Posts tonen met het label opstanding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label opstanding. Alle posts tonen

zondag 22 november 2015

Voorpublicatie: De loser die wint ...


Kort nadat de tweede film uit de Matrix-serie in de bioscoop draaide, had ik een discussie met een van mijn vrienden. We hadden het over een filosofisch idee dat aan deze sciencefictionfilm ten grondslag lag, namelijk de brain in a vat-theorie: wat als de wereld die we om ons heen zien niet ‘echt’ is, wat als we niet werkelijk op een stoel zitten in het koffiezaakje, en we niet werkelijk het warme licht van de zon op onze huid voelen? Wat als in plaats daarvan een wetenschapper onze hersenen in een vat heeft gehangen, en ze voedt met gesimuleerde informatie? Wat als onze oogzenuwen worden geprikkeld zodat we een illusie zien van de buitenwereld, en hetzelfde gebeurt met onze reuk, smaak, gehoor en tastzin? Zouden we dit kunnen ontdekken? En zou de onzekerheid over het al dan niet echt zijn van de wereld een verschil maken voor de manier waarop we leven? Ikzelf meende toen dat ik mijn geloof zou moeten afzweren als de wereld niet echt zou blijken te zijn. Mijn vriend dacht er anders over. Ongeacht of de wereld echt blijkt te zijn of niet, je zou nog steeds achter je keuzes staan. Je kiest voor je overtuigingen omdat ze jou het meest aanspreken, niet omdat de wereld buiten je jou daartoe dwingt.
Ik denk vaak terug aan deze discussie. Ze raakte namelijk aan de vraag waarom ik in God geloof. Geloof ik omdat ik met mijn verstand overtuigd ben van een waarheid buiten mij? Geloof ik dat ik mezelf en anderen moet liefhebben omdat de wereld buiten mij bepaalde gevoelens in mij opwekt? Als ik iets niet wil, is het mezelf voor de gek houden, geloven enkel omdat ik bang ben om gestraft te worden, of om mezelf beter te kunnen voelen dan anderen. Ik wil ook niet blijven vasthouden aan het geloof van mijn ouders omdat mijn hersenen in mijn vroege jeugd nu eenmaal zo geprogrammeerd zijn. Ik zoek een geloof dat niet aan het wankelen kan worden gebracht door een discussie over The Matrix Revolutions.
Het blijft echter een dilemma. Want omdat we onderdeel zijn van onze wereld, kunnen we niet waarnemen wat zich buiten onze wereld bevindt. Omdat we een personage zijn in het verhaal, kunnen we niet ontdekken in welk verhaal we eigenlijk leven. Toch moeten we een keuze maken voor een filosofie of levensverhaal. De vraag is dus wat het beste verhaal is om in te leven. We zoeken een verhaal dat recht doet aan zowel ons alledaagse bestaan als aan de glorie van het heelal, dat ons omringt. Een verhaal dat een kind al kan begrijpen, maar waar filosofen niet over uitgedacht raken. Een verhaal dat ons doet uitkijken naar verandering, en ons tegelijk een reden geeft om in actie te komen.
De afgelopen jaren ben ik me gaan realiseren dat het verhaal van Jezus voor mij aan al die voorwaarden voldoet. Schrijvers zoals G.K. Chesterton, C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien leerden me dat het christelijke getuigenis de overtuigingskracht heeft van een mythe, van een meeslepende film. En dit is een verhaal dat in Jezus zelf tastbare, concrete werkelijkheid is geworden! Vervolgens lieten auteurs als Greg Boyd, Robert Farrar Capon en John Eldredge me zien waar het verhaal van Jezus ten diepste over gaat: onze zwakheid die leidt tot de dood en Gods onvoorwaardelijke liefde, die ons uit die dood doet opstaan. Het is de grote omkering: de rechtvaardiging van de zondaar, de overwinning van de verliezer. De machthebbers worden ontwapend en de zwakke wordt verhoogd. Het is goed nieuws!
Het is goed nieuws voor de mensen die niet in God geloven, maar in zichzelf teleurgesteld zijn geraakt. Die buiten de maatschappij vallen, of niet meer kunnen meekomen. Die hard werken, maar er niet gelukkig van worden. Maar het is ook goed nieuws voor christenen die in de kerk, of door hun levenservaringen, een heel ander beeld van God hebben gekregen. Die leven in een verhaal van controle, manipulatie en angst. Die weten dat ze tekortschieten, maar dat niet durven toegeven. Die zich almaar blijven inspannen om Gods acceptatie te verdienen. Voor hen allemaal is het mogelijk te leven in de grootste liefdesgeschiedenis die de wereld kent. Daarvoor hoef je niet intellectueel overtuigd te zijn. Je hoeft het niet te voelen. Je hoeft het niet eens te geloven. Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen. Je wordt er onderdeel van, als je ernaar verlangt.
Ik sprak onlangs opnieuw met mijn vriend, en ik heb hem gezegd dat hij toch gelijk had. Dat ik niet honderd procent zeker kan weten of de wereld om mij heen echt is, verhindert me niet in God te geloven en uit die overtuiging te leven. Zelfs al bestaat de kans dat na de dood niets van wat ik waarneem echt blijkt te zijn, dan blijf ik toch achter mijn keuzes staan. Ik ben er nu eenmaal van overtuigd dat deel gaan uitmaken van Gods Verhaal de beste manier is om te leven.

1. De zwakken tegen de sterken

Ik herinner me nog goed een les maatschappijleer in het vijfde jaar van het atheneum. Twee van mijn klasgenoten waren blijven zitten. Tegenwoordig kijk ik niet meer zo op tegen mensen die maar een paar jaar ouder zijn dan ik, maar op die leeftijd was iemand van achttien voor mijn gevoel al erg volwassen. De jongens in kwestie maakten bovendien vaak interessante, filosofisch aandoende opmerkingen. Zo ook deze keer. Een van hen begon te betogen dat het einde van onze beschaving eraan kwam. Volgens hem hadden onze voorzieningen, onze hoogstaande technologie en onze welvaartsstaat hun langste tijd gehad. ‘Spoedig’, verklaarde hij niet zonder een zeker genoegen, ‘zullen we allemaal weer moeten vechten voor ons voortbestaan.’ Het recht van de sterkste zou opnieuw gelden. Mijn maag kromp ineen. Ik was er op dat moment stellig van overtuigd dat ik en de andere studiebollen in de klas in zo’n geval het onderspit zouden delven.
Nog een herinnering: op de basisschool hadden we gymles. En gym begon er altijd mee dat we een paar keer de zaal rond moesten rennen. En daarbij was ik altijd de langzaamste. De rest liep steeds verder voor me uit, en al snel liep iedereen aan de andere kant van de zaal. Het gebeurde zelfs dat ik door mijn klasgenoten voor een tweede keer werd ingehaald. Als er teams werden gekozen, werd ik altijd als laatste gekozen, samen met een vriend van mij die ook niet zo sportief was. En ik hoorde zelfs kinderen klagen als ze ons in het team hadden gekregen; zo konden ze niet winnen.
Ik las ergens in die periode een sciencefictionverhaal over een toekomst waarin de aarde overbevolkt was geraakt. Niet iedereen kon daarom in leven blijven. Als je als kind een zekere leeftijd bereikte, moest je testen ondergaan om je toekomst te bepalen. Een van die testen was een hardloopwedstrijd. Wie niet snel genoeg liep, werd gedood… Het joeg me behoorlijk angst aan: alleen de snelste zou overleven.
Mijn angstbeeld keerde terug toen ik overspannen raakte. Tegen het einde van mijn studie ging ik steeds slechter slapen. Ik werd wel zeven of acht keer per nacht wakker. Als de wekker ging, voelde ik me nog vermoeider dan toen ik naar bed ging. Ik probeerde van alles: ik dronk warme melk, deed ontspanningsoefeningen – niets hielp. Mijn energieniveau daalde, ik werd steeds gevoeliger, barstte soms bijna in tranen uit. Uiteindelijk legde een docente de vinger op mijn zere plek: ik moest heel veel van mezelf. Ik had een schema gemaakt van Bijbelstudieboeken die ik moest doorwerken, hield me aan vaste tijden van gebed met vaste onderwerpen, las dagelijks trouw vijf hoofdstukken uit de Bijbel, bezocht alle kerkdiensten en ook nog eens alle bijeenkomsten van de studentenvereniging. Maar dat alles deed ik niet met plezier.
Met de dingen die me wel plezier gaven (het lezen en schrijven van spannende verhalen), was ik een paar jaar eerder gestopt. Ze droegen niet bij aan mijn leven als christen. ‘Denk je dat je een hele dag mag besteden aan het lezen van een niet-christelijk verhaal?’ vroeg een vriend me in een e-mail. ‘Zo ja, hoe is dat dan te rijmen met teksten als ‘We moeten onze tijd uitkopen’ (Efeziërs 6)?’ Ik nam dat soort boodschappen serieus en probeerde uit alle macht te voldoen aan het ideaalbeeld dat ik in de kerk had meegekregen.
Gelukkig is er sinds die burn-out veel in mijn leven veranderd. Ik ben gestopt met al die zelfopgelegde activiteiten en ben weer gaan schrijven. Een paar van mijn verhalen zijn zelfs gepubliceerd. Ik kon weer genieten van mijn aquariums, maakte samen met vrienden leuke reizen, en vond werk dat bij mij paste. Maar soms word ik eraan herinnerd dat de patronen die leidden tot overspannenheid nog steeds in mij aanwezig zijn. Nog steeds word ik weleens overweldigd door verwachtingen waar ik aan zou moeten voldoen, op mijn werk, in de kerk of in de maatschappij. Ik kan heel veel, maar ik kan niet alles dat van mij wordt gevraagd.

Lees verder in De loser die wint ... als God je verhaal vertelt (verschijnt binnenkort)

vrijdag 2 oktober 2015

'De loser die wint ...' - The Making Of ... (1): Wie verre reizen doet ...

Mijn schrijfcarrière lijkt zo langzamerhand in een stroomversnelling te komen. Mijn fantasyduologie 'De Krakenvorst' verschijnt volgend jaar, ik doe mee aan wedstrijden voor korte verhalen, en een verhaal verscheen in 'Ganymedes 15' - een staalkaart van de Nederlandstalige SF en fantasy. Verder komt eind oktober een prachtig koffietafelboek uit, getiteld 'Woestijnvaders', waarvoor ik de redactie heb gedaan en hoewel de betreffende heiligen in een droge omgeving leefden, waren ze totaal niet stoffig. Beeld en tekst komen in dit boek samen en bieden inspiratie uit de woestijn. En eind oktober zal ook mijn vijfde boek worden gepubliceerd: 'Hoe je zwakheid leven brengt ... Als God je verhaal vertelt'. Daar ben ik natuurlijk erg enthousiast over!
Toen 'Indrukwekkende Vrijheid' uitkwam, mijn vorige non-fictieboek, heb ik op mijn blog een driedelige serie geschreven over 'The Making Of ...' (deel 1, deel 2, deel 3). Want de totstandkoming van een boek is vaak in zichzelf ook al een heel verhaal, vooral boeken over onderwerpen die je na aan het hart liggen. En met dit nieuwe boek is dat ook het geval. Dat verhaal is echter niet een-op-een in het boek terug te lezen, zoals je om te zien hoe een film gemaakt is ook de extra's op de blu-ray moet raadplegen (of het moet een heel postmoderne film zijn, dat kan). Ik vind het zelf echter wel altijd leuk om te weten hoe iemand ertoe kwam een bepaald verhaal te schrijven, en hoe hij zelf groeide (of niet) door het schrijfproces. En als het waar is wat ik geloof, namelijk dat elk goed verteld verhaal het Verhaal van de Werkelijkheid weerspiegelt, geldt dat dus ook hiervoor.

