Posts tonen met het label manipulatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label manipulatie. Alle posts tonen

zaterdag 21 november 2015

Filmbespreking: The Hunger Games - Mockingjay part 2

Als er recent een avond was waarop het onmogelijk had moeten zijn voor mij om in slaap te vallen, was dat vorige week vrijdag. Nu kan ik erom lachen, maar toen was het wel anders. Ik had namelijk eerst een behoorlijk pittig gesprek gevoerd met mijn vrouw, over de verschillende manieren waarop we omgaan met boosheid, en met grenzen, en dat soort dingen. Goed, maar wat ik zei: pittig. En onze ervaring is eigenlijk dat we dat soort gesprekken niet laat op de avond moeten hebben, want allebei nemen we dat dan mee de nacht in en kunnen we lang wakker liggen. Nu was het kwart voor twaalf. Ik had mijn telefoon voelen afgaan eerder op de avond, maar dat genegeerd. Nu zag ik een mailtje van mijn ouders. Ze waren op een kettingbotsing ingereden met 80 km per uur, en de auto was kapot. Gelukkig waren ze niet gewond, maar ze wisten niet of er misschien later nog klachten zouden volgen. Een behoorlijke schok! En tot overmaat van ramp opende ik ook nog eens Twitter. En mijn hele tijdlijn van de uren daarvoor stond vol met tweets over Parijs! Niet een paar meldingen, maar keer op keer hetzelfde bericht geretweet, en wanhopige of boze commentaren, of commentaren die al opriepen niet te gaan haten. Ik ben uiteindelijk toch maar naar bed gegaan. Ik denk dat er een wonder plaatsvond, want ik sliep ondanks alles behoorlijk goed.

Hier moest ik aan terugdenken toen ik in de bioscoop de film The Hunger Games Mockingjay part 2  zag, want ik realiseerde me dat dit een film is die voor het huidige tijdsgewricht gemaakt lijkt te zijn. De filmmakers zullen het niet geweten hebben toen ze de film draaiden, maar hij sluit wel heel naadloos aan op de gebeurtenissen van nu. Ik geloof dat de Hunger Games-boeken en films een mythe zijn voor onze tijd. En daarom verdienen ze een bespreking op mijn blog! De laatste tijd heb ik weinig filmbesprekingen geschreven. Voor een deel omdat ik er weinig tijd voor had, want mijn verhalen vragen nu veel aandacht, en voor een deel omdat er voor mijn gevoel weinig in de bioscoop voorbijkwam dat er ‘diep’ genoeg voor was. Inside Out was trouwens wel erg goed! Maar over de eerdere drie delen in deze serie heb ik ook essays geschreven (hier, hier en hier), dus kon ik dit jaar niet achterblijven. The Hunger Games Mockingjay part 2 is trouwens ook gewoon een heel goede film! Net als de voorgaande delen is hij weer visueel heel sterk, maar dit keer worden de ondergrondse gangen van District 13 verruild voor de decadente wolkenkrabbers van de hoofdstad, wat krachtige effecten oplevert. Artikelen vooraf beloofden dat deze film een en al actie zou zijn, maar dat is niet het geval. De ontwikkeling en de emoties van de hoofdpersonen staat opnieuw centraal, en eigenlijk blijven zij (zoals dat natuurlijk hoort voor tieners!) achter de frontlinies. En als ze die linies dan eindelijk bereiken, lopen de gebeurtenissen anders dan ze gehoopt hadden. De actie die er is, is spectaculair. Vooral een ondergrondse scene, die me op het puntje van mijn stoel deed zitten. En wat is Jennifer Lawrence een geweldig actrice. De camera zoomt regelmatig in op haar gezicht, waar ze haar stoïcijns ogende karakter door een kleine oogbeweging een enorme diepte van gevoel laat communiceren. Ze zou voor haar rol een Oscar moeten krijgen! De andere acteurs hebben dit keer minder te doen, maar ik vond Josh Hutcherson als Peeta ook prima. Het is wel raar dat Gwendoline Christie in maar een scene voorkwam!
Door de dood van acteur Philip Seymour Hoffmann vorig jaar vallen er een paar gaten in het verhaal, die provisorisch zijn opgevuld, en een belangrijke scene in het boek die heel bepalend is voor de hoofdpersoon, lijkt in deze film iets minder impact te hebben. Maar dat kan mijn ervaring zijn. Ook had de allerlaatste scene wat mij betreft weg mogen blijven, aangezien alles daarvoor ook al was gezegd. Maar vooral ben ik er eigenlijk droevig over dat er geen nieuwe vervolgen meer zullen zijn - de laatste jaren waren de Hunger Games-films, de films waar ik dat jaar het meest naar uitkeek.

De nieuwste film bestrijkt ongeveer de tweede helft van het boek (vandaar het ‘part 2’ natuurlijk). De verschillende provincies van Panem zijn eindelijk in opstand gekomen en het verzet is al helemaal opgetrokken tot District 2. Als ook dat gevallen is, is de weg vrij om op te trekken naar de hoofdstad. President Snow heeft dat door, en besluit de torens en lanen van de stad zelf te veranderen in een spelarena, vol dodelijke vallen. Katniss Everdeen, onze hoofdpersoon, biedt bij de leidster van district 13, Alma Coin, aan haar rol als de ‘spotgaai’ weer op te pakken en de strijders aan te moedigen, op voorwaarde dat ze ook zelf naar het front mag gaan. Ze wil namelijk weg bij Peeta, de andere overwinnaar van de hongerspelen, die echter is gehersenspoeld en haar probeerde te wurgen. Zo makkelijk komt ze echter niet van hem af. President Coin voegt hem namelijk toe aan haar team, om in de propaganda te laten zien dat ook Peeta aan de kant van de rebellen staat. Of heeft ze ook een ander doel? Dat wordt op een grimmige wijze duidelijk als Katniss en haar gezellen zich wagen in de dodelijke doolhof van het Kapitool, op weg naar het paleis van President Snow en een definitieve confrontatie.

Om nog even terug te komen op de gebeurtenissen in Parijs: ik merk dat het voor mijn gemoedsrust goed is er niet te veel over te lezen. Vooral niet omdat veel commentaar op social media wel heel erg emotioneel gekleurd is, niet makkelijk te checken is of de commentatoren gelijk hebben, en bovendien blijken er veel gefotoshopte of anderszins gemanipuleerde plaatsjes de ronde te doen. Net als met de verdronken vluchtelingen van laatst. Dit heeft allemaal een polariserende uitwerking, net als de retoriek van mensen als Wilders. In mijn bespreking van Mockingjay part 1 heb ik overigens geschreven hoe propaganda onze wereld wil veranderen in ‘goeden’ (tot wie wij natuurlijk behoren) en ‘slechten’ (de ander, vanzelfsprekend), maar dat we als christenen in navolging van Jezus een de-escalerende boodschap zouden moeten brengen. Ook nu richten mensen namelijk hun pijlen op moslims, en worden de grenzen weer gesloten voor vluchtelingen, terwijl geloof er niks mee te maken had (althans niet veel, niet meer dan het christelijk geloof verantwoordelijk gehouden kan worden voor de Westboro Baptist Church en hun demonstraties).
De reden dat deze mannen aanslagen pleegden heeft te maken met hun uitzichtloze situatie, bijvoorbeeld in de Parijse buitenwijken, de banlieu’s, waarbij ze het idee hebben (voor een behoorlijk deel terecht), dat de beschaving hen buitensluit en onrechtvaardig behandelt, dat de weg uit het dal voor hen steiler is dan voor geprivilegieerde blanke Europeanen. Als er dan fundamentalisten (dat hadden geen moslims hoeven zijn, want bijvoorbeeld de verhalen over de kruistochten laten zien dat het ook prima christenen hadden kunnen wezen) langskomen met de belofte van een betekenisvol bestaan, een heldhaftige dood en 72 maagden in het paradijs, dan vinden ze daarin een weg uit hun lege leven. Zoals het heldhaftige beeld van gangsters, rapper en ‘bling bling' dat biedt voor jongeren in de Amerikaanse ghetto’s. Het is door meerdere mensen ondertussen wel gezegd (maar in genuanceerde artikelen en die doen het nooit zo goed op Twitter), dat het ‘Westen’ nu niet moslims als vijanden moet gaan zien, vluchtelingen gaan buitensluiten of discrimineren of moskeeën gaan verbranden. Want dat speelt precies in de kaarten van de fundamentalisten die deze jongeren opzwepen. Het legitimeert namelijk hun betoog dat het ‘Westen’ de grote Satan is, de onderdrukker van ware gelovigen, en bestreden moet worden. De fundamentalisten waren, zo las ik, juist boos dat Europa vluchtelingen had binnengelaten en warm had ontvangen (nou ja, lauw in elk geval), omdat dit het vijandsbeeld zou ondergraven! En dat konden ze niet in hun retoriek gebruiken. Waar deze fundamentalisten (en fundamentalisten in het algemeen, ook de atheïstische of christelijke) zich echter niet bewust van lijken, is dat ze in hun strijd tegen een door hun aangewezen ‘onderdrukker’, zelf ook ‘onderdrukkers’ zijn geworden. Als ze ‘de grote Satan’ willen bestrijden, gebruiken ze daarvoor Satanische methodes.
Om even weg te gaan van het voorbeeld van Parijs, of de kruistochten of Westboro Baptist Church: ik lees tegenwoordig steeds meer kritiek op de ‘nieuwe atheïsten’ in de lijn van Richard Dawkins. Hij is namelijk ook fundamentalistisch, gebruikt drogredenen om gelovigen aan te vallen, maakt misogynistische of racistische opmerkingen, luistert niet naar andersdenkenden en zet zichzelf op een voetstuk. Alles waarvan hij eerder zelf christenen en moslims beschuldigde! Hij is zelf het spiegelbeeld van zijn vijand geworden. En daarmee roept hij weer weerstand op tegen zichzelf. In deze film is dat bijvoorbeeld in beeld gebracht in de persoon van Gale, een van de overlevenden uit het eerder verwoeste district 12. Hij komt met oplossingen waarbij ook burgers het leven zullen laten. Als Katniss hem vraagt waarom, antwoordt hij dat het oorlog is. En dan mag alles, als de overwinning maar wordt behaald. Het kapitool had burgers toch ook niet gespaard? Hij is zelfs bereid kinderen te doden om zijn doel te bereiken: de val van Snow. Maar wat hij zich niet realiseert, en Katniss wel, is dat de bewoners van het kapitool -zelfs degenen met sympathie voor de vrijheidsstrijders- hen zouden gaan haten, dat ze hen zouden gaan zien als bullies, als onderdrukkers, en dat ze uiteindelijk zelf ook weer in opstand zouden komen.
Het is een bekend fenomeen dat absolutistische bewegingen, hun eigen tegenstanders creëren: het kapitalisme bijvoorbeeld, door arbeiders te onderdrukken, creëerde het communisme. De katholieke kerk, door gewone gelovigen onder controle te willen houden, creëerde het protestantisme. En dat creëerde weer eigen tegenbewegingen toen ze hun eigen ideologie met vuur en zwaard gingen verspreiden. Een ideologie creëert automatisch een anti-ideologie en zo verder, ad infinitum. Uiteindelijk is er geen onderscheid meer. Dit gevaar kan iedereen treffen. Ook goed bedoelende activistische christenen, die zich zo druk maken om onrecht in de wereld, dat ze anderen (bijvoorbeeld mensen die zich daar niet druk om lijken te maken, die zich niet net als zij inzetten of die niet hetzelfde voelen) als minderwaardig gaan wegzetten, of ze een schuldgevoel aanpraten. Een voorbeeld in de film van dit principe is het karakter van president Alma Coin. Al eerder was duidelijk dat mensen in district 13 niet veel vrijer waren dan in de districten onderdrukt door president Snow. Ja, mensen waren gelijk, maar ze moesten zich aan heel strakke regels houden (in het boek is dat nog sterker). President Coin kleedde zich echter aanvankelijk gewoon als zij. In de vorige film ging ze de adviezen opvolgen van een communicatieadviseur uit de hoofdstad, en nu gaat ze zich langzaam onderscheidend kleden. Eerst subtiel, maar later zijn haar gewaden bijna net zo luxe als die van Snow. Ze blijkt net zo’n dictator te zijn geworden, en hanteert dezelfde methoden als hij. Maar president Snow was er in elk geval eerlijk over dat hij die methoden gebruikte. Zij verschuilt zich achter propaganda.
Zoals deze illustratie ons toont, is het soms moeilijk te zien dat je zelf een ideologie aanhangt, als het voor jou normaal is geworden (zoals geldt voor district 13 in de strijd tegen Snow), of omdat je erin bent opgegroeid (zoals de bewoners van Panem, die zich er niet van bewust zijn dat ze bevoordeeld zijn). Vandaar de vanuit de onderbuik komende reacties op aanslagen in Parijs. Want wij zijn ‘normaal’, en zij zijn ‘abnormaal’. Maar voor een groot deel van de wereld zijn wij de ‘abnormalen’. Niet alleen hebben de westerse landen de rijkdommen van de rest van de wereld uitgebuit en hele volken tot slaven gemaakt, ook nu nog stellen we onze welvaart ten toon, laten we mensen voor ons zwoegen in ‘lage lonen landen’, en dringen we hen ook nog eens onze idealen op van welvaart, uiterlijk en denken. Wij voelen ons vanwege ons economisch succes en militaire macht (want ethisch en religieus is ons succes maar matig) gerechtvaardigd om politie-agent te spelen in de wereld alsof wij van buitenaf elke situatie kunnen begrijpen. In het kort gezegd: voor een groot deel van de wereld zijn wij Panem, wij zijn de bewoners van het Kapitool, degenen die een extravagant leven leiden, terwijl de andere 98 procent moet meespelen in de ‘hunger games’. En dat is de briljante twist in de Hunger Games-serie, die de bioscopen vol doet stromen en tieners ertoe brengt zich te verplaatsen in een meisje uit de provincie, iemand uit de ‘derde wereld’, iemand die wordt onderdrukt en uitgebuit. Ze krijgen een spiegel voorgehouden, een die hen doet verlangen naar een weg uit de hardnekkige patstelling.

