Posts tonen met het label relaties. Alle posts tonen
Posts tonen met het label relaties. Alle posts tonen

zaterdag 27 december 2014

Filmbespreking: Exodus Gods and Kings

Het gebeurt niet zo vaak dat ik na een film thuiskom, en tegen mijn vrouw uitroep: ‘In deze God wil ik geloven.’ Dat maakt Exodus Gods and Kings al meteen een bijzondere film. En roept de vraag op waarom deze voor mij zo bijzondere film dan toch zo slechte recensies heeft gekregen. Vooral uit christelijke hoek. Aan de kwaliteit van de film als film kan het niet liggen. Fantastische beelden van het oude Egypte, geweldige wolkenluchten, goede kostuums, sterke acteurs (Christian Bale overtreft hier zijn Batmanrol), en de tien plagen zijn heel sterk in beeld gebracht. De overstroming van de rode zee gaat wat anders dan anders, maar is op zijn eigen manier indrukwekkend genoeg. Mijn belangrijkste commentaar is dat er nogal wat anachronisme in zitten. Het schijnt dat Egyptenaren niet van de rug van paarden oorlog voerden. Dat weet ik zelf niet zeker en stoorde me dus niet. Wel stoorde me dat Mozes een aantal keer ‘Vuur!’ riep tegen zijn boogschutters, in plaats van ‘Los!’. Voordat er vuurwapens waren, had het roepen van ‘Vuur!’ geen betekenis! De film is bovendien wat lang, maar ik merkte het eigenlijk niet. Ik had zelfs het idee dat sommige delen van het verhaal snel werden verteld. Zeker niet zo’n lange zit als eerdere Mozes-films.

Een blik op de IMDB-pagina leert dat de zwaarste kritieken komen van mensen die zeggen dat de film afwijkt van het verhaal uit de bijbel. Een goede vriend van me wilde zelfs niet eens naar de film omdat hij aan de trailer kon zien dat het verhaal afweek van dat van de bijbel. Na het kijken van de film moet ik daarom glimlachen. Dit soort opmerkingen verraden een godsbeeld dat in de film kritisch wordt bevraagd: een God die voldoet aan onze eigen verwachtingen, en die zich dus niet kan of mag openbaren op een manier die daarmee in strijd is. Maar is dat nou een God waar je in wilt geloven? Nu vermoed ik dat de christenen die kritiek hebben op de film deze vooral vergelijken met het zondagsschoolverhaal in plaats van met de bijbel. Want ja, er zijn nogal wat afwijkingen met hoe het verhaal in de bijbel wordt verteld, maar dat geldt ook voor de zondagsschoolversie. En elementen die daar uit worden gelaten, komen in deze hervertelling wel weer naar voren. Iedereen die een verhaal doorvertelt, maakt daarbij keuzes. Het een wordt weggelaten, het ander wordt in een ander daglicht geplaatst. Alleen door verschillende versies tot je te nemen zie je uiteindelijk het geheel. En in die mix van versies is dit een hele goede ‘coverversie’ van Exodus. Het is niet alsof ‘The ten commandments' bijbelgetrouwer is.
Wat bovendien meespeelt, is dat dit niet in de eerste plaats een christelijke film is. In elk geval geen fundamentalistisch evangelische film. Met het godsbeeld dat daarbij hoort. Nee, dit is in de eerste plaats een Joodse film. Dit blijkt al aan het begin bij de titels, waarbij de tijdsaanduiding niet wordt aangegeven in jaren ‘voor Christus’, maar ‘BCE’ (before common era) - dit is het verhaal van het Joodse volk, niet van ons. Het is dit volk dat God niet had vergeten, en dat moeten we als kijker niet vergeten. Het hier getoonde Godsbeeld is dus het hunne. Het is de God van het Oude Testament. Van die God van het Oude Testament benadrukken wij als christenen vaak zijn macht, en zijn rechtvaardigheid. Maar wat we daarbij wel eens vergeten is dat dit ook een God is die met mensen in gesprek gaat, die zich laat overtuigen in discussies, die boos wordt en teleurgesteld is, die probeert te overreden en die zich laat leiden door zijn onstuimige liefde. Dit is een God die heel duidelijk een persoon is. En in deze film staat de vraag centraal hoe God met mensen omgaat. De tragiek van de Israëlische slavernij in Egypte neemt een ondergeschikte plaats in (hoewel de omstandigheden gruwelijk genoeg in beeld zijn gebracht) ten opzichte van de vraag die Mozes zich moet stellen: wat voor God is God? En hoe kan Mozes met hem omgaan?

We zien in de film verschillende manieren waarop mensen met God of de goden omgaan. Ten eerste in Egypte. De film begint met het opensnijden van een vogel om in de ingewanden ervan de aanwijzingen van de goden te lezen. De Egyptenaren brengen offers aan de goden en denken ze zo op hun hand te krijgen. De goden zijn hen dan advies verschuldigd. Of later in het verhaal wonderen, als de rampen beginnen plaats te vinden. Dit ziet er aan de buitenkant heel godsdienstig uit: ze houden zich aan de tradities, bidden, en geloven, maar het gaat ze niet om de goden, maar om hun eigen succes. Dit verraadt zich uiteindelijk als Ramses, de Farao, roept: ‘Ik ben de God! Ik ben de God!’ Hij moet het voor het zeggen hebben. En dus gaat hij de strijd met God aan. ‘Laten we kijken wie er beter is in doden’, zegt hij tegen Mozes, ‘Jij en jouw God of ik!’
Maar zelfs bij Mozes’ vrouw Zipporah, dochter van Jethro, vinden we een godsbeeld dat God niet helemaal serieus neemt als persoon. Als Mozes van de berg afkomt, trekt ze zijn visioen in twijfel, omdat het niet overeenkomt met het beeld dat zij van God heeft. ‘Zo kan God niet zijn’, besluit ze. Hoewel ze zelf God nooit heeft gezien. Daarnaast houdt ze Mozes tegen hun zoontje vragen te laten stellen over wie God is en waarom een bepaalde berg heilig is en andere niet. Ten slotte zegt ze tegen Mozes, als hij op het punt staat weg te gaan, dat ze haar geloof zou afzweren, als dat hem ertoe zou brengen bij haar te blijven. Ze heeft haar eigen gezin en haar eigen geluk bovenaan staan. Haar geloof in God is iets dat haar ondersteunt in haar dagelijkse leven, iets dat ze zomaar wil opgeven als het haar niet uitkomt. Niet een dynamische relatie met een werkelijke persoon.
De omgang van de Israëlieten met God is anders. ‘De Israëlieten zijn een koppig en vechtlustig volk’, zegt een van de Egyptenaren. ‘Weet je wat hun naam betekent? Zij die vechten met God.’ Mozes corrigeert hem. ‘Zij die worstelen met God. Er is een verschil.’ Zo is dat. Vechten is iets anders dan worstelen. Bij vechten gaat het erom dat een van de twee de ander verslaat en vernedert. Een moet als winnaar bovenkomen. De ander is een verliezer. En moet vernederd afdruipen. Dit is hoe de Egyptenaren met God omgaan: ze gaan het gevecht aan. Maar worstelen is anders. Bij worstelen blijf je in relatie met elkaar. Ik worstelde vroeger met mijn broers op de stoelkussens die we in de gang op de grond hadden uitgespreid. Misschien won ik van een jongere broer, maar we bleven elkaar aankijken. We bleven vrienden. In het worstelen meet je je aan de ander, test je je kracht, maar vooral om elkaar te leren kennen, om jezelf te leren kennen in relatie met de ander, en om daarmee de relatie te verdiepen. Niet een relatie waarin er een de overwinnaar is en de ander verliezer, waarmee iemand zijn respect en waardigheid verliest. Een relatie waarin beide partijen zichzelf en de ander respecteren, en ook na afloop in hun waarde laten. En dit is hoe God met ons wil omgaan. Hoe hij met Mozes wil omgaan.

Mozes zelf is een scepticus. Een twijfelaar. Iemand die niet zomaar alles aanneemt wat anderen zeggen. En dat maakt hem iemand met wie God kan ‘worstelen’. God openbaart zich aan Mozes in de vorm van een jongetje van tien. Ik vond het een mooie keuze. Het is duidelijk dat deze verschijning slechts een boodschapper is, maar het laat zien dat God het gesprek wil aangaan. Maar God openbaart zich niet op een manier die voor anderen net zo duidelijk is als voor Mozes. Anderen zien bijvoorbeeld God niet. En Mozes had een steen op zijn hoofd gekregen. Maakt dat zijn visioenen niet minder betrouwbaar. Ook als God duidelijker zijn hand laat zien, in de vorm van de plagen en het wonder van de rode zee, zijn er mensen die natuurlijke verklaringen vinden. Er wordt zelfs gerefereerd aan insecten die ziekten verspreiden. Wie wil kan de wonderen afdoen als gewone verschijnselen. Zelfs hier laat God ruimte voor twijfel, zodat de Egyptenaren zelf kunnen kiezen te doen wat goed is. Als die keuze uitblijft, komt de laatste plaag, die geen twijfel meer overlaat. Dan moet de Farao de wil van God doen. Hij is in het gevecht verslagen, heeft geen waardigheid meer, maar moet als verliezer de Israëlieten laten gaan. Terwijl hij het ook had kunnen doen als waardig persoon, die zich door God als persoon had laten overreden.
God is in gevecht met de Farao, maar ook met Mozes. Of is het een worstelpartij. Eerst overtuigt God Mozes ervan dat hij naar Egypte moet gaan. Mozes denkt dat hij een guerrillaoorlog moet voeren, dat God hem had geroepen vanwege zijn militaire ervaring. Maar zijn strijd loopt er alleen maar op uit dat de Farao de Israëlieten harder aanpakt. Er vallen doden en het conflict zou een generatie kunnen duren voor er ooit een oplossing komt. Dus gaat God zelf aan het werk. Maar waarvoor had God Mozes dan nodig? ‘Wilt u mij soms nederig maken?’, roept hij tegen de hemel. ‘Want dat zal u niet lukken!’. Mozes draait zich om en ziet dus niet hoe God in de vorm van het jongetje naar hem kijkt met een verholen glimlach. Ja, Mozes is op een weg om zijn trots kwijt te raken. Lang wil hij zich niet identificeren met de Hebreeërs. Hij blijft zichzelf zien als een Egyptenaar die boven hen staat. Hij zal hen wel even de weg leiden naar het beloofde land. Hij heeft toch een kaart gemaakt? Maar zijn hoogmoed zorgt ervoor dat het volk op een verkeerde plek uitkomt, tussen de rode zee en het leger van de Farao in. Zonder uitweg. En God laat zich niet zien. Op dat moment geeft Mozes zich gewonnen. Hij geeft toe dat hij trots is geweest. Hij erkent dat hij bij het volk van God hoort. En hij gooit zijn zwaard weg (het symbool van zijn identiteit en zijn verbintenis met Ramses). Vervolgens ziet hij het eerste teken van Gods ingrijpen, een meteoriet die naar de horizon valt …
Maar Mozes is ook een gewaagde tegenstander voor God. Als God zijn laatste plaag aankondigt, gaat Mozes tegen hem in. Zoiets kan God niet zomaar doen! De Farao moet de kans krijgen zich te bekeren! Mozes gaat tegen God tekeer. En God laat zich overreden. Mozes kan Ramses bezoeken en hem waarschuwen. Hij mag de Farao nog een keer de kans geven de eisen van God in te willigen, zodat de ramp kan worden afgewend. God heeft zich laten overreden. Staat dit zo in de bijbel? Niet letterlijk. Maar Mozes voerde wel vaker discussies met God, die ertoe leidden dat God van gedachten veranderde. En hetzelfde gold voor Abraham. Het is dus zeker een bijbels gegeven. En in deze film mooi weergegeven. Gods relatie met Mozes is zeker geen eenrichtingsverkeer. Het is een dialoog. Een dialoog waarbij beide partijen flink boos op elkaar kunnen worden, maar het blijft een dialoog.

