mijn bezit. Dit boek is echter niet zozeer een apologetisch boek, maar beschrijft zijn wereldbeeld, waarbij hij zich afvraagt hoe het kan dat christenen in God geloven, maar er geen effect zichtbaar is in hun leven. Toen ik het laatst herlas viel mij op hoe hij aantoont dat we voortdurend ons afhankelijk moeten weten van het werk van Christus voor ons en in ons, en hoe daardoor een significant herstel tot stand wordt gebracht in onze psychologie, in onze relaties en in onze samenleving. Maar ik denk niet dat ik me toen al bewust was van alle gaten in mijn eigen hart. Wat me toen aansprak was zijn opmerking dat we als christenen wel zeggen te geloven in God, maar dat we vaak gaan zitten op de stoel van de ongelovige. We leven als agnosten of atheisten. In de praktijk handelen we niet naar ons geloof. Dat inzicht stimuleerde mij om God als realiteit te willen ervaren en niet alleen maar als intellectueel construct.

Een ander boek dat me tegenwoordig in andere opzichten aanspreekt dan toen ik het de eerste keer las (hoewel ik het nu al minstens drie keer gelezen heb) is Wonderen van C.S. Lewis. Deze vriend van Tolkien (Ha, heb ik hem toch genoemd!), heeft niet alleen maar kinderboeken en SF-verhalen geschreven, maar ook boeken die het geloof verdedigden. Dit boek legt uit dat wonderen mogelijk zijn. Wat mij nu aanspreekt is zijn beschrijving van de vleeswording van Christus en hoe het de bedoeling van God is de schepping te vernieuwen. Maar toen waren er twee dingen die mij troffen. De eerste is Lewis' opmerking dat als onze gedachten alleen maar voortkwamen uit de fysische bewegingen van atomen of neuronen, geen enkele uitspraak 'waar' kon zijn, ook niet die dat gedachten alleen maar uit atomen voortkomen. De bewegingen van atomen, door de fysica tot stand gebracht, hebben geen verband met 'waarheid' of 'onwaarheid'. Dit was voor mij een belangrijk gezichtspunt in mijn denken over de hersenen en het werkelijk bestaan van mijzelf als persoon. Het andere element dat me aansprak was Lewis' uitleg van de natuurwetten. Hij maakte duidelijk dat natuurwetten beschrijvingen zijn van wat God in het universum doet. Het universum is niet als een opgewonden klok die uit zichzelf afloopt. Nee, God is er actief in en 'onderhoudt alle dingen'. Dat de aarde om de zon draait, of een elektron om een proton is volledig het werk van God. Daarom is een brood dat gebakken is uit graan van een akker net zo goed het werk van God als het brood van de wonderbare spijziging, en daarom kan ik God net zo goed danken voor een genezing door een paracetamol als voor een wonderbaarlijk herstel. Het hielp me niet alleen om met wetenschap om te gaan, maar ook om God te zien in de gewone dingen. Lezers van Neptunus zullen dit beeld herkennen. Ik heb het van Lewis.

Een vijfde boek (en het laatste voor deze aflevering), is het boek Geloven is weer mens worden, van Jerram Barrs en Ranald Macaulay. Dit boek heeft echt mijn denken veranderd. De schrijvers (ik herken nu pas hoezeer ze zijn geïnspireerd door Francis Schaeffer), gaan ervan uit dat de mens is geschapen naar het beeld van God, en dat het beeld van God in de mens is hersteld door het werk van Christus. We moeten als christenen dus niet het menselijke minderwaardig achten of terzijde schuiven, maar juist volledig als mensen leven. Het menselijke verstand, de wil, emoties en creativiteit zijn juist waardevol, omdat ze Gods eigenschappen weerspiegelen. Het boek strijdt tegen platonische ideeën in het christendom, die een superioriteit van het geestelijke boven het menselijke argumenteren. Elke leer die leidt tot een verminderd belang van het menselijke is een dwaalleer. Dit heeft radicaal mijn beeld op de mens en op mezelf veranderd. Ik dacht ooit dat mijn 'ik' slecht was, dat ik mijn eigen verlangens, passies en ideeën opzij moest schuiven en me moest laten leven door God. Door dit boek leerde ik dat God juist wil dat ik als mens leef, mijn eigen verlangens ontwikkel en zelf mijn keuzes maak in relatie met hem. Vooral tijdens mijn overspannen periode, waarin ik worstelde met bidden en bijbellezen, hebben deze gedachten mij voorbereid op een meer persoonlijke, menselijkere manier van omgaan met God. Ik kan dit boek niet genoeg aanbevelen.

