Posts tonen met het label verlangen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verlangen. Alle posts tonen

dinsdag 9 augustus 2016

Gedicht: Castlefest 2016

Castlefest 2016

Ik had me aangesloten 
-en ook mijn vrouw- bij de stoet
van mooi geklede mensen 
(ridders, elfjes, kinderen)
onder een dak van bomen
naar de poort. Nervositeit
verdween al snel. Slechts één stap
en binnen was ik. Vertrouwd
de klank van harpen, lieren,
gelach, wapengekletter.
Kramen met rijp vlees, cider,
zoete wijn en overal
verhalen. Was echt een jaar
voorbij sinds de laatste keer
dat ik hier liep? Het voelde
niet zo, de tijd verdwenen
als een droom, nog flarden slechts,
twee dagen -maanden terug- 
veel echter, alsof dit feest
is waar ik thuis kan komen,
mijn cape mij hier juist onthult.
Geen vlucht! Dat is de wereld
van prestatie, nuttigheid,
en oordeel. Hier kan ik zijn
zonder te verdwijnen 
en toch mezelf vergeten:
het gevoel van eeuwigheid.

dinsdag 27 oktober 2015

Gedicht: Een droom (4)

Een droom (4)

We lopen samen naar beneden,
jij mijn vriend, en ook een broer van mij
-die kunnen aarden op kantoor en
niet elke nacht de slaap verliezen-
over stenen treden, laag plafond,
eindigend in een grot. Er spiegelt
water. Ik heb lang niet gedoken,
maar dat is wat we gaan doen. Ik draag
de spullen, kleed me om. Ik heb geen
snorkel bij me. Er is een stapel
waarvan ik er een neem. Een blauwe.

Ik sta aan de kant. De instructeur
controleert onze apparatuur.
Ik heb ook geen zwemvliezen zie ik.
Hoe moet ik dan omlaag gaan zwemmen
de diepte in? Jullie bijhouden?
Er is plek voor mij maar ik weiger
af te dalen. Dit is niets voor mij
al dacht ik ooit van wel. Geen schaamte
voel ik als ik weer naar boven loop.
Ik kies mijn eigen pad. Kijk, een deur!
Waar kom ik uit als ik die openduw?

donderdag 5 februari 2015

Gedicht: Het mooiste geluid

Het mooiste geluid

Het mooiste geluid
vind ik knerpende sneeuw 
onder mijn schoenen
in de morgen. Pastel
kleurt de hemel
boven de daken.
Adem wit, neus koud,
maar de wind blijft verstopt
achter zwarte bomen.

De straat is niet zichzelf:
hoewel vertrouwd toch
wonderlijk vernieuwd.
En deze heil'ge grond
betreed ik. Kijk niet 
hoe ik ben gekomen
-onuitwisbaar spoor-
maar volg mijn verlangen
met elke stap vooruit.

woensdag 17 december 2014

Filmbespreking: Anastasia

De laatste jaren ben ik me gaan verdiepen in de Russische literatuur. Niet dat je daar teveel van moet voorstellen. In Oorlog en Vrede kwam ik maar tot de helft. Gelukkig bleek daar een film van te zijn gemaakt, met Audrey Hepburn in een van de hoofdrollen, en die was ook onderhoudend. Net als de verfilming van Anna Karenina niet lang geleden. Deze boeken en films hebben iets fascinerends. En ik ben volgen mij niet de enige die dat voelt (anders zouden de films niet gemaakt worden natuurlijk). Een van de redenen is natuurlijk dat het gaat om briljante auteurs. Maar waarom zijn zoveel schrijvers uit Rusland zo groot geworden, maar lezen we geen Indiase of Chinese schrijvers uit dezelfde tijd? Dat komt volgens mij omdat Rusland een unieke plek inneemt in de verbeelding. Het is namelijk bekend en vreemd tegelijk. Terwijl India en China vooral vreemd zijn, met onbegrijpelijke rituelen en gewoontes. Chinese mensen staan veel dichter op elkaar in een rij dan wij. Dat schept afstand. En natuurlijk is het goed om die afstand te overbruggen, maar dat kost wel moeite. Rusland daarentegen was sinds de opkomst van de Tsaren op Europa gericht. Liet Peter de Grote zich niet in Nederland scholen in de scheepsbouw? Hoewel hun land heel Azië bestreek, vormden ze hun cultuur naar die van ons. Ze reden in paard en wagen (of arrenslee), hielden soirees en bals, lazen dezelfde boeken. Zelfs hun uiterlijk verschilt niet veel van ons. Als we over hen lezen, zijn er veel symbolen die we begrijpen en wegwijzers die ons het verhaal binnen voeren. Maar die zijn er voor bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Canada ook. En toch zijn daar minder schrijvers die voor ons op dezelfde hoogte kunnen staan als de Russen. Daar komt het aspect van de vreemdheid om de hoek kijken. De Amerikanen ‘zijn’ ons, richten hun leven in op basis van dezelfde waarden, hebben dezelfde prioriteiten. De Russen zijn geen Europeanen. Nooit geweest. Ze hebben de vormen van hun cultuur op de onze doen lijken, maar daaronder schuilt iets dat aantrekkelijk anders is. Iets dat we niet direct begrijpen, iets dat ons uitdaagt, waar we van terugdeinzen, of dat ons inspireert. De Amerikaanse cultuur is ook wel anders, maar dat is er een van individualisme en kapitalisme. De Russische cultuur is er een van mystiek. Voor de Russen zijn er zaken belangrijker dan het individu, al was het alleen maar ‘moedertje Rusland’. Maar vaker nog is het een ideaal (dat van het communisme), of het geloof (de voor ons mystiek aandoende orthodoxe kerk). Er lijkt voor de Russen een diep gevoel te bestaan dat ze leven in een werkelijkheid die hun individualiteit overstijgt. Misschien komt het omdat hun land zo groot is dat de grenzen ervan niet te bevatten zijn? Of dat het weer zo koud kan zijn? Dit maakt in elk geval dat ze geen kille rationalisten kunnen zijn (zelfs niet wie zich wel als rationeel presenteert, bijvoorbeeld in de boeken van Dostoyevsky), maar dat ze hun leven laten leiden door die henzelf overstijgende realiteit. En voor ons, westerlingen, die leven in overzichtelijke ingepolderde landjes, waar alles begrijpelijke proporties heeft, maakt dit van Rusland als vanzelf een sprookjesland. Het geeft aan de Russische verhalen een glans van vreemdheid, die we niet werkelijk kunnen begrijpen, waardoor er voor ons onvoorspelbare dingen in kunnen gebeuren. De kus van de grootinquisiteur, bijvoorbeeld, wonderen, opofferingen, grote gebaren in naam van een ideaal, en ook: grote woorden over God die niet pretentieus aanvoelen. Ik weet niet of ik in het Rusland van Dostoyevsky of Tolstoy zou willen wonen, ik weet wel dat ik erover wil lezen.

Dit alles verklaart waarom je als kijker niet met de ogen knippert als Anastasia in de gelijknamige animatiefilm de ogen opslaat ten hemel en roept: ‘Geef me een teken.’ Dit is Rusland. Deze animatiefilm van Don Bluth bevat zowel het vertrouwde Europese van Rusland, met auto’s, balzalen, etiquette, treinstations et cetera, als het vreemde: de tovenaar Raspoetin, revoluties, grandeur, en andere sprookjesachtige elementen. Het filmhoesje doet misschien vermoeden dat het gaat om een Disneyfilm, maar wie dat verwacht, komt bedrogen uit. De tekeningen zijn anders dan die in Disneyfilms, schokkeriger en hoekiger, terwijl bijvoorbeeld bosdiertjes weer een stap terug zijn in kinderlijkheid. Maar deze animatiestudio had nu eenmaal minder budget ter beschikking dan de Disneyfilms. De film houdt zich ook minder aan het Disneyrecept voor animatiefilms. De schurk is duivelser dan die in Disneyfilms, en de beelden zijn soms gruwelijker. En omdat de hoofdpersonen ouder zijn dan de gemiddelde Disneyhelden (of in elk geval als ouder worden geanimeerd) sluipen er ook meer verwijzingen binnen naar flirten en seks. De aanwezigheid van pratende diertjes als ‘side kicks’ maakt het echter moeilijker de film als tiener- of volwassen film te zien (dezelfde studio deed dat later veel beter met Titan AE). Wel is de film prachtig gemaakt, waarbij computerbeelden heel aardig met de tekeningen zijn verweven, zodat er prachtige achtergronden op het doek zijn getoverd. Van treinongelukken tot talloze dansers, tot tot leven gekomen standbeelden. En in een tijd waarin Disney zijn heldinnen nog door een man liet redden, hoe levenslustig en assertief ze ook waren (denk aan Ariel), is de hoofdpersoon van deze film geen ‘damsel in distress’, maar is zij het die de slechterik confronteert als de mannelijke held is uitgeschakeld. Wij kennen ondertussen Katniss Everdeen natuurlijk, dus voor ons is het niet nieuw meer, maar ik zou graag meer van dit type verhalen zien.

Het verhaal begint aan het hof van Tsaar Nicolaas, aan het begin van de 20ste eeuw. Hij heeft de valse monnik Raspoetin tegen zich in het harnas gejaagd, en de man spreekt een duivelse vloek uit: hij voorspelt het einde van alle Romanovs. Niet veel later breekt inderdaad de revolutie uit. Het paleis wordt bestormd, en alleen de moeder van de Tsaar weet te ontkomen. Op haar vlucht raakte ze gescheiden van Anastasia, de dochter van de Tsaar en haar kleindochter. Aangekomen in Parijs  looft ze een beloning uit voor wie haar kan herenigen met haar dochter. Maar de enigen die ze ziet zijn fraudeurs, die een meisje van de straat plukken, die laten praten als een prinses, en doen alsof het gaat om Anastasia. De oude vrouw prikt altijd feilloos door de praatjes van de ‘con artists’ heen. Na tien jaar geeft ze de moed op. Blijven hopen doet te veel pijn. Juist dan is Dimitri op weg naar Parijs. Hij heeft zijn zinnen gezet op het niet onaanzienlijke geldbedrag, en heeft een meisje gevonden dat heel goed zou kunnen doen alsof ze de verdwenen prinses is. Deze Anya weet zelf niet wat haar afkomst is, want ze is alles kwijt wat voor haar achtste gebeurd is. Misschien zouden ze elkaar wel eens kunnen helpen … Hun reis wordt echter vanuit het dodenrijk nauwlettend in de gaten gehouden door de geest van Raspoetin, die vastbesloten lijkt de ontmoeting tussen Anya en de moeder van de Tsaar te verhinderen.