Aan het eind van de film ontmoeten God en Mozes elkaar weer, op dezelfde berg als waar ze elkaar de eerste keer troffen. God zegt dan tegen Mozes, als hij hem thee brengt in een mooi menselijk gebaar, dat Mozes al die tijd nooit deed wat God van hem vroeg, als hij het er niet zelf mee eens was. Mozes keert het om: God heeft al die tijd ook nooit gedaan wat Mozes vroeg, als hij het er zelf niet mee eens was. En dan glimlacht God. “And still, here we are, talking … En toch zijn we nog steeds met elkaar in gesprek.” Er is nog steeds een relatie. De worstelpartij is ondertussen al lang overgegaan in een dans.
Dit was het punt waarop ik echt enthousiast werd en mijn geloof in God werd versterkt. Want God zoals hij hier getoond wordt respecteert zichzelf, en de ander, als persoon. Hij doet zichzelf niet tekort, is geen goddelijke pinautomaat of goedgezinde opa in de hemel. Hij is een persoon, echt helemaal zichzelf. Maar tegelijk respecteert hij Mozes. Hij probeert hem niet te onderwerpen en wil hem niet veranderen in een ‘ja’-knikkende robot. Hij wil dat Mozes een persoon blijft, die ook op zijn tijd zijn hart durft te luchten. Die durft aan te geven wat hij zelf wil en verlangt. Niet dat dit betekent dat hij het ook krijgt. God is immers zichzelf. Maar hij wil wel weten wat Mozes wil. Vervolgens is God vrij het Mozes wel of niet te geven. Zoals wij in gezonde relaties onszelf blijven, maar ook de ander zichzelf laten blijven. En dit beeld van God vond ik ongelofelijk hoopgevend. Want dit is hoe ik God heb leren kennen in mijn gesprekken met Hem. Niet als een orakel, niet als iemand die al mijn wensen inwilligt, maar als iemand die het gesprek met mij wil aangaan. Omdat hij van mij houdt. In de woorden van Lewis: Aslan is goed, maar hij is geen tamme leeuw. De God van Exodus is geen tamme God, maar hij is ook geen slechte machtswellusteling. Hij is een persoon en Hij is Goed. En hij wil met mij een relatie. Als het nodig is wil hij worstelen, maar met als doel dat de worsteling overgaat in een dans. Ik vond de laatste beelden van de film, waarbij God zich nog een keer ontfermt over de dan oude Mozes, ook ontroerend.
Wil je ook in je geloof bemoedigd worden, en zien hoe goed een God kan zijn die met je wil worstelen, staar je er dan niet blind op dat dit verhaal niet lijkt op dat uit de zondagsschool, maar ga deze film kijken. En praat er met anderen over na!

Hier is mijn bespreking van een andere verfilming van dit verhaal: The Prince of Egypt.

donderdag 16 oktober 2014

Gedicht: mist

Mist

Je vluchtte weg tussen de bomen,
schreeuwend, maar ik kon je niet verstaan.
De weg was te zwaar geweest. Ons doel
achter de bergpas onbereikbaar.
Ik ben je achterna gelopen
in de mist. Steeds bleef je me voor.
Ik zag je rug, misschien je enkel,
dan was je weer verdwenen. Niets te zien,
Slechts witte flarden die zich sloten.
Mijn roep leek zinloos, doofde uit,
ik kon mezelf niet horen. De kou
sloeg ketens om mijn benen, mijn hart.
Maar ik bleef gaan, sloeg takken weg,
volgde afdrukken in het mos.
Tot ik je ontwaarde bij de rivier
water rond je voeten, gezicht betraand.
Ik riep je naam, je leek te schrikken,
keerde je om. Je ogen werden groot.
Mijn angst smolt weg en ik zag jou stralen.
De wind stak op en blies de hemel schoon
toen wij elkaar opnieuw omarmden.
De reis volbrachten we daarna samen.

zondag 7 september 2014

Gedicht: Reünie

Reünie

We schuiven aan, eerst nog onwennig.
Welke naam hoort er bij welk gezicht?
Was jij niet die? Waar zat je toen?
Dan verschijnt het drinken. Vrolijkheid.
De opluchting de ander nog te zien
in lichte ogen, onaangetast,
en weten dat ook jij ondanks de jaren
bent wie je toen was en wordt herkend.
Snel volgen de verhalen, brengen licht
in stoffige herinneringen.
Het was geen paradijs, gewoon
leven zonder opsmuk. Menselijk,
maar goed, zoals de wijn, de vis.
En sommigen hebben pijn gehad
zonder dat jij het wist. Een stilte valt.
Tot een grap van toen ook hen doet lachen.
Anderen lijden nu, of doen gewoon hun werk,
lachen vrij om dromen ooit gekoesterd
van succes, tevreden met te zijn
van dag tot dag want het is zo fragiel.
IJs smelt op witte schalen, we raken
in elkaars geheim verstrikt. Tijd vliegt.
De knoop moet weer uiteengerafeld,
uit het licht stap je opnieuw de wereld in,
voldaan van meer dan voedsel. Je ziel
heeft zich gelaafd aan werkelijkheid.

maandag 15 juli 2013

Gedicht: Paradijs

Paradijs

Voor Bianca

Je bent zoals je bent
mijn helper. Zonder ervoor te werken,
zoals het was bedoeld.
Staat zij aan zij, kijkt oog in oog.
Je bindt mij door mij vrij te laten,
ik word mezelf als ik mij geef
en jij aan mij. Geen offer vraag je.
Geen groene vrucht als afkoopsom.
We dansen in de avondbries
op hemelse muziek de passen
die Hij voor ons ging.

dinsdag 27 november 2012

Boekbespreking: Waarom zijn wij anders?

Ik dacht altijd dat ik een makkelijke reiziger was. Ik pas me namelijk snel aan, stel niet te veel eisen aan mijn omgeving, laat mijn gastheren hun gang gaan. Daarom maakte ik me niet te veel zorgen toen ik een paar jaar geleden op reis ging naar India. Dat kon niet zo veel anders zijn dan de westerse landen waar ik eerder geweest was, meende ik. Ik zou verblijven bij Indiase mensen thuis, en met hen meegaan naar kerken en bijbelkringen, in de stad en op het platteland. De ervaring bleek anders dan ik me had voorgesteld - nog afgezien van de typische reizigersproblemen zoals problemen met de spijsvertering. Ook al spraken deze mensen goed Engels, we leken elkaar soms toch niet te begrijpen. Wat betekende bijvoorbeeld die vreemde hoofdbeweging, tussen “ja” en “nee” in? Waarom wilden ze me bij het eten altijd meer opscheppen? Waarom liepen ze zo snel door het museum zonder ergens lang stil te staan? Waarom stelden ze al die vragen over mijn familie en of ik wel of niet getrouwd was? Gelukkig voor mij hadden deze families vaker westerse gasten gehad. Want ik vond hen wat vreemd reageren, maar zij moeten mij helemaal apart hebben gevonden. Ik gedroeg me als een olifant in een porseleinkast. Wist ik veel dat ze altijd alles aan een gast aanbieden en dat die gewoon vasthoudend ‘nee’ moet zeggen? Ik had juist geleerd dat het beleefd was om ‘ja’ te zeggen! Communicatie over de grenzen van de cultuur heen bleek nog niet zo makkelijk.
Het boekje Waarom zijn wij anders? was een feest van herkenning. Eindelijk begreep ik waarom de mensen in India niet zo direct antwoord gaven op vragen: onderlinge relaties zijn voor hen belangrijker dan het individuele gelijk. En ik zag ook in dat ik me niet als zo’n goede gast had gedragen als ik van mezelf had gedacht. Mijn manier van beleefdheid was niet de hunne.
De schrijfster van dit boekje heeft veel ervaring met leven en werken in andere culturen, niet als wetenschapster, maar als ervaringsdeskundige. De onderverdeling die ze maakt is niet gebaseerd op officieel onderzoek, maar op haar eigen waarnemingen. Maar daardoor is ze wel herkenbaar. Ze verdeelt de wereld in ‘warme’ en ‘koude’ culturen. Wij leven in Nederland in een ‘koude’ cultuur, de mensen in India leven in een ‘warme’ cultuur. Wij zijn meer individualistisch, direct, gericht op kennis, waarheid, prestatie, bezit. Zij zijn meer groepsgericht en concentreren zich op het in stand houden van relaties, een gemoedelijke sfeer en de familie. En als die twee culturen bij elkaar komen, botst het.
Waarom zijn wij anders? is gelardeerd met mooi vertelde voorbeelden. Zoals van de immigrante die door haar westerse collega’s meegevraagd werd voor de lunch. Ze zei ‘nee’ en dus lieten ze haar doorwerken om zelf wat te gaan eten. Vervolgens voelde ze zich eenzaam. In haar cultuur was het namelijk gebruikelijk dat je ‘nee’ zei op een uitnodiging, omdat je jezelf niet aan een ander wilt opdringen, en dat je pas meegaat als de ander meermalen aandringt. In het westen gaan we ervan uit dat iemand die ‘ja’ zegt, ‘ja’ bedoelt en iemand die ‘nee’ zegt, ‘nee’.
Het is niet zo dat de ene cultuur beter is dan de andere. Ook onze ‘koude’ cultuur heeft voordelen. In het boekje bestaat het verhaal van een Marokkaan die na jaren terugging naar zijn thuisland, en zich vervolgens ergerde aan het feit dat hij nergens in huis een plekje had voor zichzelf, waar hij rustig kon werken, maar dat er altijd mensen in de buurt waren. Het zijn dus niet alleen de koele kikkers uit het westen die zich moeten aanpassen. Mensen uit beide culturen worden uitgedaagd elkaar beter te leren kennen, de goede aspecten van de ander te gaan waarderen en de eigen aannames en gewoontes eens kritisch onder de loep te houden.
Iedereen kan baat hebben bij dit werkje. Wie naar een andere cultuur op reis gaat doet er goed aan zich voor te bereiden op de verschillende interpretaties en leefwijzes. Maar ook wie in Nederland in contact staat met mensen uit ‘warme’ culturen -collega’s, moeders op het schoolplein, mensen in de kerk- heeft baat bij dit boekje en leert op welke manier hij of zij op een goede manier gastvrij kan zijn. Of in elk geval zich niet hoeft te ergeren aan de andere gebruiken van zijn of haar medemens. Ook al wordt de vraag van de titel nooit echt beantwoord (het boek bevat geen antropologische verklaring van de verschillen tussen de culturen), als handreiking om met anderen om te gaan toch van harte aanbevolen.

dinsdag 14 februari 2012

Valentijnsbericht: geen rollen, maar personen

Het is weer eens de veertiende februari, en hoewel het buiten grijs en kil is, de stoep glad, de bomen kaal en de bodem bedekt met smeltende stukjes sneeuw, vertellen de media en de winkels ons dat we per se romantisch moeten doen. Kaarten, etentjes, chocolade in een hartvormig doosje: wie niet iets leuks en origineels organiseert voor zijn of haar geliefde is een ‘loser’ (suggereert de commercie, die graag wil verdienen aan speciale Valentijnsarrangementen en -aanbiedingen). Romantiek is een prestatie geworden - en zoals ik eind vorig jaar schreef: moeten presteren is contraproductief. Het zorgt alleen maar voor de spanning om aan andermans verwachtingen (en die van de omgeving) te voldoen en is funest voor echte gezelligheid, en echte romantiek (die in mijn bescheiden mening zelfgekozen, gemeend en spontaan is).
Hoewel ik wat betreft mijn persoonlijke situatie voor het eerst in mijn leven in staat zou zijn om mee te doen met het Valentijnscircus, hebben mijn vriendin en ik ervoor gekozen om de gekte aan ons voorbij te laten gaan, en elkaar pas morgen te ontmoeten. Vanavond houd ik mij bezig met mijn aquariums, zonder dat er ook maar een flardje romantische muziek uit mijn radio klinkt. Maar er is een Valentijnstraditie waar ik me wel aan wil houden: mijn traditie om een bericht over relaties te schrijven op mijn blog. Ik kan nu niet meer ingaan op de voor- en nadelen van het vrijgezellenbestaan (en daar ben ik blij om, wil ik wel zeggen), maar toch vervult de hele wereld van de relaties tussen mannen en vrouwen me nog steeds met verbazing.