Volgende keer meer boeken die mij op de een of andere manier hebben aangeraakt.

dinsdag 13 december 2011

De mooie kust van Wales

Volgens onze gastheer in Wales was de kust waar zij bij in de buurt woonden door National Geographic uitgeroepen tot de op een na mooiste kust ter wereld. Ik kan niet voor de waarheid van deze claim instaan zonder referentie naar wetenschappelijke literatuur, maar ik durf het wel te geloven.







zaterdag 10 december 2011

Presteren is contraproductief 2: spelen

Ik ben een fan van Calvin and Hobbes, de bekende stripserie van Bill Watterson. Vaak als ik in de greep ben van melancholie, grijp ik als medicijn naar een van de bundels in mijn boekenkast. De avonturen van het zesjarige jongetje met de grote fantasie en zijn wijze speelgoedtijger (of is hij toch echt?) weten altijd weer een glimlach op mijn gezicht te brengen, ook al heb ik ze al twintig keer gelezen. Ik denk dat het is omdat de strips uit deze serie de donkere kanten van het leven niet maskeren. Calvin wordt gepest op school, hij krijgt op zijn kop van de sportleraar omdat hij niet meedoet, hij wordt opgezadeld met een strenge babysitter. Calvin staat onder druk, zoveel is duidelijk. Maar hij wordt niet cynisch. Er is een pad dat wegleidt uit de wereld van regels, prestaties en gehoorzaamheid, en dat is dat van de ongedwongen vriendschap met Hobbes en hun gedeelde verbeelding. Die komt onder andere tot uiting in het spel Calvinball.
Wie Calvin and Hobbes kent, hoef ik niet te vertellen wat Calvinball is. Voor wie het niet kent - je moet het meemaken om het te weten. Het is namelijk niet te vergelijken met enig andere sport. Er zijn namelijk geen regels. Of beter gezegd: de regels worden door de spelers ter plekke verzonnen. Er is dus ook geen werkelijke score. “Het staat 12 tegen Q”, concludeert Hobbes ergens. Uiteindelijk speel je het spel dus niet om het te winnen. Richard Beck wijdde op Experimental Theology een hele serie berichten aan de theologie van Calvin and Hobbes. Over Calvinball zegt hij: “In contrast to organized sports, Calvinball doesn't create winners and losers. The fun is simply the game itself. There is no outcome other than joy.
Die vreugde is waarom Calvin en Hobbes het spel spelen. Maar ze kunnen die vreugde niet tot stand brengen door zich daarop te richten. Ze kunnen er niet hard aan werken, er niet voor strijden. Die vreugde is een automatisch gevolg van het spel, een bijproduct van een leven zonder controle, zonder maatstaven, zonder oordeel. Anders gezegd: de enige manier om de vreugde te ervaren is het spel te laten gebeuren, het over je heen te laten komen.

