Posts tonen met het label bijbel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bijbel. Alle posts tonen

dinsdag 12 januari 2016

Filmbespreking: The Apostle

Genade. Het blijft moeilijk het te begrijpen. Zelfs als je regelmatig over Gods onvoorwaardelijke liefde schrijft, hele boeken vol zelfs, verlies je soms uit het oog hoe aanstootgevend genade kan zijn.
Want als God echt in Christus de hele wereld met zichzelf verzoend heeft, als Jezus werkelijk de zonden van de hele wereld op zich heeft genomen, als er werkelijk niets meer is dat ons kan scheiden van de liefde van Christus … dan geldt dat voor iedereen. Ook voor mensen die het in mijn ogen niet verdiend hebben, die er niet hun best voor hebben gedaan, die andere dingen geloven dan ik, die hun impulsen niet onder controle hebben. Voor charlatans en kwakzalvers, voor kindermoordenaars en genocideplegers, voor religieuzen en heidenen. Voor Hitler en voor moeder Teresa. Voor iedereen.
Dat is ‘heady stuff’, dat komt hard binnen. Daar moet je even van gaan zitten. Want het lijkt alsof God zich niet aan de regels houdt, alsof hij niet eerlijk is, alsof hij vals speelt. Alsof hij een loopje met zichzelf laat nemen, en dingen door de vingers ziet. En dat kan toch niet? Als dat zo is, hoe kan ik dan ooit beoordelen of ik een goed mens ben, of ik deug, of ik erbij hoor? Als dat zo is, hoe kan ik er ooit voor zorgen dan anderen zich naar mijn maatstaven gedragen? Als dat zo is, hoe krijg ik dan ooit garanties? Die zijn er niet. Ik ben helemaal vrij. En dat is eng. En andere mensen zijn ook helemaal vrij. Dat is nog veel enger! Daar heb ik niet om gevraagd!
Het is veel gemakkelijker mijn gedrag in regels vastgelegd te hebben, met straffen en beloningen erbij, dan vrij te zijn om te kiezen: heb ik anderen lief of niet, creëer ik schoonheid of niet, streef ik rechtvaardigheid na of niet? Als dat alleen van mijn eigen keuze afhangt, zonder een wortel of een zweep … En dan weet ik ook niet of anderen mij wel gaan liefhebben, voor mij schoonheid maken, me rechtvaardig behandelen. Laten we de hekken dus maar snel weer oprichten. Ja, we zijn behouden op grond van genade, door het geloof, maar … nu moeten we wel leven als goede christenen … Ja, God houdt van ons zoals we zijn, maar … Hij houdt te veel van ons om ons zo te laten. Ja, Jezus' werk aan het kruis geldt voor iedereen, maar … ze moeten wel de juiste dingen geloven of doen om in de hemel te komen. Ja … maar …

Het moge duidelijk zijn, we voegen graag ‘maren’ toe aan een boodschap waar ze oorspronkelijk niet bij hoorden. Hoe moeilijk het ook is voor ons te accepteren: het evangelie is niets anders dan een boodschap. Een aankondiging van iets dat realiteit is. Niet iets waar wij iets voor hoeven doen. Het is geen onderhandeling, geen verbond met twee partijen (de bijbel suggereert dat het een verbond is waarbij maar een enkele partner aan voorwaarden hoeft te voldoen, namelijk God), geen polderstructuur of overlegsessie. Er worden geen voorwaarden gesteld of belastingen geheven.
Het is simpelweg een nieuwsbericht dat aan ons wordt verkondigd: het koninkrijk van God is gearriveerd. Het is al in ons en onder ons. Het enige dat voor ons overblijft, is die boodschap te horen. Onze vingers niet in de oren te steken, maar de boodschap ontvangen. Ervoor open staan als een kind. Dit is al realiteit, of wij het nu willen of niet. We kunnen ons er slechts naar schikken. God heeft ons in Christus met zichzelf verzoend. Nu wij weer … de vraag bereikt ons opnieuw: ‘wat wil je?’
Zo radicaal is het. We hoeven niet eens in het goede nieuws te geloven. Het is realiteit of we erin geloven of niet (erin geloven is wel mooi omdat het je ontspanning kan geven en de energie om lief te hebben en schoonheid te creëren). Of dat we nu net het verkeerde dogma geloven. Onze intellectuele overtuigingen kunnen niets doen om het koninkrijk te doen komen of het tegen te houden. Onze emotionele ervaringen ook niet. God bouwt zijn koninkrijk - het is een belofte en hij gaat die gestand doen. Zelfs ons morele of amorele gedrag heeft erop geen invloed. Het is er en als wij het willen, horen we erbij.

Maar goed, dan moeten we ons associëren met degenen die volgens Jezus in dat koninkrijk thuishoren. De melaatsen, de hoeren, de tollenaars. De laatsten, die de eersten zullen zijn. De Farizeeën wilden er daarom niet bij horen. Als dat gespuis zomaar wordt toegelaten … is dat dan waarom wij ons altijd zo hebben uitgesloofd? Dus wilden ze zelf het koninkrijk niet binnengaan, niet leven alsof het al realiteit was (wat het was), en hielden ze anderen tegen te leven alsof het koninkrijk gekomen was. En op die manier sloten ze zichzelf erbuiten.
Die Farizeïsche neigingen herken ik (helaas) nog steeds bij mezelf. Anders dan toen ik in een wat extreme, strenge kerk opgroeide, en mezelf onder andere liet voorstaan op mijn kennis van de bijbel (alsof het voor God wat uitmaakt hoeveel Bijbelteksten je uit je hoofd kent). De kerk waar ik in opgroeide, had het verzamelen van kennis op een voetstuk staan, en gaf mij dus een excuus om goed over mezelf te denken (ik ben intellectueel namelijk vrij sterk). De kerk bevestigde datgene waar ik toch al sterk in was, waar ik mijn leven op baseerde. Tegelijk zag ik in mezelf ook tekortkomingen (de reden dat ik stopte met het lezen van spannende verhalen en het kijken van films - ik vond mijn fantasie verdacht). Om mezelf te rechtvaardigen in het zo hard onderdrukken van mijn eigen verlangens, werd ik nog trotser op wat ik kon presteren op intellectueel gebied. En vond ik minder verlichte gelovigen, mensen die er met de pet naar gooiden, of die naar metalmuziek luisterden, het eigenlijk niet zo goed doen.
Nu ga ik niet meer naar die kerk, ben ik van intellectuele leerstellingen niet meer zo zeker en leg ik mezelf niet zulke zware regels meer op. Maar ten eerste ben ik als ik naar mezelf kijk nog steeds niet echt overtuigd dat ik waardevol ben en dat God van mij kan houden. Ik zie grove fouten en tekortkomingen - ook als anderen die niet zien. En ten tweede heb nog steeds dingen waar ik me op kan laten voorstaan. “Ik dank u, Heer, dat ik niet ben zoals die dakloze, die verslaafde (of: die religieuze, nog steeds wettische, nog steeds in het creationisme gelovende christen).” Zelfs twijfel en onzekerheid kunnen zaken worden waar ik me op kan laten voorstaan. En deze neigingen kunnen elkaar gaan versterken (gelukkig zit ik niet in een kerk die me verleidt om van dingen zeker te zijn en intellectueel te geloven).
Daarom heb ik het nodig om steeds opnieuw van mijn stuk te worden gebracht door de realiteit van Gods liefde, de boodschap van genade. Dat ik geaccepteerd ben. Punt. Alleen dat zorgt ervoor dat ik het oordeel los kan laten. Het oordeel over mezelf. En dat over de ander.

En op die manier van mijn stuk gebracht worden, dat kan alleen door schokkende verhalen. Voor mensen die, zoals ik, zijn opgegroeid met de kinderbijbel en zondagsschoolverhalen, lijken de gelijkenissen die Jezus vertelde, vertrouwde kost. Ze komen niet echt heel confronterend over: lieve schaapjes, verloren penningen. We hebben de gelijkenissen platgegooid met uitleggingen en verklaringen. Maar ze zijn echt niet zo eenvoudig, burgerlijk of kinderlijk. Voor Jezus’ tijdgenoten waren ze ronduit aanstootgevend. Allemaal!
Werkers die allemaal het zelfde betaald krijgen ook als de een een uur heeft gewerkt en de ander de hele dag? Zonen die hun vader dood verklaren en dan toch weer zomaar terug worden ontvangen? Werkgevers die er niet om geven rechtvaardig gevonden te worden. God die zichzelf vergelijkt met boze koningen en onrechtvaardige rechters, gelovigen die zich moeten gedragen als corrupte rentmeesters? Dat is toch geen moreel hoogstaande literatuur? Dat is toch niet opbouwend? Waarom zet God zichzelf neer als een gladjakker (of als iemand die zich door gladjakkers beet laat nemen)?
Het antwoord is simpel: omdat God zich naar ons toe nu eenmaal niet rechtvaardig gedraagt. Niet volgens onze normen. Hij doet ons niet naar onze zonden, hij vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. De schuldbrief die tegen ons getuigde door zijn inzettingen en die onze tegenstander was, heeft hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen. De religiewinkel is gesloten en er zijn planken tegen het raam getimmerd. Is dat eerlijk? Nee. Maar laten we eerlijk zijn: als God eerlijk was, waar zouden wij dan nog recht op hebben? Ik weet dat mijn geweten mij vertelt dat ik niet volmaakt ben. En dus kan ik maar beter niet al te hoog van de toren blazen. Als Gods liefde niet echt, radicaal onvoorwaardelijk is …

Een verhaal, een gelijkenis, dat de radicaliteit van Gods genade duidelijk maakt in een moderne setting is de film ‘The Apostle’, van Robert Duvall. In deze fascinerende film speelt Robert Duvall Sonny, een predikant uit een pinkstergemeente, die niet over straat kan lopen zonder ‘Jezus’ te prevelen, en niet voorbij een ongeluk kan rijden zonder stil te staan en de verongelukte tot de Heer te leiden. En de kerk die hij leidt, samen met zijn vrouw, is een groot succes. Hij is geliefd, omdat hij met zoveel passie kan preken. Het is duidelijk dat de Heilige Geest door hem heen werkt. Ja, hij is een rokkenjager. Hij is eigenlijk heel impulsief, en kan agressief en dominerend uit de hoek komen. Maar vooral is hij predikant.
Even terzijde, hoewel dit een hele nieuwe bespreking waard kan zijn: het is interessant hoe deze film laat zien dat de pinksterkerk de impulsiviteit en controleproblemen van mensen bevestigt en versterkt. Zoals de kerk waar ik in opgroeide intellectualisme en kennis bevestigde en versterkte, en maakte dat mensen met veel kennis en intellect op een voetstuk kwamen te staan, gebeurt dat in de pinksterkerk in deze film met mensen die zichzelf moeilijk kunnen bedwingen. Want je moet je juist open stellen voor de geest, je wordt geacht je remmingen los te laten, en God door je heen te laten werken. Mensen die dat uit zichzelf goed kunnen, bijvoorbeeld vanwege een geringe impulscontrole, stijgen dus snel op de ladder van ‘geestelijkheid’. Zij kunnen namelijk spontaan zijn, opeens in rare woorden gaan spreken, en durven zich zomaar met een woord of profetie in het leven van anderen te mengen. Dit betekent echter ook dat het de ongezonde kanten van zichzelf niet kunnen beheersen of impulsen niet kunnen bedwingen in deze kringen makkelijker tot uiting kunnen komen. Dit zie je in pinksterleiders die privejets willen hebben en andere extremiteiten. En in deze film in het feit dat Sonny in een vlaag van woede iemand neer mept met een honkbalknuppel en er dan vandoor gaat. En zichzelf zo blijft opjagen dat hij niet stilstaat bij wat hij gedaan heeft. Hij heeft in de kerk niet geleerd deze ongezonde karaktereigenschappen onder controle te brengen, en dat breekt hem nu op.
Tegelijk: het verhaal van gevierd kerkleider zijn, mensen opzwepen in religieuze extase, voor de groep staan en de sfeer bepalen, dat is het enige verhaal dat Sonny kent. Het is zijn heldenverhaal, dus dat is wat hij gaat doen als alles hem is afgenomen. Hij noemt zich de ‘Apostel E.F.’ en reist naar een afgelegen plek waar hij een ingedut kerkje nieuw leven in gaat blazen. Is dit wat de Heer hem ingeeft, of is het zijn ‘heldenverhaal’? Het feit is: hij weet niet anders. De film toont Sonny echter niet als charlatan of onoprecht. Hij is wel degelijk voortdurend in dialoog met God. Hij schreeuwt zelfs tegen hem, fluistert naar hem, tiert tegen God, als een David - die ook een vriend van God was. Hij is echt overtuigt dat God er is, en werkt in mensen. Maar tegelijk leeft hij het verhaal uit dat zijn heldenverhaal is, en waarvan hij overtuigt is dat het de enige manier is waarop hij zijn leven betekenis kan geven. Onze motieven zijn nooit helemaal zuiver. De mijne ook niet. Schrijf ik mijn boek of mijn blog omdat ik echt iets wil overdragen, of omdat ik mijn zelfbeeld laat afhangen van het aantal mensen dat op de link klikt? Het laatste is namelijk ook waar, ik ga dadelijk ook weer controleren hoeveel mensen dit stuk hebben gelezen.
Wij als kijkers weten dat Sonny iemand is met impulscontroleproblemen, een rokkenjager en een moordenaar, bovendien iemand die zichzelf niet bij de politie heeft aangegeven. En toch: God werkt door hem heen. Als een racistische ‘redneck’ problemen zoekt, ziet Sonny de nood achter de ogen van de man en bidt met hem. De man laat zijn plan varen en zoekt verzoening. Een jonge man die in zijn eentje leefde, vindt gemeenschap en komt uiteindelijk tot bekering. Een noodlijdende gemeente wordt een levend geheel, waar mensen die elkaar eerst niet mochten, elkaar in de armen vallen. En dat is blijvend! Het werk dat God door Sonny heen heeft gedaan, stort niet opeens ineen. Hij heeft zelfs mensen achtergelaten die het zullen gaan oppakken.
En als Sonny dan door de politie is ingerekend, en te werk is als gevangene, dan nog werkt God door hem heen. Dan nog verkondigt hij het goede nieuws, het evangelie, de aankondiging dat God in Jezus de wereld al, voor eens en altijd met zichzelf verzoend heeft.

