Posts tonen met het label wetticisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wetticisme. Alle posts tonen

donderdag 18 juni 2015

Het spel verlaten (1): het perfecte systeem?

Ik ben volwassen genoeg om het te kunnen toegeven als ik het bij het verkeerde eind had. En dat ik mijn mening heb moeten herzien. Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn recensie van de film Tron Legacy, die ik schreef in februari 2011. Daarin was ik ten eerste negatief over de film zelf, en suggereerde dat hij geen lang leven zou hebben in de verbeelding van mensen (maar wie op Deviantart kijkt, ziet dat het elegante design van de wereld veel tekenaars heeft geïnspireerd en dat nog steeds doet, en zelf blijf ik de film eigenlijk ook goed vinden) en was ik ten tweede negatief over de door mij vermoedde boodschap achter de film – die volgens mij te veel uitging van een Boedhistische ontkenning van het zelf. Interviews met acteur Jeff Bridges onderstreepten deze interpretatie. Maar toen ik de film laatst opnieuw zag samen met mijn vrouw, realiseerde ik me dat de filmmakers subtieler waren dan ik had gedacht, en dat hoewel er een gnostische, wereld ontkennende interpretatie mogelijk is (waarbij Clu de demiurg is), dit zeker niet de enige uitleg is. Zelfs de rol van de ISO’s (spontaan ontstane levensvormen in de computerwereld) werd me duidelijk, waar ik in mijn bespreking daar nog vraagtekens bij had. En het hing allemaal samen met het onderscheid tussen een transactioneel en een sacramenteel wereldbeeld.

Toen ik ’s avonds uit mijn werk kwam, voordat mijn vrouw en ik de film gingen kijken, liet ik me met een zucht vallen in mijn luie stoel. Na twee weken vakantie was ik weer op kantoor begonnen, maar direct ook weer met omstandigheden geconfronteerd die stress bij mij veroorzaakten. Ik was nu juist met vakantie geweest om te ontspannen, aangezien ik in maart op de grens van een overspannenheid had gezeten. En aangezien ik al eerder overspannen ben geweest, heb ik er erg veel voor over om dat niet opnieuw te hoeven meemaken. Want wat de situatie op mijn werk ook is, het is het niet waard mijn gezondheid, mentaal en lichamelijk, om te verspelen. Dus verklaarde ik dat ik een manier moest vinden om me niet meer verantwoordelijk te voelen voor wat me zo’n stress opleverde, dat ik sommige dingen gewoon zou loslaten waar het eigenlijk om werk van een ander ging, en dat ik een manier moest vinden om als ik me toch aan zaken ergerde, die dingen naast me neer te leggen en te genieten van wat er wel belangrijk en waardevol is in het leven. En het hielp, want ’s nachts sliep ik prima, ondanks de frustraties van op kantoor.
Maar werk is niet de enige stressfactor in mijn leven, geloof kan er ook wat van. Geen verrassing voor de lezer van mijn boeken, mijn gedichten of mijn blogberichten: ik heb moeite met de boodschap die door veel kerken gebracht wordt. Het opgroeien in een fundamentalistische kerk (ik ga steeds helderder zien dat het eigenlijk een sekte was) gaf me een beeld van God mee als van een boze, veeleisende werkgever, die perfectie van me eiste (ook al was hij gedwongen me in dienst te houden, omdat Jezus voor mij betaald had). Een beeld van mezelf als een zondaar, te allen tijde slecht, tot niets goeds in staat (en al helemaal niet tot het voldoen aan Gods ideaalbeeld, maar toch moest ik dat wel blijven proberen). En een beeld van het christelijke leven als bestaande uit hard werken, Bijbelstudie, evangelisatie (wie ik niet wist te overtuigen, ging naar de hel. Het hing van mij af!). We moesten onze tijd uitkopen – en dat betekende geestelijke activiteiten verrichten in plaats van het lezen of muziek luisteren voor ons plezier. We mochten toch al niet doen wat voor ons natuurlijk voelde, want onze ‘natuurlijke talenten’ waren voor God van geen waarde, alleen wat de Heilige Geest in ons tot stand bracht, zou ook stand houden. Het is nog een wonder dat ik niet eerder overspannen werd!
Ook toen ik deze kerk verlaten had, en een evangelische kerk bezocht, kwam ik echter dit soort gedachten tegen, vaak in een verdunde, maar niet minder schadelijke vorm. Het idee dat de kerk de wereld moest veranderen, bijvoorbeeld (en dat ik daarom aan programma’s zou moeten meewerken of mijn gaven zou moeten inzetten). Het idee dat God van me hield zoals ik was, maar teveel om me zo te laten (en dat ik dus toch mijn best moest doen om beter te leven en jawel, perfect te zijn). Het idee dat ik me blij en dankbaar moest voelen (ook al voelde ik me vooral moe en schuldig) of dat ik in een jonge aarde en een volledig uitgestippelde eindtijd moest geloven om een echte christen te zijn. Of in theorieën over Israël. Het idee dat het in het geloof toch draaide om mijn eigen verantwoordelijkheid, en dat ik een mislukkeling was als ik tekort schoot. De boodschap van genade was vooral bedoeld voor mensen die nog niet tot geloof waren gekomen, want het evangelie hoorde ik in onze kerkdiensten maar heel weinig.
Ik zag natuurlijk de preken door de interpretatiebril die ik in mijn opvoeding had meegekregen, dat zal ik eerlijk toegeven. Dat verklaart waarom ik ook in de Anglicaanse kerk nog wel eens op mijn stoel heen en weer zit te schuiven bij sommige boodschappen. En waarom ik in piekerbuien schiet bij het volgen van sommige christelijke twitteraars. Want ik voel me in religieus opzicht schuldig als ik me bijvoorbeeld niet ga inzetten voor bootvluchtelingen, net zo als dat ik niet genoeg stille tijd houd. (Terwijl veel anderen zich dan weer niet druk maken om het uitsterven van diersoorten, om maar wat te noemen). Ik ben altijd verbaasd als sommige activistische christenen op twitter opeens aangeven dat ze een voetbalwedstrijd kijken, omdat ik me schuldig voel dat ik graag films kijk en niet tegelijk christelijk werk kan doen.
En het is niet eens zo dat ik iets heb tegen opvang van vluchtelingen, of bestrijding van mensenhandel. Natuurlijk niet! Maar met mijn motivatie is wel wat mis: ik geloof dat ik waardeloos ben, dat God me afwijst, dat ik niet mag bestaan, als ik faal, als ik niet hard genoeg werk, als ik niet presteer. En dit leidt tot symptomen van stress als slaapproblemen, hyperventilatie, eczeem en overgewicht. En dat is het me niet waard. Dat is me zelfs mijn eeuwige behoud niet waard: want dat moet ik toch maar op geloof aannemen. Ik ga niet zoals St. Rosa van Lima mijn gezicht met peper en loog bewerken en laten opzwellen omdat ik bang ben dat mensen mij anders mooi zouden vinden, of een kroon van zilver dragen met punten aan de binnenkant om me aan Jezus te herinneren. Of zoals een legende wil, met loog gorgelen omdat mensen haar om haar stem complimenteerden. Ze stierf heel jong door wat ze zichzelf aandeed (bijvoorbeeld heel weinig slapen). En dat heb ik er niet voor over. Maar door mijn fundamentalistische opvoeding is het niet makkelijk aan oproepen en stimulerend bedoelde aansporingen te ontsnappen.
Dus wat ik tegen mijn vrouw zei, was dat ik niet meer zou luisteren. Een oproep dat ik niet mag zijn zoals ik ben, dat ik meer zou moeten doen (of vooral: andere dingen), dat ik een bepaalde leerstelling moet aannemen zonder bewijs of mensen met een ander geloof of andere geaardheid moet afwijzen, ga ik voortaan links laten liggen. En dat zonder me te verdedigen, zonder in discussie te gaan, zonder mijn argumenten aan een ander ter beoordeling voor te leggen. Ik ga geen verantwoording afleggen voor mijn keuzes en ik laat me niet corrigeren - niet door op zichzelf terug cirkelende redeneringen. Ik kan mezelf en wat ik doe en denk niet veranderen. Niet voor een ander in elk geval, en zelfs niet voor God, zoals hij door anderen verkondigd wordt. Ik weiger nog langer het spel mee te spelen, ik weiger mezelf en mijn inspanningen te zien als belangrijk in het einddoel van de kerk. Ik kan mezelf niet meer tot een rol reduceren.
Dit zal door veel mensen niet begrepen worden. Ze zullen me een slecht christen vinden. Een afvallige. En me daarover een schuldgevoel willen aanpraten, zodat ik me weer voor hun visie ga inzetten. Maar dat is dan maar zo. Ik wil me namelijk ook niets meer aantrekken van de mening van mensen over mijn (gebrek aan) spiritualiteit. Ik weet van mezelf dat ik nooit een atheïst zou kunnen zijn. Ik geloof in God. Ik kan niet zonder. Maar ik ga er niet meer over discussiëren. Als dat me voor sommige mensen in de categorie van niet-gelovigen plaatst, is dat hun eigen zaak. Een ieder zij voor zijn eigen geweten ten volle overtuigd, niet waar? Ik kan het gewoon niet meer toelaten, ook maar de ruimte in mijn denken over te laten dat zij gelijk zouden hebben en dat Gods acceptatie van mij (en dus mijn bestaan) ook maar in enige mate voorwaardelijk zou kunnen zijn, dat ik er iets voor zou moeten doen in welke vorm en hoe weinig dan ook. Dan behoor ik maar niet tot de ‘in crowd’ – ik kan me het ook niet veroorloven me daar druk om te maken, omdat het ook zou lijden tot vergelijken en daardoor stress en overspannenheid.

We hadden al eerder afgesproken dat we Tron Legacy die avond zouden kijken, en wie schetst mijn verbazing? Dit was ook het thema van deze film. Het voelde voor mij als een bevestiging van mijn voornemen. In deze film was de jonge computerprogrammeur Flynn in zijn enthousiasme begonnen met het ontwerpen van een nieuwe wereld: hij had een droom van een toekomstige werkelijkheid en wilde die nu naar de realiteit overbrengen. Dat kon hij niet alleen, dus hij vormde een nieuwe entiteit. Clu – een kopie van zichzelf. Deze gaf hij een opdracht mee: schep de perfecte wereld. En met die opdracht ging Clu aan de gang. Hij kon niet anders. Maar twintig jaar later was Clu de alleenheerser geworden van de computerwereld. Wie niet aan zijn ideaalbeeld voldeed (niet perfect was) werd vernietigd, werd opgeofferd in de spelen, of werd naar zijn beeld gevormd tot strijder (om elders perfectie te brengen). Een totalitaire samenleving was ontstaan, en alle factoren die de controle van Clu bedreigden werden nu opgespoord en uitgeroeid. En Flynn was een doelwit geworden. Via Flynn zou zijn controlerende evenbeeld Clu ook de menselijke wereld kunnen bereiken en die overheersen. En elke actie die Flynn ondernam, deed het net van zijn tegenstander zich alleen maar om hem sluiten. Clu bepaalde namelijk de regels in het systeem dat hij geschapen had, niet Flynn. Dus elke poging om het systeem te bestrijden, zou het systeem alleen maar sterker maken.
Dat was waarom Flynn ervoor had gekozen niet meer mee te spelen: de enige winnende zet was te weigeren te spelen. Als hij niets deed, was het systeem aan zichzelf overgeleverd, en zou het zichzelf uiteindelijk uitdoven. Want het doel (perfectie) was onbereikbaar: dat was wat Flynn had ingezien. Menselijke inspanning (en de inspanning van door de mens naar hun beeld geschapen systemen) kan geen perfectie tot stand brengen, want de mens is niet perfect. En wij leggen onze eigen imperfectie in onze systemen. Maar, zegt Flynn uiteindelijk tegen Clu, wat als het niet de bedoeling is dat wij de perfectie tot stand brengen? Wat als de perfectie zich al onder handbereik bevindt? Wat als het enige dat wij hoeven doen, is de perfectie te ontvangen – en dat we daarvoor dus niks hoeven doen? Clu had in zijn systeem ruimte kunnen maken voor de perfectie om in te verschijnen, maar dat weigerde hij. Dat wij niks voor perfectie kunnen doen, bedreigde zijn identiteit. Net zo kunnen veel religieuze instituten en kerken de vrijheid van Gods sacramentele aanwezigheid niet accepteren, omdat het hun hele reden tot bestaan lijkt omver te stoten. En dus zit er voor hen niks anders op dan te verdwijnen. Op zijn minst om uit de weg te gaan.
Ik zag dit deze kijkronde niet langer als wereldmijding, of in zichzelf gekeerd zijn. Deze film suggereert namelijk niet dat liefde voor anderen en de wereld buiten jezelf zinloos is. Wat de film wel suggereert, is dat het zinloos is op systemen te vertrouwen. Daarmee verlies je alleen maar je zelf, in plaats van haar te vinden.