Ik wil hier niet schrijven over de ontwikkeling van Dimitri, die begint als iemand die het met de wet niet zo nauw vindt, en dan opeens verliefd wordt op Anya. Maar hij leert dat echte liefde nog een stap verder gaat. Natuurlijk, net als in de Disneyfilms wordt hier de ‘liefde op het eerste gezicht’ verheerlijkt, maar waar in Disneyfilms die liefde vaak niet verder wordt bevraagd, ontdekt de hoofdpersoon hier tijdens de reis dat zijn egoïstische verliefdheid overgaat in echte liefde. En echte liefde is bereid afstand te doen van eigen gewin, en moed te tonen, ook als het betekent dat je afscheid moet nemen van de geliefde. Of in elk geval de keus bij de geliefde neer te leggen. Deze vertoning van nederigheid is echte liefde, en een stuk volwassener dan veel Disneyhelden zouden kunnen zijn.
Maar waar ik tijdens het kijken van de film vooral door werd gegrepen was het verhaal van Anya, oftewel Anastasia. Vanaf het begin van de film bestaat er namelijk geen enkele twijfel over dat het weesmeisje in werkelijkheid de prinses is. De spanning van de film bestaat daarom niet uit de vraag wat haar identiteit is, maar of ze er wel achter zal komen wat haar identiteit is (een behoorlijk verschil). Als kijker zien we iemand die door omstandigheden buiten haar eigen toedoen het leven dat bij haar hoorde is kwijtgeraakt. Hoewel ze een prinses was, is ze opgevoed in een nogal onguur ogend weeshuis, en is haar hoogste ideaal een baan in een visfabriek. We hebben intuïtief het gevoel dat in deze situatie iets niet klopt. We zien ook nog eens de slechte machten die haar in onwetendheid willen laten, en als dat niet zou lukken, haar willen doden voor ze ontdekt wie ze is. En dus is onze hoop als kijker, dat de onrechtvaardigheid dat haar werkelijke identiteit haar is ontstolen, ongedaan zal worden gemaakt. Daaruit bestaat het gelukkige einde, de eucatastrofe.
Ik moest hierbij denken aan het bekende citaat van G.K. Chesterton: ‘We ondervinden allemaal dezelfde mentale rampspoed. We zijn allemaal vergeten wie we werkelijk zijn’ (Orthodoxie). De tragiek van ons verhaal is niet zozeer dat we ophielden geliefde kinderen van God te zijn, of dat we niet langer beelddrager van God waren. De tragiek is dat we zelf niet langer wisten of geloofden wie we werkelijk zijn. We raakten onze werkelijke identiteit kwijt, de identiteit van het schepsel van God, dat hij had gemaakt om in eeuwige gemeenschap met hem te leven, aan hem gelijk in onze mogelijkheid God, elkaar en de schepping lief te hebben. Onze identiteit van zijn geliefden, die hij hun zonden niet aanrekent, maar kwijtscheld, en die altijd toegang hebben tot de troon van zijn genade. Onze identiteit van scheppers (met kleine s) onder de Schepper, die zijn schepping tot bloei zouden brengen. En omdat we ons niet meer van die identiteit bewust waren, leefden we een minder leven: het leven van opstandige, alleen bezig met ons eigen gewin, zelfs al is het ten koste van de ander of de schepping; het leven van tijdelijke creaturen bezig met tijdelijke beslommeringen: geld, seks en macht. En luide stemmen in onze omgeving houden ons voor dat dit onze identiteit is. Stemmen als die van de vrouw van het weeshuis, die Anya voorhoudt dat ze nooit iets anders kan zijn dan een fabrieksarbeidster. Stemmen als die van het bureaucratische systeem van Sovjet Rusland, die haar zonder visum niet laten gaan: je bent deel van het systeem, niet meer. En stemmen als die van de demonische Raspoetin, die uit boosheid om zijn eigen lot, haar wil zien lijden. Dat is wat de demonische machten immers doen: ons voorliegen dat we minder zijn dan we zijn, dat we geen hoop mogen hebben ooit geliefd te zijn, dat we op onszelf zijn aangewezen, zonder gemeenschap te kunnen ervaren. Dit is onze mentale rampspoed.
Maar er is een andere macht in onze wereld, die ons niet in onze verloren toestand laat. De stem die op meerdere manieren tot ons spreekt: in schoonheid, in de stem van ons geweten, in het bestaan van liefde. In ons verlangen, onze ‘sehnsucht’, ‘Joy’, in de benaming van Lewis. Dit wordt gesymboliseerd in de hanger van Anya, met de woorden ‘Together in Paris’. Lewis wijst erop dat het aanwezig zijn van een sleutel aangeeft dat er een slot moet bestaan. Dat als we in ons een verlangen opmerken dat niet op Aarde vervuld kan worden, dit wijst op het bestaan van een hemelse vervulling. Door deze sleutel weet Anya dat het leven meer moet zijn dan ploeteren in fabrieken voor de staat. Dat het leven betekenis moet hebben. En daardoor gaat ze daarnaar op zoek. En in die zoektocht wordt ze geleid door een bovennatuurlijke macht. Anders dan die van Raspoetin, die via demonen rechtstreeks ingrijpt om haar tegen te houden. Als Anya roept om een teken, lijkt het alsof ze geen antwoord krijgt. Een zwerfhondje, Pooka, duikt op en probeert met haar te spelen. Ze wil hem eerst bij zich wegjagen, omdat ze ingespannen op een teken aan het wachten is. Maar dan dringt het tot haar door: het hondje is zelf het teken! Onbeduidend, onopvallend. Zo is ook de aanwezigheid van God in de wereld. ‘Left handed power’, noemt Robert Farrar Capon dat: geen rechtstreeks ingrijpen, maar vrij laten. De enige zekerheid die deze macht heeft, is dat de wil van de geliefde niet wordt beschadigd. Anya is steeds vrij om niet naar God te luisteren, om te luisteren naar haar dromen die haar afsnijdroutes beloven (die dodelijk zouden aflopen). Maar hoe vaak het ook slecht dreigt af te lopen, Pooka geeft niet op. Het hondje is werkelijk de held van de film, zie je als je oplet. Het hondje is het teken dat haar naar St. Petersburg leidt, het waarschuwt meerdere malen voor gevaar, het maakt Dimitri wakker, zodat die haar kan redden, en leidt haar in een doolhof tot de eindconfrontatie. Een hondje dat zo’n grote rol speelt? Dat in feite verantwoordelijk is voor de goede afloop? Ik zie dat als de onopvallende hand van God in onze geschiedenis. God die tot ons fluistert, die ons kansen geeft om te ontdekken wie we van eeuwigheid af zijn.
En uiteindelijk gaat Anya zich herinneren wie ze is. Hoe gebeurt dat? Door te gaan handelen als prinses, door de jurken te dragen, te leren dansen, te leren spreken als prinses. Dan komen de herinneringen boven. En zo kan ze uiteindelijk haar identiteit claimen, in contact met haar grootmoeder. Zodat het met ons volgens mij ook: zelfs al geloven we het zelf nog maar nauwelijks, denken we dat we geen liefde waard zijn, dat we zondig zijn, dat we maar ‘vleesmachines’ zijn - als we gaan leven alsof we Gods kinderen zijn, die hij onvoorwaardelijk liefheeft en hij in hun unieke identiteit en waardigheid wil brengen, zullen we het uiteindelijk ook gaan geloven. Als we de andere mensen om ons heen, en de schepping, gaan behandelen op een manier die past bij beelddragers van God, zullen ze ook werkelijk beelddragers van God voor ons gaan worden. Leven uit je nieuwe identiteit, noemen predikers dit. Maar dan moet je niet zien als bijbelteksten uit je hoofd leren en saai naar kerkdiensten gaan, maar juist liefhebben: God, je naaste en jezelf, genieten van de overvloed van goedheid en die beschermen, koesteren en tot groei brengen. Leven als geliefde, zelfs als je het nog niet helemaal gelooft. En hoe meer je dat doet, leeft in het koninkrijk van God, hoe werkelijker het voor je wordt. Dit is leven in geloof. En uiteindelijk zullen we, net al Anya, thuiskomen en onze verloren familie, onze vader, in de ogen kijken en eindelijk weten wie we zijn. We zullen allemaal onze nieuwe naam horen, een naam die niemand kent dan God en degene die de naam ontvangt, dat belooft Openbaringen. Het is een ‘happy end’ en deze film herinnerde me daar krachtig aan.

donderdag 11 september 2014

Gedicht: Dialoog

Dialoog

Ik vraag:
"Bent u met mij tevreden?
Doe ik
wat u van mij verlangt?"

U zegt
dat ik in mijn hart moet kijken.
Wat is 't
dat ik boven alles zoek?

"Schoonheid
te vinden en te scheppen.
Waarheid.
Er te zijn voor vrouw en vriend.

Niets meer
hoef ik als dit voor mij echt wordt;
mens zijn,
oprecht mezelf op elk moment."

"En hoe
wordt dit zichtbaar in je leven?
Draagt vrucht
wat in je ziel is uitgezaaid?"

Ik knik.
Elke dag zijn er weer kansen,
contact
met de ander buiten mij.

Stilte.
Dan moet ik naar adem happen
Ik zie
wat u met mij hebt bedoeld.

Maar toch
Kan ik het niet laten rusten:
"Doe ik
echt wel genoeg voor u?"

"Waaruit
is deze vraag ontsprongen?
Door welk
geloof is hij geïnspireerd?"

"Niet door
schoonheid, waarheid en liefde,
maar angst
dat God toch boos zou zijn."

Uw stem
blijft echter vriendelijk.
Ik weet
dat ik mezelf de last opleg.

Nog niet
kan ik de teugels laten vieren.
Maar ooit
vind ik de vrijheid die u schenkt.

zaterdag 30 augustus 2014

Gedicht: Stilte

Stilte

De zee is vlak, ik wacht
op de wind. Gespannen.
Mijn knie rust op de plank.
Hand omklemt touw, ziet wit.
Ik wil op weg, iets doen,
maar kan niets dan blijven
waar ik ben. Oplettend,
klaar voor wat komen gaat.
Maar gelijk geduldig,
oog voor de blauwe lucht,
een vis die voorbij schiet
onder mij. Koele spetters.
Genieten van de rust.
Gedwongen. Zoals straks
ik weer word meegevoerd
door het zeil. Getrokken
naar het onbekende
voorbij de horizon.

dinsdag 19 augustus 2014

Gedicht: Waar ik naar zoek

Waar ik naar zoek

Bomen plotseling geel
tegen een grauwe lucht
vanuit de ochtendtrein.
Mist boven de sloten.
Een doorkijk op een veld
vol witte pluimen gras.
Mos op een muur. Een vis
die zich onverwachts toont.

Ringen van blokken ijs.
Blind leven ondergronds.
Unieke eilanden.
Vroege dieren bewaard
in steen, vorm geraden.
Opties doorgetrokken
tot de verre toekomst:
het verhaal blijft open.

Ogen vol verwachting,
haar sluier verwijderd.
Geen tweede plan, gereed
iets nieuws te ontmoeten,
kwetsbaar maar toch niet zwak,
de glimlach ongeveinsd,
zet ze de eerste stap
op weg naar heerlijkheid.

Ik zoek dunne plaatsen,
waar achter het gordijn
zacht de belofte klinkt:
'Alles is mogelijk.'
Leven vult de ruimte
tot aan de nok, verandert
een leeg doek in schoonheid.
En ook ik word vernieuwd.

vrijdag 14 maart 2014

Gedicht: Sehnsucht

Sehnsucht

Wat bent u wreed!
Toont slechts een glimp
van wie u bent.
Ik draai mijn hoofd
opzij. En weg
is het visioen.
De leegte schreeuwt,
snel opgevuld
door schone schijn.
Ik roep, maar hoor
geen antwoord. Zucht
teleurgesteld.
Pijn knaagt. Vraagt
om verdoving.
Maar ik kan u
niet vergeten.
Ik ruik parfum
waar u eerst was,
precies genoeg.
Ik volg, negeer
verlokkingen,
rust niet voor ik
u vind. Want God
wat bent u mooi.

donderdag 16 januari 2014

Gedicht: Het ei

Het ei
De wereld lijkt niet groter
dan ik kan zien. Een schaal
niet door mij te doordringen
hoe ik ook tast. Boven en onder mij
voel ik de wand, hard als beton
 als ijs zo glad. Geen grip te krijgen.
Geen naad. Geen deur die open slaat.
Verslagen zink ik neer. Met ogen dicht
zie ik hetzelfde en mijn stem
keert onverrichterzake terug
als van galmend koper. Ik vlucht
in de sensaties, vermaak mezelf
tot ik ooit niet wakker word;
het einde van de wereld en van mij.

