Posts tonen met het label depressie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label depressie. Alle posts tonen

zondag 1 januari 2017

Ik overleefde 2016!

De memes en plaatjes verschijnen al op internet: 'I survived 2016'. Of '2016 was written by G.R.R. Martin. I want J.K. Rowling to write 2017' (alsof zij niet in het laatste boek een flinke bups geliefde karakters om zeep helpt ...). Niet alleen stierven er heel veel bekende artiesten en acteurs (en een van mijn geliefde schrijvers Richard Adams, bekend van Waterschapsheuvel), de uitslag van de verkiezingen in Amerika lieten ook een wrange nasmaak achter. Eigenlijk wilde ik echter een positief nieuwjaarsbericht schrijven! Het gaat met mij namelijk beter dan in heel lange tijd. Ik voel me zelfs gelukkiger dan ooit sinds mijn tienertijd. Ik kan weer volop genieten van mijn passies (ik heb lang niet zo veel naar mijn aquariums gekeken), en voel niet meer de drang om met afvinklijstjes en schema's mezelf aan het werk te houden. Mijn zelfvertrouwen is met sprongen toegenomen en zelfs de winter krijgt dit jaar geen vat op me. Ik blijf positief ondanks de grijze luchten.

Maar om uit te leggen hoe dat zo gekomen is, moet ik ook wat moeilijkere dingen vertellen. Zo raakte ik dit voorjaar mijn overtuiging kwijt van de waarheid van het christelijke geloof. Ik betoogde al jaren geleden dat ik 'nauwelijks nog geloofde', maar de laatste bastions van zekerheid stortten dit jaar in. Dit is niet de plek om een theologisch betoog te schrijven, maar de belangrijkste redenen voor mij waren: -het feit dat de kerk voor het grootste deel steeds 150 jaar op de rest van de wereld achterloopt, in het accepteren van wetenschappelijke ontdekkingen (er wordt nog steeds gediscussieerd over evolutie!), en in het omgaan met andergeaarden (de LGBTQA-gemeenschap), -daarmee samenhangend de overeenkomsten van fundamentalistisch/evangelisch gelovigen met samenzweringsdenkers, het gesloten systeem waarin de antwoorden vaststaan en rationele capaciteiten worden gewantrouwd. - de cirkelredenering waar het uiteindelijk op neer komt: 'ik geloof in God omdat het in de bijbel staat, ik geloof in de bijbel omdat het Gods woord is'. - daarmee samenhangend: de totaal uiteenlopende overtuigingen, van het zwarte kousen denken van 'knielen op een bed violen', tot pinksterevangelisch enthousiasme, tot Amerikaanse rechtse politiek, die allemaal worden gebaseerd op de bijbel. Deze visies kunnen niet allemaal waar zijn! Maar als je ze wél allemaal uit de bijbel kunt bewijzen, kun je dus eigenlijk niks uit de bijbel bewijzen. Dat punt werd voor mij onderstreept door de verkiezing van Trump in de VS, onder andere door de steun van de fundamentalistische evangelische beweging. Als er iemand ver af staat van Jezus, zoals ik hem heb leren kennen uit de Evangeliēn, is dat Trump wel. Of het moet Wilders zijn. Die ook door christenen gesteund wordt. Het bewijs dat het christendom in mijn ogen failliet is.
De verkiezing van Trump leidde er bij mij toe dat ik nog meer kwijt raakte. Mijn hoop in een goede toekomst, bijvoorbeeld. De klimaatveranderingen zullen nu echt niet meer tot stilstand kunnen worden gebracht, laat staan worden omgekeerd. Het uitsterven van diersoorten zal toenemen, natuur zal als het niet commercieel exploiteerbaar is, als grondstof gebruikt worden. Racisme en uitsluiting van andersgeaarden zal toenemen en de wereldvrede wordt bedreigd. Dat bijna de helft van de Amerikanen voor zo iemand stemden, doet me bovendien twijfelen aan mijn vertrouwen in de mensheid. Van individuele mensen kan ik blijven houden, maar van de mensheid als massa? Mijn korte verhalen zijn al jaren behoorlijk cynisch over de toekomst van de mensheid en dat zullen ze helaas moeten blijven.