Het is niet voor niets dat ik deze strips lees als ik me ‘down’ voel - want dat is vaker wel dan niet het gevolg van de druk die ik ervaar om te presteren. Druk uit de maatschappij, druk uit de kerk, druk uit mijn eigen hart. Druk om iets van mijn leven te maken, druk om mee te tellen, druk om productief te zijn. Ik meet mijn belang af van wat ik allemaal tot stand breng. Maar tegelijk weet ik minder te bereiken dan ik eigenlijk wil, en daar veroordeel ik mijzelf om. En dan probeer ik weer harder te presteren. Ik zet al mijn wilskracht in om mezelf productief te voelen. Maar daardoor word ik alleen maar onzekerder. Mijn poging mijn leven met mijn eigen kracht onder controle te willen brengen werkt averechts. Ik lig er ‘s nachts wakker door - juist op het moment dat ik er niet iets aan kan doen, als ik niets kan presteren. Ik begin tot de conclusie te komen dat ik mezelf op deze manier alleen maar tegenwerk. Op de Mockingbirdblog wordt dezelfde conclusie getrokken: “It’s so clearly not a matter of people needing to try harder. Indeed, the areas of our lives that are impervious to management can’t help but point us beyond strategy, or even medication, they stubbornly uncover our unifying weakness, and bring us to a place where the notion of a savior might begin to make sense.”
Vrijheid begint met het opgeven van het idee van controle, met het invloed willen uitoefenen op het resultaat van je leven. Vrijheid begint met het loslaten van elk oordeel, elke puntentelling die winnaars en verliezers zou kunnen opleveren. “It’s not until people let go – till we surrender all control – that we are able to recover”, suggereert Mockingbird. “It is a left-handed process entirely: great power unleashed in the midst of – and, in fact, by means of - pain and weakness.”
Dit is wat ik in mijn eerdere serie 'Terug naar de basis' beschreef als de Weg van de zwakheid: het opgeven van het idee zelf macht te kunnen uitoefenen over je eigen leven, anderen of over God. Ik heb die macht niet en zolang ik dat wel denk, houd ik mezelf gevangen, ontneem ik anderen hun vrijheid, en laat ik God niet toe in mij zijn werk te doen. De weg van de zwakheid houdt voor mij in dat ik accepteer dat ik mezelf niet kan veranderen, en dat ik dat dus ook niet hoef, net zo min als ik andere mensen kan veranderen en dat dus ook niet hoef te proberen. Ik kan de wereld niet voor Christus te winnen, ik kan mijn omgeving niet verbeteren, ik kan mezelf niet perfectioneren, ik kan niet voldoen aan welke eis van de maatschappij of kerk dan ook. En dus houd ik op me daarop te richten. Er is geen uitkomst die ik hoef te bereiken. Ik laat mijn idee van prestaties uit mijn handen vallen. In de beelden uit Calvin and Hobbes: ik laat de honkbalknuppel en de handschoen achter op het speelveld, samen met de regels wie wanneer wat moet doen, en samen met de veroordelende opmerkingen van medespelers als ik een bal door laat. Ik laat het hele idee van het inspannen om een doel te bereiken (winnen!) achter. Op de Mockingbirdblog wordt beschreven hoe deze openheid een kenmerk is van de Anonieme Alcoholisten. Het gaat er in deze groep niet om dat je je hele leven vrij blijft van je alcoholverslaving, je wordt er niet op afgerekend als je terugvalt, niemand is beter dan een ander omdat hij langer niet gedronken heeft. Het is geen spel waarbij je kunt winnen of verliezen. “I realized that one of A.A.’s singular features – one of the things that make it different from religion as it’s usually practiced – is that it’s an open-ended process. There is no ultimate “goal”; there’s no particular endline that, once having crossed it, you can say that you’ve definitively “arrived.” There aren’t any particular “metrics” – which means that there is lots of opportunity for adventure and the chance to continually learn. There is the priceless opportunity to live one’s own life, as it plays out in all its reality, under the Grace of God.”

Life as it plays out ...’ - schreef Mockingbird hierboven. Play! Spelen! Dit begint verdacht veel te lijken op Calvinball! Het gaat bij het spelen niet om het halen van een bepaald resultaat. Ik verwijs opnieuw naar Mockingbird, waar erop wordt gewezen dat kinderen steeds minder gelegenheid hebben om zelf te spelen, bijvoorbeeld op het schoolplein. In plaats daarvan bereiden volwassenen activiteiten voor die als doel hebben kinderen dingen te leren. Maar bij die activiteiten worden kinderen eigenlijk altijd ge-evalueerd, al was het maar door de blik van goedkeuring of afkeuring van de volwassene, en dat leidt tot onzekerheid en angst, in plaats van het zelfvertrouwen dat eigenlijk het doel van de oefening was. “[Researcher] Gray defines free play as play a child undertakes himself or herself and which is self-directed and an end in itself, rather than part of some organized activity. In school, children work for grades and praise and in adult-directed sports, they work for praise and trophies…. In free play, children do what they want to do, and the learning and psychological growth that results are byproducts, not conscious goals of the activity.
Bij spelende kinderen wordt psychologische groei niet bereikt door te streven naar psychologische groei, maar juist door de controle los te laten en gewoon zichzelf te zijn. Want als je speelt, als je doet wat je wilt doen, ben je jezelf. En als je jezelf bent, doe je wat bij jou hoort, je brengt datgene voort dat past bij wie je bent. Je hebt daarvoor geen beloning nodig, je hoeft daar geen prijs voor te krijgen, je hoeft niet te horen of je het goed of slecht gedaan hebt. Het doen is in zichzelf de beloning. Je hoeft niet betaald te worden voor het spel dat je speelt - je doet het omdat je graag wilt spelen. En terwijl je aan het spelen bent denk je niet eens aan het feit dat je speelt. Je gaat op in het spel. Het gaat niet meer om jou. Het is als met een muzikant die een prachtig stuk van Bach speelt. Hij wordt meegesleept door de muziek. Dat lijkt het enige te zijn dat bestaat.
We kennen volgens mij allemaal die momenten waarin we in de ‘flow’ zijn. Ik herinner me goed een middag bij de Coffee Company toen ik opeens het idee kreeg voor een verhaal en gewoon begon te schrijven. De tijd vloog voorbij. Maar ik vergat niet alleen de tijd, ik vergat ook mezelf. Ik was alleen bezig met het schrijven van het verhaal, dat uit mijn vingers stroomde. En toen het verhaal af was, voelde ik me tevreden, puur en alleen omdat ik had geschreven, niet omdat het verhaal goed was of niet, of omdat ik ervoor beloond werd. Dit las ik op een site waar Mockingbird me naar verwees: “A wheelwright is not rewarded by the number or even by the quality of the wheels he makes, let alone the money he might acquire. He is rewarded solely by the experience of making a wheel, of feeling the doing-of-it in his hands, arms and feet, of achieving craft that transcends usefulness. It is in these moments that we are fully human in the world we live in, for we have left the experiencing self for the experience itself.” Het ervaren van het creatieve proces zelf, het spel zelf, is alle beloning die we nodig hebben.

