Posts tonen met het label wanhoop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wanhoop. Alle posts tonen

zondag 1 januari 2017

Ik overleefde 2016!

De memes en plaatjes verschijnen al op internet: 'I survived 2016'. Of '2016 was written by G.R.R. Martin. I want J.K. Rowling to write 2017' (alsof zij niet in het laatste boek een flinke bups geliefde karakters om zeep helpt ...). Niet alleen stierven er heel veel bekende artiesten en acteurs (en een van mijn geliefde schrijvers Richard Adams, bekend van Waterschapsheuvel), de uitslag van de verkiezingen in Amerika lieten ook een wrange nasmaak achter. Eigenlijk wilde ik echter een positief nieuwjaarsbericht schrijven! Het gaat met mij namelijk beter dan in heel lange tijd. Ik voel me zelfs gelukkiger dan ooit sinds mijn tienertijd. Ik kan weer volop genieten van mijn passies (ik heb lang niet zo veel naar mijn aquariums gekeken), en voel niet meer de drang om met afvinklijstjes en schema's mezelf aan het werk te houden. Mijn zelfvertrouwen is met sprongen toegenomen en zelfs de winter krijgt dit jaar geen vat op me. Ik blijf positief ondanks de grijze luchten.

Maar om uit te leggen hoe dat zo gekomen is, moet ik ook wat moeilijkere dingen vertellen. Zo raakte ik dit voorjaar mijn overtuiging kwijt van de waarheid van het christelijke geloof. Ik betoogde al jaren geleden dat ik 'nauwelijks nog geloofde', maar de laatste bastions van zekerheid stortten dit jaar in. Dit is niet de plek om een theologisch betoog te schrijven, maar de belangrijkste redenen voor mij waren: -het feit dat de kerk voor het grootste deel steeds 150 jaar op de rest van de wereld achterloopt, in het accepteren van wetenschappelijke ontdekkingen (er wordt nog steeds gediscussieerd over evolutie!), en in het omgaan met andergeaarden (de LGBTQA-gemeenschap), -daarmee samenhangend de overeenkomsten van fundamentalistisch/evangelisch gelovigen met samenzweringsdenkers, het gesloten systeem waarin de antwoorden vaststaan en rationele capaciteiten worden gewantrouwd. - de cirkelredenering waar het uiteindelijk op neer komt: 'ik geloof in God omdat het in de bijbel staat, ik geloof in de bijbel omdat het Gods woord is'. - daarmee samenhangend: de totaal uiteenlopende overtuigingen, van het zwarte kousen denken van 'knielen op een bed violen', tot pinksterevangelisch enthousiasme, tot Amerikaanse rechtse politiek, die allemaal worden gebaseerd op de bijbel. Deze visies kunnen niet allemaal waar zijn! Maar als je ze wél allemaal uit de bijbel kunt bewijzen, kun je dus eigenlijk niks uit de bijbel bewijzen. Dat punt werd voor mij onderstreept door de verkiezing van Trump in de VS, onder andere door de steun van de fundamentalistische evangelische beweging. Als er iemand ver af staat van Jezus, zoals ik hem heb leren kennen uit de Evangeliēn, is dat Trump wel. Of het moet Wilders zijn. Die ook door christenen gesteund wordt. Het bewijs dat het christendom in mijn ogen failliet is.
De verkiezing van Trump leidde er bij mij toe dat ik nog meer kwijt raakte. Mijn hoop in een goede toekomst, bijvoorbeeld. De klimaatveranderingen zullen nu echt niet meer tot stilstand kunnen worden gebracht, laat staan worden omgekeerd. Het uitsterven van diersoorten zal toenemen, natuur zal als het niet commercieel exploiteerbaar is, als grondstof gebruikt worden. Racisme en uitsluiting van andersgeaarden zal toenemen en de wereldvrede wordt bedreigd. Dat bijna de helft van de Amerikanen voor zo iemand stemden, doet me bovendien twijfelen aan mijn vertrouwen in de mensheid. Van individuele mensen kan ik blijven houden, maar van de mensheid als massa? Mijn korte verhalen zijn al jaren behoorlijk cynisch over de toekomst van de mensheid en dat zullen ze helaas moeten blijven.
Oh, en dan werd ik in het voorjaar ziek (de griep, samen met een fikse teleurstelling, leek op een nervous breakdown), wat werd gevolgd door ziekte van mijn vrouw. Een tijd lang leek het alsof ons huwelijk voorbij zou zijn, wat me intens verdriet opleverde. Ik zat totaal aan de grond. Mijn pijn bracht me er (samen met het advies van Marten) toe professionele hulp te zoeken. Niet alleen een andere huisarts (die constateerde dat er het een en ander mis was met mijn bloeddruk), maar ook eerst een psycholoog en ook een psychiater. Zij waren het er allebei over eens: ik had last van angstklachten en paniek, en dat hoorde bij een dysthyme stoornis. Een vorm van depressie die niet maar een paar maanden duurt, maar jaren. Eigenlijk was ik al sinds het begin van mijn twintiger jaren depressief. Ik had alleen al die tijd het idee dat het aan mij lag, dat ik iets in mijn leven moest veranderen om het op te lossen. Het werkte alleen niet. Nu had ik gesprekken met mensen die mijn lijden serieus namen. Maar ook kreeg ik antidepressiva voorgeschreven. Depressie is namelijk gewoon een ziekte, net als kanker, alleen minder zichtbaar. En de pillen bleken bij mij daadwerkelijk te helpen. De bijwerkingen werden snel minder en na een paar weken al voelde ik me vrolijker dan eerst, ging ik weer volop voor mijn passies, kon ik situaties op het werk en in de familie beter relativeren en zelfs mijn slaap verbeterde! En die effecten verdwenen niet na een maand of twee, maar ze bleven gewoon! Ook in de winter!
Verder gingen mijn vrouw en ik gewoon met elkaar verder en het afgelopen half jaar was het beste half jaar uit onze hele relatie tot nu toe. We hebben samen leuke dingen gedaan (naar het strand in Scheveningen, naar een jamsessie bij lunchcafe Zondag, naar fantasyfestivals, dierentuinen, musea, en samen naar de film!) en nu ik door mijn pillen ook echt van vrije tijd kan genieten zonder de druk te ervaren dat ik iets moet presteren, genieten we ook meer dan ooit van elkaars nabijheid. We gaan het volgende jaar in met veel vertrouwen en hoop voor onze relatie!
Daarnaast kon ik dit jaar eindelijk terug naar een driedaagse werkweek. De invoering van een vervelend relatiebeheersysteem maakte het er op kantoor niet leuker op, maar ik had wel meer tijd om aan het schrijven te wijden. Dit jaar won ik de derde prijs in de Fantastels wedstrijd. Ik publiceerde verhalen in Ganymedes-16, Fantastische Vertellingen, SF Terra en online op Fantasize. En mijn boek 'De Krakenvorst, boek 1: Keruga' kwam uit bij uitgeverij Macc! Ik hoop dat jullie het boek ook willen lezen! Hebben jullie het boek nog niet? Je kunt het bestellen op Bol, maar ook bij mij een gesigneerd exemplaar kopen. Of kom naar de signeersessie en boekpresentatie op vrijdag 13 januari 's avonds bij boekhandel Stevens in Hoofddorp! Maar genoeg over dat boek, ik had in oktober ook nog eens de ingeving een manuscript voor een verhalenbundel op te sturen voor het Boek10 project van Godijn Publishing, en het werd geaccepteerd! De laatste maanden voel ik me voor het eerst in de eerste plaats 'Schrijver' en niet langer 'redacteur'. Dit is wie ik ben en wat ik doe.
Er kwamen geen nieuwe aquariums bij dit jaar, maar ik heb wel een paar aquariumdromen kunnen verwezenlijken. Zoals een overstap naar bijzondere vissen zoals een Afrikaanse mesvis en een wimpelaal (een van de beste beslissingen ooit op aquariumgebied!), en witwanggrondels in mijn nieuwste aquarium (ik vond zelfs een jong grondeltje vorige week). Sammie de muskusschildpad blijft ons ook veel plezier geven, net als de dwergklauwkikkers.
Ik heb dit jaar verder nog kunnen genieten van een week in Oxford samen met mijn beste vriend Cornell - waarbij in mijn veertigste verjaardag vierde in 'The Eagle and Child', de pub waar C.S. Lewis en J.R.R. Tolien en de rest van de Inklings bij elkaar kwamen. Een jeugddroom die uitkwam! Volgend jaar hoop ik de reis nog een keer te maken maar dan met Bianca.

En aan het eind van het jaar realiseer ik me dat ik mijn geloof niet werkelijk kwijt ben geraakt. Ik kan geen atheïst zijn. Ik heb te vaak de liefde van God ervaren, zijn bemoedigende stem in mijn leven gehoord en ben te vaak onder de indruk geweest van de natuur, in het groot en in het klein. Maar of die Goddelijke aanwezigheid gevangen kan worden in dogma's, zelfs in de christelijke, dat geloof ik niet meer. Dat kan ik niet meer. De reis voor de toekomst wordt, te zoeken naar wat dat primaire godsbesef dan eigenlijk wél betekent. Leren liefhebben zal daar een deel van zijn, vermoed ik.
Verder zal mijn schrijfcarrière zich nog verder gaan ontwikkelen volgend jaar. Niet alleen komt op 6 mei mijn SF-bundel 'Conquistador' uit als deel van het Boek10-project (jullie zijn allemaal welkom op de feestelijke dag waarop de tien boeken officieel worden gepresenteerd!), maar in het najaar zal het tweede deel van De Krakenvorst verschijnen, 'boek 2: Kartaalmon'. Er staan verder publicaties op stapel in de SF Terra (ze hebben nog een verhaal van me liggen, maar wilden er graag nóg een), Fantastische Vertellingen (zowel in het maartnummer als in het juninummer), The Flying Dutch (die erg blij waren met het SF-verhaal dat ik ze opstuurde), op de websites Historische verhalen en Fantasize, en in de bundel met 'Tenenkrommende vertellingen' die Remco Meisner gaat uitbrengen. Verder hoop ik weer te worden opgenomen in de bundel Ganymedes 17, waarvoor ik een verhaal en een gedicht heb opgestuurd, in het tijdschrift 'Moord & Mysterie' en ik hoop ook terecht te komen in de bundels rond de nieuwe editie van 'Edge.Zero'. Daarvoor kan ik onder andere de tien verhalen opsturen waarmee ik dit jaar aan wedstrijden heb meegedaan. Ook dit jaar hoop ik weer te kunnen meedoen aan de Harland Award, Fantastels en Trek Sagae. Ten slotte ben ik gevraagd om behalve mijn verhalen ook recensies te schrijven voor het kwartaalblad Fantastische Vertellingen (als je nog geen abonnee bent, meld je aan!) en overweeg ik de mogelijkheid van een column voor een fantasywebsite.
Naast alle boekpresentaties, fantasyfestivals en conventies en redactieklussen, gaat het dus een druk jaar worden op schrijfgebied. Het schrijven van mijn volgende SF-roman (waar ik een gaaf idee voor heb, trouwens) heb ik dus maar even op de langere termijn gezet. In plaats daarvan hoop ik de rustige periodes in het jaar te gebruiken voor het schrijven van nog wat korte verhalen. Maar wie weet kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan en ga ik het boek toch gewoon schrijven. Dat soort dingen durf ik niet meer van mezelf te voorspellen!
Ik verwacht op aquariumgebied geen grote veranderingen. Er zal een keer een aquaponicssysteem op het balkon komen, maar dat duurt nog wel even, en mijn kleinste aquarium krijgt een nieuwe lichtkap (dank je wel Marten!). Wel verwacht ik veel van de op stapel staande films! Het lijkt namelijk alsof de ruimtefilm weer populairder wordt, met niet alleen de nieuwe Star Wars-film op stapel, maar ook Guardians of the Galaxy 2 en Valerian in aantocht. En Thor Ragnarok. Verder natuurlijk superheldenfilms in overvloed en een nieuwe van Pixar! Ook weer goede boeken. Ik hoop weer meer pareltjes te ontdekken onder de Nederlandse genreschrijvers, maar ik kijk ook uit naar het laatste boek over The Fitz and the Fool van Robin Hobb. En dan zijn er nog de games. Mass Effect Andromeda is de reden dat ik na het kapot gaan van mijn PS4 niet heb geopteerd voor een gewone blurayspeler, maar voor een nieuwe spelcomputer. Dat en het feit dat we Netflix kunnen kijken via de PS4.
Samengevat: volgend jaar zou wel eens een bijzonder jaar kunnen worden.

