Posts tonen met het label macht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label macht. Alle posts tonen

donderdag 4 september 2014

Gedicht: Survival of the fittest

Survival of the fittest

Waterweegbree in gelid
buigt in de bruine stroom.
Ik zie parende libellen
als juwelen dansen op
een vloer van zon en schaduw.
Rietpluimen glanzend paars.
Spin weeft unieke cirkels
met een eindeloos geduld.
Geen geluid. De rust is diep
als in een boek van Thijsse.

Maar ik moet terug naar huis
over het zwarte asfalt.
Opdringerig motorlawaai.
Mijn hand tegen het glas gedrukt.
De tuin maakt plaats voor
blokkendozen. Grijze steen
vol schreeuwerige logo's.
Gehaaste drommen mensen
voegen zich naar de vormen
in regels vast beklonken.

De wereld die wij maakten
was niet voor ons bedoeld,
maar voor wie wij dienden:
abstracte idealen, macht
en efficiëntie kil.
Die konden hier floreren.
Techniek overheerst natuur
zonder om ons te geven.
Wij wilden zelf regeren,
maar zijn toen slaaf geworden.

zaterdag 13 juli 2013

Filmbespreking: X-Men The Last Stand

Ik had nooit gedacht over deze film nog eens een filmbespreking te schrijven. Ik ben groot fan van de X-men. Ten eerste van de stripverhalen (hoewel die niet allemaal even goed zijn en soms wel heel complex voor wie de serie niet vanaf het begin heeft gevolgd) en ten tweede van de films, sinds 2000 in de bioscoop.
De eerste film was het begin van de huidige superheldenopleving, vooral door het gegeven serieus te nemen als een fenomeen in onze wereld. Waar de eerdere Batmanfilms (en ook de Supermanfilms) zich afspeelden in een duidelijke stripboekenwereld (de Art Deco wereld van Gotham, ontworpen door Tim Burton, met cartooneske schurken), of knipoogden naar de onwerkelijkheid van het concept (de wel heel vergezochte gaven van Superman, zoals het kunnen terugdraaien van de tijd door het draaien van de Aarde), zagen deze films de karakters als volwaardige personen en namen hun verhalen zo ernstig als ze dat zelf deden. De films waren zich er niet langer van bewust dat ze stripverfilmingen waren, ze waren films geworden die toevallig op een strip gebaseerd waren. En dat tieners door een mutatie in het X-gen bijzondere krachten ontwikkelden, werd door deze film net zo serieus behandeld als de ijsberg die Titanic lek stoot, of de nazi’s die het getto van Warschau leeghaalden. Dit signaal werd in de eerste film gegeven doordat de eerste scene ervan zich ook in een concentratiekamp afspeelde. Dit is een echte film, maakte die scene duidelijk, over echte mensen, die toevallig mutanten zijn. En de problemen waar deze mutanten tegen aanlopen: vooroordelen, de dreiging van registratie, verschillende manieren om met andere mensen om te gaan, zijn serieuze problemen die voortkomen uit de menselijke natuur en werpen licht op bijvoorbeeld discussies rond mensenrechten en gewelddadig of geweldloos verzet. Het karakter dat in eerdere superheldenfilms een karikaturale superschurk zou zijn met een maniakaal lachje, Magneto, heeft dan wel een belachelijke naam (daarvan is de film zich bewust), maar met zijn missie wordt niet gespot. Hij heeft de tatoeage van het nazikamp nog op zijn arm staan, en daar laat hij niemand om lachen.
De X-menfilms leidden onder andere tot Spider-Man (wat doet een tiener die opeens nieuwe krachten krijgt, wat heeft een directeur over voor zakelijk succes?), de nieuwe Batmanfilms (welke psychologische verwonding drijft Bruce Wayne ertoe zich als vleermuis te verkleden?), Iron-Man (gevangen door terroristen in Afghanistan) en Man of Steel (hoe zouden mensen reageren op een buitenaardse aanwezigheid?). Vergeleken met deze films (en spektakelfilm The Avengers), was X-men maar een kleine film, met een eenvoudig verhaal en een weinig ambitieus slot, maar hij leidde tot grote dingen (niet in het minst X-men 2, met een complexer plot, origineel gebruik van mutante gaven en best wel wat ambiguiteit). En hij introduceerde Wolverine, in de persoon van Hugh Jackman, een figuur die in de films welhaast net zo populair is geworden als in de strips, zodanig dat zelfs na fiasco X-Men Origins: Wolverine, deze maand een tweede film met hem als hoofdfiguur uitkomt, The Wolverine.
Mijn verloofde en ik zullen voor die film in de bioscoop zitten. Maar ze had nog niet alle X-men films gekeken, dus schoven we gisteren de DVD van X-men 3 in de speler. Van tevoren waarschuwde ik haar wel haar verwachtingen naar beneden bij te stellen. Deze film werd immers niet geregisseerd door Brian Singer (die de eerste twee films maakte), maar door Brett Ratner (in de filmwereld nu niet echt bekend om zijn originaliteit of zijn talent met acteurs). De karakters zijn vlakker, zei ik, en het verhaal zwakker. En de gaven van de hoofdpersonen worden niet echt origineel gebruikt. Zo had ik mezelf ingedekt.
Maar toen de film was afgelopen, keek ik haar aan en zei: ik ga er een filmbespreking over schrijven! Want wat ik over de film zei, was allemaal waar: de karakters zijn vlakker, de dialogen hier en daar cliche (‘Well done, fur ball’), het plot is wat mechanisch (wat is de rol van Angel eigenlijk in de film?), en inderdaad: het gebruik van de mutaties is wat flauw (een karakter die vuur kan manipuleren komt tegenover een karakter te staan dat ijs kan oproepen, en het enige dat ze kunnen doen is vuur en ijs naar elkaar toe stralen? In de stripverhalen komen veel epischere confrontaties voor! Hoe Magneto een gevangenentransport uitschakelt is dan wel weer gaaf, moet ik toegeven). Maar het zijn wel de X-men, en ze worden voor een serieus dilemma geplaatst in deze film. Een dilemma dat hen voor keuzes stelt over het omgaan met macht, en met zwakheid.

Tussen normale mensen als jij en ik lopen individuen rond met een mutatie in een bepaald gen. Het is niet een mutatie die hen een andere huidskleur geeft, of een andere geaardheid, of een lage of juist hoge intelligentie. De gave geeft hen superkrachten. Veel van hen zien er normaal uit, maar kunnen met hun gedachten voorwerpen bewegen, metaal manipuleren, of ijs tevoorschijn roepen. Anderen zijn overdenkt met blauw haar, of schubben en kunnen zich dus niet zomaar in de maatschappij vertonen. Weer anderen kunnen door hun mutatie geen mensen aanraken, zonder hen pijn te doen of zelfs te doden - als je een tienermeisje bent is zo’n gave eerder een last dan een geschenk. En in de samenleving worden deze mutanten met wantrouwen tegemoet getreden. Politici maken zich zorgen over de nationale veiligheid, soldaten willen mutanten omvormen in levende wapens. Ouders maken zich zorgen over hun kinderen (‘Heb je geprobeerd om geen mutant te zijn?’ uit de tweede film), en er dreigen slachtoffers te vallen.
Eric Lensherr, die als Jood in de tweede wereldoorlog de gevolgen van vooroordelen van dichtbij heeft meegemaakt, is vastbesloten niet nog een keer in dezelfde valkuil te stappen. Hij wil onder de naam ‘Magneto’ de eerste slag slaan. Zijn vroegere vriend, professor Charles Xavier, gelooft dat vreedzame samenleving met mensen mogelijk is, als de mutanten kunnen laten zien dat ze aan de kant van de mensheid vechten. Hij heeft een team gevormd, de X-men, om te zorgen dat Magneto wordt tegengehouden.
Een van de oorspronkelijke leden van dat team is Jean Grey, een telepathische mutant die zo krachtig is dat zelfs professor Xavier niet tegen haar op kan. Hij is bang dat ze haar gaven niet onder controle zal kunnen houden, en breekt in haar gedachten binnen om ze met psychische barrieres af te schermen. Aan het eind van de tweede film kwam ze om terwijl ze de X-men probeerde te redden. Nu is ze echter teruggevonden. En het lijkt erop alsof de barrieres die de professor had aangebracht niet meer werken. Uit haar onderbewuste verschijnt een tweede persoonlijkheid, de wilde, onvoorspelbare ‘phoenix’.
Tegelijkertijd ontwikkelt een farmaceut een antilichaam tegen het X-gen, waardoor de gevolgen van een mutatie ongedaan worden gemaakt. Voor het tienermeisje Rogue - die geen jongens kan aanraken - is het een uitkomst. Magneto is echter bang dat mutanten zullen worden gedwongen te worden teruggebracht tot normale mensen - tegen hun zin in. Hij besluit met zijn medestanders de bron van het antilichaam uit te schakelen: een jongetje dat logeert in een laboratorium in de Alcatraz-gevangenis. En hij beschikt over een bijzondere troefkaart: de phoenix heeft zich bij hem aangesloten. De X-men maken geen schijn van kans ...

Op de verhaallijn met de kuur tegen het X-gen ga ik hier niet heel diep in. De een wil de kuur gebruiken om zijn zoon te dwingen te veranderen, want hij schaamt zich voor het feit dat deze een mutant is (terwijl hij juist heel mooie vleugels heeft). De persoon zegt dat hij uit liefde handelt, maar als hij iets doet tegen de wil van een ander in, is er natuurlijk geen sprake van liefde. Het is duidelijk dat hij eigenlijk handelt uit zelfzuchtige motieven. Net zo als degenen die proberen het meisje Rogue tegen te houden, die juist in staat wil zijn normaal met anderen om te gaan. Je bent niet ziek, er is niets mis met je, houden ze haar voor. Als ze zich laat prikken, verraadt ze het team. Maar, zegt ze: Ik kies dit. Ze is niet gedwongen. Degenen die de loyaliteit aan het team boven haar keuzevrijheid plaatsten waren eigenlijk net zo zelfzuchtig. Wat iemand die haar vriend is, haar voorhoudt is zichzelf de vraag te stellen: is dit wat ik echt wil? En hij laat haar dan gaan. Omdat hij van haar houdt. Ik denk dat de film met de beelden parallellen trekt met demonstraties bij abortusklinieken, maar de vergelijking geldt niet een op een, immers in het geval van abortus betreft de keuze ook nog een ander, namelijk het ongeboren kind. Dit is moreel gezien duidelijk een ingewikkeldere afweging, en dat ik hier op de hand van Rogue ben, wil niet zeggen dat ik in het geval van ongewenste zwangerschap geen voorstander ben van alternatieven, bijvoorbeeld adoptie. Maar dit is een zijspoor. Een van de karakters in de film wordt door de kuur gedwongen onder ogen te zien dat hij inderdaad net zo zelfzuchtig en bevooroordeeld was, als waar hij de mensen van beschuldigde. Een mooie omkering van het plot in de eerste film, waar Magneto juist een mens in een mutant wilde veranderen, om hem zijn vooroordelen te laten inzien.
De kuur is in zichzelf niet goed of slecht, heb ik al gesuggereerd, maar wel heel krachtig. En kan dus voor goede doeleinden worden gebruikt, of voor slechte. Wie zelfzuchtige motieven heeft kan eigenlijk niet goed met de kuur omgaan. Het enige verantwoordelijke gebruik ervan is gebaseerd op onzelfzuchtige liefde.