Geen controle meer willen uitoefenen over de uitkomsten, maar gewoon jezelf zijn, gewoon leven. En de opbrengst, de productie, komt dan op een organische manier daaruit voort. De Anonieme Alcoholisten gaan uit van het feit dat mensen niet de kracht hebben om de verslaving te weerstaan en dat hun leven hen uit de hand is gelopen. Vervolgens nemen ze aan dat alleen een macht groter dan zijzelf in staat is hen te herstellen en te bevrijden. En ze geven hun wil en leven over aan God, zoals ze Hem begrijpen. Ze laten God zijn gang gaan in hen, in hun leven, in hun verslaving. Ze laten het spel gebeuren. En daardoor ervaren ze -stapje voor stapje- steeds meer vrijheid. Maar die vrijheid is niet iets dat ze zelf produceren, iets dat ze zelf tot stand brengen. Het is een bij-product van het vertrouwen op God. De vrijheid is niet het doel, het enige wat telt is leven in het vertrouwen op God. De vrucht verschijnt vanzelf.
Dit is precies wat Jezus vertelde over het leven in Zijn verhaal, in het Koninkrijk van God. Hij spreekt over vruchtdragen. Het is Gods bedoeling dat we vrucht dragen, en veel ook! Dertig-, zestig- en honderdvoudig. Maar het is niet Gods bedoeling dat we gaan proberen die vrucht zelf te produceren, en dat we gaan tellen bij onszelf of anderen hoe veel we al hebben opgebracht. Nee, zoals met elke plant, is de vrucht van het koninkrijk een ‘bijproduct’ van het leven van de plant, iets dat hij voortbrengt door het sap door zich te laten stromen. “Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen”, stelt Jezus. “Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij blijven. Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen.” (Johannes 15:4,5).
De vrucht in het leven van Jezus’ volgelingen wordt door Jezus zelf voortgebracht - niet door Jezus’ volgelingen. Ze hoeven zich niet bezig te houden met de opbrengst, ze hoeven alleen ‘in Jezus’ te blijven. Dat is een mysterieuze term, maar het wil volgens mij zeggen dat ze zich voor Hem open moesten stellen, dat ze hem de gelegenheid moesten geven in hen zijn werk te doen. Ze moesten het spel van het koninkrijk in hun leven toelaten, door er ‘als een kind’ voor open te staan (Markus 10:15). Dat wil zeggen: ze moesten de eigen controle, de eigen regels, de bezorgdheid over winnen en verliezen achter zich laten en erop vertrouwen dat God in hen zou doen wat bij de mensen onmogelijk was, “want bij God is alles mogelijk” (v27). Dit opgeven van het idee zelf te kunnen presteren, is wat de bijbel beschrijft als sterven aan jezelf, het verliezen van je leven (onder je eigen controle): “Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het een enkele graankorrel, maar wanneer hij sterft, draagt hij veel vrucht” (Johannes 12:24).
Ik heb het vaker gezegd: wie dood is, kan niets meer doen om zichzelf te verbeteren, kan niets meer produceren. Hij kan alleen de opstandingskracht van God toelaten in hem en door hem heen leven voort te brengen uit de dood.