Dan schrik ik op, wakker geschud
door een geluid dat ik niet maakte,
nauwelijks gekras, aan de grens
van mijn gehoor. Het komt van buiten.
Waar ik eerst niets vermoedde, daar ontstaan
nu mogelijkheden, oneindig rijk.
Ik zie barsten, onverklaarbaar,
over het blauw en groen en grijs,
te dun om terug te vinden. Het licht
erachter is voor mijn ogen vreemd,
komt niet van zon of maan,
is niet te delen, behalve met wie
het ooit zelf zag. Ik wacht nu
tot mijn wereld openbreekt.

zondag 12 januari 2014

Het sacrament en jij (4): Verrast door schoonheid

In december nodigden vrienden van ons mijn vrouw en mij uit om samen met hen en hun kinderen een Lord of the Rings-marathon te houden. Drie films, in de ‘extended edition’, in twee dagen: beginnen op de vrijdagavond, en dan doorkijken tot zaterdag. En tussendoor veel eten, slapen en praten. Die verleiding konden wij natuurlijk niet weerstaan, en zo zaten we onderuit op de bank, met een schaal M&M’s, te kijken naar deze epische films, die tien jaar na dato nog niks van hun zeggingskracht hebben verloren. Ik werd er zelf in elk geval opnieuw door geraakt. Neem bijvoorbeeld de scene waarin Sam en Frodo na veel omzwervingen de Doemberg bereikt hebben. Frodo is echter te moe om verder te gaan. Om hem te motiveren haalt Sam herinneringen op aan de Gouw, aan de smaak van aardbeien en aan muziek. Maar zijn voorbeelden spreken Frodo niet langer aan. Ze wekken zijn verlangen niet meer op. “No, Sam. I can't recall the taste of food...”, moet hij toegeven. “Nor the sound of water... nor the touch of grass. I'm naked in the dark, with nothing, no veil... between me and the wheel of fire! I can see him... with my waking eyes!”
Als kijker snappen we dat dit het effect moet zijn van de ring van macht, die Frodo al drie films lang met zich meezeult. De ring van macht, die de drager ervan ook naar macht doet verlangen, op een verslavende manier. Dit heeft een vervormend effect op de persoonlijkheid, zien we bij het karakter Gollum. Maar het heeft kennelijk ook een vervormend effect op hoe iemand de wereld ziet. Frodo kan, nemen we aan, met zijn ogen nog wel de werkelijkheid waarnemen: hij is niet opeens kleurenblind geworden, en is niet opeens zijn reukvermogen kwijtgeraakt. Wat veranderd is, is de betekenis die deze werkelijkheid voor hem heeft. Hij ziet alles alleen nog maar in de termen van de ring, in de termen van macht: geeft het hem meer macht, of bedreigt het zijn macht? In die termen is hij zelfs zijn vriend Sam gaan zien! Het is een betekenis die hij zelf aan de dingen geeft, niet iets wat ze uit zichzelf hebben. En daardoor wordt de wereld grauw, kleurloos, levenloos. Want verlangen naar het goede, naar schoonheid, naar liefde, staat het machtsverlangen alleen maar in de weg. Frodo kan nergens meer van genieten. Want dan zou hij zich niet meer van zichzelf bewust zijn, en dat staat de ring niet toe. Hij is zich dus alleen nog maar bewust van de macht, van de ring.
Hoe anders is dan een karakter als Sam, die juist wel verlangt naar aardbeien met room, naar het groene gras en de lachende kinderen, naar ‘Rosie Cotton dancing, with ribbons in her hair’. De schoonheid, de waarheid en de intimiteit die hij waarneemt, roepen uit zichzelf een reactie op in zijn hart. Hij ziet nog wel datgene wat inherent goed en betekenisvol is aan de wereld om hem heen, onafhankelijk van hemzelf. Hij ziet nog wel dat de wereld het waard is ervoor te strijden, jezelf ervoor op te offeren. En hoewel hij de ring zelf niet kan dragen, kan hij wel Frodo op zijn schouders nemen en tegen de Doemberg opklimmen. Niet voor niets is Sam voor veel mensen het favoriete karakter uit de films (en de boeken). Waar Frodo een schaduw van zichzelf is geworden (hij is op weg een ringgeest te zijn), laat Sam juist zien dat hij werkelijk zichzelf is, een gepassioneerd, liefhebbend peroon ...

Een van de belangrijkste vragen in de filosofie is naar ik heb begrepen, die waarom er iets is en niet niets. Waarom bestaat er eigenlijk iets, als er net zo goed niets had kunnen bestaan? In populairwetenschappelijke artikelen lees ik wel over ‘quantumfluctuaties’, waarbij schijnbaar in een volkomen vacuum spontaan deeltjes ontstaan. Maar zelfs als dit bewezen kan worden, verklaart het nog steeds niet het waarom. Ook voor christenen is het een relevante vraag. Vooral omdat God door niets en niemand gedwongen was om ook maar iets te maken. Er was geen wet die het hem zei, geen verplichting. Maar als je luistert naar hoe sommige christenen over de schepping praten, is het moeilijk voor te stellen waarom God energie in het scheppingsproces zou hebben gestoken. De wereld heeft voor Hem toch immers geen enkele waarde? Schoonheid leidt de zintuigen toch alleen maar af van het geestelijke? De wereld zal toch in vlammen vergaan, en er zal toch niets van overblijven? Je begrijpt opeens waarom de gnostici geloofden in een demiurg, want God kon zijn handen toch niet vies maken met zoiets vuigs als materie, als bestaan? Toch zijn we er, en is de wereld er, in al zijn complexiteit. Van het prachtige mechanisme in de binnenkant van de cel (waar wetenschappers als Cees Dekker lyrisch over schrijven), tot galactische fenomenen, quasars, neutronensterren en planeten om andere sterren, zo ver dat we er nooit met een ruimteschip tot door zullen kunnen dringen. We leven in een wereld die bestaat in overvloed. En God zei erover: ‘Het is goed!’, hij zag zelfs dat het zeer goed was. Zo goed dat hij zelf in de avondkoelte in de tuin wandelde om ervan te genieten. God is zelf inderdaad geen materieel wezen in de zin zoals wij het woord gebruiken (al kan hij kennelijk wel een interactie aangaan met de materie. Hij is denk ik niet immaterieel, maar bovenmaterieel). Maar dat betekent niet dat hij de materie die hij geschapen heeft minacht. Ik sta zelf ook als levend wezen in de scheppingsorde op een positie boven dood papier. Toch behandel ik de verhalen die ik op papier heb geschreven zorgvuldig, en heb ik groot verdriet als ik een pagina kwijtraak, of een manuscript bezoedeld raakt. Het feit dat ik deze schriften heb volgeschreven, maakt ze voor mij waardevol. Zelfs als ik nu kan zien dat er schrijffouten en onvolkomenheden in staan. Net zo is de goedheid van de geschapen werkelijkheid zelf nooit veranderd, ook niet door wat wij zo makkelijk de ‘zondeval’ noemen. Toen veranderde misschien de gerichtheid van sommige processen, maar materie bleef materie, leven bleef leven, mens bleef mens, en onverminderd Gods creatie waarover hij had gezegd dat hij goed was. Daarom vindt Jacobus het ook zo erg als wij met de tong andere mensen vervloeken - ook de ‘slechte’ mensen - omdat ze naar het beeld van God geschapen zijn (Jakobus 3:9).

Materie is dus belangrijk, ook voor God. Volgens mij omdat alleen door middel van materie en energie (de geschapen werkelijkheid) schoonheid, waarheid (avontuur) en intimiteit gekend kunnen worden. Ik las hierover een mooi citaat van de elfde-eeuwse benedictijnse monnik Guido van Arezzo waarin hij de aangename werking prijst van versierde gregoriaanse muziek: ‘Het wekt geen verbazing dat een rijkdom aan tonen het gehoor vergenoegd, zoals een rijkdom aan kleuren het oog streelt, een rijkdom aan geuren een weldaad is voor de neus en een afwisseling in smaak de tong blij maakt. Zo dringt namelijk door de vensters van het lichaam de liefelijkheid van aangename dingen diep in het hart door.’
De liefelijkheid van aangename dingen is waar het om gaat. Schoonheid is een eigenschap van materie. Er is materie voor nodig die mooi is, en materie (ogen) die haar kunnen waarnemen. Schoonheid is niet iets abstracts. Een abstract begrip kan wel mooi zijn, maar zelfs dan moet het worden uitgelegd, het moet in woorden gevangen zijn, zichtbaar worden. Maar vooral moet schoonheid zich buiten ons bevinden, geen hersenschim zijn of slechts verbeelding. Net zo geldt het voor de waarheid. Die moet concreet zijn. Om ons verlangen naar betekenis te vervullen, naar avontuur, moet de waarheid zich buiten ons bevinden en onwankelbaar zijn. We moeten ons ermee kunnen meten, de waarheid moet effect op ons kunnen hebben. En ook intimiteit kan alleen bestaan tussen van elkaar gescheiden wezens, die elk zichzelf zijn. Je kunt alleen een relatie hebben met iets dan niet jouzelf is. De ander moet op zichzelf staan. Vorm hebben gekregen, zodat je de ander kunt kennen. De ander moet te onderscheiden zijn van alle anderen, uniek zijn. En je communicatie met de ander moet uniek zijn. Dat kan alleen in de vorm van materie. De katholieke filosoof Peter Kreeft zegt het zo: “Spirits are the meeters, but matter is the street corner where they meet. Angels are much better than we at intelligence, will and power, but they cannot smell flowers or weep over a chopin nocturne ... God invented the senses to reveal the unique and irreplaceable tang of the particular to consciousness.” God vindt eigenheid belangrijk, uniciteit, voorwerpen en wezens die eigen zijn, die zichzelf zijn. Daarom is er geen cel hetzelfde, daarom is er geen sterrenstelsel identiek, en daarom zijn er geen ‘dubbelgangers‘ aan te wijzen onder de mensen. God is als een kunstenaar die oneindig veel verschillende werken maakt, en die verscheidenheid is alleen mogelijk in het concrete en niet in het abstracte.  

Er is nog een andere overeenkomst tussen God en kunstenaars. In de verhalen die ik heb geschreven, is iets van mijzelf zichtbaar geworden. Ik heb mijn hart erin gelegd en wie de manuscripten uit de kast pakt en ze leest, leert mij beter kennen. Je zou kunnen zeggen dat mijn creativiteit en iets van mijn karakter en overtuigingen in die verhalen voor anderen openbaar zijn geworden. Wie mijn verhalen heeft gelezen, heeft mij gezien. En in zekere zin ben ik ook zelf aanwezig in mijn verhalen, door mijn verhalen spreek ik zelf tot mensen. Ze zijn dus een sacrament geworden. Net zo, en nog veel meer, maakt Gods schepping hem zichtbaar. Als kunstenaar spreekt hij door zijn schepping. En omdat hij zijn schepping onderhoudt ‘door het woord van zijn kracht’, blijft hij voortdurend spreken. Omdat hij de aarde om de zon doet draaien en de druppel uit de wolk doet vallen, wordt hij voortdurend zichtbaar. Wie naar de materiële werkelijkheid kijkt, ziet hem, actief. Het onzichtbare wordt zichtbaar. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er sprake is van incarnatie - overal om ons heen is God de drijvende kracht achter het bestaan. Vleeswording is niet een geïsoleerde gebeurtenis die plaats vond toen Jezus de werkelijkheid binnenkwam - Jezus’ vleeswording was zelf een sacrament van wat God altijd al deed, en altijd zal blijven doen: zijn geest inademen in zijn schepping en haar leven, adem en alles geven.
Het zal direct duidelijk zijn dat dit geen wetenschappelijke uitspraken zijn, en dat het bestaan van virussen, parasieten en supernova’s geen openbaringen zijn over Gods karakter. Het vleeswordingsproces is nog niet afgelopen. Er zijn ontwikkelingen aan de gang. De complexiteit neemt toe. Organismen ontwikkelen intelligentie. Er ontstaan samenlevingen. Er ontstaan wezens die elkaar kunnen liefhebben. Wezens die moraliteit ontdekken en anderen en de schepping met respect behandelen. Er is een lijn, die uiteindelijk zal leiden tot de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. In die werkelijkheid zal de bedekking zijn weggenomen. Wij die nu nog door een spiegel zagen, in raadselen, zullen dan kennen zoals we zelf gekend zijn. God zal volledig zichtbaar zijn, en sacramenten als de tempel en het offer zullen niet meer nodig zijn. Maar tot die tijd wordt God zichtbaar in dat proces van groeiende liefde. Zelfs aan het toenemen van liefde zou je kunnen twijfelen, maar zie dan dat God zichtbaar wordt in het feit van het bestaan alleen al. In het simpele feit dat er iets is, in plaats van niets. En dat dit iets waardevol is, puur en alleen omdat het bestaat. God heeft het ten aanschijn geroepen. God heeft gezegd dat het er moest zijn en het was er. God heeft het betekenis gegeven. God heeft het lief. Want dat is liefhebben: betekenis aan iets of iemand verlenen. Alleen al in het feit dat wij bestaan en dat het heelal bestaat zien we dat God liefde is. Dat hij vreugde is. Dat hij geniet van het creeren. Daarom schrijft Peter Kreeft: ‘Joy bubbles and brims at the heart of God, the heart of reality. God is an overflowing fountain of joy, a million burning suns of joy, a joy that could uttlerly break our hearts if we touched even a drop of it at its source ... He IS the joy that DOES break our hearts with hope and longing whenever we catch a taste of it in human love or see the shadows of it in thee beauties of nature or hear the remote echoes of it in great music’ (Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask).
Wat we ontmoeten in de schoonheid, in de waarheid en in de intimiteit van de geschapen werkelijkheid, is God zelf. Je ziet God als je op het balkon van je flat staat en je ziet de zon opkomen. Als je langs de sloot loopt en je ziet een kikker wegspringen. Als je in de ogen van je geliefde kijkt. Maar ook als je een witte plastic tas ziet dansen op de wind (als in de film American Beauty, zie mijn recensie). Als je op een bergtop staat en zeker weet dat er een God moet zijn. En dat hij goed moet zijn, want waarom zou je anders zulke schoonheid, zulk avontuur, zulke liefde maken dan uit overvloedige liefde? Ja, de wereld is besmeurd door onze transactionele keuzes. We buiten de wereld uit, kappen bossen, vervuilen zeeën. En volgens de bijbel zijn er ook onpersoonlijke transactionele machten, die leiden tot ziekte, hongersnoden, parasieten. Maar ze veranderen niets aan de goedheid van de materie. We ervaren ze niet voor niets als verstorend, als binnendringers, als verbasteringen. Tolkien zei al dat het kwaad niets zelf kan scheppen, maar het alleen maar kan vervormen. Wat we daarom in de vervorming van het kwaad kunnen zien, is hoe mooi de werkelijkheid bedoeld was. Ik moet als ik hierover schrijf denken aan het gedicht ‘God’s grandeur’, van Gerard Manley Hopkins:

‘The world is charged with the grandeur of God.
  It will flame out, like shining from shook foil;
  It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?
Generations have trod, have trod, have trod;       
  And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
  And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.

And for all this, nature is never spent;
  There lives the dearest freshness deep down things
And though the last lights off the black West went
Oh, morning, at the brown brink eastward, springs—
Because the Holy Ghost over the bent
  World broods with warm breast and with ah! bright wings.’

Ik zie hierin (het broeden van de heilige Geest over de wereld) een beschrijving van de sacramentele werkelijkheid die in de materie zichtbaar wordt, zelfs te midden van transactionele mensen die die glorie niet zien of zelfs door te kopen en verkopen besmeuren. Deze glorieuze wereld is onze woning. We zijn gemaakt om te leven te midden van alle schoonheid, alle waarheid, alle intimiteit, die zich via de materie aan ons openbaart en ons Gods hart doet zien. En daardoor worden we gevormd. We bestaan immers niet op onszelf. We bestaan bij gratie van onze omgeving. We worden gedefinieerd door de interacties die we hebben met schoonheid, waarheid en identiteit. Mens zijn is deel zijn van een ecologie, van een samenleving, van relaties.
Wie deze niet waardeert, of ze bezoedelt of verkoopt is een slecht mens. Wie ze beschermt, najaagt, deelt met anderen is een goed mens. Maar deze interacties vormen ons ook. Nog sterker gezegd: ze scheppen ons. We hebben van onszelf niet door hoe weinig invloed we zelf hebben op wie we zijn geworden. Ons gezin heeft grote invloed gehad, de school waarop we les kregen, de stad waarin we woonden, de cultuur waarin we leefden. Zelfs het feit dat we tussen mensen leefden was nodig om ons mensen te maken. Ik hoorde via een vriend over de zogenoemde wolfskinderen. Kinderen die als baby of peuter in de natuur zijn achtergelaten, en zijn geadopteerd door bijvoorbeeld wolven, denk aan Mowgli. Zij zijn in hun gedrag en communicatie ‘wolf’ geworden. Als ze door mensen worden opgenomen lukt het ze misschien een paar woorden te leren, maar hele zinnen kunnen ze niet meer maken, en ze blijven vaak onzindelijk. Dit geldt ook voor verwaarloosde kinderen, die in een kelder zijn opgegroeid zonder dat iemand tegen ze sprak. Ze kunnen niet spreken, ze kunnen geen deel meer worden van de menselijke wereld. Ze zien eruit als mensen, maar ze zijn geen mensen geworden. Om de potentie die in ons ligt te verwezenlijken, moeten we dus in relatie staan met de wereld om ons heen, met andere mensen, andere zielen. Ons zelf wordt door die dingen in ons opgewekt. Want wij zijn ons verlangen, ons verlangen is wat ons voortdrijft, en dat moet ergens vandaan komen. Peter Kreeft zegt het zo: ‘Only in relationship to others do we BECOME human selves, that is: lovers.’ (Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask). We zijn naar het beeld van God geschapen. God is liefde. Wij zijn dus ook geschapen om lief te hebben. Dat is wie we zijn. En daarom wordt dat zelf opgewekt door datgene wat het waard is liefgehad te worden, door het mooie, het ware, het liefdevolle. Door dat waarin God zichtbaar wordt.

In de Lord of the Rings-filmmarathon kwam een scene voorbij die me hieraan deed denken, namelijk in de eerste film, als het reisgezelschap het elfenland Lothlorien verlaat om verder te reizen naar de Doemberg. Iedereen krijgt dan van mooie elfenkoningin Galadriel een geschenk. De een krijgt een boog, de ander een mes, de ander elfentouw. Dan komt Galadriel aan bij de dwerg Gimli. Tussen dwergen en elfen heeft altijd wantrouwen bestaan, en Gimli voelde zich beledigd toen hij door de dwergen gevangen werd genomen. Maar toen zag hij Galadriel. Hij is een andere dwerg geworden. Daarom vraagt hij van haar om een van de haren van haar gouden hoofd. Zodat hij altijd iets zou hebben dat hem herinnert aan de schoonheid van de elfenkoningin. “Ik noem niets anders meer mooi”, zegt hij. En hij verzucht: “Ze gaf me er zelfs drie.” Gimli is een elfenvriend geworden en trekt uiteindelijk zelfs met Legolas over de zee naar het westen.
Tolkien was katholiek, en in Galadriel heeft hij iets van het Katholieke denken over Maria opgenomen. En ik realiseerde me dat hier een kern van waarheid in zit. Namelijk dat wat Katholieken in mijn beleving eigenlijk zeggen met hun leer over Maria, is dat wij daadwerkelijk mogen verlangen naar het goede en schone uit de schepping (Maria is immers geschapen. Galadriel ook). Dat de schoonheid die wij zien in een vrouw of man, in een schilderij, in de natuur, en die ons hart beroert, ons niet van God afleidt, maar ons juist naar hem toevoert. Dat de liefde die ze in ons oproept, ten diepste liefde is voor God. Want hij is het die in die dingen zichtbaar wordt.

zaterdag 28 december 2013

Filmbespreking: Frozen

De Disney-film Frozen is een van de grote kaskrakers in de bioscoop van dit najaar. Het feit dat een film met twee vrouwelijke hoofdpersonen zoveel geld oplevert, helpt filmcritici in hun betoog dat films met vrouwen als karakters net zo succesvol kunnen zijn als films met mannen in de hoofdrol (de meeste Hollywoodfilms kiezen een mannelijk perspectief). Naast deze film is het The Hunger Games - Catching Fire die laat zien dat het publiek ook wil gaan voor verhalen over vrouwen, mits ze sterk verteld worden. Een hoopgevend perspectief, omdat het heersende idee tot nu toe was dat vrouwen wel bereid zijn om zich te identificeren met mannen in films, maar dat mannen (en vooral jongens) niet bereid zijn zich te identificeren met vrouwen en meisjes. Die zouden kennelijk voor veel mannen ‘icky’ zijn. Dit ontmaskert mijns inziens een tragisch vooroordeel, namelijk dat vrouwen kennelijk niet net zo zeer ‘persoon’ zouden zijn als mannen. Dat vrouwen meer belangrijk zijn om hun rol in het verhaal van een man, dan dat hun verhaal op zichzelf belangrijk zou zijn. Dat het in het leven van een vrouw draait om romantiek -alsof een vrouw niet zichzelf zou kunnen zijn zonder een partner- en niet om creativiteit en avontuur.
Dit getuigt mijns inziens van respectloosheid: een seculiere variant van het disrespect voor vrouwen in conservatieve religieuze omgevingen, en net zo schadelijk. Het komt volgens mij in beide gevallen voor uit een verwrongen beeld over de relatie tussen het ‘geestelijke’ of het ontastbare en het ‘lichamelijke’, waarbij in het ene geval het lichaam wordt ondergewaardeerd, en in het andere geval het geestelijke/ontastbare. Dit heeft volgens mij in beide gevallen een relatie met een transactioneel wereldbeeld. In plaats van te geloven dat de liefde (iets ontastbaars) zichtbaar wordt in onze levens in deze wereld (tastbaar, materieel), wordt in het ene geval het lichaam, de materie gezien als iets oncontroleerbaars, dat de beloning van Gods acceptatie bedreigt, of het lichaam en zijn voortbestaan wordt gezien als het doel op zich boven liefde voor anderen (hoe kan opofferende liefde ooit jou zelf ten goede komen?).
Gelukkig is in deze film het romantische plot niet het centrale verhaal voor de twee vrouwelijke hoofdpersonen. Een van de vrouwelijke karakters heeft helemaal geen potentiële partner in het leven. De ander heeft er twee, maar het gaat in het verhaal niet om de vraag voor wie ze kiest, maar om wat ze voor heel iemand anders over heeft. Vrouwen kunnen namelijk ook een verhaal dragen zonder dat daarin de romance centraal staat! Ik denk trouwens dat dit is waarom jongens zich vaak niet zouden identifieren met vrouwen in films en verhalen, omdat voor jongens romantiek niet zo centraal staat. Met vrouwen met andere dilemma’s dan ‘met wie wil ik een relatie’, kunnen ze zich heus wel identificeren. Zie ook weer ‘Catching Fire’, waarin ook de liefdesdriehoek een ondergeschikte rol speelt, vergeleken bij de strijd van Catniss Everdeen tegen de onderdrukking van het Capitool.