Vorige maand las ik bijvoorbeeld een artikel (en de commentaren erop) op de christelijke website Christianity Today. Het ging over het verschijnsel dat er nogal wat vrijgezelle dames zijn in de kerken die maar geen goede man kunnen vinden. Het probleem werd bij de mannen neergelegd: die wilden namelijk niet volwassen worden. Ze weigerden de verantwoordelijkheid te nemen voor een relatie en een gezin. In plaats daarvan bleven ze hangen in een verlengde adolescentie, waarbij ze in de kelder bij hun moeder computerspelletjes zaten te spelen en films zaten te kijken. Deze jongetjes moesten ernstig worden toegesproken, zodat ze zich zouden gaan schamen voor hun laksheid. Ze moesten ballen krijgen en hun plicht doen: de ‘zielige’ vrijgezelle vrouwen uit vragen, trouwen en kinderen krijgen. Het idee zou zijn dat als ze zich maar schuldig genoeg voelden, ze wel zouden veranderen. Ik denk dat deze benadering alleen maar averechts werkt. Schuldgevoel is, net als schaamte, nooit een goede motivator. Het zorgt ervoor dat de persoon in kwestie zich nog dieper in zijn schulp terugtrekt, terwijl de geslaagde macho man (en de vrijgezelle vrouw met hoge kwaliteitseisen) zichzelf nog eens een schouderklopje kunnen geven.
Ongeveer tegelijkertijd met dit artikel was er ophef over de voorganger Mark Driscoll uit Seattle, die ook nogal wat aparte ideeën heeft over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Ik zag bijvoorbeeld een videofragment van hem waarin hij uitviel tegen de mannen in zijn gemeente die in zijn ogen hun verantwoordelijkheid niet namen en niet de leiding hadden in hun gezin. Hij was er verbolgen over dat er in zijn gemeente vrijgezelle mannen waren, die niet de moed hadden om zich aan een dame te binden. Dat waren ‘sissies’ - ze moesten zichzelf snel gaan veranderen. Ondertussen houdt hij vrouwen voor dat ze hun man moeten dienen. Niet alleen in praktische zaken in het huishouden, maar ook op seksueel gebied. Zo moet volgens hem een vrouw zich niet ‘laten gaan’, maar zorgen dat ze voor haar man aantrekkelijk blijft. Anders zou het haar eigen schuld zijn als hij naar andere vrouwen zou gaan kijken. Ik hoef hier waarschijnlijk niet uit te leggen dat ik eigenlijk geen zin heb om meer van Driscoll te zien of te lezen. Ik voel me al minderwaardig genoeg zonder zijn tirades en zijn hele idee over vrouwen riekt naar misogynie.

Maar christenen zijn niet de enigen die mannen en vrouwen in een rollenpatroon willen dwingen. In de commentaren bij het stuk in Christianity Today werd gesuggereerd dat de jonge christenvrouwen het de mannen ook wel te makkelijk wilden maken. Ze moesten hogere eisen stellen (nog hoger? Aan mannen die passief blijven omdat ze denken toch al niet aan de eisen van de kerk en de maatschappij te kunnen voldoen?). Ze moesten zich houden aan ‘The Rules’. Dit is een set regels voor vrouwen met betrekking tot het daten. De vrouw mag bijvoorbeeld niet de man uitvragen, moet niet te snel terugbellen als de man belt, moet niet te enthousiast reageren. Ze moet hem op afstand houden, ‘hard to get’ zijn. Het idee is dan dat de man omdat hij nog harder zijn best voor haar moet doen, haar nog liever zal willen - en dus nog verliefder op haar zal worden. Daar tegenover staan voor mannen de regels van ‘The Game’. Het spel waarmee mannen vrouwen verliefd op zich kunnen laten worden. De man moet inderdaad niet laten merken dat hij een vrouw leuk vindt. Hij moet haar onzeker houden. Hij moet haar af en toe aanraken, op de arm, of even bij de hand nemen, maar niet te lang. Hij moet haar vertellen wat ze moet doen, en haar niet te veel inspraak geven. Hij moet haar plagen. De onzekerheid zal haar verliefd maken, want wat is verliefdheid anders dan onzekerheid? Als het het niet doet, komt de man terecht in de ‘friend zone’ en wordt hij niet gezien als romantische mogelijkheid, maar alleen als schouder om op uit te huilen.
Toen ik me had voorgenomen om mijn onzekerheid op relationeel gebied te overwinnen heb ik me verdiept in wat er van mannen verwacht wordt in ‘het spel’. Ik heb ook geprobeerd het in praktijk te brengen - maar zonder succes. Het past namelijk niet bij mij. Ten eerste omdat ik niet iemand wil manipuleren zodat die verliefd op mij zou worden. Ik wil helemaal geen ‘spel’ met iemand spelen. Ik wil een relatie met een echte vrouw, een echt persoon, die zelf voor mij heeft gekozen zonder dat ik haar gevoelens bewust heb bespeeld. En het woord ‘spel’ suggereert al dat ik in de relatie op basis van deze regels ook al niet mezelf zou kunnen zijn. Ik zou een rol spelen, en die zou ik eeuwig moeten volhouden. Want ik ben niet zo macho dat ik kan doen alsof ik niet geef om de ander. En mijn grote wens is om mezelf te kunnen zijn. Bovendien ben ik niet zo zelfverzekerd. Dus de andere partij mag ook wat initiatief nemen - als ik zou moeten blijven raden naar iemands gevoelens, geef ik de moed snel op.

Ik schrijf de laatste weken veel over het vertrouwen op onze eigen wilskracht om onszelf en anderen te veranderen en over ‘heldenverhalen’ waar we onze identiteit aan ontlenen, maar waardoor we andere mensen niet zichzelf kunnen laten blijven, maar moeten veranderen of bestrijden. Deze dynamiek speelt ook tussen man en vrouw, zowel bij christenen, als in de rest van de wereld. Allebei proberen ze met technieken en regels de ander voor zichzelf te laten vallen. Maar ook: mensen die zich niet aan de verwachtingen of het ideaalplaatje houden (de zelfverzekerde man ‘in control’, de onderdanige vrouw), worden gekleineerd of krijgen een schuldgevoel aangepraat (dat doet niet alleen Mark Driscoll, ik heb op internetforums ook pijnlijke commentaren gelezen op mannen die weigerden het ‘spel’ te spelen). Het resultaat is dat zowel man als vrouw een rol gaat spelen. Hij en zij zijn niet zichzelf naar de ander, maar laten alleen zien wat zij denken dat de ander wil zien. Die heeft dan ook geen relatie met een echt persoon, maar met een toneelspeler of -speelster. Ik schreef al eerder dat dit een groot probleem is in de evangelische kerk, waar mensen een rol moeten spelen, maar het verziekt ook relaties.
Ik geloof dat het Verhaal van Jezus, het Verhaal van de Zwakheid, werkelijk goed nieuws is. Het is de aankondiging dat mensen (mannen/vrouwen, stoer of onzeker, macho of gamer) hun identiteit en betekenis niet meer hoeven ontlenen aan wie ze zijn of wat ze doen (hun ‘heldenverhaal’), maar dat deze ze gegeven worden door de liefde van God - het bewijs ervoor is de dood van Jezus. Tegelijk krijgt ieder mens de belofte dat zijn of haar leven niet van de eigen wilskracht afhangt, maar dat het de opstandingskracht van God in hem of haar is die ervoor zorgt dat de wil van God gebeurt, in de persoon zelf en in de wereld. Dit gaat in tegen alle regels en spellen uit onze maatschappij. Het is werkelijk subversief. Maar het brengt wel de hoop met zich mee dat mensen een echte relatie met elkaar kunnen hebben. Een relatie waarin beide partners de ander respecteren als persoon, en niet als ideaalbeeld. Een relatie waarin beide partners niet proberen de ander aan een ideaalbeeld te laten voldoen, maar juist voor de ander zoals die is klaar staan. Een relatie van twee gelijkwaardige personen die zich aan de ander geven - en die zo een beeld zijn van de drie-eenheid: een ondeelbare eenheid die een gevolg is van de gevende liefde van de drie personen.

Mensen denken dat de bijbel relaties tussen man en vrouw juist beschrijft als een hierarchie, waarbij de man de leiding heeft, en de vrouw de rol van huisvrouw moet spelen. Niets is verder van de waarheid. Zelfs het gedeelte uit Efeze dat hier vaak bij wordt aangehaald, wijst erop dat de man zijn vrouw moet liefhebben zoals Christus de gemeente heeft liefgehad, dat wil zeggen: als zijn eigen lichaam! Als je dat vergelijkt met de omliggende cultuur, waarin vrouwen meer als eigendom werden gezien dan als gelijkwaardige partner, is dit al heel erg subversief.
Maar Paulus (die vaak wordt gezien als vrouwenhater, volledig onterecht!) gaat nog veel verder in 1 Korintiers 7:1-4. Besef bij het lezen hoe de Grieken in die tijd over vrouwen dachten: vrouwen waren in hun ogen minderwaardig. Seks met vrouwen diende alleen om kinderen te verwekken, maar was eigenlijk iets dat niet pastte bij de status van mannen, dus het was goed om geen seks met vrouwen te hebben. Dat vrouwen ook plezier beleefden aan seks kwam niet eens bij ze op. Mannen hadden liever seks met andere mannen - vooral jonge mannen. Niet voor niets werd er in de gymnasiums naakt gesport. Voor mensen die leefden in deze omgeving schreef Paulus: “U zegt dat het goed is dat een man geen gemeenschap met een vrouw heeft. Maar om ontucht te vermijden moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. En een man moet zijn vrouw geven wat haar toekomt, evenals een vrouw haar man. Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap over zijn lichaam, maar zijn vrouw. Weiger elkaar de gemeenschap niet, of het moest zijn dat u er wederzijds mee instemt u enige tijd aan het gebed te wijden. Kom daarna echter weer samen.” Dat is revolutionair! Dit is een progressieve seksuele ethiek! De man moet de wensen van de vrouw bevredigen! De man moet zijn lichaam niet voor zichzelf houden, maar het geven aan zijn vrouw! Hij moet het haar naar de zin maken, en niet alleen eisen dat zij het hem naar de zin maakt. Kortom, volgens de bijbel is de relatie tussen man en vrouw - ook de seksuele relatie - een relatie tussen twee personen, van gelijke waarde en betekenis. “Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28). Dat wilde zeggen dat men in de kerk ook niet meer mocht discrimineren. De scheidsmuur was immers afgebroken. Iedereen was als persoon even waardevol.
Getuige de hierboven aangehaalde artikelen zijn deze woorden van Paulus nog steeds subversief in onze cultuur en ook in de christelijke kerk - overal waar van de relatie tussen man en vrouw een spel wordt gemaakt, waar het een hierarchische relatie wordt, gebaseerd op macht of gezag, en waar mensen niet als persoon worden beschouwd, maar als rol.