Wat die weg is? Hoofdpersoon Katniss Everdeen creëert aan het eind van de film een uitweg, waarvoor ze bereid is de schuld op zich te nemen en te sterven, maar het krachtigst is mijns inziens een scene in het begin van de film. Ze heeft er namelijk voor gezorgd dat de in een bunker opgesloten burgerbevolking veilig kan ontsnappen. Deze mensen vertrouwen echter niet werkelijk in de rebellen die hen de afgelopen tijd zo fel bestreden hebben. Als ze hun kans schoon zien, willen ze liever zekerheid dan in de val te lopen, dus trekt er een zijn pistool en gijzelt Katniss. En zij laat het gebeuren. Ze verzet zich niet. Ze wil niet tegen hem vechten, maar accepteert dat hij haar kan doden. Want, zegt ze: we horen niet tegenover elkaar te staan. We zijn allebei mensen. Ik ben niet meer waard dan jij. En ik wil daarom ook niet dat er voor mij gedood zou worden, zelfs niet als jij mij neer zou schieten. Ik sta namelijk niet boven jou. En daarmee wint ze hem. Ze is ‘als een lam dat ter slachting geleid wordt, als een schaap dat stom is voor zijn scheerders’ (Jesaja 53), ze vergeeft haar vijanden omdat ze niet weten wat ze doen, ze roept geen engelen ter hulp. Ze weigert op dat moment te leven volgens het verhaal van het conflict, en brengt de situatie terug tot een menselijk niveau, tot een individueel niveau. Niet twee ideologieën die tegenover elkaar staan, maar twee mensen. En die hebben altijd meer gemeen dan ze van elkaar verschillen. De geprivilegieerde, rijke, welvarende bewoner van het kapitool, is net zo goed mens als de onderdrukte. Ze accepteert dat de ander misschien niet zo ver is, of nog in de greep is van een ideologie, maar ze wil dat tegen geen enkele prijs versterken. Als haar afleggen van ideologie, opgeven van een ‘heldenverhaal’, haar weggeven van haar ego, ertoe leidt dat zij wordt benadeeld, of sterft, dan is ze bereid die prijs te betalen. Ze is bereid zich te laten kruisigen, als dat is wat de ideologieën willen, om zo te laten zien hoe onmenselijk de ideologieën zijn. Op die manier heeft ze de overheden en machten (de overheersende ‘heldenverhalen’ van district 13 en het kapitool) ontwapend. Ze ‘heeft hen openlijk te schande gemaakt en … over hen getriomfeerd’ (Kolossenzen 2:15). Vergezocht om dit met Christus te verbinden? Nee, want ik geloof dat dit is wat Hij heeft gedaan aan het kruis. Hij was bereid te sterven, als dat het gevolg was van zich niet met geweld te willen verzetten. Nee, Katniss is Jezus niet, en ze gebruikt meer geweld dan Jezus gedaan zou hebben, maar haar offerbereidheid toont wel een uitweg. Namelijk: laten we elkaar als mensen behandelen, ongeacht onze ideologie, ongeacht onze afkomst, geaardheid, geslacht of geloof. Moslims en christenen, atheïsten en rijke westerlingen (want wij zijn net zo goed mensen!), en Afrikanen en Indiers. Laten we een bewuste keuze maken onszelf en de ander niet te zien in termen van ideologie of religie, maar onszelf en de ander in de eerste plaats te zien als mens. En daarom waardevol. Punt uit.

maandag 22 juni 2015

Het spel verlaten (5 en slot): Verantwoordelijke volwassenen

Ik had nooit gedacht dat ik nog eens vijf essays van meer dan tweeduizend woorden elk zou schrijven naar aanleiding van Tron Legacy, maar de film bleek voor mij een mooie kapstok voor ideeën die al langer in mijn gedachten rond slingerden. Zoals bij elke filmbespreking kan ik niet zeggen of de filmmakers deze uitleg letterlijk voor ogen hadden bij het opnemen en monteren. Maar dat is (zoals ik betoogde) niet doorslaggevend. George MacDonald heeft ooit gezegd dat terwijl Gods werk niet meer kan betekenen dan Hij bedoelde, dat van de mens wel meer moet betekenen dan hij bedoelde. “Een mens kan heel goed zelf een waarheid ontdekken in wat hij schreef, want hij had te maken met zaken die voortkwamen uit gedachten hoger dan de zijne.” In het verhaal wordt voor mij iets van de waarheid onder alle dingen zichtbaar, mijn verlangen wordt erdoor opgewekt, en dat is mijns inziens wat telt.
Het laatste beeld uit deze film dat ik wil aanstippen komt uit het einde van het verhaal. Ik had al aangestipt dat Sam aan het eind van het verhaal zijn volwassen verantwoordelijkheid op zich neemt. Hij durft initiatieven te gaan nemen, zich te bemoeien met zijn erfdeel, en een relatie met een vrouw aan te gaan. Hij is niet langer een recalcitrant kind, dat afhankelijk is van de goedkeuring van zijn vader, die helaas is uitgebleven, maar hij kan op eigen benen staan. Hij is zeker van zijn eigen waarde. Daarom is aan het einde van de film zijn vader ook niet bij hem. Maar hij draagt om zijn hals wel een ketting, met daaraan een USB-stick. Ook al ziet en spreekt hij zijn vader niet meer, hij hoeft alleen maar naar die stick te kijken om aan zijn vader herinnerd te worden. Sterker nog: die stick bevat een kopie van de computerwereld die zijn vader gemaakt heeft. Het is een symbolische herinnering en tegelijk de wereld zelf! Zolang Sam de USB-stick ziet en kan aanraken, kan hij niet twijfelen aan wat hij heeft meegemaakt, en wat zijn vader hem vertelde. Het is echt, en dat blijkt uit de stick, hoe klein het apparaatje ook lijkt en hoe levenloos het er van buiten ook uitziet. Het is het enige dat Sam nodig heeft om zijn leven als volwassen man te gaan leiden.

De bijbel suggereert dat God wil dat we volwassenen zijn. De profeten in het Oude Testament suggereren dat God Israël deed opgroeien tot volwassene, maar teleurgesteld was dat het volk zich als kind bleef gedragen. Het Nieuwe Testament zegt dat we tot ‘volle wasdom’ moeten komen. En in Hebreeën merkt Paulus op dat het niet de bedoeling is dat we melk moeten blijven drinken, maar vast voedsel moeten aankunnen. In de kerk worden gelovigen echter vaak kinderen gehouden. Een ‘kinderlijk geloof’ wordt opgehemeld boven zelf nadenken, vragen stellen, een eigen mening vormen.
In werkelijkheid is dit niet anders dan een systeem van controle, dat ook gebruikt wordt in gezinnen waar sprake is van misbruiksituaties. Ik had het hier laatst met iemand over, die in zo’n gezin is opgegroeid, met ouders die voortdurend over haar grenzen heen kwamen. Ze vertelde dat haar ouders haar bewust in het stadium van ‘magisch denken’ van een kind hielden. Ze maakten haar wijs dat als zij slechte of boze gedachten had, dat er dan slechte dingen zouden gebeuren. Ze vertelden haar dat ze over alle gedachten eerlijk moest zijn, omdat mensen toch wel aan haar konden zien wat ze dacht. Ze moest alle vragen beantwoorden, en mocht niet naderhand van idee veranderen. Ze voelde zich dus gedwongen ook als volwassene al haar ideeën en gedachten te openbaren en iedereen er over te laten oordelen. En ze voelde zich diep schuldig bij een slechte gedachte, omdat ze bang was dat die noodzakelijk ook waarheid zou worden. Bovendien kon ze die ideeën niet corrigeren, omdat ze niet mocht vertrouwen op gezond verstand of de wetenschap. Dat had ze dan wel op school geleerd, maar haar ouders wisten wel beter. Natuurlijk was voor mij als buitenstaander te zien hoe haar ouders deze ideeën gebruikten om haar te manipuleren. Ze had immers niet de vrijheid om zelf over haar gedachten te oordelen en te kiezen of ze ze werkelijkheid wilde maken (door ze uit te voeren of uit te spreken). Hierdoor waren haar ouders in staat om haar van alles wijs te maken - en andere mensen ook. Zoals je een kind van alles kunt wijsmaken. Een kind heeft ook nog niet geleerd dat het zijn ideeën mag toetsen en mag wijzigen, dat het zelf ‘eigenaar’ is van de eigen binnenwereld. En dat het zelf verantwoordelijk is voor hoe de binnenwereld de buitenwereld beïnvloedt. De ouders van degene met wie ik sprak, hadden haar doen geloven dat die verantwoordelijkheid bij hen lag, en niet bij haar.
Ik zag een sterke overeenkomst met hoe ik was opgevoed in de evangelische kerk. Want ik had hetzelfde ‘magische’ idee meegekregen, namelijk dat als er een bepaald verlangen of idee in mij opkwam, dat gelijkstond aan het plegen van een zonde. De gedachte had dezelfde morele lading als de daad zelf. Ik kan echter niet verantwoordelijk zijn voor de gedachten die in mijn opkomen, ik kan niet verantwoordelijk zijn voor waar ik naar verlang. En dus moest ik ook mijn innerlijke leven, mijn verbeelding, laten beoordelen door de kerk, door de leer. De mening van anderen was altijd belangrijker dan die van mij. Ik mocht niet vertrouwen op mijn eigen denken, of mijn waarnemingen. De wetenschap werd gewantrouwd, de kerk was de enige bron van zekerheid. De kerk nam dus de rol van een ouderfiguur in. Ik moest elke gedachte wegen naar de normen van de kerk, en als er een verkeerde tussen doorglipte, moest ik boete doen en om vergeving vragen alsof ik een misdrijf begaan had. Ik stopte bijvoorbeeld met het tekenen van stripverhalen samen met mijn broer, omdat er wel eens mensen in doodgingen (de hoofdpersoon was Ewout Jansen, geheim agent 008), en een verhaal schrijven waarin iemand doodging, was gelijk aan iemand vermoorden. Maar ik mocht ook geen verlangen voelen naar een vrouw! Want dat verlangen stond gelijk aan overspel! Dus bij elk glimpje verlangen dat opborrelde, ging ik doen wat de kerk mijn voorschreef: bidden, bijbel lezen, evangeliseren - alles om maar als een ‘goed christen’ te worden gezien. Door mij in het magische denken van een kind te houden, kreeg de kerk voor elkaar dat ik me voor haar inzette en haar doelen boven de mijne stelde. Net als degene met wie ik sprak over misbruik de doelen van haar ouders diende, en hun vernederende woorden en daden heel lang accepteerde, omdat ze geestelijk gezien een kind werd gehouden, en haar verantwoordelijkheid door hen was overgenomen. Het is manipulatie!
Ik ben geen kind meer. Ik doe niet meer automatisch alles wat in mij opkomt. Ik ben verantwoordelijk voor mijn daden. Ik kan ervoor kiezen anderen met respect te behandelen als waardevolle individuen. Ik kan beslissen God lief te willen hebben boven alles, en mijn naaste als mezelf. En dat betekent dat ik ook vrij ben in mijn denken. Ik hoef niet meer politieagent te zijn voor alles wat in mijn opkomt, of alles zomaar te delen. Ik mag alles denken, en vervolgens kiezen wat ik ervan wil zeggen of in praktijk brengen. Dit las ik op een forum: “There's a (very false) assumption in society that what we imagine is what we want, unconsciously or consciously. As anyone who's been through proper treatment for intrustive thoughts will tell you, a thought or an imagining does not equal a desire. The imagination is mental play for people of all ages. It allows us to have experienes we might not otherwise have "in real life," as it were. I can enjoy imagining being a double agent on a deadly mission to preserve world peace or something, whether it's all in my own head or with the aid of a piece of media. But I'll be damned if I ever do such a thing in real life, no only for the complete lack of plausibility, but because it's not something I have the least bit of interest in pursuing.” Het verhelderde een boel! Dit had ik in de kerk echter niet geleerd! De kerk was er nooit van uitgegaan dat ik voor mijn eigen handelen verantwoordelijk zou kunnen zijn. De kerk vertrouwde me niet. De kerk wilde mij een kind houden.