Deze Disneyfilm is niet alleen financieel een succes, ik heb ook erg lovende recensies gelezen. Meerdere recensenten noemen dit de beste Disneyfilm sinds Beauty and the Beast, de eerste (en tot nu toe enige) animatiefilm die voor ‘beste film’ was genomineerd bij de oscars. De suggestie wordt gewekt dat de animatiedivisie van Disney een nieuwe renaissance doormaakt. Daar ben ik ook heel blij mee, vooral omdat wat deze film over liefde en relaties zegt, wel veel verschilt van de boodschap van de animatiefilms van vroeger. In de meeste Disneyfilms van vroeger stond romantiek namelijk centraal. Maar dan niet de romantiek van twee mensen die diepe gesprekken voeren en ontdekken dat ze interesses en normen en waarden delen, en ervoor kiezen samen op te trekken, maar de romantiek van de liefde op het eerste gezicht, een mysterieuze vonk die overspringt, eigenlijk alleen gebaseerd op seksuele aantrekkingskracht (soms geholpen door tovenarij). En voor deze door feromonen tot stand gebrachte verbinding moet in deze films al het andere wijken. Familierelaties hebben opeens geen waarde meer, gebruiken van de maatschappij tellen niet meer, eigen interesses en overtuigingen moeten wijken. Om de relatie tot stand te brengen houden sommige karakters zelfs op zichzelf te zijn. Daarbij komt nog de suggestie dat romantische liefde andere mensen kan veranderen. Dat een vrouw door zichzelf op te offeren een man van een beest in een beeldschone prins kan veranderen. Het idee dat je als vrouw door je liefde een alcoholist van zijn verslaving kunt afhelpen, of een wildebras tot rust kunt brengen. Het idee dat een agressieve, mishandelende man wel bijtrekt als er maar iemand van hem houdt. Ook een transactioneel idee, trouwens. En een idee (van liefde iets transactioneels maken) dat volgens mij heel schadelijk is.
Deze film steekt gelukkig de draak met beide uitgangspunten. Een van de karakters wordt verliefd op iemand die ze net ontmoet heeft, en kiest er diezelfde dag voor met hem te trouwen. Een ander reageert geschokt: ‘je kunt niet met iemand trouwen die je net een dag kent!’. Het wordt een paar keer herhaald, en deze persoon geeft aan dat hij het ‘beoordelingsvermogen’ van het karakter betwijfelt (Waarin hij gelijk blijkt te krijgen in de volgende scene). Dit wijzere personage heeft zijn kennis over liefde opgedaan van zijn vrienden, de liefdesexperts. Deze ‘liefdesexperts’ zijn een tijd lang heel mysterieus in de film, maar ze komen uiteindelijk nog een keer voor. En ook dan geven ze goed advies, namelijk dat je in een relatie niet moet proberen iemand te veranderen, omdat mensen over het algemeen nu eenmaal niet veranderen. En dat je dus niet het ideaal van de prins op het witte paard met een sixpack op z’n buik, zowel sterk als gevoelig, moet hebben, en vooral niet verwachten dat je een man die zoals hij is tekort schiet, met wat moeite wel aan dat ideaal kunt laten voldoen. Hun advies is dat je kritisch moet zijn op iemands karakter (is iemand goed? Heeft iemand een goed karakter?), en de kleine ergernissen met liefde over het hoofd moet zien. In plaats van potentiële partners te zien als ‘fixer upper’, die je met een beetje werk wel kunt veranderen, moet je zoeken naar iemand die bij je past, ‘flaws and all’.
Ik hoop in elk geval dat de volgende Disneyfilms het voorbeeld van deze volgen en films maken waarin meisjes niet alleen een rol hebben als op liefde beluste prinsesjes, maar waarin ze volledige levens leiden. Misschien als wetenschapper? Er zijn genoeg vrouwelijke wetenschappers die een verhaal verdienen (Marie Curie?). Er mag heus wel romantiek in zo’n film voorkomen, maar het is niet waar het leven om draait. Het is iets dat voortkomt uit een vol hart, niet iets dat de leegte in het hart kan vullen. Liefde is sacramenteel en niet transactioneel. En daar gaat het in deze film heel expliciet over: liefde die zich niet opoffert uit afhankelijkheid of co-dependency, liefde die zich niet opoffert omdat iemand ‘niet zonder de ander zou kunnen’. Maar liefde die zegt dat sommige mensen het waard zijn om voor te smelten. Liefde die voortkomt uit een volheid van binnen, een gevende volheid, die wil uitdelen aan anderen. Die zich wil opofferen, als positieve keuze en niet uit leegte. Maar die ook creativiteit voortbrengt en kunst. Allebei komen uit de volheid van het hart voort, worden vrij gegeven, en veranderen de wereld. En drijven daardoor de angst, die voortkomt uit leegte, voor altijd uit.

De film is (heel losjes) gebaseerd op Andersens’ sprookje van de ‘Sneeuwkoningin’. Maar wel heel losjes. In deze versie van het verhaal leven er in het vaag Noors aandoende landje Arendel, dat zich bevindt in een prachtig fjord, twee zusjes, dochters van de koning en koningin. Door een incident in het verleden zijn ze van elkaar vervreemd geraakt. De uitbundige, enthousiaste Anna probeert steeds contact met haar zus te leggen, maar Elsa sluit zich op haar kamer op, bang om iemand kwaad te doen met haar bijzondere gave. Ze kan namelijk ijs en sneeuw uit haar handen voortbrengen. En niemand mag dat weten. Helaas komen hun ouders om het leven.
Elsa, de oudste van de twee, wordt vervolgens gekroond tot koningin. Er gebeurt echter iets waardoor ze de controle over haar gave verliest en de hele fjord bevriest. Geschrokken door haar daad, en uitgejouwd door haar onderdanen, vlucht ze de bergen in. Daar, ver weg van andere mensen, kan ze eindelijk zichzelf zijn. Ze wordt echter gevonden door Anna, die haar achterna is gereisd. Anna gelooft namelijk dat Elsa de betovering van Arendel wel ongedaan zou kunnen maken. Maar het zal wel wat moeite kosten om haar zus daarvan te overtuigen. Ze brengt namelijk zelfs een groot sneeuwmonster tot leven om opdringerige bezoekers buiten de deur te houden. Ondertussen probeert prins Hans in Arendel de situatie onder controle te houden ...

Ik vond Frozen een prachtige film. Er is natuurlijk veel mogelijk met animatie tegenwoordig, maar de makers hebben zich hier wat mij betreft overtroffen. Ik vond vooral de lichtval mooi en sfeervol, waarbij soms stralen licht door de wolken braken met adembenemend effect. Daarnaast is de muziek, zoals je van Disney mag verwachten, erg mooi. Het begint met een lied dat me een beetje aan het begin van ‘The Prince of Egypt’ deed denken. Een sneeuwpop mijmert later over de zomer, met humoristische consequenties, en een van de karakters zingt het prachtige ‘Let it Go’, dat me in combinatie met de beelden wel de koude rillingen bezorgde. De humor in de film was goed gedoseerd. Natuurlijk waren er de vereiste komische bijfiguren. Maar waar ik bij het zien van de trailers mijn twijfels had bij de geloofwaardigheid van een levende sneeuwpop, smolten die bij het zien van de film weg als sneeuw voor de zon. De sneeuwpop heeft een reden tot bestaan, illustreert een belangrijk punt (namelijk het belang van onvoorwaardelijke liefde. En omdat het van een sneeuwpop komt, geldt het voor zowel mannen als vrouwen, en niet alleen voor vrouwen zoals soms in andere Disneyfilms). Ik had hem uiteindelijk in mijn hart gesloten. Het enige minpuntje is een plottwist aan het eind, waardoor een verhaal dat lang geen werkelijke schurk of tegenstander kende, opeens traditioneler ging verlopen. Het is niet helemaal geloofwaardig, maar maakt wel het mooie einde van de film mogelijk, dat het verschil tussen transactionele en sacramentele relaties illustreert, dus accepteer ik het maar.

Hoewel Anna het grootste deel van de tijd in deze film wordt gevolgd, is Frozen eigenlijk het verhaal van Elsa. En hoewel het hart van iemand anders door tovenarij bevroren raakt, gaat het in deze film om haar hart dat moet ontdooien. Want haar hart is al van jongs af aan bevroren geweest. Niet door een toverspreuk, maar door een nog veel schadelijkere vervloeking. Als jong meisje bracht ze namelijk per ongeluk iemand schade toe met haar gave. Daar was ze zelf nog meer van geschrokken dan haar ouders. De schade kon gelukkig ongedaan worden gemaakt, maar ze kreeg op het hart gedrukt dat het niet meer mocht voorkomen. Maar in plaats van haar te leren met haar gave om te gaan, krijgt ze te horen dat ze deze krachten moet verbergen. Niemand mag weten waartoe ze in staat is. Dus gaat ze handschoenen dragen, sluit ze zich op op haar kamer, en probeert ze opwinding te voorkomen, bang dat haar gave zich opnieuw aan haar controle onttrekt. Maar het probleem wordt alleen maar groter. Elsa wijst zichzelf af, ze heeft een afkeer van wat haar lichaam doet, en ziet zichzelf als een monster. En dit blijkt natuurlijk een ‘self fulfilling prophecy’.
Haar zelf-haat is voor mij pijnlijk invoelbaar. Ook ik heb mijn verlangens lange tijd onderdrukt, omdat ik in de kerk en in het gezin waarin ik opgroeide leerde dat ik ze moest wantrouwen, dat ze me van God afleidden (op hun best) en zonde waren (op hun slechtst). Ik vond zelfs dat ik niet mocht schrijven. Juist omdat ik zo graag verhalen verzon, dacht ik dat het dus niet goed kon zijn. Maar in het afwijzen van die verlangens, begon ik mezelf af te wijzen. Want mijn verlangens, dat ben ik. Er is geen onderscheid. Jezus zegt het zelf: “Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. Dat zijn de dingen die een mens onrein maken” (Matteus 15:18v). Als ik moet haten wat uit mezelf voortkomt, moet ik dus mezelf haten. En zelfhaat leidt tot overspannenheid, depressie, zelfmoordgedachten. Ik dacht immers dat ik een monster was, iemand op wie God boos moest zijn (verhinderd door een juridische trucje door Jezus), iemand van wie ik in elk geval niet mocht houden.

Als Elsa ontdekt dat ze haar gave niet verborgen kan houden, vlucht ze, naar een plek waar ze haar kracht ongelimiteerd kan uiten. Al haar verlangens komen naar buiten. Haar creatieve verlangen, maar ook haar seksuele verlangen (ze schudt haar haren los uit de knot en maakt een glimmende, strakke jurk voor zichzelf). Creativiteit en seks zijn beide aspecten van zelfexpressie. En dat is wat ze doet: ze uit zichzelf. Dat leidt tot mooie dingen, zoals haar paleis, maar ook minder mooie dingen, zoals het sneeuwmonster dat haar zus Anna bedreigt. Haar zelfexpressie komt namelijk voort uit rebellie. Het is een reactie op de afwijzing van de omgeving, waar ze zich met geweld tegen afzet. En als haar zus haar confronteert, geeft ze toe dat ze nog steeds diep van binnen gelooft dat haar gave iets schadelijks is, en dat ze dus alleen en afgezonderd moet blijven. Haar trektocht de bergen in voelt aanvankelijk als bevrijdend, maar is dat uiteindelijk niet. Haar gevangenis is wel mooier, omdat ze die zelf gemaakt heeft, maar het blijft een gevangenis.  Haar fundamentele probleem van zelf-haat is er nog steeds, en dat is wat haar gevangen houdt.

In het slot van de film offert iemand zich uit eigen keuze voor haar op, hoewel ze dat niet verdiend had. Ze vond ook niet dat ze dat verdiende: ze geloofde immers van zichzelf dat ze slecht was. Maar dat hield de ander niet tegen. De ander koos er namelijk zelf voor van Elsa te houden. “Niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven, immers, voor de goede heeft misschien iemand nog wel de moed te sterven. Maar God bevestigt zijn liefde ten aanzien van ons hierin, dat Jezus Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren.” (Romeinen 5:8). Als iemand haar de moeite waard vind om zich voor op te offeren, kan Elsa zichzelf misschien ook de moeite waard vinden. Dan hoeft ze zichzelf, en haar verlangens misschien niet afgewezen. En als vervolg daarop doet ze een belangrijke ontdekking: namelijk dat als ze wordt gemotiveerd door liefde, in plaats van angst, haar gave helemaal niet gevaarlijk is. Het offer heeft liefde in haar opgewekt, en die liefde komt nu via haar lichaam tot uiting in wat ze doet. In haar verlangens, en in haar gave. Ze maakt nog steeds sneeuw en ijs, maar ziet het niet meer als iets slechts, maar iets waarmee ze anderen kan liefhebben. En dat verandert de wereld. Als uit het zondige hart slechte dingen voortkomen, komen uit het genezen hart goede dingen voort. De vrucht van de Geest. De vrucht van de wijnrank.
Het offer van de ander maakt Elsa echter niet minder zichzelf. Ze kruipt niet weer terug in haar gevangenis. Haar verlangens blijven de hare. Haar haar blijft los, ze houdt haar mooie jurk. Sterker nog, voor het eerst durft ze zichzelf te laten zien, zonder bang te zijn voor afwijzing, omdat ze zichzelf niet meer afwijst. Want de ander wees haar niet af, verbond geen voorwaarden aan het offer, geen kleine lettertjes. De ander liet haar vrij om zichzelf te zijn. En dat is ze. Ik zie in deze film een krachtig voorbeeld van een sacramenteel proces: als wij ervaren dat God ons liefheeft, wekt dat bij onszelf liefde op, liefde die van binnenuit zichtbaar wordt in onze zelfexpressie, via ons lichaam. Een andere manier om vrij te worden is er niet.
Ik ben zelf nog aan het leren wat dit voor mij betekent. Wat het betekent dat ik mezelf niet hoef af te wijzen, en hoe de liefde van God me vrij maakt om zelf lief te hebben, en mezelf tot expressie te brengen op alle manieren die het lichaam daarvoor kent. In mijn volgende blogberichten hoop ik daar meer over te schrijven.