Van alle instemmende commentaren bij het artikel in Christianity Today waren er een of twee die een tegengeluid lieten horen tegen al die eigengerechtigde schrijvers die meenden dat de computerspelende ‘kind-man’ van tegenwoordig een schop onder zijn kont moest krijgen. Een vrouw had volgens mij het juiste idee. Ze zei dat -in plaats van deze mannen op de kop te zitten en een schuldgevoel aan te praten- zowel mannan als vrouwen hun best moesten doen om ze te bevestigen. Bevestig wie ze zijn, bevestig hun kwaliteiten, stimuleer ze in hun passies en interesses. Geef ze het vertrouwen dat ze (zoals ze zijn!) iets te bieden hebben en niet hoeven voldoen aan het ideaalbeeld van de perfecte man. Kortom, behandel ze als persoon, met het respect dat ze verdienen als persoon, en verwacht niet van ze dat ze perfect en bepaalde rol gaan spelen. Het zou zomaar kunnen dat deze mannen dan de vrijgezelle vrouwen in de kerk ook niet langer meer zien als ‘vrijgezelle kerkvrouwen’, onbereikbaar, of veeleisend, maar als personen, echte mensen. En dat ze bij elkaar komen, niet door een spel te spelen, niet door zich aan de regels te houden, maar door een relatie met elkaar aan te gaan. En als hij dan nog steeds achter de spelcomputer kruipt, is dat niet omdat hij onvolwassen is, maar omdat hij houdt van computerspellen.
Ik ben in elk geval blij dat ik er geen spel van heb gemaakt toen ik contact opnam met mijn huidige vriendin om met haar af te spreken, of toen ik haar verkering vroeg. En ik ben er blij om dat zij zich niet aan de regels hield, maar duidelijk liet merken dat zij me leuk vond en me beter wilde leren kennen. Ik weet dat ik bij haar mezelf kan zijn, en zij zegt dat zij bij mij zichzelf kan zijn. Dat is waar het om draait tussen mensen. En daar heb je geen hartvormige doosjes bonbons of rode ansichtkaarten voor nodig.

P.S. Lees ook dit openhartige bericht: 'I wish everything they keep telling us to do actually worked, really I do ... But this largely sexist idea that you guys – and it is the guys for the most part – seem to have about how all Christian men and all Christian women are wired – or ought to be wired –  just doesn’t work in the real world ... Many men actually like women as fellow human beings, and don’t think women are just for marrying, or leading around, or sticking their willies in. I put it to you that an awful lot of men – more than you probably think – don’t want to be leaders, of their wives or anyone else. And these are not broken men that need fixing. Another thing. Despite all that weaker vessel stuff, not all women are weaker than men, physically, mentally or spiritually ...  I’ll come back to church when you guys start healing and uniting all people, regardless of gender and sexual orientation, celebrating their humanity and diversity, and just stop with the generalisations, the misogyny, and the micro-managing sin via behaviour modification. It’s just boring." Het hele artikel is de moeite waard!

P.P.S. Voordat iedereen kritiek heeft op Christianity Today: ze schrijven gelukkig ook wel andere dingen over relaties - die mij gezonder in de oren klinken: "The model of the companionate marriage is rooted in permanence, not performance and so sees a potential mate as a partner instead of prey."

P.P.P.S. Mijn valentijnsbericht van 2011

P.P.P.P.S. Mijn valentijnsbericht van 2010

maandag 30 januari 2012

Religie, relatie of liefde?

Een paar weken geleden deed er een video de ronde op internet met een soort gedicht op een beat - ‘spoken word’ noemen de mensen die op de hoogte zijn van moderne cultuur dit fenomeen. De titel was: ‘Why I hate religion, but love Jesus’. Ik zag hem overal voorbijkomen, op Twitter, op Facebook. Het kan bijna niet anders of lezers van mijn blog hebben deze beelden ook gezien. En ik las er ook nog eens talloze commentaren op. Van mensen die het met de maker eens waren, maar ook veel van mensen die het niet met hem eens waren.
Wees gerust, ik ga niet nog een analyse van deze ‘spoken words’-uitvoering publiceren. Ik was het met veel uit de video eens, al had ik wel graag een vermelding gezien van Jezus’ opstanding en niet alleen van Jezus’ dood. Maar ik werd wel aan het nadenken gezet door de discussie er omheen. Het filmpje werd regelmatig doorgestuurd en ge-‘liked’ door mensen die ik ken uit de kerk. Mensen die ook heel enthousiast zijn over het kerksysteem, en die het heel belangrijk vinden dat je daaraan meewerkt en een taak uitvoert en genoeg bidt en uit de bijbel leest. Ik vond dat ironisch. Wat deze artiest beweerde, was dat ‘Religion says do, Jesus says done’. En zij knikten daarbij. Om vervolgens in de kerk in preek na preek te horen dat je eigenlijk meer moet bidden, uit de bijbel lezen, evangeliseren et cetera. En daar ook bij te knikken. Volgens mij is er hier sprake van een begripsverwarring. Om uit een van mijn favoriete films, The Princess Bride, te citeren: “You keep using that word. I don’t think it means what you think it means ...”
Ik zie de boodschap zoals die in de evangelische kerk wordt gepredikt, als in essentie religieus. De kern lijkt te zijn dat wij door onze activiteiten controle kunnen uitoefenen over onze relatie met God en dus over God zelf. Als wij niet bidden of naar de kerk gaan, gaat het slecht tussen ons en God en dus uiteindelijk met ons. Als wij wel bidden en naar de kerk gaan, zal God ons zegenen en zal het dus goed met ons gaan. Deze activiteiten verwacht God toch wel van zijn volgelingen om ze tot ‘goed christen’ te kunnen bestempelen. Maar mijn kennissen definiëren religie anders. Ze geloven immers dat ze gered zijn door genade. Wat ze doen in de kerk zouden ze dus niet als religie omschrijven. Nee, ze zouden zeggen dat het gaat om een relatie. Christendom is geen religie, maar een relatie. En, wordt er dan aan toegevoegd, aan een relatie moet je werken. En daar komen al die activiteiten weer om de hoek kijken. Maar de schijnbare relatie krijgt zo wel een heel religieus karakter!
Dit valse onderscheid werd ook opgemerkt door veel criticasters van het betreffende filmpje, vooral van degenen uit de meer traditionele kerken. Volgens hen was de artiest niet vernieuwend, maar een doodgewone evangelicaal, die net als zovelen voor hem het mantra ‘relatie, geen religie’ herhaalde. En ze toonden, volgens mij overtuigend, aan dat dit een valse tegenstelling is. Ze lieten zien hoe mensen niet aan religie kunnen ontsnappen en hoe ook alles wat evangelicalen waarderen (dogma’s, de bijbel, kerkgebouwen) is ontstaan uit religieuze systemen. Ze suggereerden dat de evangelischen alleen oude religieuze gewoontes door nieuwe hadden vervangen. Ze wezen op het belang van rituelen en symbolen voor de menselijke zingeving (zit ook wat in, natuurlijk), en op de waarde van een religieuze gemeenschap. Hun conclusie was dat religie (zoals zij dat definieerden) zo slecht nog niet was, en dat het meedoen in tradities en het houden van gebruiken hoorde bij het volgen van God. Ze losten de versmelting van religie en relatie op door de kant van de religie te kiezen.
Ik kies er daarentegen voor om ‘relatie’ los te laten.

En ik slaak een zucht van opluchting. Je las het goed: als ‘relatie’ en ‘religie’ als beschrijvingen van onze verhouding tot God eigenlijk niet van elkaar te scheiden zijn, laat ik ze allebei varen. Gods doel is namelijk niet om een relatie met ons te hebben. Laat het even tot je doordringen. Is het niet bevrijdend? De verhouding tussen God en ons is eenzijdig. Hij houdt van ons. Hij hoeft daarvoor niets in ruil, niet ons religieuze plichtsbetrachting, maar ook niet onze pogingen te werken aan een relatie met Hem. Hij houdt van ons, zoals we zijn, om wie we zijn. Punt. Niets kan dat veranderen. Het enige dat hij verlangt, zoals ook ieder mens verlangt die iemand liefheeft, is dat de ander ook hem liefheeft, dat wij van Hem gaan houden. Maar dat is op geen enkele manier een voorwaarde die hij stelt aan zijn liefde, of een vereiste waar hij ons op afrekent. God heeft zijn liefde jegens ons bewezen, doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren (Romeinen 5).
Dit is het goede nieuws. De boodschap dat God ‘een relatie’ met ons wil is dat niet. Want een relatie schept verantwoordelijkheid. Een relatie moet worden onderhouden. Zo wordt de boodschap ook vaak gebracht. Je moet naar God luisteren door de bijbel te lezen, je moet regelmatig met hem praten. Je moet stille tijd houden - als je een relatie hebt, breng je immers ook veel tijd met elkaar door? God verwacht van je dat je jouw relatie met hem prioriteit geeft. Dus zetten we weer bijbelleesroosters op en bidden we volgens een schema. Het probleem is echter dat deze relatie met God vaak heel eenzijdig lijkt. De inspanning lijkt vooral van onze kant te komen. Daar mogen we natuurlijk niet over klagen, want Jezus heeft ons gered, maar het is wel frustrerend. Heb je wel eens een telefoongesprek geprobeerd te voeren waarbij de persoon aan de andere kant van de lijn stil bleef? Als je dat elke week, of elke dag zou moeten doen, zou je het snel als verplichting of last aan ervaren. En zelfs als je wel Gods aanwezigheid ervaart, is het mijn ervaring dat die beleving snel verdwijnt als je het bidden of bijbellezen gaat doen op basis van discipline, of van verplichting, omdat het ‘moet’. De motivatie wordt onherroepelijk religieus. En heeft niets meer te maken met liefde.

Op de Mockingbird-blog las ik laatst een interview met twee televisiemakers, een man en een vrouw (ik linkte er ook naar in een eerder bericht). Zij werkten nauw met elkaar samen, ze spraken elkaar elke dag via SMS. “Sometimes I think it’s the most successful love affair either of us will ever have”, zegt een van hen. Toch zeggen ze dat ze geen relatie met elkaar hebben. De verklaring van de man: “It would be colder, because we’ve both treated our romantic relationships in a cold way. Carrie and I are more romantic than any other romantic relationship I’ve ever had—that sense of anticipation about seeing the other person, the secret bond. But things don’t become obligatory. I’m not thinking, I’m doing this because you’re my girlfriend; I’m just thinking, I love Carrie.”
Daarin ligt de hele kern van het probleem. Want van de liefde blijft weinig over als je dingen voor de ander gaat doen ‘omdat die horen bij een relatie’. Als je bloemen meebrengt op Valentijnsdag ‘omdat mensen in een relatie dat voor elkaar moeten doen’ (een van de redenen dat ik een hekel heb aan Valentijnsdag). Als je tijd met de ander doorbrengt ‘omdat het van je verwacht wordt als partner’. Als je een klusje voor de ander uitvoert ‘omdat hij of zij anders teleurgesteld zal zijn’. Als je knuffelt, ‘omdat verliefde stelletjes dat doen’. De liefde van mensen is niet volmaakt, dus soms zullen we in een relatie bepaalde dingen doen omdat we een relatie hebben - zo kunnen we misschien een dip in ons gevoelsleven, of een piekerbui overbruggen. Maar als dat alles is, kun je beter als stel uit elkaar gaan. Als het goed is WIL je namelijk bloemen (of iets anders dat je partner waardeert) meebrengen, omdat je vindt dat de ander dat waard is. Je WILT tijd met de ander doorbrengen, omdat je het leuk vindt naar hem of haar te luisteren en je eigen ideeen met hem of haar te delen. Je WILT een klusje voor de ander doen, niet om de ander niet teleur te stellen, maar om hem of haar te helpen! Je WILT knuffelen, omdat je de ander mooi of lief vindt. Kortom: je doet wat je doet omdat de ander is wie hij of zij is. Nergens anders om. Je komt in actie omdat je van de ander houdt - wat wil zeggen dat je er niet eens over hoeft na te denken - het is gewoon wat je doet als je liefhebt!