Werd ik erdoor geschokt? Ja. Laat het bij het kijken van de film tot je doordringen. God heeft Sonny lief -onvoorwaardelijk— zoals Sonny is en wat hij ook gedaan heeft, precies zoals hij jou en mij liefheeft, en niet anders. Het is zoals Sonny zelf steeds zegt: ‘Jesus loves you in this moment, and so do I.’ En God houdt niet meer van mij of van moeder Theresa dan van Sonny. En God werkt niet meer door mij of moeder Theresa, dan door Sonny. In de bijbel staat dat God de heidense koning Xerxes gebruikte. Hij sprak zelfs door een ezel. Waarom zouden wij ‘maren’ toevoegen aan zijn beslissing, het willen kwalificeren, iets toevoegen dat wij eraan kunnen bijdragen (al was het alleen dat wij ‘geloven dat het waar is’)? God is het die handelt, en hij handelt alleen. Zo mooi is het goede nieuws. En ondertussen moeten we niet neerkijken op mensen die anders zijn dan wij, net zulke zondaars als wij (hooguit misschien wat zichtbaarder), met wie wij Gods koninkrijk delen. Zij zullen ons daarin voorgaan, met de tollenaars en hoeren en al dat soort types waarmee de Farizeeën zich niet wilden associëren. Trouwens, zelfs als wij op hen zouden neerkijken, zou dat Gods liefde voor ons niet minder maken. God houdt zelfs van huichelaars. De vader zocht de oudste zoon op, toen die het feest niet wilde binnengaan. Zo radicaal is nou het evangelie.
Oh, en geniet bij het kijken van de film van de ‘Southern gospel’-muziek. Fantastisch!

zaterdag 21 november 2015

Filmbespreking: The Hunger Games - Mockingjay part 2

Als er recent een avond was waarop het onmogelijk had moeten zijn voor mij om in slaap te vallen, was dat vorige week vrijdag. Nu kan ik erom lachen, maar toen was het wel anders. Ik had namelijk eerst een behoorlijk pittig gesprek gevoerd met mijn vrouw, over de verschillende manieren waarop we omgaan met boosheid, en met grenzen, en dat soort dingen. Goed, maar wat ik zei: pittig. En onze ervaring is eigenlijk dat we dat soort gesprekken niet laat op de avond moeten hebben, want allebei nemen we dat dan mee de nacht in en kunnen we lang wakker liggen. Nu was het kwart voor twaalf. Ik had mijn telefoon voelen afgaan eerder op de avond, maar dat genegeerd. Nu zag ik een mailtje van mijn ouders. Ze waren op een kettingbotsing ingereden met 80 km per uur, en de auto was kapot. Gelukkig waren ze niet gewond, maar ze wisten niet of er misschien later nog klachten zouden volgen. Een behoorlijke schok! En tot overmaat van ramp opende ik ook nog eens Twitter. En mijn hele tijdlijn van de uren daarvoor stond vol met tweets over Parijs! Niet een paar meldingen, maar keer op keer hetzelfde bericht geretweet, en wanhopige of boze commentaren, of commentaren die al opriepen niet te gaan haten. Ik ben uiteindelijk toch maar naar bed gegaan. Ik denk dat er een wonder plaatsvond, want ik sliep ondanks alles behoorlijk goed.

Hier moest ik aan terugdenken toen ik in de bioscoop de film The Hunger Games Mockingjay part 2  zag, want ik realiseerde me dat dit een film is die voor het huidige tijdsgewricht gemaakt lijkt te zijn. De filmmakers zullen het niet geweten hebben toen ze de film draaiden, maar hij sluit wel heel naadloos aan op de gebeurtenissen van nu. Ik geloof dat de Hunger Games-boeken en films een mythe zijn voor onze tijd. En daarom verdienen ze een bespreking op mijn blog! De laatste tijd heb ik weinig filmbesprekingen geschreven. Voor een deel omdat ik er weinig tijd voor had, want mijn verhalen vragen nu veel aandacht, en voor een deel omdat er voor mijn gevoel weinig in de bioscoop voorbijkwam dat er ‘diep’ genoeg voor was. Inside Out was trouwens wel erg goed! Maar over de eerdere drie delen in deze serie heb ik ook essays geschreven (hier, hier en hier), dus kon ik dit jaar niet achterblijven. The Hunger Games Mockingjay part 2 is trouwens ook gewoon een heel goede film! Net als de voorgaande delen is hij weer visueel heel sterk, maar dit keer worden de ondergrondse gangen van District 13 verruild voor de decadente wolkenkrabbers van de hoofdstad, wat krachtige effecten oplevert. Artikelen vooraf beloofden dat deze film een en al actie zou zijn, maar dat is niet het geval. De ontwikkeling en de emoties van de hoofdpersonen staat opnieuw centraal, en eigenlijk blijven zij (zoals dat natuurlijk hoort voor tieners!) achter de frontlinies. En als ze die linies dan eindelijk bereiken, lopen de gebeurtenissen anders dan ze gehoopt hadden. De actie die er is, is spectaculair. Vooral een ondergrondse scene, die me op het puntje van mijn stoel deed zitten. En wat is Jennifer Lawrence een geweldig actrice. De camera zoomt regelmatig in op haar gezicht, waar ze haar stoïcijns ogende karakter door een kleine oogbeweging een enorme diepte van gevoel laat communiceren. Ze zou voor haar rol een Oscar moeten krijgen! De andere acteurs hebben dit keer minder te doen, maar ik vond Josh Hutcherson als Peeta ook prima. Het is wel raar dat Gwendoline Christie in maar een scene voorkwam!
Door de dood van acteur Philip Seymour Hoffmann vorig jaar vallen er een paar gaten in het verhaal, die provisorisch zijn opgevuld, en een belangrijke scene in het boek die heel bepalend is voor de hoofdpersoon, lijkt in deze film iets minder impact te hebben. Maar dat kan mijn ervaring zijn. Ook had de allerlaatste scene wat mij betreft weg mogen blijven, aangezien alles daarvoor ook al was gezegd. Maar vooral ben ik er eigenlijk droevig over dat er geen nieuwe vervolgen meer zullen zijn - de laatste jaren waren de Hunger Games-films, de films waar ik dat jaar het meest naar uitkeek.

De nieuwste film bestrijkt ongeveer de tweede helft van het boek (vandaar het ‘part 2’ natuurlijk). De verschillende provincies van Panem zijn eindelijk in opstand gekomen en het verzet is al helemaal opgetrokken tot District 2. Als ook dat gevallen is, is de weg vrij om op te trekken naar de hoofdstad. President Snow heeft dat door, en besluit de torens en lanen van de stad zelf te veranderen in een spelarena, vol dodelijke vallen. Katniss Everdeen, onze hoofdpersoon, biedt bij de leidster van district 13, Alma Coin, aan haar rol als de ‘spotgaai’ weer op te pakken en de strijders aan te moedigen, op voorwaarde dat ze ook zelf naar het front mag gaan. Ze wil namelijk weg bij Peeta, de andere overwinnaar van de hongerspelen, die echter is gehersenspoeld en haar probeerde te wurgen. Zo makkelijk komt ze echter niet van hem af. President Coin voegt hem namelijk toe aan haar team, om in de propaganda te laten zien dat ook Peeta aan de kant van de rebellen staat. Of heeft ze ook een ander doel? Dat wordt op een grimmige wijze duidelijk als Katniss en haar gezellen zich wagen in de dodelijke doolhof van het Kapitool, op weg naar het paleis van President Snow en een definitieve confrontatie.

Om nog even terug te komen op de gebeurtenissen in Parijs: ik merk dat het voor mijn gemoedsrust goed is er niet te veel over te lezen. Vooral niet omdat veel commentaar op social media wel heel erg emotioneel gekleurd is, niet makkelijk te checken is of de commentatoren gelijk hebben, en bovendien blijken er veel gefotoshopte of anderszins gemanipuleerde plaatsjes de ronde te doen. Net als met de verdronken vluchtelingen van laatst. Dit heeft allemaal een polariserende uitwerking, net als de retoriek van mensen als Wilders. In mijn bespreking van Mockingjay part 1 heb ik overigens geschreven hoe propaganda onze wereld wil veranderen in ‘goeden’ (tot wie wij natuurlijk behoren) en ‘slechten’ (de ander, vanzelfsprekend), maar dat we als christenen in navolging van Jezus een de-escalerende boodschap zouden moeten brengen. Ook nu richten mensen namelijk hun pijlen op moslims, en worden de grenzen weer gesloten voor vluchtelingen, terwijl geloof er niks mee te maken had (althans niet veel, niet meer dan het christelijk geloof verantwoordelijk gehouden kan worden voor de Westboro Baptist Church en hun demonstraties).
De reden dat deze mannen aanslagen pleegden heeft te maken met hun uitzichtloze situatie, bijvoorbeeld in de Parijse buitenwijken, de banlieu’s, waarbij ze het idee hebben (voor een behoorlijk deel terecht), dat de beschaving hen buitensluit en onrechtvaardig behandelt, dat de weg uit het dal voor hen steiler is dan voor geprivilegieerde blanke Europeanen. Als er dan fundamentalisten (dat hadden geen moslims hoeven zijn, want bijvoorbeeld de verhalen over de kruistochten laten zien dat het ook prima christenen hadden kunnen wezen) langskomen met de belofte van een betekenisvol bestaan, een heldhaftige dood en 72 maagden in het paradijs, dan vinden ze daarin een weg uit hun lege leven. Zoals het heldhaftige beeld van gangsters, rapper en ‘bling bling' dat biedt voor jongeren in de Amerikaanse ghetto’s. Het is door meerdere mensen ondertussen wel gezegd (maar in genuanceerde artikelen en die doen het nooit zo goed op Twitter), dat het ‘Westen’ nu niet moslims als vijanden moet gaan zien, vluchtelingen gaan buitensluiten of discrimineren of moskeeën gaan verbranden. Want dat speelt precies in de kaarten van de fundamentalisten die deze jongeren opzwepen. Het legitimeert namelijk hun betoog dat het ‘Westen’ de grote Satan is, de onderdrukker van ware gelovigen, en bestreden moet worden. De fundamentalisten waren, zo las ik, juist boos dat Europa vluchtelingen had binnengelaten en warm had ontvangen (nou ja, lauw in elk geval), omdat dit het vijandsbeeld zou ondergraven! En dat konden ze niet in hun retoriek gebruiken. Waar deze fundamentalisten (en fundamentalisten in het algemeen, ook de atheïstische of christelijke) zich echter niet bewust van lijken, is dat ze in hun strijd tegen een door hun aangewezen ‘onderdrukker’, zelf ook ‘onderdrukkers’ zijn geworden. Als ze ‘de grote Satan’ willen bestrijden, gebruiken ze daarvoor Satanische methodes.
Om even weg te gaan van het voorbeeld van Parijs, of de kruistochten of Westboro Baptist Church: ik lees tegenwoordig steeds meer kritiek op de ‘nieuwe atheïsten’ in de lijn van Richard Dawkins. Hij is namelijk ook fundamentalistisch, gebruikt drogredenen om gelovigen aan te vallen, maakt misogynistische of racistische opmerkingen, luistert niet naar andersdenkenden en zet zichzelf op een voetstuk. Alles waarvan hij eerder zelf christenen en moslims beschuldigde! Hij is zelf het spiegelbeeld van zijn vijand geworden. En daarmee roept hij weer weerstand op tegen zichzelf. In deze film is dat bijvoorbeeld in beeld gebracht in de persoon van Gale, een van de overlevenden uit het eerder verwoeste district 12. Hij komt met oplossingen waarbij ook burgers het leven zullen laten. Als Katniss hem vraagt waarom, antwoordt hij dat het oorlog is. En dan mag alles, als de overwinning maar wordt behaald. Het kapitool had burgers toch ook niet gespaard? Hij is zelfs bereid kinderen te doden om zijn doel te bereiken: de val van Snow. Maar wat hij zich niet realiseert, en Katniss wel, is dat de bewoners van het kapitool -zelfs degenen met sympathie voor de vrijheidsstrijders- hen zouden gaan haten, dat ze hen zouden gaan zien als bullies, als onderdrukkers, en dat ze uiteindelijk zelf ook weer in opstand zouden komen.
Het is een bekend fenomeen dat absolutistische bewegingen, hun eigen tegenstanders creëren: het kapitalisme bijvoorbeeld, door arbeiders te onderdrukken, creëerde het communisme. De katholieke kerk, door gewone gelovigen onder controle te willen houden, creëerde het protestantisme. En dat creëerde weer eigen tegenbewegingen toen ze hun eigen ideologie met vuur en zwaard gingen verspreiden. Een ideologie creëert automatisch een anti-ideologie en zo verder, ad infinitum. Uiteindelijk is er geen onderscheid meer. Dit gevaar kan iedereen treffen. Ook goed bedoelende activistische christenen, die zich zo druk maken om onrecht in de wereld, dat ze anderen (bijvoorbeeld mensen die zich daar niet druk om lijken te maken, die zich niet net als zij inzetten of die niet hetzelfde voelen) als minderwaardig gaan wegzetten, of ze een schuldgevoel aanpraten. Een voorbeeld in de film van dit principe is het karakter van president Alma Coin. Al eerder was duidelijk dat mensen in district 13 niet veel vrijer waren dan in de districten onderdrukt door president Snow. Ja, mensen waren gelijk, maar ze moesten zich aan heel strakke regels houden (in het boek is dat nog sterker). President Coin kleedde zich echter aanvankelijk gewoon als zij. In de vorige film ging ze de adviezen opvolgen van een communicatieadviseur uit de hoofdstad, en nu gaat ze zich langzaam onderscheidend kleden. Eerst subtiel, maar later zijn haar gewaden bijna net zo luxe als die van Snow. Ze blijkt net zo’n dictator te zijn geworden, en hanteert dezelfde methoden als hij. Maar president Snow was er in elk geval eerlijk over dat hij die methoden gebruikte. Zij verschuilt zich achter propaganda.
Zoals deze illustratie ons toont, is het soms moeilijk te zien dat je zelf een ideologie aanhangt, als het voor jou normaal is geworden (zoals geldt voor district 13 in de strijd tegen Snow), of omdat je erin bent opgegroeid (zoals de bewoners van Panem, die zich er niet van bewust zijn dat ze bevoordeeld zijn). Vandaar de vanuit de onderbuik komende reacties op aanslagen in Parijs. Want wij zijn ‘normaal’, en zij zijn ‘abnormaal’. Maar voor een groot deel van de wereld zijn wij de ‘abnormalen’. Niet alleen hebben de westerse landen de rijkdommen van de rest van de wereld uitgebuit en hele volken tot slaven gemaakt, ook nu nog stellen we onze welvaart ten toon, laten we mensen voor ons zwoegen in ‘lage lonen landen’, en dringen we hen ook nog eens onze idealen op van welvaart, uiterlijk en denken. Wij voelen ons vanwege ons economisch succes en militaire macht (want ethisch en religieus is ons succes maar matig) gerechtvaardigd om politie-agent te spelen in de wereld alsof wij van buitenaf elke situatie kunnen begrijpen. In het kort gezegd: voor een groot deel van de wereld zijn wij Panem, wij zijn de bewoners van het Kapitool, degenen die een extravagant leven leiden, terwijl de andere 98 procent moet meespelen in de ‘hunger games’. En dat is de briljante twist in de Hunger Games-serie, die de bioscopen vol doet stromen en tieners ertoe brengt zich te verplaatsen in een meisje uit de provincie, iemand uit de ‘derde wereld’, iemand die wordt onderdrukt en uitgebuit. Ze krijgen een spiegel voorgehouden, een die hen doet verlangen naar een weg uit de hardnekkige patstelling.