vrijdag 6 december 2013

Over de drempel (7 en slot): De openbaring van het koninkrijk

Over het eind van de geschiedenis wordt in de bijbel gezegd dat ‘God zal zijn alles en in allen’ (1 Korintiers 15:28). Ik begreep deze uitspraak vroeger niet. Of in elk geval kon ik niet begrijpen hoe het met deze woorden geschetste toekomstbeeld iets aanlokkelijks kon zijn. Het leek namelijk een wel heel statische toekomst. Alsof de geschiedenis op dat moment tot stilstand zou zijn gekomen. Alsof vanaf dat moment niemand meer een initiatief zou kunnen nemen, er geen nieuw kunstwerk geschapen zou kunnen worden, geen nieuwe relaties zouden kunnen worden aangegaan, alsof alle dingen en alle mensen in God zouden zijn opgenomen en voortaan geen enkel eigen bestaan meer zou kunnen leiden. Het leven dat ik nu leidde was kennelijk onbedoeld chaotisch, vruchtbaar, origineel, maar als een hemelse archivaris zou God dan de rommel opruimen. De Borg uit Star Trek riepen voor mij hetzelfde angstgevoel op.
In deze toekomst zou ik bovendien niet mezelf kunnen zijn. Mijn persoonlijkheid had geen waarde. Mijn verlangens deden er niet toe. Ik heb in de kerk waarin ik opgroeide letterlijk dingen gehoord als dat ik in de eeuwigheid me niets meer van mijn leven op Aarde zou herinneren (een breuk in persoonlijke identiteit. Maar waarom zou ik me dan nu over dat leven druk maken?). Ik vond zelf onze kerkdiensten niet altijd even inspirerend, en keek niet uit naar een eeuwigheid van aanbidding. ‘Maar God zal er wel voor zorgen dat je dan wel van aanbidding houdt’, zeiden goedb edoelende mensen. Hij zou me dus hersenspoelen, mijn verlangens veranderen als ‘Big Brother’ in Orwells grimmige 1984. Ik hoorde dingen als zou ik in de eeuwigheid mijn familie en vrienden niet meer belangrijk vinden, en zelfs dat er in de eeuwigheid geen mannen of vrouwen zouden zijn, maar dat we allemaal neutraal zouden zijn - alsof mijn identiteit als man totaal geen betekenis had. Geen wonder dat ik niet naar de hemel uitkeek. Ik was alleen nog banger voor de eeuwige bewuste marteling van de hel, zoals we daarover hoorden - als ik niet de juiste leerstellingen over God geloofde zou hij mij tot in eeuwigheid zelf helse pijnen laten doorstaan. Dit roept wel vreemde vragen op over het karakter van God. Als God zo is, waarom zouden we dan de eeuwigheid in zijn gezelschap willen doorbrengen? Zou een eeuwigheid in het gezelschap van een almachtige sadist niet de hel zijn?
Ik moest erg lachen om een ‘spoken word’-stuk van christenartiest Larry Norman op een van zijn CD’s. Het gaat over een prediker die zijn publiek waarschuwt tegen de hel. Een van zijn toehoorders onderbreekt hem, en vraagt: ‘Preacher, is it true what you say, that hell is full of drink, cards and loose women?’ En de prediker antwoordt dat het zo is. De man slaakt een zucht en zegt: ‘If hell is filled with drink, cards and loose women, oh, death, where is thy sting!’ Ha! Het is toch vreemd als ons beeld van de hel aantrekkelijker is dan ons beeld van de hemel, of het koninkrijk van God.
Zelfs in gemeentes waar niet zo streng over de hel gepredikt wordt, zijn weinig christenen die naar de toekomst van God verlangen. Mensen hopen zelfs dat de Heer nog uitblijft, omdat volgens hen dit leven te prefereren is boven het toekomende leven. ‘Ik wil eerst nog zus en zo hebben meegemaakt’ (meestal het huwelijk). We moeten het er nu van nemen, eten en drinken, want morgen gaan we naar de hemel. Eigenlijk geen ander beeld dan dat van mensen die niet in de opstanding geloven (vergelijk 1 Korintiers 15:32). Het meest positieve dat mensen over de hemel kunnen zeggen, is dat er dan geen pijn zou zijn. Daarom zijn het vooral mensen met pijn of moeite die in deze kerken naar de hemel uitkijken (ik kreeg zelfs te horen dat ik zo naar de toekomst verlangde, omdat ik nog vrijgezel was). Maar de hemel is in deze visie nog steeds niet beter dan het niet-bestaan. Een statisch eeuwig zijn is niet wat ons van nature aanspreekt. En dat is dan reden om ons eigen verlangen, de basis van onze identiteit, nog verder te wantrouwen, en te onderdrukken. Want ons verlangen naar meer, naar schoonheid, betekenis en intimiteit, brengt ons voor ons gevoel alleen maar in problemen. We reduceren onszelf alvast tot bevelen opvolgende robots, omdat dat in de eeuwigheid alles zal zijn wat van ons zal overblijven. Resistance is futile.

Ik denk dat ons beeld van onze toekomst tekortschiet, omdat ons beeld van God tekortschiet. We zien onze toekomst niet als goed, omdat we ten diepste niet geloven dat God goed is. Oh, we geloven dat hij goed is, in de zin dat hij niet slecht is, dat kwaad en slechtheid in hem ontbreekt. Maar we geloven niet dat hij actief goed is. Dat hij ons liefheeft, dat wil zeggen: dat hij het beste voor ons verlangt en zich ook inzet om dat aan ons te geven. Dat hij een relatie met ons zou kunnen hebben. We zien God als de onbewogen beweger. Als de macht die alle gebeurtenissen in gang zet, maar zelf nergens door bewogen wordt. Die zelf niet gevoelig is, die niet geraakt wordt. Een macht zonder leven, innerlijk of aan de buitenkant. Eigenlijk zien we God niet als persoon, want we geloven niet dat God verlangens heeft. En verlangens zijn wat ons een wil geeft, wat ons tot personen maakt. Wat maakt dat we kunnen liefhebben.
Dat is niet het bijbelse beeld van God. Dat is niet het beeld van de drie-enige God, die tegen zichzelf zegt ‘laat ons ...’, die een bewegende, dynamische relatie IS. Dat is niet het beeld van de schepper, die uit het niets alles tot aanzijn roept, van het geringste snuitkevertje tot het verste melkwegstelsel, die creatief is. Dat is niet de God die deze schepping elke dag nog steeds actief onderhoudt. Dat is niet het beeld van de God die met zijn schepselen in de tuin wilde wandelen in de avondkoelte, hen wilde leren kennen, en met hen wilde lachen. Dat is niet het beeld van de God die toen zijn schepselen zich van hem afkeerden en voor de dood kozen, zodat ze blind werden voor zijn aanwezigheid in de schepping, zelf deel werd van hun wereld door mens te worden. Niet een zielloze, bevelen opvolgende robot, maar een volledig levend, enthousiast, verlangend mens. Dat is niet het beeld van de God wiens innerlijk in hem bewogen wordt als hij aan zijn troetelkinderen denkt (Jeremia 32), of die als de vader van de zoon hem tegemoet rent en hem zijn jas omhangt. Dat is niet de god die de dood overwint, en de mensen nieuw leven geeft en een nieuwe schepping maakt, waar gerechtigheid woont. Dat is niet de God die de bron is van elk leven, elke beweging, die zoals Chesterton vermoedde, gekenmerkt wordt door vreugde, door het genot zichzelf te zijn. De God die door theologen wordt beschreven als de ‘perichoresis’, de dans.
De God die zich heeft geopenbaard in Jezus Christus handelt, verlangt, heeft lief. Zo is God. We kunnen hem misschien niet beschrijven als een menselijk persoon, maar niet omdat hij minder persoonlijk zou zijn dan wij, maar juist omdat hij bovenpersoonlijk is. Zijn levenslust, zijn passie, zijn verlangen, zijn zo groot dat ze voortdurend uit zijn binnenste overstromen tot ze in ons terechtkomen, en ons in beweging brengen. Zijn verlangen is de muziek die maakt dat wij willen dansen.
Als dit de God is die uiteindelijk alles en in allen zal zijn, als zijn innerlijke leven de dans is waar wij allen deel van zullen uitmaken, is dat geen schrikbeeld. Dan wordt dat iets om naar te verlangen. Want dan betekent het dat wij niet minder onszelf zullen worden, maar meer. Dat we niet minder zullen verlangen, maar meer. Dat we niet minder creatief zullen zijn, maar meer. En dat we niet minder liefde zullen ervaren, maar meer. Tolkien zegt dat door het lezen van een goed sprookjesverhaal onze diepste verlangens worden vervuld, maar dat ze tegelijk ook oneindig worden aangescherpt (in Over Sprookjesverhalen). Zo zal het in de eeuwigheid ook zijn. En dat betekent dat we ons nooit zullen vervelen, want we worden niet opgenomen in een eeuwig computersysteem, maar in een eeuwig leven. Zodra we God zien als werkelijk goed, en zijn verlangens als werkelijk levensbrengend, wordt de toekomst er een om naar uit te kijken. Ook hier is het belangrijk welk beeld we van God hebben.

De grote, levende, persoonlijke God, de dansende drie-eenheid, vindt ons belangrijk. Daarom wordt in de bijbel niet gezegd dat wij naar de hemel gaan. Nee: er staat dat het nieuwe Jeruzalem, de stad van God uit de hemel zal neerdalen. Naar ons toe zal komen. God zal onder de mensen wonen. Johannes gebruikt in Openbaring sacramentele beelden. Hij zegt dat de mensen geen tempel meer nodig hebben, want God zelf zal onder hen wonen. Ze zullen geen zon of maan meer nodig hebben, want het lam, Jezus, zelf zal hun licht zijn. Dit wil volgens mij zeggen dat de hele werkelijkheid zichtbaar zal zijn. Gods koninkrijk, nu nog verborgen onder de grond van de geschiedenis, is dan openbaar. We zullen dan kennen, zoals we nu zelf gekend zijn. We zullen de beelden niet meer nodig hebben. Die hadden we natuurlijk nooit nodig in een transactionele zin. De Kerk, doop, avondmaal, priesters en huwelijk brengen (zoals ik eerder in deze serie betoogde) niets tot stand dat niet al realiteit was. Ze laten iets zien dat nog niet zichtbaar is, maar al wel realiteit is. En dan zal het voor elk oog zichtbaar zijn, zoals de engelen die Elisa aan zijn knecht liet zien. De schaduwen zijn vervlogen in het licht van de zon. In Hebreeen 9:23 noemt de auteur de tabernakel en haar inrichtingen ‘afbeeldingen’ - dat zijn al onze sacramenten. “Maar wat geschapen is, wankelt en verdwijnt, zodat alleen blijft wat onwankelbaar is.” (Hebreeen 12:27). Daarom zullen we ze uit onze handen laten vallen en er nooit meer aan terugdenken, als we de werkelijkheid zien: de onvoorwaardelijke liefde van God, die leven brengt uit de dood, ons leven, uit onze dood, door Jezus onze Heer.
Maar in zekere zin zijn wij zelf ook sacramenten waarin iets van God zichtbaar wordt. Gods grote verhaal wordt zichtbaar in ons kleine verhaal. En ook wat ons betreft zal in die tijd de werkelijkheid de schaduw vervangen. “We weten nog niet wat we zullen zijn, maar we weten dat we Hem gelijk zullen zijn”, zegt Johannes (1 Johannes 3:2). En Paulus voegt toe dat de hele schepping wacht op het openbaar worden van de “vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt” (Romeinen 8:23). Ook dit betekent niet dat we minder onszelf zullen zijn dan nu, maar juist meer. Want in elk van ons wordt iets heel specifieks en unieks van God zichtbaar, en dat zal dan volledig tot bloei komen. We zullen als God zijn juist in zijn leven en verlangen, in zijn vrijheid en de indruk die hij maakt op zijn omgeving. In De Grote Scheiding van C.S. Lewis ontmoet de hoofdpersoon een van de hemelbewoners. ‘Ik kan me nu niet meer herinneren of ze naakt was of gekleed’, moet hij toegeven. ‘Als ze naakt was, dan was het ongetwijfeld de bijna zichtbare sluier van haar hoffelijkheid en vreugde, waardoor mijn verbeelding de illusie vasthield dat achter haar een lange, blinkende mantel over het blijde gras golfde. Als ze gekleed was, was de illusie van naaktheid vast en zeker het gevolg van de helderheid van haar innerlijk, die door de kleding heen scheen.’ De bijbel suggereert dat we uit de dood zullen opstaan in ons lichaam, maar tegelijk lijkt dat in de bijbelse beschrijvingen meer te zijn dan ons lichaam. Het lichaam is verheerlijkt, glorieus. Het is een lichaam dat geen schaduw meer is, maar werkelijkheid, zo werkelijk dat het net als Jezus in zijn opstandingslichaam door tijd en ruimte kan verplaatsen en tussen de atomen van een muur kan doordringen.
We zullen na onze opstanding bovendien helemaal tot onze bestemming komen. Onze verlangens (zelf al sacramenten waarin de verlangens van God zichtbaar worden) zullen worden vervuld. En dat zal voor iedereen anders zijn. Mijn diepe verlangens zijn namelijk anders dan die van jou. Maar al onze verlangens zijn bedoeld om door God volkomen vervuld te worden. Daarom zegt Lewis in The problem of pain: ‘God will look to every soul like it first love, because He IS its first love’. Ik aarzel om meer te schrijven over dit onderwerp, omdat ik de neiging heb alles van C.S. Lewis te willen aanhalen. Lees van hem het essay ‘The Weight of Glory’. Hij zal je overtuigen dat God ons verlangen niet te sterk vindt, maar eerder te zwak. Dat ons verlangen is wat ons bij Hem doet uitkomen. Hij maakt ook duidelijk dat er geen jaloezie zal zijn in de eeuwigheid. Zoals het er ook nu niet hoeft te zijn, als iemand helemaal zichzelf is. Ik kan bijvoorbeeld nu ervan genieten dat iemand graag wil rotsklimmen en daar helemaal voor gaat, juist omdat ik mezelf toestemming heb gegeven mezelf te zijn, en dus niet hetzelfde hoef te winnen.