zondag 20 december 2015

Verhaal: De herders bij nacht in het veld

Op welke planeet je ook in de atmosfeer probeert vaart te minderen, de grazende beesten onder je slaan altijd op dezelfde manier op de vlucht. Ze kijken op bij het beginnen van het lawaai, de ogen rond, de oren alert. Als dat toeneemt, worden ze onrustig, ze komen overeind. Dan komt het felle licht. Eerst een, dan vijf, dan de hele kudde maakt zich vervolgens uit de voeten. Ze vinden elkaar en bewegen als één organisme, golvend over het veld als water. Soms springen ze, soms zigzaggen ze, de ruggen gekromd, de staarten als signaalvlaggen in de lucht. Als het er genoeg zijn, laten ze de aarde trillen, of het nu olifantsgrote reptielen zijn die in ondiepe moerassen woelen, legers van zwarte muizen op uitgestrekte steppes, of rood met blauwe zespoters op oranje mos. En ze komen pas tot rust ver weg, als ze ons niet meer zien of horen, hijgend, damp boven hun ruggen. En het duurt uren voor we weer beginnen te eten.
Dit keer was het precies hetzelfde. Ons schip was aan de nachtzijde van de planeet door het wolkendek gebroken en daverde over het landschap, dat was geschilderd in grijstinten en poelen schoolbordzwart. Vlekken konden bossen zijn, spiegelingen zeeën, maar het grootste deel was schimmig, onduidelijk, vlak. En toen we laag genoeg kwamen, zagen we de dieren schrikken. Ze waren wit en bruin, niet groot, met lange staarten achter ze aan wapperend, en ze stroomden door de dalen tussen de heuvels door, door ons schijnsel in een hel licht gehuld, waarna ze opzij afbogen en in het donker verdwenen. Onze sensoren vingen ook hun klagelijke geluiden op. “Ze komen me bekend voor”, liet Janus, onze cultuurbewaarder, ons weten. Hij was de enige van ons gezelschap die rekenkracht over had voor een dergelijke observatie. De rest was allemaal nodig om ons veilig te laten landen. Er was zelfs niet genoeg voor een simulatie. “Dit soort dieren leefde vroeger op Aarde ook.”
“Hoogte vijfhonderd meter”, sprak Thomas. “Snelheid: mach 0,75 en dalend. We bevinden ons heel ergens anders in het melkwegstelsel.”
“Ik zei ook niet dat dit de Aarde was”, zei Janus, met zelfs een lichte klank van ergernis. “Ze lijken er alleen erg op. Convergente evolutie?”
“Dat zoek je later op je gemak maar uit”, kwam Luweng tussenbeide. Zij was de wapenmeester en planner. “Is er een landingsplek?”
Die vraag was aan mij gericht. Ik raadpleegde de gegevens van eerdere scans en bracht ze overeen met de beelden van het snel schuivende landschap onder ons. “Ja,” concludeerde ik. “Een vlak veld, niet ver weg meer.”
“Mooi”, zei Luweng. “Want we kunnen ook niet heel ver meer.”
De hete wind loeiend om ons heen en onze motoren krijsend, mikten we op de door mij aangewezen locatie. Voor ons stoven nog meer van de witte en bruine dieren weg. Janus wist een hoge resolutie opname op zijn bandbreedte te trekken. “Ze hebben zelfs wol!”, riep hij. “Het is echt heel bijzonder!” We zonden allemaal onze niet heel positieve emoties zijn kant op, waarna hij eindelijk zweeg.
Ik maakte voor mezelf een weergave van de omgeving en liet ons vervolgens op de millimeter nauwkeurig neerkomen waar ik het bedoeld had, op de telescooppoten die uit de gladde buik van ons schip waren geschoven. De wollige grazers waren ondertussen lang en breed uit het zicht verdwenen. Een laatste veiligheidscheck. Daarna kon de rekenkracht weer gewoon aan ons worden toebedeeld. We kregen onze gesimuleerde, virtuele lichamen terug. Als locatie om elkaar te ontmoeten had Janus ervoor gekozen de computer een twintigste-eeuwse automobiel te laten genereren, met eigenlijk net te weinig ruimte voor ons allemaal. Het was zijn manier om ons terug te pakken. Thomas zat achter het stuur, zijn handen om het wiel, zijn achterhoofd leunend tegen het omhoog geschoven steuntje. Luweng zat naast hem, haar wenkbrauwen in een diepe V, haar lippen een lijn. Ze droeg een blauw met wit uniform, met goudkleurige insignes en een kokerrok. Het dashboardkastje voor haar stond open en ik zag de kolf van een pistool. Ze keek over haar schouder om naar Janus, die het raampje aan zijn kant had opengeschoven en naar buiten keek door een verrekijker. Het was natuurlijk geen echte, maar een representatie van de instrumenten van ons schip. Ik probeerde ondertussen ruimte te vinden voor mijn knieën, die in Thomas’ rug prikten, terwijl ik tegelijk mijn best deed de kaart zo netjes mogelijk weer op te vouwen. De kille bries die door het raam naar binnen blies, mocht dan wel nagebootst zijn, hij maakte het er voor mij niet makkelijker op. Aan de achteruitkijkspiegel voor in de auto hing een zilveren kruisje, dat welhaast hypnotiserend heen en weer zwaaide.
“We zijn niet alleen”, zei Janus opeens. De toon die hij gebruikte, was heel anders dan zojuist tijdens de landing. We draaiden alle drie ons hoofd zodat we dezelfde kant uitkeken als hij. Hij wees met zijn vinger. “Daar bovenop die heuvel.”
Drie gestaltes. Tweepoters. Ruwweg manshoog. En intelligent, want ze hadden zich in wollen jassen gehuld. Een van hen ondersteunde zichzelf met iets als een houten staaf. Ze leken verstijfd. Misschien waren ze het wel niet echt, want onze waarneming was versneld ten opzichte van de normale tijd. Ik kon alleen maar raden naar wat zij zagen: een ovaal van doorschijnend goud. Daarachter lichtgevende cirkels, om elkaar draaiend, onze deeltjesversnellers. En bovenaan ons standaard, wit stralend als een bliksem. Ze moesten met stomheid geslagen zijn.
“Ik weet zeker dat dit niet de Aarde is”, zei Thomas ondertussen van achter het stuur.
Het leek even of Janus daarop wilde reageren, maar Luweng fronste nog dieper en hij hield zijn mond. “We moeten het weten”, verklaarde ze. Ze pakte haar wapen in haar ene hand, een zaklamp in haar andere en stootte de deur van de auto open. Voorovergebogen rende ze tegen de heuvel op. Twee van de wezens verdwenen uit het zicht, gillend van angst. De derde was niet snel genoeg. De wapenmeester sprong op hem af en leek hem vanuit ons gezichtspunt met haar vlakke hand tegen de grond te slaan. In zijn eigen werkelijkheid werd hij geveld door een pulserende energiestoot. Luweng trok de man bij zijn been terug naar de auto. Bij het licht uit onze ramen zagen we een donker gezicht, een prominente neus en een krullende baard. De geur van angstzweet hing in een wolk om hem heen.
Janus graaide in zijn jaszak en pakte een stethoscoop. Nadat hij de pluggen in zijn oren had gestoken, drukte hij de kop tegen de borst van zijn patiënt. “Als het convergente evolutie is”, mompelde hij, “dan heeft die wel heel opvallende gelijkenissen opgeleverd.”
Thomas schraapte zijn keel. “De Aarde is vernietigd”, zei hij. “Dat weten we allemaal.”

Onze thuisplaneet was nog het blakende centrum van ons rijk geweest, toen wij vertrokken vanuit de baan van Neptunus, objectief zestigduizend jaar geleden. Ik was door alle relativistische snelheden, wormgatsprongen en versnelde tijdsbeleving niet meer zeker hoeveel subjectieve tijd er voor mij verstreken was. In elk geval voelde het ook lang geleden. We hadden alle bronnen van het zonnestelsel, inclusief de ijsbrokken uit de Oortwolk, bijeengebracht tot de grootste vloot in de geschiedenis. Elk schip schijnend, voorzien van het samen uitgekozen symbool en de woorden ‘In dit teken’. Het moment dat we allemaal gelijktijden onze aandrijvingen activeerden, was vanaf de Aarde zichtbaar geweest als een band langs de hemel, feller dan de Melkweg.
Ons reisdoel was het zwarte gat in het midden van ons sterrenstelsel. Astronomen hadden uit de banen van omringende sterren en planeten de aanwezigheid afgeleid van creaturen bestaande uit donkere materie. Ze zouden de processen in de kern van sterren versnellen zodat er meer zwarte gaten ontstonden, zodat zij in de zwaartekrachtputten daarvan elkaar zouden kunnen ontmoeten. We wisten niet hoe ze er uitzagen, zelfs niet of we ze wel zouden kunnen waarnemen, maar in de volksmond kregen ze de bijnaam ‘demonen’ toebedeeld en in de media werden ze meteen voorzien van bokkenboten en hooivorken. En het verhaal ging dat ze ook onze zon op het oog hadden, zelfs al was er nooit enige activiteit van ze waargenomen buiten het centrum van de Melkweg. Het was echter onze bestemming om in de eeuwigheid te domineren, niet de hunne, en zo ontstond het glorieuze visioen van de vloot. Het menselijke rijk zou afdalen in de duisternis en de heersers daarvan ontwapenen en tentoonstellen. Het licht zou zegevieren. Een andere uitkomst was niet mogelijk.
We hadden echter beter moeten weten. De structuren van donkere materie die we bereikten, bleken voor onze wapens onaantastbaar, terwijl onze tegenstanders in staat waren de zwaartekracht rondom onze schepen te manipuleren en ons zo in de ruimte te doen stranden. Duizenden jaren lang vochten we bloederige veldslagen uit, aanvankelijk tussen de sterren en nevels van het centrum, vervolgens in onze eigen spiraalarm. Hoe we onze technologie ook verbeterden, steeds verder werden we teruggedrongen, door steeds nauwere wormgaten vluchtend, verwoeste zonnestelsels en planeten als sintels achterlatend, met onze achtervolgers op onze hielen.
Net toen we terug waren op ons vertrekpunt, haalde de duisternis ons in. Tussen Jupiter en Mars vond vervolgens een ongelijke strijd plaats, waarbij het grootste deel van wat van onze vloot was overgebleven, werd vernietigd. Een regen van brokstukken en meteorieten daalde daarna neer op de binnenste planeten van het zonnestelsel, een nieuw groot bombardement. Hun oppervlak werd tot magma gereduceerd. Niets overleefde, zelfs geen bacterie.
Drie van onze schepen, waar wij er een van waren, wisten aan de ravage te ontsnappen. Maar in de eeuwen die volgden, ontplofte één ruimtetuig door een beschadiging aan de aandrijving. Een andere raakte van koers, zodat we uiteindelijk elk contact verloren. En nu was onze eigen energievoorraad uitgeput. Het laatste wormgat dat we konden openen, kwam uit in dit zonnestelsel, en we hadden net brandstof genoeg om deze planeet te bereiken en in dit veld te landen.
Wat er ook gebeurde, we zouden niet meer kunnen opstijgen. Dit was het einde van onze vlucht. Voor zover wij wisten, waren wij de laatste vertegenwoordigers van de mensheid.