Zo is het ook tussen ons en God. We hoeven van hem niets te doen omdat het nu eenmaal hoort bij een relatie tussen een mens en God. We zijn niet verplicht te bidden of uit de bijbel te lezen. God houdt niet meer van ons als we vaker stille tijd doen, en hij gaat ons ook niet minder zegenen als we de kerkdienst verzuimen. God wil ons hart, niet onze gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is immers iets dat wij kunnen controleren. Mensen zijn er goed in. We willen precies horen wat we wel en niet moeten doen in de relatie. Het liefst willen we een contract opstellen (‘Wat vindt je ervan als ik je drie keer per week bel? Zou twee keer per week ook goed zijn? Ik zal precies zo vaak e-mailen als jij! Ik stuur je elke maand een bos bloemen, maar dan moet jij mijn was voor me doen.’). We zijn er ook goed in onszelf en anderen op dergelijke eisenpakketten af te rekenen. Voor wat hoort wat, tenslotte. Maar God wil niet in onze menselijke contracten betrokken worden. “Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen.” (Amos 5:21-23). Duidelijke taal. Zelfs al had God zelf gezegd dat zijn volk moest offeren, als ze het deden uit plicht had het voor hem niets te betekenen. Waar hij naar verlangt is dat zijn kinderen van Hem houden om wie Hij is.
Dit wordt heel mooi weergegeven in het beeldende boek The Divine Romance van Gene Edwards. Hij beschrijft daarin hoe God verlangt naar een partner, een bruid die bij hem past, die Hem liefheeft zoals Hij haar liefheeft. Adam is een beeld van Christus, en Adam wilde niet alleen zijn. Zo wil ook Christus dat iemand Hem liefheeft. Niet iemand die religieuze plichten voor hem vervult, niet iemand die zich uit angst voor hem inspant, maar iemand die zo onder de indruk is van Hem dat het als vanzelf haar leven gaat vervullen. Edwards laat het God zeggen: “I did not require of you, your wealth nor coins of glod. What need have I of these? I did not ask of you that you serve me. Do I, the mighty one, need to be waited upon? Neither did I ask of you, your worship nor your prayers nor even your obedienc. I have asked but this of you, that you love me ... love me ... love me.”

God heeft ons lief. Punt. En hoe meer we dat gaan beseffen, hoe meer we Hem zullen liefhebben. En dan zullen we steeds vaker aan Hem gaan denken. Dan zullen we zoeken naar beelden en woorden van Hem, in de bijbel natuurlijk, maar ook in muziek, in verhalen, in films, in andere mensen. We zullen over Hem praten, zoals verliefde mensen niet kunnen zwijgen over hun partner. We zullen zijn aanwezigheid opzoeken, gewoon omdat we het fijn vinden bij Hem te zijn. We zullen andere mensen willen ontmoeten die Hem ook kennen, om te horen waarom zij Hem zo bijzonder vinden. We zullen gaan doen wat Hij belangrijk vindt, omdat Hij het zo belangrijk vindt. En dat alles zal voor ons niet als plicht voelen. Het zal juist een vreugde voor ons zijn. We zullen niets liever willen. Want we zullen boven alle dingen naar Hem verlangen. En uit ons verlangen komt ons handelen voort, in plaats van uit plicht. Zowel de activiteiten van de relatie, als de vormen van de religie, zullen dus geen inspanning zijn, maar vrucht, zoals ik vaker heb betoogd (en zo komt ook aan die schijnbare tegenstelling tussen deze twee een eind).
Als we deze vruchten niet zien in ons leven, moeten we onszelf niet verplichten om ‘aan de relatie met God te werken’. We moeten niet uit schuldgevoel taken op ons nemen, bidden omdat het hoort, of naar de kerk gaan omdat we bang zijn dat God anders teleurgesteld in ons zal zijn. God eist al die dingen helemaal niet van ons. Hij verbindt er geen consequenties aan. We hoeven niet bang te zijn dat Hij ooit minder van ons zal gaan houden. Wat een opluchting! Wat we wel kunnen doen, als we dat willen, is ons openstellen voor zijn liefde. We kunnen luisteren naar wat andere mensen over Hem zeggen. We kunnen zijn woord lezen met de vraag wat dat zegt over zijn liefde. We kunnen zijn aanwezigheid zoeken en Hem vragen zijn liefde aan ons te laten zien. We kunnen ons verlangen uitspreken dat we meer van Hem willen kennen. En hoe meer we van Hem ontdekken, hoe meer we zijn liefde leren kennen, hoe groter onze liefde voor Hem gaat worden.

Ikzelf had al een paar weken lang niet uit de bijbel gelezen, omdat het als een plicht voelde. Toen besefte ik opeens dat God het ook niet wil dat ik dit uit plichtsgevoel doe. Hij eist van mij helemaal niets. En het lijkt misschien paradoxaal, maar prompt had ik weer zin om uit de bijbel te lezen. Niet omdat het moest, maar omdat ik graag meer wilde leren over God en zijn liefde voor mij, zoals Hij heeft laten zien in Christus. Ik dacht er niet bij dat ik daardoor een beter christen zou zijn, of een betere relatie met God zou hebben. Ook al zou ik niet uit de bijbel hebben gelezen, de liefde van God voor mij zou niet minder zijn geworden. Het is waar: de liefde van God maakt ons werkelijk vrij.

zondag 1 januari 2012

Mijn laatste nieuwjaarsbericht?

Wel als je gelooft in de vergezochte theorie dat de kalender van de Maya's eindigt in december 2012 en dat daarom het einde van de wereld nabij is. Dit gegeven leidt weliswaar tot nogal overdreven rampenfilms (2012 was nou niet de beste film die ik ooit gezien heb, al was de uitbarsting van Yellowstone wel spectaculair), maar over de toekomstvoorspellende gaven van de Maya's ben ik nogal sceptisch. En we hebben geen machten van buitenaf nodig om ons bestaan ten einde te brengen: een blik op de krantenkoppen is genoeg om als een struisvogel het hoofd in het zand te willen steken. Ik was echter niet van plan om een heel cynisch of pessimistisch nieuwjaarsbericht te gaan schrijven - er zijn namelijk het afgelopen jaar vel heel goede en waardevolle dingen gebeurd en ik kijk vooruit naar een jaar dat nog veel meer interessante ontwikkelingen en uitdagingen gaat brengen!
Eerst maar even de terugblik op 2011. Een vriend zei gisteren toen we het over het afgelopen jaar hadden: "Een beter jaar kun je niet hebben!" Ik zet daar zelf nog wel een vraagteken achter, maar er zijn dit jaar een heel aantal goede dingen gebeurd.

Ten eerste heb ik een mobiele telefoon aangeschaft, waar ik veel plezier van heb, en ben ik actief geworden op Facebook. De sociale media hebben me in contact gebracht met oude kennissen en vrienden en met nieuwe contacten en daar geniet ik erg van (hoewel het internet natuurlijk ook tijdrovend blijft).
Ten tweede heb ik computerspellen uitgespeeld (waaronder Mass Effect 2: briljant!), en goede boeken gelezen en herlezen (Surprised by Hope blijft overtuigend, Planet Narnia was interessant en Wij zijn ons Brein was fascinerend). Ik heb de serie Star Trek Enterprise uitgekeken, kon van een vriend twee seizoenen van Battlestar Galactica lenen (beste SF-serie ooit!) en ben nu Andromeda aan het kijken. Het filmjaar 2011 viel tegen (weinig inspirerende 'blockbusters' en ook op animatiegebied viel het tegen (Cars 2?)), maar vooral in het voorjaar waren er goede films (The King's Speech en True Grit waren beide fantastisch). Op muziekgebied heb ik eindelijk de serie 'American Recordings' van Johnny Cash ontdekt!
Ten derde ben ik op reis geweest naar de Verenigde Staten, en als bonus ook nog eens naar Wales - en ik kreeg op beide reizen de kans om in rotspoeltjes naar garnaaltjes, zee-anemonen en heremietkreeftjes te zoeken. En ik ontmoette in Minneapolis een van mijn favoriete denkers en auteurs: Greg Boyd!
Ten vierde (het wordt langzaam serieuzer) heb ik dit jaar weer heel wat geschreven. Minder dan ik van te voren gehoopt had - een verhaal, enkele liedteksten en 199 blogberichten. Hmm ... als je het zo bij elkaar ziet is het toch best veel! En ik kreeg ook nog de kans om een aantal foto's en korte overdenkingen bij te dragen aan Het Boek van de Natuur, dat in november verscheen. Van harte aanbevolen! Ik kreeg ook positieve reacties dit jaar op Indrukwekkende Vrijheid, dat in 2010 verscheen, waar veel mensen zich in bleken te herkennen en dat voor sommigen een 'boost' voor het geloofsleven teweegbracht. Helaas wordt het uit de handel gehaald, dus als je het nog niet hebt: nu is je kans!
Ten vijfde ging ik deze zomer opnieuw naar de kerk, na een jaar weg te zijn gebleven. Ik merkte dat ik schuld opwekkende boodschappen sneller ter zijde kon schuiven, maar ik realiseerde me ook dat ik me echt niet meer thuis voel in een traditionele evangelische kerk. Ik ben daarom ook blij dat mijn contacten met de huiskerk in Almere zijn geïntensiveerd.
Ten zesde kreeg ik op mijn werk de kans om meer verantwoordelijkheid op me te nemen. Nou ja, de kans - het was een aanbod dat ik niet in staat was te weigeren (om aan The Godfather te refereren), maar ik heb het wel aangenomen. Wegens het ontslag van een collega werd ik verantwoordelijk voor het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Dit leidde tot een excellente beoordeling (waarvoor ik een bonus kreeg) en een functiewijziging per 1 januari 2012 - dan word ik namelijk officieel eindredacteur! Ik heb ook genoten van het maken van tijdschriften dit jaar, vooral omdat we werkten met een nieuwe opmaak en een meer journalistieke insteek. Dat was niet alleen voor de lezers prettig, maar ook voor de makers.
Ten zevende zal mijn traditionele Valentijnsdagbericht dit jaar anders van karakter worden, omdat ik een vriendin heb. Dat is wel wennen na een lang vrijgezellenbestaan, maar we genieten er allebei enorm van. Niet alleen is ze lief, mooi en intelligent (en ook nog een schrijver!), we delen ook nog eens veel interesses - zo wilde mijn vriendin de fossielen zien in Naturalis in Leiden (dat voorstel viel bij mij in goede aarde) en hebben we de afgelopen week de 'extended edition' bekeken van The Lord of the Rings!).
Allemaal goede dingen. Maar sommige ervan hebben me veel moeite gekost. Zo had ik in het voorjaar, eigenlijk tot en met juli, last van slaapproblemen. De druk op het werk maakte het niet makkelijker, maar een oogontsteking, de verwijdering van een verstandskies en enkele moeilijke beslissingen werkten ook niet mee. Mijn slaap blijft helaas mijn achilleshiel. Ik ben ook weer verder aangekomen wat betreft mijn gewicht. Ik merk dat ik zoveel energie moet investeren op kantoor dat ik makkelijk val voor de verleidingen van snacks en ongezond eten. En me daar druk over maken geeft alleen nog maar meer stress. Mijn eczeem speelt ook nog steeds op - een ziekte die zeker met stress te maken heeft. En ik merk dat het ook moeilijk is de tijd te nemen om naar God te luisteren. 2011 was dus een van mijn beste jaren ooit, maar in mijn beleving ook een van de moeilijkste. Maar misschien zit het leven zo in elkaar - rozen pluk je niet zonder doorns.