Oh, en dan werd ik in het voorjaar ziek (de griep, samen met een fikse teleurstelling, leek op een nervous breakdown), wat werd gevolgd door ziekte van mijn vrouw. Een tijd lang leek het alsof ons huwelijk voorbij zou zijn, wat me intens verdriet opleverde. Ik zat totaal aan de grond. Mijn pijn bracht me er (samen met het advies van Marten) toe professionele hulp te zoeken. Niet alleen een andere huisarts (die constateerde dat er het een en ander mis was met mijn bloeddruk), maar ook eerst een psycholoog en ook een psychiater. Zij waren het er allebei over eens: ik had last van angstklachten en paniek, en dat hoorde bij een dysthyme stoornis. Een vorm van depressie die niet maar een paar maanden duurt, maar jaren. Eigenlijk was ik al sinds het begin van mijn twintiger jaren depressief. Ik had alleen al die tijd het idee dat het aan mij lag, dat ik iets in mijn leven moest veranderen om het op te lossen. Het werkte alleen niet. Nu had ik gesprekken met mensen die mijn lijden serieus namen. Maar ook kreeg ik antidepressiva voorgeschreven. Depressie is namelijk gewoon een ziekte, net als kanker, alleen minder zichtbaar. En de pillen bleken bij mij daadwerkelijk te helpen. De bijwerkingen werden snel minder en na een paar weken al voelde ik me vrolijker dan eerst, ging ik weer volop voor mijn passies, kon ik situaties op het werk en in de familie beter relativeren en zelfs mijn slaap verbeterde! En die effecten verdwenen niet na een maand of twee, maar ze bleven gewoon! Ook in de winter!
Verder gingen mijn vrouw en ik gewoon met elkaar verder en het afgelopen half jaar was het beste half jaar uit onze hele relatie tot nu toe. We hebben samen leuke dingen gedaan (naar het strand in Scheveningen, naar een jamsessie bij lunchcafe Zondag, naar fantasyfestivals, dierentuinen, musea, en samen naar de film!) en nu ik door mijn pillen ook echt van vrije tijd kan genieten zonder de druk te ervaren dat ik iets moet presteren, genieten we ook meer dan ooit van elkaars nabijheid. We gaan het volgende jaar in met veel vertrouwen en hoop voor onze relatie!
Daarnaast kon ik dit jaar eindelijk terug naar een driedaagse werkweek. De invoering van een vervelend relatiebeheersysteem maakte het er op kantoor niet leuker op, maar ik had wel meer tijd om aan het schrijven te wijden. Dit jaar won ik de derde prijs in de Fantastels wedstrijd. Ik publiceerde verhalen in Ganymedes-16, Fantastische Vertellingen, SF Terra en online op Fantasize. En mijn boek 'De Krakenvorst, boek 1: Keruga' kwam uit bij uitgeverij Macc! Ik hoop dat jullie het boek ook willen lezen! Hebben jullie het boek nog niet? Je kunt het bestellen op Bol, maar ook bij mij een gesigneerd exemplaar kopen. Of kom naar de signeersessie en boekpresentatie op vrijdag 13 januari 's avonds bij boekhandel Stevens in Hoofddorp! Maar genoeg over dat boek, ik had in oktober ook nog eens de ingeving een manuscript voor een verhalenbundel op te sturen voor het Boek10 project van Godijn Publishing, en het werd geaccepteerd! De laatste maanden voel ik me voor het eerst in de eerste plaats 'Schrijver' en niet langer 'redacteur'. Dit is wie ik ben en wat ik doe.
Er kwamen geen nieuwe aquariums bij dit jaar, maar ik heb wel een paar aquariumdromen kunnen verwezenlijken. Zoals een overstap naar bijzondere vissen zoals een Afrikaanse mesvis en een wimpelaal (een van de beste beslissingen ooit op aquariumgebied!), en witwanggrondels in mijn nieuwste aquarium (ik vond zelfs een jong grondeltje vorige week). Sammie de muskusschildpad blijft ons ook veel plezier geven, net als de dwergklauwkikkers.
Ik heb dit jaar verder nog kunnen genieten van een week in Oxford samen met mijn beste vriend Cornell - waarbij in mijn veertigste verjaardag vierde in 'The Eagle and Child', de pub waar C.S. Lewis en J.R.R. Tolien en de rest van de Inklings bij elkaar kwamen. Een jeugddroom die uitkwam! Volgend jaar hoop ik de reis nog een keer te maken maar dan met Bianca.