Let er overigens op dat er in beide gevallen, bij ouders die schuldig zijn aan misbruik, en bij een controlerende, fundamentalistische kerk, een sterk transactioneel element in de relatie zit. De relatie tussen kind en ouder is immers ongelijk. Het kind kan de ouder boos maken, en verdient dan straf. Of het kan de opgedragen karweitjes doen, en dan beloond worden. En als het niet de karweitjes doet, dan zwaait er wat. Voor het kind voelt dit als absoluut, omdat het in alles van de ouder afhankelijk is. Het kan niet op eigen benen staan. Dus moet het gehoorzamen. Het kan niet in twijfel trekken wat de ouder zegt. Een goede ouder zal dat wel toelaten en het kind eigen keuzes laten maken, maar een slechte ouder doet dat niet, omdat die zo macht over het kind behoudt (waardoor de opvoeding bijvoorbeeld makkelijker wordt). Ikzelf was bijvoorbeeld tot in mijn twintiger jaren heel bang dat een van mijn ouders boos op mij zou worden, bijvoorbeeld als ik een laag cijfer zou halen tijdens mijn studie, of als ik mijn baan zou kwijtraken. Ik ging, ook al was ik wat leeftijd betreft al lang volwassen, met hen om als was ik een klein kind en kon ik hun goedkeuring of acceptatie verdienen door aan hun verwachtingen te voldoen. En daardoor liet ik me door hen controleren en was ik niet in staat mijn eigen leven te leiden. Zoals ik me ook lange tijd door de kerk liet controleren in plaats van mijn eigen prioriteiten te stellen.
De laatste tijd is mijn relatie met mijn ouders echter enorm verbeterd. Ik heb namelijk besloten dat ik van mijn kant als volwassene met ze wil omgaan. Dat wil zeggen dat ik mezelf zie als verantwoordelijk voor mijn eigen leven, voor mijn eigen keuzes. Ik hoef geen verantwoording meer aan ze af te leggen, ook niet voor mijn overtuigingen of plannen. Ik heb er lang genoeg over nagedacht, en ben niet kinderlijk impulsief. Ik vertrouw mezelf. En ik verwacht van hen niet meer dat ze mij moeten goedkeuren, of dat ze het eens moeten zijn met alles wat ik doe of denk. Zij zijn ook volwassen, hebben hun eigen overtuigingen en voorkeuren, en die wil ik respecteren. Mijn ouders mogen zichzelf zijn. Maar ik zal ook mezelf blijven. Als volwassenen van beide kanten kunnen we elkaar in de ogen kijken, en met elkaar praten en van elkaar leren. En soms botsen we, en zijn we het niet met elkaar eens, maar dat kan als volwassenen!
Van mijn kant ben ik minder transactioneel geworden, maar meer sacramenteel. Ik wil mijn liefde voor mijn ouders laten zien, niet om door hun bevestigd te worden, maar omdat ik van ze houd. En dus spreken we soms iets af, gaan we bijvoorbeeld naar de stad of het museum. Maar als dat een paar maanden niet gebeurt, voel ik me ook niet schuldig. Van mijn kant uit probeer ik hun liefde ook te zien in wat ze doen en zeggen, en het niet op te vatten als een transactie, waarbij ze in ruil voor hun acceptatie van mij een ‘braaf’ gedrag verwachten. Het is voor mij een bevredigende ontwikkeling. Ik zie bijvoorbeeld steeds meer eigenschappen in mijn ouders die ik van mezelf herken, en kan ze steeds meer als mens waarderen. Maar ook mijn ouders zij er volgens mij blij mee, want ze zijn net als ik veel meer ontspannen als we bij elkaar zijn, durven vrijer te lachen, en durven ook vaker contact op te nemen. Ja, ze genieten ervan om met een volwassen zoon om te gaan.

Deze ervaring heeft me ervan overtuigd dat God ook belang hecht aan een volwassen relatie met ons. Ja, we blijven zijn kinderen (ik blijf ook kind van mijn ouders), maar dat wil niet zeggen dat we kinderlijk blijven. Jezus noemt ons niet langer zijn slaven, maar zijn vrienden. En in Galaten zegt de wet toezicht op ons hield, als op minderjarige kinderen, “maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht” (Galaten 3:25). In het Oude Testament gaat God met zijn mensen niet om als met kinderen, maar als met vrienden. Hij discussieert met Abraham, met Mozes, met Job. Hij blijft in die gesprekken zichzelf, maar hij laat hen ook zichzelf blijven. Hij accepteert het als ze weerwoord geven, maar laat ook zijn eigen glorie zien als ze hem in twijfel trekken. De vonken vliegen er soms van af! Maar, zoals God tegen Mozes zegt in de bioscoopfilm van laatst: “And still, here we are, talking …
In de Joodse geloofsbeleving is het veel gebruikelijker om met God te discussieren. Er zijn zelfs gevallen bekend van een rechtszaak tegen God, zelfs na de holocaust, waarbij de deelnemers besloten dat God wel wat uit te leggen had. En waarna ze daarna gewoon gingen bidden. Op deze manier met God omgaan is alleen mogelijk op basis van wederzijds respect, en dat is sacramenteel, niet transactioneel. Door zijn onvoorwaardelijke liefde creëert God een speelveld waarin wij daadwerkelijk vrij zijn. Waarin we mogen experimenteren, fouten maken, en van onze fouten leren. Waarbij we onze grenzen mogen ontdekken, en ontdekken wat onze verlangens zijn. Waarbij we mogen opgroeien. Want dat is nodig om volwassen te worden. Zoals goede ouders hun kinderen als tieners liefdevol de vrijheid geven een eigen identiteit te ontwikkelen, door ze duidelijk te maken dat hun liefde niet voorwaardelijk is, zo doet God het met ons ook. Hij is als de vader in de gelijkenis, die de armen opent om ons thuis te verwelkomen, wat we ook hebben gedaan. Hij respecteert altijd onze keuzes.
Wat is de rol van de kerk hier dan in? De kerk is, als het goed is, de plek waar we herinnerd worden aan die onvoorwaardelijke liefde van God, die ons in onze identiteit kan brengen. De kerk stelt, als het goed is, geen voorwaarden en houdt ons niet kinderlijk, maar biedt ons de tekenen aan van Gods liefde aan. In het woord, in brood en in wijn. Dat zijn de zichtbare tekenen van de onzichtbare waarheid, die altijd waar is, ongeacht wat zichtbaar is, namelijk dat God van ons houdt, en ons uit de dood weer levend maakt. Het enige dat van ons gevraagd wordt, is onze handen op te houden en het te ontvangen. Om ‘Amen’ te zeggen als de bedienaar van het sacrament zegt: ‘Dit is het lichaam van Christus’, of ‘Dit is het bloed van Christus’. Niet ‘Dank je wel’ - dat zou weer een transactie suggereren, en dat is hier niet aan de orde. We zeggen: ‘Zo is het’, want zo is het. God houdt van ons, of we nu dankbaar zijn of niet. En dan mogen we in de zekerheid van die liefde de kerk weer uitgaan en gaan leven.
Als Gods volwassen kinderen. 

zondag 23 november 2014

Filmbespreking: The Hunger Games - Mockingjay part 1

Een paar weken geleden bezocht ik een goede vriend. In de koffiezaak op het station hebben we bijna een hele middag zitten praten. Het is een goede vriendschap als dat mogelijk is, ook als je over sommige onderwerpen verschillend denkt. Ik kijk dan ook altijd erg uit naar onze momenten samen. Omdat we soms van mening verschillen, word ik door onze gesprekken nogal eens aan het denken gezet. Dit keer was het niet anders. Mijn vriend hield zich namelijk bezig met de eindtijd. Hij had verschillende boeken gelezen over een nieuwe uitleg van de bijbelse profetieën. Hierbij was het idee niet langer dat de Europese Unie de antichrist zou voortbrengen, maar dat het grote rijk waar de profeten over spreken een verbond van moslimlanden zou zijn. Visioenen van Daniel over vier beesten zouden in verband kunnen worden gebracht met vier ruiters uit Openbaring en zouden niet gaan over rijken als Babylonie, Perzie en Macedonie, maar over vier toekomstige wereldrijken in het Midden-Oosten. De eerste daarvan zou al geweest zijn, dat zou de regering van Saddam Hoessein zijn geweest, die eindigde met de Golfoorlog. Deze verklaring zou een aantal nog niet eerder verklaarde zinsneden uit de bijbelgedeelten verduidelijken. Hoe mijn vriend het vertelde leek het heel overtuigend. Maar ikzelf bleef er onrustig bij. Ik heb vroeger ook veel boeken over profetie gelezen, en kon alle gedeeltes uitleggen tot een spoorboekje voor de toekomst. Maar er kwam niks van uit. En bovendien leidde deze fascinatie met de eindtijd bij mij meer tot angst en onrust met betrekking tot de wereld en mensen om mij heen, en een gevoel van tekortschieten met betrekking tot mezelf, want Jezus kon elk moment terugkomen, en was ik dan wel ‘klaar genoeg’? En terwijl mijn vriend deze nieuwe theorie uiteenzette, waar hijzelf voor 90 procent zeker van was, voelde ik dezelfde onrust.
Later op dezelfde dag vroeg ik mijn vriend waar hij zijn fascinatie met de eindtijd vandaan had. Hij bleek ertoe geïnspireerd te zijn door een belangrijk iemand in zijn jeugd. En die was eindtijddeskundige geworden, toen hij tot bekering kwam. Na een gesprek met iemand uit de Vergadering van Gelovigen. De gemeente waarin ik ben opgegroeid. De puzzelstukken vielen op hun plek. Het was voor mij een echt ‘aha’-moment. Daar kwam mijn gevoel vandaan, zelfs terwijl de beleving van de ‘Vergadering’ via meerdere generaties verdund was, in de overtuiging van mijn vriend zat nog genoeg om bij mij een allergische reactie tot stand te brengen.

Op reis terug naar huis moest ik bijna een uur in de bus zitten, omdat de trein niet reed, dus ik had de tijd om na te denken over ons gesprek. Ik realiseerde me dat ik de eindtijdbenadering zoals mijn vriend die voorstond eigenlijk heel gevaarlijk vind. Want deze uitleg van de profetieën verdeelt op dit moment al de wereld in goeden en slechten. In ‘wij’ versus ‘zij’. Christenen zien zichzelf in dit verhaal als een onderdrukte minderheid, en een andere groep wordt de onderdrukker, die ons wil uitroeien, en die wij zouden moeten bestrijden. In eerdere eindtijdscenario’s was het de Sovjet-Unie, de Rooms-Katholieke Kerk, de New Age, of verenigd Europa. Nu zijn het dus de moslims die worden neergezet als de vijand van het koninkrijk van God. Maar als je mensen neerzet als vijand, ga je ze behandelen als vijand. Zelfs mijn vriend had moeite om moslims lief te hebben, gaf hij toe, sinds hij in dit toekomstbeeld geloofde. Hij moest zijn best doen ze te zien als individuen, en ze niet verantwoordelijk te achten (bij voorbaat) voor de onderdrukking in de eindtijd. En hij is niet de enige: uit een recente enquête van de Evangelische Omroep zou blijken dat 14 procent van de christenen vindt dat als Jezus zegt dat we onze naaste moeten liefhebben, het niet om moslims gaat. Bizar! Alsof we nog niks van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan hebben geleerd. Maar dit is wat ‘wij’/‘zij’-scenario’s altijd doen. En zo creëren we vijandschap waar die eerst niet was. Op een reactie volgt een tegenreactie. De aanslagen op de Twin Towers (om een voorbeeld te noemen van een daad van onze ‘vijanden’) kwamen niet uit het niets. Er was een reden waarom de landen in het Midden-Oosten over de VS spreken als ‘De Grote Satan’. Ironisch genoeg zou dus kunnen blijken dat de vijandschap waarover deze bijbeluitleggers profeteren door hun eigen voorspellingen vergroot wordt. En ‘wij’, de ‘goeien’, graven ons in, proberen ons te beschermen, zorgen voor onszelf, en zoeken naar manieren om onze angst en bezorgdheid in te dammen. Bijvoorbeeld door zo ‘goed’ en ‘heilig’ mogelijk te worden. We gaan onze eigen identiteit beschermen, exclusief maken, we gaan onszelf ‘witter’ voordoen dan we eigenlijk zijn. De boeken van Frank Peretti zijn hier ook een voorbeeld van, met een wel heel ‘zwart-witte’ karaktertekening, die volgens mij het gevolg is van het verdelen van de wereld in ‘goeden’ en ‘slechten’ in een geestelijke strijd.