Het verhaal van 'Hoe je zwakheid leven brengt ...' begint zelfs al voordat 'Indrukwekkende Vrijheid' in de winkels lag. In het voorjaar van 2010 kwam ik namelijk in het weekeinde thuis van een afspraak toen ik een berichtje hoorde op mijn antwoordapparaat. Het waren mijn ouders: dat ik het vorige jaar niet op vakantie was geweest en of ik daarom niet naar Visakhapatnam in India wilde. Helaas was het februari, en dat is voor mij niet het beste jaargetijde. Zelfs met daglichtlamp heeft de winterdepressie nog invloed op mijn gevoelsleven, en ik zocht allerlei motieven achter het ingesproken berichtje: vonden mijn ouders dat ik het vorige jaar op vakantie had moeten gaan? Was dit inherente kritiek? Was ik alleen geslaagd als ik verre reizen maakte?
Ik had de weken daarvoor toch al de nodige worstelingen gehad, bijvoorbeeld op mijn werk. Zo was er een externe adviseur gekomen op de communicatieafdeling, om ons te begeleiden in een veranderingsproces. Een van de doelen was het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, waarvan ik bureauredacteur was, te gaan omvormen, van een blad dat klakkeloos plaatste wat mensen instuurden, al waren het congresverslagen van zes pagina's, tot een journalistiek gedreven vakblad. Ik moet eerlijk bekennen dat ik er niet zo positief bij zat: een paar jaar eerder was ik namelijk bij het Pharmaceutisch Weekblad bij net zo'n omslag betrokken geweest: van wetenschappelijk tijdschrift naar vaktijdschrift. En het jaar daarna was ik ontslagen, omdat ik niet mee had kunnen komen. Ik ben namelijk niet een assertieve journalist en nieuwsjager en dat werd ik toen wel geacht te zijn. Ik had nu dus mijn hakken in het zand. En de adviseur legde de vinger op de zere plek: een negatief zelfbeeld. Ik verwachtte opnieuw te falen, dus wilde ik geen risico nemen.
Ik wist eigenlijk al jaren dat ik hiermee worstelde, maar dacht dat ik al een eindje gegroeid was. Het bleek echter nog steeds een rode draad in mijn leven. En ik had geen flauw idee hoe ik er iets in kon veranderen: ik kan mezelf niet aan mijn eigen haren uit een moeras trekken. Dat er tegelijkertijd een nieuw functiewaarderingssysteem werd ingevoerd hielp me niet bepaald - dat hield ook in dat ik me elk jaar opnieuw moest bewijzen, dat ik moest laten zien competenties te kunnen verbeteren en resultaten te halen, terwijl ik het al moeilijk vond om gewoon te functioneren.
Ik besloot mijn ouders gewoon terug te bellen en van kritiek bleek geen sprake (misschien wel van wat onhandig uitdrukken). Het punt was dat ze wisten dat ik van reizen hield. En dat zij geld hadden verzameld voor een project van een Indiase kerk, waarvan een waterput geboord zou worden, maar dat ze de afgelopen jaren al een paar keer naar India waren geweest en tegen nog een reis opzagen. En dat ze mij dus graag wilden afvaardigen om namens hen te gaan. Ik zou direct de kans krijgen in een kerk aldaar een keer te spreken en zij wilden ook de reiskosten betalen. Dat was een gaaf aanbod. En ik had op dat moment ook geen levenspartner met wie ik rekening hoefde houden. De weg was dus vrij voor mij om te gaan. Ik zag wel op tegen het regelen van een visum en dat soort praktische zaken, maar toen ik zeker wist dat ik dit wilde, bleek dat ook geen probleem.

Van te voren dacht ik na wat ik zou brengen als ik de gelegenheid had om tot mensen te spreken in India. Tegelijk met de confrontatie op kantoor met mijn negatieve zelfbeeld was ik gaan nadenken over wat de bijbel zegt over zwakheid. Hierover had ik op mijn blog een serie geschreven. Ik was me daarbij bewust geworden dat zwakheid tot de kern behoort van het christelijke geloof. Wat wil je met een religie die draait om een man die aan een kruis wordt genageld en sterft?
Vooral het opnieuw lezen van 1 Korinthe had me ervan overtuigd dat we als mensen niet op onze eigen kracht moeten vertrouwen. Dat is de weg of het geheim van de wereld. Het geheim van God is dat van de zwakheid. Dat is waarom volgens Paulus zowel Joden als Grieken het dwaasheid vinden. Het betekent namelijk dat je accepteert dat je zwak bent, dat je het belang van de ander hoger acht dan dat van jezelf en niet probeert je eigen bestaan tegen elke prijs veilig te stellen. Zoals Jezus dat ook niet deed. Hij vertrouwde in plaats daarvan op God en die wekte hem uiteindelijk uit de dood op. Jezus kon daar zelf niets aan bijdragen. Hij steeg niet op uit het graf op eigen kracht (in weerwil van een bekend Paaslied). Hij was dood. Hij kon niets. Het was God die hem tot leven wekte, en net zo is God aan het werk in ons, als wij Hem niet in de weg staan. Zoals Paulus in Galaten zegt: God handelt alleen (3:20).
Dat is voor ons westerlingen met onze cultus van persoonlijke ontplooiing en assertiviteit misschien aanstootgevend, maar uiteindelijk is het goed nieuws. Want er staat een ding vast, en dat is dat we uiteindelijk allemaal aan de zwakheid ten prooi vallen. We sterven allemaal, of we in India wonen of in Nederland, of we rijke directeur zijn of heroineverslaafde. En allemaal kunnen we niet op eigen kracht, zelfs niet door ons geloof, maar alleen door God uit de dood worden opgewekt. Dit was iets wat ik in India kon brengen, zelfs toen ik een keer met acute diarree van het podium af moest. Paulus zelf kwam immers ook in Korinthe 'in al mijn zwakheid en [bovendien] was ik angstig en onzeker' (1 Korinthe 2:3).

Ik nam dit keer niet een tas vol boeken mee op reis. Er zat eigenlijk maar een boek in mijn bagage, en dat was 'The Shack' van William Paul Young (in het Nederlands 'De Uitnodiging' geheten). Dit boek had ik een paar jaar eerder ook al gelezen en het had me toen heel erg aangesproken. Ik nam het nu mee in de hoop dat ik door het lezen ervan opnieuw iets van God zou leren. Het is echter geen onomstreden boek.
Young geeft zijn boodschap namelijk door in de vorm van een verhaal. Een verhaal over Mack, een man die zijn dochtertje verliest aan een seriemoordenaar. Verteerd door verdriet raakt hij in een depressie. Dan krijgt hij een uitnodiging om naar een hut in de bergen te komen. Daar heeft hij een ontmoeting met de drie personen van de drie-eenheid: Papa, een Afroamerikaanse vrouw die van lekker eten houdt, Jezus en de Heilige Geest, gepersonificeerd als een Aziatische vrouw. Dit is namelijk hoe God tot Mack, kan doordringen. Andere beelden zouden bij hem tot weerstand leiden. Papa wil Mack ervan overtuigen dat hoewel hij een groot lijden heeft ervaren, dat niet betekent dat God niet van hem houdt. Papa is zelfs 'especially fond of him'. En die liefde hoeft Mack niet te verdienen. Niet door zich aan religieuze verplichtingen te houden, niet door zich moreel te gedragen. Hij is gewoon geliefd, en mag erin rusten. Die liefde betekent ook niet dat het hem voor de wind zal gaan, en dat hij geen verdriet zal kennen. Maar de littekens op Jezus' handen laten zien dat God er ook in dat verdriet bij is, en dat hij ook als hij boos is of teleurgesteld, in Gods liefde mag rusten. Want uiteindelijk zal God door de dood en de pijn heen vernieuwing brengen, een die niet door mensen tot stand kan worden gebracht, maar op een organische manier, als een fractal. Het enige dat Mack hoeft te doen is te rusten in Gods liefde.
Vreemd genoeg hadden heel veel christenen, vooral in de Verenigde Staten, felle kritiek op deze boodschap. Ik meende echter dat de boodschap zo bijbels was als het maar wezen kon. Zowel de eerste keer dat ik het boek las, als toen ik het in India herlas, zat ik voortdurend te knikken. Eigenlijk wilde ik een boek schrijven over dezelfde thematiek, om te laten zien dat het Godsbeeld uit 'The Shack' gewoon uit de bijbel afkomstig is. Daarin zou ik echter 'The Shack' of William Paul Young niet noemen of citeren. Wie weet zouden mensen het op deze manier wel tot zich durven nemen.
En ikzelf bleek de boodschap ook nodig te hebben, vooral toen er in IJsland een vulkaan met een onuitspreekbare naam uitbarstte, precies op de dag dat ik naar Nederland zou terugreizen. Zo strandde ik in het Midden-Oosten op het vliegveld van Doha. Ik was bang en zenuwachtig, wist niet hoe lang ik daar zou moeten blijven. Mijn negatieve zelfbeeld dreigde me te overweldigen. En ik ging oefenen om mezelf te zien als door God geliefd, om mezelf dat voor te houden als de diepste waarheid, ook toen ik achterin de rij stond en mensen probeerden voor te dringen ...

Hoe dat afliep zal ik hier niet schrijven! Daarvoor zul je het boek moeten lezen. De reis naar India en mijn belevenissen daar vormen namelijk een rode draad in het boek. Ik zie het zelf als een avonturenverhaal. De jongensboeken die ik vroeger las eindigden immers ook bijna allemaal met een vulkaanuitbarsting ...

(wordt vervolgd)

vrijdag 25 september 2015

Gedicht: Gods verantwoordelijkheid

Gods verantwoordelijkheid

Ik had niet gevraagd om dit zogenaamd geschenk.
Wist nergens van, niet van schoonheid en niet
van haat. Was onzelfzuchtig in mijn niet-bestaan. 
Rustte in niet verantwoordelijk zijn. Mijn pad
op de bestemming aangekomen doordat
ik nooit vertrok. Maar dit mocht van u niet blijven.
U duwde mij de wereld in. Naakt landde ik
in vijandschap, moest vechten om te overleven,
zoeken naar het goede op de tast. Alleen,
want hoe ik riep, u leek mij nooit te horen, leek
zelfs niet te bestaan. Toch vertelden mensen dat 
ik zou worden afgerekend op mijn houden van
slechts te raden regels, betwiste rituelen
waarmee ik nooit had ingestemd en faalde ik
dan was het oordeel pijn tot in de eeuwigheid.
U was niet goed, toch moest ik u wel zo noemen.
Ik leed. Toen zag ik u begraven in de grond
een deel van mij in uw etterende wonden, 
de prijs betaald zodat ik u zou vergeven
en deel zou zijn van u. Het leven won finaal
de strijd en ik rees met u op. Het hele land
kreeg kleur en zelfs wie in de hel was afgedwaald
bracht u terug. De aanklacht ongedaan gemaakt
nam ik uw gave aan in jonge dankbaarheid.
 
Dit artikel dat ik afgelopen woensdag las, overtuigde mij dat God uiteindelijk iedereen zal redden. Of dat hij niet werkelijk goed is, en in dat geval: waarom zou ik in Hem geloven? Het is eigenlijk heel eenvoudig: als God uit vrije keuze het heelal en elk van ons heeft gemaakt, is hij uiteindelijk verantwoordelijk voor hoe het met ons afloopt, en niet wij.

vrijdag 18 september 2015

Boekbespreking: The Zero Marginal Cost Society (3): de fractal van Gods koninkrijk

Wat we volgens Rifkin zien doorheen de ontwikkeling van de mensheid (van steentijdstammen tot derde industriële revolutie) is dat de inherente sociale natuur van de mens steeds meer zichtbaar wordt en steeds meer dat 'anders' is in zich sluit. En deze ontwikkeling richting de Homo empathicus wordt niet bereikt door enkele individuen, is niet afhankelijk van onze eigen inzet. Het lijkt een ontwikkeling te zijn die zichzelf voortbrengt: nieuwe innovaties in communicatie, vervoer en energie leiden tot een nieuw bewustzijn bij de mens, en dat gaat leiden tot nieuwe innovaties. Het is niet van elkaar te scheiden: er is ontwikkeling op alle terreinen en die dragen allemaal aan elkaar bij. Het betekent ook dat het niet te stoppen is. Het is niet voor niets dat juist in deze tijd de Chaostheorie in opmars is, want deze lijkt dit proces prima te beschrijven.