Hierin schuilt echter een listig gevaar. Want we kunnen als christenen van dit ‘sterven aan jezelf’ een regel gaan maken. We kunnen gaan spreken over ‘overgave’ en ‘vertrouwen op God’ als dingen die we zelf kunnen doen, activiteiten die we kunnen verrichten. We kunnen weer gradaties gaan aanbrengen in de mate waarin mensen zich hebben overgegeven, we kunnen weer gaan spreken over ‘winnaars’ en ‘verliezers’. We kunnen van overgave weer een manier maken om te presteren. Maar ook onze overgave aan God is een vrucht, geen prestatie. We moeten van de kansel geen overgave prediken. Het enige dat we hoeven doen, is spreken over het Koninkrijk van God, het Verhaal van God, over Jezus, en die gekruisigd. Want Jezus is zelf het zaad dat de vrucht voortbrengt (ook de vrucht van de overgave). En het zaad heeft alles in zich wat nodig is om die vrucht tot stand te brengen. Elke actieve kracht is er al in aanwezig.
Jezus is degene die alles doet. Het enige dat Hij van ons vraagt is dat we hem niet tegenhouden, dat we hem niet in de weg staan. “Gelukkig [of in andere vertalingen: zalig!] is degene die aan mij geen aanstoot neemt” (Matteus 11:6). Dat is wel heel laagdrempelig. Maar zo is het koninkrijk van God. We dragen er niet aan bij door hard te werken (zelfs niet het werk van de overgave), nee, het enige dat we doen is ons niet tegen de Koning te verzetten. We ontvangen zijn liefde en zijn kracht zoals de aarde het zaad ontvangt. De aarde doet verder niets. Het zaad springt vanzelf op. “Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen. Zij dragen dan ook rijkelijk vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.” (13:23).
Een van mijn favoriete auteurs, Robert Farrar Capon, verwijst in zijn boek Kingdom, Grace Judgement, bij dit gedeelte naar Galaten 5, waar wordt gesproken over de werken van het vlees (‘that result from our trying to achieve the fullness of life in our own way’) en over de vrucht van de Geest: ‘Those results that are not manufactured by our plausible and deliberate efforts but simply allowed to grow unimpeded under the guidance of the Spirit, who takes what is the Word’s and shows it to us. These are, every one of them, truly human traits: love, joy, peace, longsuffering, gentleness, goodness, faith, meekness, temperance. They are not results of, or rewards for, our frantic efforts to make ourselves right; rather, they are the very rightness for which our nature was made, bestowed upon us as a free gift.’ Dit is het leven waarvoor we gemaakt zijn, de vrucht die we bedoeld waren te dragen. En Jezus brengt die in ons tot stand. In dit licht moeten we volgens Capon de gelijkenis lezen. “Our response is to be one that is appropriate not to the accomplishing of a work, but to the bearing of fruit. Not the amassing of deeds, good or bad, but simply the unimpeded experiencing of our own life as the Word abundantly bestows it upon us ... He wills us whole and happy, you see; and the parable of the Sower says he will unfailingly have us so, if only we don’t get in the way.’

Om terug te komen op het voorbeeld van Calvinball. In de laatste Calvin and Hobbes-bundel, vraagt babysitter Rosalyn - de personificatie van regels en prestaties (ze is ook badjuffrouw en laat Calvin steeds zijn huiswerk doen) - welk spel Calvin wil spelen. Zijn antwoord: ‘Calvinball!’ Eerst begrijpt Rosalyn het spel niet - er zijn immers geen regels. Maar ze laat Calvin en zijn tijger wel hun gang gaan. En vervolgens wordt ze in het spel opgenomen, ze gaat eraan meedoen. Ze wordt zelfs enthousiast! Het leidt ertoe dat ze plezier heeft, ze herstelt haar relatie met Calvin, en ze weet zelfs te bereiken dat het jongetje op tijd op bed ligt - niet door te dwingen, maar door te spelen.
Dat is wat Jezus van ons vraagt, dat we ons laten opnemen in zijn spel, dat we met hem gaan meespelen. Daardoor worden we wie we altijd al hadden moeten zijn, en brengen we de vrucht voort waarvoor God ons had geschapen. "There is no outcome other than joy."

Korstmossen uit Wales

Begin september was ik met een groep vrienden in Wales te gast bij een echtpaar uit onze kerk. De komende weken hoop ik jullie een paar van de foto's te kunnen laten zien die ik daar geschoten heb. Ik begin met de korstmossen. In mijn bijdrage aan het Het Boek van de Natuur kun je lezen waarom ik door deze nederige groeisels zo gefascineerd ben. Vooral als je ze van dichtbij bekijkt, blijken ze eindeloos boeiend.