Wat die weg is? Hoofdpersoon Katniss Everdeen creëert aan het eind van de film een uitweg, waarvoor ze bereid is de schuld op zich te nemen en te sterven, maar het krachtigst is mijns inziens een scene in het begin van de film. Ze heeft er namelijk voor gezorgd dat de in een bunker opgesloten burgerbevolking veilig kan ontsnappen. Deze mensen vertrouwen echter niet werkelijk in de rebellen die hen de afgelopen tijd zo fel bestreden hebben. Als ze hun kans schoon zien, willen ze liever zekerheid dan in de val te lopen, dus trekt er een zijn pistool en gijzelt Katniss. En zij laat het gebeuren. Ze verzet zich niet. Ze wil niet tegen hem vechten, maar accepteert dat hij haar kan doden. Want, zegt ze: we horen niet tegenover elkaar te staan. We zijn allebei mensen. Ik ben niet meer waard dan jij. En ik wil daarom ook niet dat er voor mij gedood zou worden, zelfs niet als jij mij neer zou schieten. Ik sta namelijk niet boven jou. En daarmee wint ze hem. Ze is ‘als een lam dat ter slachting geleid wordt, als een schaap dat stom is voor zijn scheerders’ (Jesaja 53), ze vergeeft haar vijanden omdat ze niet weten wat ze doen, ze roept geen engelen ter hulp. Ze weigert op dat moment te leven volgens het verhaal van het conflict, en brengt de situatie terug tot een menselijk niveau, tot een individueel niveau. Niet twee ideologieën die tegenover elkaar staan, maar twee mensen. En die hebben altijd meer gemeen dan ze van elkaar verschillen. De geprivilegieerde, rijke, welvarende bewoner van het kapitool, is net zo goed mens als de onderdrukte. Ze accepteert dat de ander misschien niet zo ver is, of nog in de greep is van een ideologie, maar ze wil dat tegen geen enkele prijs versterken. Als haar afleggen van ideologie, opgeven van een ‘heldenverhaal’, haar weggeven van haar ego, ertoe leidt dat zij wordt benadeeld, of sterft, dan is ze bereid die prijs te betalen. Ze is bereid zich te laten kruisigen, als dat is wat de ideologieën willen, om zo te laten zien hoe onmenselijk de ideologieën zijn. Op die manier heeft ze de overheden en machten (de overheersende ‘heldenverhalen’ van district 13 en het kapitool) ontwapend. Ze ‘heeft hen openlijk te schande gemaakt en … over hen getriomfeerd’ (Kolossenzen 2:15). Vergezocht om dit met Christus te verbinden? Nee, want ik geloof dat dit is wat Hij heeft gedaan aan het kruis. Hij was bereid te sterven, als dat het gevolg was van zich niet met geweld te willen verzetten. Nee, Katniss is Jezus niet, en ze gebruikt meer geweld dan Jezus gedaan zou hebben, maar haar offerbereidheid toont wel een uitweg. Namelijk: laten we elkaar als mensen behandelen, ongeacht onze ideologie, ongeacht onze afkomst, geaardheid, geslacht of geloof. Moslims en christenen, atheïsten en rijke westerlingen (want wij zijn net zo goed mensen!), en Afrikanen en Indiers. Laten we een bewuste keuze maken onszelf en de ander niet te zien in termen van ideologie of religie, maar onszelf en de ander in de eerste plaats te zien als mens. En daarom waardevol. Punt uit.

zaterdag 22 augustus 2015

Avonturen van een schrijver

Ik heb hierboven staan dat ik mijn blog ook zou gebruiken voor nieuws over mijn schrijfprojecten! Laat ik dat dan maar snel eens doen, want het nieuws stapelt zich de afgelopen maanden flink op. Wie me volgt op Twitter en Facebook heeft er al wat van meegekregen, natuurlijk, maar de rest loopt een beetje achter. Dat ga ik proberen goed te maken. Op volgorde van wat er aankomt!

Ten eerste verschijnt in september de bundel 'Ganymedes 15', een collectie SF- en fantasyverhalen van Nederlandse en Vlaamse auteurs. Dit jaar heb ik er ook een verhaal voor ingezonden, 'Laatste Klus', over een detective die wordt gevraagd uit te pluizen waarom er werken verdwijnen uit musea. Ik heb zelf al een exemplaar toegestuurd gekregen en het ook al gelezen, en het is een heel professionele bundel, met niet alleen verhalen, maar ook gedichten en tekeningen. En de verhalen die er in staan zijn overwegend goed, met veel afwisseling. Een aanrader voor wie eens wil weten wat er zoal in ons land aan SF en fantasy wordt geschreven.

Vervolgens komt uit in oktober het boek 'Woestijnvaders'. Dit boek is geschreven door Mattias Rouw, samen met een team van opmakers, kunstenaar en redacteurs (dat laatste was mijn rol). Denk aan een band, waar Mattias de zanger van is, maar waarvan de andere leden net zo belangrijk zijn. Het is namelijk niet zomaar een boek, alleen om te lezen, maar het is ook nog eens heel mooi om te bekijken. De uitgever is er ook heel enthousiast over en wil het flink gaan promoten, dus jullie zullen er nog meer over horen. Ik ben er trots op aan dit boek te hebben meegewerkt!

Oktober ziet ook de verschijning van 'Hoe je zwakheid leven brengt'! Mijn boek schreef ik in 2012, op basis van een serie eerdere blogberichten met de titel 'Terug naar de basis'. Ik heb het sindsdien nog herschreven en nu drukt het nog beter uit wat ik wil zeggen: namelijk dat wij niet moeten blijven leven in verhalen die we zelf vertellen. Die zijn vaak te klein en zorgen ervoor dat we ongelukkig worden of andere mensen bestrijden of pijn doen. In deze verhalen is vaak geen ruimte voor zwakheid. Voor de dood. Dat is anders in het verhaal dat God vertelt. Dit is het mooiste verhaal dat er is en geeft ons allemaal een ondeelbare betekenis. Het is het verhaal van zwakheid en genade, van dood en opstanding en heeft gegarandeerd een 'happy end'. Dit verhaal laat ons niet alleen anders naar onszelf kijken, maar ook naar de ander, ongeacht zijn afkomst of geloof, en naar de wereld: als betekenisvol en het beschermen waard. Het verschijnt in oktober bij 'Buijten & Schipperheijn'. In September zal ik nog aandachtig naar de drukproeven moeten kijken. Ik zal er op mijn blog ook nog aandacht aan besteden, natuurlijk! Hou het in de gaten en vertel het door!

Ik schrijf zoals velen weten niet alleen studieboeken, maar ook fictie. Zo heb ik een hele tijd gewerkt aan een fantasyduologie, 'De Krakenvorst'. Ik begon er al aan in 2001 (en noemde het project in mijn interview voor het Nederlands Dagblad in 2002 voor Het Wrak), maar na een paar hoofdstukken bleef het liggen. Toen ik in 2012 weer begon met het schrijven van fictie, zei iets me dat ik dit boek af moest schrijven. En voor ons trouwen in 2013 had ik boek 1 ('Keruga') en boek 2 ('Kartaalmon') af. Helaas bleek de uitgever van 'Neptunus' en 'De Derde Macht' niet geïnteresseerd, omdat er weinig christenen zijn die fantasy willen lezen. Op Castlefest begin augustus heb ik mijn manuscript echter overhandigd aan Theo Barkel van uitgeverij Macc, en hij was wel heel enthousiast. Ik heb met hem gepraat en hij gaat de boeken uitgeven! Het eerste deel komt waarschijnlijk al in 2016. Ik vind het heel gaaf dat mensen het nu kunnen lezen! De proeflezers vonden het in elk geval ook heel goed! De manuscripten moeten nog wel wat herschreven worden, maar dat hoort erbij en is zelfs leuk!

Maar er zitten nog meer schrijfactiviteiten aan te komen! Reinier, mijn redacteur bij Buijten & Schipperheijn, was namelijk ook enthousiast over mijn idee voor een volgend boek. Dat zal gaan over het thema van het sacramentele wereldbeeld versus het transactionele wereldbeeld, waar ik op mijn blog ook al veel over heb geschreven! Hij zag het al helemaal voor zich en vond het een heel belangrijk onderwerp, dat heel inspirerend kan zijn. Wel gaf hij me nog wat huiswerk, een paar schrijvers om te lezen voor ik aan dit project begin. Ik ga de boeken bestellen en me erin verdiepen en dan hoop ik begin volgend jaar het boek afgeschreven te hebben. Ik vind het heel leuk om hiermee bezig te gaan.

Ten slotte komen er weer verhalenwedstrijden aan. Dit voorjaar behaalde ik de eerste plek in de Trek Sagae-wedstrijd, waar ik erg trots op was. Vandaag heb ik twee verhalen opgezonden voor de Harland-award, de belangrijkste SF- en fantasyverhalenwedstrijd in Nederland. In April volgt de prijsuitreiking. Verder komen dit najaar nog Fantastels, een wedstrijd uit Brugge en de volgende Trek Sagae. Aan allemaal hoop ik mee te doen.

Dat betekent kortom dat er veel moet worden geschreven en herschreven (en gecorrigeerd). Alles naast mijn baan van 32 uur. Het zal dan ook waarschijnlijk niemand verbazen als ik aangeef te hebben gevraagd een dag minder te mogen werken. Nu mijn schrijfcarrière vlucht neemt, wil ik daar meer energie voor over hebben. Mijn directeur vond dat in elk geval heel begrijpelijk, en waarschijnlijk wordt het voor het eind van het jaar mogelijk om naar 24 uur terug te gaan.

Ik hou jullie op de hoogte van verdere ontwikkelingen!

zondag 21 juni 2015

Het spel verlaten (4): Letterlijk is niet waar

Een van mijn broers was de laatste tijd erg gegrepen door het boek van Eugene Peterson over Openbaring: Laatste Woorden. Waar hij het laatste bijbelboek lang had gezien als verontrustend en angstaanjagend, begon hij er nu de boodschap van hoop in te zien, die de symboliek volgens Peterson in zich draagt. Volgens Peterson gebruikt Johannes namelijk beelden uit het Oude Testament om de overwinning van God over de wereldmachten en zijn reddende handelen voor de gelovigen uit te beelden. Mijn broer raakte er niet over uit gepraat, en wilde er ook bij hem in de kerk aandacht aan besteden. Natuurlijk moest eerst een van de broeders er met hem over praten, de ‘expert op het gebied van Openbaring in de gemeente’. Die wilde echter niet luisteren. Openbaring moest volgens hem worden uitgelegd als voorspelling van de toekomst, als ‘spoorboekje’ van de sociale, politieke en ecologische gebeurtenissen in de komende jaren. Waarom? Omdat het genre van het boek dat noodzakelijk maakt? Nee, want Openbaring is apocalyptische literatuur, een genre dat werd gebruikt om in symboliek de huidige situatie van een onderdrukt volk te duiden. Omdat deze uitleg mensen dichter bij God brengt en hun geloof ondersteunt? Nee, want bij mijn broer, bij mij en bij vele anderen leidt deze uitleg alleen tot veel gepuzzel en intellectuele discussies (op zijn best) en tot bezorgdheid en angst (veel vaker). De uitleg was zo letterlijk omdat er in Openbaring ergens letterlijk staat dat het gaat om profetie - en dus moet het hele boek in de eerste plaats als toekomstvoorspelling worden uitgelegd.
Toen mijn broer dit vertelde, kon ik het niet nalaten een diepe zucht te slaken. Had deze broeder niet geleerd hoe hij een verhaal moest lezen? Als hij de Donald Duck doorbladerde, geloofde hij dan ook dat er ergens een echte pratende eend moest zijn? Maar (huiver) dit is niet eens zo vergezocht. Want toen de christelijke roman The Shack (De uitnodiging) verscheen, waarin een man die met verdriet worstelt de drie personen van de drie-eenheid ontmoet, waren er mensen die in de bergen van Oregon naar de bewuste schuur gingen zoeken. En op internetfora zeide ze dat ze de boodschap van The Shack  niet konden aanemen als het verhaal niet echt gebeurd was, als de hoofdpersoon niet werkelijk God de vader ontmoet had. Het was voor hen kennelijk niet mogelijk te accepteren dat de schrijver wel degelijk dingen had geleerd in zijn wandel met god en die nu in de vorm van een verhaal had opgeschreven. Net zo zijn er christenen die de Harry Potter-boeken letterlijk lezen en geloven dat kinderen heksen of tovenaars zullen worden als ze de boeken en films tot zich nemen. En jaren daarvoor verschenen er zelfs in gerenommeerde bladen als de Visie (van de EO) artikelen als zou The Lion King van Disney gevaarlijk zijn omdat er New Age-gedachten in zouden schuilen.