Chaostheorie beschrijft hoe uit een chaotisch systeem bij een heel kleine verstoring al heel complexe patronen kunnen ontstaan, schijnbaar spontaan, zoals fractals. Dit blijkt op veel terreinen te gelden: het weer bijvoorbeeld. Maar ook bij de aanleg van organen in het lichaam. De werkelijkheid lijkt een fractalstructuur te hebben. Martin Brasier past het principe in Darwin's Lost World toe op de evolutie. Het ontstaan van leven kan namelijk worden beschouwd als het effect van een chaotisch systeem dat zoekt naar een equilibrium. Hierbij ontstaat toenemende complexiteit (een fractal). Dit geldt voor de vorming van een cel (veel complexer kan een structuur niet zijn) uit het chaotische chemische systeem van de 'oersoep'. De opkomst van meercellig leven was op gelijke wijze het effect van het complexe systeem van eencellig leven dat in een crisistoestand terechtkwam en een nieuwe evenwicht zocht. Dat evenwicht is nu, na bijna 600 miljoen jaar, nog steeds niet bereikt en de opkomst van mensen en het ontstaan van bewustzijn zijn steeds complexere uitingen van het naar evenwicht zoekende systeem: steeds verdere vertakkingen van de fractal.
Welke richting deze ontwikkeling van chaotische systemen uitgaat wordt bepaald door een 'strange attractor' - zoals de route die een lawine volgt, wordt bepaald door de valleien in een berghelling. Onder de chaos van onze wereld schuilt dus een principe, de 'strange attractor' dat als vanzelf' het menselijke bewustzijn voortbrengt. En dit bewustzijn ontwikkelt zich, zoals we zagen, nog steeds, naar steeds meer samenwerking en empathie! Mensen kunnen dit met hun bewuste handelen misschien tijdelijk tegenhouden, maar ze kunnen het niet stoppen. Wij behoren namelijk tot het systeem zelf, en niet tot de 'strange attractor' onder het systeem!

Zo zien we dus dat zonder dat het een bewuste keuze is, de beschikbaarheid van nieuwe technologie nu al bij jongere generaties leidt tot een andere manier van leven. Waarbij delen vanzelfsprekend is, toegang tot wat nodig is een recht, en iedereen er bij moet kunnen horen. Mijn jonge nichtje groeit op in een heel andere wereld dan ik, zonder dat een enkel persoon heeft gekozen dat die wereld er moet komen. De komst van de nieuwe wereld is een gegeven, inherent aan de 'strange attractor' onder onze wereld.
Ik zie hier een connectie met de sacramentele manier van naar de wereld kijken (versus de transactionele manier) en de manier waarop Jezus spreekt over het koninkrijk van God: een realiteit die al aanwezig is, maar nog zichtbaar aan het worden is. Als gist dat deeg doortrekt, en het hele deeg verandert, of als zaad in de akker. Wat als de 'strange attractor' die de schepping naar een steeds hoger organisatieniveau brengt en mensen naar een steeds hoger niveau van empathie, niets anders is dan de aanwezigheid van God, dan zijn koninkijk? Wat als wij er niet voor verantwoordelijk zijn, maar zijn aanwezigheid in de chaos uiteindelijk de nieuwe wereld daaruit voort laat komen? Wat als alles wat wij om ons heen zien opbloeien aan samenwerking en aan liefde uitingen zijn van dit proces, de eerste tekenen van wat nog gaat komen? Wat als God ooit alles zal zijn en in allen, en dat er dan geen tempel meer zal zijn, en geen handel, maar dat het Lam het licht van de mens zal zijn? Wat als deze aanwezigheid van God onder alle dingen, die door de geschiedenis heen leven brengt uit de dood, en complexiteit uit chaos, volmaakt is zichtbaar geworden in de dood en opstanding van Jezus, en nu al gedeeltelijk zichtbaar wordt in ons eigen leven, elke keer als we ervoor kiezen betekenis te creëren of elkaar lief te hebben?

Natuurlijk zullen er christenen zijn die deze manier van naar de wereld kijken te positief vinden, die erop wijzen dat volgens de bijbel alles slechter zal worden, eindigend in een apocalyps, waarna alles in vuur zal vergaan. De op dit moment standaard toekomstverwachting van de evangelische kerk is voortgekomen uit de Vergadering van Gelovigen, een van de kerken die opkwam tegelijk met het ontstaan van het kapitalisme. En die dus door hetzelfde escalerende 'wij-zij'-denken, het schaarstedenken, wordt gekenmerkt. Ik schreef hierover in mijn essay over de laatste Hunger Games-film.
De realiteit is echter dat dit niet de enig mogelijke interpretatie is van de schriften. Het is ook mogelijk aan te nemen dat de woorden van Jezus in Mattheus 24 en de beschrijvingen uit Openbaring bedoeld waren voor de gelovigen in die tijd, die hun eigen apocalyptische ervaringen zouden hebben: de val van Jeruzalem, en de christenvervolgingen in het Romeinse rijk. Zij kregen de aanmoediging hoop te houden, te blijven strijden tegen het oude wereldsysteem en te hopen op de toekomst die zou komen. Dezelfde aansporingen kunnen wij goed gebruiken in onze strijd. Niet tegen vlees en bloed, maar tegen overheden en machten in de hemelse gewesten: de mensonterende geest achter het kapitalisme en het fundamentalisme. Tegelijk zeggen de christenen die op deze andere manier de bijbel uitleggen dat we in de tijd leven van de regering van Christus ('het millennium'), waarin het koninkrijk (zij het onder tegenstand) steeds duidelijker zichtbaar wordt. Het is niet tegen te houden. En als het volledig zichtbaar is, de nieuwe wereld is gearriveerd, zal de Koning zelf komen en zullen wij hem tegemoet gaan om hem binnen te halen.
Ook deze uitleg is geen moderne inventie, maar heeft goede papieren in de geschiedenis van de kerk. Zou het dan kunnen zijn dat de nieuwe initiatieven die we om ons heen zien verschijnen, de komst van een empathische cultuur, niet een rijk van de antichrist is waar we weer bang voor hoeven zijn, maar juist een uiting van de komst van de koning, een teken dat zijn terugkeer nabij is? En zou het kunnen dat we de komst van deze nieuwe wereld niet kunnen tegenhouden, maar dat de uitnodiging is om eraan bij te dragen? Ook het koninkrijk van God wordt realiteit met of zonder ons, maar Jezus nodigt ons uit om ervoor open te staan 'als een kind', en het in ons leven al zichtbaar te laten worden. Dan worden we een korreltje in de fractal, een steen in de tempel die nu wordt gebouwd.
Ik schreef al eerder op mijn blog over deze dingen onder de titel 'Het spel verlaten'. En nu pas, tijdens het schrijven van deze wel heel uitgebreide boekbespreking, realiseer ik me dat die serie erover ging dat ik afscheid nam van de oude structuren gebaseerd op angst en het onder controle houden van mensen. Dat spel wilde ik niet meer meespelen. Maar pas nu zie ik de contouren opdoemen van het alternatief, en wat een fantastisch visioen is het! Dit is het waard om voor te leven! Je moet eerst het oude systeem verlaten, voor je oog kunt krijgen voor het nieuwe! Over wat dit betekent voor de kerk, zullen we met elkaar nog moeten nadenken. Het zal waarschijnlijk, net als in de nieuwe economie, gaan over samenwerking, netwerken, delen en toegang hebben tot. Ik ben benieuwd wat er op dat gebied allemaal gaat ontstaan.

Rifkin geeft in zijn boek allerlei inspirerende voorbeelden van de 'collaborative commons', de nieuwe manieren van samenwerken en van delen die voor de komende generaties steeds vanzelfsprekender worden. Ikzelf zoek al naar foto's op Morguefile en naar inspirerende kunst op Deviantart. Mijn vrouw luistert muziek en kijkt video's op Youtube. Mensen boeken geen hotelkamers meer, maar logeren bij anderen via couchsurfing en AirBnB, en ze delen auto's met elkaar via Greenwheels. En elke dag staan er in de krantjes artikelen over de opkomst van robots, het belang van empathie, en nieuwe ideeen op het internet, zoals Kickstarterprojecten en andere vormen van crowdfunding. Rifkin schrijft over nieuwe vormen van landbouw, waarbij mensen zich aansluiten bij coorperaties en samen inkopen gaan doen. Ze investeren samen in een boerderij en krijgen er groente voor terug. Een ander mooi initiatief dat hij beschrijft is een systeem waarbij moeders kinderkleding uitwisselen. In plaats van om de paar maanden nieuwe kleren te kopen (heel verkwistend), doen ze de oude kleren in een zak die ze opsturen. En ze krijgen een zak met kleding in een grotere maat terug. Het systeem werkt zo dat mensen ervoor beloond worden als ze niet versleten kleding opsturen. Prachtig om te lezen!
Dit soort verhalen leiden ertoe dat ik voor het eerst in lange tijd hoop heb voor de toekomst. Eindelijk kan ik er naar vooruitzien echt tot bloei te komen, in plaats van slechts te overleven. En het boek onthulde ook dat in mij een verborgen radicaal schuilt. Want ik geloof werkelijk in de uitgangspunten achter deze nieuwe economie. We zijn bedoeld om met elkaar te delen van onze overvloed (zoals in de tuin van Eden). En ook zijn muziek, ideeen en verhalen geen producten die op de markt verkocht kunnen worden, maar moet ieder mens er toegang toe kunnen hebben. De menselijke geest mag niet door het kapitalisme worden omheind. Een muzikant, en ook een schrijver, wil ook dat mensen kunnen delen in zijn/haar muziek, verhalen, ideeën. Aan de andere kant zal een samenleving die leeft op basis van overvloed mensen willen vrijstellen om muziek, verhalen en ideeen te genereren. Daarvoor zullen ze de muzikanten, schrijvers en denkers willen ondersteunen, maar op andere manieren. Dit zie je al in de wereld van de 'open source software', waar men bijvoorbeeld instructieboeken koopt, zodat de programmeurs nog meer gratis software kunnen maken. Zo zal het uiteindelijk voor een schrijver ook gaan. Nu zitten we nog tussen systemen in, en dus zal voorlopig nog voor boeken van mij betaald moeten worden, maar ik ga ook zoeken naar andere manieren om zoveel mogelijk mensen goede verhalen te laten lezen. Deze blog is daar eigenlijk al een voorbeeld van, met gratis gedichten, filmbesprekingen en essays! Ik ben al deel van de nieuwe wereld, zonder dat ik er bewust voor heb gekozen. Precies zoals het is met het Koninkrijk van God.

Rifkin zelf houdt zich aan de principes in zijn boek: 'The Zero Marginal Cost Society' is gratis te lezen op PDF

woensdag 13 mei 2015

Gedicht: Terugkeer

Terugkeer

En opeens is het zover:
de lucht weer blauw, het blad
van bomen schreeuwend als
de brengers van goed nieuws.
Kastanjes steken vlaggen op.
De bermen vol confetti:
fluitenkruid. Het geel van 
boterbloemen schettert
als trompetten. Het kwam uit 
het niets, rolde tapijten uit
bijna te fel voor mijn ogen
over de weiden. Het elastiek
is teruggeveerd. Het was zo strak
gespannen, leek te breken.
De wereld hield haar adem in.
Werd grijs. Niet meer. Terug is
het leven, deelt verkwistend 
uit van zichzelf. En ook aan mij.
Ja, dit gaat ooit voorbij. Eens went
de overdaad, verdwijnt de jeugd.
Maar nu ben ik hersteld 
en dans, mijn bed gedragen
op mijn schouders, op het feest.

donderdag 23 oktober 2014

Filmbespreking: What Dreams May Come

Toen een paar maanden geleden het nieuws bekend werd dat komiek en acteur Robin Williams zelfmoord had gepleegd, kwam dat als een grote klap. Ik was er meer van onder de indruk dan van de dood van Michael Jackson eerder, maar ik ben dan ook meer een film- dan een muziekliefhebber, en waardeerde Robin Williams erg vanwege zijn rollen in onder andere Alladin, Dead Poets Society, Good Will Hunting en ga zo maar door. Bij het kijken van What Dreams May Come moest ik weer denken aan zijn dood. Niet omdat zijn rol in deze film nu zo memorabel is. Hij speelt een sympathieke hoofdpersoon, en brengt zijn verbazing en vastberadenheid goed, maar het is geen rol waardoor hij zal blijven voortleven. De film zelf lijkt ook al in de vergetelheid te raken, en buiten enkele prachtige visuele effecten na (de geverfde tuin, de stad aan de overkant, de vlakte van de hel - allemaal ingegeven door romantische kunst) is dat mijns inziens niet onterecht. Een filmmaker als Christopher Nolan maakte met Inception al een veel bevreemdender beeld van een andere werkelijkheid, waardoor deze toch als zoet en oppervlakkig blijft hangen (zoals ook de romantische kunst waarop de beelden van het paradijs zijn gebaseerd uiteindelijk gekunsteld aanvoelen). Het geschetste beeld van de hemel acht ik ook theologisch zwak, alhoewel ik in de film wel mooie metaforen zag, maar daarover later meer. Nu terug naar de dood van Robin Williams. Daar moest ik aan denken, omdat deze film over zelfmoord gaat. En dat zijn karakter in de film zijn vrouw voorhoudt dat ze moet kiezen voor het leven. Het is ironisch dat Williams zelf in een zo duister gat terecht is gekomen, dat hij zelf die boodschappen niet meer kon horen en koos voor zelfdestructie in plaats van hoop. De film zelf toont ook hoe diep de wanhoop moet zijn voor iemand zo’n keuze maakt, en ik bedoel dus geen verwijt aan Williams. Zijn dood is een voortvloeisel uit onze menselijke toestand, waarbij we ons op onszelf teruggeworpen voelen en niet kunnen geloven dat we waardevol zijn, of geliefd. Maar dat betekent niet dat we niet waardevol zijn en dat we niet geliefd zijn.