En de eindtijd is niet het enige leerstuk waarbij onder christenen paranoïde ideeën opgeld doen. Je hoeft alleen de CIP-site maar te lezen (waar ik hier geen link naar plaats). De schepping/evolutie-discussie is zo’n leerstuk: jonge aarde-creationisten neigen ertoe wetenschappers en christenen die de evolutie accepteren als vijand af te tekenen. Ze vermoeden een samenzwering die doelbewust feiten verkeerd interpreteert en een atheïstisch wereldbeeld verspreidt. En ze zien zichzelf als de enige echte, ware christenen. Maar door hun houding, zorgen ze er alleen maar voor dat mensen die serieus willen denken, een afkeer krijgen van christenen. In de Vergadering van Gelovigen, waar ik opgroeide, was het ‘not done’ om evolutie te accepteren. Er was wel meer ‘not done’. We zagen onszelf als de enige kerk die functioneerde zoals Jezus het bedoeld was. Onze ‘tafelgemeenschap’ was de enige onvervuilde en zuivere. Andere kerken waren of vrijzinnig, of hadden geen geloofszekerheid. Ze waren de ‘vijand’. Met andere christenen samenwerken was eigenlijk niet mogelijk (mijn opa kreeg kritiek toen hij meewerkte met het oprichten van de EO, omdat hij met andere christenen samenwerkte). Ik bad knielend voor mijn bed of de gelovigen uit andere kerken ‘het licht mochten zien’. En ondertussen was ik er maar wat trots op dat ik de juiste leer had. Ik was beter dan alle anderen. Ik realiseer me pas nu eigenlijk hoeveel sektarische trekken de kerk waar ik opgroeide, eigenlijk had. En alles doortrokken van een paranoïde geest.
Het is niet toevallig dat de huidige ‘eindtijdtheologie’ eigenlijk volledig teruggevoerd kan worden op de grondlegger van de Vergadering van Gelovigen: John Nelson Darby. Vandaar mijn ‘aha-erlebnis’. Ik realiseerde me opeens dat het ‘eindtijddenken’ een uitwas vormde van het paranoïde denken dat ten grondslag ligt aan een sekte, het is een idee dat het ‘wij’/zij’-denken in stand houdt, de eigen groep beschermt en anderen verdacht maakt. Het is ongezond. En onchristelijk.
Natuurlijk zijn christenen niet de enigen die in paranoïde ideeën geloven. Er zijn hele groepen mensen die hun kinderen niet vaccineren, omdat ze een samenzwering vermoeden onder dokters en farmaceuten. Als gevolg hiervan komen besmettelijke kinderziektes zoals polio en mazelen weer terug. Ziekten die veel grotere schade toebrengen dan de vermeende effecten van vaccinatie zouden zijn. En denk aan de klimaatsceptici, die zelfs al is 97 procent van alle klimaatwetenschappers ervan overtuigd dat menselijk ingrijpen leidt tot opwarming van de aarde dat toch niet accepteren. Ze houden vol dat het een samenzwering is van overheden om bedrijvigheid te beperken of vrijheden weg te nemen. Ze menen dat alleen zij de waarheid kennen, en dat dit hen een beentje voor geeft. Ze geloven in een ‘wij’/‘zij’-scenario. Het zijn allemaal samenzweringstheorieën. En het ‘eindtijddenken’ van christenen vertoont, net als het ‘jonge aarde-creationisme’, veel kenmerken van een samenzweringstheorie. Wat al deze samenzweringstheorieën, christelijk en niet christelijk, ook nog eens gemeen hebben, is dat ze zich verspreiden, niet door goed onderbouwde wetenschappelijke artikelen, maar door propaganda. Door folders, dialezingen, facebookberichten, met grote koppen, waarschuwende woorden, leuzen en slogans. Niet door rustige gesprekken en mensen die proberen elkaar te begrijpen. Want als je toch al weet dat je gelijk hebt, hoef je alleen maar zo hard te schreeuwen dat de ander zijn leugens niet kan laten horen.

Aan dit gesprek met mijn vriend moest ik denken toen ik afgelopen vrijdag de film The Hunger Games - Mockingjay part 1 in de bioscoop bekeek. Dit is een van de beste filmseries van dit moment, en een die veel te zeggen heeft over de tijd waarin we leven. Lees bijvoorbeeld mijn besprekingen van The Hunger Games, en The Hunger Games - Catching Fire. Ook deze film is weer mooi gemaakt, met overtuigende voertuigen, outfits en omgevingen (dit keer vooral het ondergrondse district 13), die een echte wereld suggereren. Die wereld wordt heel serieus genomen. Hier geen grappen en grollen, die afstand zouden creëren. Hooguit een glimlach om Effie Trinket, die de levensstijl van het kapitool niet helemaal kan loslaten. Maar de acteurs menen het. Helaas is Liam Hemsworth nog wel wat karakterloos en leeg. Maar Jennifer Lawrence compenseert het met een sterke hoofdrol. Ze speelt moedig een personage dat door de hel is gegaan en nu niet altijd meer redelijk kan reageren, die boos is, die twijfelt, die haar wereld dreigt kwijt te raken, maar toch, bijna ondanks zichzelf, weer betrokken raakt bij de gebeurtenissen. Ze trekt zeker de aandacht tot zich. Voor deze film is gekozen slechts een deel van het derde boek uit de serie te verfilmen. Wat de inhoud van het verhaal betreft is dat terecht. Ik had nergens het gevoel dat het verhaal ‘sleepte’, maar het einde kwam wel heel erg abrupt. Er wordt opgebouwd naar een climax, die in deze film niet volgt. Wel is het boek zo uitgebreid dat er een spannende slot scene is, maar die is wel heel ‘licht’ vergeleken met de vorige films. Ik denk dat deze film een heel stuk beter wordt als je direct de volgende film er achteraan kunt kijken!

Katniss Everdeen heeft de tweede hongerspelen overleefd. Maar op het nippertje. En al het geweld heeft zijn sporen achtergelaten. Ze wordt gillend wakker uit haar nachtmerries. De andere tribuut uit district 12, Peeta, is bovendien in de greep van het kapitool, en ze weet niet of hij nog leeft of niet. En dat terwijl ze zichzelf beloofd had hem te redden, zelfs als het haar eigen leven zou kosten. Als de president van het verborgen district 13 haar vraagt om een serie propagandafilms te maken, waarbij haar status als overwinnaar in de spelen zal worden uitgebuit om op te roepen tot verzet tegen de onderdrukkers, weigert ze aanvankelijk. Haar zus suggereert haar echter dat ze op deze manier Peeta zou kunnen redden. Dus laat ze zich omtoveren tot de ‘spotgaai’, en trekt ze met een vast camerateam op pad. In het heetst van de strijd weet ze echte emotie op te roepen. En de films blijken succesvol. Het kapitool heeft echter een troef achter de hand. Peeta verschijnt op televisie, en roept op tot vrede. En Katniss realiseert zich dat als ze doorgaat als de ‘spotgaai’, het lot van Peeta wel eens bezegeld zou kunnen zijn … de boosaardige president Snow belooft het haar: dat waar we het meest van houden, wordt onze ondergang.

Kijkend naar de film besefte ik me hoe manipulerend propaganda eigenlijk is. Zelfs als het gebruikt wordt door de zogenaamde ‘goeden’. Er is een hele filmbespreking te schrijven over de vraag of ‘district 13’ niet net zo slecht en onvrij is als het kapitool, alleen dan door een tegenreactie, zoals het communisme een tegenreactie is op het kapitalisme, en atheïsme op fundamentalisme. Maar dat aspect zal naar ik verwacht nog duidelijker zichtbaar worden in de volgende film. Nu wordt de kijker nog geacht in district 13 de hoop van een vrij leven te zien. Hoe dan ook, district 13 wil de andere districten oproepen in opstand te komen, en doet dat door het filmen van Katniss in haar rol als de ‘spotgaai’. Ze wordt opgedirkt, met een kunstig uniform en perfect haar, en in precies de juiste omgeving geplaatst, met digitale beelden en al. Katniss kan niet goed acteren, en daarom reist ze naar plekken waar strijd is of is geweest. Maar ook daar worden de omstandigheden zo gemanipuleerd dat de filmmakers de juiste beelden krijgen. Beelden die gebruikt kunnen worden voor een enkel doel: het ophitsen van het verzet. Is Katniss een realistisch beeld van een verzetsstrijder? Nee. Geen ander heeft zo’n uniform als zij. Het verzet wordt anders voorgesteld dan het is. Maar dat betekent dat de hoop die zij oproept bij haar kijkers ook een gemanipuleerde hoop is. Gemanipuleerd door district 13. En op basis van deze gemanipuleerde beelden zijn mensen bereid tot zelfmoordmissies. De film suggereert dat deze opgezweepte oorlog wel eens tot het einde van de mensheid zou kunnen leiden, en dat het hoe naar het kapitool ook is, voor ons voortbestaan beter zou kunnen zijn niet te vechten. Maar naar die woorden van wijsheid wil niemand meer luisteren. De propaganda werkt. De individuen die voor vrede hadden kunnen kiezen zijn gereduceerd tot pionnen in een spel. De hongerspelen zijn niet gestopt, ze zijn groter geworden. En iedereen is teruggebracht tot een enkele rol: die van vijand, of die van verzetsstrijder. Aan de andere kant wordt Katniss door dezelfde propagandafilms gereduceerd tot symbool. Ze mag niet bang zijn, niet kwetsbaar. Ze mag niet lijden aan post-traumatisch stress syndroom. Ze mag alleen nog maar gezien worden als de ‘spotgaai’. District 13 is overigens niet het enige machtsblok dat de waarheid manipuleert om mensen aan zijn kant te krijgen. President Snow doet hetzelfde. Hij weigert te spreken over rebellen, maar kiest zorgvuldig een woord voor zijn tegenstanders die hun verzet bagatelliseert.