Hetzelfde geldt voor de krachten van Jean Grey. Toen ze jong was waren haar krachten niet goed of slecht. Ze waren alleen heel sterk. Ze was de enige ‘klasse 5’-mutant die professor Xavier en Magneto kenden. In de eerdere films in de serie werd professor Xavier duidelijk als de ‘goede’ neergezet. Hij was het morele centrum van de films, degene die de anderen corrigeerde als ze bijvoorbeeld teveel geweld wilden gebruiken, of mensen haatten. Hij stond fier tegenover Magneto. Maar in deze film wordt aan zijn morele positie gemorreld. Professor Xavier is helemaal niet zoveel anders dan Magneto, blijkt. Beide karakters zien de jonge mutant Jean Grey namelijk alleen in termen van macht, en de macht die zij over anderen kan uitoefenen. Professor Xavier ziet haar macht als een potentieel gevaar. Hij gelooft niet dat ze er goed mee kan omgaan, en zonder het haar te vragen, zorgt ze dat ze haar gave niet langer volledig kan gebruiken. Hij doet het, zal hij zeggen, om anderen te beschermen. Hij denkt dat zijn motieven onberispelijk zijn, en vindt dat hij zich niet hoeft uit te leggen. Al helemaal niet aan Wolverine. Dat is ironisch, want dit karakter is zelf tegen zijn zin gehersenspoeld en als wapen gebruikt, dus hij weet hoe erg het is als mensen hun keuzevrijheid wordt ontnomen. Hij heeft Jean niet gerespecteerd als persoon - zag haar als een onpersoonlijke kracht (een dreiging, waar Magneto de mutantenkuur als dreiging ziet) - en heeft daardoor juist een nieuwe persoonlijkheid gecreëerd. Een vijandelijke persoon: de phoenix, die boos is op iedereen die haar wil inperken. Als Xavier later aanbiedt Jean te helpen, kan ze hem niet vertrouwen. Waarom zou hij haar nu wel respecteren? In plaats daarvan geeft ze zichzelf over aan haar haat en woede, en doet iets waar ze uiteindelijk niet mee zal kunnen leven. Ze haalt uit (niet assertief, maar agressief). Maar is zij voor haar gruwelijke daad verantwoordelijk, of is dit iets dat door Xavier is opgeroepen.
Phoenix wordt vervolgens ingepalmd door Magneto. Hij fluistert haar vleiend toe, dat hij haar niet zal inperken, dat ze bij hem ongeremd haar gang kan gaan, dat hij juist haar karakter als phoenix mooi vindt (en geen behoefte heeft aan de kalme, redelijke, Jean). Hij lijkt haar te respecteren, waar Xavier dat niet deed, maar dat is slechts schijn. Deze mutant die de mond er vol van heeft de mutanten te willen beschermen tegen de mensen, hecht geen waarde aan individuen. Zelfs mutanten zijn voor hem pionnen geworden in zijn oorlog - een oorlog die al lang niet meer gaat om de waarde van mensen, maar om zijn eigen persoon, gekleed in mooie termen, maar uiteindelijk zelfzuchtig. En pionnen zijn er in zijn filosofie om opgeofferd te worden. Phoenix is voor hem net zo’n pion. Hij geeft helemaal niet om de persoon Jean Grey, en ziet ook de phoenix niet als persoon. Hij ziet haar als wapen. Hij wil haar inzetten voor zijn eigen doeleinden, zijn eigen strijd. Als er met hem iets ergs gebeurt, fluistert hij tegen haar: ‘Dit is wat de mensen met ieder van ons willen doen’. Dus ook met haar. Maar het is niet anders dan wat hij met haar wilde doen. Hij en Xavier zijn twee kanten van dezelfde medaille - ze zien haar niet als persoon, maar als macht, als invloed. Ze verschillen alleen in hoe ze met die invloed omgaan, of ze die inperken uit angst voor macht, of voor hun eigen doel gebruiken uit machtswellust.
Het morele centrum van de film is dit keer het karakter Wolverine. Hij is als buitenstaander in de loop van de eerdere films betrokken geraakt bij de strijd tussen Xavier en Magneto. Hij heeft echter niet zijn ‘frisse blik’ verloren. Hij is niet onder de indruk van Xavier. Als die hem zegt buiten te blijven, luistert hij niet per se. En hij houdt van Jean. Uit liefde voor Jean deed hij in de eerste films uiteindelijk een stap terug - ze had gekozen voor een ander. Maar hij bleef haar liefhebben. Die liefde overleefde niet alleen een rivaal, ze overleefde ook Jeans transformatie in de phoenix. Want zelfs als ze met haar macht uithaalt, en onuitsprekelijke dingen doet, blijft hij haar zien als persoon. Als Jean. Hij weet dat wat ze doet niet Jean zelf is, maar haar frustratie. Hij weet dat het niet is wat ze werkelijk wil. En hij wil tegen elke prijs proberen de werkelijke Jean te bereiken, terug te roepen. Hij wil de echte Jean kennen, en met de werkelijke persoon een relatie hebben. Hij wil haar in de ogen kijken. Hij geeft niet om haar macht. Hij wil die niet voor zijn eigen doeleinden gebruiken, hij wil haar niet inzetten in plannen voor wereldheerschappij. En hij handelt zelfs niet uit angst voor haar macht. Als Wolverine met gevaar voor eigen leven tot haar weet door te dringen, vraagt ze het: ‘Doe je dit soms voor hen?’ En hij antwoordt met gevoel (briljant gespeeld door Hugh Jackman): ‘Nee, voor jou!’ Hij is bereid zijn leven op te geven voor haar. Hij geeft zelfs meer om haar dan om hemzelf. En deze onzelfzuchtige liefde weet tot haar door te dringen. Die liefde maakt haar, hoe kort ook, echt haarzelf, echt Jean. We moeten mensen niet zien in termen van macht (bang voor ze zijn, of ze in onze plannen gebruiken), maar liefhebben, is de boodschap van de film - als echte personen.
Uit liefde voor Jean doet Wolverine zelf ook iets ondenkbaars. De enige manier om Jean tegen haar eigen krachten te beschermen, is op dit punt van de film, haar te doden. Ik had het mooier gevonden als ze gered had kunnen worden. Maar had ze willen leven met de wetenschap van wat ze uit haar boosheid en kwaadheid gedaan had? Kunnen wij leven met het besef van wat onze woede en onze angst anderen heeft aangedaan? Als we dat werkelijk onder ogen zien, kunnen we dan door? De bijbel geeft aan dat wij met Christus moeten sterven, en dat dit de enige manier is om aan het oordeel te ontkomen (het oordeel dat volgens mij vooral het oordeel over onszelf is!). Door te sterven zijn we namelijk ‘dood voor de zonde’, zoals Jean door te sterven ‘dood is’ voor de phoenix. En de bijbel eindigt niet zoals X-Men The Last Stand. De bijbel spreekt over de opstanding, die direct volgt op de ‘dood aan onszelf’. Als we met christus zijn gestorven, zijn we immers ook met hem opgestaan! We leven daardoor niet meer voor onszelf, maar voor Hem. Zijn opofferende liefde wordt onze motivatie. We zijn niet meer gemotiveerd door angst, door macht, door woede, door zelfzucht (want onze zelfzucht is gestorven), maar door liefde. En als wij op basis van Jezus’ voorbeeld zelf ook liefhebben, zijn we werkelijke personen. We zijn werkelijk onszelf. Geen pionnen meer (die allemaal op elkaar lijken), maar unieke individuen, met een unieke betekenis. En laten we wel zijn, als in deze film een telepaat in staat blijkt om de dood te overleven (zie de scene na de aftiteling), waarom zou dat niet kunnen gelden voor Jean Grey? Zelfs het universum van de film laat de ruimte voor een opstanding, en een leven met haar geliefde Wolverine.
Maar voor het zover is, leven we in een wereld gebaseerd op (angst voor/zelfzuchtig gebruik van) macht - ook de X-men, want de invloed van Xavier en Magneto blijft gelden. De definitieve opstanding uit de dood, de verlossing van ons lichaam, laat nog op zich wachten. Maar ik kijk er wel naar uit! Dan word ik werkelijk mezelf, en zie ik Hem die dat door zijn offer heeft mogelijk gemaakt.

dinsdag 11 juni 2013

Filmbespreking: Star Trek Into Darkness

Ik ben een Star Trek-fan. Een ‘trekkie’, zoals dat heet. De verhalen in de TV-series en films schetsen een beeld van een hoopvolle toekomst, waarin de mensheid haar onderlinge twisten heeft bijgelegd, waar de economie niet het laatste woord heeft en technologie voor bijna alles een oplossing biedt en waar vriendschapsbetrekkingen worden aangegaan met andere volken in het heelal, die soms niet eens veel op mensen lijken. Vanuit deze situatie gaan ontdekkingsreizigers op pad om het onbekende in kaart te brengen en nieuwe levensvormen en beschavingen te vinden.
Het is wel eens inspirerend een positief toekomstbeeld voorgeschoteld te krijgen. Het merendeel van de Science Fiction op TV en in de bioscoop is namelijk minder optimistisch over onze toekomst. Op allerlei manieren komt de mensheid ten einde, door zombies, door milieurampen of door buitenaardse invasies, en in de wereld die overblijft moeten ze een harde strijd voeren om te blijven overleven. Of mensen worden het slachtoffer van de onderlinge wreedheid van de mens, in structuren van dwang en controle. En als er dan al ontdekkingsreizen naar andere planeten worden georganiseerd vinden de mensen daar vaak alleen maar ellende. Monsters die na het eerste contact op gruwelijke wijze de menselijke ontdekkingsreizigers uitroeien. De recente film Prometheus is daarvan een voorbeeld. De ruimte is een gevaarlijke, dodelijke plek, die het niet beloont als mensen initiatief nemen. Een plek waar angst regeert.
Tegen deze achtergrond is de wereld van Star Trek een groot contrast. Het universum dat in deze films wordt getoond is er een waarnaar ik kan verlangen, een waar ik ook deel van zou willen uitmaken. En als deze wereld bedreigt wordt slaan voormalige vijanden hun handen ineen en smeden krachtige vriendschapsbanden om hun tegenstanders het hoofd te bieden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de laatste Star Trek-film, waarin een tijdreiziger uit de toekomst toesloeg in het hart van de mensheid en op het punt stond de Aarde te vernietigen. De mens Kirk en de vulcan Spock, die elkaar eerst niet konden luchten of zien, overwonnen hun verschillen, legden hun conflict bij, en werkten samen om het gevaar af te wenden. Ze werden hierbij geleid door een belofte die (net als de vijand) uit de toekomst kwam, de belofte dat hun vriendschap door het lot bestemd was. Ze kwamen dus niet alleen bij elkaar door de bedreiging (een negatieve reden), maar ook door de profetie dat hun vriendschap het heelal zou begunstigen (een positieve reden). En om hen heen vormden ze een nauwe groep, de bemanning van het ruimteschip Enterprise, die niet alleen zou vechten, maar vooral op ontdekkingstocht zou kunnen gaan, om nieuwe werelden te verkennen. Het lijkt me niet onredelijk om hier een vergelijking te trekken met het leven van christenen, die elkaar ook vinden om een belofte van buiten deze wereld, en een gemeenschap vormen die hun omgeving verandert, die onrecht bestrijdt en schoonheid vermenigvuldigt. De kerk.
Trouwe lezers van mijn blog knipperen waarschijnlijk met hun ogen als ik zo positief ben over de kerk. Maar mijn positieve geloof is ongeveinsd. Ik geloof dat de gemeenschap van gelovigen een kracht ten goede kan zijn, en zo ook bedoeld is door haar oprichter, Jezus, die van buiten de tijd naar de Aarde kwam. Maar rond zijn woorden en beloften is een structuur ontstaan, een instituut, opgezet door mensenhanden en dus feilbaar. In dit instituut gaan de vaste patronen weer werken die het menselijke handelen al vanaf het begin hebben gekenmerkt. Patronen van bedreiging, jaloezie en eer. Patronen van straf en beloning. Patronen van macht. In elke gemeenschap ontstaan er patronen en afspraken, dat is onvermijdelijk. Als ik mijn vrienden wil zien, moet ik ook met hen de agenda trekken en tot een overeenkomst komen. Maar als er sprake gaat zijn van machtsverhoudingen verdwijnt de vriendschap al snel. Dan wordt de ene persoon het middel waarmee de ander zijn invloed of positie wil verstevigen. Van een kostbaar mens wordt hij een pion in een schaakspel die zo kan worden opgeofferd. Deze bedreiging van binnenuit is nog veel gevaarlijker dan die van buitenaf. En haar te bestrijden vraagt om opoffering.

Zoals te verwachten was, komt de bedreiging voor de Aarde in deze Star Trek-film, de tweede in de nieuwe serie, inderdaad van binnenuit. In Londen wordt een aanslag gepleegd, waarbij talloze doden vallen. De dader is een agent van Star Fleet (de ruimtevaartorganisatie van de mensheid), John Harrison. Welke reden hij heeft om zich tegen zijn werkgevers te keren, is niet bekend. Na zijn terreurdaad vlucht hij naar Kronos, de thuiswereld van de Klingons. En net op het moment dat er een oorlog dreigt uit te breken tussen de mensheid en dit opvliegende ras, gekenmerkt door eergevoel. De jonge kapitein James T. Kirk krijgt de opdracht naar Kronos te reizen en de voortvluchtige agent met nieuwe fotontorpedo’s te bestoken. Een missie die hij maar al te graag wil uitvoeren, omdat ook zijn mentor, admiraal Pike, bij de aanslag om het leven is gekomen. Zijn vriend Spock weet hem echter op andere gedachten te brengen en hij arresteert John Harrison. Die blijkt te zijn gemanipuleerd. Iemand hoog in de organisatie van Star Fleet lijkt op een ruimteoorlog aan te sturen ...