Wordt vervolgd …

zondag 10 mei 2015

Filmbespreking: The Avengers - Age of Ultron

Ik ben een behoorlijke liefhebber van superheldenstripboeken en ook van superheldenfilms. Als er een superheldenfilm in de bioscoop draait, ga ik daar dan ook heen. En meestal niet slechts een keer. Of het nu de X-men zijn, Spider-Man of Batman, ik ben steeds geboeid door de verhalen over mannen en vrouwen die door het lot bijzondere gaven toebedeeld krijgen en de keuzes die ze vervolgens maken (om even kleurrijke schurken te bevechten) of niet meer kunnen maken (omdat de ‘gewone’ mensen ze wantrouwen). De krachten en kostuums van de helden en heldinnen maken kleurrijke actiescenes mogelijk, maar tegelijk blijft het gaan om mensen en hun dagelijkse beslommeringen. Het zijn dus niet de omstandigheden die zijn uitvergroot, maar de karakters. Ze zijn misschien wel Herculus, maar ze moeten nog steeds de mest uit een stal vegen. Daardoor maken ze (net als een groot deel van de heldenverhalen uit de oudheid) de zorgen en dilemma’s van ons eigen leven voor ons helderder zichtbaar, en ook de weg om daar bovenuit te stijgen. Want zoals Neil Gaiman al zei, op basis van een citaat van Chesterton: sprookjes zijn waar, niet omdat ze zeggen dat draken bestaan, maar omdat ze zeggen dat ze kunnen worden verslagen. Als het Peter Parker lukt om ondanks zijn moeilijke omstandigheden zijn vriendelijkheid te bewaren en voor anderen er te zijn, dan kan het ons ook lukken. Dat is volgens mij een van de redenen waarom er zoveel superheldenparafernalia op jongens(en steeds vaker ook meisjes)kamers te vinden zijn. En omdat ook na het opgroeien de noodzaak van het maken van moeilijke beslissingen niet afneemt, blijven ook veel volwassenen geboeid door deze verhalen. Ze vervullen een belangrijke rol in de vorming van de moraliteit, en dus denk ik dat ze -analoog aan de mythologie van vroeger- niet zomaar uit de bioscoop zullen verdwijnen.
Maar er zijn mensen die niet zo blij zijn met de triomftocht van de superhelden in de filmwereld. Ze vonden een paar films wel leuk, schrijven ze in hun recensies, maar nu lijden ze aan ‘superheldenmoeheid’. Dat er nu elke paar maanden wel een superheldenfilm uitkomt, is in hun ogen overdaad. Ze lijken er naar uit te zien dat het fenomeen van de superheldenfilm instort, en de striphelden weer terugkeren naar hun obscure nichemarkt. Ik begrijp dit dus niet. Want van alle films die er over een heel jaar uitkomen (honderden) gaat het maar om enkele films, met maanden er tussenin. Hoe kan je er dan moe van worden? Er is toch tijd genoeg om ‘bij te komen’ en te genieten van al die andere films? Bovendien hoef je ze niet te kijken, als je dat niet wilt! Voor mij geldt, als fan, dat ik vaak die maanden lang wachten vind. Ik hou immers van deze films, en zou ze best elke week willen kijken. Hetzelfde geldt voor commentaar dat de komende jaren meerdere Star Wars-films zullen uitkomen. Mensen denken dat ze, als ze elk jaar een nieuwe Star Wars-film zien, dit universum zat zouden kunnen worden. Maar het gaat nog steeds om slechts een film per jaar! Ik zie niet in hoe je daar moe van zou kunnen worden. Vooral als het gaat om een fantastisch uitgebreide wereld, vol mogelijkheden om interessante verhalen te vertellen. Ook hier geldt dat ik heus elke maand wel een nieuwe Star Wars-film zou willen kijken.
Natuurlijk kan iemands liefde voor superheldenfilms veranderen. Hij/zij ziet misschien vaker terugkerende elementen en merkt dat hij verhalen voorspelbaar vindt worden. Hij/zij is misschien ook in een andere levensfase aangeland, waar andere, misschien subtielere keuzes belangrijker zijn geworden. Ikzelf merk dat ik tegenwoordig wat minder superheldenstrips lees, omdat ik wat uitgekeken ben geraakt op de voortdurende terugkeer naar de status quo, en het jammer vind dat zelfs de dood van karakters uiteindelijk geen consequenties heeft, want ze keren altijd terug. Behalve oom Ben. Ik kies liever voor afgeronde verhalen, met een duidelijk einde (met blijvende consequenties). En ik begin wat diverser strips te lezen, dus ook meer SF-verhalen, of verhalen met een fantasytintje. Het betekent niet dat ik ben vergeten waarom ik een paar jaar geleden superheldenstrips helemaal het einde vond, en die kwaliteiten niet kan waarderen als ik ze weer tegenkom. Ik ben dan wel opgegroeid, maar ik heb het kind in mij niet achtergelaten. Mocht je merken dat je niet zo van superheldenfilms houdt, even goede vrienden. Maar klaag niet over een ‘superheldenmoeheid’. Ga gewoon naar films waar je wel van houdt, en laat ons genieten van die zeldzame keren dat we onze helden op het witte doek ontmoeten.

Dat moest er even uit, onder andere na het lezen van wat minder lovende recensies van Avengers - Age of Ultron - de laatste superheldenfilm in de bioscoop, en een fantastische prestatie van regisseur Joss Whedon. Misschien niet zo vernieuwend als de eerste film, en behept met een overdaad aan karakters (die allemaal een eigen verhaallijn moeten meekrijgen). Sommige scenes zijn door die overdaad wat moeilijk te volgen geworden, en welke rol iedereen moet spelen in de ontknoping is niet altijd duidelijk. Ook zijn emotionele scenes niet altijd zo krachtig als ze hadden kunnen zijn, omdat we de personen in kwestie maar een paar minuten hebben gevolgd. De film had van mij een half uur langer mogen wezen! De muziek is niet heel memorabel, maar aan de andere kant zit er veel humor in de film (aan Whedon wel toevertrouwd), en is het slot (hoewel wat langdradig) passend episch. Voor een superheldenfilm vond ik er ook een verrassende diepgang in zitten (waarover later natuurlijk meer).

Marvel werkt al sinds 2008 aan de opbouw van een universum bestaande uit diverse striphelden, die elkaar dus ook op het scherm kunnen ontmoeten. Dit culmineerde in de eerste Avengers-film, waarin een team van superhelden het moest opnemen tegen een buitenaardse invasie. En in deze film ijlen de gevolgen van dat avontuur nog na. De speer van de boosaardige Loki, waarmee hij mensen kon hersenspoelen, blijkt namelijk nog steeds vermist. En Tony Stark, beter bekend als Iron Man, twijfelt er nog steeds aan of hij en zijn collega’s een volgende aanval van deze schaal wel zullen kunnen afweren. Als de mysterieuze Wanda Maximoff hem een visioen voorschotelt van zijn falen, begint hij aan een ambitieus project: de creatie van Ultron, een systeem dat een harnas om de wereld moet leggen, zodat buitenaardsen geen kans maken. Maar hij vertelt zijn teamleden niet wat hij eigenlijk van plan is. En dat komt hem duur te staan als blijkt dat Ultron zijn eigen ideeën heeft over wat goed zou zijn voor de mensheid. Met de hulp van Wanda Maximoff en haar snelle broer Pietro zet hij eerst de verschillende Avengers tegen elkaar op, om vervolgens te bouwen aan een enorm robotleger. Want in zijn ogen zal er pas vrede op aarde zijn, als mensen niks meer hebben in te brengen …

Van Joss Whedon is bekend dat hij zichzelf identificeert als atheïst. Maar voor een atheïst schrijft hij behoorlijk vaak over religie (denk maar aan Shepard Book in Firefly), en ook in deze film is dat weer het geval. Hij heeft namelijk ook ergens gezegd dat hij weinig hoop heeft voor de toekomst van de wereld. En wie daarmee worstelt, zal zich bijna vanzelf vragen gaan stellen over geloof. Want godsdiensten hebben in de wereldgeschiedenis heel veel schade berokkend (laten we daar eerlijk over zijn), maar ze hebben ook heel veel mensen geïnspireerd tot daden van wonderbaarlijke naastenliefde, en inderdaad: hoop. Iets wat het atheïsme volgens mij nog niet voor elkaar heeft gekregen. En Whedon is door allebei deze aspecten van religie gefascineerd. De tweede Avengersfilm staat bol van de religieuze symboliek, maar er worden ook bijbelteksten in aangehaald, en er wordt opvallend expliciet naar God verwezen. Is dat alleen maar om bijbelminnend Amerika naar de film te krijgen? Zo oppervlakkig is Whedon volgens mij niet. Een aspect van de film dat bijna automatisch een religieus karakter krijgt is de opstand van een schepsel tegen zijn schepper (als een rebels kind tegen zijn vader). De val van Lucifer is Milton’s Paradise Lost is hiervoor natuurlijk het stroomschema. Maar dit element wil ik alleen maar aanstippen. Wat ik interessanter vind, is wat Whedon in deze film lijkt te zeggen over georganiseerde religie.

Ultron is volgens mij namelijk een beeld van de kerk (en van de instituten die andere godsdiensten dan het christendom kennen, maar ik houd het in de recensie bij de christelijke kerk).
Het gaat me hier niet om de kerk als bovennatuurlijk begrip (de gemeenschap van alle gelovigen, die elkaar vinden rond het werk van Christus), en zelfs niet om het samenkomen van die gelovigen rond brood en beker, de symbolen van zijn werk die Jezus ons heeft gegeven. Het gaat mij om de organisatie die de mens daar omheen heeft opgebouwd: het gebouw, zeg maar, in plaats van de mensen. De organisatie wordt door mensen opgetuigd om bepaalde doelen te bereiken. Het gebouw bijvoorbeeld om te kunnen samenkomen. Een geloofsbelijdenis om makkelijk kennis te kunnen overdragen.
Maar er kunnen al snel doelen bij komen, die niet ‘nodig’ zijn. Zoals het indruk maken op ongelovigen met pracht en praal, of een hogere toren hebben dan de kerk in je buurtdorp. Op het je kunnen onderscheiden van ketters. Of het je zelf goed kunnen voelen omdat je zo actief bent. Maar vaker gaat het om doelen die in principe goed zijn, en bijbels, zoals het verspreiden van het evangelie, of het organiseren van hulp aan achtergestelden. In plaats van op God te vertrouwen dat Hij zijn doelen in vervulling zal brengen, door zijn volk heen, gaan mensen echter vaak zelf systemen bouwen om de beoogde resultaten te verkrijgen. Ze gebruiken hiervoor menselijke middelen.  Muren, een kerkklok, banken - die allemaal gebouwd en onderhouden moeten worden. Maar ook tradities, vormen, activiteiten. Criteria om mensen in en uit te sluiten, taken die moeten worden vervuld, en waarvoor mensen moeten worden geworven. De vorm gaat onherroepelijk een beroep doen op de mensen erbinnen - hun noden en behoeften gaan ondergeschikt worden aan het in stand houden van de structuur. Hun individualiteit wordt opgenomen in het geheel. En wordt beoordeeld aan de hand van de bijdrage aan het geheel. Het systeem is het hoogste goed geworden, en is dus ‘als God’. Het wil de hoogste en belangrijkste zijn, en wil concurrenten (afgoden) tot zwijgen brengen en uitroeien (daar komen godsdienstoorlogen uit voort).
Maar zelfs als het goede dingen wil, zal het systeem zich vormen naar zijn schepper. En dat is niet God, maar de mens (en als die een systeem maakt uit een gebrek aan vertrouwen in God, gaat het om de gevallen mens - die zou sterven na het eten van de vrucht). En dus bereikt het systeem zijn doel niet op organische wijze, als in een lichaam, maar op een mechanische wijze. In plaats van de vrucht voort te brengen die God voor ogen had, brengt het de dood voort. De mensen binnen de kerk raken hun vrijheid en levenslust kwijt. Sterker nog: je hebt dode, zielloze mensen nodig om in zo’n systeem te kunnen functioneren. Wie faalt, wie zondigt, wie verlangt naar wat anders, hoort er niet bij. En de mensen buiten de kerk worden ook tot de hel veroordeeld, en zelfs mensen die anders denken of anders geaard zijn soms actief bestrijden. De kerk verlangt naar een paradijs, maar wel een paradijs waar alleen de als een robot gehoorzame kerkganger thuishoort.
Daarom verzette Jezus zich tegen het instituut van het Farizeïsme, en andere vormen van wetticisme. En daarom moeten gelovigen niet het systeem ‘vader’ noemen, of ‘meester’, want alleen God is onze meester en onze vader. Het systeem is er voor de mens, niet de mens voor het systeem. De kerk als doel in zichzelf moet dus worden bestreden, maar dit betekent niet dat er geen plek is voor het kerk-zijn (zelfs niet voor een gebouw, of voor activiteiten, tradities en vormen), maar die zijn dienend. Ze zijn geen eisen waar mensen aan worden gehouden, maar hulpmiddelen. Ze straffen niet de feilbare mensen, maar leren hen hun eigen schoonheid te zijn. Ze bevinden zich onder de mensen, tussen de mensen, als de botten in het lichaam van Christus, en helpen het groeien. Religie als instituut is dus een vijand, maar religie als uitdeler van genade en hulp (de kerk als sacrament) maakt God voor ons zichtbaar. Mijn stokpaardje van het sacramentele versus het transactionele wereldbeeld is in dit alles duidelijk terug te vinden.