En aan het eind van het jaar realiseer ik me dat ik mijn geloof niet werkelijk kwijt ben geraakt. Ik kan geen atheïst zijn. Ik heb te vaak de liefde van God ervaren, zijn bemoedigende stem in mijn leven gehoord en ben te vaak onder de indruk geweest van de natuur, in het groot en in het klein. Maar of die Goddelijke aanwezigheid gevangen kan worden in dogma's, zelfs in de christelijke, dat geloof ik niet meer. Dat kan ik niet meer. De reis voor de toekomst wordt, te zoeken naar wat dat primaire godsbesef dan eigenlijk wél betekent. Leren liefhebben zal daar een deel van zijn, vermoed ik.
Verder zal mijn schrijfcarrière zich nog verder gaan ontwikkelen volgend jaar. Niet alleen komt op 6 mei mijn SF-bundel 'Conquistador' uit als deel van het Boek10-project (jullie zijn allemaal welkom op de feestelijke dag waarop de tien boeken officieel worden gepresenteerd!), maar in het najaar zal het tweede deel van De Krakenvorst verschijnen, 'boek 2: Kartaalmon'. Er staan verder publicaties op stapel in de SF Terra (ze hebben nog een verhaal van me liggen, maar wilden er graag nóg een), Fantastische Vertellingen (zowel in het maartnummer als in het juninummer), The Flying Dutch (die erg blij waren met het SF-verhaal dat ik ze opstuurde), op de websites Historische verhalen en Fantasize, en in de bundel met 'Tenenkrommende vertellingen' die Remco Meisner gaat uitbrengen. Verder hoop ik weer te worden opgenomen in de bundel Ganymedes 17, waarvoor ik een verhaal en een gedicht heb opgestuurd, in het tijdschrift 'Moord & Mysterie' en ik hoop ook terecht te komen in de bundels rond de nieuwe editie van 'Edge.Zero'. Daarvoor kan ik onder andere de tien verhalen opsturen waarmee ik dit jaar aan wedstrijden heb meegedaan. Ook dit jaar hoop ik weer te kunnen meedoen aan de Harland Award, Fantastels en Trek Sagae. Ten slotte ben ik gevraagd om behalve mijn verhalen ook recensies te schrijven voor het kwartaalblad Fantastische Vertellingen (als je nog geen abonnee bent, meld je aan!) en overweeg ik de mogelijkheid van een column voor een fantasywebsite.
Naast alle boekpresentaties, fantasyfestivals en conventies en redactieklussen, gaat het dus een druk jaar worden op schrijfgebied. Het schrijven van mijn volgende SF-roman (waar ik een gaaf idee voor heb, trouwens) heb ik dus maar even op de langere termijn gezet. In plaats daarvan hoop ik de rustige periodes in het jaar te gebruiken voor het schrijven van nog wat korte verhalen. Maar wie weet kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan en ga ik het boek toch gewoon schrijven. Dat soort dingen durf ik niet meer van mezelf te voorspellen!
Ik verwacht op aquariumgebied geen grote veranderingen. Er zal een keer een aquaponicssysteem op het balkon komen, maar dat duurt nog wel even, en mijn kleinste aquarium krijgt een nieuwe lichtkap (dank je wel Marten!). Wel verwacht ik veel van de op stapel staande films! Het lijkt namelijk alsof de ruimtefilm weer populairder wordt, met niet alleen de nieuwe Star Wars-film op stapel, maar ook Guardians of the Galaxy 2 en Valerian in aantocht. En Thor Ragnarok. Verder natuurlijk superheldenfilms in overvloed en een nieuwe van Pixar! Ook weer goede boeken. Ik hoop weer meer pareltjes te ontdekken onder de Nederlandse genreschrijvers, maar ik kijk ook uit naar het laatste boek over The Fitz and the Fool van Robin Hobb. En dan zijn er nog de games. Mass Effect Andromeda is de reden dat ik na het kapot gaan van mijn PS4 niet heb geopteerd voor een gewone blurayspeler, maar voor een nieuwe spelcomputer. Dat en het feit dat we Netflix kunnen kijken via de PS4.
Samengevat: volgend jaar zou wel eens een bijzonder jaar kunnen worden.