Mijn verwachtingen voor deze film waren hooggespannen. De eerste in deze serie was zo goed en meeslepend, dat die me mijn liefde voor film teruggaf na een paar teleurstellende bioscoopervaringen. Om dat te overtreffen is wel veel om van een vervolg te verlangen. En inderdaad was deze film niet zo aangrijpend als de eerste, zelfs al zaten er voor zover ik kon zien minder grote gaten in het plot. Deze film neemt je als kijker niet zo sterk mee in de psychologie van Kirk en Spock, en gaat direct van start als actiefilm. Dat zorgde bij mij voor wat meer afstand van de gebeurtenissen. Verder leunt deze film in mijn ogen wat te veel op eerdere Star Trek films, met name ‘The Wrath of Khan’. Verwijzingen zijn prima (ik pikte een paar leuke wel op!), maar het kopieren van volledige plotelementen vind ik een beetje flauw. Ze werkten wel, maar maakten minder indruk dan in het origineel. Ook vond een in mijn ogen te groot deel van de film plaats op Aarde of op de sombere planeet Kronos, en waren veel nieuwe uniformen wel erg grijs. Het kleurpalet van deze film was een stuk grauwer dan de vorige. De 3D-effecten vond ik ten slotte niet allemaal even goed werken.
Maar dat wil niet zeggen dat ik niet enthousiast ben over de film. De acteurs waren allemaal weer erg goed en elk karakter had een belangrijke bijdrage. Zo vond ik de relatie tussen Spock en Uhura bijvoorbeeld aandoenlijk, en bracht Scotty veel humor in (al had ik graag een grotere rol willen zien van Karl Urban als dr. McCoy). Vooral Benedict Cumberbatch (uit Sherlock) in zijn rol als John Harrison is indrukwekkend. Die stem! De dreiging die hij in zijn woorden legt, deed de rillingen over mijn rug lopen. Fantastisch! Ik hoop hem in nog veel meer films te zien. Verder bevatte de film weer prachtige futuristische technologie (zoals dat hoort in een Star Trek-film), buitenaardse wezens (een soort enorme vis!) en andere werelden. Maar het mooist waren de beelden van de planeet Jupiter. De goed uitgedachte en uitgevoerde actiescènes (een sprong tussen twee ruimteschepen, een neerstortend ruimteschip zonder kunstmatige zwaartekracht!) hielden de spanning er goed in. En het slot beloofde heel wat voor de toekomst. Ik hoop dat we niet al te lang op een derde film in deze serie hoeven wachten!

Een van de thema’s in de film is hoe mensen morele beslissingen nemen. Is het goed om iemand op te offeren, omdat het belang van de velen uitgaat boven dat van de weinigen of de eenling, zoals Spock wel eens suggereert? Of laat je een vriend niet in de steek, zelfs als je daarvoor belangrijke regels moet overtreden, zoals Kirk dat in het begin van de film doet? Een andere filmrecensent heeft de verschillende ethische systemen die in deze film belicht worden al besproken, dus dat zal ik hier niet doen. Wel vind ik het heel mooi hoe zowel Kirk als Spock uiteindelijk tegen hun automatische manier van handelen lijken in te gaan. De reden die ze daarvoor geven is in beide gevallen: “Dit is wat jij gedaan zou hebben.” Ze hebben ontdekt dat ze niet blind kunnen varen op hun eigen patronen, maar dat ze de bijdrages van anderen nodig hebben om een goede keuze te kunnen maken. Ze hebben geleerd nederig te zijn, ook met hun morele, of ethische uitspraken - een voorwaarde om ook de standpunten van anderen te kunnen overwegen. En die nederigheid maakt hen niet zwakker, maar sterker! Kirks innerlijke kompas, zijn onderbuikgevoel, wordt in evenwicht gehouden door Spocks rationaliteit en zijn overwegingen over de gevolgen van daden, en vice versa, en beiden kunnen daardoor met meer overtuiging handelen.

Ik wil in deze bespreking een andere vraag stellen, en dat is de vraag wat een gemeenschap gezond maakt en houdt. Als de belangrijkste bedreigingen voor groepen mensen niet van buiten komen, maar van binnen, hoe kunnen we daar dan weerstand tegen bieden? In deze film worden verschillende benaderingen tegenover elkaar gesteld.
“Zou jij niet alles overhebben voor je familie?”, vraagt John Harrison op een gegeven moment aan kapitein Kirk. Het is een krachtig moment in de film, omdat je als kijker weet dat het ruimteschip de Enterprise en haar bemanning inderdaad heel belangrijk zijn voor Kirk. Ze is zijn huis, ze is zijn familie. En hij heeft al laten zien het vuur van een vulkaan en de toorn van de Star Fleet-leiding te willen trotseren om zijn vrienden te redden van gevaar. John Harrison heeft ook een bemanning die hij tegen gevaar wil beschermen. Ze dreigen te worden gebruikt als betaalmiddel in een conflict tussen beschavingen en dat wil hij tegen elke prijs voorkomen. Volgens Harrison is alles geoorloofd, als zijn vrienden en collega’s het maar overleven. Hij is bereid alles en iedereen daarvoor op te offeren. Hij pleegt de aanslag in Londen. Hij doodt een Star Fleet-kapitein en opent het vuur op een ander ruimteschip. Hij bedreigt de bemanning van de Enterprise. Hij laat een spoor van vernieling achter, alles voor zijn familie. Dit lijkt heel positief, tot je beseft dat Harrison niet bereid is zichzelf te offeren. Hij vindt zichzelf namelijk beter. Beter dan de burgers van de Aarde, beter dan de officieren van Star Fleet. Beter dan Kirk en Spock. Hij blijkt ook te behoren tot een groep mensen die zich ten doel hebben gesteld wezens die minder zijn dan zij uit te roeien. Ze zijn fascisten geworden. De eigen groep gaat voor, ieder ander moet lijden. Harrison denkt dat de bescherming van de familie gebaseerd is op macht. Maar hij komt bedrogen uit.
Kirk heeft ook alles over voor zijn bemanning, zijn familie. Maar niet het leven van onschuldigen. Niet het leven van andere individuen. Hier moet ik wat meer zeggen over het plot, dus als je geen enkele ‘spoiler’ wilt weten is het verstandig de komende paragraaf over te slaan. Maar ik probeer genoeg te verbergen om het spannend te houden! Als zijn schip gevaar loopt en zijn bemanning dreigt om te komen, zet Kirk inderdaad alles op het spel. Niet alles buiten hem, maar alles wat van hem zelf is. Zelfs zijn leven. “Het is een wonder”, zegt iemand als de aandrijving van het schip hersteld wordt en de zwaartekracht terugkeert.. “Er bestaan geen wonderen”, antwoordt Spock. Maar als hij bij de kernreactor van het schip komt, moet hij zijn woorden inslikken. Het wonder is tot stand gebracht door Kirk, die daarbij een dodelijke dosis radioactieve straling heeft opgelopen. Groter liefde heeft niemand, dan die zijn leven aflegt voor zijn vrienden, zei Jezus al in de bijbel. Het is een krachtige verwijzing naar Jezus, die ook alles overhad voor zijn schapen, zijn familie. Maar niet het leven van onschuldigen. Hij vernietigde niet de Romeinen of de priesters van de Joden, maar liet zichzelf doden, zodat zijn vrienden de dood konden ontlopen. En zijn dood werd de basis voor de christelijke gemeenschap, waaraan in de kerk nog steeds elke zondag wordt gedacht door middel van de avondmaalsviering. In een gemeenschap waarvan de leider zijn eigen leven heeft geofferd, is geen plaats voor manipulatie en machtsmisbruik. Het wapen tegen de corruptie van onze instituten is geen macht (die neemt van anderen), maar liefde (die geeft van zichzelf).

Dit wil echter niet zeggen dat wij maar klakkeloos onszelf moeten opofferen, ongeacht tot welke familie of gemeenschap we behoren. We hoeven niet als vanzelf het belang van de groep boven onszelf te stellen. We hoeven niet zomaar over ons heen te laten lopen. Dit wordt in de film geïllustreerd door het karakter Carol Marcus. Zij is de dochter van Star Fleet-admiraal Marcus, die bezig is zijn positie binnen Star Fleet te versterken en die daarvoor de levens van onschuldigen wil opofferen. Hij vindt zijn familie ook heel belangrijk, dat blijkt als hij zijn dochter weg flitst van het gevaar. Hij wil niet dat haar iets overkomt.
Maar zij sluit zich niet bij hem aan. Als ze beseft wat hij van plan is, geeft ze hem zelfs een klap in het gezicht. Ze schaart zichzelf aan de zijde van de groep die admiraal Marcus wil vernietigen. Als hij hen kwaad wil aandoen, zal hij ook haar treffen. In deze film geeft Carol Marcus duidelijk haar grenzen aan. Wie haar familie is, wordt niet bepaald door bloedverwantschap. Ze geeft niet om de machtsinvloed van de groep waar ze bij hoort. Ze is niet zoals John Harrison. In plaats daarvan sluit ze zich aan bij een groep mensen die bij elkaar zijn gekomen uit vrije wil, uit vriendschap, mensen die bereid zijn hun eigen leven op het spel te zetten voor anderen. Mensen die niet willen dat onschuldigen schade lopen, maar die juist willen strijden voor vrede en rechtvaardigheid. Ze gaf een duidelijke grens aan en verdedigde die tegen elke prijs, zelfs als ze daarvoor tegen haar vader in moest gaan. Zelfs als ze haar leven ermee op het spel zet. Ze schaart zich aan de kant van Kirk. “Welkom bij je nieuwe familie”, zegt iemand tegen het eind van de film tegen haar. Om in de terminologie van de kerk te blijven: ze heeft het offer van de kapitein gezien, en dat heeft haar ertoe gebracht zich te bekeren en ‘uit het koninkrijk van de duisternis’ over te gaan in ‘het koninkrijk van het licht’.
Ook wij moeten, wat onze familie ook is, ons gezin of de kerk, de grens duidelijk stellen. We mogen niet over ons heen laten lopen door machtsmisbruikers, die over lijken gaan om hun eigen positie te verstevigen, maar kiezen voor mensen die elkaar en anderen liefhebben. Dan worden we niet overwonnen door machten van binnenuit en kunnen we uiteindelijk de mooie wereld om ons heen gaan verkennen. Moedig gaan waar niemand voor ons ooit gegaan is.

zondag 2 september 2012

Filmbespreking: Elizabeth

We worden als mensen nogal eens ingeperkt door onze ervaring. We kennen de wereld om ons heen. Onze stad, de marktkraampjes, de volle trein op weg naar kantoor. Die ervaren we als werkelijkheid, die heeft voor ons substantie. En van de mensen die we dagelijks zien, hebben we het gevoel dat we ze kennen. We kunnen onszelf op hen projecteren, en ons voorstellen dat ze dezelfde gedachten koesteren, dat ze dezelfde verlangens hebben, dat ze angstig zijn en liefhebben zoals wij dat doen. We ervaren ze als ademende, levende personen en gaan zo met ze om. Maar het wordt anders als we van mensen gescheiden zijn, of het nu is door een fysieke afstand, of door tijd. We lezen over een andere cultuur, bijvoorbeeld die van Japan of van de Inuit, en over hun voor ons aparte gebruiken en hun bevreemdende cultuur. Maar kennis over mensen is niet hetzelfde als het kennen van mensen. De Japanners of de Inuit blijven voor ons abstract. Het zijn eenheden, geen mensen. Een encyclopedie of een volkenkundig museum helpt ons niet over hen te denken als mensen zoals wij, die liefhebben, verdriet hebben, ambitieus zijn of juist niet. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis. We kunnen lezen over de middeleeuwen, de volksverhuizingen, de kathedralenbouwers, de epidemieën en de koningen, maar die kennis is onpersoonlijk. Al snel denken we dat mensen in die tijd dommer waren, minder ver ontwikkeld, simpele zielen of onschuldiger. Het is moeilijk over ze te denken als echte, levende, ademende mensen zoals wij. Het blijft een ‘ver van mijn bed show’.
Om de kloof van de abstractie te overbruggen hebben we iets anders nodig dan feiten. Het kan alleen door de mensen echt te ontmoeten. Door op reis te gaan naar een andere cultuur en twee weken bij Indiers te logeren bijvoorbeeld - daardoor krijgen de mensen op dat subcontinent een gezicht. Ze worden individuen, persoonlijkheden. Maar dat is niet altijd mogelijk, vooral niet als de afstand er een is in de tijd. Dan is fictie de aangewezen oplossing. Verhalen laten ons meeleven met individuele mensen, laten ons delen in hun pijn, vreugde en moed, laten ons voelen waarom eer nu zo belangrijk voor hen is, of waarom ze minder geven om welvaart dan wij. Een verhaal stelt ons in staat om ons door middel van de verbeelding te verplaatsen in de schoenen van een ander, en daardoor tegelijkertijd de ander te zien als een mens zoals wij. Dit is een belangrijke functie van fictie. Deskundigen spreken over de ‘theory of mind’ - de wetenschap dat een ander zichzelf als persoon ervaart, net zoals jij dat doet. Het is bekend uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen die verhalen lezen, sterker scoren op testen over de ‘theory of mind’ en ook empathischer zijn. Ze zijn ook eerder geneigd om anderen te helpen. Je zou kunnen zeggen dat verhalen ons menselijk maken, of anders gezegd: dat verhalen ons helpen om anderen te zien als mensen.
Dit verklaart waarom historische films mij zo aanspreken. Op een bepaald moment tijdens het kijken realiseer ik me dat deze mensen, met hun worstelingen, hun verlangen en hun twijfel, werkelijk hebben bestaan, bijna vijfhonderd jaar geleden. En andersom, dat de mensen van 1500 jaar geleden waarover ik lees in de geschiedenisboeken geen pionnen waren of robots die een koers volgden die voor hen was vastgelegd (de koers die de geschiedenis nu eenmaal moest lopen om te leiden tot onze tijd), maar dat ze individuen waren die hun eigen ideeën navolgden, met andere concurreerden, en teleurstelling ervoeren of juist grote vreugde. Hoewel de geschiedenis voor mij lijkt vast te staan, was de toekomst voor hen open. Dit ervoer ik bijvoorbeeld bij het kijken van de al wat oudere film Elizabeth.