Ik ben samen met mijn vrouw behoorlijk bezig met persoonlijkheidstypetheorie, voornamelijk aan de hand van de Myers Briggs Type Indicator. Die levert voor je persoonlijkheid een code op van vier letters. Ik kom uit testen als een INFJ - het zeldzaamste persoonlijkheidstype, volgens de websites. In de beschrijvingen van dit persoonlijkheidstype staat vaak dat het van nature spiritueel is, gericht op de groei van zichzelf en van anderen, en begripsvol voor anderen, maar streng naar zichzelf toe. (Wees gerust, deze paragraaf zal ook over toekomstverwachting gaan. Al is er over MBTI, persoonlijkheid en geloof een hele nieuwe serie artikelen te schrijven!). Nu had ik het er met mijn vrouw over dat de eigenschappen van een INFJ me als gelovige een voordeel zouden kunnen bieden. En ik vroeg me af of dat niet betekende dat ik nog meer mijn best moest doen. Ik dacht dat het betekende dat ik niet tevreden kon zijn met wat ik al voor de heer deed, als het bij mijn persoonlijkheidstype hoorde. Ondertussen vroeg mijn vrouw zich af waarom er niet meer INFJ’s waren in de wereld, omdat de wereld meer serieuze, gewetensvolle wereldverbeteraars kan gebruiken.
Ik besloot het een keer aan God te vragen terwijl ik over straat naar huis liep. En ik kreeg in mijn gedachten antwoorden. Antwoorden die ik ook heel mooi zou vinden als ze uit mijn eigen gedachten voortkwamen, maar voor zover ik wist waren het geen voor mij natuurlijke gedachten. En ze kwamen met de klank die ik met Gods stem heb leren associëren. Ik vroeg aan de Heer waarom er niet meer INFJ’s waren. Het antwoord dat ik kreeg was dat God er niet meer nodig had. Kennelijk was het voldoende voor zijn plan dat 1 procent van de populatie INFJ is en zijn er meer nodig van praktische, handelende persoonlijkheidstypes. Toen ik de Heer om meer vroeg, kreeg ik in gedachten dat het zelfs niet goed zou zijn als er meer waren. Per slot van rekening worden ook Hitler, Osama Bin Laden en Ayatollah Khomeini gezien als INFJ’s, ze kunnen mensen inspireren tot het goede, maar kennelijk ook tot het kwade. Ik vroeg de Heer of ik omdat ik INFJ was meer moest presteren. Maar ik kreeg in gedachten dat het enige wat ik hoefde doen was mezelf te zijn. Ik zou vanzelf anderen inspireren, inzichten en gedachten delen met belangstellenden, schrijven en spreken. En omdat 1 procent van de populatie INFJ is, ‘hoef’ ik in principe maar 99 mensen te bereiken (dat bedacht ik zelf). Het bracht me rust - ik hoef me niet te verkopen, ik hoef mezelf niet succesvol te maken, ik hoef niet op anderen te lijken. Ik mag mezelf zijn.
Tenslotte vroeg ik aan de Heer in mijn gedachten of het eerlijk was als ik in de eeuwigheid zou krijgen wat ik verlangde, als ik inderdaad krijg wat mijn verlangen is, namelijk steeds dieper in de betekenis van God te mogen afdalen. Maar ik kreeg in gedachten dat niemand jaloers op mij zou zijn. Want andere mensen willen niet hetzelfde als ik. In de eeuwigheid zal de een op zijn plek komen in het zingen en muziek maken met anderen, de ander in het verkennen van nieuwe werelden, de ander in het steed dieper doordringen in de diepten van God. En niemand zal jaloers op hen zijn, want ze zullen allemaal zichzelf zijn. Dit geldt voor alle persoonlijkheidstypen. God zal hen allen op hun eigen manier vervullen. Ook dat nam een laag van mijn schuldgevoel weg, en ik kon vrij ademhalen. God houdt van mij omdat hij God is en daarvoor kiest. Dat heeft hij laten zien in Jezus’ dood en opstanding. Ik mag dat accepteren en leven in die liefde, en mezelf accepteren als Gods geliefde kind. In die acceptatie mag ik mezelf zijn, doen wat mijn hand vind om te doen, en de mensen in mijn omgeving liefhebben. Meer niet. Zo goed is het goede nieuws!

donderdag 5 december 2013

Over de drempel (6): de fluistering van het verlangen

Een week voor ons trouwen ontmoette ik in Amsterdam een vriend uit de Verenigde Staten. Ik had hem voor het eerst ontmoet in 2005 op een conferentie van John Eldredge (hij zat in het team, en was de forumcoördinator van het Ransomed Heart-forum waar ik toen actief was) en in 2007 zag ik hem weer op een conferentie in Australië. Onze derde ontmoeting vond plaats op een derde continent. De enige persoon tot nu toe die ik op drie continenten heb ontmoet. We bleken elkaar erg veel te vertellen te hebben. Zo hadden we allebei geworsteld met de evangelische kerk, en waren we allebei terecht gekomen in de Anglicaanse kerk (en ook bijna gelijktijdig!). We worstelden allebei met ons godsbeeld. En met ons zelfbeeld. Onder andere wat ons verlangen betrof. Want onze verkeerde beelden van God en de verlossing hadden ertoe geleid dat we ons verlangen onderdrukten, dat we onszelf niet de toestemming gaven onszelf te zijn. Maar daardoor verhinderden we niet alleen dat we een creatief, vruchtbaar (ook letterlijk!) leven leidden, we behandelden daardoor bovendien andere mensen minder respectvol.
Mijn vriend vertelde van zijn dochter in de tienerleeftijd. Ze had hem een keer toevertrouwd dat ze liever op dates ging met ongelovige jongens dan met jongens uit de kerk. Natuurlijk was hij daardoor erg geschrokken, zoals elke christelijke ouder dat zou doen. Maar hij was wijs genoeg zijn dochter om uitleg te vragen. Ze vertelde dat christelijke jongens niet naar haar durfden kijken. Ze keken opzij, ze wendden zich af. Het was duidelijk dat ze zich schaamden. Waarvoor? Voor het feit dat ze haar aantrekkelijk vonden. En dat ervoer zij als afwijzing en als reden om zich te schamen. De niet gelovige jongens zeiden eenvoudig tegen haar: ‘Je ziet er leuk uit. Zullen we een keer wat drinken?’. Ze schaamden zich niet voor haar of het effect dat zij op hen had. Ze voelde zich door hen geaccepteerd en gewaardeerd, als vrouw en als individu, en ze hoefde zichzelf ook niet te schamen voor haar seksualiteit. Het was voor haar veel meer ontspannen.

Als mensen hun verlangen op een voetstuk hebben staan en alleen leven voor de vervulling van hun eigen begeerte, zullen ze respectloos met andere mensen omgaan (die ze alleen zullen beoordelen naar de mate waarin ze hun begeerte bevredigen - een transactionele instelling). Maar het is ook respectloos als mensen hun eigen verlangen en dat wat het verlangen opwekt, afwijzen en veroordelen. Dat maakt van de interactie ook iets transactioneels (door mijn verlangen verdien ik straf, of de ander die mijn verlangen opwekt maakt mij slecht). Verlangen is echter wat ons mensen maakt. Verlangen is wat ons voortdrijft, tot handelen aanzet, maakt dat we het ene been voor het andere zetten. Verlangen is de brandstof van onze wil. Om te weten wie iemand is, moet je vragen wat hij of zij verlangt. Als we het verlangen op zich (in plaats van de manier waarop iemand een verlangen wil bevredigen) slecht vinden, afwijzen, veroordelen, wijzen we de kern van iemands identiteit af. En maken we iemand ten diepste passief. Want een mens zonder verlangen is een lege huls, in de greep van machten van buiten zichzelf. Dat geldt ook voor degene die het verlangen opwekt - die wordt gereduceerd tot bepaalde karakteristieken, en kan zichzelf niet meer zien als waardevol, compleet persoon, maar moet een deel van zichzelf afwijzen. Dit leidt tot heel ongezonde taferelen, waarvan het voorbeeld van de dochter van mijn Amerikaanse vriend, nog de minste is.
In de kerk waar ik opgroeide, werd seksueel verlangen als slecht weggezet. Zo kreeg ik het ten minste mee. De Bijbeltekst ‘wie een vrouw aankijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’ (Mattheus 5:28), werd zo uitgelegd dat het betekende dat wie een vrouw aantrekkelijk vond al overspel met haar had gepleegd. En het voelen van seksuele aantrekking werd zo ongeveer gebracht als de grootste zonde die mogelijk was. Voor iemand die het onderwijs van de kerk serieus nam en in zijn leven probeerde toe te passen, leidde dit in de puberteit natuurlijk tot schuldgevoel, schaamte en zelfafwijzing. Ik probeerde het verlangen te onderdrukken, maar hoe hard ik daar ook voor werkte, het stak steeds opnieuw de kop op. Ten slotte voelde ik me al een weekeinde lang diep schuldig als ik in  een tijdschriftenwinkel een superheldenstripboek (X-mannen) had doorgebladerd. Ik herinner me een e-mail aan een vriend waarin ik dat mijn ‘boezemzonde’ noemde (ik snap nu pas de ironie), waar ik maar niet van af kon komen.
En in mijn strijd tegen dit verlangen, begon ik ook al mijn andere verlangens te onderdrukken: mijn verlangen naar spannende verhalen (ik wilde graag Alistair MacLean boeken lezen, dus dat zou wel een verslaving zijn. Als ik een James Bond-film zag, fantaseerde ik over actiescènes, dus die moest ik overslaan), mijn verlangen naar creativiteit (ik stopte met schrijven), et cetera. In mijn stripbespreking van de geweldige ‘graphic novel’ Een Deken Van Sneeuw heb ik al eens betoogd dat onze verlangens met elkaar samenhangen: ons seksuele verlangen en ons verlangen om te scheppen, te creëren, zijn niet los te verkrijgen. Het onderdrukken van de een leidt tot het onderdrukken van de ander. Het verlangen is namelijk niet te scheiden: het is een enkel vuur dat binnen in ons brandt. En het is ook niet te scheiden van ons verlangen naar eenheid met God. Sommige christelijke mystici ervoeren Gods aanwezigheid niet voor niets in een haast seksuele extase. Zie bijvoorbeeld het beeld van de heilige Teresa van de Renaissance-kunstenaar Bernini in het plaatje hierboven.
Ik denk dat het daarom niet voor niets is dat als een samenleving (of kerk) mensen onder controle wil houden zowel de seksuele expressie als de artistieke expressie worden onderdrukt of beschaamd. Maar dat daar (bedoeld of onbedoeld) ook de religieuze expressie schade door ondervindt. In de kerk waar ik opgroeide werd in elk geval niet alleen neerbuigend en veroordelend gesproken over seks en kunst, maar ook over ‘bovennatuurlijke’ en ‘mystieke’ manieren om God te ervaren. We hadden de bijbel, uitgelegd door Darby en Kelly, en dat was genoeg. Volgens de kerk waarin ik opgroeide was individualiteit ook iets verdachts - we moesten sterven aan het vlees, ons eigen ik, onze wil, zodat gods Geest ongehinderd door ons heen kon werken. Waarom gods Geest er vervolgens voor zorgde dat de meest ‘geestelijke’ van de kerkleden mensen uit de gemeenschap uitsloten en op een kerkscheuring aanstuurden, hebben ze mij nooit uitgelegd.