zaterdag 19 september 2015

Gedicht: Herfstochtend

Herfstochtend

De ramen lijken ziek, vol bulten
glanzend in een spikkelpatroon.
Daarachter de grauwe lucht, wolken
steeds voorbij schuivend, donker, bleek
en zelfs wat groen als het gezicht
van iemand die moet overgeven.
De bomen dragen blad, maar ik zie
al pestilente plekken. Flats laten
de schouders zakken, sporen lopen
over hun gezicht. Geen vogels
zingen nog, slechts de kraaien zwart
als alle regenjassen. Ik denk dat
ik vandaag maar beter thuis kan blijven.

zondag 12 juli 2015

Gedicht: Terugblik

Terugblik

Vanaf de hoogte kijk ik
terug naar vanwaar ik kwam:
een landschap uitgespreid
in de diepte. De toppen
van bergen boven de mist.
Maar ik heb ze nooit bereikt.
Ik had droog kunnen lopen
in plaats van steeds te waden
door het moeras. Ik zag niet
dat er een andere weg was.
Miste het teken, zag het
aan voor een waarschuwingsbord.
Ik zag niet de vergezichten,
door anderen aangeprezen.
Stootte mijn benen, modder
kleefde aan mij, bloedzuigers
lieten mij maar node los.
Ik overleefde, vond kracht
onvermoed zonder de strijd 
en nieuwe metgezellen.
Ik zal het pad van de jeugd
nooit volgen. Herinnering
blijft altijd vocht bevatten
en geen warmte. Teruggaan
is onmogelijk. Maar dit is
een nieuwe start. De zon 
schijnt op mij, een briesje woelt
in mijn haren en ik zie
nu niet meer onbereikbaar
de bestemming voor mij.

maandag 6 juli 2015

Gedicht: Waarom-vraag

Waarom-vraag 

Het schijnt niet gewoon te zijn
jezelf de vraag te stellen 
waarom je door zou leven.
De meeste mensen lijken
wel tevreden, genieten
van hun prestaties, voelen
zich van binnen vol. Maar ik
moet elke dag bewijzen
dat ik iets toevoeg, dat de
strijd om te overleven
zinvol is. Ook als ik geen
hoop zie aan de horizon,
want wat mooi is, dat verdwijnt
voor eeuwig en mijn passie
is tegen onverschilligheid
niet bestand. Ik sta alleen
in een steeds grijzer land
en probeer uit alle macht
het te kleuren, wil ogen
van anderen open krijgen.
Ik word moe, maar ik moet wel
blijven zwoegen. Toch ben ik
hier nog. Ik vind een antwoord
op mijn vraag in het gewone:
een glimlach, paardenbloemen,
gesprekken bij de koffie,
een glimp maar het volstaat.
Voor vandaag, want morgen is
een nieuwe dag en die heeft
aan zijn eigen kwaad genoeg.