Dit is het betoog van Joss Whedon. Ik weet niet of hij de connectie bewust heeft gelegd, maar het past wel heel goed. De grondslag voor Ultron wordt gelegd door Tony Stark, omdat hij bang is. Hij ziet de wereld (door manipulatie) als een vijandige plek, en kan het niet verdragen mogelijk ten onder te gaan. Hij denkt dat hij een systeem kan bouwen (mechanisch) dat de wereld kan beschermen en dat vrede kan brengen op Aarde. En Tony overlegt niet met zijn mede-Avengers. Hij vraagt niet hun advies, hij laat zich niet door hen gerust stellen. Hij vertrouwt hen niet. De basis van het systeem is dus angst in plaats van vertrouwen. En waar vertrouwen gemeenschap vormt (het is de basis voor de samenwerking tussen de Avengers die verder niet sterker van elkaar zouden kunnen verschillen), scheurt de angst de gemeenschap apart, en leidt tot ‘wij/zij’-denken. 
De robot Ultron kiest als zijn hoofdkwartier een beschadigde kerk (in het centrum van een stad) en zet zich daar op een troon. Als hij een zeldzame grondstof vindt, zegt hij letterlijk: ‘Upon this rock I will build my church’. De connectie lijkt me duidelijk. Maar daar waar Tony’s bedoelingen misschien nog goed waren, is de uitvoering van het systeem dat in elk geval niet. Ultron zegt het zelf: ‘I was meant to be new. I was meant to beautiful. The world would've looked to the sky and seen hope, seen mercy. Instead, they'll look up in horror.’ Ultron wil de hemel op aarde brengen (‘Peace in our time’), maar dat kan niet als de situatie blijft zoals die is. Als de mens blijft zoals hij is. Dus ziet hij de mensen als vijand, die moet worden uitgeroeid. Oh, hij zegt dat ze de kans krijgen zich te ontwikkelen, zich te bekeren, maar in feite veroordeelt hij ze tot de hel. Ultron heeft geen empathie met de zwakke, de breekbare. Wie niet kan meekomen met het systeem, is het niet waard te overleven. Hij zegt het letterlijk. En van zichzelf heeft hij een heel hoge dunk: hij wil voor zichzelf een nieuw lichaam bouwen. Het lichaam van een god. Het door de mens gemaakte instituut wordt een afgod. Hij wordt daarin gedreven door zijn angst voor de dood: alleen als hij almachtig is, is zijn eeuwig voortbestaan immers zeker.
De Avengers weten ondertussen dat ze Ultron in deze vorm niet kunnen verslaan. Ze zijn immers maar mensen. Maar hun hoop schuilt in het mysterieuze nieuwe karakter The Vision. Hij komt deels voort uit Ultron (de vorm), maar zijn hart is dat van Jarvis, de butler van de Avengers, gericht op dienen. En Vision ziet zichzelf ook als dienaar, als iemand die het leven wil beschermen, die bereid is zich daarvoor op te offeren. En hoewel hij goddelijk is (kijk wat hij doet met Thors hamer!), wil hij de Avengers dienen. Als Ultron hem daarmee confronteert, zegt Vision: ‘Humans are odd. They think order and chaos are somehow opposites and try to control what won't be. But there is grace in their failings. I think you missed that.’ Ultron werpt tegen: ‘They're doomed.’ ‘Yes’, zegt The Vision, ‘but a thing isn't beautiful because it lasts. It is a privilege to be among them.’ En hij sluit zich aan bij de nieuwe Avengers, geleid door Steve Rogers. Toen Tony hem vroeg hoe ze de bedreiging van de dood konden bestrijden zonder Ultron, antwoordde Steve: ‘Samen’. En als ze zouden sterven, zou dat ook zijn geweest als vrienden, samen. De dood is immers niet het einde. Er is altijd hoop op opstanding.
Geloof is iets wat hoop kan geven, maar niet als het een systeem wordt. Het geeft hoop als het mensen, van verschillende achtergronden, nationaliteiten, zwak en sterk, samen brengt. En Jezus zegt: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben ik in het midden.’ Daar wordt hij zichtbaar. Dat is de kerk.

vrijdag 5 december 2014

Gedicht: Evenwicht

Evenwicht

Ik volg het koord, gespannen
over het ravijn. Kijk niet omlaag
want dan zou ik verdwijnen.
Ik plaats mijn voet voorzichtig
voor de ander, houd mijn adem in.
Hoe ver nog tot de overkant?
Ik zie slechts mist. Mij is verteld
dat daar beloning wacht.
Dus zet ik door. Maar niet te snel
of ik verlies mijn evenwicht.

Maar ik kan ook niet rusten.
Ik wankel. Hoor achter mij
de megafoon. Kritiek klinkt
als vanouds. Ik mag niet falen.
Anderen zijn mij al voorbij,
bewijzen dat het kan, dus
aarzelen is uitgesloten.
Ik moet wel door, ik ken geen
alternatief. Maar wat gebeurt
er als het ooit donker wordt?

zaterdag 4 januari 2014

Filmbespreking: Star Wars I, II en III

Dat ik op nieuwjaarsdag elk jaar een kleine persoonlijke traditie in ere houd, namelijk om in mijn badjas oliebollen en appelflappen te eten en meerdere films achter elkaar te kijken, onder de noemer ‘badjasdag’, zal de lezers van mijn blog ondertussen bekend zijn. Ook het feit dat ik ondertussen getrouwd ben verandert deze gewoonte niet wezenlijk. Mijn vrouw heeft zich er gewoon bij aangesloten. Vorig jaar bekeken we de eerste drie Star Wars-films, verwarrend genoeg getiteld episode IV, V, en VI, dit jaar was het de beurt aan de prequeltrilogie, episodes I, II en III. van deze legendarische en essentiële science fantasy-serie.
Ik had mijn vrouw gewaarschuwd dat de meeste fans deze afleveringen op zijn zachtst gezegd wat teleurstellend vinden, en zich ergeren aan de clichématige dialogen en oppervlakkige karakters (met name Jar Jar Binks moet het op het internet regelmatig ontgelden). Maar ik had haar verder niets over het verhaal verteld, zodat ze er blanco inging. En ze was aangenaam verrast. Ze vond de films zelfs vrij geslaagd, hoewel met name de eerste van de drie in haar optiek traag verteld werd (veel scenes waarbij karakters zeggen dat ze op anderen moeten wachten et cetera), en vond ze de romance in de tweede film ‘creepy’ (het kan zijn dat hij zo bedoeld is trouwens, gezien de uiteindelijke bestemming van de hoofdpersonen). Ze genoot erg van de afgebeelde werelden, met bijzondere wezens, gedetailleerde landschappen en mooie kostuums (Padme Amidala zal gezien deze films een wel enorme kleerkast hebben gehad!). Ikzelf keek met iets meer afstand naar deze film. De eerste zag ik in 1999 in de bioscoop, bijna vijftien jaar geleden. Dat is er wel aan af te zien. De ‘special effects’ beginnen een beetje hun charme te verliezen - behalve degene die niet in de computer zijn gemaakt. De derde film, ook al weer bijna negen jaar oud, ziet er dan wel weer spectaculair uit, met veel gedetailleerdere achtergronden en een veel realistischer lichtval. Wat niet door de tijd achterhaald is (en dat ook niet kan zijn), is de muziek van John Williams, in zichzelf al bijna reden genoeg om deze films te kijken. Net als de spectaculaire lichtzwaardgevechten overigens. De acteurs zijn oké, maar hebben niet echt veel te doen in deze films, behalve in de derde. Zelfs Natalie Portman lijkt wat ‘vlak’ (ik denk niet dat deze actrice in het echte leven op iemand als Anakin zou vallen). Anakin komt over als een nare tiener, maar dat zal ook de bedoeling zijn geweest (dan heeft de acteur het goed gedaan!). De fantasie die in deze films zichtbaar wordt, blijft me echter fascineren en inspireert mijn verbeelding. Ik hoop net zo mooie werelden te kunnen scheppen. En in het verhaal over de teloorgang van de Jedi en de verleiding van Anakin Skywalker, blijven deze films een waarschuwing voor (religieuze) organisaties die op hun lauweren zijn gaan rusten.

Waar de eerste films (IV, V en VI) zich trouw hielden aan het door Joseph Campbell opgestelde verhaal van de ‘heldenreis’ - het patroon dat in bijna al onze mythische verhalen terugkomt, en waarvan Luke Skywalker trouw alle stadia weet af te leggen- kiest regisseur George Lucas in de nieuwere trilogie voor een meer politiek verhaal. Dit is niet een verhaal dat zich in een legendarische tijd afspeelt, waarbij een eenling van een achteraf planeet in staat blijkt een overheersende macht omver te werpen. Dit is een verhaal dat zich afspeelt in het complexe heden, met kibbelende partijen in de senaat, handelaars die met boycots een groter winstpercentage willen bereiken, politici die een federatie van planeten bij elkaar moeten zien te houden, vredeshandhavers die steeds meer geweld moeten gebruiken om de vrede te handhaven, van verborgen motieven en manipulatie. Het is onze wereld, niet een sprookjeswereld, en dus een stuk ingewikkelder. Waar in de sprookjeswereld een jonge man met bijzondere gaven de verlosser van de wereld blijkt te zijn, valt hij in de echte wereld ten prooi aan de verleiding van de macht. Wie in de sprookjeswereld een zwaard uit de steen trekt (of een hoog midichlorian-gehalte blijkt te hebben) wordt door het volk op de schouders gedragen en verslaat de overheersers, maar wie dat in de echte wereld doet, wordt al snel een pion in subtiele machtsspelletjes, en blijkt uiteindelijk vooral te worden gebruikt.
Fascinerend genoeg is dit een punt dat George R.R. Martin ook maakt in het eerste boek van A Song of Ice and Fire, A Game of Thrones, waarin de traditioneel heldhaftige Ned Stark het moet afleggen tegen de corruptie aan het hof. Dit boek kwam uit in 1996, en hoewel George Lucas toen vast al bezig was met het script van episode I, is het wel toevallig dat zijn film een vergelijkbare deconstructie bevat van sprookjesplots. Misschien had hij het boek gelezen, of misschien was er iets in de tijdgeest, wie het weet mag het zeggen.
Hoewel de drie films gaan over Anakin Skywalker, de jongen met het hoge midichlorian-gehalte, is de hoofdpersoon volgens mij Obi-Wan Kenobi, de jonge Jedi-ridder, gespeeld door de innemende Ewan McGregor. We ontmoeten hem in de eerste scene van de eerste film, en nemen in de laatste scene van de derde film afscheid van hem. Hij begint als een idealistische strijder voor het goede, onder de leiding van zijn mentor Qui-Gon Jinn. Maar tijdens de trilogie begint hij te twijfelen. Hij volgt de aanwijzingen op en ontdekt een duistere samenzwering. Het lijkt erop dat iemand op een galactische oorlog aan het afsturen is, waarbij beide zijden door dezelfde persoon worden bespeeld. En hij ontdekt dat zijn leerling en beschermeling Anakin langzaam het verkeerde pad opgaat. Hij realiseert zich dat de Jedi-organisatie heeft gefaald (dat roept hij naar Anakin: ‘We failed you!’). Uiteindelijk wordt hij voor een moeilijke keuze gesteld: als de Jedi-orde kennelijk terecht is ontmanteld, gelden zijn idealen dan nog? En als zijn eigen vriend zijn vijand is geworden, ziet hij diens daden dan door de vingers, of strijdt hij voor gerechtigheid?
Ik vind deze reis van Obi-Wan fascinerend, waarschijnlijk omdat ik zelf ook vaak worstel met het conflict tussen mijn idealen en de realiteit. Wie mijn blogberichten leest, weet dat ik kritiek heb op de kerk. Dit instituut dat is ontstaan om de waarheid van Gods liefde en genade levend te houden en te verspreiden, lijkt nu veel mensen te beschadigen en depressief te maken. De Jedi in Star Wars illustreren hoe dat heeft kunnen gebeuren. De Jedi zijn arrogant geworden en werden daardoor blind voor hun eigen tekortkomingen. Als er iets ontbreekt in de archieven, bestaat het niet, wordt er gezegd. Maar daardoor zijn ze ook blind geworden voor de ‘dark side’, de kant van pure machtswellust. Volgens mij waren de Jedi uiteindelijk zelf namelijk ook machtswellustig geworden. Dat gebeurt namelijk als je macht krijgt - je wilt het houden. Het is een van de Sith die hierop wijst, maar zijn argument is overtuigend omdat het zo dicht bij de waarheid ligt. En ook de Jedi zijn bereid steeds verder te gaan om hun macht te bewaren. Van buiten lijken ze te verschillen van de Sith - de Jedi houden zich aan strenge regels over het onderdrukken van verlangen en het voorkomen van binding, maar ze willen ook gewoon invloed uitoefenen, en heersen. De Jedi vinden dat ze goed doen voor anderen, en dat geeft hen bepaalde rechten. Ze voelen zich ‘entitled’. Ze zijn in dat opzicht te vergelijken met de Farizeeën, die zoveel commentaar hadden op de tollenaars en prostituees. Beiden waren evenzeer transactioneel: Farizeeen en tollenaars. De Jedi zijn ook transactioneel. Jedi en Sith zijn twee kanten van dezelfde medaille. Om evenwicht te brengen in de ‘Force’ moeten zowel Jedi als Sith verdwijnen en kan niet een van de twee overblijven. Dit is wat gebeurt in episodes IV, V, VI. Zoals ik schreef in mijn recensie over die films bereikt dan het zichtbaar worden van Lukes opofferende liefde wat geen enkel vertoon van macht tot stand kon brengen. Dit is de overwinning van het sacramentele wereldbeeld op het transactionele wereldbeeld.
Maar hoe moet je ondertussen leven als je wel gelooft in de idealen van de Jedi, maar niet in het instituut? Obi-Wan volgt zijn mentor Qui-Gon Jinn door op sommige punten zijn eigen koers te trekken en de geboden van de Jedi niet slaafs op te volgen. Dat hij de idealen volgt, wil niet zeggen dat hij niet aan de leiders in de raad twijfelt. Aan de andere kant kiest hij ook buiten het instituut, als de Jedi hebben afgedaan, voor de idealen van de Jedi. Democratie, maar vooral liefde. Want Jedi ben je ook zonder de organisatie. Jedi is je identiteit, niet je lidmaatschap. Het is iets wat je belichaamt, niet iets wat je kunt kopen of kwijtraken. Zo geldt het ook voor mijn identiteit als geliefde van God, als christen. Zelfs het falen van de kerk, van de organisatie, hoeft me dus niet tot wanhoop te brengen.