Williams speelt Chris Nielsen, een arts die gelukkig getrouwd is met kunstenares Annie. Bij een auto-ongeluk komen hun beide kinderen om het leven. Die klap brengt Annie zo van slag dat ze in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden opgenomen. Er dreigt een scheiding aan te komen, maar Annie kiest ervoor om de draad weer op te pakken. Vier jaar later sterft Chris echter in een auto-ongeluk. Aan gene zijde van de dood wordt hij opgewacht door Albert, een oude vriend, die hem vertelt dat hij in de hemel is. Een hemel die er precies uitziet als een schilderij dat zijn vrouw heeft gemaakt (en zelfs bestaat uit verf). Voor hij ervan heeft kunnen genieten, krijgt hij te horen dat Annie is gestorven. En omdat ze niet gelooft dat ze er mag zijn, is ze in de hel terechtgekomen. Chris krijgt te horen dat hij dat maar moet accepteren, omdat niemand ooit uit de hel is teruggebracht. Maar hij steigert. Accepteren dat de vrouw die hij zijn hele leven heeft liefgehad, met wie hij al een keer door een hel was gegaan, die zijn leven was, voor eeuwig pijn zou lijden? Dat is hij niet van plan. Dus begint hij samen met Albert aan een reis naar de diepte om haar te gaan zoeken. Ondertussen moet hij ook de waarheid over zijn kinderen onder ogen zien, want waarom heeft hij hen in de hemel eigenlijk nog niet ontmoet?

De eerste aanwijzing dat deze film niet alleen maar te lezen is als een oppervlakkige ‘wish fulfillment’ van een Westers ideaal van het leven na de dood, was voor mij de naam van de schrijver van het oorspronkelijke verhaal. Richard Matheson. Hij is bekend als schrijver van onder andere The Omega Man, The Shrinking Man en nog veel andere verhalen (ik heb een interessante bundel SF-verhalen van hem in de kast staan). Zijn verhalen zijn meestal niet conventioneel, en zijn altijd op meerdere niveaus te lezen. Ik zie geen reden waarom dat met dit verhaal niet het geval zou zijn. (En de elementen waar ik me aan ergerde (het reïncarnatieaspect) leken er zo aan de haren bij te zijn gesleept, dat ik ervan uitga dat die niet bij het oorspronkelijke verhaal hoorden).
En een eindje op weg in de film wordt het zelfs geëxpliciteerd. Chris vraagt zijn begeleider Albert waar God eigenlijk is. Hij heeft hem namelijk nog niet ontmoet. Albert antwoordt: ‘Daarboven. En hij roept naar ons dat hij van ons houdt, en vraagt zich af waarom wij hem niet kunnen horen.’ Het lijkt eerst bedoeld als makkelijke oplossing om God buiten beeld te houden, maar niet veel later roept Chris hetzelfde tot zijn vrouw: ‘Ik houd van je!’. Maar ze hoort hem niet, gooit terpentine over een schilderij heen en zakt wanhopig in elkaar. En Chris ook, want waarom lukt het hem niet zijn liefde te communiceren? De parallel tussen deze twee scenes, zo kort achter elkaar, wijst erop dat hier het thematische hart van de film ligt, wat Richard Matheson wilde aanstippen: wat kun je doen om iemand ervan te overtuigen dat je van hem of haar houdt, als de ander je niet kan horen? Moet je dat maar accepteren en je rug naar die ander toekeren?
Ik werk op de communicatieafdeling van een organisatie, en daar heb ik wel eens de stelregel gehoord: als er iets misgaat in de communicatie en de ander heeft je niet begrepen, dan is dat niet de verantwoordelijkheid van de ander, maar van jou als degene die communiceert. Dan moet je je communicatie aanpassen. En dat is wat Chris doet. Toen hij en zijn vrouw nog leefden, dreigde hij haar ook al kwijt te raken. Zij beschuldigde hem er toen van dat hij niet bij haar was gebleven in haar verdriet, maar dat hij was gevlucht in zijn werk. En hij gaf haar gelijk. Daarom draait hij zich nu niet van haar af, maar gaat haar achterna, tot in de diepte van de hel. Als hij haar daar uiteindelijk aantreft, lukt het hem niet haar te overreden. Zijn argumenten vallen op dove oren. Ze herkent hem zelf niet. Dus besluit hij bij haar te blijven, en haar lot te delen. Hij blijft naast haar zitten, alleen om van haar te houden, zelfs al blijft zij tegen hem schelden, blijft ze hem slaan, blijft ze hem pijn doen. Zelfs al zou hij zelf dan ook verloren zijn. Hij zal zich nooit meer van haar afkeren.
Dat is precies hoe God ervoor gekozen heeft zijn liefde te communiceren naar de mensen die niet konden horen hoe hij zijn liefde voor hen uitschreeuwde. Hij heeft hen opgezocht, is bij hen komen zitten, en accepteerde zelfs hoe zij zich op hem uitleefden. Hij vergaf hen alles, omdat ze niet wisten wat ze deden. Tot zijn dood aan toe. ‘Hij opende zijn armen wijd aan het kruis’, zegt een regel in de Anglicaanse liturgie, heel mooi. Natuurlijk is het niet toevallig dat de hoofdpersoon van deze film ‘Chris’ heet. ‘Christy’ noemt zijn vrouw hem zelfs. Duidelijker kan het niet. Jezus Christus is Immanuel, God met ons. En hij heeft laten zien nooit zich van ons af te keren, zelfs niet als wij hem doden. Daar was het hem om te doen, al vanaf het begin. Niet om ons te straffen.
Albert zegt het tegen Chris: ‘Het is geen oordeel, geen rechtspraak’. Het is een gevolg. De mensen die niet de liefde van God ervaren, hebben (met de woorden van C.S. Lewis) zelf de sleutel omgedraaid aan de binnenkant van het slot. De liefde van God is namelijk niet veranderd. Ze zijn op zichzelf gericht en kiezen er kennelijk niet voor open te staan voor de ander, door zelfzucht of wanhoop. Dat is de straf - het wordt in de film ook gezegd: hun leven op Aarde was al tot een hel geworden. Zelfs de uitsluiting van mensen in het paradijs in Genesis 3 is niet te lezen als straf. God voorkomt dat de mens, die zo graag als God wilde worden en zichzelf dus centraal stelde, eeuwig zou blijven leven. Want dan zou de mens eeuwig zo op zichzelf gericht zijn, gebukt onder schaamte en de breuk met de ander. Hetzelfde verhaal uit Genesis suggereert dat de mens religie kan aangrijpen als alternatief om goed over zichzelf te denken, maar dat het vervullen van religieuze plichten niet helpt om te ontsnappen uit de eenzaamheid van het als God willen zijn - zie het verhaal van Kain. In de film komt een omgekeerd kerkgebouw voor - een treffend beeld hoe wij dat wat bedoeld is om de liefde van God te leren kennen, vervormen tot iets wat alleen ons eigen ego dient. De enige ontsnapping uit deze spiraal waarin wij wij onszelf verliezen is door de dood. We gaan verloren omdat we zo aan onze wanhoop of juis ego willen vasthouden, en kunnen alleen gered worden als we onze hand durven openen. Als we liefde toelaten. Daarop volgt de opstanding (wat in de film ook wordt gesymboliseerd, met beelden van water en onderdompeling, die met de doop en dus de dood zijn te associëren).

Voor ons die opgegroeid zijn in de westerse theologie klinkt dit allemaal vreemd, onwerkelijk. Wij denken namelijk van jongs af aan dat God zich aan een wet moet houden, en een soort ‘smetvrees’ heeft, dus dat hij zich wel van ons af moet keren als wij tekortschieten. Hij kan niet meer van ons houden, als wij niet perfect zouden zijn. En we zien het werk van Jezus (die in ons beeld vaak een heel ander karakter heeft dan God zelf) als een plaatsvervangend offer. God leeft zijn afkeer (smetvrees of ‘wettelijke straf’) uit op een onschuldige tussenpersoon (zijn eigen kind nota bene), en doet dan alsof wij die persoon zijn. Door zo te doen alsof (wij ‘staan in de positie van Christus’, of ‘God ziet ons in Christus’) kan God ons toch in zijn aanwezigheid accepteren. Maar hij kan niet werkelijk van ons, onvolmaakte mensen, houden. O wee als wij niet beschermd waren door het bloed van Jezus, dan zou hij ons wel raken met eeuwige toorn. Het is dus aan ons om ons te bekeren en ons achter het offer van Jezus te scharen, willen we kunnen zeggen dat God van ons houdt (niet van ons, maar van ons ‘In Christus). En we moeten ons best doen daar niet van achter vandaan te komen.
Gisteravond, toen ik deze film bekeek, werd ik voor het eerst echt boos om dit beeld van God. Echt boos. Het is toch van de zotte dat een man ervoor kan kiezen zijn vrouw te blijven liefhebben, ook als ze psychisch ziek is en hem uitscheldt, of ouders alles doen om in contact te blijven met hun kinderen, maar dat God zijn schepselen zomaar zou laten vallen als ze een fout maken, pijn hebben, of zich van hem afkeren. Het kan toch niet zo zijn dat God zo wankelmoedig is? Dat hij zegt van mensen te houden, maar er niets voor over heeft ze die liefde te laten ervaren? Het zou toch bizar zijn als God ons alleen maar zou accepteren als we ‘on our best behaviour’ zijn, en het hem niets zou kunnen schelen als we onszelf ‘verloren’ laten gaan? Gods liefde zou dan toch puur voorwaardelijk zijn, en geen ‘liefde’ mogen heten? Dan zou God toch meer een nare werkgever zijn, of slechte tiran? Zo’n God zouden we toch niet moeten willen dienen? Ik denk dat we hier echt boos om mogen, nee, moeten worden, want dit Godsbeeld doet totaal geen recht aan wie God is, en is dus eigenlijk zelfs godslasterlijk.
Wie God is, is voor eens en altijd zichtbaar geworden in Jezus, die mens werd, zich identificeerde met zieken en zondaars, en zich zonder protesteren aan het kruis liet nagelen om bij ons te zijn in onze dood. God die zich niet van mensen afkeert, ook niet als zij zich wel van hem afkeren. Die zich bij hen voegt en hen toeroept dat Hij van hen houdt, ook als zij weigeren naar Hem te luisteren. Die hen zelfs opzoekt in de dood, want die vormt voor Hem geen beperking. Dit is een heel ander Godsbeeld, maar wel een met diepe wortels in de christelijke traditie. Namelijk de Oosterse traditie. Kijk maar eens naar deze video waarin een Oosters Orthodoxe priester het verschil uitlegde tussen het reddingsverhaal uit de Westerse en dat uit de Oosterse traditie.


Inderdaad, God is in deze film niet in beeld gebracht, en Jezus ook niet. Maar zij worden wel zichtbaar in Chris/Christy als hij nederdaalt ter helle, en zijn vrouw daar niet alleen laat, zoals hij ook zijn kinderen overtuigt van zijn liefde en zijn respect voor hen als individu. Een krachtig beeld, dat ik op dit punt in mijn geloofsreis goed kon gebruiken. Net als Annie in deze film vind ik het moeilijk echt te geloven dat ik geliefd ben, dat iemand van mij kan houden, zoals ik ben. Zelfs als mijn vrouw me vertelt dat ze me knap vindt, en lief, en begripsvol, en moedig, lijkt het alsof ze het over een ander heeft en niet over mij. Ik vind namelijk zelf dat ik meer moet doen en beter moet zijn, voor ik geaccepteerd kan worden. Daarom heb ik dit soort verhalen nodig, om me ervan te overtuigen dat God daar in elk geval niet zo over denkt. Hij zoekt me op, ook al ben ik kritisch op mezelf en ongelukkig in mijn zelfafwijzing. Hij accepteert mijn frustratie, niet maar even, maar zo lang als nodig is tot uiteindelijk zijn liefde tot me gaat doordringen.