zondag 22 februari 2015

Filmbespreking: Big Hero 6

‘Als ik op de mannengroep vertel dat dit een van de beste films is die ik de laatste tijd heb gezien, kijken ze me niet begrijpend aan’, aldus mijn broer met wie ik afgelopen weekeinde in de bioscoop Big Hero 6 had gekeken. Voor mij was het de tweede keer en ik had erop gestaan dat mijn broer ook een keer zou gaan. ‘Je had gelijk dat je me meesleurde’, verklaarde hij. ‘Als ik me nog een keer somber voel, moet ik eigenlijk gewoon deze film gaan kijken!’ Een van de redenen waarom ik met hem naar de bioscoop wilde, was dat de film gaat over twee broers, met een relatie die wel een beetje lijkt in de verte op die tussen ons, en omdat het gaat over een hoogbegaafd iemand die geïnspireerd wordt om met zijn talenten aan de slag te gaan, en omdat de film een lofzang is op het nerd-zijn. Alle aspecten van het ‘geek’ zijn komen zo ongeveer aan bod! Niet alleen blijkt enthousiasme over wetenschap en techniek te helpen de wereld een betere plek te maken, het blijkt ook mensen bij elkaar te brengen om een gemeenschap te vormen. En een voorliefde voor fantastische verhalen blijkt te helpen bij het herkennen wat er aan de hand is in je leven. En dat alles verpakt in knap geanimeerde beelden, met humor, spanning en gave concepten. Het is een film waar kinderen om moeten lachen (de fysieke humor van onhandige robot Baymax), maar een waar volwassenen ontroerd door zullen raken (de zenuwen van de hoofdpersoon voor een presentatie, de rouw om een overleden familielid, hoe ver iemand gaat om zijn pijn te vergelden). Mocht je net als de mannen in de groep van mijn broer een vooroordeel hebben tegen het animatiegenre of tegen Disneyfilms, laat dat dan snel varen en kijk deze film. Als je ook maar een beetje nerdy of geeky bent, garandeer ik een goede avond. En blijf vooral zitten tot na de aftiteling!

Hiro Hamada is op zijn dertiende al klaar met de middelbare school. Maar in plaats van door te studeren - op de universiteit kunnen ze hem toch niets vertellen wat hij niet al weet - houdt hij zich bezig met robotgevechten. Zijn tante, bij wie hij woont samen met zijn oudere broer Tadashi, stelt dat niet bepaald op prijs. Tadashi is ook niet zo enthousiast over de carrièrekeuze van zijn broertje. Hij neemt hem daarom mee naar zijn ‘nerd-school’, de technische opleiding onder professor Callaghan, waar Hiro onder de indruk raakt van de verschillende projecten. En vooral van het werk van zijn broer: de robot Baymax, bedoeld voor eerste hulp bij ongelukken. Enthousiast probeert Hiro ook op deze school toegelaten te worden. Zijn demonstratie is een succes, maar direct daarna gebeurt er een ramp. Niet alleen wordt Hiro’s toelatingsproject vernietigd, ook komen zowel professor Callaghan als Tadashi om het leven. Rouwend sluit Hiro zich op zijn kamer op, zonder motivatie om met zijn opleiding te beginnen. De klap was te groot. De sombere dagen rijgen zich aaneen, tot hij op een dag per ongeluk de robot Baymax activeert. Die neemt het op zich Hiro weer vrolijker te maken. Bovendien ontdekt hij dat het project van Hiro niet totaal verdwenen is, een mysterieuze man in een masker heeft het zich toegeëigend voor mysterieuze doeleinden. Zou deze man ook achter de ramp zitten die zijn broer het leven kostte? Met de hulp van zijn robot en de vrienden van zijn broer gaat Hiro op onderzoek uit. Hij ontdekt al snel dat een symbool van een rode vogel centraal staat in het mysterie …