Hoe het niet moet, zien we ondertussen geïllustreerd in de verhaallijn van de jonge Anakin Skywalker. Hij arriveert in het verhaal omringd door tekenen. Hij is de enige mens die kan meedoen met de gevaarlijke races op zandplaneet Tatooine, hij heeft een ongekend hoge concentratie midichlorians in zijn bloed en is meer in contact met de Force dan welke Jedi ook. Hij is zelfs geboren zonder dat er een vader aan te pas kwam, in een duidelijke verwijzing naar Jezus. Het is niet voor niets dat de Jedi al snel gaan denken dat Anakin degene is die in de profetie beloofd werd, dat hij degene is die evenwicht zou brengen in de Kracht. Hoewel hij eigenlijk te oud is om in de Jedi-opleiding te worden toegelaten, wordt er voor hem een uitzondering gemaakt. Hij verlaat zijn moeder en zijn thuisplaneet en wordt getraind tot Jedi. Zijn mentoren verwachten dat hij hen allemaal zal overtreffen. De snel in de politieke rangen klimmende senator Palpatine wordt zijn beschermheer. En Anakin gaat in zijn eigen succesverhaal geloven. Hij denkt dat hij de beste Jedi ooit zal worden, misschien zelfs beter dan Yoda, als hij dat al niet is. Hij gelooft dat zijn mentor Obi-Wan, die hem nogal eens tot voorzichtigheid maant, hem tegenhoudt. Hij zou meer moeten mogen. Als hij als jongste lid ooit wordt toegelaten bij de raad van de Jedi, is hij er ontevreden over dat hij niet direct tot ‘meester’ wordt benoemd. Hij heeft daar immers recht op. Net zo heeft hij ook het recht om de regels van de Jedi anders te interpreteren. Iemand vraagt Anakin in de tweede film of hij als Jedi wel mag liefhebben. Hij legt uit dat Jedi zich niet aan mensen mogen hechten, ze mogen daarom niet trouwen, omdat ze anders bezorgd zouden zijn om hun familie, en angst leidt uiteindelijk tot lijden, pijn en haat. Maar hij heeft zelf een maas in het net ontdekt. Compassie is wel toegestaan, medeleven is zelfs een kernidee van de Jedi, die zich belangeloos willen inzetten voor mensen die lijden. Compassie definieert Anakin als ‘onvoorwaardelijke liefde’. En dus is liefde opeens wel toegestaan. Hij gebruikt deze redenering om voor hemzelf te rechtvaardigen waarom de regels voor hem niet zouden gelden. De waarheid is namelijk dat Anakins liefde helemaal niet onvoorwaardelijk is. Dat blijkt bijvoorbeeld als hij ontdekt dat zijn moeder is gedood. Hij neemt zelf het recht in eigen handen en rekent af met haar moordenaars. Hij kon zijn wraak niet onderdrukken, maar dat hoefde hij ook niet, vindt hij, want die moordenaars waren toch geen mensen. Eigenlijk niet meer dan beesten. Zijn overtuiging van zijn eigen machtspositie boven de moordenaars van zijn moeder brengt hem ertoe hen te reduceren tot minder dan mensen, tot zielloze dieren, zodat hij geen moreel probleem hoeft te zien in wat hij heeft gedaan. En omdat hij zichzelf ook beter vindt dan de andere Jedi, kan hij hetzelfde argument op hen toepassen. Ze werken hem tegen, zorgen dat hij zijn potentie niet kan bereiken, en dat hij niet datgene kan behouden waar hij denkt recht op te hebben (ook al zeggen de regels anders). Daarom gaat hij ze zien als minder waardevol dan zichzelf, nauwelijks mensen. En hij gaat ze ook zo behandelen. Uiteindelijk blijkt dat hij ook zijn vrouw zo behandelt. Als zij het niet eens is met de weg die hij gekozen heeft, als ze vindt dat hij moet afzien van zijn positie als rechterhand van de keizer over het melkwegstelsel, als ze niet samen met hem wil regeren, moet ze uit zijn leven verdwijnen. Hij had zijn mond er vol van dat hij haar leven wilde redden, dat hij zo krachtig kon worden dat hij zelfs de dood zou kunnen omdraaien, en dat hij voor haar zelfs bereid was de donkere zijde van de Force te omarmen. Maar in werkelijkheid draaide het ook in zijn relatie met haar alleen om hem. Het ging hem niet om haar, het ging om waar hij recht op had. Hij had recht op liefdesgeluk, hij had recht op een lang leven met de koningin van Naboo, en niemand had het recht dat van hem af te nemen, zelfs de dood niet. En zelfs zijn vrouw zelf niet. Ze heeft er niets in te zeggen. Hij roept het tegen Obi-Wan Kenobi: ‘Wie niet voor mij is, is mijn vijand!”. Zijn universum draait om hem en hem alleen. En daardoor is hij zelf degene die zijn eigen angstdroom in vervulling brengt. Zijn trots doet hem datgene kwijtraken, wat hij boven elke prijs wilde behouden.

Obi-Wan Kenobi roept het Anakin toe: ‘Only a Sith deals in absolutes’. Alleen een Sith denkt in absolute tegenstellingen. Dit is volgens mij een belangrijke uitspraak in de film, die het thema scherp blootlegt. Want het kiezen voor de weg van de macht, zoals Anakin dat heeft gedaan, leidt onherroepelijk tot het indelen van de wereld in blokken. In partijen die voor je zijn en tegen je. Partijen die je verder op weg kunnen helpen en partijen die je in de weg staan. Partijen waaraan je kan verdienen, en partijen die je iets kosten. Anakin vraagt aan alles en iedereen: ‘What’s in it for me?’ en maakt dat de basis om mensen en idealen in te delen. Wie niet voor hem is, is voor hem afgeschreven. Het transactionele denken brengt scheiding aan, een absolute scheiding. Is dit de kennis van goed en kwaad waar de bijbel over praat?
Daar tegenover staat het sacramentele pad, in episodes IV, V en VI belichaamd door Luke. Hij deelt de wereld niet in zoals zijn vader, in partijen voor en tegen hem, maar ziet ieder mens als waardevol individu, met recht op respect, en wil hen ook zo behandelen. Zelfs in Darth Vader, de slechterik die met een ijzeren hand het heelal regeert, ziet hij nog het individu, de mens die waarde heeft in zichzelf, en daarom niet zomaar als vijand mag worden neergezet. Luke denkt niet in absolute tegenstellingen. Hij ziet in zijn grootste vijand (Darth Vader) iets terug van zichzelf, iets dat in staat is lief te hebben, en probeert dat weer tevoorschijn te roepen. Hij gelooft dat de waarheid ook in deze man zichtbaar kan worden. En daarvoor is hij bereid heel ver te gaan, in zijn opofferende liefde (In deze films is het Obi-Wan die dit belichaamt, en uiteindelijk Anakin het voordeel van de twijfel geeft). Luke’s instelling is omgekeerd aan die van Anakin. Hij zegt niet: ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’, maar: ‘Wie niet tegen mij is, is voor mij’.

Dit was wat Jezus ook zei in de bijbel. Jezus zag zichzelf niet als beter dan andere mensen. Jezus vond niet dat hij recht had op respect, dat hij recht had op liefde. Hij voelde zich niet ‘entitled’ door zijn vermogen wonderen te verrichten. In plaats daarvan zag hij in melaatsen, hoeren en tollenaars mensen zoals hijzelf, en wenkte hij hun menselijke waardevolle kant opnieuw tevoorschijn. In iedereen, hoe slecht ook, kon Gods bedoeling zichtbaar worden. In iedereen kon het koninkrijk verschijnen, zolang mensen er maar niet bewust buiten wilden blijven. Zolang mensen maar niet waren als Anakin en op hun rechten gingen staan. Om mensen voor zich te winnen, was Jezus bereid elke aanspraak op macht en respect te laten schieten. Hij was bereid zich aan het kruis te laten nagelen, liever dan welk mens dan ook zijn leven te ontnemen. Dat is echte onvoorwaardelijke liefde, dat is echte compassie.
En dat voorbeeld te volgen is de weg van de echte Jedi. Wie dat doet, zal niet meer in de duisternis wandelen. Hij zal de ‘donkere kant’ kunnen onderscheiden, binnen en buiten de eigen organisatie, en zal kunnen stand houden, mocht hij verleid worden. En hij vindt uiteindelijk juist in het verliezen van zijn macht de weg die voorbij de dood voert. Het eeuwige leven, dat niet door eigen inspanning kan worden veiliggesteld, alleen door het opgeven van de eigen macht. En uiteindelijk, in episode VI, is dit wat Anakin zelf ook ontdekt.
Toch nog een gelukkig einde.

vrijdag 3 januari 2014

Het sacrament en jij (1): Weg met de materie!

Ik weet nog helder het moment waarop ik definitief besloot afscheid te nemen van de evangelische kerk. Het was in de bibliotheek van Almere, op een zaterdag januari of februari vorig jaar, en ik dronk er met mijn verloofde een koffie in het café (overigens briljante innovatie om een café in een bibliotheek te hebben!). Terwijl zij even weg was, keek ik via mijn telefoon op Twitter. En daar zag ik een link naar een folder over de ‘Vrij Zijn’-mannenconferentie. Ik had misschien beter moeten weten, maar ik klikte op de doorverwijzing. En las de beschrijving. Toen ik tegen het eind aankwam, was het alsof ik een klap in mijn maag had gekregen. Want wat zouden de sprekers op deze conferentie de bezoekende man leren? Dat hij voor hun vrouw ‘niet alleen zijn verlangens moest opofferen, maar ook zijn dromen’. Ik werd er misselijk van. En vooral vanwege de ironische naam van de organisatie: ‘Vrij Zijn’. Het laatste wat iemand is die zijn verlangens en dromen kwijt is, is vrij. Zo iemand heeft niks meer wat hem motiveert, wat hem van het leven doet genieten, wat hem passie geeft. Zo iemand is willoos bouwmateriaal voor anderen, klaar om gekneed te worden tot trouwe dienaar van zijn vrouw, zijn werkgever of zijn kerk. Zo iemand is gevangen, zonder kans op ontsnapping (want daar moet je naar verlangen). Wat mij vooral een naar gevoel gaf, was het besef dat wanneer de beschrijving van deze dag zou worden voorgelezen in de kerk die ik bezocht, veel mensen instemmend zouden knikken. Want wat veel christenen geloven, is dat God van ons vraagt om niet alleen onze verlangens voor hem op te offeren, maar ook onze dromen.
Overdrijf ik? Tijdens een dienst in de kerk (volgens mij een kinder- of jongerendienst) werd een keer een verhaal verteld over vijf weeskinderen, die te horen kregen dat ze door de koning geadopteerd waren. Ze wilden hem een geschenk geven. De een ging zingen, de ander beeldhouwen, de ander schrijven en de vierde studeren. De koning kwam incognito naar de stad, maar de vier waren zo bezig met zingen, beeldhouwen, schrijven en studeren dat ze geen tijd voor hem hadden. Alleen de vijfde, een meisje zonder talent, dat bij de stadspoort zat en de rijdieren van vreemdelingen verzorgde, ontving hem. Zij mocht met hem mee naar het paleis, de andere vier bleven achter. De verteller bedoelde het waarschijnlijk wel goed, met de beoogde boodschap dat we niet zo in dingen moeten opgaan dat we geen oog meer hebben voor de mensen in wie God ons ontmoet. Maar wat ik uit het verhaal meekreeg, was dat het verkeerd is om enthousiast te zijn over zingen, beeldhouwen, schrijven en studeren (in elk geval zo enthousiast dat je er in opgaat). Daarin kun je God kennelijk niet ontmoeten. In plaats daarvan moet je hulpvaardig zijn en bereid zijn met wildvreemde mensen te praten en hun dieren te verzorgen. Dan word je door de koning als kind meegenomen. Wie je zelf bent en wat je zelf wilt, is minderwaardig.