En nee, als lezer van N.T. Wright (en als bijbellezer), moet ik natuurlijk zeggen dat ik het in deze film geschetste beeld van het leven na de dood niet overtuigend vind. De bijbelse argumenten voor het geloof in de opstanding en het leven op de nieuwe Aarde ga ik hier niet herhalen (zie daarvoor dit blogbericht), maar ik werd hier ook aan herinnerd door de scene in de film waarbij Chris voor het eerst in de hemel is. Zijn vriend Albert vertelt hem dan dat hij een universum voor zichzelf alleen heeft, dat hij met zijn gedachten kan besturen. Alles is zoals hij bedenkt dat het moet zijn. Er hangt een vogel in de lucht, die pas gaat vliegen als Chris daartoe opdracht geeft. En ik dacht: dat zou voor mij helemaal niet de hemel zijn. Een universum dat ik bij elkaar zou hebben bedacht, zou tam, saai en voorspelbaar zijn. Ik zou alles al van te voren weten, en als ik bewegende wolken zou willen zien zou ik daar zelf voor moeten zorgen. Ik denk dat het bij de ervaring van schoonheid onontbeerlijk is dat het object een onafhankelijk bestaan heeft buiten jezelf. Dat je wordt geconfronteerd met iets echts, iets waars, iets eigens. Iets waar je een relatie mee zou kunnen hebben. Want ook liefde wil een object buiten zichzelf (denk aan de film Inception waarin de hoofdpersoon uiteindelijk ook geen relatie aangaat met de ideale vrouw in zijn droom, want die heeft niet alle kleine imperfecties van de echte vrouw. Hij wil een echt persoon kunnen liefhebben). En dat is waarom onze hoop die is van een opstanding en een vernieuwing van de schepping, in al zijn concreetheid. Misschien dat in dit licht het ‘reïncarnatie-einde’ positief is uit te leggen: als een opstanding in een nieuwe wereld. Geen fantasierijk, maar een echte wereld, waar echte schoonheid en echte liefde mogelijk zijn en blijven. Ik geloof dat Robin Williams die wereld ook zal kennen, want zoals zijn karakter dat in de film deed, zal God zich bij hem voegen in zijn wanhoop, en hem net zo lang liefhebben tot hij die liefde kan ontvangen. Gods liefde is namelijk nog veel groter dan die van Chris.

zondag 29 juni 2014

Filmbespreking: The Double

Al een paar jaar houd ik me graag bezig met de persoonlijkheidstypetheorie, met name die gebaseerd op Jung, de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI). Anderen geven de voorkeur aan de ‘big five’, omdat er meer wetenschappelijke ondersteuning voor zou gaan, weer anderen vinden MBTI de ‘astrologie voor hoog opgeleiden’. Natuurlijk is ieder mens verschillend en schiet elk netwerk dat je over de menige probeert te leggen tekort. Niemand is volledig een bepaald persoonlijkheidstype, en een persoonlijkheidstype kan niet iemands hele identiteit beschrijven. Een individu is niet zijn ‘persoonlijkheidstype’. Maar een persoonlijkheidstypetheorie en de beschrijvingen die erbij horen, kunnen wel dienen als metafoor om te praten over jezelf, hoe je informatie verwerkt en keuzes maakt, en op welke manieren je verschilt van je omgeving (of mensen in je omgeving van jou). Mij heeft de MBTI in elk geval geholpen bij mijn zelfacceptatie (ik ben niet de enige die Introvert is, Intuitief, Gevoelskeuzes maakt (Feeling) en processen graag afsluit (Judging)). Dit systeem hielp me ook bij het begrijpen dat anderen niet hetzelfde op situaties reageren als ik (bijvoorbeeld omdat ze Extrovert zijn, graag Concreet bezig zijn (Sensing), rationeel blijven (Thinking), en graag open eindes open houden (Perceiving)).
Deze filmbespreking heeft niet tot doel je over te halen ook MBTI te gaan toepassen. Al was het alleen maar omdat Dostoyevsky in de negentiende eeuw natuurlijk niet had gehoord van de MBTI, en deze film is op een van zijn novelles gebaseerd. Maar een aspect van de MBTI hielp me wel de film beter te begrijpen. En dat is het fenomeen van de ‘verborgen persoonlijkheid’ of de 'schaduw', die tevoorschijn komt onder stress. De MBTI postuleert namelijk een rangorde van ‘functies’ die we bij voorkeur gebruiken. Ikzelf gebruik bijvoorbeeld graag als eerste Introverted Intuition - mijn intuitie, die naar binnen is gericht, en bezig is met het vormen van een netwerk van associaties. Op de tweede plek komt de Extroverted Feeling,  mijn waarden die ik afmeet aan de omgeving, dus hoe reageren anderen op wat ik zeg, hoe voelen anderen zich in een situatie? Dan volgt Introverted Thinking - die zich bezig houdt met ordening en logische argumenten - de derde functie, dus die is minder belangrijk voor me. De vierde functie is zelfs bijna geheel onbewust: de Extroverted Sensing - mijn gerichtheid op het waarnemen van mijn omgeving, het bezig zijn met concrete resultaten.
Wat gebeurt er nu ten tijde van stress? Dan word ik verleid om mijn vierde functie tot mijn primaire functie te maken. Ik word verleid om me te laten leiden door Extroverted Sensing, het behalen van resultaten, mijn eigenwaarde te laten afhangen van mijn prestaties en me te vergelijken met de concrete verworvenheden van anderen. En dan het denken, dan mijn waarden en als laatste mijn intuïtie. Dit is de functievolgorde van de ESTP - het totale tegenovergestelde van de INFJ die ik ben in normalen doen. Het duidelijkst werd deze ‘verborgen persoonlijkheid’ voor mij in de periode voor mijn overspannenheid, toen ik dacht dat ik elke dag een bepaald aantal hoofdstukken uit de bijbel moest lezen en anderen moest overtroeven met mijn Bijbelkennis. Ik dacht dat ik mijn plek moest verwerven als Bijbelleraar en dat mijn waarde afhing van het concrete resultaat van het schrijven van boeken en artikelen. Ik was zelfs bereid kritiek te hebben op anderen en ze af te wijzen als dat mij verder zou helpen. En ik luisterde niet naar mijn intuïtie, die op de achtergrond fluisterde dat het niet kon kloppen wat ik geloofde, maar vormde steeds complexere theorieën om mijn eigen gelijk te kunnen houden.
Even terzijde: ik weet van iemand die zich identificeert met het ENFP-type (extravert, levenslustig, spontaan, vol ideeën), dat die zich in periodes van stress liet verleiden tot een leven als ISTJ (stil, teruggetrokken, zich aan de regeltjes houdend, braaf). En een ESTP die zich vertoont als INFJ en allerlei vergezochte theorieën spuit, en zichzelf slimmer vindt dan Einstein. Let wel: het gaat om ‘valse vormen’ van deze persoonlijkheidstypen. Er is niks mis met een ESTP, maar wel iets met een INFJ die zich als ESTP gedraagt. Ik werd er doodmoe van, ongelukkig en uiteindelijk overspannen. Maar ik wist niet wat ik anders kon, dit was namelijk de enige manier die ik kende om met de situatie om te gaan waarin ik me bevond. Ik zag geen uitweg.

Dat was waarom ik zo geraakt werd door de film The Double, die heel scherp in beeld brengt hoe de ‘verborgen persoonlijkheid’ of 'schaduw' zich manifesteert, hoe we door daaraan toe te geven uiteindelijk verder weg van huis raken, en wat de weg uit deze gebondenheid is - een weg die ik ook heb doorgemaakt. Een weg van dood en opstanding, in plaats van harder werken. De hoofdpersoon van deze film is Simon James, een bescheiden jonge man met een saaie, beperkende kantoorbaan, die verliefde is op het meisje bij de kopieerafdeling, maar haar niet mee uit durft te vragen. Op een dag komt er een nieuwe werknemer op het kantoor, ene James Simon, die er precies uitziet als Simon. Maar niet verlegen is. Hij maakt zich geliefd bij de directeur (die eerst niet eens wist dat Simon voor hem werkte) en begint zelfs te daten met het meisje op wie Simon een oogje had. Simons leven wordt door deze James overgenomen, tot hij zelf eigenlijk maar beter niet kan bestaan. Het lijkt alsof hij onherroepelijk de kant op wordt gedreven van zelfmoord.

Deze korte omschrijving maakt al wel duidelijk: dit is stevige kost. Op sommige websites wordt de film geschaard onder ‘komedie’, maar dat is echt niet de juiste kwalificatie. Wat deze film wel is, is een geslaagde verfilming van Dostoyevsky. Ik heb de oorspronkelijke novelle niet gelezen, maar wel Crime and Punishment - en de sfeer van deze film was precies die van dat boek: dezelfde combinatie van een uitvergrootte grimmige omgeving, die de innerlijke wereld van de hoofdpersoon weerkaatste, het licht koortsachtige gevoel dat van elke pagina afdroop, en de wrange humoristische situaties en terzijdes, die het gevoel van onbehagen niet opheffen maar juist versterken. Ik heb bij het lezen van Dostoyevsky nooit het idee dat het Rusland dat hij beschrijft overeenkomt met hoe Rusland werkelijk was - maar wel dat het iets uitdrukt over hoe hij Rusland ervaart. De man was voor het vuurpeloton weggeroepen met genade op het laatste moment - geen wonder dat hij het leven door een wat absurdistische bril beziet. De wereld in deze film is een grimmige uitvergroting, vol schaduwen en spiegelbeelden (thematisch terecht), met daarin goed acterende hoofdpersonen (inclusief Wallace Shawn, bekend uit The Princess Bride). Bizarre Japanse popmuziek (wat weer toevoegt aan de eigenheid van de gefilmde wereld), en Kafkaiaanse bureaucratie (maar ook Dostoyevsky was niet zo van de bureaucratie). Ik kwam in elk geval enthousiast pratend en filosoferend de bioscoopzaal uit, wat voor mij altijd een goed teken is! Ik kan de film van harte aanbevelen, maar wees wel voorbereid op een aangrijpende filmervaring.