Het lijkt erop alsof deze christenen niet in staat zijn om een verhaal te lezen als een verhaal, en niet kunnen accepteren dat de boodschap van een verhaal, wat een verhaal met iemand doet, niet via een letterlijke lezing gegrepen kan worden, maar zich op een ander niveau afspeelt. Kinderen willen helemaal geen tovenaars worden, ze willen moedig en heldhaftig zijn als Harry, of goede vrienden als Ron, of leergierig als Hermione. Ze lezen de boeken niet als een handboek ‘hoe wordt ik heks’. Zelfs mensen die zich bezighouden met Wicca geven aan dat de Harry Potter-serie niks met hekserij van doen heeft. Maar toch houden deze christenen angstvallig aan hun letterlijke interpretatie vast. Ze zijn bang iets kwijt te raken als ze bijvoorbeeld Genesis of Openbaring niet langer als letterlijke geschiedschrijving of toekomstvoorspelling lezen. En dat terwijl deze teksten als geschiedschrijving of toekomstvoorspelling niet eens mensen spiritueel veranderen of dichter bij God brengen. Het gaat om feiten waaraan moet worden vastgehouden. En ik bedacht me dat hier een connectie lag met de transactionele manier van in het leven staan.
Ten eerste denken deze mensen namelijk zwart/wit, alles-of-niets, letterlijk, omdat het daarmee makkelijker is de precieze voorwaarden te kennen waar we aan moeten voldoen om Gods goedkeuring te winnen. Zo lang mag iemands haar zijn, en zo veel zou iemand in de collecte moeten doen. En bovendien zijn zo de eisen waar ze de moraal en gerechtigheid van andere mensen mee kunnen afmeten lekker duidelijk. Geen ambivalentie: iemand die van mensen van hetzelfde geslacht houdt is een Sodomiet, iemand die graag boeken leest vlucht uit de realiteit. Maar bovendien verwachten ze iets terug voor de letterlijkheid en het zwart/wit-denken zelf. Het is voor hen een prestatie (daarom dat mensen die de bijbel niet langer letterlijk lezen als ‘minder goede christenen’ worden gezien, of als zwakker in het geloof) die hen Gods waardering moet opleveren. Ze zien zichzelf als beter of moreel zuiverder omdat ze nog wel kunnen geloven dat de Aarde in zes dagen geschapen is. En argumenten daartegen raken hen daarom niet alleen in hun denkbeelden, maar in hun identiteit, hun idee van iemand die genoeg doet of gelooft om Gods liefde waard te zijn.
Maar in werkelijkheid verarmt deze manier van denken ze enorm. En niet alleen omdat ze zichzelf afsnijden van een groot deel van de menselijke cultuur. Ook hun spirituele leven raakt verarmd. De inhoud ervan verdwijnt namelijk. Het wordt gereduceerd tot woorden, het zwart en wit van letters op papier. Woorden die alleen belangrijk zijn in hun letterlijkheid, maar niet om hun betekenis, niet om waar ze naar verwijzen. Sterker nog: waar woorden naar verwijzen telt helemaal niet meer. Ik heb vaak genoeg mensen horen zeggen: ‘Ja, er staat dat God liefde is. Maar Gods liefde is heel anders dan menselijke liefde. God kan liefde zijn en tegelijk mensen in de hel martelen.’ Het woord liefde heeft geen inhoud meer. En dus gaan deze mensen van alles alleen de oppervlakte zien. Van God (alleen als rechter), en andere mensen (die ze oordelen) en zichzelf (als zondaars of heiligen).
Echte heiligheid, goedheid en liefde, van schoonheid, rechtvaardigheid en verlangen kennen ze niet meer van binnenuit, en kunnen ze dus ook niet meer uitleven. Lees bijvoorbeeld wat katholieke blogger Steven Greydanus schrijft over het belang van kerkinrichting: “A spartan, IKEA-style worship space conveys no sense of history or tradition, of grandeur, drama or passion. It is practical, deracinated, bloodless, antiseptic. There is nothing to electrify the imagination, nothing to stir or unsettle the emotions. If you painted it white, it would look like the Church of Apple.” In de kerk waarin ik opgroeide, werd ook gezegd dat hoe de kerk er uitzag er niet toe deed. Kale kerkbanken, TL-verlichting. Het deed er niet toe. We hingen geen kruis in de kerk en geen afbeeldingen van Jezus. We zongen zelfs niet met muziekinstrumenten, want dat leidde alleen maar af. Maar ook het uitsluiten van schoonheid verandert het hart van mensen. “What about those raised in spartan IKEA-style churches, with blandly soothing music and genially anemic homilies? Will they produce artists inspired to create great art? More importantly, will their people be inspired to lead heroic, virtuous lives? And, if so, will it be because of those IKEA-style spartan spaces, or in spite of them?”

Ikzelf ben steeds meer geneigd te zeggen dat de vraag of iets ‘letterlijk’ waar is er helemaal niet toe doet. Niet dat het niet belangrijk is of Jezus uit de dood is opgestaan. Dat geloof ik zeker en vormt de kern van mijn geloof. Maar ik was er niet bij, en het is in de tijd ongelofelijk ver van mij verwijderd. Ik kan het op geen enkele manier bewijzen. Ik moet om het aan te nemen een geloofssprong maken. En dat doe ik omdat het verhaal op een andere manier voor mij belangrijk is dan vanwege haar letterlijkheid. Voor mij bevestigt het verhaal van Jezus’ opstanding dat het leven van de individuele mens, in deze wereld, in zichzelf waardevol en betekenisvol is. Zozeer dat God datgene wat dood is uit de dood opwekt. Dat geldt voor mij en voor de hele wereld als zodanig. En Jezus was van die opwekking de eerste vrucht, de voorbode. Dit is de kern van mijn overtuiging en daarom geloof ik in de opstanding van Jezus. Maar mijn geloof is dus niet gebaseerd op de letterlijkheid van het verhaal. Of een verhaal waar gebeurd is, is ook niet waar een verhaal om gaat. C.S. Lewis zegt in ‘God in the dock’ dat de lezer door verhalen in staat is “iets als werkelijkheid te ervaren wat anders slechts als een abstractie kan worden begrepen.” Dit gold ook voor het evangelie, zegt hij in The Pilgrims Regress: “Het moet worden begrepen door de verbeelding, niet door het intellect.”  Alistair MacGrath onderstreept: “The fundamental appeal of the Christian faith is imaginative, and is grasped through an apprehension of the panorama of reality that it offers.”
Het goede nieuws gaat over echte zaken, als waarheid (niet feitelijkheid, maar werkelijkheid), schoonheid, liefde - wat ons mensen maakt - en die zijn niet via het intellect of de rede te benaderen. Het feit dat The Lord of the Rings niet echt gebeurd is, maakt dus het diepe verlangen dat bij mij wordt opgewekt als ik het kijk, niet minder waardevol. De rilling die mij over de rug loopt als Gandalf in de films de elfenlanden beschrijft -“The grey rain curtain of this world rolls back and all turns to silver glass. And then you see it. White shores, and beyond, a far green country under a swift sunrise” - is niet betekenisloos. De diepe ontroering die ik voel bij sommige muziek, de hoop op herstel en genezing bij het kijken van een Pixar-film, het zijn allemaal echte zaken, echt belangrijk. Sterker nog, ook al is de aanleiding van deze verlangens een verhaal waarvan ik weet dat het niet echt gebeurd is, ze maken wel dat ik nog steeds in God geloof. Als ik in mijn hart gegrepen word door schoonheid en betekenis, voel ik dat namelijk als een diepe aanraking, en ik weet op de een of andere manier zeker dat schoonheid, waarheid, en liefde echt moeten zijn. Dat ze de basis moeten vormen van de werkelijkheid. Dat de betekenis van mijn leven hierin te vinden is. En dat er dus ook een betekenisgever moet zijn: God, de bron van alle waarheid, schoonheid en intimiteit. En op dezelfde plek in mijn hart ervaar ik soms iets van Gods aanwezigheid. Niet vaak, maar soms voel ik hem. En soms hoor ik hem zelfs. En dan vertelt hij dat hij van me houdt, en dat ik niets kan doen waardoor ik die liefde zou kunnen kwijtraken. Hij zegt me dat ik door hem wordt gedragen en dat zijn liefde werkelijk onvoorwaardelijk is. Dit is hoe God zich aan mij openbaart. En dat is voor mij de toetssteen.
Ik herken deze stem namelijk in wat andere mystieke schrijvers zeggen. In de woorden van Julian of Norwich bijvoorbeeld: “All shall be well, and all shall be well and all manner of thing shall be well” en “God loved us before he made us; and his love has never diminished and never shall.” Niet alleen in het christelijke geloof, maar ook daarbuiten, komt de mystiek uit op deze laag: een werkelijkheid die er al is, en die op geen enkele manier van ons afhankelijk is. Een werkelijkheid die hooguit nog niet op alle momenten zichtbaar is. Kortom, een sacramentele werkelijkheid.

Ik vond ook hiervan een illustratie in Tron Legacy! De jonge vrouw Quorra leeft in de computerwereld. Ze is een van de ISO’s. Kevin Flynn heeft haar verteld over de echte wereld, waar hij vandaan komt, en daar is ze naar gaan verlangen. Ze verlangt bijvoorbeeld naar het zien van de zonsopgang. In de wereld in de computer is namelijk geen zon. De hemel is altijd donker en het kleurenpalet is ook vrij eentonig. Ze vraagt Sam om een zonsopgang te beschrijven. Hij kan het niet, want ze kan zich geen voorstelling maken bij de woorden die hij gebruikt. In de verte schijnt een licht door de wolken. “Zo heb ik me altijd een zonsopgang voorgesteld”, zegt Quorra. In dat licht (dat wordt voortgebracht door de poort tussen de computerwereld en onze wereld, dat dus als sacrament fungeert) ziet Sam ook iets terug van de zon, maar tegelijk is het veel minder kleurrijk en statischer dan de zonsopgang, die hij alleen kan omschrijven als “warm, radiant and beautiful.” Als Quorra zou gaan denken dat het licht in de wolken een ‘letterlijk’ beeld is van de zonsopgang, zou ze er een veel te klein beeld van hebben, en de zonsopgang te kort doen. Ze zou wellicht ophouden met zoeken. Maar het verlangen dat het licht in de wolken in haar oproept, naar iets dat groter en echter is, is wel echt. Het doet haar zoeken naar datgene dat het verlangen in haar hart kan vullen: de echte zonsopgang. Die niet letterlijk beschreven kan worden, alleen maar kan worden ervaren. 
De belangrijkste plek waar de werkelijkheid van onder alle dingen zichtbaar wordt is Jezus ('de uitstraling van Gods heerlijkheid', volgens Hebreeen). Een andere is de bijbel (als sacrament een poort tussen werelden?). Maar we kunnen de werkelijkheid niet zien als we de bijbel lezen als een spoorboekje, of als een wetenschappelijke verhandeling. Niet als we erover discussiëren op zoek naar de ‘juiste interpretatie’. Dan zijn we namelijk transactioneel bezig, dan maken we er een prestatie van. We moeten geen moment de vergissing begaan om te denken dat de bijbel de waarheid zelf is. De waarheid zelf is dieper dan de werkelijkheid, te groot om in woorden gevangen te worden. Maar de bijbel kan er iets van zichtbaar maken. Als we de bijbel zichzelf laten zijn en oog hebben voor het verhaal dat erin wordt verteld, kan hij ons op dezelfde plek en in dezelfde verlangens raken als The Lord of the Rings. Dan kunnen we God ontmoeten. Het enige wat we hoeven doen, is wat we doen als we een film kijken, of een boek lezen, of muziek luisteren. Wat we doen als we naar een vriend luisteren, of naar God. We stellen ons ervoor open. En laten we hier geen geestelijke prestatie van maken, of vergelijken hoe vaak we de bijbel van kaft tot kaft hebben doorgelezen. De werkelijkheid waar de bijbel een sacrament van is, wordt niet veranderd en blijft altijd bestaan, of we de bijbel nu lezen of niet. We zijn geliefd en ongelofelijk waardevol. Of we de bijbel wel of niet letterlijk nemen, verandert daar geen zier aan.

Wordt vervolgd …

zaterdag 27 december 2014

Filmbespreking: Exodus Gods and Kings

Het gebeurt niet zo vaak dat ik na een film thuiskom, en tegen mijn vrouw uitroep: ‘In deze God wil ik geloven.’ Dat maakt Exodus Gods and Kings al meteen een bijzondere film. En roept de vraag op waarom deze voor mij zo bijzondere film dan toch zo slechte recensies heeft gekregen. Vooral uit christelijke hoek. Aan de kwaliteit van de film als film kan het niet liggen. Fantastische beelden van het oude Egypte, geweldige wolkenluchten, goede kostuums, sterke acteurs (Christian Bale overtreft hier zijn Batmanrol), en de tien plagen zijn heel sterk in beeld gebracht. De overstroming van de rode zee gaat wat anders dan anders, maar is op zijn eigen manier indrukwekkend genoeg. Mijn belangrijkste commentaar is dat er nogal wat anachronisme in zitten. Het schijnt dat Egyptenaren niet van de rug van paarden oorlog voerden. Dat weet ik zelf niet zeker en stoorde me dus niet. Wel stoorde me dat Mozes een aantal keer ‘Vuur!’ riep tegen zijn boogschutters, in plaats van ‘Los!’. Voordat er vuurwapens waren, had het roepen van ‘Vuur!’ geen betekenis! De film is bovendien wat lang, maar ik merkte het eigenlijk niet. Ik had zelfs het idee dat sommige delen van het verhaal snel werden verteld. Zeker niet zo’n lange zit als eerdere Mozes-films.