Een van de belangrijkste thema’s in deze film is het verlies van een geliefde en hoe je daar op goede en op verkeerde manieren mee kunt omgaan. In dit opzicht lijkt de film sterk op een andere gave SF-film van deze zomer: Guardians of the Galaxy. Zachtaardige robot Baymax heeft zelfs enkele overeenkomsten met vriendelijke boom Groot, tot aan zijn rol in de ontknoping toe. En net als in die film, blijkt ook hier een gemeenschap van verschillende mensen die hun eigen leven voor elkaar in de waagschaal stellen een grote hulp bij het omgaan met verlies van de hoofdpersoon. Er zit zelfs een omhelzing in. Omdat ik in mijn bespreking van Guardians of the Galaxy hier al uitgebreid op ben ingegaan, laat ik het onderwerp in dit blogbericht verder rusten.
Bovendien realiseerde ik dat er nog een ander belangrijk thema in deze film schuilt. Het hart van de film is namelijk niet grappige robot Baymax of opstandige Hiro, maar oudste broer Tadashi. Hij heeft het hart op de juiste plek. Hij redt Hiro als hij in gevaar is, zelfs als hij ervoor in de gevangenis moet zitten, inspireert Hiro om iets van zijn leven te maken, en helpt hem om aan de universiteit te worden toegelaten. En als professor Callaghan in het vuur dreigt om te komen, aarzelt hij niet, maar gaat hij het brandende gebouw in om de man te redden. En dat hijzelf daarbij gevaar loopt, houdt hem niet tegen. Iemand moet het doen. Als Tadashi inderdaad om het leven komt, valt Hiro vanzelfsprekend in een gat. Door de bemoediging van zijn broer stond hij op het punt iets van zijn leven te gaan maken, maar nu is die bron van positiviteit weggevallen. Hij leefde voor Tadashi. Welke motivatie is er nu nog voor Hiro om door te gaan? Waarom zou hij niet terug gaan in de wereld van het robotvechten? Hij laat de aanmelding voor de universiteit in de prullenmand vallen. Dan wordt robot Baymax geactiveerd. Die zegt tegen Hiro vol overtuiging: ‘Tadashi is hier.’ Hiro slaat een diepe zucht. Iedereen probeert hem op te beuren, door te zeggen dat Tadpashi niet echt verdwenen is, zolang mensen aan hem denken. Maar dat is een stoplap. Dood is dood. Tadashi komt niet terug en Hiro zal met dat gemis moeten leven. Maar Baymax blijft volhouden: ‘Tadashi is hier!’
Pas later ontdekt Hiro wat Baymax bedoelde (en dit is natuurlijk eigenlijk een ‘spoiler’): in zijn kerncomputer, op de plek van zijn hart, bevindt zich een programmakaart, waarop de naam van Tadashi staat. Baymax heeft het hart van Tadashi. Niet alleen omdat hij zo geprogrammeerd is. Dat wordt duidelijk als Baymax videobeelden laat zien, door hem gemaakt terwijl Hiro’s broer aan hem werkte. Keer op keer probeert Tadashi de robot op te starten, maar steeds gaat er iets mis. De jonge raakt echter niet gefrustreerd. ‘Ik geef het niet op’, zegt hij tegen de robot. ‘Ik hou vol’. En na 85 pogingen is het gelukt! De robot werkt! Tadashi omhelst hem. ‘Ik ben zo blij met je,’ zegt hij vol overtuiging. ‘Jij gaat zoveel mensen helpen!’
Bij het zien van die beelden raakt Hiro ontroerd. Hij had geprobeerd de programmering van de robot te omzeilen, het apparaat te programmeeren met haat, om wraak te nemen op de aanstichter van de brand. Maar nu realiseert hij zich dat Tadashi dat helemaal niet gewild zou hebben. Via de robot Baymax leert hij het karakter van zijn broer nog beter kennen. En hij besluit af te zien van zijn geplande wraakactie. Als hij uiteindelijk tegenover de slechterik van het verhaal komt te staan, gebruikt hij de woorden van Baymax: ‘Wij zijn niet geprogrammeerd om mensen schade toe te brengen’. Hij rekent de schurk in, maar neemt geen wraak. En hij wordt een superheld, samen met zijn vrienden, omdat zijn broer heel veel mensen wilde helpen. ‘En dat is wat wij gaan doen’.
Tadashi is dus inderdaad niet verdwenen. Zijn opoffering, zijn liefde, zijn hulpvaardigheid leven door, eerst in Baymax, maar daarna ook in Hiro. En via hen verspreiden ze zich weer naar anderen.