“Dit is een mens”, concludeerde Janus. “Zijn genetische materiaal komt overeen met dat van ons uit de scheepscomputers. Heel bijzonder!”
Luweng, die tegen de deur van de auto aangeleund stond, haar wapen nog steeds in haar hand, vloekte in het oud-Chinees. Thomas duwde aan zijn kant het portier open en zwaaide zijn benen naar buiten. “Het kan niet”, zei hij ondertussen over zijn schouder. Zijn gezicht stond strak als een masker. “Er zijn geen biologische mensen meer.”
Janus haalde zijn schouders op, terwijl hij zijn instrument weer opborg. “Er heeft natuurlijk enige verschuiving in de basenparenvolgorde plaatsgevonden, maar niet meer dan in zestigduizend jaar te verwachten was geweest. Ze behoren nog steeds tot dezelfde soort: Homo sapiens sapiens. En geen ander.”
Ik schoof opzij zodat ik langs hem kon kijken. Inderdaad: de vorm van zijn jukbeenderen en de breedte van zijn kaken vertoonden kleine verschillen, maar de man had nog gewoon tussen de toeschouwers kunnen staan op het moment dat wij op onze queeste vertrokken, zonder dat iemand naar hem had op- of omgekeken. Thomas was om de auto heengelopen en knielde nu bij hem neer. Hij voelde aan zijn pols. “Hij leeft nog.”
“Ik weet wat ik doe”, zei Janus, duidelijk met zichzelf ingenomen.
“Gelukkig maar”, zei Thomas. “Want wij zijn nu ook aan deze planeet gekluisterd. We zullen haar met hem en zijn soortgenoten moeten delen. En ik weet niet of het slim is ons direct als vijanden te positioneren.”
Luweng schudde haar hoofd. “Wat stel je voor? Dat we ons voordoen als goden? Ze tempels voor ons laten oprichten? Een nieuw rijk stichten? Aan deze voorbeelden te zien, lopen wij technologisch ver op ze vooruit.”
“Ze zouden ons waarschijnlijk niet eens als menselijk herkennen”, zei Janus.
Thomas ging verzitten en keek naar ons op. “We hebben meer informatie nodig.”
Ik schoof terug naar mijn plek en haalde de kaart weer tevoorschijn. Ik vouwde hem uit op de bank van de auto en prikte met mijn vinger bijna in het midden, vlak naast de vouw. “Hier zijn we geland. Hier …” –ik bewoog mijn vinger opzij- “bevindt zich een dorp of een stadje, er loopt een verhard weggetje doorheen. Daar zijn de herders waarschijnlijk heen gevlucht.”
“Een goede plek om te verkennen”, besloot Thomas.
Luweng knikte. Ze richtte zich op en stak haar pistool in een holster onder haar oksel. Vervolgens trok ze haar marineblauwe jasje recht. “Incognito natuurlijk.”
“Dat is het meest verstandig”, zei Janus.
Ik rilde. Het was alweer tienduizend jaar geleden dat ik de computerwerkelijkheid had verlaten om een fysieke vorm aan te nemen, en dat was niet eens de menselijke geweest. In de lichamen van reusachtige mantaroggen hadden we gestreden tegen donkere materie-schepen in de kokende atmosfeer van een bruine dwergster. We waren na een eeuwenlange worsteling verslagen. Luweng had het een strategisch terugtrekken genoemd, maar dat kon de pijn van dat moment niet verzachten. En net als toen was de overgang nu niet plezierig. Terwijl een stroom denkende deeltjes het schip verliet en samenklonterde tot mijn menselijke vorm, bevond ik voor mijn gevoel even op twee plekken tegelijk, in de simulatie en daarbuiten, en ik zag mezelf naar mezelf kijken. Het duurde maar een seconde, daarna stond ik op het gras buiten de auto en streek met mijn handen over mijn parka. Tot aan de poriën in mijn huid en mijn net wat te lang geleden geknipte nagels was mijn voorkomen niet van een biologisch lichaam te onderscheiden.
De anderen waren naast mij in de tastbare wereld verschenen. Luweng wees naar de nog steeds bewusteloze man aan onze voeten. “Wat doen we met hem?”
Thomas fronste. “Het is zeker diplomatiek niet handig als we …”
Nog voor hij was uitgesproken, schudden zowel Luweng als Janus nadrukkelijk van nee. De piloot trok met zijn schouders. “Goed dan”, zei hij. Hij duwde met zijn voet tegen het portier van de auto, zodat die dichtviel. Daarna pakte hij een bos met sleutels uit zijn broekzak en drukte op een knopje. Er klonk een pieptoon en het geluid van sluitende sloten. Hij pakte de liggende man onder zijn schouders en zijn knieën, en richtte zich op. “Vertel me dat die nederzetting niet ver weg is!”
Ik slikte. “Een half uur lopen. Als we stevig door stappen. Meer niet.”
Thomas leek met dat antwoord tevreden en zette zich in beweging. Luweng liep opzij van hem, spiedend om zich heen kijkend. Ik volgde, met de kaart, en Janus kwam achteraan. Ik hoorde hem voortdurend dingen zeggen als: “Deze plant is nieuw voor de wetenschap!” en “Is dit een mier? Maar waarom heeft hij dan zoveel pootjes?”

We vonden, na twee zanderige heuvels te hebben beklommen en weer te zijn afgedaald, een zandpad dat de juiste richting op voerde. Tien minuten later kwam dat uit op een verharde weg, met op elkaar aansluitende klinkers. En iets meer dan een half uur nadat we waren vertrokken stuitten we op het dorp, weggestopt in een dal. De huizen waren donker, er brandde geen straatverlichting, en het scheelde niet veel of we waren eraan voorbij gelopen.
Een splitsing van het pad vormde de hoofdstraat. Aan het eind daarvan zagen we een groot gebouw, met een toren erop. Dit was waarschijnlijk het centrum van de gemeenschap, opperde Janus. Voor de grote houten deur stond een groepje mannen. Ze keken onze kant uit, kennelijk niet verbaasd dat zo laat nog reizigers hun nederzetting aandeden. Een lange man –zo te zien een van de herders die ons had zien landen- fluisterde iets in het oor van een man met een grijze baard en een mantel tot aan zijn enkels. Hij knikte, wuifde met zijn hand en stapte vervolgens naar voren. “De engelen zijn gearriveerd.” Zijn stem was diep, en zijn woorden waren voor ons, met enige hulp van onze computerrekenkracht, verrassend goed verstaanbaar. “Jullie hebben onze vriend meegenomen. Dank daarvoor.”
Luweng en Thomas wisselden een blik uit. Thomas kuchte. “Engelen, zei u?” Een vrouw en een jongen kwamen naar voren en namen zijn last van hem over. De bewusteloze man werd uit het zicht afgevoerd.
“We hoorden zojuist een knal en een gierend geluid dat ons deed schrikken.” De man met de baard knikte naar de lange herder, die nu schuin achter hem stond en aan zijn kin krabde. “Toen kwamen zij aangerend met een verhaal over oplichtende wezens in een gouden strijdwagen, die zich sneller bewogen dan een mens kan rennen. En dat juist in deze nacht. Dan is er maar één conclusie mogelijk.”
Thomas begon zich al groter te maken. Luweng glimlachte. Kennelijk zag ze al een glorieuze toekomst voor zich. De man keek tussen hen heen en weer. Uiteindelijk verbrak hij de stilte. “Jullie komen uit de ruimte, net als wij.”
Zelfs in het donker was te zien hoe zijn ogen twinkelden. Ik besloot dat ik de man wel mocht. Hij klopte Thomas op zijn bovenarm. “We zijn wat technologie kwijtgeraakt onderweg, maar we zijn niet vergeten waartoe mensen vroeger in staat waren. Onze voorouders zijn destijds tegelijk met jullie van de Aarde vertrokken. Ze kregen alleen niet zoveel aandacht in de media. Als ze niet werden genegeerd, werden ze afgetekend als lafaards of deserteurs. Ze moesten niet de kans krijgen de aandacht af te leiden van de door God bedoelde bestemming van de mensheid.”
Thomas knikte. “Onze strijd tegen de demonen, de heersers van de donkere materie.”
“We hebben begrepen dat die niet heel voorspoedig is verlopen.” De man klonk meelevend. “Er waren echter ook mensen die meenden dat hun eigen motieven niet altijd even stralend waren, en eerder de strijd wilden aangaan met de duisternis in hun eigen leven. Zij kozen ervoor de invloedssfeer van de Aarde te verlaten en kwamen uiteindelijk hier terecht, aan de rand van het melkwegstelsel.” Hij wees om zich heen. “Het lijkt misschien kaal, maar voor ons is het ons thuis.”
“Daar gaan onze fantasieën van godendom”, fluisterde Luweng, zodat alleen wij haar konden horen.
Janus drong zich ondertussen tussen ons door naar voren. “Zijn er nog andere koloniën? Hebben jullie misschien contact met …?”
Het antwoord was een ontkennende hoofdbeweging. “Al onze schepen landden hier.”
In het gezicht van Thomas begon een spiertje te trillen. Hij wilde iets zeggen, sloot zijn mond weer, fronste zijn wenkbrauwen. Even keek hij opzij naar Luweng, vervolgens zochten zijn ogen de mijne en daarna draaide hij zich weer om naar de oude man. “Wij kunnen nergens anders heen”, gaf hij toe. “We zijn van jullie afhankelijk.”
De man spreidde zijn armen. “Jullie zijn van harte welkom om je bij ons te voegen. Harde werkers vinden bij ons altijd een plek.”
Daar hadden we even niets op te zeggen. Elk van ons moest zijn of haar verwachtingen bijstellen. En dat kostte moeite. Janus was de eerste die zich leek te ontspannen. Hij begon te grijnzen. “Geweldig. Een hele nieuwe wereld om te verkennen.”
“Er zit niet anders op”, concludeerde Thomas, maar zijn uitdrukking was niet langer zo zorgelijk. Ook de schouders van Luweng waren wat gezakt en haar hand bevond zich niet meer in de buurt van haar schouderholster.
“Kom mee naar binnen”, zei de man. Hij knikte naar de mensen achter hem en zij duwden de deuren van het grote gebouw open. Warm, geel licht scheen naar buiten en omhelsde ons. “We waren juist begonnen met onze jaarlijkse viering van het licht.”
Janus was de eerste die naar voren stapte. “Moet je kijken”, riep hij. “Ze kennen ons embleem!” Ik moest me op mijn tenen oprichten om over zijn schouder te kunnen kijken. Rijen gelakte houten banken, met daarin de mensen, hun gezichten naar ons omgedraaid. Kaarsen op standaards. Guirlandes van groene naalden, en een boom met lichtjes helemaal achterin. En op de muur daarnaast inderdaad het teken. Niet van goud of diamant en niet lichtgevend of stralend. Maar uit eenvoudig hout gesneden, niet eens opgeschuurd. Toch was het duidelijk een kruis. Het symbool had de eeuwen en de lichtjaren weten te overbruggen. Ik voelde een onverklaarbare warmte door mijn ledematen stromen, tot in het puntje van mijn tenen. Het gevoel werd nog sterker toen de mensen begonnen te zingen. Ik was me er opeens van bewust dat ik lachte. Zonder te aarzelen, stapte ik de drempel over naar binnen. Ik was thuis.
Ik passeerde Janus, die was blijven staan en onze gastheer bij zijn arm had gepakt. “En de schapen”, hoorde ik hem achter mij zeggen, “hebben jullie die ook helemaal van de Aarde naar hier meegebracht?”
“Nee”, antwoordde de man. “Die leefden hier al. Een mooi voorbeeld van convergente evolutie.”

zaterdag 17 oktober 2015

'De loser die wint ...' - The Making Of ... (3): Een been dat niet meewerkt

Ondertussen zijn we weer een week verder en is de titel van mijn boek veranderd. De uitgever stelde voor ervan te maken: 'De loser die wint ... Als God je verhaal vertelt'. Dat bekt toch net wat lekkerder en dekt tegelijk prima de lading. Ik heb van de week de laatste correcties in de proef aangebracht, en kreeg ook al de coverontwerpen onder ogen. Dat allemaal wil zeggen dat het moment van publicatie nu wel heel dichtbij komt. Dat is wel een raar idee, na bijna drie en een half jaar.