Ik vroeg me na het kijken van de film af of we als christenen wel van ‘propaganda-achtige’ media gebruik moeten maken. Want propaganda is altijd manipulerend, opzwepend, bedoelt om je eigen beoordelingsvermogen te verzwakken, en je in actie te brengen voor het doel van de propagandamaker. En daarmee verdoezelt het de realiteit. Denk maar aan de propagandafilmpjes voor hongersnoden in Afrika. Ik heb nu het beeld dat heel Afrika een poel van verderf is waar altijd iedereen honger heeft, terwijl het steeds maar om gebieden gaat waar een korte tijd hongersnood heerst. De realiteit is niet zo als in de campagnes wordt afgebeeld. En als ik dat ontdek, ga ik ook de campagnes wantrouwen. Net zo geldt het met de onderwerpen die ik hierboven noemde. Nog even afgezien van de theologische onderbouwing van de verschillende eindtijdscenario’s, lijkt me het gevolg van het verspreiden ervan in strijd met de bijbel. Aan de vrucht herkennen we de boom, aldus Jezus. En angst, onrust en het zien van anderen als ‘vijand’ zijn niet wat hij voorstond. Als ik lees wat Jezus over de eindtijd zegt, is hij altijd ‘de-escalerend’. Hij zegt dat we niet naar oorlogen en hongersnoden moeten kijken als aankondiging van de eindtijd. ‘Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dat je dan niet verontrusten, die dingen moeten namelijk gebeuren, al is daarmee het einde nog niet gekomen.’ (Matteus 24:6). Hij waarschuwt voor het proberen te berekenen van de datum van zijn terugkomst. ‘Jullie weten niet op welke dag de Heer komt … de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht’ (v42,44). Hij weet zelf niet op welke dag hij zal terugkomen. ‘Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet en de Zoon niet, alleen de Vader’ (Marcus 13:32). Het zal zo plotseling zijn als een bliksem. ‘Zoals een bliksem licht geeft wanneer hij van de ene naar de andere kant van de hemel flitst, zo zal de Mensenzoon verschijnen’ (Lucas 17:24). Hij waarschuwt er ook voor om nu alvast de wereld in ‘goeden’ en ‘slechten’ te verdelen. In de gelijkenis van het graan en het onkruid zegt de heer die het zaad op de akker uitzaaide dat het graan en het onkruid beide samen moeten opgroeien tot aan de oogst, de voltooiing van de wereld. Zijn discipelen wilden maar wat graag alvast vuur uit de hemel laten neerkomen op de ‘slechteriken’, maar Jezus zei ze dat iedereen die niet tegen hem was, voor hem was (vgl Lucas 9:15). Hijzelf bad het over zijn vijanden, degenen die hem kruisigden: ‘Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen.’ Hij hield ons voor dat aan onze liefde voor elkaar iedereen zou zien dat we zijn leerlingen zijn (Johannes 13:35). In de bergrede noemt hij de vredestichters zalig. Vrede is zelfs een van de vruchten van de heilige Geest in Galaten 5. Dan zouden christenen dus ook vrede moeten stichten. Ja, hij spreekt over zijn wederkomst, zoals ook Paulus dat doet. Maar dat is niet om ons bang te maken, maar om ons gerust te stellen en hoop te geven. ‘Troost elkaar met deze woorden’ (1 Tessalonicenzen 4:18). De de-escalerende houding van Jezus blijkt in tal van bijbelverhalen. Zijn apostelen volgden hem daarin op. En daarmee veranderden ze hun wereld. Niet door propaganda, maar door het voorbeeld dat ze gaven van een ander leven, gesymboliseerd in brood en wijn, en doop.
De ironie in de eindtijdvisie van mijn vriend was hoeveel die leek op de retoriek van bijvoorbeeld fundamentalistische moslims, of van rabide atheïsten. Op eigenlijk elke andere propagandist of samenzweerder. Eigenlijk in niets te onderscheiden. En dat terwijl wij worden opgeroepen ‘geheel anders’ te zijn (Efeze 4:20 NBG). Ik denk dat we daarvoor meer kunnen leren van de radicale liefde en acceptatie van Jezus, dan van eindtijdtheorieen. Zelfs als die zouden blijken te kloppen. Want het gaat uiteindelijk niet om het ‘hoe’ en ‘wanneer’, maar om het koninkrijk van God. En dat is geen zaak van ‘eten en drinken [of van eindtijd-scenario's, JK], maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest’ (Romeinen 14:17).
Er is een de-escalerend karakter in deze film. Iemand die steeds eer blijk geeft van onvoorwaardelijke liefde. Die steeds bereid is zichzelf op te offeren, die in deze film zelfs tot in de diepste diepte afdaalt. Iemand die een prachtig beeld is van Christus. Zie daarvoor bijvoorbeeld deze analyse. Op hem wil ik lijken.

dinsdag 24 december 2013

God is niet de kerstman (1): het alziende oog ...

Vorige week zat ik nietsvermoedend te lunchen bij de Delifrance in Houten, verdiept in een boek (voor wie het weten wil: The Wise Man’s Fear van Patrick Rothfuss), toen ik op de radio een kerstliedje hoorde. Dat is in deze tijd van het jaar natuurlijk niet verwonderlijk. Het ging in dit geval niet om een mooie hymne, Stille Nacht of zo, maar om een Amerikaans liedje. Zo’n zoete, vrolijke met zo’n melodie die in je hoofd blijft hangen, zodat je hem dagen erna nog kunt neuriën, terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wilt. Tegen mijn zin in luisterde ik dus naar de tekst van deze ode aan de kerstman. ‘Santa Claus is coming to town’ heet het nummer. Van Mariah Carey, zegt google. Voor jullie educatie schrijf ik de tekst hieronder uit.

You better watch out
You better not cry
You better not pout
I’m telling you why

Santa Claus is coming to town (3x)

He’s making a list
He’s checking it twice
He’s gonna find out
Who’s naughty or nice

Santa Claus is coming to town (3x)

He sees you when you’re sleeping
He knows when you’re awake
He knows if you’ve been bad or good
So be good for goodness sake

So you better watch out
You better not cry...

et cetera et cetera ...

De rillingen liepen over mijn rug. Niet alleen omdat het zo’n klef, zeurderig liedje was. Dat speelde ook mee natuurlijk, maar vooral omdat het me deed denken aan hoe ik in de kerk over God heb geleerd. We leerden namelijk dat God alles zag wat we deden. Het verhaal van Jona werd daarvoor vaak aangehaald: Jona kon niet voor God vluchten. God zag hem ook midden op zee, in het ruim van de boot. Vluchten kon niet voor God. Waar de zwarte pieten van Sinterklaas alleen rond december rondwaarden om te kijken of kinderen wel braaf genoeg waren, hield God je elk moment van de dag, zeven dagen per week, in de gaten om te zien of je wel leefde volgens zijn bedoeling. Als we het hadden over films of televisie, zeiden we dat we ons moesten voorstellen dat God over onze schouder met ons meekeek. Zouden we dan wel dat ene programma kijken? En zouden we dan die naaktscène uit een James Bond film zomaar accepteren, of zouden we de TV uitzetten? Want waar je als tiener soms zaken voor je ouders verborgen wilt houden, wist je dat God nog veel strenger moest zijn dan zij. Hij is heilig. Stond er niet in de bijbel dat wij net zo volmaakt moesten zijn? Als God zag dat je iets verkeerds deed, zou hij boos op je worden. Of op zijn minst verdrietig. En de woede van God was nog angstaanjagender dan die van mijn ouders. Ik moest dus elk moment van de dag mijn best doen om niets te doen waarvoor ik straf verdiende.
Maar dat was nog niet het enige. God zag niet alleen wat je deed. Dat zou erg genoeg zijn. Maar uit onder andere Psalm 139 wisten we dat hij ook in onze gedachten kon kijken: ‘U weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. Geen woord ligt op mijn tong, of u HEER, kent het ten volle’ (vers 3 en 4). Mijn binnenwereld bleefniet voor hem verborgen. Hij wist niet alleen of ik goede of slechte dingen deed, maar ook of ik goede of slechte dingen dacht. Hij kende je fantasieën en verbeeldingsleven, de boosheid op pesters of het verlangen naar boeken. En ook daarover oordeelde hij. Als ik ergens meer naar verlangde (zoals naar het lezen van verhalen) dan dat ik naar God verlangde, was dat een verslaving. Als ik bang was om voor mijn geloof uit te komen, stelde ik God teleur. Als ik mijn pesters iets vreselijks wilde aandoen, gold ik al als een moordenaar, want volgens Mattheus 5 gold dat ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zich zal moeten verantwoorden voor het hemelse gerecht. Ik heb al eerder aangehaald wat datzelfde Bijbelgedeelte zei over begeerte. Ik moest dus niet alleen politieagent spelen over mijn daden, maar ook over mijn gedachten. Dat was gedoemd om te mislukken. Zoals een huisgenote in mijn studententijd een keer zei: ‘Een grote verbeelding en een streng geweten, dat is geen goede combinatie.’ Eigenlijk voelde ik me voortdurend tekortschieten en ik strafte mezelf alvast met schaamte en schuldgevoelens, omdat ik wist dat God mij moest oordelen. Ik was bang voor de kerstman, omdat ik wist dat ik niet braaf was geweest.

De kerstman in het liedje van Mariah Carey gebruikte externe motivatiemiddelen (straf en beloning) om het gedrag van kinderen te veranderen. De God waarin ik geloofde, deed hetzelfde. Maar was het maar zo eenvoudig. Het mooie van een wet of regel is natuurlijk dat je er met genoeg inspanning aan kunt voldoen. Dat verklaart het succes van de Farizeeën, die zelfs nog extra regels opstelden naast die uit het Oude Testament. Het is mogelijk braaf te zijn en met gebruik van je wilskracht de regels niet te overtreden. Het is mogelijk de tienden te geven van de kruiden in je tuin, zoals de Farizeeën deden, of je wijn te zeven zodat je niet per ongeluk een dood mugje zou doorslikken, zoals de Farizeeën deden. Met een beetje discipline kom je een heel eind. Je kunt aan je competenties werken, je kunt de resultaten behalen die je op je functioneringsgesprek hebt afgesproken, en dus aan het eind van het jaar je goede beoordeling en een bonus verdienen. Maar ik ben blij dat mijn werkgever bij die beoordeling niet kijkt naar mijn motivatie. Hij vindt het prima als ik hard werk uit angst om ontslagen te worden, of omdat ik meer geld nodig heb. Als het werk maar afkomt. Dit diepgewortelde transactionele denken (‘Voor wat hoort wat’) kleurt bewust (op kantoor) of onbewust (in families) al onze relaties.
Je ziet deze manier van denken geïllustreerd in de stripverhalen van Bill Watterson over Calvin en Hobbes. Daarin is kerst een terugkerend thema. Het zesjarige jongetje Calvin maakt zich rond de kerstdagen altijd heel druk. Hij wil heel graag cadeautjes, en heel veel (hij heeft steeds een erg lange lijst, op alfabet geordend). Maar hij ligt wakker omdat hij zich afvraagt of hij wel op de lijst met brave jongetjes van Santa Claus staat. Hij weet niet welke criteria Santa hanteert. Is het stout als hij een sneeuwbal teruggooit naar buurmeisje Susie? En als zij nou begon? Hij vraagt zijn speelgoedtijger Hobbes als zijn advocaat op te treden en een brief te schrijven aan de Kerstman om hem vrij te pleiten. Hobbes stelt voor om Calvin ontoerekeningsvatbaar te verklaren, maar Calvin zoekt liever naar een gaatje in de regels van de kerstman, zodat hij er tenminste nog goed van af kan komen. Calvins goedheid in de dagen voor kerst is hypocriet (zodra hij de cadeautjes binnen heeft, gooit hij weer vanouds sneeuwballen naar Susie). Het is de goedheid van een Farizeeërs. Diep van binnen is Calvin zich er echter van bewust dat hij bij de kerstman toch altijd zal falen. Want de kerstman voegt aan al zijn voorschriften over goed en slecht gedrag nog een oneerlijke regel toe: ‘So be good for goodness sake.’
Ik word bijna misselijk van dit ene regeltje, volgend op ‘He knows if you’ve been bad or good’. Die twee gaan namelijk niet samen. We leerden het over God ook, dat het hem ging om onze motivatie. Jezus maakt het in de Bergrede duidelijk dat we niet goed moeten zijn omdat we bang zijn voor straf, maar omdat we goed WILLEN zijn. We moeten van andere mensen houden, en daarom goed voor ze willen zijn. We moeten de zonde heel erg vinden, en daarom heilig leven. En God kon beoordelen of we wel uit de juiste motieven handelden. Hij keek immers in ons hart. En als we niet uit de juiste motieven handelden, was hij teleurgesteld en boos.
Volgens mij wordt dit in de psychologie wel een ‘double bind’ genoemd. In het Engels is er de uitdrukking ‘Damned if you do, damned if you don’t’. Je kunt het namelijk op deze manier niet goed doen. Want zodra je ermee bezig bent dat de kerstman weet wanneer je braaf bent geweest, of stout, zijn je motieven al niet meer oprecht. Dan ben je bezig om goed te doen uit angst voor straf. Maar je kunt ook niet doen wat je wilt doen, wat voortkomt uit je motivatie van binnenuit, omdat je weet dat de kerstman in de gaten houdt wat je wel niet doet! Als je denkt dat God je beoordeelt, als een chef die steeds over je schouders heenkijkt, ben je niet meer vrij om te doen wat je verlangt. Maar als je je eigen verlangen volgt, weet je dat je waarschijnlijk tekort zult schieten aan de eisen van God en dus straf verdient. Je kunt het gewoon niet goed doen.

Als je iets niet kunt, hoef je het ook niet, is een van de stelregels die ik mezelf heb aangeleerd. Ik ben namelijk nogal perfectionistisch en stel zware eisen aan mezelf. Eisen die ik niet kan halen, die menselijk gezien zelfs onmogelijk zouden zijn. Die moet ik daarom relativeren. Ik kan niet vijftig boeken lezen per jaar, dus hoef ik het ook niet van mezelf te verwachten. Ik kan niet zes afspraken hebben in een weekeinde en toch goed blijven slapen, dus hoef ik dat ook niet van mezelf te verwachten. Zo is het op dit punt ook. Maar dat betekent dat we moeten accepteren dat we niet aan Gods verwachtingen kunnen voldoen. Op geen enkele manier. En dat is moeilijk. Want het idee dat we het geschenk van het eeuwige leven niet kunnen verdienen stuit ons tegen de borst. Het transactionele denken zit diep geworteld!