Wat ik besefte bij het kijken van de film, was hoe dit licht werpt op het evangelie. Jezus is er immers ook niet meer. Hij is gestorven, net als Tadashi. En hij is dan wel uit de dood opgestaan en naar de hemel gegaan, maar hij is niet meer onder ons. Al bijna tweeduizend jaar niet meer. Oh, misschien hebben we ervaringen het het luisteren naar Gods stem, en merken we zijn aanwezigheid soms in een kerkdienst. Of in het lezen van de bijbel. Maar de afstand blijft. Hij is niet meer hier. We zijn achtergebleven, zonder Hem. En als predikers, met de bijbel trouwens, zeggen dat Hij er nog steeds is, wat kunnen ze dan bedoelen? Gemeenplaatsen zijn er genoeg, en voor mij hebben ze nooit gewerkt. Ik kan me wel heel erg gaan proberen ervan te overtuigen dat ik zijn aanwezigheid voel, ik ben me altijd bewust dat ik mezelf aan het overtuigen ben. Dat kan het niet zijn.
Maar de bijbel belooft dat we niet als wezen zijn achtergelaten. En dat geloof ik. In een heel reëel wijze kunnen we Jezus nog steeds ontmoeten. Niet op een zweverige, bovennatuurlijke manier. Maar heel tastbaar, concreet. Namelijk in de onvoorwaardelijke, opofferende liefde van anderen. Baymax had de liefde van Tadashi geïnternaliseerd, en op het moment dat hij Hiro omhelsde, ervoer Hiro de liefde van zijn broer, door Baymax heen. Tadashi had de moed niet opgegeven Baymax aan de praat te krijgen. Net zo hardnekkig geeft Baymax de moed niet op om Hiro weer in beweging te krijgen. En zo gaat het ook met Jezus. Hij had mensen lief, zo dat hij zelfs bereid was te sterven in plaats van wraak op ze te nemen. Hij offerde zich op, ging tot het uiterste. En die liefde veranderde levens. Bracht mensen ertoe zelf ook anderen lief te hebben. Want dat was waar Jezus toe oproep. Heb god lief boven alles en je naaste als jezelf. Heb zelfs je vijanden lief en bid voor wie je vervolgen. Wie liefheeft kent God, wie niet liefheeft, kent God niet. En door de liefde van deze mensen (en de liefde van iedereen die op gelijke wijze liefheeft, ook zonder in Jezus te geloven) wordt de liefde van Jezus zichtbaar. Niet theoretisch, niet zweverig, maar concreet. Tastbaar. Hij is hier. Waar twee of drie samen zijn in zijn naam, is hij in het midden. Zijn liefde wordt zichtbaar in de sacramenten, brood en wijn. Maar ook in onze liefde. Waar iemand een ander omhelst om hem of haar te troosten, daar is hij. Als iemand een ander een glas water geeft, daar is hij. Waar iemand vooroordelen overwint, of de tweede mijl voor iemand gaat. Daar is hij. En die concrete liefde verandert ons. Als christenen denken we vaak dat intellectuele kennis ons verandert, of overtuigingen. Maar dat is niet zo. Kennis maakt opgeblazen. De liefde sticht. God is liefde. Dus waar liefde is, is Hij.
De liefde van een ander voor ons, is wat ons er eindelijk toe kan brengen onszelf te accepteren, ongezonde patronen te doorbreken, en zelf ook anderen te gaan zien als waardevol. En ze te gaan liefhebben. En als we dat doen, wordt Jezus in ons zichtbaar voor anderen. Zoals de natuur van Tadashi aan het eind van de film zichtbaar is geworden in Hiro, en zijn vrienden (een mooi beeld van de kerk, als je dat erin wilt zien), zo wordt de natuur van Jezus in ons zichtbaar, daar waar wij gaan liefhebben. Als moslims een cordon vormen rond een synagoge, daar wordt de natuur van Jezus zichtbaar. Waar een leraar een leerling uit een achterstandswijk helpt, waar een collega een arm om de schouders krijgt, of iemand moeite doet iets voor een ander uit te zoeken, daar wordt de natuur van Jezus zichtbaar. En die liefde verandert anderen, op sacramentele wijze, en maakt dat het leven van Jezus verspreid wordt.
Ik vond het prachtig dat in deze film zo belichaamd te zien.