En als toegift nog natuurschoon dat geen korstmos is. Deze vlinder moest ik een tijd lang achterna zitten over een smal paadje een helling af, voor hij zo lang stil bleef zitten dat ik mijn camera op hem scherp kon stellen.

vrijdag 9 december 2011

Presteren is contraproductief 1: werken

Een tijdje geleden deed ik mee aan een cursus stressreductie op kantoor. Het zegt al iets over onze maatschappij dat er cursussen over dit onderwerp nodig zijn, en kennelijk zo populair zijn dat er heel wat mensen een boterham mee kunnen verdienen. Maar daarover later in dit bericht meer. Het interessante van deze cursus was de methode, die we gebruikten. Met behulp van een bepaalde techniek leerden we onze hartslag in een mooi ritme te krijgen. Daarvoor maten we onze hartslag met een infraroodsensor (met de duim of via de oorlel). Het hartritme werd mooi zichtbaar in een grafiek. Bij stress was die grafiek chaotisch, zonder stress liet het een mooie sinus-achtige lijn zien. We deden een heel aantal oefeningen met het meetapparaatje. En ja, hoor, door me te concentreren op een positief gevoel en op een bepaalde manier op mijn ademhaling te letten, kreeg ik een mooi ritme op het scherm. Maar ik merkte al snel dat ik niet tijdens de oefening naar het scherm moest kijken. Zodra ik namelijk ging proberen in het ritme te blijven, schoot ik eruit. Zodra ik mijn best ging doen een goede score te halen, schoot ik in het chaotische patroon. De cursusleidster zei het ook al: ‘Proberen te presteren is contraproductief!’

Toen ik dat hoorde moest ik even slikken. Ik weet al langer dat ik mezelf niet kan verbeteren, dat mijn wilskracht tekort schiet, dat ik zwak ben. Ik kan het eenvoudig niet. Mijn overspannenheid heeft me dat wel geleerd. Ik heb ook geaccepteerd dat ik afhankelijk ben van Gods genade om te worden zoals ik bedoeld ben (hoewel ik daar herhaaldelijk aan herinnerd moet worden. Daarom schrijf ik er zo graag over op mijn blog). Maar het probleem is kennelijk nog groter dan ik al dacht: willen presteren, bepaalde resultaten willen halen, is niet alleen niet effectief, het verhindert zelfs dat we bereiken wat belangrijk is. Het werkt ons tegen. Onze prestatiedrang is niet alleen een niet functionerend hulpmiddel, een ongeschikte methode, ze is een actieve vijand, die onze menselijkheid op de korrel neemt. En dat is een ongemakkelijke gewaarwording in een wereld waar alles draait om je prestaties.
Op het werk zijn we gevangen in een functiewaarderings-cyclus. We spreken doelen af die we moeten halen, en of we goed presteren bepaalt of we loonsverhoging krijgen. En als we meerdere malen tekortschieten dreigt ontslag. Maar lees ook eens de krant, of kijk TV. Onze waarde hangt af van wat we presteren, of we carriere maken, of we ons luxe kunnen veroorloven. We moeten alles op orde hebben, een eigen huis en een auto, we moeten ons op een bepaalde manier kleden, en er op een bepaalde manier uitzien. Ik las laatst zelfs dat mannen zich botox laten inspuiten, om er fris en uitgeslapen uit te zien! En wie worstelt met ziekte of problemen moet zijn of haar best doen om er weer uit te komen. Elke dag staat er wel iets in de krant over een nieuw dieet of een nieuw fitnessregime. Je zou je haast schuldig voelen omdat je er niet aan meedoet.
We worden van alle kanten bestookt met de boodschap dat we ons moeten inspannen om aan bepaalde maatstaven te voldoen. “The culture of control tends to characterize both the “secular” and religious sphere these days”, concludeert de Mockingbirdblog. “The rather depressing underlying assumption is that the purpose of life is not peace or contentment but performance.”