Tijdens het schrijven van dit boek werd ik zelf ook weer met mijn zwakheid geconfronteerd. Zoals mijn vrouw wel eens tegen me zegt: 'Je bent heel hard voor jezelf. Maar in je boek schrijf je juist dat dit niet uitmaakt. Ook al lukt het je niet aardig te zijn voor jezelf, God houdt toch van je en uiteindelijk zal alles goed komen."-of woorden van die strekking. Ze zegt ook wel eens: "Als ik al zo van je kan houden, met al die tekortkomingen die jij in jezelf denkt te zien, dan moet de liefde van God voor jou nog veel groter zijn! Denk je het eens in!" En ik weet dat ze gelijk heeft, maar toch lukt het me niet goed te ontspannen.
Lezers hebben het ook over 'Indrukwekkende Vrijheid' gezegd, dat het leek alsof ik nog tegen mezelf aan het preken was. Dat ik zelf nog niet vrij was toen ik het schreef. Dat klopt! Ik dacht bijvoorbeeld nog dat hetgene waar ik mee worstelde, verslaving of passiviteit was. Dat ik mezelf moest dwingen om goede of nuttige dingen te doen. Nou, laat ik maar zeggen dat ik heb ontdekt dat dit niet echt mijn probleem is. Ik vind het eerder moeilijk tot rust te komen. Vooral omdat ik me veel aantrek van de mening van anderen. Bijvoorbeeld op kantoor.
Zo was 2011 voor mij geen makkelijk jaar. Om te beginnen was de koers van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ingrijpend gewijzigd, van een wetenschappelijk tijdschrift naar een journalistiek vakblad met vaste rubrieken. Daarbij werd veel van mij gevraagd, onder andere om voor een deel van het blad verantwoordelijk te zijn. Aanvankelijk onder een eindredacteur, maar toen die werd ontslagen, bleek ik die verantwoordelijkheid opeens in mijn eentje te moeten dragen. Terwijl ik juist had aangegeven opnieuw last te hebben van slaapproblemen. Elke maand weer moest ik ervoor zorgen dat alle rubrieken gevuld waren, en er niets fout ging met de artikelen. En dat was funest voor mijn nachtrust. Slaap is altijd al mijn achilleshiel geweest, en dit jaar maakte ik opnieuw korte nachten, waarin ik acht of negen keer per nacht wakker werd. En toch ging ik door.
De stress had nog andere symptomen. Ik zweette bijvoorbeeld veel en had vaak hoofdpijn. Elke dag opnieuw kwam rond drie uur de man met de hamer langs. En sinds 2009 had ik ook nog eens last van vrij ernstige eczeem, die ik tot bloedens toe open krabde. Ik had zalfjes voorgeschreven gekregen, maar ik moest er elke dag aan denken die te smeren. En vooral als je toch al slecht slaapt en moe bent, wil dat er nog wel eens bij inschieten. Vooral die plek boven op mijn rechtervoet, toch al uit het zicht. Ik wreef er vaak over met mijn andere hak, en de plek schilferde helemaal af. Ik was er niet goed aan toe. Ik kreeg in die periode verkering met Bianca, en ze was zelfs bang dat ik me kapot zou werken. Ik zag namelijk elke keer dat we elkaar zagen lijkbleek en had elk weekeinde hoofdpijn. Ze kende me ook alleen met van de stress opgetrokken schouders. Ik wist echter niet wat ik eraan kon doen. Het Tijdschrift moest immers elke maand gemaakt worden, ik moest er zijn voor mijn vriendin, en ga zo maar door ... En dan heb ik het nog niet eens over alles wat ik volgens de kerk voor God zou moeten doen of laten!

Bianca had mij dus eigenlijk alleen maar gespannen (of zelfs overspannen) meegemaakt. Tot maart 2012 (toen we dus al meer dan vier maanden verkering hadden). Toen had ik namelijk een week vrij genomen  om een begin te maken aan mijn boek. Op onze vaste avond samen ging ik naar onze ontmoetingsplek op Utrecht CS. En Bianca's ogen werden groot. Want nu zag ze me met ontspannen schouders, en een rustig gezicht. Zelfs mijn stem was volgens haar anders. Zoveel effect had het dus op me om met schrijven bezig te zijn!
Na die week moest ik echter terug naar kantoor. Ik schreef in de trein en in de lunchpauze en schoot aardig op.  Maar mijn slaap werd wel weer slechter. En het eczeem op mijn voet bleef ik open krabben. Tot ik eind april ziek werd. Het begon met plotselinge koorts tijden een redactievergadering. Ik voelde me heel beroerd. De dag erna was ik weer goed genoeg om naar kantoor te gaan, maar 's middags keerde de koorts terug. Ik meldde me ziek. De treinreis was een marteling. Maar eigenwijs als ik was, dacht ik dat het vanzelf wel over zou gaan met genoeg paracetamols, dus ik nestelde me op de bank met de film Les Miserables uit 1998. Het was erg raar Fantine aan koorts te zien overlijden, terwijl ik duizelig op de bank zat. De volgende dag was het niet beter. De thermometer gaf 39,5 aan. Maar ik bleef hopen dat het wel mee zou vallen. Ik lag op bed, en had een fles water op de kast in de buurt gezet, maar ik voelde me te zwak om te gaan zitten en te drinken. Ik kon niks anders dan liggen. Berichtjes van mijn vriendin via facebook beantwoordde ik met eenregelige zinnen - niet met hele epistels zoals gebruikelijk. En mijn voet deed ondertussen ook pijn, maar ik keek er niet naar.
De dag erna was het nog steeds niet beter. En toen belde ik mijn ouders -allebei huisarts. Ik durfde bijna niet te vertellen dat ik dacht dat er iets met mijn been aan de hand was, omdat ik bang was dat ze me zouden zeggen dat ik niet goed voor mezelf gezorgd had, dat ik had moeten smeren, of iets dergelijks. Maar niets van dat alles gebeurde. Ze kwamen naar me toe, twee man sterk, en bekeken mijn been. Dat was helemaal rood en opgezwollen. Tot bijna twee keer de normale omtrek. Als ik erop ging staan, leek het alsof ik met naalden werd gestoken. Ik kon me bijna voorstellen hoe het was gemarteld te worden.
Wat was er aan de hand? Mijn ouders wisten het, ook al het ik er nooit van gehoord, maar daar waren zij huisarts voor: wondroos. Erysipelas. Als je een sterke maag hebt, moet je er maar eens op googelen, maar de plaatjes zijn niet prettig. Een bacteriële infectie van de diepe lagen van de huid. Waarschijnlijk het lichaam binnengekomen via de eczeemplek. En zonder antibiotica kan het dodelijk aflopen. Ik had bijvoorbeeld in shock kunnen raken. Of het weefsel had kunnen gaan afsterven! Gelukkig waren we er op tijd bij. Ik werd door mijn ouders meegenomen. Ik kreeg een zware antibioticakuur. Mijn been werd steeds gekoeld en ingezwachteld, om de druk te verminderen. Ik was, eigenlijk voor het eerst in mijn leven, werkelijk doodziek.
Langzaam ging het beter. De pijn nam af, mijn been was steeds minder opgezwollen, en de rode kleur trok een beetje weg. Ik kon er ook al een beetje op lopen. En zodra ik goed genoeg was om rechtop te zitten, ging ik verder met schrijven. Want uitzieken (of mezelf rust gunnen) zit niet in mijn systeem. Twee weken nadat ik ziek werd (mijn ouders vonden het eigenlijk nog te vroeg, want ik zat nog onder de antibiotica en was na een treinreis al doodmoe) ging ik naar kantoor. Die eerste dag was echter een ramp. Opmerkingen die ik kreeg, suggereerden dat ik me al eerder beter had moeten melden, dat ik te makkelijk met mijn ziekte was omgegaan. En ik voelde me daardoor zo wanhopig, dat ik spijt had dat ik op de vijftiende verdieping woonde. Want voor het eerst drong serieus de gedachte zich bij me op om over de reling van het balkon te springen. Ik wist die gelukkig dezelfde avond nog te verdringen. Zo belangrijk is mijn werk nou ook weer niet. Maar deze gedachten suggereerden wel hoe gevoelig ik nog steeds was voor kritiek. Hoe gevoelig ik was door anderen 'zwak' gevonden te worden.
De weken erna schreef ik mijn boek af. Ik had in de praktijk ondervonden wat het is 'zwak' te wezen. Niets anders te kunnen dan op bed liggen en voor me te laten zorgen. Mijn zelfverwaarlozing te laten zien, zonder bang te zijn voor oordeel, en met de gevolgen te leren omgaan. En ik moest leren mijn eigen 'zwakheid' te respecteren. Goed voor mezelf te zorgen. Niet teveel van mezelf te vragen. Die lessen leerde ik echter pas echt toen ik het najaar erop voor de tweede keer ziek werd, de week nadat ik Bianca ten huwelijk had gevraagd. Ik had met eczeem namelijk opnieuw verwaarloosd. Dit keer herkende ik de symptomen gelukkig eerder en durfde ik ook iets eerder om hulp te vragen. Ik realiseerde me toen ook wat ik moest doen om de stress tegen te gaan: schrijven! Daar zal ik echter op ingaan als ik de 'Making of ...' schrijf van 'De Krakenvorst'!