Daarom is mijn eerste hoop voor 2012 dat ik meer zelfvertrouwen ontwikkel op kantoor, en dat de druk om in mijn eentje voor een heel tijdschrift verantwoordelijk te zijn wat zal afnemen. Als ik aan het eind van de dag wat meer energie over houd, kan ik beter voor mijzelf en mijn gezondheid zorgen. En hopelijk blijft mijn slaap dan ook wat beter.
Mijn hoop is verder dat mijn relatie met Bianca zich blijft ontwikkelen en we elkaar nog beter leren kennen en vertrouwen. Ik kijk uit naar alle leuke activiteiten die we gaan ondernemen, maar ook naar de rustige tijd samen om te schrijven, te lezen en andere dingen te doen. Ook het ontmoeten van elkaars familie en vrienden staat op de agenda, en dat is natuurlijk ook spannend.
Verder hoop ik mijn banden met de huiskerk in Almere nog strakker aan te halen en bij meer van hun 'meetings' aanwezig te zijn - dit is een groep van gelovigen bij wie ik me thuis voel. Ik ben heel benieuwd wat uit dit contact voortkomt.
Ik hoop in 2012 toch ook weer het een en ander te schrijven, onder andere de twee nog ontbrekende verhalen voor mijn sciencefictionproject. Ik heb afgelopen jaar ook een serie berichten op mijn blog geschreven, die ik wil bewerken en uitbreiden voor een nieuw 'non fictie'-project. Mijn blog gaat ook door, maar om meer tijd over te houden voor mijn andere projecten zal ik wat vaker berichten herplaatsen die ik eerder heb geschreven. Zo wil ik dit jaar een serie gaan plaatsen over het 'stiekeme koninkrijk' die ik al in mijn computer heb staan. Maar ik ga zeker door met het publiceren van nieuwe film- en boekbesprekingen. (Ik hoop ook met dat materiaal ooit iets te kunnen doen wat betreft publicatie op papier).
In 2012 hoop ik verder weer nieuwe contacten met mensen te leggen. Ik hoop op ontmoetingen die leiden tot wederzijdse inspiratie en misschien wel samenwerking. Verder zal ik in elk geval in maart weer spreken in een gemeente in Rotterdam, en ik hoop eigenlijk op meer gelegenheden van die aard.
Mijn reisplannen tot 2012 bevatten een lang weekeinde in Londen met mijn vriendin en een reis naar Nieuw-Zeeland in december om mijn goede vriend David (bekend voor de lezers van Indrukwekkende Vrijheid) te bezoeken. En om enkele locaties uit The Lord of the Rings en The Hobbit te zien, natuurlijk.
Ik verwacht verder weer te genieten van computerspellen (Ik ben al begonnen aan Uncharted 3 (filmisch) en kijk uit naar Mass Effect 3 dat in maart uitkomt!), van TV-series (het laatste seizoen van Battlestar Galactica hoop ik te kunnen kijken), van films (het belooft een fantastisch jaar te worden, met onder andere The Dark Knight Rises, The Amazing Spider-Man, The Avengers, Prometheus, John Carter, The Hobbit, Brave (van Pixar) en Skyfall (Bond!)) en van boeken (het slot van Tales from the Malazan Book of the Fallen van Steven Erikson en van de Shadowmarch-serie van Tad Williams, en de Pensees van Pascal). Ik wil ook weer naar een stripboekenbeurs, een fantasyfestival en een boekenmarkt in Dordrecht. Ja, ik blijf ook in 2012 geeky.
Ten slotte komen er dit jaar waarschijnlijk geen 'sociale media' of 'gadgets' bij, maar wel een nieuwe hobby (of beter: een nieuw onderdeel van een bestaande hobby). Ik ben van plan een zeeaquarium te gaan opzetten. Ik heb al drie zoetwateraquariums (waar ik veel van geniet, onder andere van de maanvissen in mijn grote aquarium en de slakkehuisbroedende cichliden in mijn andere aquarium, die hopelijk dit jaar voor nageslacht gaan zorgen), maar ik zou ook graag eens zelf garnaaltjes, een heremietkreeftje en een zeeegel willen houden - ik kijk niet voor niets graag in getijdepoeltjes! Ik wil me gaan inlezen en dan in het voorjaar de aanschaf doen. Op die manier wordt de bonus goed besteed. (Dat was trouwens het idee van mijn vriendin - zij stimuleert mij een vierde aquarium erbij te nemen! Kan ik nog gelukkiger zijn?).

Het lijstje met plannen en verwachtingen voor 2012 is weer aan de lange kant geworden. De realiteit leert dat er waarschijnlijk heel wat niet gebeurt, maar dat er dingen plaatsvinden die ik niet had kunnen voorspellen (zoals dat ook in 2011 gebeurde). Ik hoop de kansen en uitdagingen in elk geval aan te grijpen om verder te groeien en meer mezelf te worden. Maar voorlopig houd ik me daar even niet mee bezig. Nu is het tijd voor mijn vaste traditie op nieuwjaarsdag: de 'badjasdag'. Een dag lang films kijken en oliebollen en appelflappen eten. Zo wordt de toon voor het nieuwe jaar ten minste goed gezet!

zaterdag 10 december 2011

Presteren is contraproductief 2: spelen

Ik ben een fan van Calvin and Hobbes, de bekende stripserie van Bill Watterson. Vaak als ik in de greep ben van melancholie, grijp ik als medicijn naar een van de bundels in mijn boekenkast. De avonturen van het zesjarige jongetje met de grote fantasie en zijn wijze speelgoedtijger (of is hij toch echt?) weten altijd weer een glimlach op mijn gezicht te brengen, ook al heb ik ze al twintig keer gelezen. Ik denk dat het is omdat de strips uit deze serie de donkere kanten van het leven niet maskeren. Calvin wordt gepest op school, hij krijgt op zijn kop van de sportleraar omdat hij niet meedoet, hij wordt opgezadeld met een strenge babysitter. Calvin staat onder druk, zoveel is duidelijk. Maar hij wordt niet cynisch. Er is een pad dat wegleidt uit de wereld van regels, prestaties en gehoorzaamheid, en dat is dat van de ongedwongen vriendschap met Hobbes en hun gedeelde verbeelding. Die komt onder andere tot uiting in het spel Calvinball.
Wie Calvin and Hobbes kent, hoef ik niet te vertellen wat Calvinball is. Voor wie het niet kent - je moet het meemaken om het te weten. Het is namelijk niet te vergelijken met enig andere sport. Er zijn namelijk geen regels. Of beter gezegd: de regels worden door de spelers ter plekke verzonnen. Er is dus ook geen werkelijke score. “Het staat 12 tegen Q”, concludeert Hobbes ergens. Uiteindelijk speel je het spel dus niet om het te winnen. Richard Beck wijdde op Experimental Theology een hele serie berichten aan de theologie van Calvin and Hobbes. Over Calvinball zegt hij: “In contrast to organized sports, Calvinball doesn't create winners and losers. The fun is simply the game itself. There is no outcome other than joy.”
Die vreugde is waarom Calvin en Hobbes het spel spelen. Maar ze kunnen die vreugde niet tot stand brengen door zich daarop te richten. Ze kunnen er niet hard aan werken, er niet voor strijden. Die vreugde is een automatisch gevolg van het spel, een bijproduct van een leven zonder controle, zonder maatstaven, zonder oordeel. Anders gezegd: de enige manier om de vreugde te ervaren is het spel te laten gebeuren, het over je heen te laten komen.

Het is niet voor niets dat ik deze strips lees als ik me ‘down’ voel - want dat is vaker wel dan niet het gevolg van de druk die ik ervaar om te presteren. Druk uit de maatschappij, druk uit de kerk, druk uit mijn eigen hart. Druk om iets van mijn leven te maken, druk om mee te tellen, druk om productief te zijn. Ik meet mijn belang af van wat ik allemaal tot stand breng. Maar tegelijk weet ik minder te bereiken dan ik eigenlijk wil, en daar veroordeel ik mijzelf om. En dan probeer ik weer harder te presteren. Ik zet al mijn wilskracht in om mezelf productief te voelen. Maar daardoor word ik alleen maar onzekerder. Mijn poging mijn leven met mijn eigen kracht onder controle te willen brengen werkt averechts. Ik lig er ‘s nachts wakker door - juist op het moment dat ik er niet iets aan kan doen, als ik niets kan presteren. Ik begin tot de conclusie te komen dat ik mezelf op deze manier alleen maar tegenwerk. Op de Mockingbirdblog wordt dezelfde conclusie getrokken: “It’s so clearly not a matter of people needing to try harder. Indeed, the areas of our lives that are impervious to management can’t help but point us beyond strategy, or even medication, they stubbornly uncover our unifying weakness, and bring us to a place where the notion of a savior might begin to make sense.”
Vrijheid begint met het opgeven van het idee van controle, met het invloed willen uitoefenen op het resultaat van je leven. Vrijheid begint met het loslaten van elk oordeel, elke puntentelling die winnaars en verliezers zou kunnen opleveren. “It’s not until people let go – till we surrender all control – that we are able to recover”, suggereert Mockingbird. “It is a left-handed process entirely: great power unleashed in the midst of – and, in fact, by means of - pain and weakness.”
Dit is wat ik in mijn eerdere serie 'Terug naar de basis' beschreef als de Weg van de zwakheid: het opgeven van het idee zelf macht te kunnen uitoefenen over je eigen leven, anderen of over God. Ik heb die macht niet en zolang ik dat wel denk, houd ik mezelf gevangen, ontneem ik anderen hun vrijheid, en laat ik God niet toe in mij zijn werk te doen. De weg van de zwakheid houdt voor mij in dat ik accepteer dat ik mezelf niet kan veranderen, en dat ik dat dus ook niet hoef, net zo min als ik andere mensen kan veranderen en dat dus ook niet hoef te proberen. Ik kan de wereld niet voor Christus te winnen, ik kan mijn omgeving niet verbeteren, ik kan mezelf niet perfectioneren, ik kan niet voldoen aan welke eis van de maatschappij of kerk dan ook. En dus houd ik op me daarop te richten. Er is geen uitkomst die ik hoef te bereiken. Ik laat mijn idee van prestaties uit mijn handen vallen. In de beelden uit Calvin and Hobbes: ik laat de honkbalknuppel en de handschoen achter op het speelveld, samen met de regels wie wanneer wat moet doen, en samen met de veroordelende opmerkingen van medespelers als ik een bal door laat. Ik laat het hele idee van het inspannen om een doel te bereiken (winnen!) achter. Op de Mockingbirdblog wordt beschreven hoe deze openheid een kenmerk is van de Anonieme Alcoholisten. Het gaat er in deze groep niet om dat je je hele leven vrij blijft van je alcoholverslaving, je wordt er niet op afgerekend als je terugvalt, niemand is beter dan een ander omdat hij langer niet gedronken heeft. Het is geen spel waarbij je kunt winnen of verliezen. “I realized that one of A.A.’s singular features – one of the things that make it different from religion as it’s usually practiced – is that it’s an open-ended process. There is no ultimate “goal”; there’s no particular endline that, once having crossed it, you can say that you’ve definitively “arrived.” There aren’t any particular “metrics” – which means that there is lots of opportunity for adventure and the chance to continually learn. There is the priceless opportunity to live one’s own life, as it plays out in all its reality, under the Grace of God.”

‘Life as it plays out ...’ - schreef Mockingbird hierboven. Play! Spelen! Dit begint verdacht veel te lijken op Calvinball! Het gaat bij het spelen niet om het halen van een bepaald resultaat. Ik verwijs opnieuw naar Mockingbird, waar erop wordt gewezen dat kinderen steeds minder gelegenheid hebben om zelf te spelen, bijvoorbeeld op het schoolplein. In plaats daarvan bereiden volwassenen activiteiten voor die als doel hebben kinderen dingen te leren. Maar bij die activiteiten worden kinderen eigenlijk altijd ge-evalueerd, al was het maar door de blik van goedkeuring of afkeuring van de volwassene, en dat leidt tot onzekerheid en angst, in plaats van het zelfvertrouwen dat eigenlijk het doel van de oefening was. “[Researcher] Gray defines free play as play a child undertakes himself or herself and which is self-directed and an end in itself, rather than part of some organized activity. In school, children work for grades and praise and in adult-directed sports, they work for praise and trophies…. In free play, children do what they want to do, and the learning and psychological growth that results are byproducts, not conscious goals of the activity.”
Bij spelende kinderen wordt psychologische groei niet bereikt door te streven naar psychologische groei, maar juist door de controle los te laten en gewoon zichzelf te zijn. Want als je speelt, als je doet wat je wilt doen, ben je jezelf. En als je jezelf bent, doe je wat bij jou hoort, je brengt datgene voort dat past bij wie je bent. Je hebt daarvoor geen beloning nodig, je hoeft daar geen prijs voor te krijgen, je hoeft niet te horen of je het goed of slecht gedaan hebt. Het doen is in zichzelf de beloning. Je hoeft niet betaald te worden voor het spel dat je speelt - je doet het omdat je graag wilt spelen. En terwijl je aan het spelen bent denk je niet eens aan het feit dat je speelt. Je gaat op in het spel. Het gaat niet meer om jou. Het is als met een muzikant die een prachtig stuk van Bach speelt. Hij wordt meegesleept door de muziek. Dat lijkt het enige te zijn dat bestaat.
We kennen volgens mij allemaal die momenten waarin we in de ‘flow’ zijn. Ik herinner me goed een middag bij de Coffee Company toen ik opeens het idee kreeg voor een verhaal en gewoon begon te schrijven. De tijd vloog voorbij. Maar ik vergat niet alleen de tijd, ik vergat ook mezelf. Ik was alleen bezig met het schrijven van het verhaal, dat uit mijn vingers stroomde. En toen het verhaal af was, voelde ik me tevreden, puur en alleen omdat ik had geschreven, niet omdat het verhaal goed was of niet, of omdat ik ervoor beloond werd. Dit las ik op een site waar Mockingbird me naar verwees: “A wheelwright is not rewarded by the number or even by the quality of the wheels he makes, let alone the money he might acquire. He is rewarded solely by the experience of making a wheel, of feeling the doing-of-it in his hands, arms and feet, of achieving craft that transcends usefulness. It is in these moments that we are fully human in the world we live in, for we have left the experiencing self for the experience itself.” Het ervaren van het creatieve proces zelf, het spel zelf, is alle beloning die we nodig hebben.