Ik weet dat ik zo heftig reageer op deze boodschappen omdat ik er allergisch voor ben (maar dat iemand allergisch is voor huisstofmijt, wil niet zeggen dat er geen huisstofmijt bestaat). En die allergie komt voort uit mijn opvoeding in een geloofsgemeenschap waar dit soort ideeën gemeengoed waren.
De kerk waarin ik opgroeide zou omschreven kunnen worden als een soort ‘evangelische zwartekousenkerk’. Wat ik daar leerde, maar later ook bij sommige andere christenen tegenkwam, was dat ik wantrouwen moest koesteren tegen wat voortkwam uit mijn eigen menselijke natuur. Dat werd namelijk beschreven als het ‘vlees’, de ‘oude natuur’. Daartegen moest ik strijden. We lazen instemmend boeken van de Chinese auteur Watchman Nee, die in “Het normale christelijke leven” bijvoorbeeld betoogt dat ons zelf verbroken moet worden. Dat houdt volgens hem in, dat we niet moeten letten op de uitingen van ons lichaam of van onze ziel. Als we ons medelijdend voelen, of blij, of verdrietig, is dat niet van de Geest. Ons verstand moeten we niet gebruiken om de dingen van de Geest te begrijpen. Waar het op aan komt, is dat we in onze geest één worden met de Heilige Geest. Dan is er niets meer van ons, maar werkt alleen de Geest in ons. Het voorbeeld werd gebruikt van een glazen pot met grond erin. Dat was wie ik was voor mijn bekering. Vervolgens werd er water in de pot gegoten. Er ontstond modder. Dat was wat gebeurde met de heilige geest, als mijn ‘oude natuur’ niet was verdwenen. Mijn oude natuur moest weg zijn, voor het water van de geest helder zou zijn. Ik was een buis waar de Heilige Geest door moest stromen. Het enige waar ik goed voor was, was dat water nog te vervuilen ook. Ik kon maar beter helemaal verdwijnen.
Dus onderdrukten we wat ons lichaam voortbracht. Natuurlijk gold dat voor seksualiteit. Maar ook andere verlangens, zoals dat naar creativiteit, of naar schoonheid. Menselijke activiteiten als wetenschap of politiek werden gewantrouwd. Ik moest niet zelf mijn keuzes maken, maar bij elke beslissing vragen wat Gods wil was voor mijn leven. Werk en relaties waren onbelangrijk: je zou ze in de eeuwigheid niet eens herinneren. In de hemel zouden immers geen man en vrouw meer zijn. Dus waar het in het leven met God eigenlijk alleen om ging waren geestelijke activiteiten: bidden, Bijbellezen, evangeliseren, naar de kerk gaan. Dat je die dingen misschien zelf niet wilde, telde niet - je moest ze doen omdat alleen deze dingen voor God waarde hadden. Tijdens verjaardagen en andere gelegenheden moesten we daarom vooral proberen het gesprek op geestelijke onderwerpen te brengen. Gewoon gezellig samen zijn had namelijk geen betekenis. Ik stopte zelfs met het schrijven van verhalen en het lezen van andere boeken dan bijbelstudieboeken. Een vriend van me vroeg in een brief serieus: ‘Denk jij dat een hele dag niet-christelijke romans lezen, omdat je dat leuk vindt, verkeerd is? En zo nee, waarom niet? Is het te passen in teksten als: we moeten onze tijd uitkopen (Efeze 6)?' Ik nam de boodschap van onze kerk wel heel streng over, zal ik eerlijk toegeven. Niet iedereen ging natuurlijk zo ver. Er waren broeders met een aquarium, en anderen die van verhalen hielden. Toen ik in het bijbelstudietijdschrift van onze geloofsgemeenschap over deze dingen schreef, reageerde iemand daarom dat het toch vanzelf sprak dat we voor de ontspanning wel eens een verhaal mochten lezen. Maar die ingezonden brief bevestigde juist mijn punt: verhalen, muziek et cetera waren op zijn best iets voor ‘erbij’, niet iets dat werkelijke, intrinsieke waarde had voor God. Niet iets waar God ook blij mee kon zijn.
Ook buiten mijn eigen geloofsgemeenschap kwam ik deze houding trouwens tegen. Zo hoor je nog vaak betogen dat mensen bestaan uit drie onderdelen: een lichaam, een ziel en een soort bovennatuurlijke ‘geest’, waarmee we met God in contact staan. Alleen die is natuurlijk echt belangrijk. En ik las ooit een goed voorbeeld in de cursus “Aanstekelijk christen zijn”. In het erbij horende boek klagen sommige mensen, onder wie zakenmensen, dat ze hun leven zo zinloos vinden. De auteur vertelt hen dan dat ze moeten gaan evangeliseren, want anderen tot Christus leiden is het enige dat het leven zin kan geven. Kunst maken, mooie producten maken, relaties en werk hebben kennelijk geen enkele betekenis.

Het was niet alleen de menselijke natuur, het menselijke lichaam, dat in onze kerk werd afgewezen. Ook de rest van de schepping werd in onze geloofsgemeenschap niet gezien als waardevol. We spraken wel de bijbel na die spreekt over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, maar op basis van de zogenoemde ‘bedelingenleer’ beargumenteerden wij dat de aarde bestemd was voor het Joodse volk, maar dat wij bestemd waren voor de hemel. We geloofden wel in de opstanding, maar de consequenties daarvan werden niet doorgedacht: we konden net zo goed lichaamsloze zielen zijn in een niet materiële hemel. En omdat we bestemd waren voor dit niet materiële bestaan, in een soort grote troonzaal, had de Aarde nu voor ons ook geen waarde. We waren maar op doorreis, vreemdelingen en bijwoners, en moesten ervoor oppassen dat we ons niet te veel zouden gaan hechten aan de wereld om ons heen. Waarschuwde Johannes niet: ‘Hebt de wereld niet lief en dat wat in de wereld is?’ (1 Johannes 2:15).
Dus zongen wij liederen met teksten als: ‘Het is ons’ in deez Aards' woestijn soms min’. De wereld om ons heen was een woestijn. Niets meer. We kwamen samen in zalen zonder versiering (kunst was maar afleiding) en gebruikten geen muziekinstrumenten bij de samenzang (die deden maar af aan de zuiveren aanbidding: ze zouden namelijk emotie opwekken. Dat onze vierstemmige samenzang muzikaal ook mooi was, werd even vergeten. Gevalletje cognitieve dissonantie). We deden niet mee met politieke ontwikkelingen. We scheidden ons zelfs af van geloofsgemeenschappen of organisaties die volgens ons te zondig of te werelds waren. Mijn grootvader hielp mee bij de oprichting van de Evangelische Omroep en kreeg daarop veel kritiek van mensen uit de gemeenschap. Als christenen zich inzetten voor milieubescherming of armoedebestrijding predikten ze volgens ons een ‘sociaal evangelie’ en dat was geen compliment. Natuurlijk gingen we op vakantie, en hadden mensen een auto of een TV, maar opnieuw: die dingen konden natuurlijk niet belangrijk zijn. Het waren geen dingen waar we naar mochten verlangen. Ascese was het ideaal. Ergens las ik een dialoog tussen twee ‘Broeders’ uit de vorige eeuw die dit wereldbeeld illustreerde. Een ‘Broeder’ was bij een ander op bezoek, die hem wees op het prachtige uitzicht op de bergen. “Ach,” reageerde hij, “het aardse heeft allemaal geen enkele waarde.” Toen zijn metgezel hem even later droog brood voorzette, protesteerde hij. “Oh,” zei de tweede broeder, “ik dacht dat je zei dat het aardse geen enkele waarde had.”
Ook hier was het niet alleen onze kerk die de materiële wereld minder belangrijk vond dan de geestelijke wereld, of zelfs ronduit slecht. Er is veel dat christenen in sommige kerken niet mogen: TV-kijken, dansen of van cultuur genieten en het lied ‘This world is not my home, I’m just a passin through’ wordt op meer plaatsen gezongen. In veel evangelische kerken wordt hier oppervlakkig bezien echter niet een probleem van gemaakt. Maar daar wordt op een andere manier soms weer een grote nadruk gelegd op bovennatuurlijke gaven van de geest, boven de ratio en de materie. Theologie wordt soms als onzin afgedaan. Er komt goudstof uit bijbels, dalen engelenveren neer uit de hemel, en mensen maken dierengeluiden. Ik zie hierin een overwaardering van de geestelijke wereld boven de materiële wereld. Dit is trouwens allemaal geen nieuwe ontwikkeling. Lees maar eens wat de oude kerkvader Augustinus zegt over muziek: “Ik hecht mij niet meer aan die klanken en ik kan mij ervan losmaken wanneer ik wil. En toch: wanneer ze samen met de woorden waardoor ze tot leven komen toegang tot mij zoeken, vragen ze om een plaats van enige betekenis in mijn hart, en dan weet ik die nauwelijks te geven ... Maar het genot van de zintuigen, waardoor de geest zich niet moet laten uitputten, misleidt mij dikwijls. Dan wacht het zintuig niet op de rede om die geduldig te volgen, maar probeert het voorop te gaan en te leiden, alsof het niet alleen om wille van de rede toegang tot mij heeft gekregen. Dan zondig ik zonder het te beseffen, maar later komt het besef wel. ... als het mij overkomt dat ik meer wordt geroerd door de zang zelf dan door datgene waarover gezongen wordt, dan beken ik dat ik een fout bega die straf verdient, en dan heb ik liever dat er niet wordt gezongen.” (Mijn vrouw wees mij op dit citaat in het boek dat zij aan het lezen was: ‘Over Muziek’ van Henri Oosthout.)

Het behoeft volgens mij geen betoog dat je niet gelukkig wordt door te geloven dat je eigen menselijkheid en de materiële wereld waar je in leeft geen waarde hebben. Ik zag het in elk geval als een belangrijke reden voor mijn overspannenheid en worstel op momenten nog steeds met deze gedachten. Ik denk ook dat het verklaart waarom ik als ik praat met mensen uit de kerk waar ik opgroeide, zo vaak hoor over depressieklachten. Ik geloof echter dat deze gedachte niet oorspronkelijk uit het jodendom of christendom afkomstig is, maar uit andere culturen. Ze hebben juist de kans door te dringen in de kerk als mensen zich voor hun gevoel afscheiden van de wereld en hun eigen denken niet meer kritisch toetsen. Vervolgens worden ze van generatie op generatie doorgegeven, zodat we ons uiteindelijk niet meer realiseren dat ze eigenlijk vreemd zijn aan de boodschap van de bijbel.
Zo vindt je de gedachte dat het lichaam van de mens slecht is, terug in het neoplatonisme. Volgens de neoplatonische filosofen zijn het geestelijke en het materiële elkaars tegenpolen. De ‘idealen’ bevinden zich in de geesteswereld. Onze materiële wereld is slechts een grot, waarin we schaduwen geprojecteerd zien. En de beperktheid van ons lichaam voorkomt dat we de idealen zelf kunnen waarnemen. De materie waaruit de mens is opgebouwd, is dus iets inferieurs. Het staat niet vast, zoals de geestelijke idealen, maar is veranderlijk, het groeit en vervalt. Je kunt er niet op vertrouwen. Plato vond al dat hij door extase en geestvervoering de werkelijkheid beter kon leren kennen dan door het verstand. Deze ideeën uit de Griekse filosofieën en mysteriegodsdiensten beïnvloedden vroege bewegingen in de kerk, bekend als de gnostiek. In zowel het neoplatonisme als in de gnostiek werd beweerd dat God de wereld niet zelf heeft geschapen. Hij kan, zo zeiden de filosofen, de imperfecte materie immers niet in zijn nabijheid verdragen. Daarom zou een middelaar, een zogenaamde demiurg, de Aarde geschapen hebben. En Jezus was dus ook niet God, want het idee dat God mens zou hebben kunnen worden, was niet serieus te nemen. Hij wil toch niet met zoiets laags in relatie staan? Jezus was een leraar, die ons mystieke kennis deed toekomen die ons in staat zou stellen de goddelijke vlam in ons, die eeuwig was (ongeschapen), te laten aanzwellen en te laten samensmelten met god. Redding bestond eruit aan de ‘kerker van het lichaam’ te ontsnappen en deel te worden van de immateriële ideeënwereld.
Sommige gnostici trokken de conclusie dat het daarom niet uitmaakte wat je met je lichaam deed, de materie was immers niet belangrijk. Zij gaven zich dus over aan hun begeerten, en pleegden overspel en deden mee aan orgiën. Andere gnostici trokken zich terug uit de ‘slechte’ wereld, de woestijn in. De Joodse sekte van de Essenen was hiervan een voorbeeld. Zij dachten dat ze juist door het lichaam uit te putten dichter bij het geestelijke konden komen.
De gnostiek werd uiteindelijk fel bestreden (onze geloofsbelijdenissen komen hieruit voort) en delfde het onderspit. Maar ondertussen lieten ook orthodoxe kerkvaders zich door Griekse filosofen beïnvloeden, soms om beter weerwoord te geven aan gnostici, of om de omringende cultuur aan te spreken. Zo had Augustinus kennis genomen van het neoplatonisme van Plotinus, en werd Plato zelf ook wel een 'Christen voor Christus’ genoemd. Veel christenen geloven ook dat de ziel eeuwig bestaat en bij de conceptie uit de hemel in de mens afdaalt, en dat bij de dood de ziel naar God gaat en het lichaam niet. En de kerk nam ook de praktijken van ascese gretig over: de heiligen gingen soms zo ver dat ze zich letterlijk in dichtgemetselde kamers terugtrokken of zich op hoge palen verschansten.
Er zijn trouwens nog andere invloeden die in de kerk binnenkomen, denk aan het hindoeïsme en het boeddhisme (die overigens volgens mij ook verwant zijn aan de Oosterse mysteriegodsdiensten die bijdroegen aan de gnostische sektes). Het hindoeïsme en boeddhisme leren eigenlijk net als de gnostici dat onze ziel hetzelfde is als de wereldziel. We zijn gevangen in een cyclus van lichamelijk bestaan omdat we dat niet erkennen, of niet goed genoeg zijn om weer terug te komen in de wereldziel. Daarom reïncarneert onze ziel (iets dat los staat van het lichaam en zelfs van lichamelijke uitingen als herinneringen) steeds opnieuw om uiteindelijk het materiële te kunnen loslaten. De ziel moet leren niet langer meer iets te verlangen (het verlangen is hier al net zo slecht als in de kerk waar ik opgroeide. Dat is in zichzelf al typisch). In de uiteindelijke verlossing gaat de ziel op in het geheel, als een druppel in een oceaan. Dan verdwijnt persoonlijkheid en verlangen totaal. Je bent geen individu meer (ook dat komt overeen met de toekomstverwachting in de kerk waar ik opgroeide). Is het toevallig dat Watchman Nee, die opgroeide in een boedhistische omgeving, schreef dat we in onze geest één moeten worden met de Heilige Geest, en dat er uiteindelijk niets meer van ons over mag zijn, maar alleen de Geest in ons mag werken? Ik geloof van niet.