De film speelt zich af in het Engeland van de zestiende eeuw. Net als elders in Europa heeft de reformatie diepe voren getrokken. De film begint met de levende verbranding van drie protestantse ketters. De katholieke koningin Mary Tudor wordt echter opgevolgd door de protestantse Elizabeth. Een levenslustige jonge vrouw, die verliefd is op een sympathieke edelman Sir Robert Dudley. Het ziet er echter naar uit dat haar regering van korte duur zal zijn. Het land is arm en er dreigt oorlog, bijvoorbeeld met bloody Mary, de koningin van Schotland. De katholieke bisschoppen zijn niet blij met haar ideeën over de gewetensvrijheid van individuen en de Paus dringt zelfs aan op een gewelddadige oplossing. De graaf van Norfolk, een van de belangrijkste edelen, aast ondertussen zelf op de troon. De enige manier om haar positie te behouden, is te trouwen. Of met de Franse Graaf van Anjou (die op zijn minst flamboyant is te noemen), of met de Spaanse koning. Haar advisieur William Cecil houdt haar voor dat haar lichaam nu niet meer van zichzelf is, maar van de staat. Ze is een vrouw in een mannenwereld en wordt daar ook regelmatig aan herinnerd. Ondertussen hoopt Sir Robert haar te kunnen blijven zien. De enige die werkelijk haar belangen op het oog lijkt te hebben is Sir Francis Walsingham, die als haar lijfwacht op een doortastende manier afrekent met bedreigingen van binnen en buiten het hof. Uiteindelijk moet de jonge koningin een groot offer brengen om haar land voor onheil te behoeden.

Deze film had makkelijk in het lijstje van mooie films kunnen staan dat ik laatst op mijn blog plaatste. De aankleding van de film is prachtig, met fantastische kostuums en imposante decors. Er speelt ook een heel scala goede acteurs in mee. Van Richard Attenborough (zelf ook regisseur, en broer van David), tot Joseph Fiennes (die later Luther speelde), Geoffrey Rush (zoals altijd briljant) en Christopher Eccleston (gepast dreigend en doortastend, in 2003 Dr. Who.). Emily Mortimer (uit Lars and the Real Girl) is een van de dienstmeisjes van de koningin, en zelfs de latere James Bond Daniel Craig heeft een rolletje. Cate Blanchett is een stralende koningin Elizabeth (deze rol is duidelijk een voorloper van Galadriel), maar een die ook haar doortastendheid overtuigend weet te brengen. Misschien toont de film niet de lelijke kant van de middeleeuwen wat betreft scheve tanden, pest en luizen, maar ketterverbrandingen, martelingen en de gevolgen van de oorlog worden wel in beeld gebracht. Aan het eind van de film wordt er een samenzwering ontmaskerd, maar hoe die precies in elkaar zat was me niet heel duidelijk, en ook niet wat de rol van Sir Robert nu precies was. Ik heb ook begrepen dat de film de volgorde van gebeurtenissen hier en daar omdraait en zich wat vrijheid veroorlooft in de ontmoetingen van de koningin. Dat maakt de film niet minder. Om op abstract niveau te weten wat precies gebeurde kun je vinden op Wikipedia. Om je een beeld te vormen van wat een vrouw van vlees en bloed moet doen en laten op de troon van Engeland in de zestiende eeuw, kijk je deze film.

Tijdens het kijken van de film dacht ik een paar keer: hee, dit soort situaties ken ik uit A Game of Thrones en de vervolgen daarvan. Een strijd om de troonopvolging, verschillende huizen van edelen met conflicterende belangen, diplomatiek inzetten van huwelijken en relaties, en bloederig verraad. Ik verwijs daarom graag naar mijn bespreking van A Game of Thrones. Daarin schreef ik: “Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis.” Onze heldenverhalen, waar wij betekenis aan ontlenen, leiden ertoe dat wijzelf onvrij zijn, en dat wij anderen hun vrijheid ontnemen (hun heldenverhaal bedreigt het onze immers). Ik citeer Richard Beck: “This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.” Ditzelfde principe wordt ook op een krachtige wijze in beeld gebracht in deze film. In A Game of Thrones lees je over de gevolgen van de menselijke machtsuitoefening op de zwakken en de machtelozen. Deze film toont de vernietigende effecten ervan op de individuele mens en zijn persoonlijkheid.
Eerst wordt Elizabeth in beeld gebracht als een levendige jonge vrouw. Ze bevindt zich in een idyllische, bijna paradijselijke situatie, waar ze danst met haar geliefde Sir Robert. Ze heeft hoop op een werkelijke relatie met de man met wie ze houdt. (De keren dat deze karakters dansen hebben een symbolisch karakter, denk ik. Ze worden namelijk steeds ongemakkelijker door de film heen). Bovendien is ze werkelijk overtuigd gelovige. Zelfs als ze gevangen wordt genomen en bedreigd wordt, houdt ze vast aan haar protestantse overtuigingen. Wanneer haar zus haar vraagt Engeland katholiek te houden, antwoordt ze dat ze zal handelen zoals haar geweten haar ingeeft. Wanneer ze hoort dat ze koningin wordt, reageert ze met oprechte dankbaarheid aan God. Ze is iemand die kan liefhebben, God en een ander individu. En ze probeert ook zo te regeren, uit het hart, niet uit kille berekening. Maar als koningin bevindt ze zich op een positie waar dat niet is vol te houden. Er wordt van haar verwacht dat ze de positie van Engeland beschermt en verstevigt. Er wordt van haar verwacht dat ze macht uitoefent ten dienste van de staat. Daarvoor moet ze trouwen met iemand die haar maar een of twee keer per jaar zou zien (de koning van Spanje) of met iemand die zich graag als vrouw verkleedt (de Franse Anjou). Haar liefde voor Robert is ondergeschikt aan het verhaal van Engeland. En anderen verwachten dat ze macht uitoefent ten dienste van de kerk, katholiek of protestant. Ze bespeelt de edelen prima, wijst hen op hun hypocrisie, maar het verhaal van de macht krijgt uiteindelijk de overhand. De religieuze machten zijn bereid de toevlucht te nemen tot moord om hun positie te beschermen. En Elizabeth kan hen alleen met de wapenen van de macht bestrijden, en moet daarbij ingaan tegen haar geweten. Ze moet de machiavellistische Walsingham de vrije hand geven om de katholieke samenzweerders te doden. En ze moet de toevlucht nemen tot de subversie van religieuze beeldtaal om haar plek op de troon te behouden. Ze wordt zelf een religieus figuur, om mensen ervan te weerhouden op grond van hun religie tegen Engeland te kiezen. Op dat moment, zegt ze, is ze getrouwd met Engeland. Ze heeft haar lange haren afgeknipt, heeft haar gezicht wit gemaakt, en draagt een witte jurk. Haar levenslustige persoonlijkheid is gesublimeerd, haar liefde voor Robert is weggedrukt. Ze is nu een belichaming van een ideaal, een abstractie, in plaats van een persoon. Ze is haar positie. Dat is wat macht doet met mensen. Dat is de betekenis van het gezegde dat macht corrumpeert, en dat absolute macht absoluut corrumpeert.

De ironie is natuurlijk dat haar beslissing om de maagdelijke koningin te worden succes oplevert voor Engeland. Dat gaat een gouden eeuw in, met ongekende welvaart, succesvolle expansie in de wereld en een Anglicaanse kerk die de staat niet meer bedreigde. Het verhaal van Engeland eindigt met een overwinning. Maar een ‘happy end’ is het volgens mij niet. Want het verhaal van Engeland is niet het Verhaal van de Werkelijkheid. Het is niet het Ware Verhaal. Het is een klein verhaal, en degene die van Engeland zijn eigen verhaal maakt, die zijn leven laat draaien om het succes van Engeland, dient eigenlijk een afgod. Hoe mooi en succesvol Engeland ook is, het is het niet waard dat ook maar een mens zijn of haar geweten dicht schroeit om het te redden. Het is het niet waard dat een mens er een ander mens voor ombrengt, of dat iemand haar eigen liefde ervoor ontkent. Christenen geloven dat ze in een groter verhaal leven. In HET grote verhaal. Daarom zijn ze wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hoewel ze leven als burgers van het Romeinse rijk, vereren ze de keizer daarvan niet als God, en worden ze liever uitgestoten dan hun eigen geweten geweld aan te doen. Wie oprecht wil leven in het grote verhaal kan niet tegelijk het wereldsysteem blijven dienen. Niemand kan twee heren dienen, zei Jezus al.
Maar ook de kerk kan het verhaal van iemands leven worden. En ook de kerk blijkt dan een te klein verhaal. Wie zijn leven laat draaien om het succes van een kerk, om het ledenaantal of zelfs het voortbestaan, dienst eigenlijk een afgod. In dit verhaal wordt de katholieke kerk als voorbeeld opgevoerd, maar het geldt eigenlijk ook voor protestante kerken, pinksterkerken en huiskerken (en zelfs voor het idee van kerkloos christen-zijn). Als je leven daarom gaat draaien, en je in naam van de kerk andere mensen pijn doet, uitsluit of veroordeelt, leef je niet langer in het Grote Verhaal. Dan leef je in een verhaal dat geen leven kan brengen. Dat alleen maar tot de dood leidt, voor jou en voor anderen. Walsingham (die zelf niet gelooft, maar denkt dat in het heelal niets anders is dan de mens en diens gedachten), heeft het verschil scherp door. Hij zegt tegen een katholieke priester: “Is your God such a worldly god that he must play at politics in the filth of conspiracy? Is he not divine?” Hij zag in dat deze man niet God diende, maar een god met een kleine ‘g’: de kerk.

Elizabeth besluit het spel mee te spelen. Ze dient Engeland. Ze houdt zich aan de religieuze verhalen van mensen. En ze draagt daarvan de pijnlijke gevolgen. Was er iets anders mogelijk? Ik weet het niet. Wij kunnen ons ook niet uit de wereld terugtrekken. We moeten ook gewoon ons werk doen, onze hypotheek betalen. We zijn deel van allerlei systemen. Maar aan de andere kant zijn we geen burgers maar ‘bijwoners’, vreemdelingen. Ons ware vaderland is het Koninkrijk van God. Ergens in die dubbelheid ligt de waarheid. Als we ons werkelijk geliefd weten, als we ons realiseren dat we leven in het Verhaal dat God vertelt, als onze betekenis rust op Jezus’ dood en opstanding, dan kunnen we de verhalen van Engeland, van de kerk, van onze carrière of onze financiën zien voor wat ze werkelijk zijn: kleine verhalen, gedoemde projecten, vaten die geen water houden. We kunnen ze relativeren. We worden dan niet langer geregeerd door deze verhalen, maar zijn vrij om er voor te kiezen iets te doen dat goed is voor Engeland, of om dat te weigeren. We zijn vrij om te kiezen bij een kerk te horen, maar ook vrij om er weg te gaan als ons geweten dat vraagt. We zijn vrij om anderen als waardevolle individuen te behandelen, in plaats van ze te martelen. We zijn vrij om te leven en lief te hebben, in plaats van ons aan een ideaal te onderwerpen. Ik breng dit niet altijd in praktijk, maar ik verlang er wel naar. Ik wil niet eindigen als Elizabeth. Als gevoelloos standbeeld, in plaats van een geliefd mens.

vrijdag 30 maart 2012

Links: Watervlooien, Marianentrog, Hubble-theologie, zelfbeeld en machtsstrijd

Ook dichter bij huis kun je de meest bizarre monsters tegenkomen, als je maar aandachtig genoeg kijkt: zoals in een druppel slootwater. Deze prachtige bewegende opnames tonen watervlooien, hydra's, copepoden en nog veel kleinere levende wezens ...

In Burundi is een kikker teruggevonden waarvan men 67 jaar dacht dat hij uitgestorven was!

Interessant artikel over de grote vraagstukken in de Biologie, van dezelfde orde van belangwekkendheid als de zoektocht naar het Higgs boson in de natuurkunde. De belangrijkste vraag: is er leven elders in het heelal, of dichter bij: in ons zonnestelsel? De tweede: is er 'buitenaards' leven op Aarde, een zogenoemde schaduwbiosfeer van leven op een totaal andere biochemie gegrondvest dan de bekende vormen? Beide zijn enorm boeiend!