Een blik op de IMDB-pagina leert dat de zwaarste kritieken komen van mensen die zeggen dat de film afwijkt van het verhaal uit de bijbel. Een goede vriend van me wilde zelfs niet eens naar de film omdat hij aan de trailer kon zien dat het verhaal afweek van dat van de bijbel. Na het kijken van de film moet ik daarom glimlachen. Dit soort opmerkingen verraden een godsbeeld dat in de film kritisch wordt bevraagd: een God die voldoet aan onze eigen verwachtingen, en die zich dus niet kan of mag openbaren op een manier die daarmee in strijd is. Maar is dat nou een God waar je in wilt geloven? Nu vermoed ik dat de christenen die kritiek hebben op de film deze vooral vergelijken met het zondagsschoolverhaal in plaats van met de bijbel. Want ja, er zijn nogal wat afwijkingen met hoe het verhaal in de bijbel wordt verteld, maar dat geldt ook voor de zondagsschoolversie. En elementen die daar uit worden gelaten, komen in deze hervertelling wel weer naar voren. Iedereen die een verhaal doorvertelt, maakt daarbij keuzes. Het een wordt weggelaten, het ander wordt in een ander daglicht geplaatst. Alleen door verschillende versies tot je te nemen zie je uiteindelijk het geheel. En in die mix van versies is dit een hele goede ‘coverversie’ van Exodus. Het is niet alsof ‘The ten commandments' bijbelgetrouwer is.
Wat bovendien meespeelt, is dat dit niet in de eerste plaats een christelijke film is. In elk geval geen fundamentalistisch evangelische film. Met het godsbeeld dat daarbij hoort. Nee, dit is in de eerste plaats een Joodse film. Dit blijkt al aan het begin bij de titels, waarbij de tijdsaanduiding niet wordt aangegeven in jaren ‘voor Christus’, maar ‘BCE’ (before common era) - dit is het verhaal van het Joodse volk, niet van ons. Het is dit volk dat God niet had vergeten, en dat moeten we als kijker niet vergeten. Het hier getoonde Godsbeeld is dus het hunne. Het is de God van het Oude Testament. Van die God van het Oude Testament benadrukken wij als christenen vaak zijn macht, en zijn rechtvaardigheid. Maar wat we daarbij wel eens vergeten is dat dit ook een God is die met mensen in gesprek gaat, die zich laat overtuigen in discussies, die boos wordt en teleurgesteld is, die probeert te overreden en die zich laat leiden door zijn onstuimige liefde. Dit is een God die heel duidelijk een persoon is. En in deze film staat de vraag centraal hoe God met mensen omgaat. De tragiek van de Israëlische slavernij in Egypte neemt een ondergeschikte plaats in (hoewel de omstandigheden gruwelijk genoeg in beeld zijn gebracht) ten opzichte van de vraag die Mozes zich moet stellen: wat voor God is God? En hoe kan Mozes met hem omgaan?

We zien in de film verschillende manieren waarop mensen met God of de goden omgaan. Ten eerste in Egypte. De film begint met het opensnijden van een vogel om in de ingewanden ervan de aanwijzingen van de goden te lezen. De Egyptenaren brengen offers aan de goden en denken ze zo op hun hand te krijgen. De goden zijn hen dan advies verschuldigd. Of later in het verhaal wonderen, als de rampen beginnen plaats te vinden. Dit ziet er aan de buitenkant heel godsdienstig uit: ze houden zich aan de tradities, bidden, en geloven, maar het gaat ze niet om de goden, maar om hun eigen succes. Dit verraadt zich uiteindelijk als Ramses, de Farao, roept: ‘Ik ben de God! Ik ben de God!’ Hij moet het voor het zeggen hebben. En dus gaat hij de strijd met God aan. ‘Laten we kijken wie er beter is in doden’, zegt hij tegen Mozes, ‘Jij en jouw God of ik!’
Maar zelfs bij Mozes’ vrouw Zipporah, dochter van Jethro, vinden we een godsbeeld dat God niet helemaal serieus neemt als persoon. Als Mozes van de berg afkomt, trekt ze zijn visioen in twijfel, omdat het niet overeenkomt met het beeld dat zij van God heeft. ‘Zo kan God niet zijn’, besluit ze. Hoewel ze zelf God nooit heeft gezien. Daarnaast houdt ze Mozes tegen hun zoontje vragen te laten stellen over wie God is en waarom een bepaalde berg heilig is en andere niet. Ten slotte zegt ze tegen Mozes, als hij op het punt staat weg te gaan, dat ze haar geloof zou afzweren, als dat hem ertoe zou brengen bij haar te blijven. Ze heeft haar eigen gezin en haar eigen geluk bovenaan staan. Haar geloof in God is iets dat haar ondersteunt in haar dagelijkse leven, iets dat ze zomaar wil opgeven als het haar niet uitkomt. Niet een dynamische relatie met een werkelijke persoon.
De omgang van de Israëlieten met God is anders. ‘De Israëlieten zijn een koppig en vechtlustig volk’, zegt een van de Egyptenaren. ‘Weet je wat hun naam betekent? Zij die vechten met God.’ Mozes corrigeert hem. ‘Zij die worstelen met God. Er is een verschil.’ Zo is dat. Vechten is iets anders dan worstelen. Bij vechten gaat het erom dat een van de twee de ander verslaat en vernedert. Een moet als winnaar bovenkomen. De ander is een verliezer. En moet vernederd afdruipen. Dit is hoe de Egyptenaren met God omgaan: ze gaan het gevecht aan. Maar worstelen is anders. Bij worstelen blijf je in relatie met elkaar. Ik worstelde vroeger met mijn broers op de stoelkussens die we in de gang op de grond hadden uitgespreid. Misschien won ik van een jongere broer, maar we bleven elkaar aankijken. We bleven vrienden. In het worstelen meet je je aan de ander, test je je kracht, maar vooral om elkaar te leren kennen, om jezelf te leren kennen in relatie met de ander, en om daarmee de relatie te verdiepen. Niet een relatie waarin er een de overwinnaar is en de ander verliezer, waarmee iemand zijn respect en waardigheid verliest. Een relatie waarin beide partijen zichzelf en de ander respecteren, en ook na afloop in hun waarde laten. En dit is hoe God met ons wil omgaan. Hoe hij met Mozes wil omgaan.

Mozes zelf is een scepticus. Een twijfelaar. Iemand die niet zomaar alles aanneemt wat anderen zeggen. En dat maakt hem iemand met wie God kan ‘worstelen’. God openbaart zich aan Mozes in de vorm van een jongetje van tien. Ik vond het een mooie keuze. Het is duidelijk dat deze verschijning slechts een boodschapper is, maar het laat zien dat God het gesprek wil aangaan. Maar God openbaart zich niet op een manier die voor anderen net zo duidelijk is als voor Mozes. Anderen zien bijvoorbeeld God niet. En Mozes had een steen op zijn hoofd gekregen. Maakt dat zijn visioenen niet minder betrouwbaar. Ook als God duidelijker zijn hand laat zien, in de vorm van de plagen en het wonder van de rode zee, zijn er mensen die natuurlijke verklaringen vinden. Er wordt zelfs gerefereerd aan insecten die ziekten verspreiden. Wie wil kan de wonderen afdoen als gewone verschijnselen. Zelfs hier laat God ruimte voor twijfel, zodat de Egyptenaren zelf kunnen kiezen te doen wat goed is. Als die keuze uitblijft, komt de laatste plaag, die geen twijfel meer overlaat. Dan moet de Farao de wil van God doen. Hij is in het gevecht verslagen, heeft geen waardigheid meer, maar moet als verliezer de Israëlieten laten gaan. Terwijl hij het ook had kunnen doen als waardig persoon, die zich door God als persoon had laten overreden.
God is in gevecht met de Farao, maar ook met Mozes. Of is het een worstelpartij. Eerst overtuigt God Mozes ervan dat hij naar Egypte moet gaan. Mozes denkt dat hij een guerrillaoorlog moet voeren, dat God hem had geroepen vanwege zijn militaire ervaring. Maar zijn strijd loopt er alleen maar op uit dat de Farao de Israëlieten harder aanpakt. Er vallen doden en het conflict zou een generatie kunnen duren voor er ooit een oplossing komt. Dus gaat God zelf aan het werk. Maar waarvoor had God Mozes dan nodig? ‘Wilt u mij soms nederig maken?’, roept hij tegen de hemel. ‘Want dat zal u niet lukken!’. Mozes draait zich om en ziet dus niet hoe God in de vorm van het jongetje naar hem kijkt met een verholen glimlach. Ja, Mozes is op een weg om zijn trots kwijt te raken. Lang wil hij zich niet identificeren met de Hebreeërs. Hij blijft zichzelf zien als een Egyptenaar die boven hen staat. Hij zal hen wel even de weg leiden naar het beloofde land. Hij heeft toch een kaart gemaakt? Maar zijn hoogmoed zorgt ervoor dat het volk op een verkeerde plek uitkomt, tussen de rode zee en het leger van de Farao in. Zonder uitweg. En God laat zich niet zien. Op dat moment geeft Mozes zich gewonnen. Hij geeft toe dat hij trots is geweest. Hij erkent dat hij bij het volk van God hoort. En hij gooit zijn zwaard weg (het symbool van zijn identiteit en zijn verbintenis met Ramses). Vervolgens ziet hij het eerste teken van Gods ingrijpen, een meteoriet die naar de horizon valt …
Maar Mozes is ook een gewaagde tegenstander voor God. Als God zijn laatste plaag aankondigt, gaat Mozes tegen hem in. Zoiets kan God niet zomaar doen! De Farao moet de kans krijgen zich te bekeren! Mozes gaat tegen God tekeer. En God laat zich overreden. Mozes kan Ramses bezoeken en hem waarschuwen. Hij mag de Farao nog een keer de kans geven de eisen van God in te willigen, zodat de ramp kan worden afgewend. God heeft zich laten overreden. Staat dit zo in de bijbel? Niet letterlijk. Maar Mozes voerde wel vaker discussies met God, die ertoe leidden dat God van gedachten veranderde. En hetzelfde gold voor Abraham. Het is dus zeker een bijbels gegeven. En in deze film mooi weergegeven. Gods relatie met Mozes is zeker geen eenrichtingsverkeer. Het is een dialoog. Een dialoog waarbij beide partijen flink boos op elkaar kunnen worden, maar het blijft een dialoog.

Aan het eind van de film ontmoeten God en Mozes elkaar weer, op dezelfde berg als waar ze elkaar de eerste keer troffen. God zegt dan tegen Mozes, als hij hem thee brengt in een mooi menselijk gebaar, dat Mozes al die tijd nooit deed wat God van hem vroeg, als hij het er niet zelf mee eens was. Mozes keert het om: God heeft al die tijd ook nooit gedaan wat Mozes vroeg, als hij het er zelf niet mee eens was. En dan glimlacht God. “And still, here we are, talking … En toch zijn we nog steeds met elkaar in gesprek.” Er is nog steeds een relatie. De worstelpartij is ondertussen al lang overgegaan in een dans.
Dit was het punt waarop ik echt enthousiast werd en mijn geloof in God werd versterkt. Want God zoals hij hier getoond wordt respecteert zichzelf, en de ander, als persoon. Hij doet zichzelf niet tekort, is geen goddelijke pinautomaat of goedgezinde opa in de hemel. Hij is een persoon, echt helemaal zichzelf. Maar tegelijk respecteert hij Mozes. Hij probeert hem niet te onderwerpen en wil hem niet veranderen in een ‘ja’-knikkende robot. Hij wil dat Mozes een persoon blijft, die ook op zijn tijd zijn hart durft te luchten. Die durft aan te geven wat hij zelf wil en verlangt. Niet dat dit betekent dat hij het ook krijgt. God is immers zichzelf. Maar hij wil wel weten wat Mozes wil. Vervolgens is God vrij het Mozes wel of niet te geven. Zoals wij in gezonde relaties onszelf blijven, maar ook de ander zichzelf laten blijven. En dit beeld van God vond ik ongelofelijk hoopgevend. Want dit is hoe ik God heb leren kennen in mijn gesprekken met Hem. Niet als een orakel, niet als iemand die al mijn wensen inwilligt, maar als iemand die het gesprek met mij wil aangaan. Omdat hij van mij houdt. In de woorden van Lewis: Aslan is goed, maar hij is geen tamme leeuw. De God van Exodus is geen tamme God, maar hij is ook geen slechte machtswellusteling. Hij is een persoon en Hij is Goed. En hij wil met mij een relatie. Als het nodig is wil hij worstelen, maar met als doel dat de worsteling overgaat in een dans. Ik vond de laatste beelden van de film, waarbij God zich nog een keer ontfermt over de dan oude Mozes, ook ontroerend.
Wil je ook in je geloof bemoedigd worden, en zien hoe goed een God kan zijn die met je wil worstelen, staar je er dan niet blind op dat dit verhaal niet lijkt op dat uit de zondagsschool, maar ga deze film kijken. En praat er met anderen over na!