Mockingbird noemt niet voor niets naast de seculiere omgeving, ook de religieuze wereld. Want niet alleen de kranten en de TV bestoken ons met de boodschap dat we moeten presteren, ook de kerk kan er wat van. Ik sprak laatst met iemand die onlangs de evangelische kerk had verlaten. Hij was geweest op een conferentie over de huiskerkbeweging. Daar sprak Milt Rodriguez. Hij had het erover dat 80 procent van de preken in de evangelische kerken gaan over wat de toehoorders moeten doen of laten. Mijn gesprekspartner was daarop boos opgestaan en had de zaal verlaten. Hij was niet boos op de spreker, maar boos op de predikers in de kerk. Hij had zich namelijk op dat moment gerealiseerd dat inderdaad de meeste preken in de kerk waar hij naartoeging hem opriepen meer te doen, harder te werken, om minder te zondigen.
En ik vind zelf 80 procent een nog vrij lage inschatting. Laatst was ik in een dienst waar over de brief van Paulus aan de kolossenzen werd gepreekt. Een brief die gaat over de kracht van Christus in ons, onze hoop op goddelijke heerlijkheid, en die duidelijk maakt dat religie ons niet dichter bij God kan brengen. De prediker erkende dat ook: ‘Het gaat niet over religie’, beweerde hij. Maar vervolgens sprak hij niet over Christus, waar het in de Kolossenzenbrief over gaat, maar legde hij uit dat we op een bepaalde manier moesten leven, en geen slechte taal moesten gebruiken (‘zodat andere mensen daaraan kunnen zien dat we christenen zijn’) en dat we ons moeten inzetten voor de kerk (‘door naar de dienst te komen, door te geven, door een taak op ons te nemen.’). Ik zat zoals vaker weer eens op mijn stoel heen en weer te schuiven - de spreker had nu juist gezegd dat het in het geloof niet ging om religie, en hij had niet door dat hij zijn toehoorders een religie oplegde.

En het gaat niet alleen om taken of bepaald godsdienstig gedrag (bijbellezen, niet vloeken). De kerk verwacht van ons ook dat we ons leven op orde krijgen, dat we onze zonden overwinnen, dat we onze problemen achter ons laten. Toen ik een keer in de kerk vertelde dat ik was teruggevallen in een gewoonte waar ik dacht vrij van te zijn geworden, werd ik na afloop aangesproken door een kerklid. Die vroeg me of ik geloofde dat ik voor altijd vrij kon worden van die gewoonte. Ik antwoorde van niet - ik meende dat ik er wel minder last van zou kunnen hebben, maar dat ik niet kon beloven dat ik nooit meer kon terugvallen. “Ik geloof niet dat het in dit leven mogelijk is om volmaakt te zijn”, stelde ik. Maar de ander verwijtte me te weinig geloof. Hij vroeg of ik er wel voor had laten bidden. Volgens hem was volmaakte vrijheid nu al mogelijk. Het enige dat hij bij mij bereikte was dat ik tegen hem nooit meer eerlijk zou zijn over mijn worstelingen.
Hij was eigenlijk hetzelfde als de verpleger over wie ik hoorde van een vriend. Hij was in het ziekenhuis met iemand die in een rolstoel zit vanwege spierzwakte. Daardoor valt ze vaak en als ze zich heel erg inspant krijgt ze verlammingsverschijnselen. De verpleger had haar een paar minuten aangehoord en zei toen: “Ik geloof je niet.” Er was namelijk geen neurologische afwijking gevonden. Hij vond dat ze zich aanstelde, en dat ze nu heel erg haar best moest gaan doen. Ze moest zich gaan inspannen en zou zo verbetering vertonen. Maar zelfs al zouden aan haar symptomen geen fysieke afwijkingen ten grondslag liggen, dan zouden ze veroorzaakt zijn juist doordat deze jonge vrouw zo ver over haar grenzen was gegaan, en zich zo hard had ingespannen. Tegen iemand met depressie kun je ook niet zeggen dat hij zich maar beter moet gaan voelen. Maar nee, ze moest het maar hard genoeg willen en dan zou ze haar eigen probleem kunnen overwinnen.
Mockingbird haalt een schrijnend voorbeeld aan uit het boek Alcoholics Anonymous, waarin een deelnemer aan het programma praat met een bankdirecteur. Het gaat om een werknemer, die drie maanden afwezig is geweest om een oplossing te vinden voor zijn alcoholprobleem. Het bestuur van de bank wil hem no een kans geven. De herstellende alcoholist -die al drie jaar droog staat- vraagt de directeur hem met zijn medewerker te laten spreken. “Oh no,” the bank executive demurred, “this chap is either through with liquor, or he is minus a job. If he has your will power and guts, he will make the grade.” Als er iets een recept is voor een terugval is dat het wel! Deze alcoholist moet met zijn wilskracht zijn verslaving onder controle houden, of hij raakt zijn baan kwijt. Hij moet presteren. Dat leidt tot een gevoel van plicht, van druk, van angst. En dat zijn juist de gevoelens die hij probeerde te verdoven met zijn drank. Het is een bij voorbaat verloren strijd.
Volgens Mockingbird zijn de ‘vooruitgangschristenen’ net zo als deze bankdirecteur, de gelovigen die menen dat mensen zichzelf kunnen verbeteren, dat ze vooruitgang kunnen boeken als ze dat maar willen, en dat het aan henzelf te wijten is als ze terugvallen. “The progress Christian shares the heathen thinking about the mechanics of the human being. Give, get.  Pay, receive.  Work, pay.  Offer, exchange.  Tell the truth, avoid depression and addiction. The relentless pursuit of perfection. The process of perfecting ourselves.  You act, and Jesus reacts.  Progress Christendom abides by these rules. Progress may sneak some language into his lexicon about “relying on God” or “letting go,” but the listener should not be deceived into thinking that progress does not believe that a little prayer and elbow grease will solve the problem.”