De film begint als Simon in de metro wordt aangesproken door iemand van wie we het gezicht niet zien. Hij zegt: ‘Je zit op mijn plek’, maar er is verder niemand. Toch maakt Simon plaats. We zien zijn gezicht half in de schaduw zodat alleen zijn ene oog zichtbaar is. Hij beweegt zijn hand voor zijn gezicht langs, en we zien alleen zijn andere oog. En met dat oog ziet hij zijn collega Hannah, het meisje op wie hij al een tijdje een oogje heeft. Eigenlijk maakt deze eerste scene de verbinding duidelijk met de ‘verborgen persoonlijkheid’ zoals ik die ken uit de MBTI - dit is een persoon met twee kanten. Dat wordt overigens ook al gesuggereerd door de Bijbelse connotaties van zijn naam. Simon was de eerste discipel die Jezus erkende in zijn identiteit als de messias, maar tegelijk was hij degene die Jezus verloochende. Hij stapte de boot uit op grond van geloof, maar zonk in de zee toen hij om zich heen keek.
Simon zelf lijkt heel veel op een INFJ. Maar hij leeft in een wereld die voor gevoelige, intuïtieve mensen geen veilige plaats is, een wereld die hun sterke kanten niet waardeert en hen tot status van onzichtbaren degradeert. Zijn eigen moeder lijkt hem te minachten. En hierdoor is Simon ook negatief over zichzelf gaan denken. Hij kijkt van buiten naar zichzelf, en dan ziet hij niets van waarde, alsof hij alleen maar ruimte in beslag neemt. Hij bereikt niet wat hij wil, en laat geen indruk achter in de wereld. Wat is dan nog de betekenis van zijn leven? Dat soort existentiële vragen ken ik wel - ik vroeg me dat soort dingen ook vaak af. Simon kijkt op TV naar een soort sciencefictionserie. Daar ziet hij het verhaal van een held, die met een lasergeweer en een oneliner voor zijn eigen zaak opkomt en de overhand behaalt. Dit is het verhaal van de cultuur, het verhaal van de durfal. De brutale die de halve wereld heeft. Degene die zich houdt aan de ‘Seven habits of succesful people’. De winnaar, die voldoet aan alle ongeschreven idealen. Over de idealen van de wereld en de methoden om die te bereiken, kunnen we elke dag leven in de treinkrantjes, en horen in de reclames op de TV. En Simon wordt erdoor verleid. Als hijzelf zoals hij is geen waarde heeft, en niet wordt gewaardeerd, dan is het zaak om iemand anders te zijn. Iemand als James. Iemand die slijmt bij de baas, gewaagde grappen vertelt, en een promotie krijgt. Iemand die met zijn vuist op tafel slaat in het café en krijgt waar hij om vraagt. Iemand die zich houdt aan ‘the game’ als een volleerd ‘pick up artist’ en vrouwen voor zich kan winnen bij de vleet, door op hun onzekerheid in te spelen. Een parodie van een ESTP dus. (En de Bijbelse connectie? De broer van Jezus, Jacobus, geloofde niet dat Jezus de messias of de zoon van God was).
Simon en James gaan samenwerken, maar het is geen samenwerking die voor Simon gunstig uitpakt. James wordt steeds meer oncontroleerbaar, en laat een spoor van vernieling achter in Simons leven. Tot Hannah van hem walgt en zijn baas hem ontslaat. Dit is wat er gebeurt als je toegeeft aan de verleiding. De verleiding krijgt de overhand over je leven. En als je dat krijgt wat je wilde, maar op de verkeerde manier, kun je er niet van genieten. De appel waarvan Eva at in het paradijs smaakte niet zo zoet als hij op het oog had geleken. En de belofte van kennis van goed en kwaad pakte ook anders uit dan verwacht. James is namelijk niet Simon, en zolang Simon toch als James probeert te leven, verliest hij zichzelf. Ik zei het al, ik heb het ook meegemaakt. Ik was succesvol in mijn studie, maar ook op christelijk gebied: ik sprak in de kerk, schreef in tijdschriften, en werd als wandelende concordantie gewaardeerd om mijn Bijbelkennis. De ‘valse persoonlijkheid’ was een succes! Maar deze ‘succesvolle Johan’ was ik niet. Ik ben een lezer en schrijver van fantasyverhalen, aquariumliefhebber en allround 'geek'. Dat aspect van mezelf raakte ik echter kwijt. Ik had mezelf verboden films te kijken, en ik schreef niet langer meer. En vervolgens raakte ik overspannen. Hetzelfde gebeurde toen ik eindelijk niet langer vrijgezel wilde blijven. Ik las op internet over daten en over ‘the game’, de manier waarop je als man meisjes voor je zou moeten winnen. Dezelfde tips geeft James in de film aan Simon: maak vrouwen onzeker, niet direct terugbellen, laat ze liever een paar dagen wachten ... Ik heb zelfs even geprobeerd om me eraan te houden, maar het voelde als nep. Het voelde niet echt. Stel dat iemand verliefd op mij zou worden als ik 'deed alsof', dan hield ze nog steeds niet van mij, zoals ik ben. Ik werd er dus alleen maar ongelukkiger van. Als dit was wat nodig was om een vrouw te vinden, kon ik beter accepteren vrijgezel te blijven. Anders zou ik mezelf kwijt raken. Maar dan moet je toegeven dat er dingen belangrijker zijn dan succes volgens de maatstaven van de wereld (religieus of in de liefde). Dan moet je bereid zijn daaraan te sterven.

In deze film wordt dit uiteindelijk prachtig in beeld gebracht. Op een gegeven moment staat Simon op het punt helemaal te verdwijnen, terwijl James de mensen om hem heen dramatisch beschadigt. En op dat dieptepunt maakt Simon de keuze om te accepteren wie hij is. Om de waarheid onder ogen te zien. Deze scene vindt plaats onder een neon kruis. Er is een graf. James is metaforisch begraven, en staat vervolgens weer op. De symboliek kan niet duidelijker zijn. Dit is het evangelie in een notendop. Dood en opstanding! Maar wat is er gestorven? Niet James. Nog niet. Het is Simon die is gestorven. Hij was al bijna niet meer bestaand. Maar ook dat heeft hij opgegeven. Hij heeft opgegeven te willen worden gezien. Hij heeft opgegeven succesvol te zijn volgens de maatstaven van de wereld. Hij wil geen liefdesrelatie als hij daarvoor ‘the game’ moet spelen. Dan maar ‘dood’ zijn volgens de andere mensen: saai, betekenisloos, niet inspirerend. Lees wat Robert Farrar Capon zegt in zijn meesterlijke boek Kingdom, Grace, Judgment: “Ik wil je vragen je rechterhand naar voren te houden, met de palm naar boven. je voor te stellen dat iemand er het ene na het andere prachtige geschenk in plaatst. Het mag alles zijn waar je van houdt - M&M’s, weekeindjes in Centerparks, het winnende lot uit de loterij, verliefd worden, volmaakte kinderen opvoeden, wijsheid, talent, een mooi gezicht en ook nog eens nederigheid - alles. Maar let nu op. Er zijn twee manieren waarop je hand op deze mooie dingen kan reageren. Hij kan erop reageren als een levende hand, en proberen het ene mooie geschenk dat zich er op een bepaald moment in bevindt vast te grijpen en het vast te blijven houden - en zich zo afsluiten van alle andere mogelijke geschenken. Of hij kan reageren als een dode hand. In dat geval zal hij gewoon stil blijven liggen, voortdurend open voor alle goede gaven die als in een dans komen of vertrekken.”
Dit is wat Simon doet. Hij klemt zijn hand niet langer om het ideaal van een succesvol leven, maar laat zijn greep erop sterven. Hij ‘leeft’ niet langer voor dat ideaal. Zo moest ik opgeven een ‘geestelijk christen’ te zijn, ik moest het verlangen opgeven te voldoen aan het ideaalbeeld van de kerk. Ik moest sterven aan mijn religieuze drijfveer. En ik moest sterven aan mijn verlangen succesvol te zijn in de liefde- ik bleef liever mezelf (inclusief verlegenheid en ernst) en vrijgezel dan een ‘player’ te worden. Maar vervolgens komt de opstanding: ik vond mijn plezier in het lezen van verhalen terug en begon weer te schrijven. En ik vond een vrouw die mij waardeert om mijn geeky karakter en om mijn ernst, en niet verwacht dat ik aan een cultureel ideaalbeeld van masculiniteit voldoe. En zo volgt ook voor Simon de opstanding. Die begint ermee dat hij James ter dood brengt: nu hij aan zijn ideaalbeeld is gestorven, kan ook de ‘verborgen persoonlijkheid’ bij het grof vuil. Hij wordt eerlijk, naar zijn werkgever en naar de vrouw van wie hij houdt - ook als hij dan opeens obsessief lijkt, of pathetisch. Eerlijk worden doet pijn. Maar Simon was al dood - dus kon hij ook eerlijk zijn: hij had de vervulling van zijn verlangens opgegeven, dus kon hij ook de manier om die vervulling tot stand te brengen opgeven. En in die eerlijkheid kon hij eindelijk beginnen te leven als een nieuwe mens. De houten pop wordt een echte jongen. Een individu, ‘redelijk uniek’. Hij kon eindelijk als mens omgaan met anderen, ook als die hem niet zouden zien staan. Hij kon toegeven dat hij van Hannah hield, zonder dat hij zich anders wilde voordoen dan hij was. Hij leefde, ook al was hij dood.
Veel krachtiger kun je de boodschap van het evangelie niet verwoord krijgen. Dit is goed nieuws, ook al is het een duistere film. Maar Jezus zei ook niet dat zijn boodschap er een was van cherubijnen en bloemetjes, van lammetjes en vrolijkheid. Het was er een van sterven aan jezelf en opnieuw geboren worden. Van de leegte van het graf en het bloed van het kraambed. Gritty, hard, en eerlijk. Maar juist daardoor uiteindelijk menselijk, oprecht en waardevol.

woensdag 25 december 2013

God is niet de kerstman (2): het cadeau van het kruis

Hoe diep ons transactionele wereldbeeld in ons geworteld zit, merk ik bij discussies over de mogelijkheid van 'alverzoening'. Mensen willen bijvoorbeeld niet geloven dat God Hitler zomaar in de hemel zou kunnen toelaten. Maar ze geloven ondertussen wel dat God henzelf in de hemel zou toelaten. Ze geloven dat ze in moreel opzicht ‘beter’ zijn dan Hitler en daarom meer recht hebben op Gods acceptatie, als was het alleen maar omdat ze in God geloven. Elke keer als we een lijn leggen, op welk gebied dan ook, leggen we die zo dat wij aan de veilige kant staan, en de ander niet. Wij gaan wel naar de hemel. Hitler niet. Wij geloven de juiste dingen over God, de ander niet. Ik had het hierover met een vriend die in dezelfde gemeente was opgegroeid als ik, en hij gaf toe dat hij zich ongemakkelijk voelde bij het idee dat iedereen al met God verzoend zou zijn. Het was niet wat we in de kerk hadden geleerd. Het voelde vaag oneerlijk. Wij hadden ons best gedaan de juiste dingen te geloven, betekende dat dan niets?

Nee, dat betekende niets. Als er een lijn moet worden getrokken, staan wij er altijd buiten, aan de zelfde kant als Hitler of Stalin. Dostoyevsky zegt in een van zijn boeken dat wij schuldig zijn aan alle zonden van de wereld. Ik eet soms vlees uit de bioindustrie, gebruik plastic verpakkingsmateriaal, reis met vervoermiddelen die koolstofdioxide uitstoten. Ik loop voorbij aan zwervers en bedelaars. Daar ben ik niet trots op, maar het is een feit. Alleen al door de dingen die ik negeer of achterwege laat, draag ik bij aan het verdoemde wereldsysteem, aan het systeem dat zwakken en kinderen verbrijzelt. Ik ben deel van het systeem dat Hitler voortbracht. Als Hitler schuldig is, ben ik dat dus ook.
Daarbij komt ook nog eens dat Gods eisen niet onze eisen zijn, zijn gedachten niet mijn gedachten. Het licht kan de duisternis niet verdragen, aldus Johannes: ‘God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis’ (1 Johannes 1:5). Dat wil zeggen dat als God inderdaad heilig is, hij het al niet zou kunnen verdragen als wij een keer schelden omdat de trein te laat is, of als we een keer een leugentje om bestwil toepassen, of snoep stelen uit de snoeppot. ‘Wie de hele wet onderhoudt, maar op een enkel punt struikelt, blijft ten aanzien van alle geboden in overtreding’ (Jakobus 2:10). We moeten immers rekening houden met Gods maatstaven van goed en slecht, niet de onze. En ‘vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het boek van de wet bepaalt’ (Galaten 3:10). Maar zelfs al zouden we ons hele leven lang volmaakt hebben geleefd - zoals Paulus die zelf aangaf dat hij volledig voldeed aan wat er in de wet over gerechtigheid staat (Filippenzen 3:6) - dan komen we nog steeds tekort aan de eis van God. Het is de ‘double bind’ waar ik in het vorige bericht over schreef, namelijk dat als we een lijn trekken tussen goed en slecht, onze motieven eigenlijk automatisch zelfzuchtig zijn. Zodra we denken dat we bij God horen omdat we goed zijn, zijn we niet langer goed ‘for goodness sake’. Dit is volgens mij wat het verhaal van de zondeval uit Genesis 3 duidelijk wil maken. Het is ook duidelijk te zien in het leven van Paulus: hij liet zich erop voorstaan dat hij heilig was, en vanuit die heiligheid vervolgde hij christenen die in zijn ogen ketters waren. Zijn transactionele bril maakte hem blind voor de sacramentele aanwezigheid van God in andere mensen. Niet voor niets zegt Paulus dat de wet doodt! 'Vervloekt is een ieder die op de wet vertrouwt' (Galaten 3:10). De conclusie moet dus wel zijn dat uiteindelijk ieder mens het zwijgen wordt opgelegd en de hele wereld schuldig staat voor God (Romeinen 3:19). Ja, dit lijkt absurd: God die een kind veroordeelt omdat het een snoepje heeft gestolen, of een man gevangen laat zetten die brood steelt voor een hongerig gezin (God als de ultieme Javert uit Les Miserables). Maar hoe absurd ook, dit is noodzakelijk het gevolg van een transactionele blik op de werkelijkheid. Paulus zegt het zo: ‘Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God’ (Romeinen 3:24, Telosvert.)