Hier is mijn bespreking van een andere verfilming van dit verhaal: The Prince of Egypt.

zondag 29 juni 2014

Filmbespreking: The Double

Al een paar jaar houd ik me graag bezig met de persoonlijkheidstypetheorie, met name die gebaseerd op Jung, de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI). Anderen geven de voorkeur aan de ‘big five’, omdat er meer wetenschappelijke ondersteuning voor zou gaan, weer anderen vinden MBTI de ‘astrologie voor hoog opgeleiden’. Natuurlijk is ieder mens verschillend en schiet elk netwerk dat je over de menige probeert te leggen tekort. Niemand is volledig een bepaald persoonlijkheidstype, en een persoonlijkheidstype kan niet iemands hele identiteit beschrijven. Een individu is niet zijn ‘persoonlijkheidstype’. Maar een persoonlijkheidstypetheorie en de beschrijvingen die erbij horen, kunnen wel dienen als metafoor om te praten over jezelf, hoe je informatie verwerkt en keuzes maakt, en op welke manieren je verschilt van je omgeving (of mensen in je omgeving van jou). Mij heeft de MBTI in elk geval geholpen bij mijn zelfacceptatie (ik ben niet de enige die Introvert is, Intuitief, Gevoelskeuzes maakt (Feeling) en processen graag afsluit (Judging)). Dit systeem hielp me ook bij het begrijpen dat anderen niet hetzelfde op situaties reageren als ik (bijvoorbeeld omdat ze Extrovert zijn, graag Concreet bezig zijn (Sensing), rationeel blijven (Thinking), en graag open eindes open houden (Perceiving)).
Deze filmbespreking heeft niet tot doel je over te halen ook MBTI te gaan toepassen. Al was het alleen maar omdat Dostoyevsky in de negentiende eeuw natuurlijk niet had gehoord van de MBTI, en deze film is op een van zijn novelles gebaseerd. Maar een aspect van de MBTI hielp me wel de film beter te begrijpen. En dat is het fenomeen van de ‘verborgen persoonlijkheid’ of de 'schaduw', die tevoorschijn komt onder stress. De MBTI postuleert namelijk een rangorde van ‘functies’ die we bij voorkeur gebruiken. Ikzelf gebruik bijvoorbeeld graag als eerste Introverted Intuition - mijn intuitie, die naar binnen is gericht, en bezig is met het vormen van een netwerk van associaties. Op de tweede plek komt de Extroverted Feeling,  mijn waarden die ik afmeet aan de omgeving, dus hoe reageren anderen op wat ik zeg, hoe voelen anderen zich in een situatie? Dan volgt Introverted Thinking - die zich bezig houdt met ordening en logische argumenten - de derde functie, dus die is minder belangrijk voor me. De vierde functie is zelfs bijna geheel onbewust: de Extroverted Sensing - mijn gerichtheid op het waarnemen van mijn omgeving, het bezig zijn met concrete resultaten.
Wat gebeurt er nu ten tijde van stress? Dan word ik verleid om mijn vierde functie tot mijn primaire functie te maken. Ik word verleid om me te laten leiden door Extroverted Sensing, het behalen van resultaten, mijn eigenwaarde te laten afhangen van mijn prestaties en me te vergelijken met de concrete verworvenheden van anderen. En dan het denken, dan mijn waarden en als laatste mijn intuïtie. Dit is de functievolgorde van de ESTP - het totale tegenovergestelde van de INFJ die ik ben in normalen doen. Het duidelijkst werd deze ‘verborgen persoonlijkheid’ voor mij in de periode voor mijn overspannenheid, toen ik dacht dat ik elke dag een bepaald aantal hoofdstukken uit de bijbel moest lezen en anderen moest overtroeven met mijn Bijbelkennis. Ik dacht dat ik mijn plek moest verwerven als Bijbelleraar en dat mijn waarde afhing van het concrete resultaat van het schrijven van boeken en artikelen. Ik was zelfs bereid kritiek te hebben op anderen en ze af te wijzen als dat mij verder zou helpen. En ik luisterde niet naar mijn intuïtie, die op de achtergrond fluisterde dat het niet kon kloppen wat ik geloofde, maar vormde steeds complexere theorieën om mijn eigen gelijk te kunnen houden.
Even terzijde: ik weet van iemand die zich identificeert met het ENFP-type (extravert, levenslustig, spontaan, vol ideeën), dat die zich in periodes van stress liet verleiden tot een leven als ISTJ (stil, teruggetrokken, zich aan de regeltjes houdend, braaf). En een ESTP die zich vertoont als INFJ en allerlei vergezochte theorieën spuit, en zichzelf slimmer vindt dan Einstein. Let wel: het gaat om ‘valse vormen’ van deze persoonlijkheidstypen. Er is niks mis met een ESTP, maar wel iets met een INFJ die zich als ESTP gedraagt. Ik werd er doodmoe van, ongelukkig en uiteindelijk overspannen. Maar ik wist niet wat ik anders kon, dit was namelijk de enige manier die ik kende om met de situatie om te gaan waarin ik me bevond. Ik zag geen uitweg.

Dat was waarom ik zo geraakt werd door de film The Double, die heel scherp in beeld brengt hoe de ‘verborgen persoonlijkheid’ of 'schaduw' zich manifesteert, hoe we door daaraan toe te geven uiteindelijk verder weg van huis raken, en wat de weg uit deze gebondenheid is - een weg die ik ook heb doorgemaakt. Een weg van dood en opstanding, in plaats van harder werken. De hoofdpersoon van deze film is Simon James, een bescheiden jonge man met een saaie, beperkende kantoorbaan, die verliefde is op het meisje bij de kopieerafdeling, maar haar niet mee uit durft te vragen. Op een dag komt er een nieuwe werknemer op het kantoor, ene James Simon, die er precies uitziet als Simon. Maar niet verlegen is. Hij maakt zich geliefd bij de directeur (die eerst niet eens wist dat Simon voor hem werkte) en begint zelfs te daten met het meisje op wie Simon een oogje had. Simons leven wordt door deze James overgenomen, tot hij zelf eigenlijk maar beter niet kan bestaan. Het lijkt alsof hij onherroepelijk de kant op wordt gedreven van zelfmoord.

Deze korte omschrijving maakt al wel duidelijk: dit is stevige kost. Op sommige websites wordt de film geschaard onder ‘komedie’, maar dat is echt niet de juiste kwalificatie. Wat deze film wel is, is een geslaagde verfilming van Dostoyevsky. Ik heb de oorspronkelijke novelle niet gelezen, maar wel Crime and Punishment - en de sfeer van deze film was precies die van dat boek: dezelfde combinatie van een uitvergrootte grimmige omgeving, die de innerlijke wereld van de hoofdpersoon weerkaatste, het licht koortsachtige gevoel dat van elke pagina afdroop, en de wrange humoristische situaties en terzijdes, die het gevoel van onbehagen niet opheffen maar juist versterken. Ik heb bij het lezen van Dostoyevsky nooit het idee dat het Rusland dat hij beschrijft overeenkomt met hoe Rusland werkelijk was - maar wel dat het iets uitdrukt over hoe hij Rusland ervaart. De man was voor het vuurpeloton weggeroepen met genade op het laatste moment - geen wonder dat hij het leven door een wat absurdistische bril beziet. De wereld in deze film is een grimmige uitvergroting, vol schaduwen en spiegelbeelden (thematisch terecht), met daarin goed acterende hoofdpersonen (inclusief Wallace Shawn, bekend uit The Princess Bride). Bizarre Japanse popmuziek (wat weer toevoegt aan de eigenheid van de gefilmde wereld), en Kafkaiaanse bureaucratie (maar ook Dostoyevsky was niet zo van de bureaucratie). Ik kwam in elk geval enthousiast pratend en filosoferend de bioscoopzaal uit, wat voor mij altijd een goed teken is! Ik kan de film van harte aanbevelen, maar wees wel voorbereid op een aangrijpende filmervaring.

De film begint als Simon in de metro wordt aangesproken door iemand van wie we het gezicht niet zien. Hij zegt: ‘Je zit op mijn plek’, maar er is verder niemand. Toch maakt Simon plaats. We zien zijn gezicht half in de schaduw zodat alleen zijn ene oog zichtbaar is. Hij beweegt zijn hand voor zijn gezicht langs, en we zien alleen zijn andere oog. En met dat oog ziet hij zijn collega Hannah, het meisje op wie hij al een tijdje een oogje heeft. Eigenlijk maakt deze eerste scene de verbinding duidelijk met de ‘verborgen persoonlijkheid’ zoals ik die ken uit de MBTI - dit is een persoon met twee kanten. Dat wordt overigens ook al gesuggereerd door de Bijbelse connotaties van zijn naam. Simon was de eerste discipel die Jezus erkende in zijn identiteit als de messias, maar tegelijk was hij degene die Jezus verloochende. Hij stapte de boot uit op grond van geloof, maar zonk in de zee toen hij om zich heen keek.
Simon zelf lijkt heel veel op een INFJ. Maar hij leeft in een wereld die voor gevoelige, intuïtieve mensen geen veilige plaats is, een wereld die hun sterke kanten niet waardeert en hen tot status van onzichtbaren degradeert. Zijn eigen moeder lijkt hem te minachten. En hierdoor is Simon ook negatief over zichzelf gaan denken. Hij kijkt van buiten naar zichzelf, en dan ziet hij niets van waarde, alsof hij alleen maar ruimte in beslag neemt. Hij bereikt niet wat hij wil, en laat geen indruk achter in de wereld. Wat is dan nog de betekenis van zijn leven? Dat soort existentiële vragen ken ik wel - ik vroeg me dat soort dingen ook vaak af. Simon kijkt op TV naar een soort sciencefictionserie. Daar ziet hij het verhaal van een held, die met een lasergeweer en een oneliner voor zijn eigen zaak opkomt en de overhand behaalt. Dit is het verhaal van de cultuur, het verhaal van de durfal. De brutale die de halve wereld heeft. Degene die zich houdt aan de ‘Seven habits of succesful people’. De winnaar, die voldoet aan alle ongeschreven idealen. Over de idealen van de wereld en de methoden om die te bereiken, kunnen we elke dag leven in de treinkrantjes, en horen in de reclames op de TV. En Simon wordt erdoor verleid. Als hijzelf zoals hij is geen waarde heeft, en niet wordt gewaardeerd, dan is het zaak om iemand anders te zijn. Iemand als James. Iemand die slijmt bij de baas, gewaagde grappen vertelt, en een promotie krijgt. Iemand die met zijn vuist op tafel slaat in het café en krijgt waar hij om vraagt. Iemand die zich houdt aan ‘the game’ als een volleerd ‘pick up artist’ en vrouwen voor zich kan winnen bij de vleet, door op hun onzekerheid in te spelen. Een parodie van een ESTP dus. (En de Bijbelse connectie? De broer van Jezus, Jacobus, geloofde niet dat Jezus de messias of de zoon van God was).
Simon en James gaan samenwerken, maar het is geen samenwerking die voor Simon gunstig uitpakt. James wordt steeds meer oncontroleerbaar, en laat een spoor van vernieling achter in Simons leven. Tot Hannah van hem walgt en zijn baas hem ontslaat. Dit is wat er gebeurt als je toegeeft aan de verleiding. De verleiding krijgt de overhand over je leven. En als je dat krijgt wat je wilde, maar op de verkeerde manier, kun je er niet van genieten. De appel waarvan Eva at in het paradijs smaakte niet zo zoet als hij op het oog had geleken. En de belofte van kennis van goed en kwaad pakte ook anders uit dan verwacht. James is namelijk niet Simon, en zolang Simon toch als James probeert te leven, verliest hij zichzelf. Ik zei het al, ik heb het ook meegemaakt. Ik was succesvol in mijn studie, maar ook op christelijk gebied: ik sprak in de kerk, schreef in tijdschriften, en werd als wandelende concordantie gewaardeerd om mijn Bijbelkennis. De ‘valse persoonlijkheid’ was een succes! Maar deze ‘succesvolle Johan’ was ik niet. Ik ben een lezer en schrijver van fantasyverhalen, aquariumliefhebber en allround 'geek'. Dat aspect van mezelf raakte ik echter kwijt. Ik had mezelf verboden films te kijken, en ik schreef niet langer meer. En vervolgens raakte ik overspannen. Hetzelfde gebeurde toen ik eindelijk niet langer vrijgezel wilde blijven. Ik las op internet over daten en over ‘the game’, de manier waarop je als man meisjes voor je zou moeten winnen. Dezelfde tips geeft James in de film aan Simon: maak vrouwen onzeker, niet direct terugbellen, laat ze liever een paar dagen wachten ... Ik heb zelfs even geprobeerd om me eraan te houden, maar het voelde als nep. Het voelde niet echt. Stel dat iemand verliefd op mij zou worden als ik 'deed alsof', dan hield ze nog steeds niet van mij, zoals ik ben. Ik werd er dus alleen maar ongelukkiger van. Als dit was wat nodig was om een vrouw te vinden, kon ik beter accepteren vrijgezel te blijven. Anders zou ik mezelf kwijt raken. Maar dan moet je toegeven dat er dingen belangrijker zijn dan succes volgens de maatstaven van de wereld (religieus of in de liefde). Dan moet je bereid zijn daaraan te sterven.