James Cameron is afgedaald naar de diepste plek in de oceaan, elf kilometer onder de oppervlakte. Hij vond daar geen reuzenhaaien, maar een kaal maanlandschap. Ik ben benieuwd naar meer opnames!

Dit zou wel eens een hele mooie animatiefilm kunnen worden, over een expeditie naar de Noordpool, van de makers van onder andere The Secret of Kells. 

In een wat ouder artikel schrijft Michael Spencer (de Internetmonk) over het effect van de astronomische waarnemingen van de Hubble telescoop op zijn christelijk geloof. "I will admit that meditating on the Hubble photos plays havoc with my understanding of theology. The Bible was written in a pre-scientific culture. Despite the valiant attempts of my Creationist friends to rescue the Bible as a book of literal science, I increasingly see that the Bible delivers its story to us in the language of people who simply could not have fathomed what Hubble is showing us." Maar de manier waarop God zich openbaart is niet in de eerste plaats via de wetenschap. "I realize that the heart of reality, however, is not the depth and beauties of space. The heart of reality is the God revealed in Jesus. The story of the Prodigal Son takes me deeper into God’s universe than any telescope or space probe. The cross and resurrection show me more of the essence of reality than can be seen in the information gathered by any ingenious human instrument."

Op Experimental Theology haalt Richard Beck een interessant verhaal aan van iemand die zijn angst voor de dood overwon en daardoor in staat was om anderen lief te hebben. In de reacties ontspint zich een boeiende discussie over zelfbeeld en eigenwaarde - is dat iets waar we aan moeten werken? Beck kiest voor een andere benadering, die er niet op is gebaseerd om positief over je zelf te denken, maar om niet over jezelf te denken. "That seems abstract so here is an example from my own life. Am I a good father? I think that question is a trap. If I say I'm a good father I've likely blinded myself to areas where I need improvement. By contrast, if I think I'm a bad father I start moving in more morbid and neurotic directions. What I try to do instead is just keep focusing on being a father. I keep reminding myself about what all that entails and move in that direction. The key is to keep this about the present moment. Self-esteem is generally past-oriented--"Have I, in the past, been a good or bad father?" In an very important sense, that question doesn't matter. And trying to get an answer to that question is really distracting you from being a father RIGHT NOW. Just be a father and stop ruminating." Hij vertelt ook hoe dit werkt in relatie tot zijn blog en wat het succes van zijn blog betekent voor zijn eigenwaarde.

En Richard Beck is op dreef deze week: zo kijkt hij terug op de opmerking van John Piper dat het christelijk geloof een 'mannelijke' sfeer uitademt. Als reactie daarop wordt vaak gezegd dat God ook vrouwelijke kenmerken heeft. Maar daar gaat het helemaal niet om, beweert Beck. "The issue isn't really about gender, about if God has a "masculine" or "feminine" feel. The issue is about the use of power within the Kingdom. The discussion about gender is really just a cover for a powerplay, about who is in charge and who gets to call the shots. And as we've seen, Jesus is absolutely hostile to this sort of thing. When this sort of thing is going on in the Kingdom Jesus will be bringing the sword." Dit sluit aan bij de onderwerpen waar ik tegenwoordig over denk, het thema zwakheid, en hoe we niet op onszelf gericht moeten zijn maar op mensen en de wereld buiten ons. Dat is wat liefde betekent. En deze naar buiten gerichte liefde brengt ons in conflict met machtsstructuren (zoals ook met Jezus gebeurde). "There should be no peace in this instance, only conflict with the power structure.  Jesus completely undermines the powerplay. Power in the Kingdom is not "lording over" people, with some giving orders and others obeying orders. That's the way the world works. And if you see that sort of stuff going on in a church you're witnessing heresy. Christians don't give orders to Christians. The Christian way is the cross. The greatest amongst us are the servants. The preeminent amongst us are the ones washing feet. We seek to serve rather than be served. That's how power looks in the Kingdom of God."

Op Mockingbird een herinnering aan het feit dat wij geen rationele wezens zijn, maar emotionele wezens, in een bespreking van een recent boek. "Haidt argues that people are fundamentally intuitive, not rational. If you want to persuade others, you have to appeal to their sentiments."

vrijdag 24 februari 2012

Macht en zwakheid 2: de overwinning van de zwakke

Filmkenners weten dat Steven Spielberg heel graag een James Bond-film had willen regisseren. Dat was de reden dat hij direct enthousiast reageerde toen George Lucas bij hem kwam met een held in dezelfde lijn: een archeoloog die over de hele wereld avonturen beleefde, ternauwernood aan gevaar ontsnapte, omging met mooie vrouwen en uiteindelijk de westerse samenleving redde. Een hoofdpersoon met eenzelfde korte, krachtige, algemene naam: Indiana Jones.
Maar deze ‘held’ bleek uiteindelijk totaal anders te zijn dan de Engelse superspion. Al was het alleen maar omdat zijn naam was gebaseerd op die van een hond, in plaats van een Engelse ornitholoog (hoe vaak kun je dat woord zomaar in een blog gebruiken?). Bond is upperclass, Jones is een alledaagse onderwijzer. Bond weet altijd precies wat hij in elke situatie moet doen. Jones zegt eerlijk: ‘I’m making it up as I go.’ Bond schiet altijd raak, wordt zelf nooit verwond, na een gevecht zit zijn scheiding nog even netjes en is zijn tuxedo nog glanzend zwart. Jones schiet mis, wordt neergeslagen, raakt gewond en scheurt en besmeurt zijn kleren: ‘It’s not the years honey, it’s the mileage’. Waar Bond de beste is in zijn vak, wordt Indiana voortdurend afgetroefd door zijn concurrenten - de openingsscene van de eerste film, met de rollende steen, eindigt ermee dat Belloq de schat van Indiana afpakt. Bond is een ‘womanizer’ die schijnbaar zonder moeite de mooiste vrouwen in bed krijgt, en hen ook nog eens zo bevredigt dat ze zijn machogedrag accepteren. Indiana’s liefdesleven is lang niet zo succesvol. In de eerste film is hij te moe om met zijn vriendin te slapen, in de tweede film is zijn vriendin tegen haar zin bij hem en laat dat ook weten, en zijn vriendin in de derde film verraadt hem.
James Bond is de competente held, die de overwinning haalt door zijn eigen kunnen. Niet geheel toevallig staat Bond dan ook aan de kant van de regering, van de autoriteit, van de macht. Bij Indiana Jones is het anders. Het video-essay dat ik in het vorige deel van deze serie aanhaalde, suggereert: “Spielberg’s heroes survive, and sometimes triumph, by being tough, smart, and lucky. Most of all lucky.” Indiana Jones is een held die zich hiervan bewust is. Hij weet dat hij in een situatie is die zijn vermogen te boven gaat. Voor Indiana Jones is de autoriteit een vijand: niet alleen de nazi’s, maar ook de Amerikaanse bureaucratie, die zijn ontdekkingen aan het zicht onttrekt en in kratten opslaat in onpersoonlijke hangars. Indiana staat aan de kant van de zwakken, in The Temple of Doom bevrijdt hij kinderen uit slavernij, in The Last Crusade herkent hij dat de Graal een eenvoudige timmermansbeker moet zijn, en gebruikt hij die om zijn vader te redden. En Indiana begrijpt dat de eindoverwinning niet van hemzelf afhankelijk is, maar van een macht buiten hem. Toeval - of het ingrijpen van God. The Raiders of the Lost Ark eindigt er niet mee dat de held al one-liners spuiend een basis van de superschurk doet exploderen. De ontknoping van de film is een openbaring van God, die het kwaad verdelgt en de vastgebonden, machteloze hoofdpersonen van de ondergang redt.
Daar zit een les in.

Wij denken dat we als christenen als James Bond moeten zijn, maar we zijn eerder Indiana Jones. We denken dat we ervoor kunnen zorgen dat we ons gedragen volgens de regels. We denken dat we met onze methodes en technieken andere mensen ten goede kunnen veranderen, zodat ze op ons gaan lijken (want dat is immers goed). We denken dat we als we maar genoeg ons best doen, de wereld een betere plek kunnen maken (in elk geval volgens onze definitie van ‘beter’). We zien onszelf als ‘helden’ en geloven dat we ons ‘heldenverhaal’ aan de rest van de mensheid moeten opleggen. We staan zo aan de kant van de macht en autoritieit waarmee de wereld wordt gecontroleerd.
We zijn als de ‘rijke jongeling’ in Markus 10:17v: “En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Interessant genoeg reageert Jezus het eerst op zijn gebruik van het woord ‘goed’. “Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.” Ik denk dat deze man zichzelf ook goed vond. Hij stond aan de kant van God, hij hoorde bij de ‘goeien. En daar had hij zelf voor gezorgd: door zijn discipline en zijn wilskracht kon hij er niet alleen voor zorgen dat hij zelf zich aan de regels hield, maar misschien ook dat anderen zich aan de regels zouden houden. God zou wel blij zijn met iemand als hij die de belangen van de schepper op aarde zo goed wist te dienen. Hij vroeg dan ook wat hij nog meer kon ‘doen’ om Gods koninkrijk op Aarde te brengen. “Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreemden, eer uw vader en moeder. Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af.”
Jezus denkt er echter anders over. Hij wil deze man van zijn voetstuk halen, en hem ervan overtuigen dat het er helemaal niet om gaat ‘goed’ te zijn - alleen God kan van zichzelf zeggen dat hij goed is. Wij kunnen nooit die morele superioriteit (en machtspositie) claimen die bij dat woord hoort. We kunnen alleen maar toegeven dat we zwak zijn en afhankelijk van God. Ik meen dat dit is wat Jezus bij deze man wilde bereiken en dat hij hem daarom iets opdroeg waarvan hij wist dat hij dit niet kon opbrengen, namelijk alles verkopen dat hij bezat.
Dit bleek de man niet te kunnen! Waarom niet? Omdat hij hebzuchtig was? Dat was hij niet: hij hield zich aan de geboden, dat wilde zeggen dat hij zelfs nooit iets had begeerd dat van een ander was (wat een van de tien geboden is!). Waarom kon hij dan niet afzien van zijn rijkdom? Omdat deze rijkdom de bron was van zijn macht, het middel waarmee hij invloed kon uitoefenen op zijn leven en zijn omgeving. Hierin lag zijn zekerheid, hierdoor kon hij zichzelf ‘goed’ noemen. Wat Jezus hem vroeg was zijn ‘heldenverhaal’ op te geven en een positie in te nemen waarin hij afhankelijk was: van andere mensen, maar vooral van God. Hij moest zijn macht afleggen. Hij moest ophouden Gods koninkrijk tot stand te brengen met zijn eigen wilskracht, hij moest toegeven dat hij geen enkel recht kon laten gelden op het eeuwige leven. De enige manier om het koninkrijk van God te ontvangen, is namelijk door er als een kind voor open te staan.
Net als in de Indiana Jones-films komt de redding ook voor ons van buitenaf. Het is een ingrijpen van God in onze werkelijkheid, de verandering die het gevolg is van opstandingskracht. Leven uit de dood. God is het die ons rechtvaardig maakt - niet onze eigen ‘goedheid’. Dat is niet wat we graag willen horen, vooral niet als onze wilskracht op gebieden in ons leven tot succes heeft geleid, als we macht hebben verkregen, of rijkdom, of respect voor onze moraliteit. Dat is waarom de jonge rijke man ook uiteindelijk van Jezus wegging, dat is waarom Jezus waarschuwt dat het voor rijken moeilijk is het koninkrijk van God binnen te gaan. Ze kunnen moeilijk worden als de kinderen, dat wil zeggen: hun macht en autoriteit loslaten en eenvoudig ontvangen wat God hen wil geven: ondeelbare betekenis, de wetenschap zijn geliefden te zijn, het leven van de eeuwigheid.