Mijn vrouw wil natuurlijk helemaal niet dat ik ‘niet alleen mijn verlangens, maar ook mijn dromen’ voor haar opoffer. Dan zou ze mij kwijtraken, en mijn levenslust en enthousiasme, die ze nu juist aantrekkelijk vindt. Ze houdt namelijk van mij. Net zo geloof ik dat God juist wil dat we ons lichamelijke bestaan in een materiële wereld omarmen, en als belichaamde mensen zijn liefde om ons heen laten zien. Dit is volgens mij de kern van het sacramentele wereldbeeld, dat leidt tot acceptatie van ons bestaan als geschapen wezens, en liefde voor anderen en voor de schepping. In het vervolg van deze serie wil ik kijken naar het verband tussen het sacramentele wereldbeeld en de scheiding tussen geest en lichaam en hoe we weer volledig onszelf kunnen worden.

donderdag 26 december 2013

God is niet de kerstman (3 en slot): Cadeaus zijn er om mee te spelen

De laatste weken spreek ik weer vaker met God terwijl ik naar mijn werk loop. Ik heb een hele tijd niet gebeden. Gewoon omdat het verlangen er niet was. En dat verlangen was er niet, omdat ik niet kon geloven dat God werkelijk van me houdt, zoals ik ben. Maar het was ook voor mij goed om afgelopen maand te schrijven over het sacramentele beeld van Jezus’ dood en opstanding, als teken dat God onvoorwaardelijk van me houdt, omdat het zijn natuur is. Het idee dat Hij me eigenlijk zou moeten afwijzen en veroordelen, begint langzaam te slijten. Dus durf ik weer naar Hem te luisteren. Maar terwijl ik met God praatte, en me realiseerde dat Hij van me houdt, kreeg ik het idee dat ik hem nu moest bedanken voor zijn liefde. Ik dacht dat ik hem daarvoor moest aanbidden. Maar terwijl ik bewoordingen daarvoor in mijn gedachten ging formuleren, voelde ik de afstand tussen Hem en  mij groter worden, alsof zijn aanwezigheid verdween. Ik besloot hem te vragen of ik hem moest danken of aanbidden. Het antwoord dat ik kreeg verraste me. Ik hoefde hem niet te danken of te aanbidden, ik hoefde geen gebed uit te spreken als dank voor zijn liefde. Er was niets dat ik voor hem terug moest doen in ruil. Het was voor Hem genoeg om toe te kijken hoe ik genoot van het besef geliefd te zijn. Hij genoot ervan te zien hoe ik leefde als geliefd kind van God. Toen dat tot me doordrong, ervoer ik een diepe rust bij me van binnen.

Maar nu vind ik het alweer moeilijk voor te stellen. Het blijft moeilijk te accepteren dat God ons zomaar zou kunnen liefhebben, gewoon omdat hij ervoor kiest, gratis en voor niets. Kijk maar eens naar het personage Javert uit de musical (en het boek) Les Miserables. Hij heeft Valjean willen gevangennemen, hij heeft hem jarenlang achterna gezeten. Dan krijgt Valjean de kans hem te doden, om voor altijd van hem af te zijn. Maar Valjean weigert. Hij laat Javert zelfs gaan, en vertelt hem waar hij te vinden is, als Javert hem zou willen arresteren. Er is niets waardoor Javert er recht op kon laten gelden dat Valjean van wraak zou afzien. Maar Valjean doet het toch. Javert kan daar echter niet mee leven. Hij wil niet leven in een wereld waarin zomaar genade kan worden geschonken, waarin zondaars vrijuit kunnen gaan, waarin mensen niet krijgen wat ze verdienen. Hij kan niet leven in een niet transactionele wereld. Leven in een wereld van onvoorwaardelijke liefde, van vrijheid, is voor hem veel moeilijker dan leven onder het juk van de wet. En dus pleegt hij zelfmoord. Hij is als de oudste zoon in de gelijkenis van Jezus, die er bewust voor kiest niet naar het feest te gaan dat de vader voor de jongste zoon heeft georganiseerd, omdat hij niet wil leven in een wereld waar een gemest kalf wordt geslacht voor iemand die de erfenis verbrast heeft. Hij is als de Farizeeën, die buiten het koninkrijk bleven en anderen daar uit weg hielden, omdat ze niet wilden leven in een wereld waar overspeligen, tollenaars en melaatsen zomaar de aanwezigheid van God konden binnengaan en met open armen ontvangen konden worden, terwijl ze niet aan de regels hadden voldaan.
Het is helemaal niet makkelijk te geloven dat God onvoorwaardelijk van ons houdt. Dat zeggen mensen wel eens, maar het is niet zo. Het leven in de realiteit van God liefde, beseffen dat je er niets voor kunt doen, is heel erg moeilijk. Daarom sluipen er bij ons zo snel weer transactionele elementen in. We weten dat het niet zo kan zijn dat God van ons houdt omdat we in moreel opzicht goed zijn, of ervoor kiezen hem te dienen. Maar we hebben er moeite mee te geloven dat God zomaar van ons zou houden en ons vrijlaat om hem te dienen of niet. Dus draaien we het vaak om: Omdat God van ons houdt, worden wij geacht ervoor kiezen dat we hem dienen. Kijk maar in de gemiddelde evangelische kerk. Er wordt gezegd dat God wil dat we vrij zijn en dat we goed moeten zijn uit onze eigen keuze. Maar vervolgens blijkt dat we toch het een en ander zouden moeten.
Ik heb het wel eens horen zeggen dat God niet is als Sinterklaas of de Kerstman. Hij is niet een knuffelbare goedzak, die ons zomaar cadeautjes geeft. Daarom zouden we ernaar moeten verlangen uit de bijbel te lezen. We zouden ernaar moeten verlangen te evangeliseren.  Als we dat niet doen zijn we geen goede christenen. Als we onze hoed oplaten in de kerk, hebben we geen respect voor God. We kunnen kennelijk niet blijven zoals we waren, want God verwacht nu van ons dat we ons best voor Hem gaan doen. En dat ons hele leven lang.

Dit is hoe wij als mensen met cadeaus omgaan. Ik denk aan een kerstaflevering van comedyserie The Big Bang Theory, waarbij het personage Sheldon uitlegt dat er verwacht wordt dat als iemand je een cadeau geeft, je een cadeau teruggeeft van ongeveer dezelfde waarde. Je wilt met kerst ongeveer hetzelfde geven als je van de ander hebt gekregen. Omdat hij niet kan inschatten wat iemand hem zal geven, koopt hij alvast verschillende cadeautjes van verschillende waarde, zodat hij goed voorbereid is ... Maar dan krijgt hij het ene cadeau dat voor hem onbetaalbaar is: de handtekening van Spock-acteur Leonard Nimoy ...
Sheldon had het goed begrepen: zelfs het uitwisselen van cadeaus is voor ons een sociale transactie. Het concept van een ‘onvoorwaardelijk geschenk’ is voor ons erg moeilijk te begrijpen. Vaak wordt door christenen de waarschuwing tegen ‘goedkope genade’ van Dietrich Bonhoeffer aangehaald. We praten wel over genade, maar het is kennelijk genade die ons ook iets moet kosten. Maar waarom zouden we dan nog het woord genade gebruiken? Waarom zouden we dan nog Efeze citeren: ‘Door zijn genade bent u gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden’ (Efeze 2:8,9)?
We gebruiken het woord ‘genade’ zoals het meisje in het voorbeeld van Bob George. In zijn boekje Classic Christianity vertelt hij hoe hij een meisje met een driewieler zag rondrijden, terwijl ze riep: ‘Gratis ritjes voor een kwartje!’ Nieuwsgierig hield hij haar staande, en vroeg haar waarom ze zei dat het gratis was, als mensen moesten betalen. Ze antwoordde dat als ze niet zou zeggen dat het gratis was, niemand een ritje op haar driewieler zou willen maken. Net zo is het volgens Bob George gesteld met de kerk. Mensen krijgen te horen dat ze gered zijn door het werk van Jezus, zonder dat ze er iets voor terug kunnen doen. Ze komen tot geloof. Vervolgens horen ze in de kerk echter niet meer dat goede nieuws, maar gaat het zondag na zondag over wat hoe ze nu ze gered zijn eigenlijk voor God moeten leven. Dat kan soms nog vrij subtiel zijn, getuige het klassieke voorbeeld, dat ik al vaker heb aangehaald: ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten’. Het is het een of het ander. God houdt van me zoals ik ben, of hij houdt niet van me zoals ik ben. Dus als deze uitspraak waar zou zijn, kan ik me dus nog steeds niet werkelijk door God geliefd weten, omdat ik weet dat ik nog niet ben zoals Hij wil dat ik ben. Ik moet nog steeds werken tot ik overspannen ben. Kortom, we gebruiken als christenen misschien soms sacramentele woorden, maar onze boodschap blijkt uiteindelijk toch transactioneel te zijn.

Als we zeggen dat genade niet goedkoop mag zijn, veranderen we de genade onherroepelijk in de wet. Genade moet gratis zijn. Anders is het geen genade. Als je er iets voor terug moet doen, houdt het op genade te zijn, hoe klein het stukje ‘wet’ of ‘transactie’ misschien ook is. Het besmet je hele theologie. Volgens mij is dit wat Jezus ‘de zuurdesem van de Farizeeën’ noemt - hij waarschuwt zijn discipelen dat ze daar niet mee besmet moeten worden (Matteus 16:6). ‘Weet u niet dat een beetje desem het hele deeg zuur maakt?’, zegt ook Paulus. ‘Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg!’ (1 Korintiers 5:6,7). Hij waarschuwt in Galaten: ‘Als u probeert door God als een rechtvaardige te worden aangenomen door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld’ (5:4). Ik denk zelfs dat dit ten diepste is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat we niet gelijkvormig moeten worden aan de wereld, dat we ons niet in die mal moeten laten gieten (Romeinen 12:2). Hijzelf was in elk geval zijn goede leven volgens de wet omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. ‘Sterker nog, alles beschouw ik als verlies’ (Filippenzen 3:8). We moeten sterven aan die hele manier van denken, van het ‘voor wat hoort wat’ van onze medemensen, aan het systeem van transactie. Dat moeten we ‘als afval weggooien’. Trouwens, dat was wat we toch al moesten, om ruimte te maken voor het geschenk van het eeuwige leven in ons. Zoals Paulus zegt: ‘Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan’ (v10).
Dit is volgens mij wat onze geloofsreis inhoudt. Het is niet een keuze op een enkel moment om een bepaalde leerstelling aan te hangen, maar een keuze, elk moment van de dag, om in plaats van in de realiteit van het transactionele ‘voor wat hoort wat’-denken, te leven in de realiteit van Gods onvoorwaardelijke liefde. In de realiteit van het teken van het kruis en de opstanding, in de sacramentele werkelijkheid. Dit is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat hij een met Christus wil zijn ‘niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus’ (v9).
Dit is wat Wayne Jacobson ‘Living Loved’ noemt. Dit is wat Jezus ‘in de wijnstok blijven’ noemt. En dat is helemaal niet makkelijk.

Geloof ik dat God van mijn zonden houdt? Nee.
Geloof ik dat mijn keuzes God niets kunnen schelen? Nee.
Zeg ik dat ik niet verder wil groeien? Nee.
Maar moraal, inzet voor de kerk, geestelijke groei en al die dingen hebben niets te maken met de liefde van God voor mij en moeten er niet mee in verband worden gebracht. Zelfs niet een klein beetje. Die dingen liggen op een heel ander vlak. Ik wil zelfs toegeven dat je manier van leven, je moraliteit en je inzet voor de kerk dramatische gevolgen kunnen hebben, negatieve en positieve. Het loon van de zonde blijft de dood. Meer bijbellezen geeft je meer kennis van de bijbel en de wil van God, zonde ontwricht je leven en dat van anderen, en als je je niet inzet voor de kerk, loopt de organisatie daarvan minder soepel. En als je gelooft in de liefde van God, ervaar je mogelijk meer innerlijke rust en zekerheid. Het is zelfs belangrijk om goed te doen aan alle mensen, om missionair te zijn, om te dienen. God wil ons hier ook in laten groeien en maakt dat ons dan ook duidelijk. Maar niet door middel van schuldgevoel, dreigementen, en zelfs niet met hulp van beloningen. Hij nodigt ons uit om anders te leven omdat dat iets goeds is, anders gezegd: hij laat ons naar die andere manier van leven verlangen, omdat die mooier is, waardevoller, liefdevoller. De wet blijft volgens Paululs heilig, en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:11).
Maar de wet heeft niks te maken met onze relatie met God. Of we op die manier leven of niet, heeft niks te maken met de grootte of diepte van Gods liefde voor ons. Of je goed bent of slecht, of je je inzet voor de kerk of niet, zelfs of je gelooft in bepaalde leerstellingen of niet, het heeft allemaal niets te maken met Gods liefde voor jou. Die is werkelijk onvoorwaardelijk. Of je moeder Teresa heet, of Hitler, het is Gods keuze om van ons te houden, en niets wat wij doen kan daar invloed op uitoefenen. Er is geen ‘double bind’. Geen kleine lettertjes, geen addertjes onder het gras. We hoeven zelfs niet dankbaar te zijn. We hoeven God niet te aanbidden omdat hij ons zo’n groot geschenk heeft gegeven. Het is de keuze van de kerstman om ons cadeautjes te geven, en hij geeft die aan iedereen zonder aanzien des persoons. Als je het pakket in handen krijgt, en er blijkt een racebaan in te zitten, hoef je niet iets terug te doen. Je mag er gewoon mee gaan spelen. Dat is dankbaarheid genoeg. Maar zolang je weigert het cadeau te openen, of met het geschenk te spelen, omdat je het had willen verdienen, of omdat je jezelf met anderen vergelijkt, kan je er niet van genieten, dan kan je niet ervaren wat God aan het doen is, en leidt je in dat opzicht een verloren leven. Dat zou natuurlijk zonde zijn!

Onze redding, het eeuwige leven, is dus een vrij gegeven geschenk. En alleen daardoor zijn wij op onze beurt vrij om goed te doen ‘omdat het goed is’ (for goodness sake). Een andere manier is er niet. Alleen als er geen angst is, kan de liefde zichtbaar worden. Liefde die onze vrije keuze is, liefde die voortkomt uit ons verlangen. We hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad.

dinsdag 24 december 2013

God is niet de kerstman (1): het alziende oog ...