In deze film wordt dit uiteindelijk prachtig in beeld gebracht. Op een gegeven moment staat Simon op het punt helemaal te verdwijnen, terwijl James de mensen om hem heen dramatisch beschadigt. En op dat dieptepunt maakt Simon de keuze om te accepteren wie hij is. Om de waarheid onder ogen te zien. Deze scene vindt plaats onder een neon kruis. Er is een graf. James is metaforisch begraven, en staat vervolgens weer op. De symboliek kan niet duidelijker zijn. Dit is het evangelie in een notendop. Dood en opstanding! Maar wat is er gestorven? Niet James. Nog niet. Het is Simon die is gestorven. Hij was al bijna niet meer bestaand. Maar ook dat heeft hij opgegeven. Hij heeft opgegeven te willen worden gezien. Hij heeft opgegeven succesvol te zijn volgens de maatstaven van de wereld. Hij wil geen liefdesrelatie als hij daarvoor ‘the game’ moet spelen. Dan maar ‘dood’ zijn volgens de andere mensen: saai, betekenisloos, niet inspirerend. Lees wat Robert Farrar Capon zegt in zijn meesterlijke boek Kingdom, Grace, Judgment: “Ik wil je vragen je rechterhand naar voren te houden, met de palm naar boven. je voor te stellen dat iemand er het ene na het andere prachtige geschenk in plaatst. Het mag alles zijn waar je van houdt - M&M’s, weekeindjes in Centerparks, het winnende lot uit de loterij, verliefd worden, volmaakte kinderen opvoeden, wijsheid, talent, een mooi gezicht en ook nog eens nederigheid - alles. Maar let nu op. Er zijn twee manieren waarop je hand op deze mooie dingen kan reageren. Hij kan erop reageren als een levende hand, en proberen het ene mooie geschenk dat zich er op een bepaald moment in bevindt vast te grijpen en het vast te blijven houden - en zich zo afsluiten van alle andere mogelijke geschenken. Of hij kan reageren als een dode hand. In dat geval zal hij gewoon stil blijven liggen, voortdurend open voor alle goede gaven die als in een dans komen of vertrekken.”
Dit is wat Simon doet. Hij klemt zijn hand niet langer om het ideaal van een succesvol leven, maar laat zijn greep erop sterven. Hij ‘leeft’ niet langer voor dat ideaal. Zo moest ik opgeven een ‘geestelijk christen’ te zijn, ik moest het verlangen opgeven te voldoen aan het ideaalbeeld van de kerk. Ik moest sterven aan mijn religieuze drijfveer. En ik moest sterven aan mijn verlangen succesvol te zijn in de liefde- ik bleef liever mezelf (inclusief verlegenheid en ernst) en vrijgezel dan een ‘player’ te worden. Maar vervolgens komt de opstanding: ik vond mijn plezier in het lezen van verhalen terug en begon weer te schrijven. En ik vond een vrouw die mij waardeert om mijn geeky karakter en om mijn ernst, en niet verwacht dat ik aan een cultureel ideaalbeeld van masculiniteit voldoe. En zo volgt ook voor Simon de opstanding. Die begint ermee dat hij James ter dood brengt: nu hij aan zijn ideaalbeeld is gestorven, kan ook de ‘verborgen persoonlijkheid’ bij het grof vuil. Hij wordt eerlijk, naar zijn werkgever en naar de vrouw van wie hij houdt - ook als hij dan opeens obsessief lijkt, of pathetisch. Eerlijk worden doet pijn. Maar Simon was al dood - dus kon hij ook eerlijk zijn: hij had de vervulling van zijn verlangens opgegeven, dus kon hij ook de manier om die vervulling tot stand te brengen opgeven. En in die eerlijkheid kon hij eindelijk beginnen te leven als een nieuwe mens. De houten pop wordt een echte jongen. Een individu, ‘redelijk uniek’. Hij kon eindelijk als mens omgaan met anderen, ook als die hem niet zouden zien staan. Hij kon toegeven dat hij van Hannah hield, zonder dat hij zich anders wilde voordoen dan hij was. Hij leefde, ook al was hij dood.
Veel krachtiger kun je de boodschap van het evangelie niet verwoord krijgen. Dit is goed nieuws, ook al is het een duistere film. Maar Jezus zei ook niet dat zijn boodschap er een was van cherubijnen en bloemetjes, van lammetjes en vrolijkheid. Het was er een van sterven aan jezelf en opnieuw geboren worden. Van de leegte van het graf en het bloed van het kraambed. Gritty, hard, en eerlijk. Maar juist daardoor uiteindelijk menselijk, oprecht en waardevol.

dinsdag 27 mei 2014

Het sacrament en de omheining (2 en slot): de vrijheid van het koninkrijk

De term uit de managementtheorie die de sacramentele visie beschrijft, als het tegenovergestelde van een transactionele visie, is de ‘centered set’. Dit las ik erover: “A centered set has no boundaries to keep people out, but it does have something compelling at the center which pulls people in. Involvement in the set is not based on who has made it through the gate and is now inside the fence, but rather is based on the proximity to the center, and the direction they are moving. Those who are closest to the center will be the most involved with each other. And no matter how far someone pulls back, at no point do they ever stop ‘belonging’ for there is no outer boundary that can be crossed.” Als je het zou uittekenen zou je een punt hebben in het centrum en stippen die zich daar naartoe bewegen en stippen die zich daar vandaan bewegen. Er zijn geen zwarte stippen, geen rode stippen, het enige verschil is welke kant ze zich op bewegen. Een deel van de stippen komt bij elkaar rond de punt in het centrum, en daar ontstaat herkenning en gemeenschap. Deze gemeenschap wordt echter bepaald door het centrum, niet door grenzen met buiten; door de gedeelde fascinatie, niet door de verschillen met de ‘ander’. 
In plaats van schapen op een weiland, gescheiden door rechte sloten, is hier veel meer het oosterse beeld van de herder van toepassing. De herder om wie de schapen zich hebben verzameld, zonder dat ze in een bepaald gebied binnen hekken verblijven. Toch dwalen ze niet af, want ze volgen de herder. Hij is het die de kudde bij elkaar houdt. Het is natuurlijk geen wonder dat Jezus voor deze metafoor koos, door zichzelf te beschrijven als de goede herder. Toegepast op het christelijk geloof, kun je volgens mij stellen dat Jezus en zijn dood en opstanding de punt in het centrum zijn, het sacrament waarin de eeuwige liefde van God voor eens en altijd zichtbaar wordt, voor iedereen. Dit wordt onder andere weer zichtbaar in wat wij de sacramenten noemen: doop, brood en beker. (Een zijspoor, maar ik ben blij dat deze centraal staan in de kerk die ik nu bezoek). Jezus zei als dat hij zou worden opgericht als een teken, als de slang in de woestijn die door Mozes werd opgericht, en dat iedereen die naar hem zou kijken eeuwig leven zou ontvangen. Hij staat in het centrum. En er is niks dat buiten zijn invloedssfeer valt: kruis en opstanding zijn waar in de hele schepping. Zelfs in de hel. Het is als met een lamp, die is ook van elke afstand zichtbaar (en Jezus is het grootste licht dat mogelijk is, zichtbaar vanaf de grenzen van het heelal). Het is dus zoals Robert Farrar Capon regelmatig opmerkt: er zijn geen niet vergeven mensen. Zelfs de hel bevat alleen vergeven mensen. Iedereen hoort erbij.

Maar, zoals het plaatje suggereert, er zijn mensen die in de richting van het centrum bewegen, soms zigzaggend, soms met omwegen, en soms weer teruggaand naar de verte, en mensen die van het centrum, van het teken vandaan bewegen. En welke richting mensen op bewegen is wel ergens aan te herkennen. Niet aan een grens, niet aan een regel. Niet aan een wet. Niet aan een leerstelling.  Niet aan wat ze geloofden. Immers, de demonen geloofden ook in God, zegt Jakobus, maar zij sidderen. Wanneer Jezus het heeft over de manier waarop mensen zijn discipelen zouden herkennen, heeft hij het over de liefde. ‘Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, indien u liefde hebt onder elkaar’ (Johannes 13:35). In 1 Johannes werkt de apostel dit verder uit en nog algemener. Hij zegt zelfs: ‘Ieder die liefheeft, kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet’ (1 Johannes 4:8).
Iedereen is geliefd (deze liefde sluit elke rol van angst uit, voor ieder mens). En wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad. Het kan echter zijn dat mensen zichzelf meer liefhebben dan God. C.S. Lewis geeft hier heel veel voorbeelden van in zijn boek ‘De Grote Scheiding’ (mijn favoriete boek!). Er zijn mensen die zo bang zijn dat ze hun grenzen moeten opgeven dat ze hun ogen sluiten voor de opgerichte slang, voor het sacrament, voor de liefde. Ze zijn als de dwergen in Lewis’ ‘De Laatste Strijd’ - die weigerden het nieuwe Narnia te zien en bleven volhouden dat ze zich in een stal bevonden. ‘De dwergen voor de dwergen’, hielden ze vol. Zo sloten ze zichzelf op in de hel. Niet omdat God aan een ‘bounded set’ vasthield, maar omdat ze zelf aan een ‘bounded set’ vasthielden. Het was hun eigen drang om te oordelen, die tot hun oordeel leidde. Maar wie wel liefheeft, wie de ogen durft te openen, gaat door ‘Higher up and farther in!’, steeds dieper de realiteit van Gods wereld binnen.
Een andere manier om over deze dingen te spreken is in termen van het koninkrijk van God. Jezus heeft het er vaak over. Dat koninkrijk is niet gelijk te stellen aan een instituut of organisatie. Ook niet met de kerk. Het koninkrijk van God is in Jezus’ eigen woorden als een stad op een berg, of een lamp - van overal zichtbaar. Menselijke grenzen plaatsen die alleen maar in het duister. Meer het koninkrijk is ook verborgen. Het is niet verstopt op een enkele locatie. Het bevindt zich ‘in plain sight’, maar zo dat je er makkelijk overheen kijkt. Het is namelijk verborgen onder heel de schepping, als zaad in de akker. Maar het groeit en draagt vrucht. Hoe? Doordat mensen zich voor het koninkrijk openstellen ‘als een kind’. Doordat ze in de wijnrank blijven. Dan brengt hun leven de vruchten voort die bij het koninkrijk horen. Maar de mensen die zich hebben opengesteld voor het koninkrijk en die zich ervoor afsluiten zijn niet zomaar van elkaar te scheiden. Volgens Jezus groeien koren en onkruid op dezelfde akker samen op, tot naar hun vrucht wordt gekeken. Ook over het koninkrijk van God kan beter worden gesproken als een ‘gerichtheid’. Overal waar individuen of groepen of organisaties gericht zijn op de wil van God, zich openstellen voor Gods bedoeling en aanwezigheid, komt het koninkrijk van God tot expressie. Als een sacrament.

De eerste christenen herkenden dat het in het geloven gaat om een gerichtheid, om een richting. Daarom spraken zij over het ‘volgen van de weg’. Ze kwamen samen met andere ‘volgers van de weg’. Niet omdat ze zich wilden onderscheiden, maar omdat ze in elkaar herkenden wat ze zelf zagen, namelijk dat God zich in Christus als liefde had geopenbaard. Ze hadden geen andere naam nodig. Geen label om hun identiteit aan te ontlenen. De christenen hebben zichzelf geen ‘christenen’ genoemd. Dat deden de mensen van buiten. De ‘ongelovigen’, degenen die zich niet naar het centrum toe bewogen, die deze mensen maar raar vonden, met hun nadruk op de menselijkheid van vrouwen en slaven en buitenlanders, met hun liefdesmalen en opoffering. Het zijn de mensen die vasthouden aan een ‘bounded set’, die zich vasthouden aan grenzen, die namen willen geven, die willen definiëren, die makkelijk willen oordelen over ‘binnen’ of ‘buiten’. Jezus zelf waarschuwde dat zijn volgelingen zich geen meester of vader moesten noemen, niet bezig zijn met groepen en macht, maar dat ze elkaar in nederigheid moesten dienen, als slaven. Daar hoort niet bij te discussiëren over wie binnen en buiten is, wie onze dienst waard is en wie niet, wie onrein is en niet (Petrus moest dit leren door een visioen over onreine dieren, waarbij God zei dat hij wat God rein had verklaard niet onrein mocht noemen. En door Jezus opstanding was de hele schepping rein verklaard. De zonden van de wereld waren weggenomen). Jezus’ leerlingen mochten alles onderzoeken en dat behouden dat goed was, dat hen dichter bij de liefde bracht. Ze mochten omgaan met alle mensen, hen serieus nemen als persoon, hen leren kennen als individu en niet als bekeringsobject. Vervolgens konden ze vertellen over zichzelf en hoe zij in Jezus eeuwig leven hadden gevonden. Ze mochten ook de hand van God zien in de schepping en in de kunst van anderen, want elke waarheid is Gods waarheid, alle schoonheid is Gods schoonheid, en elke liefde reflecteert Gods liefde. Dus kan ik over God en zijn liefde leren in elk eerlijk verteld verhaal, elk goed gesprek, elke wolkenlucht, en ga zo maar door. De werkelijkheid is Christus, zei Paulus ergens. De werkelijkheid is sacramenteel.
De verdeling tussen degenen die in de richting van het centrum bewegen en die er vandaan bewegen, gaat dwars door elke menselijke grens heen. Wij hebben strepen op de grond getekend, arbitraire lijnen. Sommige lijnen zijn nuttiger dan andere: zo kan het zinvol zijn in sociologisch opzicht om aan te geven met wie je je identificeert, en kan het in een gesprek helpen om informatie over te dragen. Net zo zal ik zeggen dat ik naar de Anglicaanse kerk ga (en soms zelfs dat ik anglicaan ben), maar ik kan daar niet mijn identiteit aan ontlenen. Als ik dat wel doe, ben ik verkeerd bezig. Laat ons oog alleen gericht zijn op Christus, zegt Hebreeën, de opperste leidsman en voleinder des geloofs. Laat ons oog niet gericht zijn op de grenzen. De grenzen blijven arbitrair. Op de akker van God staan zowel aren als onkruid. Op de blog waarop ik reageerde, werd geantwoord dat ik me niet zomaar kon onttrekken aan de ‘vervelende christenen’, aan degenen die homo’s uitsluiten, of fantasyboeken ‘occult’ vinden, of vinden dat ik in de kerk geen hoed op mag hebben. Mijn antwoord is dat die naam ‘christenen’ arbitrair is. Deze mensen onderschrijven misschien dezelfde geloofsbelijdenis en dat maakt ze misschien christen, maar we bewegen ons elk naar een ander centrum. De God en de Jezus in wie ik geloofde in de fundamentalistische kerk waar ik opgroeide, waren niet dezelfde als de God en de Jezus in wie ik nu geloof. De een was boos op me, en kon niet werkelijk van mij houden zonder mij mijn persoonlijkheid af te nemen. Die liet iedereen die niet in de juiste regels geloofde in de hel belanden, en ontving alleen hen die aan de voorwaarden voldeden in zijn aanwezigheid (transactionele visie). De ander houdt van me en heeft dat in Jezus kruis en opstanding voor eens en altijd laten zien (sacramentele visie). En wat hij heeft laten zien geldt voor alle mensen, ongeacht wat ze precies geloven, welke regels ze houden of wat dan ook. Het kan me niet schelen of ik daarmee volgens andere christenen wel of niet binnen de grenzen hoor (dat doe ik voor velen toch al niet omdat ik naar fantasyfestivals ga, in evolutie geloof, en niet vasthoud aan de onfeilbaarheid van de bijbel). Voor mij is dit de heuvel om op te sterven - in de (misschien wel historische) woorden van Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’