Dit verhaal suggereert dat het verhaal van Jezus nogal subversief zal zijn ten aanzien van machtsstructuren, instellingen en organisaties. Zoals zijn volgelingen niet op rijkdom kunnen vertrouwen om tot Gods koninkrijk te behoren, kunnen ze ook niet op hun autoriteit vertrouwen om andere mensen en de wereld te veranderen. Machtsuitoefening is niet het instrument dat Jezus daarvoor geschikt acht. Dat maakt hij heel duidelijk in Matteus 23:8v: “Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters. En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in de hemel. Laat je ook niet leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de messias.” Ik zie hier een parallel met wat Jezus tegen de rijke man zei: ‘Niemand is goed dan God alleen’. Het bekleden van een machtspositie, plaats nemen boven anderen, autoriteit claimen over de levens van minder machtigen, het is allemaal net zo pretentieus als van jezelf zeggen dat je ‘goed’ bent. Het is alsof je van jezelf beweert dat je James Bond bent, de held. Maar macht en autoriteit zijn de middelen van de wereld, en wie macht heeft en autoriteit heeft wordt bepaald door de maatstaven van de wereld. En het waren de ‘machthebbers van deze wereld’ die de wijsheid van God niet kenden en Jezus (de ultiem zwakke) kruisigden (1 Korintiers 2:8). In het rijk van Jezus liggen de verhoudingen anders: “De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn. Wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd.”
Dit gedeelte wordt nogal eens aangehaald door mensen die leidinggeven in de kerk: ze zeggen dan dat ze door leiding te geven de gemeente dienen. Ik denk dat zelfs de rijke leiders van megakerken in de Verenigde Staten dit van zichzelf zouden zeggen. Maar dat is niet wat Jezus hier bedoelt. Hij zegt niet dat wie het belangrijkst is, de leider, eigenlijk de dienaar is. Hij zegt dat de dienaar, degene die zonder voor zichzelf macht of invloed te willen zich inspant voor anderen, de belangrijkste is. Het is in Gods koninkrijk de omgekeerde wereld: de eersten zullen de laatsten zijn, de laatsten de eerste. Paulus zegt hetzelfde: “Wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen” en “Juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk” (1 Korintiers 1:27; 12:22). De ‘nobodies’, de onopvallenden, de verslaafden, de zieken, zij zijn het om wie het gaat. Iemand die er voor hen is, hen opzoekt, hen dient, belichaamt het koninkrijk van God. Wat hij aan een van deze minsten doet, doet hij aan Jezus. En zo iemand wordt een voorbeeld voor anderen. Zij zullen zich bij hem aansluiten en net als hij hun eigen macht en autoriteit afleggen, en de voeten wassen van hun medemensen. De enige manier waarop Jezus’ volgelingen invloed hebben in het leven van anderen is door hun voorbeeld. Zo wordt iemand een ‘leider’, niet door zelf die plek te claimen.
De echte leider in Gods koninkrijk weet niet dat hij een voorbeeld is, laat zich daar niet door beinvloeden, maar richt zich op de ander. De echte leider heeft zijn eigen ‘heldenverhaal’ afgelegd, is daaraan gestorven, net als Jezus, en vertrouwt erop dat Gods opstandingskracht in en door hem heen werkt, in alles wat hij doet. De echte leider heeft het niet over zichzelf, maar over Jezus en zijn liefde. De echte leider loopt schrammen op, durft met gescheurde kleren rondlopen, en moet toegeven dat hij ‘is making it up as he goes’ - zoals Indiana Jones.

Dit is natuurlijk een ideaal, en de werkelijkheid is altijd gecompliceerd. We oefenen namelijk altijd invloed uit. Zelfs als ik een blog schrijf, probeer ik daarmee het denken van jullie, mijn lezers, te beinvloeden. Schrijven is een vorm van macht uitoefenen. De pen is immers machtiger dan het zwaard. Ik geloof sterk dat macht niet moreel neutraal is, maar tegelijk kan ik er niet aan ontsnappen. Ik heb een probleem met autoriteit, maar ik denk niet dat in onze gebroken wereld anarchie een goed alternatief kan zijn. Volgens Genesis zijn we als mensen namelijk wel bedoeld om invloed uit te oefenen, om te ‘heersen’ over onze omgeving. Dat macht en autoriteit nu bevlekt zijn, betekent niet dat ze dat dus altijd zijn geweest. Dat betekent ook dat autoriteit door God kan worden verlost, kan worden opgenomen in zijn plan.
Interessant genoeg is Steven Spielberg zich van deze dynamiek bewust. Waarschijnlijk omdat hij zelf in Hollywood een positie van macht en autoriteit bekleedt - ondanks zijn wantrouwen ten opzichte van dezelfde macht en autoriteit. Daarom is zijn weergave van die macht en autoriteit niet zo zwart-wit als ik het in het eerste deel van deze serie deed voorkomen. Want hoewel de onpersoonlijke machtsstructuren zelf de tegenstander zijn, en individuen onderdrukken en doden, zijn de hoofdpersonen wel afhankelijk van mensen binnen de machtsstructuren. Laat me hier het genoemde video-essay eens uitgebreid citeren: “For the sympathetic characters to survive – for their narratives to have a personal tipping point – they require the help of a sympathetic person in authority. In Spielbergs movies there’s often someone who shows sympathy for the exploited, the dispossessed. He’s inside the power structure, such as it is. He draws a paycheck from the establishment and does its bidding. And yet he maintains an outsider’s mentality and responds - perhaps nostalgically, perhaps even a touch guiltily - to true victims, rebels, and heroes. This type of character cannot help but admire the pluck of a resourceful hero, fugitive or troublemaker – and feel sympathy for the beleaguered, the exploited, and the dispossessed. When the chips are down, when it really and truly matters, he does the right thing.” Personen als deze zijn er in de film Close Encounters of the Third Kind - een UFO-deskundige die de hoofdpersoon toelaat op het omheinde terrein waar de buitenaardse wezens landen en hem de kans geeft tot zijn bestemming te komen - en in ET - de vertegenwoordiger van de overheid die strijdt voor het leven van het buitenaardse wezen en hem niet tegenhoudt als hij ontsnapt en de ruimte in vertrekt. Een ander voorbeeld is te vinden in Schindler's List. “Oskar Schindler deserves a special mention as the ultimate Fifth Column. He is a subversive infiltrator deep in the heart of the Nazi apparatus, fueled by the moral impetus to do the right thing, even though he is almost completely inscrutable, and justifies his goodness on mercenary grounds ... In the grand scheme of things, only a wanton, libidinous, money-grubbing and wholly-inscrutable industrialist – and dyed-in-the-wool authority figure -- could have flown under the radar of the Nazi machine and pulled off that sort of a miracle.”
Jezus roept mensen in machtsposities niet op hun baan op te zeggen. Soldaten blijven soldaten, belastingontvangers blijven belastingontvangers. Maar in hun machtspositie zijn ze voortaan een soort ‘vijfde kolonne’. Ze zijn in het systeem, maar niet van het systeem, zoals wij wel in de wereld zijn, maar niet van de wereld. Ze beschikken over macht en autoriteit, maar beschouwen dat niet als hun goed recht, of als iets dat hen ‘beter’ of ‘acceptabeler’ kan maken dan anderen. Ze zijn sterk, maar weten tegelijk van zichzelf dat ze zwak zijn. Ze verheugen zich niet over hun invloed, maar over het feit dat hun naam geschreven is in het boek van het leven van het lam. Ze gebruiken hun positie dan ook niet om hun eigen heldenverhaal te versterken, maar om goed te doen aan anderen. Wat hun is toevertrouwd zetten ze als rentmeesters in om zwakken en machtelozen te ondersteunen en de schepping tot groei en ontplooiing te brengen (en vervullen daarmee het gebod uit Genesis).
Wat ze hebben gekregen, willen ze niet voor zichzelf vasthouden. Hun greep erop is los. Ze durven het weg te geven aan wie het meer nodig heeft dan zijn. Ze komen op voor de zwakke, ook als ze zelf toevallig niet zo zichtbaar ‘zwak’ zijn. Ze dienen, zelfs als ze dat niet zouden hoeven. Ze volgen Jezus. Zo kunnen ook rijken het Koninkrijk van God binnengaan. Want wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

Spielberg heeft ooit gezegd dat hij zich er niet voor schaamt dat zijn films goed aflopen. Volgens hem hebben mensen namelijk hoop nodig. En hij wil dat geven. Dat is voor mij extra bevestiging dat deze regisseur oog heeft voor het Grote Verhaal. Hij weet dat het verhaal van God uiteindelijk ook een ‘happy end’ kent. Dat hebben de verhalen over Indiana Jones ook, en niet alleen die over James Bond. Maar Indiana Jones verliest eigenlijk in alle films datgene waar het hem om te doen was. Er blijft geen mactig artefact over. Net zo zal er in het koninkrijk dat komt geen macht of autoriteit meer zijn. Er zal geen tempel meer zijn, zegt Johannes in Openbaringen. Aardse structuren, de verhalen waar wij onze identiteit aan ontlenen, zullen hebben afgedaan. Maar wat Indiana Jones vindt aan het eind van zijn avonturen, is de gemeenschap met anderen. Gemeenschap die niet is gebaseerd op macht en autoriteit, maar op liefde. Niet voor niets eindigt Indiana Jones and the Kingdom of the Crystal Skull met een bruiloft. Net als de bijbel, eigenlijk. God zal zijn alles en in allen, de bruid en het lam zullen zijn samengekomen, genade en waarheid hebben elkaar gevonden en er zal geen geweld meer zijn op Gods heilige berg. Dat is een ontknoping om naar uit te kijken.

P.S. Planet Pulp heeft meer gave tekeningen van Indiana Jones!

zondag 19 februari 2012

Macht en zwakheid 1: het falen van de macht

Ik vul niet alleen zelf een blog (met vrij lange bijdrages over het algemeen), ik volg er ook meerdere. Een ervan is de Internetmonkblog - na de dood van initiator Michael Spencer overgenomen door een team enthousiaste auteurs. Michael Spencer was een open, eerlijke schrijver, niet alleen kritisch naar de evangelische wereld, maar ook naar zichzelf. En bovendien keerde hij altijd terug naar het thema van de onvoorwaardelijke liefde van God, zoals die in Jezus werd geopenbaard. Ik zal hem voor altijd dankbaar blijven voor zijn eigen stukken over genade, maar ook voor zijn enthousiasme over de boeken van Robert Farrar Capon (waar trouwe lezers de afgelopen maanden heel wat citaten voorbij hebben zien komen). Zijn nadruk op deze onderwerpen en zijn weigering om het gezag van sprekers en schrijvers zomaar te accepteren, leidde tot nogal wat kritiek van vooral calvinistische bloggers en schrijvers.
Na zijn dood hield zijn blog gelukkig dezelfde nadruk op genade (wat de reden is dat ik er graag langssurf om mee te lezen). Maar ook de kritiek is gebleven. Zo was de blog de afgelopen week geheel gewijd aan genade (gebaseerd op het boek Three Free Sins van Steve Brown). Een verademing - tot je sommige van de commentaren onder de artikelen las (gelukkig lang niet alle!). Een heel aantal van de reageerders ageerden namelijk tegen de stelling dat genade ons absoluut vrij maakt. Dat is gevaarlijk, vonden ze. Als dat gepredikt werd zouden mensen alleen maar gaan zondigen. Er moest ook worden gesproken over de noodzaak om te veranderen en je leven te beteren.
Ik slaakte een diepe zucht. Ik geloof - net als deze respondenten - dat God ons heeft geschapen om Hem, onze medemensen, de schepping en onszelf lief te hebben, en dat er manieren van leven zijn waarmee we onszelf, onze wereld, en onze naasten de vrijheid ontnemen en beschadigen, en daarmee ook God verdriet doen. Over beide aspecten spreekt de bijbel, en ook christenen mogen en moeten elkaar daarop wijzen. Ik weet zeker dat alle schrijvers van de Internetmonkblog dit zouden beamen. Maar wat mij frustreerde, was dat deze schrijvers de noodzaak voelden de veranderde manier van leven aan anderen op te leggen. En niet alleen zelf dat te doen, maar ook andere sprekers wilden ze overtuigen om niet over de onvoorwaardelijke genade te spreken, maar te benadrukken dat het wel degelijk ging over levensheiliging en rechtvaardigheid. Niemand hield hen tegen om zich met woord en daad in te zetten voor een heilig leven. En op de Internetmonkblog is ook niemand te vinden die er maar op los leeft. Waarom dan toch zo fel? Waarom niet accepteren dat God mensen liefheeft en daar in vrijheid naar leven? Waarom zo’n nadruk op gedrag, inspanning en de aanname dat genade niet goedkoop kan zijn?  Als genade niet goedkoop was, kon niemand haar betalen!