Van deze episode in 2012 heb ik littekens overgehouden. Sommige zijn voor mij goed te zien, namelijk de totaal donkere plek op mijn voet, waar het eczeem heeft gezeten. De vlekken daar zullen waarschijnlijk nooit meer verdwijnen. Gelukkig zit er altijd een schoen overheen. Andere zijn minder opvallend. Mijn rechterbeen heeft namelijk ook een klap opgelopen. Ik moet nu al jaren op warme dagen een steunkous dragen, want de bloedvaatjes zijn door de ontsteking beschadigd. En als ik sneetjes of wondjes oploop, kan de wondroos makkelijk terugkomen. Dit voorjaar nog had ik mijn been gestoten, en kleurde opeens mijn been weer rood, en werd warm. Gelukkig kreeg ik geen koorts, en kon ik door te koelen de zwelling terugdringen. Maar mijn been blijft 'wonky' en zal waarschijnlijk de rest van mijn leven niet blijven meewerken.
Het is voor mij een teken dat het (letterlijk) van levensbelang is dat ik leer mezelf te accepteren, inclusief de terreinen waarop ik mezelf als 'zwak' zie, waar ik denk dat ik eigenlijk harder voor mezelf moet zijn, mezelf moet dwingen te presteren of mee te kunnen komen met de rest. Ik ken uit eigen ervaring de consequenties, en voor mijn vrouw en voor mijn vrienden kan ik het niet riskeren nog eens ziek te worden. Dus heb ik mijn eigen boek nodig.
Ook dit keer is het een preek tegen mezelf. Ik heb het nodig te weten dat het verhaal dat God vertelt niet om mij en mijn prestaties draait, maar dat Hij mij betekenis geeft door zijn liefde, en dat die in geen enkel opzicht van mij afhankelijk is. Het verhaal loopt goed af, dat heeft Hij belooft, en noch mijn zwakheid, noch mijn kracht, kan daar enig verschil in maken. Dat maakt de boodschap van Jezus goed nieuws. Vooral voor mij.

Houd deze plek in de gaten! Volgende week plaats ik een klein voorproefje van mijn boek!

vrijdag 25 september 2015

Gedicht: Gods verantwoordelijkheid

Gods verantwoordelijkheid

Ik had niet gevraagd om dit zogenaamd geschenk.
Wist nergens van, niet van schoonheid en niet
van haat. Was onzelfzuchtig in mijn niet-bestaan. 
Rustte in niet verantwoordelijk zijn. Mijn pad
op de bestemming aangekomen doordat
ik nooit vertrok. Maar dit mocht van u niet blijven.
U duwde mij de wereld in. Naakt landde ik
in vijandschap, moest vechten om te overleven,
zoeken naar het goede op de tast. Alleen,
want hoe ik riep, u leek mij nooit te horen, leek
zelfs niet te bestaan. Toch vertelden mensen dat 
ik zou worden afgerekend op mijn houden van
slechts te raden regels, betwiste rituelen
waarmee ik nooit had ingestemd en faalde ik
dan was het oordeel pijn tot in de eeuwigheid.
U was niet goed, toch moest ik u wel zo noemen.
Ik leed. Toen zag ik u begraven in de grond
een deel van mij in uw etterende wonden, 
de prijs betaald zodat ik u zou vergeven
en deel zou zijn van u. Het leven won finaal
de strijd en ik rees met u op. Het hele land
kreeg kleur en zelfs wie in de hel was afgedwaald
bracht u terug. De aanklacht ongedaan gemaakt
nam ik uw gave aan in jonge dankbaarheid.
 
Dit artikel dat ik afgelopen woensdag las, overtuigde mij dat God uiteindelijk iedereen zal redden. Of dat hij niet werkelijk goed is, en in dat geval: waarom zou ik in Hem geloven? Het is eigenlijk heel eenvoudig: als God uit vrije keuze het heelal en elk van ons heeft gemaakt, is hij uiteindelijk verantwoordelijk voor hoe het met ons afloopt, en niet wij.

zaterdag 19 september 2015

Gedicht: Herfstochtend

Herfstochtend

De ramen lijken ziek, vol bulten
glanzend in een spikkelpatroon.
Daarachter de grauwe lucht, wolken
steeds voorbij schuivend, donker, bleek
en zelfs wat groen als het gezicht
van iemand die moet overgeven.
De bomen dragen blad, maar ik zie
al pestilente plekken. Flats laten
de schouders zakken, sporen lopen
over hun gezicht. Geen vogels
zingen nog, slechts de kraaien zwart
als alle regenjassen. Ik denk dat
ik vandaag maar beter thuis kan blijven.

woensdag 16 september 2015

Boekbespreking: The Zero Marginal Cost Society (1): Het einde van het kapitalisme

Als het mogelijk was boeken zes sterren te geven, zou ik dat voor dit boek doen (wat suggereert dat mijn beoordelingssysteem voor boeken op Goodreads niet helemaal klopt). Ik overdrijf niet als ik zeg dat dit boek mijn leven heeft veranderd. Het is ook lang geleden dat ik hele pagina's van een boek aan mijn vrouw voorlas, of aan vrienden (en broers) toezond, omdat ik dacht dat ze wel wat inspiratie konden gebruiken. En dat voor een boek over economie! Wie mij een beetje kent weet dat ik altijd heb gezegd dat ik geen enkele interesse heb in dat onderwerp, een van de weinige onderwerpen waarvoor dat geldt. Ik ben net zo verrast als jullie!
Zelf zou ik het boek waarschijnlijk niet hebben uitgekozen, want de titel wekt de indruk dat het een behoorlijk technisch betoog wordt ('marginal costs', dat klinkt als economie, nietwaar?). Maar een vriend raadde me aan het boek te lezen. We hadden namelijk met elkaar gegeten in Rotterdam, en tijdens onze maaltijd had ik hem verteld dat ik vaak depressief wordt als ik nadenk over de toestand van de wereld, omdat ik wordt bestookt met doemscenario na doemscenario. Dan weer gaat het over klimaatverandering, die niet meer te stoppen zou zijn, dan weer over het uitsterven van diersoorten en het leeg raken van de zeeën, dan weer over de komende oliecrisis ('peak oil') of over de vluchtelingenproblematiek (we kunnen ze nu wel helpen, maar het probleem is daarmee niet opgelost). En dan zijn er ook nog christenen die overtuigd zijn dat de Heer eind september 2015 terugkomt. Zoals hij zou terugkomen in 2011 en in de jaren '70 en in het jaar 1000. Maar toch: een kennis van me ging deze zomer maar veel reizen, want stel je voor dat de profetieën gelijk hadden ... Ik vind deze negatieve scenario's echter heel ontmoedigend, en vraag me soms af of het zin heeft door te leven als onze toekomst alleen maar slechter wordt.
De vriend met wie ik aan het eten was, bracht hier tegenin dat er ook positievere verhalen waren te vertellen over onze wereld en de toekomst, en dit was een van de boeken die hij me aanraadde te lezen. Het andere was 'The improving state of the world' van Indur M. Gorlany. Al voor ik er aan toekwam ze te bestellen, had ik op basis van zijn opmerkingen al geconcludeerd dat we als menselijk ras een bias (vooroordeel) hebben ten gunste van apocalyptische scenario's. We houden van samenzweringstheorieën waarbij grote machten samenspannen om ons voor de gek te houden en te overheersen, en we denken dat alles beter was in het verleden. Dat is van alle tijden. Zelfs de Egyptenaren dachten dat hun jeugd moreel bankroet was, en in de 19e eeuw werd er ook geklaagd over de losgeslagen studenten. Nu zeggen mensen dat de jeugd geen werkelijk contact meer heeft, maar zich afsluit achter beeldschermen. Maar er zijn foto's van begin vorige eeuw waarin je mensen in een tram ziet zitten, allemaal achter een krant verborgen. Kennelijk willen mensen in een drukke omgeving zich gewoon afsluiten van prikkels en is het niet iets van deze tijd. Toch vertellen we deze verhalen graag. Mogelijk omdat de meeste mensen 'in het moment' leven, en dit soort verhalen de situatie op scherp stellen en spannend maken. Mogelijk eenvoudig omdat over vrede en rust en groei weinig spectaculairs te vertellen is. De kranten bevatten ook al sinds mensenheugenis vooral slecht nieuws.

Ondertussen is het echter heus niet allemaal slecht nieuws dat de bovenhand voert. Niet alleen is de mens in een paar duizend jaar in medisch en technologisch opzicht een heel stuk verder gekomen, en is het leven van heel veel mensen verbeterd - we leven langer en blijven langer gezond, zijn rijker dan koningen in de middeleeuwen en hebben zelfs recht op vakantie en gerechtelijke bijstand! Wij hebben het beter dan onze ouders en al helemaal dan onze voorouders. En dit geldt niet alleen in het westen. Over de hele wereld zijn ziekten uitgeroeid, daalt kindersterfte, daalt het aantal slachtoffers van geweld (het lijkt anders omdat we door de media meer te horen krijgen). Bovendien zijn dit niet slechts cosmetische veranderingen, het lijkt erop dat ons menselijke bewustzijn zich ook verder ontwikkelt. In de steentijd leefden mensen in groepen van maximaal 500. Mensen van buiten die groep werden als 'anderen' beschouwd, als minder menselijk, en werden dus bestreden. Zo leven huidige steentijdstammen nog steeds! Maar uiteindelijk leerden mensen de eigen groep uit te breiden en zagen ze de mensen van hun eigen religie als tot hun groep behorend (de familie van het geloof). Mensen die iets anders geloofden waren 'heidenen' of 'barbaren' en werden nog steeds bestreden. Uiteindelijk gingen mensen zien dat anderen uit hun eigen land, ook als ze iets anders geloofden dan zij, het beschermen waard waren. De nationale identiteit werd belangrijk: de landgenoot werd de broeder. En in een volgende stap: de rasgenoot (die zie je in de 19e eeuw, en daarom is soms literatuur uit die tijd in onze ogen racistisch. Wat deze thesis bewijst). De volgende stap was de opkomst van het psychologische inzicht: we gingen zien dat alle mensen, ongeacht afkomst, een innerlijk leven hadden. Ook als ze anders leefden dan wij, zelfs als ze zich misdadig gedroegen, of zich afzonderden, of juist heel sociaal waren. We kregen er oog voor hoe ze zo geworden waren, en begrip voor hun reis. Onze eigen grootouders missen dit inzicht vaak, en snappen niet waarom anderen uit andere culturen zo 'anders' doen dan zij. Zo recent is deze ontwikkeling!
Deze evolutie ging gepaard met innovaties in de beschikbaarheid van energie (landbouw, windmolens en watermolens, stoomkracht, olie en benzine), in transportmogelijkheden (het wiel, boten, treinen, vrachtwagens) en in communicatiemiddelen (nodig om de energiestromen en het transport te reguleren: het schrift, de drukpers, het telegram, de telefoon et cetera). Het zal niemand ontgaan dat deze innovaties doorgaan en wel in een steeds hoger tempo. Deze eeuw zag de opkomst van het internet als communicatiemiddel, waarmee het mogelijk was gegevens uit te wisselen met mensen aan de andere kant van de wereld, samen te werken zonder hoge kosten en toegang te krijgen tot boeken, muziek en video. Deze nieuwe communicatiemiddelen scheppen heel veel mogelijkheden, onder andere op het gebied van energie. Groene, vernieuwbare energie die door mensen zelf wordt opgewekt, wordt opgeslagen in de vorm van waterstof en wordt verspreid op een door mensen gedeeld 'energie internet', zal de marginale kosten van energie tot bijna nul laten dalen (marginale kosten: de kosten om meer van hetzelfde product te genereren). Energie zal dus niet langer kostbaar zijn, maar alom tegenwoordig. En dit maakt het mogelijk dat iedereen zijn eigen benodigdheden gaat produceren. 3D-printers zijn in opkomst. Hiermee kan iedereen, ook weer tegen materiaalkosten, in zijn/haar eigen behoeften voorzien. 3D-printers kunnen zelfs andere 3D-printers printen! We worden van 'consumers' dus 'prosumers'. Vervolgens zal de uitwisseling van goederen ook veel goedkoper worden door ontwikkelingen als het 'internet der dingen', wat de efficiëntste manier zal berekenen om energie te gebruiken en goederen van plek tot plek te krijgen, bijvoorbeeld middels 'drones'.