Daarachter staat echter geen punt. Er volgt nog iets op. Een ‘maar ...’, en wel een ‘maar’ van jewelste! Lees maar door: ‘Want allen hebben gezondigd, en komen tekort aan de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade’ (Romeinen 3:24, Telosvert) Wat wil dat zeggen? We worden gerechtvaardigd? We weten toch nog steeds van onszelf dat we tekort schieten? Dat we onze kant van de transactie niet kunnen voldoen? Het betekent niets anders dan dat God ons rechtvaardig verklaart. Niet omdat wij daar recht op hebben, of omdat wij goed of slecht zijn geweest, maar gewoon omdat hij het zegt. Hij rekent ons gerechtigheid toe, zonder werken (Romeinen 4:6). Dat kan God, omdat Hij nu eenmaal degene is die het laatste woord heeft. Er is geen wet boven hem. God heeft geen ‘Santa Claus’ boven zich die in de gaten houdt of hij goed of slecht is. Goed is wat hij doet, en dat heeft niets met ons te maken. Als God iemand rechtvaardig verklaart, is die dat ook. En hij kiest er inderdaad voor niet boos op ons te zijn, maar ons te behandelen als rechtvaardigen, als zijn geliefde kinderen. Dat liet hij zien in Jezus.
Met kerst denken we aan de geboorte van Jezus. Niet aan de kerstman. Er is niets belangrijkers dan de komst van Jezus. Hij kwam om ons iets te laten zien. Hij was het beeld van de onzichtbare God (Hebreeen 1). Hij kwam om te laten zien dat God welbehagen had in mensen. Zijn dood en de opstanding waren daarom ook geen offer dat God moest brengen aan een hogere macht dan hij (zoals de wet). Het was geen transactie. Het was een teken (zoals zijn hele leven dat was). Een genadetroon, zegt Paulus in Romeinen 3:25 (Telosvert), een middel tot verzoening, zoals op Grote Verzoendag, waarmee God bewijst dat Hij rechtvaardig is. Als mensen naar die genadetroon, dat middel tot verzoening keken, naar het bloed op het altaar, wisten ze dat ze vergeven waren. Het kruis is een teken, zoals de slang die in de woestijn werd opgericht als teken van de genezende kracht van God. Net zo moest Jezus worden verhoogd, zodat iedereen kon zien dat God ons niet ‘straft naar onze zonden en niet vergeldt naar onze schuld' (Psalm 103:10). Het is een teken dat laat zien dat ons trekken van lijnen en ons denken van 'voor wat hoort wat' uit Gods oogpunt niet nodig is.
In het teken van de lijdensweg van Jezus liet God zien dat mensen hem alles konden aandoen, en dat hij toch niet boos zou worden. Mensen konden hem onrechtvaardig behandelen, martelen, en een gruwelijke dood laten sterven tussen twee misdadigers (het toppunt van onrecht). En toch zou God hen niet straffen. ‘Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen’, bad Jezus. Op het kruis incasseerde God in Jezus alles wat mensen op hem af konden laten komen, al het kwaad en onrecht dat mogelijk was. En liever dan het op ons af te reageren, stierf hij. Jezus was als een lam dat naar de slacht geleid werd, en daarbij niet protesteerde. ‘Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open’ (Jesaja 53:7). Is God oneerlijk als hij mensen als Hitler, mensen als wij, vrijuit laat gaan? Ja. Daar is geen twijfel over mogelijk. Maar de gevolgen van die oneerlijkheid onderging hij op het kruis allemaal zelf. Dat hoe hij laat zien dat hij rechtvaardig is.

En nadat Jezus al onze slechtheid had gedragen zonder wraak te nemen, bevestigde God dat zijn zoon zijn wil gedaan had, dat zijn incassering inderdaad het incasseren van God was, door hem uit de dood op te wekken. ‘Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen’ (Jesaja 53:12). Jezus ontving als eerste van de doden het geschenk van God: het eeuwige leven. Het opstandingsleven. Niet omdat hij er recht op had, of er iets voor kon doen om het te verdienen. Hij was dood. Maar hij ontving het zomaar, omdat God ervoor koos het hem te geven. Het was Gods vrije keuze, een geschenk. Een cadeau.
Als je dood bent, doe je niet meer goed en doe je niet meer slecht. Je hebt zelfs geen dubbele motieven meer. Je bent dood. Er is geen transactie meer mogelijk. Je kunt alleen maar accepteren wat God uit zijn eigen keuze wil geven. En Hij belooft dat Hij het leven wil geven. Eeuwig leven. Wij kunnen niets anders doen dan dat te accepteren, om onze ogen te openen voor wat de werkelijkheid al is. Dat wil dus zeggen dat het oude systeem van de wet ten einde is gekomen. 'Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen’ (Kolossenzen 2:14). Jezus’ dood en opstanding betekenen het einde van de wet, het einde van transactie. Voor eens en altijd. We zijn niet onder de wet, maar onder de genade. Er is een nieuw verbond aangebroken. Het nieuwe verbond is iets dat God doet. Er is maar een enkele verbondspartner en dat is God. Hij handelt alleen. Er is geen rol voor ons bij.  God belooft het in Jeremia: ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan’ (32:33v). En in Ezechiel: ‘Ik zal julle een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen’ (36:26,27). Sterker nog: hij zal de hele aarde en zelfs de hemel vernieuwen: er komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). Het nieuwe Jeruzalem zal uit de hemel neerdalen en God zelf zal onder de mensen wonen.
Dit alles doet God zelf, niet omdat wij goed of slecht zijn geweest (en we zijn vooral slecht geweest, voor onze omgeving, onze medemens en onszelf), maar omdat het van het begin af aan zijn bedoeling is geweest. We zouden het niet eens kunnen tegenhouden, zelfs al zouden we het willen. Het koninkrijk zal doorbreken zoals zaad dat uit de aarde opgroeit, of gist dat deeg doet rijzen. Maar het is niet alleen iets toekomstigs. Het koninkrijk is nu al aangebroken. Dezelfde macht die werkzaam was in Christus toen God hem opwekte uit de dood, is nu ook werkzaam in ons (vgl. Efeze 1:19,20). ‘De duisternis wijkt en het ware licht schijnt al, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven’ (1Johannes 1:8).

Dit is de realiteit. God is al in ons scheppend aanwezig. Dit is op dit moment nog niet zichtbaar zoals het aan het eind van de tijd te zien zal zijn. Het is nog verborgen, als een cadeau dat nog zit ingepakt. Maar het enige dat we hoeven te doen om het te kunnen zien, is de openbaring ervan niet in de weg te staan. Dat wil zeggen dat we moeten ophouden het te willen verdienen. We moeten ophouden zelf te praten, voor we kunnen luisteren; onze handen moeten tot rust komen om te kunnen ontvangen. We moeten sterven aan ons transactionele leven, om ruimte te maken in ons voor de belofte van zijn sacramentele leven. We moeten zelf geen vrucht proberen te dragen, maar hoeven alleen maar het sap van de wijnstok zijn gang in ons en met ons laten gaan. Het is de wil van de vader dat we vrucht zouden dragen, zegt Jezus. Dan zal hij die ook tot stand brengen. Het is allemaal een geschenk. En God geeft het ons ‘om niet’, zei Paulus in Romeinen 3. Hij geeft het ons omdat hij van ons houdt. En hij geeft het volgens de tekst aan allen. Het geschenk van God is dus wel degelijk universeel.
Het is kortom zoals het zondagschoolliedje zegt:

‘Ben je groot of ben je klein
of ergens tussenin,
God houdt van jou.
Ben je dik of ben je dun,
of ben je blank of bruin,
God houdt van jou
Hij kent je als je blij bent
Hij kent je als je baalt
Hij kent je als je droevig bent
Hij kent je als je straalt.
Het geeft niet of je knap bent,
Het geeft niet wat je doet;
God houdt van jou
Hij is vol liefde,
God houdt van jou!’


Wordt vervolgd ...

maandag 31 december 2012

Filmbespreking: The Life of Pi

Het komt niet vaak voor dat ik een film zie waar zoveel vissen in voorkomen. Vissen die ook nog eens biologisch correct zijn weergegeven en zich als zodanig gedragen (in de aftiteling zag ik dat er biologen aan de film hebben meegewerkt). Als aquariaan en amateurichthyoloog (vissendeskundige) keek ik mijn ogen uit. Van de dorade en de tropische vissen die een vlot en roeiboot als schuilplaats gebruikten in de verder kale en levenloze uitgestrektheid van de Grote Oceaan, en de oceanische witpunthaaien (die een nijpaard oppeuzelen) tot het jachtgedrag van tonijnen. Vliegende vissen spelen een behoorlijk grote rol in het verhaal, en er is zelfs een scene waarin een reuzenpijlinktvis in gevecht gaat met een potvis. In een droom weliswaar, maar toch, zo veel films zijn er niet die dit evenement van bijna mythische proporties in beeld brengen. Alleen al vanwege de (inkt)vissen is deze film wat mij betreft dus een aanrader.

Maar het verhaal gaat niet in eerste plaats over vissen. Wel voor een groot deel over andere dieren. Hoofdpersoon is namelijk Piscine ‘Pi’ Patel - de zoon van een Indiase dierentuinexploitant. Een schrijver heeft gehoord dat hij een bijzonder verhaal te vertellen heeft. Een verhaal dat de toehoorder in God kan doen geloven. Volgens Pi doet een goede maaltijd hetzelfde. Hij stelt de schrijver met zijn oordeel te wachten tot hij zijn verhaal gedaan heeft. Het blijkt namelijk dat zijn vader een nieuw leven wilde opbouwen in Canada en daarom met zijn gezin en de dieren uit de dierentuin op reis ging naar Amerika.   Het schip komt echter onderweg terecht in een heftige storm en vergaat. Pi bereikt een reddingsboot. Hij is echter niet alleen. Ook een paar van de dierentuindieren zijn uit hun kooien ontsnapt en hebben de boot gevonden. Een zebra met een gebroken poot, een orang oetan en een hyena. Op zo’n kleine oppervlakte is dat geen goede combinatie. Als de hyena de andere dieren heeft gedood en op Pi afkomt, blijkt er nog een verstekeling te zijn. De tijger Richard Parker, voor wie Pi’s vader hem indringend heeft gewaarschuwd. Een roofdier. Geen speelkameraad. Pi trekt zich terug op een drijvend vlot, maar het water en de scheepsbeschuit bevinden zich in de reddingsboot. Als hij wil overleven, zal hij een manier moeten vinden om met de tijger om te gaan ...

De film van regisseur Ang Lee is heel erg mooi. Indrukwekkende beelden volgen elkaar op. Van de dierentuindieren over de titels in het begin, tot de scheepsramp, tot de spiegelgladde oceaan, waarin een oranje wolkenlucht wordt weerspiegeld, tot de betoverende effecten van zeevonk, tot een tropische storm aan de horizon, compleet met regenboog. De film maakt hierbij sterk gebruik van de 3D-technologie. Deze trend in de bioscoop pakt niet altijd goed uit, vooral niet als de derde dimensie pas na het filmen wordt toegevoegd, en ik heb er ook wel eens hoofdpijn aan overgehouden, maar deze film maakt echt goed gebruik van de mogelijkheden van de relatief nieuwe techniek (met name een scene met vliegende vissen die de kijker midden in de actie plaatst). Ook heel mooi is de tijger, Richard Parker, voor een deel samengesteld uit beelden van echte tijgers, voor een deel uit niet van echt te onderscheiden computeranimatie. Wat vooral beklijft is dat het geen knuffelbaar fantasiedier is geworden, maar een roofdier is gebleven. Als de tijger op Pi komt afzwemmen voel je daarom ook werkelijk angst. Een aantal van Pi’s maatregelen om te overleven op de oceaan zijn goed gevonden, maar ik vond het avonturenaspect van de film niet volledig meeslepend, misschien door de magisch realistische beelden. Voor mij lag de nadruk meer op de theologische vraag die aan het begin was opgeworpen. En mijn reactie op de film was ook meer intellectueel dan emotioneel. Wat dat betreft zal het interessant zijn het oorspronkelijke boek een keer te lezen (dat heb ik namelijk nog niet gedaan, ook al had ik het heel lang in mijn kast staan).