Ikzelf ervaar om bovengenoemde redenen meer gemeenschap met mensen die ook willen liefhebben (zoals mijn atheïstische vriend die trouw zorgt voor zijn vriendin in een rolstoel, of mijn studiegenoten die voor elkaar klaarstaan als de een een miskraam krijgt, of de ander zijn ouders kwijtraakt), dan met heel wat christenen, die, om maar een voorbeeld te noemen, met de armen over elkaar zitten vooraan in de kerk omdat er in hun ogen te nieuwerwetse liederen worden gezongen. Ik weet dat God ook van hen houdt, zoals hij van iedereen houdt. Maar ik bespeur in hun gedrag geen liefde, of alleen als iets heel abstracts. Ik zie ze daarom niet als ‘meer mijn broeders en zusters’ dan mijn atheïstische vriend, of mijn studievrienden, of de zwerver op de hoek van de straat. En ik wil ook niet aan mijn status als ‘christen’ zelf het idee ontlenen dat ik beter zou zijn dan zij. Ik ben me ervan bewust dat het bovenstaande lijkt alsof ik een nieuwe grens leg, en mezelf zie als aan de ‘goede kant’. Dat is niet zo - ik ben me sterk bewust van mijn tekortkomingen. Ik heb nog niet lief zoals Christus liefhad, en of zij staan of vallen, dat gaat alleen hun eigen Heer aan (Romeinen 14). Ook voor mij geldt: oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt.
Om deze redenen praat ik liever over Jezus’ dood en opstanding en Gods onvoorwaardelijke liefde, dan over mijn identiteit en of ik tot een bepaalde groep behoor. Ik praat liever over het sacrament dan over de arbitraire grens.

maandag 26 mei 2014

Het sacrament en de omheining (1): de beperking van de 'bounded set'

Ik heb de afgelopen week een nieuwe manier gevonden om het verschil tussen een transactionele visie op het geloof en een sacramentele visie te beschrijven. Een manier die in elk geval voor mij nog helderder maakt hoe belangrijk het is dit onderscheid te maken. En hoe radicaal de gevolgen zijn als je van een transactionele beleving overstapt op een sacramentele. Daarom dat ik er na meerdere series toch nog een keer op mijn blog op terugkom.

Het begon allemaal met de vraag die ik kreeg, om naar aanleiding van een tweet van mij op de blog van iemand anders te reageren. Zo gaat het op de sociale media. In het betreffende blogbericht (voor mijn reacties zie onderaan) gaf de auteur aan zich niet meer christen te willen noemen, in verband met alle negatieve associaties die met deze naam verbonden blijken. Het lijkt erop alsof de georganiseerde religie al het goede uit de boodschap van Jezus onzichtbaar heeft gemaakt, en datgene wat kwaad was in de menselijke natuur een excuus heeft gegeven om zich nog duidelijker te tonen. Daarom noemde deze blogger zichzelf liever ‘volgeling van Jezus’. In elk geval tot deze naam ook door associaties zou zijn vergiftigd. Ik had heel veel sympathie voor zijn standpunt. Maar ik wil het graag nog een stap verder doorvoeren.
Want waarom zou ik überhaupt mezelf een ‘label’ willen toekennen? Waarom zou ik mijn identiteit ontlenen aan het woord ‘christen’? Ik heb hier al eerder over geschreven in de beginjaren van deze blog, toen schrijfster Anne Rice een paar jaar na haar bekering tot het katholicisme weer afstand deed van de naam ‘christen’. Ze bleef wel in Jezus geloven, maar kon wat ze de kerk zag doen niet met hem associëren. Ik betoogde toen ook al dat we door het onderverdelen van de wereld in ‘christelijk’ en ‘niet christelijk’ onszelf afscheiden van veel wat goed is, en onze ogen sluiten voor iets wat eigenlijk slecht is. Want we consumeren gedachteloos het flauwe, onrealistische verhaal alleen omdat marketeers ‘christelijk’ op de verpakking hebben gezet - terwijl we bang zijn voor creatieve, kunstige verhalen, muziek en kunstwerken, alleen omdat de makers geen ‘christen’ zijn. Terwijl deze vaak meer waarheid, schoonheid en liefde bevatten dan de clichématige productie van christenen. Net zo moeten we de mensen die zich ‘christen’ noemen in onze armen sluiten als onze broeders en zusters. Zelfs als ze anderen belasteren, anderen veroordelen, anderen buiten sluiten. Want ze geloven immers, en ze zullen het dus wel goed bedoelen. En de mensen buiten de groep ‘christenen’ zien we heel snel vooral als bekeringsobjecten, als projecten, of als ‘zondaar’ en niet als unieke, waardevolle individuen die onze liefde waard zijn. We geloven zelfs niet dat God van hen houdt zoals ze zijn. Ze moeten eerst ‘christen’ worden om er echt helemaal bij te horen. Dat is waar we ‘labels’ voor gebruiken, om makkelijk te kunnen oordelen over iets dat helemaal niet makkelijk is.
Dit is natuurlijk een automatisme voor ons, mensen, iets dat bij ons hoort sinds we aten van de boom van de ‘kennis van goed en kwaad’. Volgens Greg Boyd, in navolging van Bonhoeffer, staat het eten van deze boom voor het zich toe-eigenen van het oordeel - van het zelf willen indelen van mensen in ‘goed’ of ‘kwaad’. Van het aanbrengen van scheiding. We doen het voortdurend, elke dag, elk moment van ons leven. Dat wil echter niet zeggen dat het goed is. Voor de ander of voor ons. Niet voor niets horen we in de bijbel pas nadat dit heeft plaatsgevonden, over een ‘grens’ tussen het paradijs en de wereld daarbuiten en wordt de mens daarover getransporteerd, naar ‘buiten’, in plaats van ‘binnen’.

Deze manier van denken heet ook wel een ‘bounded set’. Volgens een van de beschrijvingen op internet is ‘a bounded set ... where we create a boundary, a theological border, and separate those who are inside the fence from those who are out. It is an ‘us’ versus ‘them’ mentality, where everyone on the inside is accepted, loved, and welcomed, while those outside the fence are kept away until they can change their beliefs and behaviors to fit the entry requirements.’ Als je het zou moeten uittekenen, zou je een vierkant op het papier zetten, met daarbinnen de zwarte stippen, en daar buiten de rode stippen. Het onderscheid tussen de zwarte en de rode stippen is heel duidelijk, en wordt bepaald door de vraag aan welke kant van de lijn ze zich bevinden. Een andere metafoor om dat duidelijk te maken is de manier waarop wij tegenwoordig schapen houden, namelijk op een weiland. Kijk maar eens naar buiten als je met de trein rijdt. Je ziet een aantal schapen op een stukje land, afgescheiden door sloten of hekken. Welke schapen horen bij de kudde wordt aangegeven door het terrein waar ze zich op bevinden. Schapen buiten het terrein, aan de andere kant van de sloot, horen niet bij de groep. De schapen aan de juiste kant van de sloot wel. En de scheiding is natuurlijk zo gemaakt dat een schaap die niet kan overbruggen, of hij zou wel heel ver moeten kunnen springen.
Degene op wie ik reageerde onder het betreffende blogbericht zag in mijn opinie het christendom, de groep die zich ‘christen’ noemt, als een ‘bounded set’. Namelijk, zodra mensen de juiste leerstellingen geloven horen ze tot de groep en zijn ze automatisch mijn ‘broeders en zusters’, tegen wie ik me niet meer mag afzetten. Ze bevinden zich binnen de lijnen. Als iemand het zondaarsgebed bidt, komt hij er vanzelf bij. En als mensen zich buiten de lijnen bevinden, zijn ze anders dan ik, en moet ik me van hen afscheiden. Ik moet de groep waar ik toe hoor (de ‘christenen’) tegen hen verdedigen.
Ik herken hierin de manier van denken die ik in eerdere blogberichten aangaf als ‘transactioneel’. In het transactionele denken vond er op het moment van Jezus’ dood en opstanding een transactie plaats. Doordat Jezus iets deed bewerkte hij een verandering in Gods houding ten opzichte van ons. God was eerst toornig ten opzichte van ons, en kon ons niet in zijn aanwezigheid accepteren, en nu opeens is zijn boosheid verdwenen, en houdt hij van ons. Of Jezus’ offer bewerkte een verandering in ons, maakte ons van gore zondaars in brave lieden, die God in zijn aanwezigheid kon tolereren. Hoe het ook zij in dit scenario kan Gods liefde niet onvoorwaardelijk zijn. Hij kan niet gewoon van mensen houden. Er moet altijd iets veranderen. In navolging hiervan wordt het geloof van mensen ook ‘transactioneel’. De daad van het geloven, het accepteren van bepaalde leerstellingen, de mentale truc waarmee we onszelf ervan overtuigen dat we ergens zeker van zijn, bewerkt volgens ons een transactie. Daardoor gaan we de grens over, zodat het offer van Jezus op ons van toepassing wordt, en we behoren tot de groep mensen van wie God houdt. Of we doen goede werken, geven onze tienden, bekeren anderen, en zorgen er daarmee voor dat God blij met ons is, en ons goede gaven gaat geven. En ondertussen kunnen we onszelf beter vinden dan de mensen die deze transactie niet hebben uitgevoerd. We vereisen ook van andere mensen een transactie. Vriendschappen worden functioneel. We moeten er namelijk wel iets aan hebben. We worden economisch. Voor wat hoort wat.

Als ik de bijbel goed lees, is daarin echter minder sprake van een ‘bounded set’ dan sommige mensen denken. Zelfs in het oude testament, voordat Jezus’ dood en opstanding de inclusie van de hele wereld in de liefde van God zichtbaar maakten, waarschuwen de profeten de Israëlieten ervoor geen valse zekerheid te ontlenen aan het feit dat ze (letterlijk) ‘binnen de grenzen’ leven. Ze hadden de neiging daar hun identiteit aan te ontlenen, en koningen te willen, en oorlog te willen voeren, maar volgens de profeten ging het om gehoorzaamheid, het zorgen voor armen en vreemdelingen (hen opnemen in de eigen omgeving), om gerechtigheid. God was namelijk niet alleen de God van Israel, maar de God van alle mensen. Daarom bekommerde God zich over Naaman die melaats was, hoewel hij geen Israëliet was, en om de stad Nineve in Jona, hoewel dat volk de vijand was van Israël. Jezus en Paulus zeggen dat de wet en profeten zijn samen te vatten als ‘heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf’. En Paulus ontmantelt in Romeinen het idee dat de Joden ‘beter’ zijn - negatief geformuleerd: ze maken dezelfde fouten. Positief is zijn bewering dat mensen die de wet houden, zonder de wet te kennen, er juist wel bijhoren - de wet staat in hun hart geschreven.
Jezus zelf lijkt zich ook niet echt om grenzen druk te maken. Hij geneest de zoon van de Syro-fenecische vrouw, de knecht van de Romeinse centurion en ga zo maar door. De Samaritaanse vrouw bij de put maakt hij duidelijk dat het niet gaat om de plek waar je aanbidt, maar of je aanbidt in geest en waarheid. De discipelen zijn degenen die vasthouden aan een ‘bounded set’, die vuur willen laten neerdalen op dorpen, en die mensen willen tegenhouden die rondtrekken en in Jezus’ naam wonderen doen. Maar Jezus zegt dan: ‘Wie niet tegen mij is, is voor mij’ (lukas 9:50). Jezus zegt dat hij iedereen tot zich zal trekken als hij aan het kruis verhoogd is. Hij zegt dat hij nog andere schapen heeft, die niet van deze kudde zijn. Zijn schapen zijn degenen die zijn stem horen en hem volgen. Niet degenen die binnen de grens van een instituut of geloofsbelijdenis blijven. Jezus gaat om met tollenaars (die buiten de grens vielen omdat ze heulden met de bezetter), met melaatsen (die buiten de grens vielen vanwege hun rituele onreinheid), met prostituees en dronkaards, met allen die met hem wilden omgaan. De Farizeeën waren degenen die vasthielden aan grenzen om anderen te beoordelen en tegen hen is Jezus wel heel erg kritisch. Hij wijst hen terecht dat ze anderen tegenhouden als ze het koninkrijk van God willen binnengaan, en zelf er ook niet in willen binnenkomen. Ze zullen erover verbaasd staan wie hen allemaal zal voorgaan, allemaal mensen die buiten de door hem gedefinieerde grenzen vielen. Jezus gooit het net veel wijder (blijkt ook uit zijn gelijkenissen). Hij zegt dat God de hele wereld liefheeft. En dat hij als het lam van God de zonden van de wereld wegneemt. Niet alleen van de christenen. En Paulus zegt ook dat allen hebben gezondigd en dat allen om niet worden gerechtvaardigd. Het kruis van Christus en het lege graf zijn hiervan de sacramenten. Ze vormen het zichtbare teken van een onzichtbare realiteit, namelijk de onvoorwaardelijke vergeving en aanvaarding van ieder mens. Er is dus geen grens. Iedereen hoort erbij, wat God betreft.
Dit noemde ik in eerdere berichten een ‘sacramentele visie’, de visie dat Jezus’ werk zichtbaar maakt wat altijd en voor eeuwig al realiteit is en dat diezelfde realiteit zichtbaar wordt in ons en onze levens. Dat wij dus geen transactie hoeven teweegbrengen, maar dat we gaan leven uit wat altijd al waar was over ons.

Wordt vervolgd ...