Rifkin noemt al deze ontwikkelingen samen 'De Derde Industriële Revolutie'. En deze revolutie zal onze economie ook ingrijpend veranderen, zoals het bij elke eerdere revolutie ook is gebeurd. Wij zijn namelijk zo opgegroeid in een kapitalistische omgeving (in elk geval mijn eigen generatie, voor jongeren ligt dit al weer anders), dat we het als normaal zijn gaan beschouwen. Dit zou 'het einde van de geschiedenis zijn'. Maar het kapitalisme als systeem zoals we dat nu kennen, is van recente oorsprong. Over de loop van eeuwen heeft het steeds meer gebieden van het leven in zich opgenomen en op de marktplaats gebracht, zodat we nu betalen voor muziek, verhalen, water, transport, elektriciteit, en zelfs: spiritualiteit (denk aan televisiedominees en megakerken). Er zijn hekken omheen geplaatst: deze terreinen zijn niet langer het bezit van iedereen, maar worden geëxploiteerd door ondernemers. En wij, van deze generatie, weten niet anders dan dat alles gekocht en verkocht kan worden. Ik noem dat wel eens het 'transactionele wereldbeeld'. Maar het is nu al zichtbaar dat de kapitalistische economie aan het plaatsmaken voor een andere vorm. En wel een economie van overvloed in plaats van schaarste of tekort.
Door de gratis productie van hernieuwbare energie en de toegang tot efficiënt transport en eigen productie via 3D-printers hoeven we niet meer om muziek, boeken, water, elektriciteit en spiritualiteit te concurreren. Iedereen kan zelf voorzien in wat hij/zij nodig heeft om te overleven, zonder afhankelijk te zijn van bedrijven. In deze economie zal het belangrijker zijn toegang te hebben tot voorzieningen, dan om ze te bezitten (dit zie je nu al met media), en we zullen met elkaar willen delen in plaats van te moeten kopen, samenwerken in plaats van concurreren. We zullen de bronnen van de wereld niet zien als grondstoffen om commercieel te exploiteren of op de markt te brengen, maar als een gedeeld goed dat we als gemeenschap zullen beheren, zodat iedereen er op een duurzame manier van kan profiteren. Rifkin noemt dit de 'collaborative commons'. Het systeem van de 'Commons' is al eeuwenlang in vele culturen gangbaar. Bijvoorbeeld in Zwitserland, waar mensen uit een dorp hun alpenweide niet in bezit hebben, maar de weiden zien als een gedeeld goed en het ook zo beheren. Ze zorgen samen voor het onderhoud ervan, en verdelen de opbrengsten naar ratio. Op deze manier zijn deze weiden al meer dan 800 jaar duurzaam onderhouden, en zijn ze niet kaalgevreten en geërodeerd! Dit oude systeem zal waarschijnlijk weer in belang toenemen, als we ons milieu, maar ook onze cultuur en ons geloof gaan zien als gedeeld goed.

(wordt vervolgd!)

maandag 24 augustus 2015

Gedicht: Onheil

Uit de film 'Knowing'
Onheil

Hoe vaak zal de wereld nog vergaan?
Ik moet me telkens zorgen maken
dat het einde komt. Onheilsprofeten
spreken me aan in kerk en kranten:
de Heer komt terug, de poolkap smelt,
natuur verdwijnt en oorlog dreigt.
Vluchtelingen komen de grenzen over
maar zijn ook mensen. Alles moet nu
worden opgelost. Maar niemand weet
wat moet gebeuren. Toch, doe ik niets,
dan heb ik het aan mezelf te wijten.

Maar het is elke generatie zo
dat vroeger beter was, maar vandaag
rampzalig. En wat goed en mooi is,
niet nieuwswaardig. Jezus is nog nooit
teruggekeerd en minder mensen
lijden dan voorheen. De nood is echt,
maar niet de kern van het bestaan.
Moet ik mezelf verliezen in de strijd
van het moment? Of mag ik rustig
bouwen aan het koninkrijk. Houden
van elke medemens en leven.

maandag 6 juli 2015

Gedicht: Waarom-vraag

Waarom-vraag 

Het schijnt niet gewoon te zijn
jezelf de vraag te stellen 
waarom je door zou leven.
De meeste mensen lijken
wel tevreden, genieten
van hun prestaties, voelen
zich van binnen vol. Maar ik
moet elke dag bewijzen
dat ik iets toevoeg, dat de
strijd om te overleven
zinvol is. Ook als ik geen
hoop zie aan de horizon,
want wat mooi is, dat verdwijnt
voor eeuwig en mijn passie
is tegen onverschilligheid
niet bestand. Ik sta alleen
in een steeds grijzer land
en probeer uit alle macht
het te kleuren, wil ogen
van anderen open krijgen.
Ik word moe, maar ik moet wel
blijven zwoegen. Toch ben ik
hier nog. Ik vind een antwoord
op mijn vraag in het gewone:
een glimlach, paardenbloemen,
gesprekken bij de koffie,
een glimp maar het volstaat.
Voor vandaag, want morgen is
een nieuwe dag en die heeft
aan zijn eigen kwaad genoeg.

zondag 31 mei 2015

Filmbespreking: Twee toekomstperspectieven (2): Mad Max Fury Road

Dit is een wat onconventionele filmbespreking, aangezien ze zowel de film uit de titel behandelt, als de film die in deel 1 werd ge-analyseerd, project T. Niet alleen is het dus handig om dat artikel te lezen voordat je aan deze bent, ook heb je dit artikel nodig om al mijn ideeën over de eerste film mee te krijgen. Maar ik vond de films te goed op elkaar reageren om ze niet te combineren. Vooral vanwege de filmposters voor ‘ToxiCosmos 3’, die herhaaldelijk terugkeren in project T, en die bedoeld lijken als parodie op de Mad Max-films. Waarvan er nu dus ook een in de bioscoop draait: Mad Max Fury Road.
En deze is eigenlijk net zo zeer vernieuwend voor het genre als Project T. Niet vanwege het verhaal op zich, dat erg lijkt op dat van eerdere Mad Max-films en dergelijke verhalen. In deze film wordt deze overeenkomst echter een kracht, aangezien het een mythisch aspect geeft aan de gebeurtenissen. Wat vooral vernieuwend is, is dat een regisseur van 70, en een cameraman van 72, laten zien dat een film niet hoeft mee te doen met de mode of de trends van onze tijd, maar dat kwaliteit zich altijd onderscheidt. Dat het niet computereffecten, flitsende montage of ironie is dat een film een succes maakt, maar de kracht van het verhaal, overzichtelijke actie waarin echt iets op het spel staat en personen met wie je kunt meeleven. Er is een volledige analyse te schrijven hoe deze film laat zien dat we als mensen uiteindelijk willen engageren met echte werelden en dat computereffecten ons toch te veel op afstand houden. We zijn wezens van de tastbare werkelijkheid en niet van de abstracte wereld van de ideeën. En bovendien is de film gewoon geweldig gemaakt, vol fantastische ideeën, zoals de ronkende gitarist die de auto’s begeleidt. De filmmaker gelooft in zijn wereld, en dat spat er van af. Dat ook begeleidt door on-ironische epische muziek, en de combinatie is een glorieus filmspektakel dat mij in elk geval er weer aan herinnerde waarom ik films zo gaaf vind. En met name post-apocalyptische films.

Want de film speelt zich af na een serie van wereldomvattende rampen. Daarbij zijn de olievoorraden verdwenen, is het water opgeraakt, en zijn vrouwen onvruchtbaar geworden. In een uitgestrekt woestijnlandschap houden groepen mensen zich nog in leven, onder andere in de Citadel. Immortan Joe deelt daar de lakens (of beter: het water) uit. Hij is degene die de kraan kan opendraaien en controleert dus het leven van de mensen onder hem. Hij beheerst bovendien hun toekomst, want hij presenteert zich als een godheid, die zijn trouwe onderdanen een plek op de eeuwige snelwegen kan garanderen. Hij vindt het dan ook niet meer dan logisch dat hij over het leven van vijf vrouwen kan heersen, die hem gezonde nakomelingen moeten schenken. Zij denken er echter anders over, en spannen samen met Imperator Furiosa - die zelf ook een appeltje te schillen heeft met Immortan Joe. Als ze proberen te ontsnappen, komt er een achtervolging op gang. Een van de volgwagens voert een gemuilkorfde man met zich mee als levend infuus voor de chauffeur. Deze man is Max, en hij is op z’n zachtst gezegd niet blij met hoe hij wordt behandeld. Als zijn bewakers hun aandacht laten verslappen, grijpt hij zijn kans …

Ik houd van zowel rampenfilms als post-apocalyptische films. Ze lijken misschien op elkaar, maar er zit een belangrijk verschil tussen. Rampenfilms spelen zich af terwijl de wereld (of het schip, of de wolkenkrabber) vergaat. De hoofdpersonen hebben maar een doel, namelijk proberen te overleven. En als kijker stel ik mezelf de vraag: zou ik in deze omstandigheden overleven? Zou ik zo snel kunnen reageren als de hoofdpersonen, beschik ik over dezelfde vaardigheden, en zou ik iemand anders kunnen laten omkomen als ik zo mijn leven zou kunnen beschermen? De crisis die wij allemaal bijna dagelijks ervaren (hoe overleven we de dagelijkse ‘rat race’ en de uitdagingen waar we thuis of in de kerk voor staan) wordt in zo’n film op scherp gezet, en dat heeft een cathartisch effect. Toen ik erover nadacht, realiseerde ik me dat Project T eigenlijk een rampenfilm is, een waarin onze wereld bezig is te vergaan (er worden beelden getoond van overstromingen, atoomontploffingen, verlaten steden). De vraag die de hoofdpersoon zich stelt is hoe het valt te repareren. Hoe kan de mensheid overleven? Het is in essentie een mechanische vraag, die een mechanisch antwoord krijgt: als we er met voldoende optimisme hard aan werken krijgen we de wereld wel weer draaiend.
Dat is echter wat anders dan een post-apocalyptische film. Daarin zijn de overlevers al gescheiden van de verliezers. Iedereen die we zien heeft de beproeving doorstaan, heeft zichzelf dus bewezen. De crisis is voorbij, of anders gezegd: de crisis is de nieuwe werkelijkheid geworden. En de vraag is dus niet: hoe overleef ik, maar: hoe word ik van een overlevende weer een mens?