Wordt vervolgd

zaterdag 23 november 2013

Filmbespreking: Catching Fire

In haar bespreking van de film op Christianity Today maakt Alissa Wilkinson een heel goed punt met betrekking tot de commerciële aandacht rond dit tweede deel uit de Hunger Games-serie. Make-upfabrikanten maken nieuwe lijnen gebaseerd op karakters uit de film, terwijl Subway broodjes verkoopt met een Hunger Games thema en mensen een eigen ‘overwinningstocht’ laat winnen. Ik zag de stickers op de ramen van de winkels in Londen en voelde me er net zo ongemakkelijk bij als de schrijfster van de recensie. Want de film wordt op deze manier deel van het commerciële systeem, en niets anders dan een product om geld te verdienen van tienermeisjes. Alsof het zo’n aanlokkelijk perspectief zou moeten zijn om een overwinningstocht te houden (voor de karakters in deze film is het echt geen feestje), of om met kleurrijke make-up te worden tentoongesteld (karakters in de film worden opgetut om op een feestje te verschijnen van de onderdrukkende minderheid in het kapitool, maar stellen teleur en moeten daarom de arena weer in). Dat zou de kijker van de film helemaal niet moeten willen nabootsen. Het idee van een Hunger Games-themapark is al helemaal vreemd. Dit zijn nu juist geen films die de kijker zelf zou (moeten) willen uitleven (zoals de Harry Potter-films. Een Harry Potter-themapark is juist logisch). Het zijn juist waarschuwende films, die de kijker blij achterlaten dat hij of zij niet woont in deze wereld, en niet hoeft mee te vechten in de Hunger Games. Alhoewel ... De boodschap van de film is ook dat we al meedoen aan de hongerspelen, of we dat nu willen of niet, al zijn die misschien in de wereld waarin wij leven niet zo makkelijk herkenbaar als die van de film. Hij bevat echter ook de boodschap dat zolang er sprake is van hoop, angst ons nooit definitief onderdrukt kan houden. Alle commercialiteit om de film reduceert de film echter zelf tot instrument van het kapitool, de film wordt gebruikt om ons meer en langer te laten meespelen met de hongerspelen, en wordt zo ontdaan van zijn kritische kant. De film wordt een lokmiddel om je ertoe te brengen fast food te kopen en naar dure make up te verlangen.
De ironie daarvan is wel heel diep. Want de inwoners van het kapitool zijn juist daarmee bezig: eten (ze hebben zelfs drankjes waardoor ze gaan overgeven, want als je niet overgeeft kun je nooit alles proeven), en kleding en make-up (de inwoners van het kapitool dragen wel heel uitbundige kostuums, en naar wat ik heb begrepen doen ze in de boeken ook aan uitgebreide plastische chirurgie). De commercie rond de film roept mensen dus op om belangrijk te vinden wat het kapitool belangrijk vindt. Niet wat werkelijk belangrijk is of waardevol. En daarmee roept de commercie de kijker dus eigenlijk op om de film te kijken zoals de inwoners van het kapitool in de film zelf naar de hongerspelen kijken: als entertainment en vermaak. En om de karakters in de film te zien zoals de inwoners van het kapitool ze zien (zoals we blijkens de roddeltijdschriften al naar 'celebrities' kijken), als mooie mensen die niets met ons te maken hebben, maar wiens leven (met liefde en trouwjurken in het vooruitzicht) wij ook zouden willen leiden. En vooral om ons er niet door te laten raken. Want als we ons door deze film zouden laten raken, zouden we zelf wel eens in opstand willen komen tegen de structuren van onze samenleving die ons reduceren tot radertjes in het mechaniek, die ons alleen maar zien als eenheden die bijdragen aan het voortbestaan van het onpersoonlijke grote geheel.
Ik zeg niet dat het verkopen van producten rond een film verkeerd is en ik snap ook dat bedrijven geld willen verdienen. Ik heb zelf ook een Hunger Games-aanschaf gedaan: een grote poster, waar hoofdpersoon Katniss op staat met pijl en boog, en de leus: ‘Remember who the real enemy is’ (zie hier bovenaan). Want deze poster roept mij niet op om net als Katniss aan de hongerspelen te willen meedoen, maar om in actie te komen tegen de echte vijanden: de maatschappelijke overtuigingen die mij laten mee rennen in de ‘rat race’, die me ertoe brengen andere mensen als ‘other’ te zien, als vijanden, en om alleen te geven om mijn eigen imago en indruk. Dat is een boodschap waar ik aan herinnerd wil worden.

Het feit dat ik de poster heb besteld, zegt hopelijk al genoeg over wat ik van de film vond. Een waardige opvolger van de eerste film. Een stuk beter zelfs. Misschien een beetje aan de lange kant en hetzelfde gold, wat gold voor de eerste film, dat het door het grote aantal karakters niet altijd makkelijk was om betrokken te zijn bij alle figuren. Bijvoorbeeld scenes waarbij de hoofdfiguren probeerden allianties te sluiten met andere spelers waren te snel voorbij. Verschillende karakters moesten het met een of twee momenten doen om de sympathie van de kijker voor zich te winnen. Maar vergeleken met de eerste film werkte het in deze al een stuk beter. En het lijkt erop alsof we in de volgende film veel dezelfde karakters terugzien, en dat zal zeker helpen bij het opbouwen van gevoel. De aankleding van de film is ook beter dan in de eerste film. Prachtige natuurbeelden (van vorst), en aan Rome refererende beelden van het kapitool. Goed opgezette actiescènes, waarbij ik goed kon volgen wat er gebeurde. En opnieuw werd geweld zo in beeld gebracht dat het niet verheerlijkt werd, en de afkeer van de vechters van wat ze moesten doen duidelijk was. Dit is een moeilijke scheidslijn om te bewandelen, merk ik ook bij de verhalen die ik zelf schrijf, maar hier is het goed gelukt! Verder is de film erg goed geacteerd. Jennifer Lawrence heeft vorig jaar een oscar gewonnen, maar ook in deze film toont ze haar acteertalent ten volle. Ze geeft Katniss zeker een innerlijke kracht mee, maar toont ook haar kwetsbaarheid. Dit is iemand die door de vorige hongerspelen is getekend. Josh Hutcherson die Peeta speelt blijft een beetje vlak. Maar misschien hoort dat bij het personage. Andere acteurs zijn weer erg goed, hoewel hun rollen soms wat eendimensionaal zijn, zoals Donald Sutherland als de niet zo heel sympathieke president Snow. Een confrontatie tussen Katniss en de president aan het begin van de film was echter wel weer een heel sterk gespeeld moment. Deze film gaf mij het verlangen om zelf ook weer meer te gaan schrijven. En dat is een van de grootste complimenten die ik een film kan geven. Ik ga hem zeker nog vaker kijken. Al was het alleen maar om mezelf eraan te herinneren wie de werkelijke vijand is.

De film begint bijna een jaar na de hongerspelen uit de eerste film. Hoewel volgens de regels maar een speler de arena kan verlaten, zijn Katniss en Peeta samen uit de strijd gekomen. Ze hebben gedurfd het systeem uit de dagen en hebben daarin gelijk gekregen. Dit wordt door mensen in de armere districten gezien als verzetsdaad. Als Katniss en Peeta in opstand kunnen komen, dan zij ook. Zij verzamelen zich achter het symbool van Katniss, de ‘Mockingjay’. De president van Panem ziet het ook. En hij wil het verzet in de kiem smoren. Door het einde van de hongerspelen in beeld te brengen als romantische liefde tussen Katniss en Peeta, in plaats van verzet tegen het systeem, hoopt hij Katniss te gebruiken juist als symbool van het systeem. Ze heeft iets gepresteerd, ze heeft succes gehad, ze heeft gewonnen - nu moet ze voor de rest van haar leven het systeem terugbetalen. Door te doen alsof. Alsof ze blij is met de overwinning en niet lijdt aan post traumatische stress, alsof ze werkelijk verliefd is op Peeta en niet op Gale. Dat is een extra bron van stress voor Katniss, maar de president bedreigt haar familie, en ze kan niet anders. Ze kan daarom ook niet anders dan meedoen met de nieuwe hongerspelen die worden georganiseerd. Hongerspelen waaraan alleen winnaars uit eerdere hongerspelen kunnen meedoen. Dat betekent snellere, sterkere en meer zelfverzekerde tegenstanders. Bovendien is er in het kapitool een nieuwe spelontwerper aangetreden, de sluwe, intelligente Plutarch Havensbee, die van de president de opdracht heeft gekregen Katniss in de spelen te laten omkomen.

Zoals de meeste krachtige dystopieen gaat deze film over de macht van structuren en organisaties over individuele mensen, en hoe deze in stand wordt gehouden. Als blauwdruk dient Rome, met zijn brood en spelen (Panem et circenses). Gezien de vele overeenkomsten tussen Panem en onze eigen maatschappij (de rol van ‘reality TV’, de roddel over celebrities, de alom aanwezige camera’s, de rijke 1% en de arme 99%) is de boodschap van de film dat onze eigen maatschappij ondanks onze ogenschijnlijke vrijheid, in werkelijkheid een net zo onderdrukkende macht is als het oude Rome. We zijn net zo min vrij als de onderdanen van Rome. We zijn niet alleen onvrij, we zijn zelfs medeplichtig. De eerste film refereerde er al aan dat als niemand naar de hongerspelen zou kijken, ze niet meer gehouden zouden worden. Maar waar die film onze eigen verantwoordelijkheid aan de kaak stelde, kiest deze film een andere insteek. Deze film laat de technieken zien waarmee de consumptiemaatschappij ons onze verantwoordelijkheid ontneemt. Hoe we worden ingelijfd bij het systeem. En dat gebeurt door angst.
Als individuen hebben we een identiteit. We laten iets zien aan de wereld, we dragen iets uit naar anderen. We hebben betekenis, dat wil zeggen: we zijn een teken, ons leven is een teken van onze waarden en onze overtuigingen. Op die manier heeft ons leven een effect op anderen, we maken indruk. In bijbelse termen: we zijn ‘beelddragers’. Als we vrij zijn, is dit een glorie, een indruk waar we zelf voor kiezen, die past bij ons. Als mensen met ons omgaan, laten ze ons onze betekenis uitstralen, respecteren ze die, zonder op te houden zelf hun eigen licht te laten schijnen. Maar we leven in een wereld waar mensen niet altijd op basis van gelijkwaardigheid met elkaar, met andere beelddragers, omgaan. We leven in een wereld waar mensen zichzelf boven anderen stellen. De individualiteit van de een wordt ondergeschikt aan die van de ander. Iemand is niet vrij zijn eigen betekenis te hebben, zijn of haar leven verwijst naar een ander. De machthebber bepaalt wat iemand  laat zien. De daden en woorden van de persoon staan in dienst van de overheerser. Om dit te bereiken moet een machthebber een systeem gebruiken, een organisatie, een structuur. Want mensen zijn oorspronkelijk vrij, oorspronkelijk zichzelf. Ze verliezen die individualiteit pas als hun keuzes en beslissingen worden beïnvloed, niet door zichzelf, maar door factoren van buitenaf. Niet langer door hun eigen verlangens, maar door beelden van buiten. Door bedreigingen met straf, of beloften van beloning, door leugens en manipulatie.
Dit systeem kan heel duidelijk zichtbaar zijn - zoals in het oude Rome, of bij plekken op Aarde waar nu nog slavernij voorkomt. Daar weten mensen dat ze onvrij zijn, bevinden ze zich soms letterlijk in ketenen, en is het heel duidelijk wie er voordeel heeft van deze situatie. Het zichtbare ervan is direct gevaarlijk voor de machthebbers, daarvan getuigen de opstanden van slaven en de machtsgrepen, denk aan Spartacus. Beter is het daarom als het systeem verborgen is en het niet direct duidelijk is wie de machthebbers zijn en hoe ze er voordeel van hebben. Dit is volgens mij in onze maatschappij aan de hand. En in veel kerken. We zijn, soms zonder het te weten, deel van een systeem, een systeem van beloften en bedreigingen, van regels en uitzonderingen, waar we ons geld aan besteden en onze tijd voor inzetten. En bankdirecteuren, bedrijfseigenaren, et cetera, plukken daarvan hun vruchten. En in kerken bijvoorbeeld voorgangers of leiders. Wij krijgen betaald voor ons succes, in de vorm van salarisverhoging op het werk, een betere hypotheek, of de benoeming in een commissie in de kerk. Maar het gevolg daarvan is alleen dat we nog meer vrijheid kwijt raken en nog meer deel worden van het systeem. Wie zijn baan wil houden, moet bijvoorbeeld erg oppassen wat hij deelt op social media. Ik moet twee keer nadenken voor ik mopper op mijn werk, ik kan niet vrij delen waar ik over nadenk want mijn werkgever kan het zien. Onze telefoon wordt afgeluisterd door de NSA en ik kan niet meer vrij delen hoe ik over overheden denk. Ik kan in de kerk niet vertellen hoe ik over organisatie als de kerk denk, want anders raak ik ook daar mijn privileges kwijt. Om mijn succes te behouden, als werkgever, als burger, als kerkganger, moet ik zeggen en doen wat de machthebber wil dat ik zeg en doe. Ik moet doen alsof ik heel tevreden ben, alsof ik enthousiast ben over wat ik doe, alsof ik niet kan wachten om naar de kerk te gaan, om mee te kunnen blijven draaien. Ook als ik het totaal anders voel. Want anders raak ik mijn salaris, mijn huis, mijn plek als gelovige kwijt. Zoals Katniss moet doen alsof ze van Peeta houdt en blij is met het systeem van Panem, anders raakt ze haar familie kwijt. Dus laat ze zich optutten, draagt een bruidsjurk en juwelen en glimlacht naar de camera, hoewel dat helemaal niet is hoe ze is en hoe ze zich voelt. Haar betekenis is overgenomen door het systeem.