Deze commentatoren verraadden een groot vertrouwen op de menselijke wilskracht - niet alleen wat betreft het veranderen van het eigen gedrag, maar ook wat betreft het veranderen van het gedrag van anderen. De leider in de gemeente, de prediker, is volgens hen verantwoordelijk voor het al dan niet morele gedrag van de gemeenteleden. Hij moet zijn gezag gebruiken om hen tot een juiste manier van leven te brengen. Eigenlijk is deze visie niet anders dan in de gemiddelde evangelische kerk wordt gepredikt. Denk aan de preken met oproepen om meer te bidden, meer uit de bijbel te lezen, meer te evangeliseren en meer naar de kerk te komen (want als er meer mensen naar de bidstonden komen, komt de kerk tot leven). Het idee is dat de predikers het gedrag van de toehoorders kunnen veranderen.
Ik heb het dan nog niet eens over het ‘bedekkings’-idee uit de meer charismatische kerken, dat kerkleiders werkelijk verantwoordelijk maakt voor hun gemeenteleden - wie onder de ‘bedekking’ van een kerkleider valt, wordt gezegend, wie niet onder een ‘bedekking’ hoort, mist Gods zegen. Dit leidt daar tot een hele structuur van leiders, die zich zelfs in een afspiegeling van de katholieke hiërarchie bisschoppen en aartsbisschoppen noemen. De hoogste autoriteit moet zonder aarzelen worden gevolgd - ‘touch not the Lord’s anointed’ - want hij is verantwoordelijk voor iedereen onder zich. Omdat hij macht heeft, heeft hij gelijk. Might makes right.
En als de leiders niet denken dat ze de mensen in hun kerk kunnen veranderen, geloven ze wel dat ze met hun kerk de wereld (en de mensen in de wereld) kunnen veranderen. Ze kunnen ‘Nederland winnen voor Jezus’, ze kunnen beslissingen van de overheid terugdraaien. Ze kunnen voorkomen dat de Harry-Potterboeken worden gelezen in de klaslokalen, of ze kunnen zorgen voor een opwekking in landen ver weg, met duizenden bekeringen en genezingen van blinden. En dat allemaal door hun inspiratie en hun durf om hun dromen te volgen. Alleen daarom al moeten mensen hen volgen, want zij krijgen in elk geval iets voor elkaar!
Het is niet dat ik deze manier van denken niet begrijp. Het is namelijk een heel menselijke gedachte. Daarom zien we structuren van autoriteit en leiderschap overal in de wereld terug, in organisaties, in bedrijven, in de politiek. En ja, in kerken! Maar juist het feit dat we het overal om ons heen zien in de wereld (en ook waar het toe leidt: oorlog, uitbuiting en onderdrukking) zou ons te denken mogen geven. Het is ook niet dat ik geloof dat alle leiders slechte bedoelingen hebben. Verre van dat! Maar, zoals in de film Jurassic Park III werd opgemerkt: “Some of the worst things imaginable have been done with the best intentions.” Je eigen overtuiging dat je goed of rechtvaardig bent, garandeert niet dat jouw gebruik van macht over anderen ook goede of rechtvaardige resultaten teweegbrengt. Eerder het tegenovergestelde. 

Dat ik eraan twijfel of we met behulp van onze wilskracht onszelf kunnen veranderen, zal de lezers van deze blog ondertussen duidelijk zijn. Maar ik geloof daarnaast dat wij met onze macht niet werkelijk andere mensen kunnen veranderen. We kunnen ze alleen maar hun vrijheid ontnemen, minder zichzelf maken, want onze macht over anderen is voor hen een externe motiverende factor. Elke gedragsverandering die door onze macht over anderen tot stand komt, is niet een verandering die uit het hart komt, een verandering waar de ander werkelijk naar verlangt, maar een verandering die de ander wordt opgelegd. En dat geldt voor de mensen in de kerk, en voor de mensen buiten de kerk. Geen wonder dat die zo afgeven op het opgeheven vingertje van christenen. Niemand vindt het prettig als een partij van buitenaf zijn eigen macht beperkt.
Als we macht uitoefenen, komt dat uiteindelijk nooit de ander ten goede, maar altijd onszelf. De filosoof Nietzche noemde het principe hierachter de ‘Will to power’ (der Wille zur Macht). Ik citeer van Wikipedia (ik geef toe dat ik slechts amateurfilosoof ben): “My idea is that every specific body strives to become master over all space and to extend its force (its will to power) and to thrust back all that resists its extension. But it continually encounters similar efforts on the part of other bodies and ends by coming to an arrangement ("union") with those of them that are sufficiently related to it: thus they then conspire together for power. And the process goes on ...the will of life is bent upon power, its total goal: creating greater units of power.”
Hier zijn we ons natuurlijk lang niet altijd van bewust - onze ‘will to power’ gaat vaak verborgen achter religieuze termen, het werk dat we doen voor de Heer, het goed dat we doen voor anderen. We rechtvaardigen onszelf, wat we doen is immers altijd ‘goed’, in elk geval volgens onze definities. Ik denk dat Nietzche daarom aan een van zijn publicaties de titel ‘Beyond Good and Evil’ meegaf. Hij doorzag dat ons spreken over moraliteit vooral een goedpraten is van ons eigen ‘heldenverhaal’, het veiligstellen van onze eigen machtspositie of gevoel van eigenwaarde. “This includes both such apparently harmful acts as physical violence, lying, and domination, on one hand, and such apparently non-harmful acts as gift-giving, love and praise on the other— In Beyond Good And Evil, Nietzche claims that philosophers' "will to truth" is actually nothing more than a manifestation of their will to power; this will can be life-affirming or a manifestation of nihilism, but it is the will to power all the same.”
De Nazi’s namen Nietzches ideeën serieus. Hun verheerlijking van de wil - de ‘Triomf van de wil’ - wist een groot deel van Europa te winnen. Zelfs veel kerken en gelovigen schijnen Hitler niet als gevaar te hebben gezien en zelfs actief te hebben ondersteund. Misschien omdat zij net zo goed als hij ten enenmale werden gedreven door de ‘will to power’ en in zijn ideologie een kans zagen hun eigen machtspositie te versterken.

Hoewel Nietzsche volgens mij de menselijke natuur helder doorzag, was zijn conclusie dat onze drang naar macht, betekenis en invloed boven de moraal verheven was, niet correct. De verwijzing naar Nazi-Duitsland maakt dat wel duidelijk, vermoed ik. Macht is niet a-moreel, het is iets immoreels. Niet voor niets haalde ik zojuist een citaat aan uit een film geproduceerd door Steven Spielberg. Spielberg kiest heel vaak voor nazi’s als de ‘slechterikken’ in zijn films - soms op een kartooneske manier (zoals in de Indiana Jones-films), soms op een meer doordachte manier (zoals in Schindler’s List). Dit is niet (of niet alleen) omdat zijn verbeelding werd gevormd door oorlogsfilms. Ook niet omdat hij zelf van Joodse afkomst is. Het komt ook voort uit zijn filosofie.
Ik keek laatst een interessante serie video’s over de thema’s uit de films van Spielberg. Daarin werd het volgende gezegd: “In Spielberg’s movies, evil, such as it is, always comes back to the use or abuse of power. The relative good or evil of people in a Spielberg film can be discerned by looking at how they use whatever authority they have in a given situation – how they tap into, and apply, power.  This is how morality is measured. It is how good or evil is measured.” De tegenstanders in zijn films zijn geen psychopaten die plezier beleven aan het kwaad. Anders gezegd: het kwaad is voor hen geen doel in zichzelf. Wat hen tot ‘slechterikken’ maakt is dat ze zich hebben onderworpen aan het systeem van macht, de ‘will to power’.
In de film Jurassic Park zie je dat in de Tyrannosaurus rex - die niet zelf ‘slecht’ is, maar zijn natuur volgt. De T. rex wordt bij uitstek gedreven door de ‘will to power’. En toevallig is hij de machtigste in het dinosauruspark. Maar daarnaast bevat de film het karakter van John Hammond, de exploitant van het park. Hij lijkt een vriendelijke opa, zonder enig ‘kwaad’ in zijn systeem. Maar hij wil geld verdienen met een niet geevenaarde attractie, en zijn lust naar meer geld brengt hem ertoe risico’s te nemen die leiden tot de dood van tientallen individuen. Nog duidelijker is het bij het hoofd van de ‘pre crime’ in de film Minority Report, Lamar Burgess. Zijn organisatie heeft het misdaadcijfer laten dalen, en hij wil het systeem over het hele land uitrollen. Voor dat ‘goede doel’ (maar in feite voor zijn eigen machtspositie) is hij bereid individuen hun keuzevrijheid te ontnemen. Niet alleen de hoofdpersoon van de film, maar ook alle potentiele misdadigers die worden opgepakt voor ze iets hebben kunnen doen. “The antagonists in Spielberg's films are in with the power structure set out by society; even though they’re just individuals, in another sense they ARE authority.”
Dit maakt autoriteit zelf in de Spielbergfilms tot de ware vijand. De uitoefening van macht over anderen is slecht. De gezichtsloze machtsstructuren zelf zijn de tegenstander (zoals de politieagenten in ET of Close Encounters of the Third Kind). “It is often society’s authority that is the true enemy in the Spielberg canon.  Many of Spielberg’s antagonists are but human extensions of it.” Een mooi voorbeeld is de film Munich, waar Spielberg op een meesterlijke manier de rollen omdraait. Hier is de vijand niet Nazi-duitsland, maar de staat van Israel. Het is namelijk niet zo dat Duitsland slecht is en Israel a priori goed. Het lijkt aanvankelijk misschien of de Israelische geheime dienst het recht aan haar kant heeft, maar haar gebruik van macht is net zo destructief als dat van hun tegenstanders. Of de macht wordt ‘goedgepraat’ maakt niet uit: door met hun autoriteit hun wil aan het individu op te leggen laten beide machten zien uit hetzelfde hout gesneden te zijn. “The true evil in Munich is that the state of Israel feels entitled to do anything it feels is necessary to avenge the murder of its athletes by Palestinian terrorists. It’s yet another example in Spielberg’s films of authority slowly clenching its iron fist around the individual. Nobody in Munich is evil – not the assassins, not their handlers, not the PLO targets they’re hunting. But they all are collectively responsible for evil acts.”

Ik denk veel over dit thema sinds het lezen van het fantasyboek A Game of Thrones. Ik heb er in mijn recensie ook over geschreven, maar ik kan aan de statistieken zien dat niet al mijn trouwe volgers deze hebben gelezen, waarschijnlijk omdat ze het boek niet kennen. Het punt uit mijn recensie wordt ook gemaakt door Jason Morehead, die schrijft: “The books’ heroes find their ethics compromised, either because they give into lust for power or because they’re forced to take extraordinary measures to survive. In either case, Martin’s point is clear: power corrupts, and it oftentimes corrupts the noblest the most easily.” Juist het idee dat je ‘goed’ bent, je eergevoel en eerlijkheid, verblinden je voor het gevaar van de macht zelf en maken dat je zonder het misschien te willen individuen onderdrukt en onschuldigen in gevaar brengt. Ik citeer in mijn recensie Richard Beck van Experimental Theology, die concludeert: “That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.”
Daarom denk ik dat het er in de het verhaal van God niet om gaat dat wij ‘goed’ zijn in plaats van ‘slecht’, maar dat wij ‘zwak’ durven zijn in plaats van ‘sterk’. Dat wij ons durven openstellen voor Gods genade, in plaats van te verlangen naar macht. Ook al is het de macht om ‘goed’ te doen. Hierin is de boodschap van Jezus werkelijk subversief. Wat het christelijke verhaal suggereert over leiderschap is dan ook anders dan wat de wereld suggereert, en dan wat in veel kerken in praktijk wordt gebracht.
Meer daarover in mijn volgende blogbericht (ik heb me weer eens door mijn enthousiasme laten meeslepen ...).

donderdag 12 mei 2011

Boekbespreking: Powers

‘Freedom is mostly a matter of knowing there are alternatives’, zegt een van de karakters in Powers, het derde deel van The Annals of the Western Shore van Ursula K. Le Guin. We nemen namelijk allemaal aan dat de omgeving waarin we ons bevinden normaal is, we passen ons aan op onze omstandigheden. Wie in een situatie van onvrijheid opgroeit, weet niet dat er een andere manier van leven mogelijk is. We accepteren de wereld zoals hij is, en proberen er zo goed mogelijk in te overleven. We accepteren bovendien wat de wereld zegt over ons - als we leren dat we slaven zijn, minderwaardig, het waard om geslagen te worden, gaan we geloven dat we niets anders kunnen zijn dan slaven, dat anderen meer waarde hebben dan wij en dat de klappen ons verdiende loon zijn. Er is een zin in de tweede Narnia-film Prince Caspian die -geparafraseerd- luidt: ‘Behandel iemand lang genoeg als een redeloos beest, en hij gaat zich gedragen als een redeloos beest.’
Er moet een boodschap van buiten onze ‘normale wereld’ komen, die laat zien dat het leven er ook anders kan uitzien dan we gewend zijn en dat we tot meer in staat zijn dan anderen ons voorhouden. Misschien zullen we die aanvankelijk niet geloven, we zullen hem zelfs bestrijden vanuit ons aangeleerde waardesysteem, ons denken over goed en fout. We zullen de ander bestempelen als dwaalleraar of afvallige. Maar soms kan de waarheid tot ons doordringen - vaak als ons vertrouwen in de oude machtsstructuren of bekende machthebbers wordt beschadigd. Onze ogen gaan open. En we kunnen nooit meer tevreden zijn met het oude leven, met het oude systeem. We zijn dorstig geworden naar de vrijheid, en kunnen niet rusten voor die dorst is gelest. Het kost moeite en pijn om te ontsnappen, en bepaalde gedachtepatronen zullen ons het hele leven blijven achtervolgen, maar we gaan met goede moed de wijde wereld in.
Helaas komen we echter al snel tot een pijnlijke conclusie - namelijk dat die zo geprezen alternatieven ons uiteindelijk ook zullen teleurstellen. Dat we ook in deze omstandigheden makkelijk onze vrijheid kwijtraken, dat mensen ons voor hun eigen doeleinden willen gebruiken en dat het systeem gaat boven het individu. Ons al wankele vertrouwen wordt verder beschadigd. Een ander systeem, een andere samenlevingsvorm, is geen garantie voor een vrijer leven. Vrijheid is geen kwestie van een nieuwe machtsstructuur of organisatie, het is een kwestie van een nieuwe hartsgesteldheid, een nieuwe grondhouding. Vrijheid ontstaat alleen als mensen -zowel de machthebbers als de machtelozen- werkelijk het goede zoeken voor anderen, boven zichzelf. Als mensen worden gedreven door liefde.