Hier begint het verhaal van Mad Max, die zichzelf in de opening van de film beschrijft als ‘A man reduced to a single instinct: to survive’. De mindset van de karakters uit Project T is zijn hele wereld geworden. Hij is zijn menselijkheid kwijtgeraakt om te kunnen blijven bestaan. Zelfs zijn naam lijkt van hem te zijn weggesleten. Anderen zijn bereid hun medemensen hun menselijkheid te ontnemen. Immortan Joe behandelt vrouwen als fokkoeien en als melkmachines, en Max zelf dient als levend infuus. Hiervoor wordt technologie gebruikt. Maar ook religie wordt toegepast om mensen te reduceren tot minder dan personen (zeg maar: als een techniek). Dit geldt voor de ‘war boys’ die een chromen hemel voorgespiegeld krijgen en vervolgens bereid zijn zich op te offeren als kanonnenvoer. En voor de populatie onderaan de citadel, die af en toe water over zich krijgen uitgestort. Maar Immortan Joe waarschuwt hen dat ze niet verslaafd moeten raken aan water, anders zouden ze de afwezigheid ervan niet kunnen verdragen. Het is een eerste levensbehoefte! Geen verslaving! Zo werken instituten. Fascinerend is dat Immortan Joe hier lijkt op de optimistische technologen van Project T: hij heeft installaties om groenten en fruit te kweken, techniek om water op te pompen, auto’s … Als van techniek en innovatie de oplossing wordt verwacht, is dit waar het toe kan leiden.
Furiosa, de vijf vrouwen en Max vluchten naar ‘het groene land’ en ‘het volk van de vele moeders’ - opnieuw een andere wereld waar de oplossing moet liggen. Een ander instituut dat het eerste moet vervangen. Maar -dit las ik in een erg goede recensie van de Washington Post- de hoop ligt niet in een instituut. De droom blijkt te vervliegen. Van deze ideale samenleving is niks over dan een groepje (opnieuw) overlevers. ‘As with many of its pop cultural cousins “Mad Max” is thoroughly postmodern. Oppression, we believe, is not countered and defeated by a stronger alternative religion. There’s no better regime.’

We zijn ons naïeve jaren ’60 optimisme kwijtgeraakt, en mijns inziens terecht. Hoop komt niet van nog meer organisatie, nog meer inspanning, nog meer ‘schouders eronder en doorzetten’. Maar waarvan dan wel? ‘We find meaning in small, humanizing interactions between individuals,’, schrijft The Washington Post, ‘not within institutional structures. That might look like Max choosing to take care of others, or it might look like former sex slaves and regime hacks discovering their humanity in small acts of kindness.’ In plaats van een ander instituut op te zoeken of zelf op te richten, een alternatief dat waarschijnlijk in dezelfde valkuilen zou vallen als de Citadel, besluit de groep terug te keren. Terug te gaan naar de plek die ze probeerden te ontvluchten. Met als doel om op die plek aanwezig te zijn. Niet om van anderen te nemen, maar om te geven. Furiosa, Max en de overlevenden van het ‘volk van de vele moeders’ kiezen ervoor waarde toe te kennen aan zaden die de rampen hebben overleefd, aan jonge vrouwen die zich niet langer als vee wilden laten behandelen, aan een ‘war boy’ die zijn wereld heeft zien instorten. Ze besluiten die ook als waardevol te behandelen, ook als het hun hun eigen bloed, hun eigen leven zou kosten. Aan het eind van de film kiest Max er daarom voor zijn bloed te geven aan een ander die op sterven ligt. Niet gedwongen, maar uit eigen beweging. En deze keuze geeft hem zijn identiteit terug. Dan noemt hij zijn volledige naam. Hij is weer een mens.
Vergelijk dit maar eens met de climax van Project T. In die film heeft Frank Walkers karakter veel parallellen met Mad Max: ook hij is een gedesillusioneerde man die zichzelf heeft gebarricadeerd en zelfs intermenselijk contact heeft opgeofferd om zijn eigen overleving veilig te stellen. Ook bij hem ligt een nare ervaring uit het verleden daarbij aan de wortel. En ook hij moet in de loop van het verhaal zich weer met de echte wereld en echte mensen gaan bezighouden. Maar Frank offert aan het einde niet zichzelf op. Het is het robotmeisje Athena dat zich opoffert, en dat hij vervolgens in een installatie laat vallen om die op te blazen. Nogal een verschil, en het illustreert waarom volgens mij Project T minder hoopvol is dan Mad Max. Want Frank heeft met iemand anders’ leven betaalt om de wereld en zichzelf te laten overleven. En ook al overleeft de wereld, de vraag is of hij daardoor menselijker is geworden.

Ik moest bij het peinzen over deze twee films denken aan het essay ‘Learning in War Time’ van C.S. Lewis. Hij schreef dit in de tweede wereldoorlog. Studenten aan de universiteit waren onrustig aan het worden. Ze meenden dat de enige betekenisvolle activiteit, was naar het front te gaan en daar te strijden. Literatuur bestuderen, aan techniek werken, wetenschap bewerken, dat zagen ze als vlucht van de werkelijkheid. Hoe konden ze het veroorloven daarmee bezig te zijn, als aan de overzijde van het kanaal mensen op leven en dood vochten? ‘How can you be so frivolous and selfish as to think of anything but the War?’ - hij trekt het zelfs breder: hoe kun je met kunst en wetenschap bezig zijn, als er mensen om je heen naar de hel gaan? Maar hij wijst erop dat de bijbel zegt: ‘Of u nu eet of drinkt, doet alles ter ere van God’. En dan zegt hij dat dit betekent dat ‘Christianity does not simply replace our natural life and substitute a new one: it is rather a new organisation that exploits, to its own supernatural ends, these natural materials.’ Het is een vernieuwing van het hart, niet van de vorm. De techniek en bronnen van de citadel in dienst van opoffering in plaats van exploitatie. Het doel is niet het overleven, maar het waarde toekennen aan andere mensen, aan de wereld om ons heen, om die te zien door de ogen van God en ze lief te hebben zoals God ze liefheeft. Dus zegt Lewis: ‘We can therefore pursue knowledge as such, and beauty as such, in the sure confidence that by so doing we are either advancing to the vision of God ourselves or indirecty helping others to do so. Humility no less than the appetite, encourages us to concentrate simply on the knowledge or the beauty, not too much concerning ourselves with their ultimate relevance to the vision of God.’ Ons doel is niet te overleven, want of we overleven of niet hebben we niet zelf in de hand. Het is om mens te zijn en lief te hebben. En te vertrouwen op God. Want wij zijn het niet die onszelf verlossen door de witte of de zwarte hond te eten te geven. Het is God die de witte hond doet overwinnen en ons en onze wereld zo’n waarde toekent dat hij ze uit de dood doet opstaan.
In het einde van Project T komen mensen in beeld die met kunst bezig zijn, met onderzoek, het het beschermen van diersoorten. Mensen die andere mensen, dieren, kunst, techniek, zien als waardevol. Zij krijgen een speldje waardoor ze naar de andere wereld worden gebracht. Maar dat was helemaal niet nodig geweest! Want omdat ze de wereld zagen als waardevol, en zich daarvoor inzetten, deden ze al alles wat nodig was. Ze waren niet afhankelijk van de organisatie van ‘Plus Ultra’. Sterker nog: nu werden ze weggenomen uit hun omgeving waar ze zich zo voor inspanden, voor het versterken van een andere organisatie. Weliswaar om uiteindelijk de wereld te redden, maar wat de film niet genoeg duidelijk maakt, is dat dat al was wat ze aan het doen waren! Ze gaven al van zichzelf, hun eigen bloed, om wat waardevol is te beschermen. Meer wordt niet van ons gevraagd.

Ik ga dus door met het schrijven van allebei de soorten verhalen: utopisch en dystopisch. Utopische verhalen waarin blijkt dat een perfecte organisatie en utopie soms kan zorgen dat mensen uit het oog verliezen wat werkelijk waardevol is, en zo minder zichzelf zijn. Dystopische verhalen waarin blijkt dat zolang mensen oog houden voor wat werkelijk waardevol is, zelfs de meest onmenselijke omstandigheden hen hun menselijkheid niet kunnen afnemen. We hebben beide boodschappen heel hard nodig.

zaterdag 30 mei 2015

Filmbespreking: Twee toekomstperspectieven (1): Project T

Zoals je ziet als je naar mijn profiel hiernaast kijkt, schrijf ik niet alleen maar gedichten en filmbesprekingen, maar onder andere ook science fiction-verhalen. De laatste tijd vooral korte verhalen. Dit voorjaar deed ik mee met de verhalenwedstrijd van Trek Sagae, en daar won ik met mijn verhaal ‘De Valstrik’ de eerste plek. Een bemoediging om door te gaan. Ik hoop begin volgend jaar een bundel korte SF-verhalen uit te brengen. Maar eerst verschijnt dit najaar ‘Hoe je zwakheid leven brengt … Als God je verhaal vertelt’. Daar ben ik natuurlijk heel enthousiast over! Later zal ik er op mijn blog meer over schrijven. In dit en het volgende blogbericht gaat het om mijn SF-verhalen. Toen ik tiener was schreef ik mijn eerste korte verhalen, en eigenlijk ben ik ze in de tussentijd altijd blijven schrijven tussen de grotere projecten door. Sinds vorig jaar heb ik er prioriteit aan gegeven, en in een jaar tijd heb ik ongeveer achttien korte verhalen geschreven. De ideeën zijn echter nog lang niet uitgeput, dus ik schrijf gewoon lekker verder.
De verhalen die ik schrijf, hebben verschillende thema’s. Veel gaan over bijzondere levensvormen, aangezien ik gefascineerd ben door biologie en bijzondere ecosystemen. Een deel van de verhalen speelt zich af op andere werelden, wanneer de mens de technologie heeft ontwikkeld daar naartoe te reizen. De toekomst die ze beschrijven is behoorlijk positief, met ruimteschepen, robots en bijkans onsterfelijkheid binnen handbereik. Andere verhalen zijn minder positief en spelen zich af op onze Aarde, nadat de mens door milieuverontreiniging, broeikaseffect, het uitroeien van diersoorten en van andere mensen, zijn omgeving zowat onleefbaar heeft gemaakt.
Het zijn de twee toekomstperspectieven die altijd al terug te vinden zijn geweest in het genre: dat van de utopie (de wereld waarin iedereen gelukkig is, en alle problemen kunnen worden opgelost), en dat van de dystopie (de slechtst denkbare wereld, waarin de menselijke waardigheid, en zelfs zijn voortbestaan onmogelijk lijkt). Dat schrijvers en filmmakers steeds verhalen produceren uit beide categorieën illustreert onze ambivalentie als mensen ten opzichte van onze eigen toekomst - de eeuwige strijd tussen optimisme en pessimisme.
In elk geval illustreert de tweedeling in mijn eigen oeuvre mijn eigen ambivalentie. En ik schrijf om eerlijk te zijn meer dystopieen dan utopieen. Optimisme is niet echt een van mijn kenmerkende eigenschappen. Elk bericht over het uitsterven van weer een diersoort doet mij huiveren. Dat speelt natuurlijk mee met hoe ik de hierna te bespreken films beoordeel. Van ongenuanceerd optimisme word ik altijd wat wantrouwig, aangezien ik mezelf niet pessimistisch vind, maar realistisch.
Aan de andere kant kan ik wel stuiteren van enthousiasme bij wetenschappelijke ontdekkingen, gedaan in het laboratorium, bij opgravingen, op expedities in de diepzee of met robots op Mars. Als er een sonde op een komeet landt, volg ik het nieuws daarover aandachtig. Stemmen als dat er niet in ruimtevaart geïnvesteerd mag worden, omdat we alles nodig hebben om het leed van mensen te verlichten, maken me nogal onrustig. Want ze suggereren dat het verzamelen van kennis over ons heelal niet waardevol is, tenzij ze nuttig is. Dit vind ik pas echt een pessimistische visie. Enthousiasme en het zoeken van kennis om de kennis is iets moois, maar aan de andere kant: het is niet waardevrij. Het conflict tussen de twee stromingen binnen de sciencefiction zegt dus iets over conflicterende waarden die nu spelen in de maatschappij.