Vorige week zat ik nietsvermoedend te lunchen bij de Delifrance in Houten, verdiept in een boek (voor wie het weten wil: The Wise Man’s Fear van Patrick Rothfuss), toen ik op de radio een kerstliedje hoorde. Dat is in deze tijd van het jaar natuurlijk niet verwonderlijk. Het ging in dit geval niet om een mooie hymne, Stille Nacht of zo, maar om een Amerikaans liedje. Zo’n zoete, vrolijke met zo’n melodie die in je hoofd blijft hangen, zodat je hem dagen erna nog kunt neuriën, terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wilt. Tegen mijn zin in luisterde ik dus naar de tekst van deze ode aan de kerstman. ‘Santa Claus is coming to town’ heet het nummer. Van Mariah Carey, zegt google. Voor jullie educatie schrijf ik de tekst hieronder uit.

You better watch out
You better not cry
You better not pout
I’m telling you why

Santa Claus is coming to town (3x)

He’s making a list
He’s checking it twice
He’s gonna find out
Who’s naughty or nice

Santa Claus is coming to town (3x)

He sees you when you’re sleeping
He knows when you’re awake
He knows if you’ve been bad or good
So be good for goodness sake

So you better watch out
You better not cry...

et cetera et cetera ...

De rillingen liepen over mijn rug. Niet alleen omdat het zo’n klef, zeurderig liedje was. Dat speelde ook mee natuurlijk, maar vooral omdat het me deed denken aan hoe ik in de kerk over God heb geleerd. We leerden namelijk dat God alles zag wat we deden. Het verhaal van Jona werd daarvoor vaak aangehaald: Jona kon niet voor God vluchten. God zag hem ook midden op zee, in het ruim van de boot. Vluchten kon niet voor God. Waar de zwarte pieten van Sinterklaas alleen rond december rondwaarden om te kijken of kinderen wel braaf genoeg waren, hield God je elk moment van de dag, zeven dagen per week, in de gaten om te zien of je wel leefde volgens zijn bedoeling. Als we het hadden over films of televisie, zeiden we dat we ons moesten voorstellen dat God over onze schouder met ons meekeek. Zouden we dan wel dat ene programma kijken? En zouden we dan die naaktscène uit een James Bond film zomaar accepteren, of zouden we de TV uitzetten? Want waar je als tiener soms zaken voor je ouders verborgen wilt houden, wist je dat God nog veel strenger moest zijn dan zij. Hij is heilig. Stond er niet in de bijbel dat wij net zo volmaakt moesten zijn? Als God zag dat je iets verkeerds deed, zou hij boos op je worden. Of op zijn minst verdrietig. En de woede van God was nog angstaanjagender dan die van mijn ouders. Ik moest dus elk moment van de dag mijn best doen om niets te doen waarvoor ik straf verdiende.
Maar dat was nog niet het enige. God zag niet alleen wat je deed. Dat zou erg genoeg zijn. Maar uit onder andere Psalm 139 wisten we dat hij ook in onze gedachten kon kijken: ‘U weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. Geen woord ligt op mijn tong, of u HEER, kent het ten volle’ (vers 3 en 4). Mijn binnenwereld bleefniet voor hem verborgen. Hij wist niet alleen of ik goede of slechte dingen deed, maar ook of ik goede of slechte dingen dacht. Hij kende je fantasieën en verbeeldingsleven, de boosheid op pesters of het verlangen naar boeken. En ook daarover oordeelde hij. Als ik ergens meer naar verlangde (zoals naar het lezen van verhalen) dan dat ik naar God verlangde, was dat een verslaving. Als ik bang was om voor mijn geloof uit te komen, stelde ik God teleur. Als ik mijn pesters iets vreselijks wilde aandoen, gold ik al als een moordenaar, want volgens Mattheus 5 gold dat ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zich zal moeten verantwoorden voor het hemelse gerecht. Ik heb al eerder aangehaald wat datzelfde Bijbelgedeelte zei over begeerte. Ik moest dus niet alleen politieagent spelen over mijn daden, maar ook over mijn gedachten. Dat was gedoemd om te mislukken. Zoals een huisgenote in mijn studententijd een keer zei: ‘Een grote verbeelding en een streng geweten, dat is geen goede combinatie.’ Eigenlijk voelde ik me voortdurend tekortschieten en ik strafte mezelf alvast met schaamte en schuldgevoelens, omdat ik wist dat God mij moest oordelen. Ik was bang voor de kerstman, omdat ik wist dat ik niet braaf was geweest.

De kerstman in het liedje van Mariah Carey gebruikte externe motivatiemiddelen (straf en beloning) om het gedrag van kinderen te veranderen. De God waarin ik geloofde, deed hetzelfde. Maar was het maar zo eenvoudig. Het mooie van een wet of regel is natuurlijk dat je er met genoeg inspanning aan kunt voldoen. Dat verklaart het succes van de Farizeeën, die zelfs nog extra regels opstelden naast die uit het Oude Testament. Het is mogelijk braaf te zijn en met gebruik van je wilskracht de regels niet te overtreden. Het is mogelijk de tienden te geven van de kruiden in je tuin, zoals de Farizeeën deden, of je wijn te zeven zodat je niet per ongeluk een dood mugje zou doorslikken, zoals de Farizeeën deden. Met een beetje discipline kom je een heel eind. Je kunt aan je competenties werken, je kunt de resultaten behalen die je op je functioneringsgesprek hebt afgesproken, en dus aan het eind van het jaar je goede beoordeling en een bonus verdienen. Maar ik ben blij dat mijn werkgever bij die beoordeling niet kijkt naar mijn motivatie. Hij vindt het prima als ik hard werk uit angst om ontslagen te worden, of omdat ik meer geld nodig heb. Als het werk maar afkomt. Dit diepgewortelde transactionele denken (‘Voor wat hoort wat’) kleurt bewust (op kantoor) of onbewust (in families) al onze relaties.
Je ziet deze manier van denken geïllustreerd in de stripverhalen van Bill Watterson over Calvin en Hobbes. Daarin is kerst een terugkerend thema. Het zesjarige jongetje Calvin maakt zich rond de kerstdagen altijd heel druk. Hij wil heel graag cadeautjes, en heel veel (hij heeft steeds een erg lange lijst, op alfabet geordend). Maar hij ligt wakker omdat hij zich afvraagt of hij wel op de lijst met brave jongetjes van Santa Claus staat. Hij weet niet welke criteria Santa hanteert. Is het stout als hij een sneeuwbal teruggooit naar buurmeisje Susie? En als zij nou begon? Hij vraagt zijn speelgoedtijger Hobbes als zijn advocaat op te treden en een brief te schrijven aan de Kerstman om hem vrij te pleiten. Hobbes stelt voor om Calvin ontoerekeningsvatbaar te verklaren, maar Calvin zoekt liever naar een gaatje in de regels van de kerstman, zodat hij er tenminste nog goed van af kan komen. Calvins goedheid in de dagen voor kerst is hypocriet (zodra hij de cadeautjes binnen heeft, gooit hij weer vanouds sneeuwballen naar Susie). Het is de goedheid van een Farizeeërs. Diep van binnen is Calvin zich er echter van bewust dat hij bij de kerstman toch altijd zal falen. Want de kerstman voegt aan al zijn voorschriften over goed en slecht gedrag nog een oneerlijke regel toe: ‘So be good for goodness sake.’
Ik word bijna misselijk van dit ene regeltje, volgend op ‘He knows if you’ve been bad or good’. Die twee gaan namelijk niet samen. We leerden het over God ook, dat het hem ging om onze motivatie. Jezus maakt het in de Bergrede duidelijk dat we niet goed moeten zijn omdat we bang zijn voor straf, maar omdat we goed WILLEN zijn. We moeten van andere mensen houden, en daarom goed voor ze willen zijn. We moeten de zonde heel erg vinden, en daarom heilig leven. En God kon beoordelen of we wel uit de juiste motieven handelden. Hij keek immers in ons hart. En als we niet uit de juiste motieven handelden, was hij teleurgesteld en boos.
Volgens mij wordt dit in de psychologie wel een ‘double bind’ genoemd. In het Engels is er de uitdrukking ‘Damned if you do, damned if you don’t’. Je kunt het namelijk op deze manier niet goed doen. Want zodra je ermee bezig bent dat de kerstman weet wanneer je braaf bent geweest, of stout, zijn je motieven al niet meer oprecht. Dan ben je bezig om goed te doen uit angst voor straf. Maar je kunt ook niet doen wat je wilt doen, wat voortkomt uit je motivatie van binnenuit, omdat je weet dat de kerstman in de gaten houdt wat je wel niet doet! Als je denkt dat God je beoordeelt, als een chef die steeds over je schouders heenkijkt, ben je niet meer vrij om te doen wat je verlangt. Maar als je je eigen verlangen volgt, weet je dat je waarschijnlijk tekort zult schieten aan de eisen van God en dus straf verdient. Je kunt het gewoon niet goed doen.

Als je iets niet kunt, hoef je het ook niet, is een van de stelregels die ik mezelf heb aangeleerd. Ik ben namelijk nogal perfectionistisch en stel zware eisen aan mezelf. Eisen die ik niet kan halen, die menselijk gezien zelfs onmogelijk zouden zijn. Die moet ik daarom relativeren. Ik kan niet vijftig boeken lezen per jaar, dus hoef ik het ook niet van mezelf te verwachten. Ik kan niet zes afspraken hebben in een weekeinde en toch goed blijven slapen, dus hoef ik dat ook niet van mezelf te verwachten. Zo is het op dit punt ook. Maar dat betekent dat we moeten accepteren dat we niet aan Gods verwachtingen kunnen voldoen. Op geen enkele manier. En dat is moeilijk. Want het idee dat we het geschenk van het eeuwige leven niet kunnen verdienen stuit ons tegen de borst. Het transactionele denken zit diep geworteld!

Wordt vervolgd

donderdag 5 december 2013

Over de drempel (6): de fluistering van het verlangen

Een week voor ons trouwen ontmoette ik in Amsterdam een vriend uit de Verenigde Staten. Ik had hem voor het eerst ontmoet in 2005 op een conferentie van John Eldredge (hij zat in het team, en was de forumcoördinator van het Ransomed Heart-forum waar ik toen actief was) en in 2007 zag ik hem weer op een conferentie in Australië. Onze derde ontmoeting vond plaats op een derde continent. De enige persoon tot nu toe die ik op drie continenten heb ontmoet. We bleken elkaar erg veel te vertellen te hebben. Zo hadden we allebei geworsteld met de evangelische kerk, en waren we allebei terecht gekomen in de Anglicaanse kerk (en ook bijna gelijktijdig!). We worstelden allebei met ons godsbeeld. En met ons zelfbeeld. Onder andere wat ons verlangen betrof. Want onze verkeerde beelden van God en de verlossing hadden ertoe geleid dat we ons verlangen onderdrukten, dat we onszelf niet de toestemming gaven onszelf te zijn. Maar daardoor verhinderden we niet alleen dat we een creatief, vruchtbaar (ook letterlijk!) leven leidden, we behandelden daardoor bovendien andere mensen minder respectvol.
Mijn vriend vertelde van zijn dochter in de tienerleeftijd. Ze had hem een keer toevertrouwd dat ze liever op dates ging met ongelovige jongens dan met jongens uit de kerk. Natuurlijk was hij daardoor erg geschrokken, zoals elke christelijke ouder dat zou doen. Maar hij was wijs genoeg zijn dochter om uitleg te vragen. Ze vertelde dat christelijke jongens niet naar haar durfden kijken. Ze keken opzij, ze wendden zich af. Het was duidelijk dat ze zich schaamden. Waarvoor? Voor het feit dat ze haar aantrekkelijk vonden. En dat ervoer zij als afwijzing en als reden om zich te schamen. De niet gelovige jongens zeiden eenvoudig tegen haar: ‘Je ziet er leuk uit. Zullen we een keer wat drinken?’. Ze schaamden zich niet voor haar of het effect dat zij op hen had. Ze voelde zich door hen geaccepteerd en gewaardeerd, als vrouw en als individu, en ze hoefde zichzelf ook niet te schamen voor haar seksualiteit. Het was voor haar veel meer ontspannen.