In filmtijdschrift Empire las ik bij een artikel over deze film een interview met de oorspronkelijke auteur van het boek. Volgens hem was het uitzonderlijk dat zijn boek werd verfilmd, want volgens hem worden er nauwelijks films gemaakt die vragen met betrekking tot religie serieus nemen. Ja, er zijn films waarin religieuze mensen de onderdrukkende en manipulerende slechteriken zijn, en er zijn films waarin gelovige lieden door gebed elke tegenstand overwinnen, maar er zijn inderdaad weinig films die proberen de vraag te beantwoorden wat het eigenlijk betekent te geloven. En dat terwijl mensen ten diepste religieuze wezens zijn. Zoals ik Cloud Atlas aanraadde vanwege de moed van de filmmakers zo’n complex verhaal te vertellen, raad ik The Life of Pi aan vanwege de moed van de filmmakers een theologische discussie aan te zwengelen. De film biedt aanleiding voor goede en diepe gesprekken na afloop onder het genot van een biertje.
Aan de andere kant hoeven er ook helemaal geen films gemaakt te worden over geloof of religie als afzonderlijke onderwerpen, want volgens mij zijn films in zichzelf al religieus. Het horen of zien van een verhaal, waar we het verhaal van ons eigen leven aan kunnen spiegelen, en dat suggereert dat wat wij meemaken net zo goed betekenis heeft als de belevenissen van de personen in het verhaal, is een religieuze ervaring. Mensen verlangen naar betekenis en die betekenis vinden we in verhalen. In mythe. Godsdiensten doen hetzelfde: ze vertellen een verhaal dat zelfs veel groter is dan wat in een film verteld kan worden. En ook al betoog ik in navolging van mijn grote held J.R.R. Tolkien dat in het verhaal van Jezus mythe werkelijkheid werd (de verteller kwam zijn eigen verhaal binnen), dan nog blijft het christelijk geloof in eerste instantie een verhaal, en niet een theologie. Het geloof doet ook hetzelfde als een goede film doet: het geeft een interpretatiekader waarmee we ons leven als betekenisvol kunnen zien (en als we in de opstanding van Jezus geloven, geloven we dat het deze betekenis ook daadwerkelijk heeft).
Het bezoek aan de bioscoop is dus in essentie te vergelijken met een bezoek aan de kerk (en dan leuker) en het is niet voor niets dat mensen net zo fanatiek kunnen discussiëren over films als over theologie. En dit verklaart waarom ik op mijn blog zulke lange theologische essays kan baseren op ook de meest ‘niet christelijke’ films. In Engeland blijken mensen zich bij bevolkingsonderzoeken wat betreft hun religie zelfs te laten registreren als ‘Jedi’ - op basis van de Star Wars-films. De Star Wars-films waren weer in grote lijnen gebaseerd op het gedachtegoed van Joseph Campbell, die in The Hero with a Thousand Faces betoogde dat heldenverhalen en religieuze mythen een overeenkomende structuur hebben. Deze mythe zegt iets waars over het menselijke leven en daarom reageren we zo enthousiast, zowel op religies als op verhalen. Campbell heeft daarom gezegd: ‘All religions are true, but none are literal’. Je zou kunnen zeggen dat dit idee van Campbell wordt uitgewerkt in The Life of Pi.

De film speelt namelijk met de overeenkomsten tussen de godsdiensten. Pi is namelijk zowel Hindoe als Christen als Moslim. Hij gelooft in God. Maar, zegt hij: we geloven omdat we aan God worden voorgesteld. Pi zelf werd eerst aan God voorgesteld in de vorm van Vishnu. Zijn moeder vertelde hem namelijk verhalen over de Hindoeïstische goden. Verhalen waar hij ademloos naar luisterde. Hij las zelfs stripboeken over de goden. Een beeld uit het stripverhaal spreekt tot zijn verbeelding (het komt als het ware in 3D tot leven). Maar later in zijn leven ontmoet hij een christelijke priester die hem een ander verhaal vertelt, dat over Jezus. De film citeert Johannes 3:16 ‘Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gezonden opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’ Aanvankelijke begrijpt Pi niet waarom God om zijn liefde te laten zien zijn eigen zoon moet laten sterven (hij houdt mijns inziens vast aan het idee van Karma, namelijk dat schuldigen hun eigen straf moeten dragen en niet vrijgesproken moeten worden), maar hij gaat de Zoon van God steeds meer waarderen. Jezus wordt zijn vriend. Door middel van het christendom werd Pi voorgesteld aan de liefde van God. Ten slotte ontmoet hij ook nog moslims, die hem een bepaald ontzag en ritme bijbrengen.
Is de manier waarop Pi zijn geloof beleeft bezwaarlijk? Ik denk het niet. Want ik geloof dat er uiteindelijk maar een enkele werkelijkheid is. Er is maar een God. Dus als iemand een werkelijke ontmoeting heeft met het absolute, met de grondslag van het universum, met het goddelijke, zoals Pi dat beleefde in het Hindoeïsme, heeft hij een ontmoeting met de enige God. Ikzelf pleeg te zeggen dat elk goed verteld verhaal uiteindelijk elementen bevat van het Ware Verhaal, het Verhaal van de Werkelijkheid. Elke goede film, elk goed boek, wijst terug naar het Verhaal dat ten grondslag ligt aan de werkelijkheid. Daarom hoef ik als christen ook niet alleen maar christelijke films te kijken, maar kan ik Christus tegenkomen in elke film die ik kijk, ook de ‘niet christelijke’. Dat geldt voor religie ook.
Als christenen moeten we daarom niet de religieuze ervaringen van andersgelovigen wegwuiven of relativeren. En vooral niet mensen dwingen hun eigen cultuur en culturele uitingsvormen achter te laten. Ik las van de zomer bijvoorbeeld op de blog van Rachel Held Evans een interessant interview met een christen van Indiaanse afkomst (niet Indiaas), die betoogde dat christenen uit de oorspronkelijke Amerikaanse volken wel aan hun cultuur konden blijven vasthouden. Hij betoogde namelijk dat zijn volksgenoten zonder het te weten dezelfde God hadden aanbeden en dat Christus de vervulling of voltooiing was van de religieuze verlangens van de mensen. Paulus beweert eigenlijk hetzelfde als hij tot de Grieken spreekt op de Areopagus naar aanleiding van hun altaar voor de onbekende God. Hij komt hen vertellen van de God die zij ‘zonder het te weten’ hebben aanbeden en verwijst daarbij naar hun eigen dichters, alsof die met gezag hadden gesproken over de geestelijke werkelijkheid. Paulus verwijst hier (net als J.R.R. Tolkien) naar de opstanding om aan te geven dat in Jezus het Grote Verhaal werkelijk en tastbaar is geworden, maar hij laat staan dat ook in de Griekse verhalen al iets doorschemerde van wat onder de werkelijkheid lag.

Wie het verhaal van Pi goed beluistert, ziet daarin ook iets terug van datzelfde grote verhaal (en van het heldenverhaal van Campbell). Het is een verhaal van zwakheid. Van overgave. Heel mooi is een scene in een storm, als Pi tegen God roept: ‘Ik heb me aan u overgegeven? Wat wilt u nog meer van me?’ Maar het feit dat hij dat uitroept, suggereert dat zijn overgave niet compleet is. Hij verlangt nog steeds iets van God. Hij heeft zijn zelfbeschikking nog steeds niet losgelaten. Pas daarna, als de storm voorbij is (interessant genoeg is er een regenboog zichtbaar - een teken van hoop!) volgt de echte overgave. Pi staakt namelijk zijn verzet tegen God. Degene met wie ik de film zag, zag in dit verband zelfs dat hij een kruispositie aanneemt. En prompt daarna vindt Pi hulp op zijn pad. Hij krijgt hoop om door te gaan. Volgens hem heeft God hem geholpen. (Wat deze hulp precies is en wat het betekent, kan ik hier niet uitleggen. Ook over de symbolische betekenis van de tijger in het verhaal en Pi’s omgang met zijn eigen destructieve kant zal ik het hier niet hebben. Daar is een compleet nieuw essay over te schrijven!).
Aan het eind van de film wordt de vraag opgeworpen of het verhaal dat Pi vertelt wel echt is gebeurd. Er is ook een alternatief verhaal. Een nogal schokkend verhaal. Maar het alternatieve verhaal ontneemt het eerste verhaal niet zijn bestaansrecht. Want ook al is het verhaal over Richard Parker niet letterlijk waar, het bevat wel een waarheid over wat er met Pi gebeurd is, die moeilijk was weer te geven op een letterlijke manier. Het verhaal was waar, maar niet letterlijk. Sommige recensenten op internet suggereren dat de conclusie van de film is dat de wereldreligies niet waar zijn en dat het bestaan van God maar een ‘verhaaltje’ is waarmee we ons afsluiten voor de realiteit een schokkend en leeg universum, een verhaaltje dat ons de illusie van zingeving schenkt - en niets meer. Ze denken dat de film in essentie cynisch is. Ik denk echter dat ze geen gelijk hebben. Het is namelijk niet zo dat het ene verhaal dat Pi vertelt cynischer is dan het andere.
Zoals Pi zelf zegt: in beide verhalen vergaat het schip, is Pi de enige overlevende en heeft hij veel geleden. Het eerste verhaal was geen rooskleurig sprookje. Maar wat Pi in dat verhaal vertelt, is welke lessen hij heeft geleerd over God, over zichzelf, over overgave en over verlossing. Hij heeft in zijn avonturen een ervaring gehad met God. Het punt is dat hij deze lessen heeft geleerd - ook al was het alternatieve verhaal de letterlijke waarheid. Hij heeft God ontmoet op zee, ook al waren er geen zebra, orang oetan of tijger in zijn boot. Maar hoe breng je zo’n ervaring over? Hoe spreek je over een ontmoeting met de Grondslag van het Universum? Door er een verhaal over te vertellen. Wat de ervaringen van Pi waren, is met een feitelijk verslag weer te geven. Wat ze betekenden, kan alleen worden weergegeven in de vorm van een verhaal. In de vorm van een mythe. De feiten kunnen de betekenis niet overbrengen. Dus zelfs al was het verhaal niet letterlijk waar, het was nog steeds waar op een manier waarop de ‘feiten’ niet waar waren.
De film suggereert dat de kijker tussen de twee verhalen moet kiezen. Ik weet niet hoe dit in het boek is weergegeven, maar volgens mij is dit een valse keuze. De film geeft op dit punt niet alle opties, zoals dat vaak niet gebeurt in discussies over religie en wetenschap. Er wordt gedaan alsof dit gescheiden werelden zijn. Alsof het verhaal dat de wetenschap over de werkelijkheid vertelt, het verhaal dat religie vertelt automatisch uitsluit. Maar volgens mij kan de luisteraar in het geval van Pi zeggen dat beide verhalen waar zijn, of dat hij beide verhalen gelooft. Ook op het gebied van religie en wetenschap. Ja: ik geloof dat het verhaal van de wetenschap waar is. Maar niet dat daarmee alles dus toevallig en zinloos is. Het bestaan van God is echter niet wetenschappelijk te bewijzen. Het verhaal van de bijbel bevat zelfs wonderen die voor de gemiddelde materialist aanstootgevend zullen zijn (zoals het eerste verhaal van Pi ook onwaarschijnlijkheden bevat - maar het zijn de vooroordelen over de werkelijkheid waarom we het wonder niet willen aannemen. Een wonder is immers een wonder omdat het niet wetenschappelijk te voorspellen valt). Ook de opstanding van Jezus is wel aannemelijk te maken (er zijn volgens mij sterke redenen om te geloven dat het graf leeg was, en dat Jezus’ volgelingen hem hebben waargenomen), maar niet te bewijzen. Ik kan het niet accepteren zoals ik een wetenschappelijke theorie of een leerstelling accepteer. Het verhaal van Jezus vraagt van mij een keuze op een ander niveau. Ik bevind me inderdaad op de positie van de schrijver die naar Pi luistert, en voor de keuze staat: welk verhaal vind ik het mooist? En zo is het met God, zegt Pi. Het verhaal van Jezus stelt mij ook voor een keuze: in welk verhaal wil ik leven?
Ik zelf wil leven in het verhaal waarin Jezus de dood heeft overwonnen, waardoor elk persoon en elke gebeurtenis betekenis ontvangt, en waarin liefde het laatste woord zal hebben. Het Verhaal van de Werkelijkheid is namelijk het mooiste verhaal dat er is.