Geen controle meer willen uitoefenen over de uitkomsten, maar gewoon jezelf zijn, gewoon leven. En de opbrengst, de productie, komt dan op een organische manier daaruit voort. De Anonieme Alcoholisten gaan uit van het feit dat mensen niet de kracht hebben om de verslaving te weerstaan en dat hun leven hen uit de hand is gelopen. Vervolgens nemen ze aan dat alleen een macht groter dan zijzelf in staat is hen te herstellen en te bevrijden. En ze geven hun wil en leven over aan God, zoals ze Hem begrijpen. Ze laten God zijn gang gaan in hen, in hun leven, in hun verslaving. Ze laten het spel gebeuren. En daardoor ervaren ze -stapje voor stapje- steeds meer vrijheid. Maar die vrijheid is niet iets dat ze zelf produceren, iets dat ze zelf tot stand brengen. Het is een bij-product van het vertrouwen op God. De vrijheid is niet het doel, het enige wat telt is leven in het vertrouwen op God. De vrucht verschijnt vanzelf.
Dit is precies wat Jezus vertelde over het leven in Zijn verhaal, in het Koninkrijk van God. Hij spreekt over vruchtdragen. Het is Gods bedoeling dat we vrucht dragen, en veel ook! Dertig-, zestig- en honderdvoudig. Maar het is niet Gods bedoeling dat we gaan proberen die vrucht zelf te produceren, en dat we gaan tellen bij onszelf of anderen hoe veel we al hebben opgebracht. Nee, zoals met elke plant, is de vrucht van het koninkrijk een ‘bijproduct’ van het leven van de plant, iets dat hij voortbrengt door het sap door zich te laten stromen. “Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen”, stelt Jezus. “Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij blijven. Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen.” (Johannes 15:4,5).
De vrucht in het leven van Jezus’ volgelingen wordt door Jezus zelf voortgebracht - niet door Jezus’ volgelingen. Ze hoeven zich niet bezig te houden met de opbrengst, ze hoeven alleen ‘in Jezus’ te blijven. Dat is een mysterieuze term, maar het wil volgens mij zeggen dat ze zich voor Hem open moesten stellen, dat ze hem de gelegenheid moesten geven in hen zijn werk te doen. Ze moesten het spel van het koninkrijk in hun leven toelaten, door er ‘als een kind’ voor open te staan (Markus 10:15). Dat wil zeggen: ze moesten de eigen controle, de eigen regels, de bezorgdheid over winnen en verliezen achter zich laten en erop vertrouwen dat God in hen zou doen wat bij de mensen onmogelijk was, “want bij God is alles mogelijk” (v27). Dit opgeven van het idee zelf te kunnen presteren, is wat de bijbel beschrijft als sterven aan jezelf, het verliezen van je leven (onder je eigen controle): “Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het een enkele graankorrel, maar wanneer hij sterft, draagt hij veel vrucht” (Johannes 12:24).
Ik heb het vaker gezegd: wie dood is, kan niets meer doen om zichzelf te verbeteren, kan niets meer produceren. Hij kan alleen de opstandingskracht van God toelaten in hem en door hem heen leven voort te brengen uit de dood.

Hierin schuilt echter een listig gevaar. Want we kunnen als christenen van dit ‘sterven aan jezelf’ een regel gaan maken. We kunnen gaan spreken over ‘overgave’ en ‘vertrouwen op God’ als dingen die we zelf kunnen doen, activiteiten die we kunnen verrichten. We kunnen weer gradaties gaan aanbrengen in de mate waarin mensen zich hebben overgegeven, we kunnen weer gaan spreken over ‘winnaars’ en ‘verliezers’. We kunnen van overgave weer een manier maken om te presteren. Maar ook onze overgave aan God is een vrucht, geen prestatie. We moeten van de kansel geen overgave prediken. Het enige dat we hoeven doen, is spreken over het Koninkrijk van God, het Verhaal van God, over Jezus, en die gekruisigd. Want Jezus is zelf het zaad dat de vrucht voortbrengt (ook de vrucht van de overgave). En het zaad heeft alles in zich wat nodig is om die vrucht tot stand te brengen. Elke actieve kracht is er al in aanwezig.
Jezus is degene die alles doet. Het enige dat Hij van ons vraagt is dat we hem niet tegenhouden, dat we hem niet in de weg staan. “Gelukkig [of in andere vertalingen: zalig!] is degene die aan mij geen aanstoot neemt” (Matteus 11:6). Dat is wel heel laagdrempelig. Maar zo is het koninkrijk van God. We dragen er niet aan bij door hard te werken (zelfs niet het werk van de overgave), nee, het enige dat we doen is ons niet tegen de Koning te verzetten. We ontvangen zijn liefde en zijn kracht zoals de aarde het zaad ontvangt. De aarde doet verder niets. Het zaad springt vanzelf op. “Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen. Zij dragen dan ook rijkelijk vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.” (13:23).
Een van mijn favoriete auteurs, Robert Farrar Capon, verwijst in zijn boek Kingdom, Grace Judgement, bij dit gedeelte naar Galaten 5, waar wordt gesproken over de werken van het vlees (‘that result from our trying to achieve the fullness of life in our own way’) en over de vrucht van de Geest: ‘Those results that are not manufactured by our plausible and deliberate efforts but simply allowed to grow unimpeded under the guidance of the Spirit, who takes what is the Word’s and shows it to us. These are, every one of them, truly human traits: love, joy, peace, longsuffering, gentleness, goodness, faith, meekness, temperance. They are not results of, or rewards for, our frantic efforts to make ourselves right; rather, they are the very rightness for which our nature was made, bestowed upon us as a free gift.’ Dit is het leven waarvoor we gemaakt zijn, de vrucht die we bedoeld waren te dragen. En Jezus brengt die in ons tot stand. In dit licht moeten we volgens Capon de gelijkenis lezen. “Our response is to be one that is appropriate not to the accomplishing of a work, but to the bearing of fruit. Not the amassing of deeds, good or bad, but simply the unimpeded experiencing of our own life as the Word abundantly bestows it upon us ... He wills us whole and happy, you see; and the parable of the Sower says he will unfailingly have us so, if only we don’t get in the way.’

Om terug te komen op het voorbeeld van Calvinball. In de laatste Calvin and Hobbes-bundel, vraagt babysitter Rosalyn - de personificatie van regels en prestaties (ze is ook badjuffrouw en laat Calvin steeds zijn huiswerk doen) - welk spel Calvin wil spelen. Zijn antwoord: ‘Calvinball!’ Eerst begrijpt Rosalyn het spel niet - er zijn immers geen regels. Maar ze laat Calvin en zijn tijger wel hun gang gaan. En vervolgens wordt ze in het spel opgenomen, ze gaat eraan meedoen. Ze wordt zelfs enthousiast! Het leidt ertoe dat ze plezier heeft, ze herstelt haar relatie met Calvin, en ze weet zelfs te bereiken dat het jongetje op tijd op bed ligt - niet door te dwingen, maar door te spelen.
Dat is wat Jezus van ons vraagt, dat we ons laten opnemen in zijn spel, dat we met hem gaan meespelen. Daardoor worden we wie we altijd al hadden moeten zijn, en brengen we de vrucht voort waarvoor God ons had geschapen. "There is no outcome other than joy."

maandag 31 oktober 2011

Filmbespreking: The Soloist

Een journalist bij de prestigieuze krant de LA Times (gevestigd in, jawel, Los Angeles) moet elke dag opnieuw zijn column afleveren. Om steeds opnieuw met een nieuw verhaal te komen, dat is niet eenvoudig. Uiteindelijk droogt de inspiratie wat op. Zijn eindredacteur stuurt Steve Lopez dan ook achter onderwerpen aan die op z’n zachtst gezegd minder verheffend aan, zoals bloed geven bij een bloedbank. Steve laat het zich gezeggen. Hij heeft toch weinig energie meer. Hij is gescheiden (zijn eindredacteur is zijn ex), hij belt zijn studerende zoon niet, en hoewel de wasberen zijn tuin kapot graven heeft hij weinig zin er iets aan te doen. Op een dag hoort hij op straat muziek. Bij een standbeeld van de componist Beethoven staat een zwerver, met een volgeladen winkelwagen en een viool met twee snaren. In de woordenstroom van de duidelijk niet honderd procent geestelijk gezonde muzikant vangt hij het woord Juillard op: de naam van een prestigieus conservatorium in New York. Enig navragen leert Steve dat de zwerver inderdaad op deze school les heeft gehad. Voila: een verhaal! De journalist raakt steeds meer betrokken bij Nathaniel Ayers. Hij zorgt dat hij een cello krijgt, regelt voor hem een kamer bij een opvangcentrum, en vraagt iemand om hem les te geven. Steve wil proberen de muzikale carriere van de zwerver weer op poten te krijgen. Maar daarmee zet hij de prille vriendschap op het spel ...

The Soloist is niet een grootse film. Het verhaal is niet groots: een columnist en een zwerver die met elkaar omgaan - gelukkig weten we sinds de Lord of the Rings-films dat zelfs de kleinste persoon (of het kleinste verhaal) een groot verschil kan maken. Maar de manier van filmen is ook niet groots. Geen spectaculaire shots die de aandacht trekken. De kleuren zijn helder - zoals dat past bij het zonsovergoten Los Angeles - de schaduwen hard. De regisseur zet zichzelf niet op de voorgrond. Bij deze film gaat het om de acteurs. Robert Downey Junior zet een cynisch geworden schrijver neer, die moet ontdekken dat hij de wereld niet kan veranderen. En Jamie Foxx speelt Nathaniel Ayers overtuigend. Deze man is verward, is schizofreen, en zal dat ook blijven, maar hij verliest daarmee niet zijn menselijkheid. Zijn liefde voor de muziek is ontroerend en mooi in beeld gebracht (al had de symbolische lichtshow niet gehoeven - ze hadden de camera ook op het gezicht van de acteur gericht hebben kunnen houden).
Wat mij echter tegenstaat aan de film was wat ik na afloop ontdekte toen ik op het internet naar informatie zocht. Het blijkt namelijk dat dit verhaal gebaseerd is op echte gebeurtenissen. Maar er zijn nogal wat dingen in veranderd. Steve Lopez was helemaal niet gescheiden en werkte al helemaal niet samen met zijn ex-vrouw. De cello-instructeur was helemaal geen sentimentele kerkganger. En Nathaniel had op het conservatorium niet de cello bespeeld, maar de bas. Hij is nooit meer bas gaan spelen, maar had zichzelf de viool en de cello leren bespelen toen hij al op straat leefde. Ik snap dat sommige veranderingen een verhaal beter kunnen laten lopen, maar ik geloof dat de werkelijke gebeurtenissen al mooi genoeg waren zonder er kunstmatig drama aan toe te voegen.
Hoe dan ook, de film liet mij met tranen in de ogen achter. Wat mij betreft een aanrader.