Natuurlijk werd in de kerk betoogd dat man en vrouw in het huwelijk wel seks met elkaar mochten hebben. Ik ga ervan uit dat het volgens de kerk dan ook was toegestaan als man en vrouw naar elkaar te verlangen. Maar volgens mij is het niet mogelijk een verlangen opeens weer ‘aan te zetten’, na het jarenlang als slecht en zondig te hebben neergezet. Het is niet opeens ‘goed’ in andere omstandigheden. Zelfs als je het dan ‘goed’ noemt, kan de menselijke psychologie die omschakeling niet maken. Vooral niet als je voor vrouwen buiten je huwelijk nog steeds niks mag voelen of bij enige emotie jezelf moet veroordelen en afwijzen. Zo werken verlangens niet. Als je een muur rond je verlangen hebt opgetrokken en die met al je mentale kracht hebt bewaakt, kun je niet opeens in je huwelijk een klein stukje van de muur afbreken, en verwachten dat het verlangen dan opeens alleen door dat gaatje naar buiten komt. De muur is alleen volledig af te breken. Het is alles of niets. Je brengt jezelf tot expressie, of niet. Dit geldt ook voor de andere verlangens. Ik kon niet opeens mezelf toestaan alleen naar bepaalde verhalen te verlangen, of alleen christelijke films te waarderen. Of alleen non-fictie te willen schrijven. Het verlangen is alles of niets.
Dit heb ik het afgelopen jaar in de praktijk gemerkt. Pas in september 2012 gaf ik mezelf toestemming om me aan het schrijven van fictie te wijden. Het was een van de grootste omkeringen in mijn leven, eigenlijk nog belangrijker dan het ontmoeten van mijn vrouw en mijn huwelijk (alhoewel daar ook niet van te scheiden - dat ik een vrouw durfde aanspreken was ook al een sprong in het diepe voor me, en het kiezen voor het huwelijk ook een kiezen voor verlangen). Ik gaf mezelf toestemming om mijn liefde en passie voor het schrijven zonder enige belemmering te uiten. Ik voelde me daardoor meer mezelf dan in de tien jaar ervoor. Ik sliep zelfs beter. Maar (waarschijnlijk niet toevallig) leidde die toestemming om te schrijven tot toestemming op meer gebieden. Het leidde tot toestemming om mijn verlangen naar een andere kerk te volgen, naar toestemming om de boeken te lezen die ik wilde lezen, en naar toestemming om mijn eigen seksuele verlangen niet langer af te wijzen. Alles in een paar maanden tijd. Het was, moet ik zeggen, heel erg bevrijdend. Maar ook confronterend, omdat ik zag hoe diep mijn verlangen al die tijd opgesloten was geweest. Ik gaf mezelf eindelijk toestemming om er te zijn, helemaal, als Johan. Het is ook niet toevallig dat het gebeurde nadat ik in november 2012 en nogmaals in april 2013 tijdens het bidden de liefdevolle ogen van Jezus had gezien, en zijn acceptatie had gevoeld. Ik wist mij eindelijk geliefd gewoon als wie ik ben en kon dus ook mezelf accepteren in al mijn menselijkheid, inclusief mijn verlangen.
En dit was niet mogelijk zonder een sacramenteel beeld van de werkelijkheid, dat wil zeggen: een incarnationeel beeld van de werkelijkheid. God die mens wordt, zich toont op een manier die wij kunnen waarnemen, en daarmee laat zien wat ten diepste waar is voor ons allemaal. Want wat waar is voor Jezus, is waar voor ons. Incarnatie is een sacrament, werkelijke aanwezigheid, God met ons. Dat Jezus mens werd, betekent niet alleen dat het mens-zijn, het lichamelijke mens-zijn geheiligd is. Het betekent dat onze individualiteit geheiligd is, inclusief ons verlangen, inclusief onze seksualiteit. We maken van Jezus snel een soort super-mens, een buitenaards wezen onder ons, die niets te maken heeft met onze menselijke eigenschappen of zwakheden. Maar Jezus was mens, helemaal mens.
Lees wat Robert Farrar Capon schrijft in The Romance of the Word: “When we say that Jesus is perfectly human, we mean that he is completely human: his humanity is everyday, commongarden humanity IN COMPLETION. But see how alien that is to the common view. In spite of the promise of the resurrection of the body, we can imagine human nature as perfected only if we can somehow see it as abolished in favor of something spiffier, if we flesh him out in something other than ordinary flesh. When we imagine him as a child, for example, we somehow feel obliged to say that he was a little freak who never hid when his mother called him, who always put his toys away in his toy box, and who, when he got to the age at which boys have wet dreams, piously refused to have any ... The human race is, was, and probably always will be deeply unwilling to accept a human messiah. We don’t want to be saved in our humanity; we want to be fished out of it.” Laten we wel wezen, Jezus ging ook naar het toilet. Of deed het achter de bosjes. Hij was moe en viel in slaap in een boot. Hij weende. Wij hoeven ons dus ook niet te schamen voor deze door anderen soms als schaamtevol beschouwde uitingen van onze menselijkheid. En net zo had Jezus seksuele verlangens. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat zijn werk daardoor gemotiveerd werd, want de bijbel gebruikt meerdere malen voor het werk van Christus voor de gemeente de metafoor van bruidegom en bruid, en Openbaring eindigt met de bruiloft van het lam. Wij hoeven ons dus ook niet voor onze seksualiteit te schamen. We mogen ons eigen verlangen gewoon accepteren.

Ons eigen verlangen accepteren stelt ons in staat om de ander (man of vrouw) te zien als compleet menselijk wezen, in plaats van hem of haar af te wijzen om zijn of haar seksualiteit. Mijn vrouw heeft na al het onderwijs dat ik in de kerk had gekregen, flink op me moeten inpraten om me te overtuigen dat vrouwen het niet erg vinden om door mannen aantrekkelijk gevonden te worden, dat ze zich niet schamen als een man naar hen kijkt, dat ze dat zelfs waarderen en er veel voor doen. Ze gaf me als studiemateriaal het boek Bridget Jones’ Diary te lezen, van Helen Fielding. Ik heb het in vier treinreizen uitgelezen, met de spreekwoordelijke rode oortjes. Wat bleek? Vrouwen waren geen pure heiligen, die schrokken van mannelijke opwinding, maar ook geen prostituees, die er alleen maar op uit waren mannen tot zonde te verleiden. Vrouwen zijn gewoon en compleet mensen, inclusief een verlangen gezien te worden, begeerd te worden, geliefd te worden, inclusief een verlangen naar seksualiteit. En dat verlangen, ook het verlangen naar seks, is geheiligd door de vleeswording van Christus. Het is volledig geaccepteerd door God, wordt goedgekeurd, wordt toegejuicht (het boek Hooglied staat niet voor niets in de bijbel, en mijn pogingen als twintiger het allegorisch uit te leggen, waren behoorlijk misplaatst). In Openbaring wordt de kerk vergelen met een bruid die zich heeft mooi gemaakt voor haar man. Als dat niet een bevestiging is van dit verlangen, weet ik het ook niet. Dit zorgt ervoor dat ik niet bang hoef te zijn voor afwijzing door een vrouw, dat ik me niet hoef te schamen, maar ook dat ik een vrouw niet hoef te reduceren tot haar eigenschappen die mijn verlangen opwekken en zelf haar daarvoor afwijzen. Ik kan haar behandelen als volledig mens, als volledig individu, die zelf ook vrij is. Juist door de acceptatie van mijzelf en haar als seksuele wezens, kan ik haar volledig respecteren, zoals ik mezelf respecteer. Ook als ze ‘nee’ zegt tegen me. Daar is ze als individu immers vrij in. Alweer een voorbeeld hoe de radicale acceptatie die voortkomt uit de onvoorwaardelijke liefde van God, ons menselijke gedrag verandert.
Dit is overigens niet een betoog dat per se pleit voor seksualiteit buiten het huwelijk. Maar er is een groot verschil tussen het voelen van een verlangen en de manier waarop we het verlangen kiezen te vervullen. En dat onderscheid werd in de kerk waarin ik opgroeide veel te weinig gemaakt. Het idee bestond kennelijk dat het voelen van een verlangen automatisch leidde tot het in vervulling brengen ervan, ook als je daarvoor mensen respectloos moest behandelen, of hun keuzevrijheid moest afnemen. Een man die een vrouw aantrekkelijk vond, zou zich kennelijk niet kunnen inhouden om aan haar te zitten. Ik heb het in christelijke jongerentijdschriften gelezen, dat meisjes geen topjes met spaghettibandje zouden moeten dragen, omdat ze niet wisten wat ze daarmee tot stand brachten bij jongens. Ze zouden ze tot zonde verleiden. Dit is ook de reden dat in streng islamitische landen vrouwen een nikab of burkah moeten dragen, omdat mannen niet verantwoordelijk kunnen zijn voor hun eigen gedrag naar vrouwen toe. Deze visie is dus niet alleen denigrerend over vrouwen, maar ook over mannen. Alsof we tegen onszelf in bescherming moeten worden genomen en geen zeggingskracht hebben over ons gedrag. Maar dat is een leugen. Als ik mezelf zie als man, door God geliefd, waardevol zoals ik ben, kan ik ook afzien van de vervulling van een verlangen, wanneer dat niet respectvol zou zijn naar mezelf of naar anderen. De tekst uit Mattheus 5 die mij zo’n schrik aanjoeg, ging ook helemaal niet over onze menselijke reactie op schoonheid, maar over begeerte: de drang datgene wat je verlangt voor jezelf te bezitten, op te eisen. Dat is niet respectvol. Het is ons verlangen, vervormd door onze zelfzuchtige, transactionele manier van denken. Ons verlangen zou in plaats daarvan moeten worden geinspireerd door de liefde. Jezus was helemaal man, maar ging toch eerbaar om met een overspelige vrouw die hij midden op de dag in haar eentje tegenkwam bij de waterput, en met de prostituee die met haar haren zijn voeten waste. Maar hij maakte haar ook niet beschaamd over zichzelf. Zo kunnen wij ook zijn.

Als twintiger voelde ik me al schuldig over het feit dat ik stripboekjes doorbladerde met daarin aantrekkelijke getekende vrouwen. Ik schaamde me voor het effect dat vrouwelijke schoonheid op me had. Nu nam ik van mijn huwelijksreis in Londen uit de Forbidden Planet (een winkel met SF en fantasy-boeken, films en spullen) een ‘action figure’ mee van Commander Shepperd, de vrouwelijke hoofdpersoon van de Mass Effect-spellen die ik met veel plezier heb gespeeld (en waar ik vorig jaar een essay over heb geschreven), in futuristische uitrusting. De 'action figure' staat trots bij ons in de woonkamer. En elke keer als ik die zie, en kan toegeven dat ik haar pose mooi vind, glimlach ik vanwege de vrijheid die ik heb gevonden. Mijn vrouw is daar overigens ook behoorlijk blij mee, maar daar gaat dit blogbericht verder niet over.