De afgelopen maand was de strijd terug te zien op het scherm van de bioscoop. Er was een dystopische film, met een bijna onbewoonbaar, woestijnachtig toekomstlandschap. Daarover later meer. Iets uitzonderlijker was een utopische film, die beoogde dystopische verhalen te ontmoedigen en opriep een positiever toekomstbeeld te verkondigen. Een van ontdekkingen, van inspiratie en van vooruitgang. Dit was Disneyfilm Project T (een film die in het buitenland is uitgebracht als Tomorrowland, maar die naam in Nederland niet mocht dragen vanwege een muziekfestival).
Deze laatste film was inhoudelijk het meest interessant van de twee, maar niet de beste. Wat voor de film pleit, is zijn ambitie: een origineel verhaal vertellen, met als hoofdpersonen een intelligente tiener, een robot en een kluizenaar. Zonder romantisch plot. En met een scene waarbij onder de Eiffeltoren een Steampunk-raket schuilgaat, die toegang biedt tot een andere wereld. Waar vindt je dat elders nog? De kracht van de film zit hem in enkele heel goed uitgedachte en weergegeven scenes. Regisseur Brad Bird liet in zijn eerdere (teken)films al zien fantastische actiescenes te kunnen verzinnen, en doet dat hier ook. Een gevecht in een SF/geekwinkel (waarbij een tegenstander wordt uitgeschakeld met een bliepende R2D2), de belegering van een huis door een stel robots, een rondleiding door een futuristische wereld, het is adembenemend in beeld gebracht. Voeg daarbij een prima acterende George Clooney, en een dosis humor, en je krijgt een uniek resultaat. Helaas was de actiescene aan het slot veel minder inspirerend, en waren er een paar erg prekerige passages. Hugh Laurie loopt heen en weer als een ‘motivational speaker’, maar wist mij niet te overtuigen. Ik denk dat de film bij mij daarom niet bereikte wat hij beoogde te bereiken. Maar ik zal hem zeker nog vaker kijken, al was het voor de oorspronkelijke ideeën. 

Tiener Casey heeft het zwaar op school. Iedere docent vertelt hoe erg het in de wereld is, hoe groot de risico’s zijn. Maar op haar vraag hoe we het kunnen oplossen, heeft niemand een antwoord. En thuis is het niet beter. Haar vader -technicus bij NASA- staat op het punt ontslagen te worden, en haar droom om ooit de sterren te bezoeken, lijkt nooit te zullen uitkomen. Op een dag vindt ze een mysterieus speldje dat haar lijkt te transporteren naar een andere wereld, vol jetpacks, hologrammen en zwevende treinen. En ruimteschepen. Het waren maar beelden, maar nu wil ze niets liever dan die wereld echt betreden. Het spoort leidt, via een SF/geek-winkel, een bijna-aanrijding en een ontmoeting met robotmeisje Athena, naar het gebarricadeerde huis van Frank Walker, dat vol staat met technieken die nog niet uitgevonden zouden moeten zijn. En met een klok die aan het aftellen is. Kennelijk gaat er over twee maanden iets ergs gebeuren. Frank kan Casey echter niet naar de andere wereld brengen, want de toegang ernaar toe is al decennia lang afgesloten. Ene gouverneur Nix heeft besloten onze aarde in de steek te laten …

Het centrale thema van de film is het welbekende oude verhaal van de twee honden. In je hart wonen twee honden, een witte en een zwarte, die met elkaar vechten. Wie van de twee wint er? Degene die je het meest te eten geeft. Casey refereert er meerdere malen aan in de loop van de film. Ik kreeg het zelf vaak genoeg te horen in mijn christelijke opvoeding. Dan had het betrekking op mijn oude natuur (het vlees) en mijn nieuwe natuur (in Christus). Ik moest, door uit de bijbel te lezen, te bidden en naar de kerk te gaan, de hond van mijn nieuwe natuur voeden. Dan zou die mijn slechte natuur verslaan. Maar als ik, door het kijken van films, het lezen van stripboeken of het omgaan met verkeerde mensen de hond van mijn oude natuur voedde, zou die uiteindelijk de overhand krijgen.
In mijn bespreking van ‘Beasts of the Southern Wild’ heb ik uitgelegd dat deze wel heel erg simpele voorstelling van het geestelijke leven uiteindelijk voor mij heel slechte gevolgen had. Ik werd er gestrest van, overspannen, omdat ze de verantwoordelijkheid helemaal bij mij neerlegde. Als ik toevallig de zwarte hond een enkel hapje eten meer gaf, zou die de witte verslaan, en dat was dan mijn schuld geweest. Ik kon nergens van genieten, maar moest altijd afvragen welke hond ik voedde, en ik kon natuurlijk niks anders doen dan die activiteiten die de witte zouden ondersteunen. Het verhaaltje had ertoe geleid dat ik mezelf zag als in tweeën gesplitst en de strijd die ik in mijn binnenste voerde maakte me volledig uitgeput. Ik denk dat er uiteindelijk alleen maar verliezers waren.
In de film wordt de metafoor op grotere schaal toegepast: het idee is dat ons vertellen van pessimistische verhalen een ‘self fulfilling prophecy’ is, omdat we voor de toekomst die in die verhalen wordt getoond, nu zelf niets hoeven te veranderen. Door ons te voeden met verhalen over ingestorte samenlevingen, vernietigde ecosystemen, en verdwenen menselijke waardigheid, zouden we gaan geloven dat dit een onafwendbare toekomst is, en dat we die toch niet kunnen tegenhouden. We zouden passief worden. De film vraagt waar de toekomstbeelden gebleven zijn uit de SF-verhalen van de jaren vijftig en zestig (de film opent niet voor niets met beelden van de Wereldtentoonstelling uit 1964), de ‘gouden eeuw’ voor de SF, met verhalen van Clarke, Asimov en Heinlein, waarin tieners nog een raket konden bouwen in hun achtertuin, jetpacks door de lucht zoefden en zowel de lichtsnelheid als de tijd geen beperking waren voor de avonturiers van de toekomst. De toekomst van bijvoorbeeld de eerste Star Trek-serie. Hoe komt het dat we ondertussen dik in het derde millennium zitten, maar nog steeds geen jetpacks kunnen vliegen?
Nou, doordat verhalen nooit echt de toekomst kunnen voorspellen, die misschien anders is, maar niet noodzakelijk slechter (de ruimteschepen in die verhalen bevatten bijvoorbeeld geen computers, en wie had ooit de iPhone kunnen verzinnen?), en omdat die utopie nooit werkelijk bestond. Omdat niet gespot kan worden met de natuurwetten, en ook niet met de menselijke natuur. In 1963 had de wereld nota bene nog aan de rand van de nucleaire afgrond gestaan tijdens de Cubacrisis! Daarover wordt niet gerept in de film. Het leek misschien toen mensen op de maan landden, dat alles mogelijk zou zijn, maar de techniek bleek een tweesnijdend zwaard. De meeste problemen waar we tegenwoordig mee kampen zijn aan dezelfde innovaties te wijten: zure regen, het gat in de ozonlaag, antibioticaresistentie, ziektes die hele monoculturen van gewassen treffen, watertekorten en zeespiegelstijging, atomaire wapens en cyberterrorisme, ze zijn mogelijk gemaakt door dezelfde ontwikkelingen die werden toegejuicht in de verhalen.

Dat vooruitgang mogelijk is zonder dat het iets kost, of zonder ooit tegen beperkingen op te lopen, is de mythe van deze tijd. De mythe van de maakbaarheid, die achter het verhaal van de twee honden schuilt. De maakbaarheid van de individuele mens (als je maar 'nee' zegt tegen eten wordt je vanzelf slank), en de maakbaarheid van de wereld (als we maar optimistisch genoeg zijn, komt alles goed). En een mythe die nogal verweven was met de verheerlijking van wetenschap in de SF verhalen van vroeger. De andere wereld in deze film werd gesticht door de groep ‘Plus Ultra’, die wetenschappers, kunstenaars en andere creatievelingen bij elkaar wilde brengen om ‘alles te kunnen maken wat ze maar wilden’. Daarvoor hadden ze een plek nodig zonder ‘politiek, bureaucratie en hebzucht’. Hilarisch! Ze dachten aan de menselijke natuur te kunnen ontsnappen, maar ongeacht naar welke wereld ze zouden vluchten, ze zouden altijd een politiek hebben, geschreven en ongeschreven regels, en ook hebzucht. Het idee dat wetenschappers en kunstenaars daar niet over zouden hoeven nadenken, maakt ze alleen maar blind voor die aspecten van hun eigen hart.
En juist zij hebben die relativering eigenlijk nodig. In contact te staan met de menselijke samenleving, met de voeten in de Aarde staan. Anders zouden ze zo een tweede ‘atoombom’ kunnen creeren, in naam van de vooruitgang, of hun eigen ego. Want er zit een bepaalde ik-gerichtheid achter. Niet alleen bij de oprichters van deze andere wereld, maar ook bij de hoofdpersonen zelf. Frank vindt het als jongetje maar wat gaaf om zichzelf in een spiegelend gebouw te zien vliegen met zijn jetpack. Hij steekt zelfs zijn duim op naar zijn spiegelbeeld. En Casey is wel heel trots dat zijn volgens robotmeisje Athena een score van wel 73 heeft gehaald op een bepaalde schaal. Niks mis met trots zijn op je prestaties, maar je moet oppassen om je daar niet door te laten verblinden. Dat je (vanwege je talent) iets kunt, wil niet zeggen dat je het ook moet doen.

De oplossing voor de wereldproblematiek ligt in deze film in de handen van Casey, die de andere wereld weer in zijn glorie wil herstellen, weer wil laten functioneren, zodat uiteindelijk alle uitvindingen en ontdekkingen van daaruit weer naar de onze zullen zullen stromen. Ze heeft uit onze wereld, haar intrek genomen in die andere wereld, de organisatie van 'Plus Ultra’ nieuw leven ingeblazen, en als ze nu maar hard genoeg werkt aan het voeden van de ‘witte hond’, zal alles goed komen. Nogal een grote last om op je schouders te dragen, zelfs als je een optimist van nature bent. Want wat als de vernieuwing niet zo makkelijk gaat, wat als er onverhoopt toch rampen optreden en het onheil zich niet laat afwenden? Dan heeft zij gefaald, dan is het haar schuld, dan was zij kennelijk niet optimistisch genoeg.
Ik geloof in het diepst van mijn hart dat het verhaal van die twee honden een fabeltje is, en dat het niet ons harde werken, onze inspanning, ons optimisme is dat de wereld zal redden, de SF-verhalen van de jaren ’50 en ’60 ten spijt. En ironisch genoeg is het een van de dystopische verhalen die in deze film op de hak worden genomen (kijk de filmaffiches maar voorbijkomen in de film), die volgens mij een veel hoopgevender beeld van de toekomst geeft. Daarover meer in mijn volgende blogbericht, dat morgen of overmorgen online komt!

(wordt vervolgd)

maandag 30 maart 2015

Gedicht: Er is een andere oever

Er is een andere oever

Er is een andere oever
ook al zie ik die nu niet,
moet ik door de mist laveren
zonder baken. Varen tegen
rijen huizenhoge golven in.

Het glas beslaat. De kompasnaald
tolt voortdurend. Duizelig
word ik ervan. Het zeil wappert
en ik maak ergens water.
Ik hoor de pompen protesteren.

Toch keer ik niet om. Mijn thuis heeft mij
niets meer te bieden, dan ketens
om mijn benen. Mijn rug belast
met wat vreemden wensen en ik
mag daarin niet verdwijnen.

Maar de zee rolt dag en nacht wild
onder mij, berooft mij van mijn rust.
Ook mijn bezit ging overboord.
Mijn handen kleven aan het wiel
door wrede angst geknecht.

Er is een andere oever.