Ik noemde al de bruidsjurk. De film laat namelijk ook zien wat de weg naar de vrijheid is. Namelijk door het systeem dat jou heeft opgeslokt te subverteren en de technieken van het systeem daartegen te gebruiken om niet angst te laten zien, maar hoop. Want angst kan niet in zijn opzet slagen, zolang er hoop is. In een sleutelscène in de film brandt de trouwjurk van Katniss weg en verschijnt een jurk in de vorm van de ‘mockingjay’, een beeld van het verzet. Kledingontwerper Cinna heeft zich gehouden aan het systeem - hij heeft een jurk ontworpen, precies zoals zijn opdracht was, maar een jurk die refereert aan andere waarden dan die van het systeem. Een jurk die refereert aan een symbool van hoop. Hoop op vrijheid, op een toekomst zonder onderdrukking. De hele TV-uitzending waarin Katniss deze jurk moest dragen, wordt tegen het systeem gekeerd. De winnaars die eigenlijk tegen elkaar strijd zouden moeten leveren, houden elkaars handen vast en tonen eensgezindheid. Het publiek begint afkeer te tonen van de hongerspelen als de mensen zien dat het individuen zijn die dood zullen gaan, en niet alleen levenloze symbolen in dienst van het systeem. Geen ‘avatars’ van Panem, maar mensen van vlees en bloed zoals zij. Zo kunnen ook wij niet direct ontsnappen aan het systeem. We kunnen niet uit de wereld weggaan. Maar we kunnen het systeem wel subverteren. We kunnen de media gebruiken om een andere boodschap te brengen, die hoop biedt, die van binnenuit harten kan veranderen. En in de kerk kunnen we zodra we de kans krijgen de kanalen die gebruikt werden om van bovenaf tot mensen te spreken om ze in gareel te houden en te zorgen dat ze veel geld in de collecte doen, nu gebruiken om de boodschap van genade te brengen, van onvoorwaardelijke liefde, van acceptatie. Ook als we in het systeem zitten en op het punt staan de arena in te gaan kunnen we elke kans aangrijpen om de boodschap te brengen die er tegenin gaat, namelijk dat er hoop is buiten dat systeem.
De machthebbers zullen er niet blij mee zijn. Ze zullen willen proberen ons tot zwijgen te brengen. Ze zullen ons de arena in smijten. De arena die (mooi beeld) in deze film is gesitueerd onder een ondoorzichtige koepel. Een afgesloten wereld. (In de fimbespreking waar ik in het begin van deze recensie naar verwees wordt de link gelegd dat de wereld van het kapitool van Panem net zozeer een arena is als die van de hongerspelen, en dat onze eigen kapitalistische wereld dus ook een arena is, een waarin we een strijd op leven en dood voeren om in leven te blijven, terwijl rijke bedrijven en machthebbers daarvan de vruchten plukken.) Maar een wereld waarbuiten een heel andere werkelijkheid is.
In een dramatische scene wordt de koepel opengebroken en schijnt een straal licht van buiten naar op Katniss onder de koepel. De wereld van buiten dringt door. En terwijl de waarheid van buiten, van schoonheid, waarheid en intimiteit, van het grote verhaal, zichtbaar wordt voor de spelers onder de koepel, wordt tegelijk het systeem ontmaskerd voor de mensen daarbuiten. Voor de kijkers naar de hongerspelen. De kunstmatigheid wordt ontmaskerd, de manipulatie wordt zichtbaar. De illusie is doorbroken.
Dat kost echter wel wat. In een betekenisvol beeld wordt Katniss omhoog getakeld en heeft ze haar armen naar opzij gestoken in een duidelijke verwijzing naar het kruis van Christus. Volgens de bijbel was Jezus’ dood aan het kruis een gebeurtenis waarbij de overheden en de machthebbers van de wereld werden ontwapend, waarbij openlijk over hen werd getriomfeerd. Ze leefden al hun macht op Jezus uit, troffen hem met de bliksem van hun woede en manipulatie. Hij ging eraan ten onder, maar hun middelen hadden niet het laatste woord. Jezus werd uit de dood opgewekt. En zo bleek hun machteloosheid. Hun zogenaamde kracht was een illusie. Het systeem van de wereld viel voor eens en altijd in duigen.

Het is een illusie te denken dat het systeem (ook dat van de kerk) zal verdwijnen zonder dat er offers gebracht hoeven te worden. Katniss ging er bijna aan ten onder. Ook wij zullen er niet zonder kleerscheuren van afkomen, als we voor de vrijheid willen gaan. Maar  wij volgen Jezus, die al heeft laten zien dat het systeem  niet het laatste woord heeft, dat het uiteindelijk overwonnen zal worden. Waar hij ons toe oproept is om ons niet door het systeem te laten inlijven, maar te leven als vrije mensen, om ons leven werkelijk betekenis te geven, door het te leven voor anderen, voor schoonheid, waarheid en liefde, voor het grote verhaal. Doordat wij onszelf zijn, krijgen anderen hoop en worden ook vrij, en wordt het systeem ontmaskerd en komt ten val. En deze boodschap brengen we midden in het systeem, via de kanalen die het systeem ons biedt. Zo subverteren we het systeem dat ons probeerde voor zijn karretje te spannen.

maandag 16 september 2013

Gedicht: Valse herders

Valse herders

Ik ben te vaak geslagen
in uw naam. De stok
kwam telkens neer als ik
mij roerde, strafte mij
voor individualiteit.
Als ik mijn werk deed, kreeg ik
eten, water als ik lachte.
Ruw werd ik in de mal gedrukt
die uit uw woord was afgeleid.

Mijn meesters droegen uw gezicht
als masker, geloofwaardig.
Zo leerde ik het vrezen,
pijn te verwachten
als ik u zie, maar niet
het laten blijken,
doen alsof ik heilig ben,
terwijl ik sidder in het donker
waar mijn ziel zich heeft verstopt.

Als u roept moet ik wel komen
- staart tussen de benen.
U spreekt, stelt mij gerust.
Maar ik hoor hun stem
opnieuw. Ook zo begaan
met mijn eeuwig heil.
Dat was waarom ze mij dreven,
geen rust gunden. En nu
bent u voor mij verpest.

U zult mij moeten trainen.
Ik kan zelf niet het patroon
doorbreken, u scheiden van
het aangeleerde beeld.
Ik ben te bang voor fouten
wil niet weer dood
liggen blijven. Veroordeelt
u mij dus niet, maar til mij op.
Weest u mijn goede herder.

zaterdag 13 juli 2013

Filmbespreking: X-Men The Last Stand

Ik had nooit gedacht over deze film nog eens een filmbespreking te schrijven. Ik ben groot fan van de X-men. Ten eerste van de stripverhalen (hoewel die niet allemaal even goed zijn en soms wel heel complex voor wie de serie niet vanaf het begin heeft gevolgd) en ten tweede van de films, sinds 2000 in de bioscoop.
De eerste film was het begin van de huidige superheldenopleving, vooral door het gegeven serieus te nemen als een fenomeen in onze wereld. Waar de eerdere Batmanfilms (en ook de Supermanfilms) zich afspeelden in een duidelijke stripboekenwereld (de Art Deco wereld van Gotham, ontworpen door Tim Burton, met cartooneske schurken), of knipoogden naar de onwerkelijkheid van het concept (de wel heel vergezochte gaven van Superman, zoals het kunnen terugdraaien van de tijd door het draaien van de Aarde), zagen deze films de karakters als volwaardige personen en namen hun verhalen zo ernstig als ze dat zelf deden. De films waren zich er niet langer van bewust dat ze stripverfilmingen waren, ze waren films geworden die toevallig op een strip gebaseerd waren. En dat tieners door een mutatie in het X-gen bijzondere krachten ontwikkelden, werd door deze film net zo serieus behandeld als de ijsberg die Titanic lek stoot, of de nazi’s die het getto van Warschau leeghaalden. Dit signaal werd in de eerste film gegeven doordat de eerste scene ervan zich ook in een concentratiekamp afspeelde. Dit is een echte film, maakte die scene duidelijk, over echte mensen, die toevallig mutanten zijn. En de problemen waar deze mutanten tegen aanlopen: vooroordelen, de dreiging van registratie, verschillende manieren om met andere mensen om te gaan, zijn serieuze problemen die voortkomen uit de menselijke natuur en werpen licht op bijvoorbeeld discussies rond mensenrechten en gewelddadig of geweldloos verzet. Het karakter dat in eerdere superheldenfilms een karikaturale superschurk zou zijn met een maniakaal lachje, Magneto, heeft dan wel een belachelijke naam (daarvan is de film zich bewust), maar met zijn missie wordt niet gespot. Hij heeft de tatoeage van het nazikamp nog op zijn arm staan, en daar laat hij niemand om lachen.
De X-menfilms leidden onder andere tot Spider-Man (wat doet een tiener die opeens nieuwe krachten krijgt, wat heeft een directeur over voor zakelijk succes?), de nieuwe Batmanfilms (welke psychologische verwonding drijft Bruce Wayne ertoe zich als vleermuis te verkleden?), Iron-Man (gevangen door terroristen in Afghanistan) en Man of Steel (hoe zouden mensen reageren op een buitenaardse aanwezigheid?). Vergeleken met deze films (en spektakelfilm The Avengers), was X-men maar een kleine film, met een eenvoudig verhaal en een weinig ambitieus slot, maar hij leidde tot grote dingen (niet in het minst X-men 2, met een complexer plot, origineel gebruik van mutante gaven en best wel wat ambiguiteit). En hij introduceerde Wolverine, in de persoon van Hugh Jackman, een figuur die in de films welhaast net zo populair is geworden als in de strips, zodanig dat zelfs na fiasco X-Men Origins: Wolverine, deze maand een tweede film met hem als hoofdfiguur uitkomt, The Wolverine.
Mijn verloofde en ik zullen voor die film in de bioscoop zitten. Maar ze had nog niet alle X-men films gekeken, dus schoven we gisteren de DVD van X-men 3 in de speler. Van tevoren waarschuwde ik haar wel haar verwachtingen naar beneden bij te stellen. Deze film werd immers niet geregisseerd door Brian Singer (die de eerste twee films maakte), maar door Brett Ratner (in de filmwereld nu niet echt bekend om zijn originaliteit of zijn talent met acteurs). De karakters zijn vlakker, zei ik, en het verhaal zwakker. En de gaven van de hoofdpersonen worden niet echt origineel gebruikt. Zo had ik mezelf ingedekt.
Maar toen de film was afgelopen, keek ik haar aan en zei: ik ga er een filmbespreking over schrijven! Want wat ik over de film zei, was allemaal waar: de karakters zijn vlakker, de dialogen hier en daar cliche (‘Well done, fur ball’), het plot is wat mechanisch (wat is de rol van Angel eigenlijk in de film?), en inderdaad: het gebruik van de mutaties is wat flauw (een karakter die vuur kan manipuleren komt tegenover een karakter te staan dat ijs kan oproepen, en het enige dat ze kunnen doen is vuur en ijs naar elkaar toe stralen? In de stripverhalen komen veel epischere confrontaties voor! Hoe Magneto een gevangenentransport uitschakelt is dan wel weer gaaf, moet ik toegeven). Maar het zijn wel de X-men, en ze worden voor een serieus dilemma geplaatst in deze film. Een dilemma dat hen voor keuzes stelt over het omgaan met macht, en met zwakheid.