Maar ik moet niet alleen naar de kerk wijzen. Als je naar iemand wijst, wijzen er direct drie vingers terug naar je zelf. Daar ben ik me erg goed van bewust. De drang te willen presteren bevindt zich vooral in mijzelf. Ik laat mijn gevoel van eigenwaarde, mijn liefde voor mezelf, afhangen van wat ik tot stand breng. Of ik genoeg schrijf, of ik genoeg bijbelstudie doe, of ik genoeg vrienden heb, of ik vrijgezel ben (of niet meer). Al was het alleen maar of mijn huis is opgeruimd en of de keuken is schoongemaakt. Het doen van het huishouden wordt een prestatie - en ik denk slecht over mezelf als ik het een weekje laat schieten. Dus probeer ik mezelf er weer toe te brengen de schoonmaakspullen ter hand te nemen - niet omdat ik het graag schoon wil hebben, maar omdat ik anders in mijn eigen ogen tekort schiet. Zo gaat het de hele week door, de hele maand, het hele jaar.
En de wortel van het probleem zit nog dieper dan dat. Ergens heb ik het idee dat mijn leven zou kunnen mislukken. Ik heb het idee gekregen dat ik in mijn leven bepaalde doelen moet halen, en dat God teleurgesteld zal zijn als ik daarin tekortschiet. Ik geloof dat mijn leven op een bepaalde manier moet verlopen, en dat het anders niet waardevol zou zijn. God heeft een plan voor mijn leven uitgestippeld, en als ik een voet links of rechts van die lijn zet, wordt zijn doel nooit bereikt. Ik ben voortdurend aan het evalueren of ik wel genoeg gedaan heb, of ik wel bouw met steen, en niet met stro of hout (om de beeldspraak van 1 Korintiers 3 te gebruiken). Ik moet van mezelf groeien, ik moet genoeg vrucht dragen, om voor God mee te tellen en door Hem beloond te worden.
Ik word er moe van, en ik ben niet de enige. Zo signaleren de schrijvers van Mockingbird een recente epidemie van slapeloosheid bij vrouwen. Bij een studie in 2007 werd gevonden dat bijna 3 op de 10 vrouwen in de Verenigde Staten meerdere keren per week slaapmedicatie gebruiken. Drie van de vier patienten bij slaapklinieken zijn vrouwen. De slapeloosheid van de zwangerschap gaat over in de slapeloosheid door het huilen van de pasgeboren baby, maar vaak gaat de slapeloosheid niet meer over. De reden hiervoor? De noodzaak om als werkende vrouw, moeder, huisvrouw en echtgenoot te presteren. “We feel like it’s our job to anticipate any variant on The Day, much less The Life”, zegt er een. “If it rains will I need to change my schedule so I can drop off my kid and he doesn’t need to ride his bike in a downpour? We try to ward off anything that can interfere with the Good Day.” We willen de hectiek van het leven met onze wilskracht aan onze controle onderwerpen. Maar daardoor verpesten we ons leven. Want sommige dingen kunnen we niet controleren. We kunnen onszelf niet dwingen te ontspannen. We kunnen niet tegen onszelf zeggen: “Ga nu slapen.” Hoe meer we proberen in slaap te vallen, hoe wakkerder we ons voelen. Ik weet het uit ervaring. We kunnen niet ophouden ons zorgen te maken over de dag die komt, of over ons leven, door te proberen niet meer te piekeren. Hoe harder we proberen de bezorgheid weg te drukken, hoe bezorgder we worden. Onze prestatiedrang leidt tot stress, en teveel stress leidt tot overspannenheid. Stress leidt tot hartklachten, eczeem, slaapproblemen, en uiteindelijk tot de dood.
Control is a killer”, concludeert Mockingbird. Willen presteren is contraproductief.