Dit is wat Gavir leert in de loop van het verhaal. Samen met zijn zus Sallo, is hij als jong kind door slavenrovers is meegenomen uit de Marshes - een moerasgebied waar verschillende stammen wonen - naar het huis Arcamand in de stadsstaat Etra. Nu kent hij niets anders meer dan deze geordende wereld, waarin hij onvoorwaardelijk gehoorzaam dient te zijn aan de meesters, en geen recht heeft op een eigen slaapplek, bezittingen, of een partner. Gavir valt op door zijn fenomenale geheugen, en wordt opgeleid tot leraar. Zijn zus en dierbaarste kameraad Sallo is voorbestemd om als ‘geschenk’ te worden gegeven aan Yavin, de oudste zoon. Gavir blijft ervan uitgaan dat de vader en moeder van het huis het beste met hem voorhebben. Zijn vertrouwen lijkt onwankelbaar - hij blijft loyaal, ook als hij wordt gepest, en zelfs als hij bij een beleg van Etra in de stad te werk wordt gesteld en wordt afgebeuld. Totdat zijn zus op een dag het slachtoffer wordt van de wrede spelletjes van Torm, de mentaal instabiele jongere zoon van de familie, en blijkt dat deze niet gestraft zal worden. Overmand door verdriet slaat Gavir op de vlucht. Na heel wat omzwervingen komt hij terecht bij een nederzetting van ontsnapte slaven in het midden van het bos. Hun leider Barna heeft grootse plannen voor een opstand. Maar de idyllische gemeenschap van de Barnavieten is niet zo vrij de verhalen haar deden voorkomen en al snel staat Gavir er weer alleen voor. Het enige dat hij heeft om zich aan vast te houden, zijn een bundel gedichten van de beroemde Orrec Caspro, en een visioen van een man die zich naar hem omdraait en hem bij zijn naam noemt.

Ik heb in mijn recensie van het tweede boek uit de serie al uitgelegd waarom ik Le Guin’s werken vind horen bij de top van wat het fantasygenre te bieden heeft. En dit boek bevestigt haar kwaliteiten als schrijfster opnieuw. Net als in de vorige delen gebruikt ze een bedrieglijk heldere, toegankelijke schrijfstijl. Haar zinnen en beschrijvingen lijken eenvoudig, zonder opsmuk, maar tegelijk weet ze toch een heel overtuigende wereld te creëren en hoofdpersonen met wie je als lezer ademloos meeleeft. LeGuin heeft het talent om meer te laten zien met minder woorden, en precies de juiste details weer te geven die haar verhaal tot leven laten komen in de verbeelding. De schrijfstijl en de jeugdige hoofdpersoon zorgen er misschein voor dat dit boek wordt ingedeeld bij de tienerboeken in de boekhandel, maar opnieuw is er niets kinderachtigs aan het verhaal - vooral niet in wat er gesuggereerd wordt over het verband tussen macht en de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. De geloofwaardige karaktertekening, de zorgvuldige opbouw van de verzonnen wereld, en de subtiele en veelzijdige behandeling van de thematiek maken dit werk net als de vorige delen in mijn optiek onbetwistbaar tot literatuur.
Er blijven ook na dit deel nog heel wat vragen onbeantwoord over de wereld van de Westerse Kust, en ik hoop dat Le Guin er nog een keer in een boek of in verhalen naar terugkeert, zoals ze dat ook deed met de wereld van de Aardzee-trilogie. Aan de andere kant vormt dit boek wat betreft de thematiek wel een passende afsluiting. Het is namelijk duidelijk dat alle drie de boeken gaan over de verschillende manieren waarop macht kan worden misbruikt om mensen hun vrijheid te ontnemen. In het eerste deel, Gifts, betrof het de macht van de gaven waarmee de gezinnen van de Uplands gezegend zijn - gaven die worden gebruikt om angst te zaaien. Wie is er in staat om voor zijn eigen belang op te komen, als de machthebber door aan hem te denken zijn lichaam binnenstebuiten kan keren of zijn vee kan laten sterven? Angst maakt onvrij, altijd en overal. Maar degenen die hun gaven gebruiken om macht uit te oefenen, raken zelf ook in de greep van angst - ze komen terecht in een nooit eindigend conflict met andere machthebbers. De hoofdpersonen van het verhaal weigeren aan het spel mee te doen, en willen hun gaven nooit gebruiken om hun wil aan iets of iemand anders op te leggen. Ze onttrekken zich aan het systeem.
Het tweede verhaal betrof een volk dat onder de invloed stond van een religieuze macht, die hen ertoe opzette steden in te nemen en een einde te maken aan een andere godsdienst die in hun ogen duivels was. Deze religieuze macht verbood ook het lezen of bezitten van boeken - kennis werd gezien als iets bedreigends. En ook hier dreigde een cirkel te ontstaan van geweld, want het onderdrukte volk maakte van de bezetter de vijand, en dreigde geweld te beantwoorden met geweld. Ook in dit boek moesten de hoofdpersonen afstand doen van hun vermeende recht op vergelding. De cirkel wordt doorbroken als de machthebbers aan beide kanten elkaar in de ogen kijken en genoegen nemen met een compromis. Dit keer wordt afzien van macht gecombineerd met respect voor de ander.

Dit derde verhaal gaat ook over macht van personen over anderen (dat blijkt natuurlijk al uit de titel). Macht is in zichzelf niet verkeerd. God is machtig. Zelfs almachtig. En wij hebben als mensen allemaal een zekere macht of invloed. We hebben in die zin allemaal ons eigen koninkrijk. En het koninkrijk van de een kan groter zijn dan dat van de ander. Waar mensen samenleven moeten beslissingen genomen worden. Er zullen afspraken gemaakt moeten worden. Hierbij zal altijd een bepaalde machtsstructuur ontstaan. Iemand zal de knoop immers moeten doorhakken. En dat is macht. Daar is niks mis mee.
Maar het feit dat iemand macht heeft, en invloed kan uitoefenen, maakt hem niet beter of waardevoller dan andere mensen. Hij blijft een mens, een individu, en degenen over wie hij macht uitoefent, zijn individuen zoals hij, die een eigen identiteit hebben, en dezelfde waarde. Ze zijn zijn gelijken.
Toevallig luisterde ik eerder deze week naar een lezing van mijn favoriete prediker Greg Boyd, waarin hij vier soorten macht beschreef. De eerste was de ‘macht van de Neanderthaler’ - de brute macht waarmee de oerman in de cartoons met zijn knuppel een vrouw op het hoofd slaat en haar meesleept naar zijn grot. De tweede was de ‘macht van Machiavelli’ - eigenlijk de macht van manipulatie, waarbij de angsten en begeerten van mensen zo worden bespeeld dat ze doen wat de leidinggevende wil, om hun eigen hachje te redden. Deze twee worden ook wel eens samengevat onder de noemer ‘macht over’. Het is de grote valkuil van macht om zich boven anderen te willen verheffen. Van mensen die minder macht hebben, worden deze anderen mensen die minder ZIJN. Ze zijn plotseling geen individuen meer die belangrijk zijn om hun eigen identiteit, maar ze zijn verworden tot instrumenten die belangrijk zijn om wat ze bijdragen aan de positie van de machthebber. En ze worden behandeld op een manier die daarmee overeenkomt, namelijk niet met het respect dat zelfs de minste persoon verdient, maar met het pragmatisme waarmee men elk instrument behandelt: je zorgt ervoor zolang het zijn doel dient, maar je gooit het weg als het niet meer functioneert. Het kan zijn dat het systeem zelf corrupt is (zoals in het geval van slavernij), het kan ook zijn dat een individuele machthebber zijn positie gebruikt om bijvoorbeeld (zoals in dit boek) vrouwen voor zichzelf op te eisen, of zijn status als religieus figuur terug te krijgen. In elke groep waar het behalen van doelen komt boven het belang van individuen, delft de vrijheid het onderspit.
Gelukkig zijn er ook andere vormen van macht, stelde Greg Boyd. De macht van de wijsheid - waarbij iemand leiding heeft omdat anderen de waarde van zijn ideeen erkennen. Ik luister bijvoorbeeld graag naar Gregs lezingen, en probeer wat hij zegt ook in mijn leven toe te passen, niet omdat hij mij ertoe dwingt, maar omdat ik overtuigd ben van de waarde van zijn visie. Ik vertrouw hem om zijn wijsheid. De vierde vorm is de macht van de liefde, de opofferende liefde, Gods liefde, Agape. De hoogste vorm van macht is die macht die zichzelf wegcijfert. De macht die afstand doet van de eigen positie en de eigen voorrechten om de ander te verhogen en in zijn recht te herstellen. De macht die het beste zoekt voor de ander. De macht die er uit eigen vrije wil voor kiest niet te heersen, maar te dienen. Dit is geen ‘macht over’, maar ‘macht onder’. Maar het gaat wel degelijk om macht - macht die bergen kan verzetten. Maar het is macht die de ander vrij laat om te veranderen, vrij om ook lief te hebben en te dienen, of om de liefde te verwerpen en gevangen te blijven in de cirkel van angst en controle. Van afzien van macht in het eerste boek, en het respect voor de ander in het tweede boek, gaat het in het derde boek dus een stap verder. Dit is de conclusie waar Gavir toe komt: “I had been a fool indeed to go off with Dorod, poor Dorod who had waited for me and wanted me only for his own sake, to make him important among his people, a seerman, a dealer in destiny, a person of power. I had turned my back on Gegemer, who even if she hardly knew it had truly waited for me, truly wanted me, not to maker her great, but for love’s sake.”

Ik geloof dat dit laatste het onderscheidende kenmerk is van de macht van God. Het is ook de enige manier waarop het mogelijk is dat God almachtig is - de absolute machthebber - en tegelijkertijd verlangt naar mensen die hij kan liefhebben als zijn kinderen, zijn partners (en niet als zijn slaven). God verlangt naar werkelijke relatie - waarbij beide personen waardevol zijn. Een relatie waar de angst is uitgedreven, zodat er geen sprake is van straf, maar alleen van liefde. Dit betekent dat Gods macht tot de tweede categorie behoort. Het is ‘macht onder’, liefhebbende macht, opofferende macht, dienende macht. Deze macht is zichtbaar geworden in Jezus, die niet kwam om te heersen, maar om zijn leven te geven voor velen. Hij heeft zichzelf vernederd en de gedaante van een dienstknecht, een slaaf aangenomen. Hij bukte zich om de voeten van de discipelen te wassen. Als Jezus de openbaring is van het karakter van God, is God te alleen tijde subversief. Draait God de machtsverhoudingen om. Knielt God bij ons neer, om het beste voor ons te zoeken, in plaats van te eisen dat wij ons voor Hem opofferen.
En deze radicale omwenteling, deze subversie van de natuur van de macht, zou ook onze interacties met elkaar moeten kenmerken. Ook onze organisaties en structuren zouden hierop gebaseerd moeten zijn. Niet op overheersing maar op dienen. De liefde van God voor ons, de manier waarop Hij zijn macht uitoefent door Jezus, zou ons moeten inspireren elkaar op dezelfde manier te dienen, voor elkaar neer te knielen en elkaar de voeten te wassen zoals Jezus dat bij ons gedaan heeft. Wie zonder bijbedoelingen liefheeft, het beste zoekt voor de ander, heeft absolute macht in het koninkrijk van God. Het is de minste die de meeste is, het is de laatste die de eerste is. Jezus zei het zelf: Wie de meeste wil zijn onder zijn discipelen, moet de dienaar van allen zijn. Het is moeilijk te overdrijven hoe radicaal deze omwenteling is van ‘macht over’ naar ‘macht onder’. Het betekent het einde van alle systemen die zijn gebaseerd op ‘macht over’ - de vormen die (net als het instituut van de slavernij in het besproken boek) het makkelijk maken om gradaties aan te brengen tussen mensen, en de wil van de een boven de wil van anderen te plaatsen. Bovendien zijn de meeste machthebbers niet happig om hun positie van invloed te verlaten. Maar dit afleggen van de macht is precies wat Jezus verlangt. Dit heeft grote consequenties voor al onze relaties - tussen ouders en kinderen, tussen partners, tussen werkgevers en werknemers en -laat ik expliciet maken wat de aandachtige lezer wel heeft opgemerkt- in de kerk. Laten we niet tevreden zijn met de status quo. Laten we niet ‘macht over’ accepteren omdat het systeem nu eenmaal zo gegroeid is, en we deze vormen nu eenmaal sinds mensenheugenis gebruiken. Laten we net zo subversief willen zijn als Jezus. Laten we liefhebben in plaats van heersen.