Als mensen hun verlangen op een voetstuk hebben staan en alleen leven voor de vervulling van hun eigen begeerte, zullen ze respectloos met andere mensen omgaan (die ze alleen zullen beoordelen naar de mate waarin ze hun begeerte bevredigen - een transactionele instelling). Maar het is ook respectloos als mensen hun eigen verlangen en dat wat het verlangen opwekt, afwijzen en veroordelen. Dat maakt van de interactie ook iets transactioneels (door mijn verlangen verdien ik straf, of de ander die mijn verlangen opwekt maakt mij slecht). Verlangen is echter wat ons mensen maakt. Verlangen is wat ons voortdrijft, tot handelen aanzet, maakt dat we het ene been voor het andere zetten. Verlangen is de brandstof van onze wil. Om te weten wie iemand is, moet je vragen wat hij of zij verlangt. Als we het verlangen op zich (in plaats van de manier waarop iemand een verlangen wil bevredigen) slecht vinden, afwijzen, veroordelen, wijzen we de kern van iemands identiteit af. En maken we iemand ten diepste passief. Want een mens zonder verlangen is een lege huls, in de greep van machten van buiten zichzelf. Dat geldt ook voor degene die het verlangen opwekt - die wordt gereduceerd tot bepaalde karakteristieken, en kan zichzelf niet meer zien als waardevol, compleet persoon, maar moet een deel van zichzelf afwijzen. Dit leidt tot heel ongezonde taferelen, waarvan het voorbeeld van de dochter van mijn Amerikaanse vriend, nog de minste is.
In de kerk waar ik opgroeide, werd seksueel verlangen als slecht weggezet. Zo kreeg ik het ten minste mee. De Bijbeltekst ‘wie een vrouw aankijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’ (Mattheus 5:28), werd zo uitgelegd dat het betekende dat wie een vrouw aantrekkelijk vond al overspel met haar had gepleegd. En het voelen van seksuele aantrekking werd zo ongeveer gebracht als de grootste zonde die mogelijk was. Voor iemand die het onderwijs van de kerk serieus nam en in zijn leven probeerde toe te passen, leidde dit in de puberteit natuurlijk tot schuldgevoel, schaamte en zelfafwijzing. Ik probeerde het verlangen te onderdrukken, maar hoe hard ik daar ook voor werkte, het stak steeds opnieuw de kop op. Ten slotte voelde ik me al een weekeinde lang diep schuldig als ik in  een tijdschriftenwinkel een superheldenstripboek (X-mannen) had doorgebladerd. Ik herinner me een e-mail aan een vriend waarin ik dat mijn ‘boezemzonde’ noemde (ik snap nu pas de ironie), waar ik maar niet van af kon komen.
En in mijn strijd tegen dit verlangen, begon ik ook al mijn andere verlangens te onderdrukken: mijn verlangen naar spannende verhalen (ik wilde graag Alistair MacLean boeken lezen, dus dat zou wel een verslaving zijn. Als ik een James Bond-film zag, fantaseerde ik over actiescènes, dus die moest ik overslaan), mijn verlangen naar creativiteit (ik stopte met schrijven), et cetera. In mijn stripbespreking van de geweldige ‘graphic novel’ Een Deken Van Sneeuw heb ik al eens betoogd dat onze verlangens met elkaar samenhangen: ons seksuele verlangen en ons verlangen om te scheppen, te creëren, zijn niet los te verkrijgen. Het onderdrukken van de een leidt tot het onderdrukken van de ander. Het verlangen is namelijk niet te scheiden: het is een enkel vuur dat binnen in ons brandt. En het is ook niet te scheiden van ons verlangen naar eenheid met God. Sommige christelijke mystici ervoeren Gods aanwezigheid niet voor niets in een haast seksuele extase. Zie bijvoorbeeld het beeld van de heilige Teresa van de Renaissance-kunstenaar Bernini in het plaatje hierboven.
Ik denk dat het daarom niet voor niets is dat als een samenleving (of kerk) mensen onder controle wil houden zowel de seksuele expressie als de artistieke expressie worden onderdrukt of beschaamd. Maar dat daar (bedoeld of onbedoeld) ook de religieuze expressie schade door ondervindt. In de kerk waar ik opgroeide werd in elk geval niet alleen neerbuigend en veroordelend gesproken over seks en kunst, maar ook over ‘bovennatuurlijke’ en ‘mystieke’ manieren om God te ervaren. We hadden de bijbel, uitgelegd door Darby en Kelly, en dat was genoeg. Volgens de kerk waarin ik opgroeide was individualiteit ook iets verdachts - we moesten sterven aan het vlees, ons eigen ik, onze wil, zodat gods Geest ongehinderd door ons heen kon werken. Waarom gods Geest er vervolgens voor zorgde dat de meest ‘geestelijke’ van de kerkleden mensen uit de gemeenschap uitsloten en op een kerkscheuring aanstuurden, hebben ze mij nooit uitgelegd.

Natuurlijk werd in de kerk betoogd dat man en vrouw in het huwelijk wel seks met elkaar mochten hebben. Ik ga ervan uit dat het volgens de kerk dan ook was toegestaan als man en vrouw naar elkaar te verlangen. Maar volgens mij is het niet mogelijk een verlangen opeens weer ‘aan te zetten’, na het jarenlang als slecht en zondig te hebben neergezet. Het is niet opeens ‘goed’ in andere omstandigheden. Zelfs als je het dan ‘goed’ noemt, kan de menselijke psychologie die omschakeling niet maken. Vooral niet als je voor vrouwen buiten je huwelijk nog steeds niks mag voelen of bij enige emotie jezelf moet veroordelen en afwijzen. Zo werken verlangens niet. Als je een muur rond je verlangen hebt opgetrokken en die met al je mentale kracht hebt bewaakt, kun je niet opeens in je huwelijk een klein stukje van de muur afbreken, en verwachten dat het verlangen dan opeens alleen door dat gaatje naar buiten komt. De muur is alleen volledig af te breken. Het is alles of niets. Je brengt jezelf tot expressie, of niet. Dit geldt ook voor de andere verlangens. Ik kon niet opeens mezelf toestaan alleen naar bepaalde verhalen te verlangen, of alleen christelijke films te waarderen. Of alleen non-fictie te willen schrijven. Het verlangen is alles of niets.
Dit heb ik het afgelopen jaar in de praktijk gemerkt. Pas in september 2012 gaf ik mezelf toestemming om me aan het schrijven van fictie te wijden. Het was een van de grootste omkeringen in mijn leven, eigenlijk nog belangrijker dan het ontmoeten van mijn vrouw en mijn huwelijk (alhoewel daar ook niet van te scheiden - dat ik een vrouw durfde aanspreken was ook al een sprong in het diepe voor me, en het kiezen voor het huwelijk ook een kiezen voor verlangen). Ik gaf mezelf toestemming om mijn liefde en passie voor het schrijven zonder enige belemmering te uiten. Ik voelde me daardoor meer mezelf dan in de tien jaar ervoor. Ik sliep zelfs beter. Maar (waarschijnlijk niet toevallig) leidde die toestemming om te schrijven tot toestemming op meer gebieden. Het leidde tot toestemming om mijn verlangen naar een andere kerk te volgen, naar toestemming om de boeken te lezen die ik wilde lezen, en naar toestemming om mijn eigen seksuele verlangen niet langer af te wijzen. Alles in een paar maanden tijd. Het was, moet ik zeggen, heel erg bevrijdend. Maar ook confronterend, omdat ik zag hoe diep mijn verlangen al die tijd opgesloten was geweest. Ik gaf mezelf eindelijk toestemming om er te zijn, helemaal, als Johan. Het is ook niet toevallig dat het gebeurde nadat ik in november 2012 en nogmaals in april 2013 tijdens het bidden de liefdevolle ogen van Jezus had gezien, en zijn acceptatie had gevoeld. Ik wist mij eindelijk geliefd gewoon als wie ik ben en kon dus ook mezelf accepteren in al mijn menselijkheid, inclusief mijn verlangen.
En dit was niet mogelijk zonder een sacramenteel beeld van de werkelijkheid, dat wil zeggen: een incarnationeel beeld van de werkelijkheid. God die mens wordt, zich toont op een manier die wij kunnen waarnemen, en daarmee laat zien wat ten diepste waar is voor ons allemaal. Want wat waar is voor Jezus, is waar voor ons. Incarnatie is een sacrament, werkelijke aanwezigheid, God met ons. Dat Jezus mens werd, betekent niet alleen dat het mens-zijn, het lichamelijke mens-zijn geheiligd is. Het betekent dat onze individualiteit geheiligd is, inclusief ons verlangen, inclusief onze seksualiteit. We maken van Jezus snel een soort super-mens, een buitenaards wezen onder ons, die niets te maken heeft met onze menselijke eigenschappen of zwakheden. Maar Jezus was mens, helemaal mens.
Lees wat Robert Farrar Capon schrijft in The Romance of the Word: “When we say that Jesus is perfectly human, we mean that he is completely human: his humanity is everyday, commongarden humanity IN COMPLETION. But see how alien that is to the common view. In spite of the promise of the resurrection of the body, we can imagine human nature as perfected only if we can somehow see it as abolished in favor of something spiffier, if we flesh him out in something other than ordinary flesh. When we imagine him as a child, for example, we somehow feel obliged to say that he was a little freak who never hid when his mother called him, who always put his toys away in his toy box, and who, when he got to the age at which boys have wet dreams, piously refused to have any ... The human race is, was, and probably always will be deeply unwilling to accept a human messiah. We don’t want to be saved in our humanity; we want to be fished out of it.” Laten we wel wezen, Jezus ging ook naar het toilet. Of deed het achter de bosjes. Hij was moe en viel in slaap in een boot. Hij weende. Wij hoeven ons dus ook niet te schamen voor deze door anderen soms als schaamtevol beschouwde uitingen van onze menselijkheid. En net zo had Jezus seksuele verlangens. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat zijn werk daardoor gemotiveerd werd, want de bijbel gebruikt meerdere malen voor het werk van Christus voor de gemeente de metafoor van bruidegom en bruid, en Openbaring eindigt met de bruiloft van het lam. Wij hoeven ons dus ook niet voor onze seksualiteit te schamen. We mogen ons eigen verlangen gewoon accepteren.

Ons eigen verlangen accepteren stelt ons in staat om de ander (man of vrouw) te zien als compleet menselijk wezen, in plaats van hem of haar af te wijzen om zijn of haar seksualiteit. Mijn vrouw heeft na al het onderwijs dat ik in de kerk had gekregen, flink op me moeten inpraten om me te overtuigen dat vrouwen het niet erg vinden om door mannen aantrekkelijk gevonden te worden, dat ze zich niet schamen als een man naar hen kijkt, dat ze dat zelfs waarderen en er veel voor doen. Ze gaf me als studiemateriaal het boek Bridget Jones’ Diary te lezen, van Helen Fielding. Ik heb het in vier treinreizen uitgelezen, met de spreekwoordelijke rode oortjes. Wat bleek? Vrouwen waren geen pure heiligen, die schrokken van mannelijke opwinding, maar ook geen prostituees, die er alleen maar op uit waren mannen tot zonde te verleiden. Vrouwen zijn gewoon en compleet mensen, inclusief een verlangen gezien te worden, begeerd te worden, geliefd te worden, inclusief een verlangen naar seksualiteit. En dat verlangen, ook het verlangen naar seks, is geheiligd door de vleeswording van Christus. Het is volledig geaccepteerd door God, wordt goedgekeurd, wordt toegejuicht (het boek Hooglied staat niet voor niets in de bijbel, en mijn pogingen als twintiger het allegorisch uit te leggen, waren behoorlijk misplaatst). In Openbaring wordt de kerk vergelen met een bruid die zich heeft mooi gemaakt voor haar man. Als dat niet een bevestiging is van dit verlangen, weet ik het ook niet. Dit zorgt ervoor dat ik niet bang hoef te zijn voor afwijzing door een vrouw, dat ik me niet hoef te schamen, maar ook dat ik een vrouw niet hoef te reduceren tot haar eigenschappen die mijn verlangen opwekken en zelf haar daarvoor afwijzen. Ik kan haar behandelen als volledig mens, als volledig individu, die zelf ook vrij is. Juist door de acceptatie van mijzelf en haar als seksuele wezens, kan ik haar volledig respecteren, zoals ik mezelf respecteer. Ook als ze ‘nee’ zegt tegen me. Daar is ze als individu immers vrij in. Alweer een voorbeeld hoe de radicale acceptatie die voortkomt uit de onvoorwaardelijke liefde van God, ons menselijke gedrag verandert.
Dit is overigens niet een betoog dat per se pleit voor seksualiteit buiten het huwelijk. Maar er is een groot verschil tussen het voelen van een verlangen en de manier waarop we het verlangen kiezen te vervullen. En dat onderscheid werd in de kerk waarin ik opgroeide veel te weinig gemaakt. Het idee bestond kennelijk dat het voelen van een verlangen automatisch leidde tot het in vervulling brengen ervan, ook als je daarvoor mensen respectloos moest behandelen, of hun keuzevrijheid moest afnemen. Een man die een vrouw aantrekkelijk vond, zou zich kennelijk niet kunnen inhouden om aan haar te zitten. Ik heb het in christelijke jongerentijdschriften gelezen, dat meisjes geen topjes met spaghettibandje zouden moeten dragen, omdat ze niet wisten wat ze daarmee tot stand brachten bij jongens. Ze zouden ze tot zonde verleiden. Dit is ook de reden dat in streng islamitische landen vrouwen een nikab of burkah moeten dragen, omdat mannen niet verantwoordelijk kunnen zijn voor hun eigen gedrag naar vrouwen toe. Deze visie is dus niet alleen denigrerend over vrouwen, maar ook over mannen. Alsof we tegen onszelf in bescherming moeten worden genomen en geen zeggingskracht hebben over ons gedrag. Maar dat is een leugen. Als ik mezelf zie als man, door God geliefd, waardevol zoals ik ben, kan ik ook afzien van de vervulling van een verlangen, wanneer dat niet respectvol zou zijn naar mezelf of naar anderen. De tekst uit Mattheus 5 die mij zo’n schrik aanjoeg, ging ook helemaal niet over onze menselijke reactie op schoonheid, maar over begeerte: de drang datgene wat je verlangt voor jezelf te bezitten, op te eisen. Dat is niet respectvol. Het is ons verlangen, vervormd door onze zelfzuchtige, transactionele manier van denken. Ons verlangen zou in plaats daarvan moeten worden geinspireerd door de liefde. Jezus was helemaal man, maar ging toch eerbaar om met een overspelige vrouw die hij midden op de dag in haar eentje tegenkwam bij de waterput, en met de prostituee die met haar haren zijn voeten waste. Maar hij maakte haar ook niet beschaamd over zichzelf. Zo kunnen wij ook zijn.

Als twintiger voelde ik me al schuldig over het feit dat ik stripboekjes doorbladerde met daarin aantrekkelijke getekende vrouwen. Ik schaamde me voor het effect dat vrouwelijke schoonheid op me had. Nu nam ik van mijn huwelijksreis in Londen uit de Forbidden Planet (een winkel met SF en fantasy-boeken, films en spullen) een ‘action figure’ mee van Commander Shepperd, de vrouwelijke hoofdpersoon van de Mass Effect-spellen die ik met veel plezier heb gespeeld (en waar ik vorig jaar een essay over heb geschreven), in futuristische uitrusting. De 'action figure' staat trots bij ons in de woonkamer. En elke keer als ik die zie, en kan toegeven dat ik haar pose mooi vind, glimlach ik vanwege de vrijheid die ik heb gevonden. Mijn vrouw is daar overigens ook behoorlijk blij mee, maar daar gaat dit blogbericht verder niet over.