Tijdens het kijken van de film moest ik denken aan een jeugdvriend van me, met wie ik tijdens mijn lagere en middelbare school periode veel optrok. We hadden allebei een levendige fantasie en verzonnen talloze avonturen. Ik ben boeken gaan schrijven, omdat hij het idee had een keer samen een verhaal te schrijven. We zouden om de beurt een bladzijde afleveren. Mijn vriend hield er na twee rondes al mee op, maar ik was toen al zo in beslag genomen door het plot, dat ik besloot het in mijn eentje af te maken. Mijn vriend had echter een psychiatrische aandoening, waardoor hij zijn ouders tot wanhoop dreef en uiteindelijk van opvang naar opvang ging. Ik wist niet wat ik ermee aan moest - ik heb hem bijvoorbeeld nooit in een opvangcentrum opgezocht. Ik voelde me namelijk machteloos en ongemakkelijk. Ik wist niet hoe ik hem kon helpen. Daarvoor schaamde ik me. Onlangs kregen we voor het eerst in jaren weer contact en vertelde mijn vriend me dat hij toch met veel plezier aan ons contact terugdacht en me als echte vriend beschouwde. Na het kijken van deze film vermoed ik dat dit is, juist omdat ik hem niet kon of wilde veranderen, juist omdat ik mijn machteloosheid toegaf. Ik kon alleen maar een vriend zijn. Meer niet. Maar dat was genoeg.
Mensen lijken soms geneigd andere mensen niet als gelijken te behandelen. Steve Lopez ziet Nathaniel Ayers in het begin van de film vooral als onderwerp voor zijn verhaal. In plaats van een compleet persoon, een doel in zichzelf, is de muzikant voor hem een middel geworden - een middel om zijn column nieuw leven in te blazen en zijn carrière op te krikken. Hij gebruikt de ander om zichzelf te verhogen, het gaat om wat hij ontvangt. Vervolgens slaat Steve om naar het andere uiterste. Hij wil Nathaniel veranderen. Als hij maar genoeg geeft, genoeg organiseert, genoeg hulp inroept, kan hij de man wel van zijn ziekte genezen, kan hij hem wel maken tot de veelbelovende muzikant die hij ooit was. Hij zal het wel organiseren. Steve wordt god, en Nathaniel zijn onderdaan - die hij ook letterlijk opdrachten geeft. Nog steeds is de ander voor hem een project en geen persoon. Steve staat nog steeds boven hem en niet naast hem. Dat wordt gesymboliseerd in de namen die ze voor elkaar gebruiken. Steve noemt de man, die minstens zo oud is als hij zelf, bij zijn voornaam: Nathaniel. De ander noemt hem beleeft: Mr. Lopez. Hun relatie is niet in evenwicht. Dat kan natuurlijk niet goed aflopen. De begeleider van het opvanghuis waar Nathaniel terechtkomt, voorspelt het al: als de ander je als god ziet, wat als je hem teleurstelt? Wat als de aanbeden ander van zijn voetstuk valt?
We denken allemaal dat we als god kunnen zijn, dat we - als we maar genoeg ons best doen - onszelf en anderen aan ons ideaalbeeld kunnen laten voldoen. Dit is een instelling die overal in onze maatschappij te vinden is, en ook in de (evangelische) kerk. We geloven in de maakbaarheid van de mens. Als we maar meer werken, een opleiding volgen, de juiste kleren dragen, genoeg sporten, dan krijgen we de levenspartner waar we naar verlangen, de baan die bij ons past, en die tweede auto op de oprit. Of als we maar genoeg bidden, bijbel lezen, evangeliseren of ons schuldig voelen, geeft God ons gezondheid en welvaart, en vinden we misschien wel een glansrijke carrière als zendeling of prediker. Wij zijn in staat om daadwerkelijke verandering tot stand te brengen. Dat dit een verwording is van de christelijke boodschap, moge duidelijk zijn. Het was nooit de bedoeling dat we god zouden zijn, niet voor anderen, en niet voor onszelf. Jezus predikte niet dat we succesvol zouden zijn als we hem zouden volgen, of dat anderen naar ons zouden opkijken. Hij voorspelde ook niet dat we een morele natie zouden kunnen opbouwen, of de wereld voor Hem zouden kunnen winnen. Hij riep zijn volgelingen op de minste te willen zijn, zich niet te stellen boven de zwakken, de zieken en de zondaars, maar naast hen te gaan staan, af te dalen op hun eigen niveau. Hij hield zijn toehoorders voor dat ze zouden lijden, dat ze zouden worden vervolgd en veracht, dat ze tot het uitschot van de Aarde gerekend zouden worden. En hij voorspelde dat de wereld niet beter zou worden, maar slechter, dat de kerk niet zou overwinnen, maar dat ze zou lijken te verliezen. Dat het de vraag was of hij het geloof zou vinden als hij terugkwam. Paulus zei dat hij niet trots was op zijn eigen kracht, maar op zijn eigen zwakheid. Want daarin werd op een bijzondere, onvoorspelbare manier de kracht van God zichtbaar.

Ik las op de Internetmonkwebsite het volgende stukje over een karakter uit het boek Brideshead Revisited van Evelyn Waugh: “Lord Sebastian Flyte, the aristocratic, handsome, wealthy, socially prominent and attractive figure the narrator meets at Oxford.In an ordinary novel (or made-for-TV movie), we’d have a happy ending where Sebastian sobers up, meets a lovely girl , settles down to marriage and family life and buckles down to the successful career that his education and status in society deserve. Or if we were still going with the religion angle, he’d become a wildly successful society preacher saving the souls of bright young things like he was, or a cardinal, or end up as a male equivalent of Mother Teresa (or maybe St. Damien of Molokai, only without the leprosy, because leprosy isn’t glamorous when you’re the one suffering from it). Either way, he’d have a glittering, fulfilling career and a visible and measurable by the standards of the world record of achievement, whether in the service of God or Mammon.
What does Evelyn Waugh do with him? He succumbs to his alcoholism, goes abroad to lead a dissolute life with pathetic little attempts to make some kind of a go of things and finally ends up in Morocco trying to join a monastery because he wants to be a missionary to lepers or cannibals or savages of some description. This is impossible, of course, because he’s not fit for it, and eventually he ends up – after bouts of drinking and falling ill – being taken in by the monks and given a pity job as a kind of under-porter, halfway between being a lay man and being a religious, and (through the character of Sebastian’s youngest sister, Cordelia, telling Sebastian’s uncomprehending friend Charles about where he ended up and in what state), Waugh forecasts his life: unexceptional save for his periodic falls off the wagon and shame-faced return to the monastery, years going by like this, getting older, becoming something of a joke to the novices and tolerated affectionately by the older monks, “a familiar figure pottering round with his broom and his bunch of keys” and “He’ll  develop little eccentricities of devotion, intense personal cults of his own; he’ll be found in the chapel at odd times and missed when he’s expected” until his eventual death which will be no more edifying nor uplifting than his life and the best his sister can anticipate for him is that “Then one morning, after one of his drinking bouts, he’ll be picked up at the gate dying, and show by a mere flicker of the eyelid that he is conscious when they give him the last sacraments.  It’s not such a bad way of getting through one’s life.” Waugh also has Cordelia tell Charles “The Superior simply said, ‘I did not think there was anything I could do to help him except pray.’  He was a very holy old man and recognized it in others.” “Holiness?”  “Oh yes, Charles, that’s what you’ve got to understand about Sebastian” and “I’ve  seen others like him, and I believe they are very near and dear to God.
”

Dit is het geheim van de genade: ons succes is geen maatstaf voor de liefde van God voor ons. We kunnen van ons voetstuk afkomen. Wat we ook ontvangen, het blijft altijd een geschenk. In deze film is de muziek een krachtig symbool van genade. Het komt van een onwaarschijnlijke bron: een schizofrene zwerver, wiens viool maar twee snaren heeft. Maar het brengt iets tot stand in de toehoorder. Hij begint met zijn voet te bewegen, zijn lippen krommen zich tot een glimlach. En hij komt in actie. Niet omdat het moet, niet omdat hij verplicht wordt, maar omdat hij het wil. De muziek heeft hem veranderd. Steve Lopez zorgt dat Nathaniel Ayers een optreden in een concerthal kan bijwonen. Tijdens dat optreden kijkt hij niet naar de muzikanten, maar naar zijn metgezel, en hij verwondert zich over de overgave waarmee hij van de muziek geniet
"It was such an unbelievable experience," zegt Steve later tegen zijn ex-vrouw. "We're listening to the same music, but ... But no. You see him, it's one thing, but you feel him ... I'm watching him. He's watching the music. And while they're playing I say: 'My God, there is something higher out there and he lives in it, and he's with it.' I've never even experienced it, but I can tell ... I don't even know what you call it ..."
Het antwoord van zijn vrouw? "Grace."
De genade leidt er uiteindelijk toe dat Steve van zijn voetstuk afkomt, en het opgeeft Nathaniel te moeten veranderen. Hij accepteert de situatie en wordt wat de andere op dat moment nodig heeft: een vriend. Hij behandelt hem voortaan met het respect waarmee Nathaniel hem behandelt.
Genade verandert mensen. Vergeving verandert mensen. De liefde van mensen die degenen die hen pijn deden of teleurstelden een tweede kans geven, brengt daadwerkelijke verandering tot stand. Acteur Robert Downey Jr. weet dat als geen ander. Hij was verslaafd aan drank en drugs en zijn carrière zat in het slop. Hij was op weg naar de afgrond. Maar een andere acteur en regisseur, Mel Gibson, was bereid een risico te nemen. “When I couldn’t get sober, he told me not to give up hope and encouraged me to find my faith. It didn’t have to be his or anyone else’s as long as it was rooted in forgiveness. And I couldn’t get hired, so he cast me in the lead of a movie that was actually developed for him. He kept a roof over my head and food on the table and most importantly he said if I accepted responsibility for my wrongdoing and embraced that part of my soul that was ugly – hugging the cactus he calls it — he said that if I hugged the cactus long enough, I’d become a man.”I did and it worked.” Gibson ging naast hem staan, respecteerde hem als mens, niet als project, en toonde opofferende liefde. Het was genade. En daardoor veranderde het hart van Downey Jr. Nu kon hij zelf genade doorgeven, en wel aan degene die hem genade had bewezen. Dit is wat de acteur zei over Mel Gibson bij een uitreiking eerder dit jaar: “All he asked in return was that someday I help the next guy in some small way. It’s reasonable to assume at the time he didn’t imagine the next guy would be him or that someday was tonight. So anyway on this special occasion and in light of the recent holidays including Columbus Day, I would ask that you join me, unless you are completely without sin in which case you picked the wrong f—ing industry, in forgiving my friend his trespasses and offering him the same clean slate you have me, allowing him to continue his great and ongoing contribution to our collective art without shame. He’s hugged the cactus long enough.” Genade brengt genade voort.
Zo wordt genade - die geen verandering eist, maar aan mensen liefde geeft zonder iets terug te verwachten - als een olievlek die zich uitbreidt - tot het koninkrijk van God ‘als uit zichzelf’ is verschenen. Ook dit wordt symbolisch in beeld gebracht in de film, in een scene tijdens de aftiteling. De scene is opgenomen in het opvangcentrum. Maar zijn bewoners, die eerst in beeld waren als geestezieke daklozen, als slachtoffers, als patienten, zijn nu alleen te zien als mensen, als gelijken. Steve Lopez en zijn (niet langer ex)-vrouw bevinden zich onder hen, niet boven hen. Er klinkt namelijk muziek, en iedereen danst. Ook wij zullen ooit dansen op het ongedwongen ritme van de genade. Ik kijk er naar uit.