Tussen normale mensen als jij en ik lopen individuen rond met een mutatie in een bepaald gen. Het is niet een mutatie die hen een andere huidskleur geeft, of een andere geaardheid, of een lage of juist hoge intelligentie. De gave geeft hen superkrachten. Veel van hen zien er normaal uit, maar kunnen met hun gedachten voorwerpen bewegen, metaal manipuleren, of ijs tevoorschijn roepen. Anderen zijn overdenkt met blauw haar, of schubben en kunnen zich dus niet zomaar in de maatschappij vertonen. Weer anderen kunnen door hun mutatie geen mensen aanraken, zonder hen pijn te doen of zelfs te doden - als je een tienermeisje bent is zo’n gave eerder een last dan een geschenk. En in de samenleving worden deze mutanten met wantrouwen tegemoet getreden. Politici maken zich zorgen over de nationale veiligheid, soldaten willen mutanten omvormen in levende wapens. Ouders maken zich zorgen over hun kinderen (‘Heb je geprobeerd om geen mutant te zijn?’ uit de tweede film), en er dreigen slachtoffers te vallen.
Eric Lensherr, die als Jood in de tweede wereldoorlog de gevolgen van vooroordelen van dichtbij heeft meegemaakt, is vastbesloten niet nog een keer in dezelfde valkuil te stappen. Hij wil onder de naam ‘Magneto’ de eerste slag slaan. Zijn vroegere vriend, professor Charles Xavier, gelooft dat vreedzame samenleving met mensen mogelijk is, als de mutanten kunnen laten zien dat ze aan de kant van de mensheid vechten. Hij heeft een team gevormd, de X-men, om te zorgen dat Magneto wordt tegengehouden.
Een van de oorspronkelijke leden van dat team is Jean Grey, een telepathische mutant die zo krachtig is dat zelfs professor Xavier niet tegen haar op kan. Hij is bang dat ze haar gaven niet onder controle zal kunnen houden, en breekt in haar gedachten binnen om ze met psychische barrieres af te schermen. Aan het eind van de tweede film kwam ze om terwijl ze de X-men probeerde te redden. Nu is ze echter teruggevonden. En het lijkt erop alsof de barrieres die de professor had aangebracht niet meer werken. Uit haar onderbewuste verschijnt een tweede persoonlijkheid, de wilde, onvoorspelbare ‘phoenix’.
Tegelijkertijd ontwikkelt een farmaceut een antilichaam tegen het X-gen, waardoor de gevolgen van een mutatie ongedaan worden gemaakt. Voor het tienermeisje Rogue - die geen jongens kan aanraken - is het een uitkomst. Magneto is echter bang dat mutanten zullen worden gedwongen te worden teruggebracht tot normale mensen - tegen hun zin in. Hij besluit met zijn medestanders de bron van het antilichaam uit te schakelen: een jongetje dat logeert in een laboratorium in de Alcatraz-gevangenis. En hij beschikt over een bijzondere troefkaart: de phoenix heeft zich bij hem aangesloten. De X-men maken geen schijn van kans ...

Op de verhaallijn met de kuur tegen het X-gen ga ik hier niet heel diep in. De een wil de kuur gebruiken om zijn zoon te dwingen te veranderen, want hij schaamt zich voor het feit dat deze een mutant is (terwijl hij juist heel mooie vleugels heeft). De persoon zegt dat hij uit liefde handelt, maar als hij iets doet tegen de wil van een ander in, is er natuurlijk geen sprake van liefde. Het is duidelijk dat hij eigenlijk handelt uit zelfzuchtige motieven. Net zo als degenen die proberen het meisje Rogue tegen te houden, die juist in staat wil zijn normaal met anderen om te gaan. Je bent niet ziek, er is niets mis met je, houden ze haar voor. Als ze zich laat prikken, verraadt ze het team. Maar, zegt ze: Ik kies dit. Ze is niet gedwongen. Degenen die de loyaliteit aan het team boven haar keuzevrijheid plaatsten waren eigenlijk net zo zelfzuchtig. Wat iemand die haar vriend is, haar voorhoudt is zichzelf de vraag te stellen: is dit wat ik echt wil? En hij laat haar dan gaan. Omdat hij van haar houdt. Ik denk dat de film met de beelden parallellen trekt met demonstraties bij abortusklinieken, maar de vergelijking geldt niet een op een, immers in het geval van abortus betreft de keuze ook nog een ander, namelijk het ongeboren kind. Dit is moreel gezien duidelijk een ingewikkeldere afweging, en dat ik hier op de hand van Rogue ben, wil niet zeggen dat ik in het geval van ongewenste zwangerschap geen voorstander ben van alternatieven, bijvoorbeeld adoptie. Maar dit is een zijspoor. Een van de karakters in de film wordt door de kuur gedwongen onder ogen te zien dat hij inderdaad net zo zelfzuchtig en bevooroordeeld was, als waar hij de mensen van beschuldigde. Een mooie omkering van het plot in de eerste film, waar Magneto juist een mens in een mutant wilde veranderen, om hem zijn vooroordelen te laten inzien.
De kuur is in zichzelf niet goed of slecht, heb ik al gesuggereerd, maar wel heel krachtig. En kan dus voor goede doeleinden worden gebruikt, of voor slechte. Wie zelfzuchtige motieven heeft kan eigenlijk niet goed met de kuur omgaan. Het enige verantwoordelijke gebruik ervan is gebaseerd op onzelfzuchtige liefde.

Hetzelfde geldt voor de krachten van Jean Grey. Toen ze jong was waren haar krachten niet goed of slecht. Ze waren alleen heel sterk. Ze was de enige ‘klasse 5’-mutant die professor Xavier en Magneto kenden. In de eerdere films in de serie werd professor Xavier duidelijk als de ‘goede’ neergezet. Hij was het morele centrum van de films, degene die de anderen corrigeerde als ze bijvoorbeeld teveel geweld wilden gebruiken, of mensen haatten. Hij stond fier tegenover Magneto. Maar in deze film wordt aan zijn morele positie gemorreld. Professor Xavier is helemaal niet zoveel anders dan Magneto, blijkt. Beide karakters zien de jonge mutant Jean Grey namelijk alleen in termen van macht, en de macht die zij over anderen kan uitoefenen. Professor Xavier ziet haar macht als een potentieel gevaar. Hij gelooft niet dat ze er goed mee kan omgaan, en zonder het haar te vragen, zorgt ze dat ze haar gave niet langer volledig kan gebruiken. Hij doet het, zal hij zeggen, om anderen te beschermen. Hij denkt dat zijn motieven onberispelijk zijn, en vindt dat hij zich niet hoeft uit te leggen. Al helemaal niet aan Wolverine. Dat is ironisch, want dit karakter is zelf tegen zijn zin gehersenspoeld en als wapen gebruikt, dus hij weet hoe erg het is als mensen hun keuzevrijheid wordt ontnomen. Hij heeft Jean niet gerespecteerd als persoon - zag haar als een onpersoonlijke kracht (een dreiging, waar Magneto de mutantenkuur als dreiging ziet) - en heeft daardoor juist een nieuwe persoonlijkheid gecreëerd. Een vijandelijke persoon: de phoenix, die boos is op iedereen die haar wil inperken. Als Xavier later aanbiedt Jean te helpen, kan ze hem niet vertrouwen. Waarom zou hij haar nu wel respecteren? In plaats daarvan geeft ze zichzelf over aan haar haat en woede, en doet iets waar ze uiteindelijk niet mee zal kunnen leven. Ze haalt uit (niet assertief, maar agressief). Maar is zij voor haar gruwelijke daad verantwoordelijk, of is dit iets dat door Xavier is opgeroepen.
Phoenix wordt vervolgens ingepalmd door Magneto. Hij fluistert haar vleiend toe, dat hij haar niet zal inperken, dat ze bij hem ongeremd haar gang kan gaan, dat hij juist haar karakter als phoenix mooi vindt (en geen behoefte heeft aan de kalme, redelijke, Jean). Hij lijkt haar te respecteren, waar Xavier dat niet deed, maar dat is slechts schijn. Deze mutant die de mond er vol van heeft de mutanten te willen beschermen tegen de mensen, hecht geen waarde aan individuen. Zelfs mutanten zijn voor hem pionnen geworden in zijn oorlog - een oorlog die al lang niet meer gaat om de waarde van mensen, maar om zijn eigen persoon, gekleed in mooie termen, maar uiteindelijk zelfzuchtig. En pionnen zijn er in zijn filosofie om opgeofferd te worden. Phoenix is voor hem net zo’n pion. Hij geeft helemaal niet om de persoon Jean Grey, en ziet ook de phoenix niet als persoon. Hij ziet haar als wapen. Hij wil haar inzetten voor zijn eigen doeleinden, zijn eigen strijd. Als er met hem iets ergs gebeurt, fluistert hij tegen haar: ‘Dit is wat de mensen met ieder van ons willen doen’. Dus ook met haar. Maar het is niet anders dan wat hij met haar wilde doen. Hij en Xavier zijn twee kanten van dezelfde medaille - ze zien haar niet als persoon, maar als macht, als invloed. Ze verschillen alleen in hoe ze met die invloed omgaan, of ze die inperken uit angst voor macht, of voor hun eigen doel gebruiken uit machtswellust.
Het morele centrum van de film is dit keer het karakter Wolverine. Hij is als buitenstaander in de loop van de eerdere films betrokken geraakt bij de strijd tussen Xavier en Magneto. Hij heeft echter niet zijn ‘frisse blik’ verloren. Hij is niet onder de indruk van Xavier. Als die hem zegt buiten te blijven, luistert hij niet per se. En hij houdt van Jean. Uit liefde voor Jean deed hij in de eerste films uiteindelijk een stap terug - ze had gekozen voor een ander. Maar hij bleef haar liefhebben. Die liefde overleefde niet alleen een rivaal, ze overleefde ook Jeans transformatie in de phoenix. Want zelfs als ze met haar macht uithaalt, en onuitsprekelijke dingen doet, blijft hij haar zien als persoon. Als Jean. Hij weet dat wat ze doet niet Jean zelf is, maar haar frustratie. Hij weet dat het niet is wat ze werkelijk wil. En hij wil tegen elke prijs proberen de werkelijke Jean te bereiken, terug te roepen. Hij wil de echte Jean kennen, en met de werkelijke persoon een relatie hebben. Hij wil haar in de ogen kijken. Hij geeft niet om haar macht. Hij wil die niet voor zijn eigen doeleinden gebruiken, hij wil haar niet inzetten in plannen voor wereldheerschappij. En hij handelt zelfs niet uit angst voor haar macht. Als Wolverine met gevaar voor eigen leven tot haar weet door te dringen, vraagt ze het: ‘Doe je dit soms voor hen?’ En hij antwoordt met gevoel (briljant gespeeld door Hugh Jackman): ‘Nee, voor jou!’ Hij is bereid zijn leven op te geven voor haar. Hij geeft zelfs meer om haar dan om hemzelf. En deze onzelfzuchtige liefde weet tot haar door te dringen. Die liefde maakt haar, hoe kort ook, echt haarzelf, echt Jean. We moeten mensen niet zien in termen van macht (bang voor ze zijn, of ze in onze plannen gebruiken), maar liefhebben, is de boodschap van de film - als echte personen.
Uit liefde voor Jean doet Wolverine zelf ook iets ondenkbaars. De enige manier om Jean tegen haar eigen krachten te beschermen, is op dit punt van de film, haar te doden. Ik had het mooier gevonden als ze gered had kunnen worden. Maar had ze willen leven met de wetenschap van wat ze uit haar boosheid en kwaadheid gedaan had? Kunnen wij leven met het besef van wat onze woede en onze angst anderen heeft aangedaan? Als we dat werkelijk onder ogen zien, kunnen we dan door? De bijbel geeft aan dat wij met Christus moeten sterven, en dat dit de enige manier is om aan het oordeel te ontkomen (het oordeel dat volgens mij vooral het oordeel over onszelf is!). Door te sterven zijn we namelijk ‘dood voor de zonde’, zoals Jean door te sterven ‘dood is’ voor de phoenix. En de bijbel eindigt niet zoals X-Men The Last Stand. De bijbel spreekt over de opstanding, die direct volgt op de ‘dood aan onszelf’. Als we met christus zijn gestorven, zijn we immers ook met hem opgestaan! We leven daardoor niet meer voor onszelf, maar voor Hem. Zijn opofferende liefde wordt onze motivatie. We zijn niet meer gemotiveerd door angst, door macht, door woede, door zelfzucht (want onze zelfzucht is gestorven), maar door liefde. En als wij op basis van Jezus’ voorbeeld zelf ook liefhebben, zijn we werkelijke personen. We zijn werkelijk onszelf. Geen pionnen meer (die allemaal op elkaar lijken), maar unieke individuen, met een unieke betekenis. En laten we wel zijn, als in deze film een telepaat in staat blijkt om de dood te overleven (zie de scene na de aftiteling), waarom zou dat niet kunnen gelden voor Jean Grey? Zelfs het universum van de film laat de ruimte voor een opstanding, en een leven met haar geliefde Wolverine.
Maar voor het zover is, leven we in een wereld gebaseerd op (angst voor/zelfzuchtig gebruik van) macht - ook de X-men, want de invloed van Xavier en Magneto blijft gelden. De definitieve opstanding uit de dood, de verlossing van ons lichaam, laat nog op zich wachten. Maar ik kijk er wel naar uit! Dan word ik werkelijk mezelf, en zie ik Hem die dat door zijn offer heeft mogelijk gemaakt.