Natuurlijk wordt ook het tegenovergestelde zichtbaar in de film. Er is in deze film iemand die zijn dochter verloren heeft. Bij een verschrikkelijke ramp. En hij wil wraak nemen. Zou je dochter dat gewild hebben? vraagt iemand aan hem. Het kan hem niet schelen. Ze is er niet meer. Wat het laat zien, is dat zijn leven draait om hemzelf, en niet om anderen. Zelfs niet om zijn dochter. Want (en dit verklapt misschien een beetje van het einde van de film) in dit geval was zij niet werkelijk verdwenen. Niet zoals Tadashi. Hij had haar terug kunnen vinden. Maar door op zijn eigen verdriet te focussen, door wraak te eisen, door een ander naar beneden te willen halen, loopt hij de kans mis met haar verenigd te worden. Hij raakt haar kwijt door zijn ‘entitlement’. En dat is het tragische lot wat wij lopen door ons als christenen beter te vinden dan anderen, door de waarheid toe te eigenen, door anderen te oordelen in naam van ons geloof als ze anders zijn dan wij. We lopen op die manier Jezus mis. We gebruiken zijn naam wel, maar de natuur van Jezus zijn we kwijt. Dat moeten we niet laten gebeuren.

woensdag 24 december 2014

Gedicht: Wad

Wad

Mijn voeten zijn in klei gevangen,
de grijze modder vertraagt mijn pas
als handen zonder los te laten,
niet moe te krijgen. Ik wel.
God, wat ben ik moe. Ik strijd
om nog een stap te kunnen zetten.
Wil rusten. Maar zie geen respijt
tot aan de horizon. Slechts slijk,
niets om mij op te richten.
Mijn kompas ben ik verloren
en de tijd die dringt. Het water vult
de gaten achter mij, wist het spoor,
haast zich voor mij uit: een spiegel
die boven mij gesloten hemel toont
al net zo grauw. Binnen in mij
dooft nu mijn kracht. Hoe meer ik worstel,
hoe meer mij lokt vergetelheid.
Te slapen onder de koude deken
van de zee. Land is nog slechts een droom.
Mijn laarzen lopen vol met koude.
De greep verstevigt zich en toch
kan ik niet stoppen. Ik trek mijn been
op uit de klem die mij omsloot
en strompel voort tot ik de kust bereik.

maandag 9 december 2013

Filmbespreking: Harry Potter and the Prisoner of Azkaban

In mijn vorige blogbericht heb ik uitgelegd waarom ik de Harry Potter-boeken zo waardeer, ook en misschien wel juist als christen. Hoewel ze in mijn opinie niet het niveau bereiken van de boeken van C.S. Lewis en Tolkien, of van George Martin, zijn het toegankelijke verhalen, origineel van opzet, met interessante karakters, die uiteindelijk het sacramentele wereldbeeld illustreren. Ze zijn ook nog eens niet onverdienstelijk verfilmd. De beste van de Harry Potter-films is volgens mij Harry Potter and the Prisoner of Azkaban. Deze film is gemaakt door Alfonso Cuaron, ook bekend van zijn film Children of Men, en de recente film Gravity. Hij is een visueel sterke filmmaker, die technisch moeilijke sequenties realiseert, vaak zonder dat het opvalt dat er geredigeerd is. Maar hij combineert zijn oog voor de beelden van de film met een sterk gevoel voor karakters, eigenlijk in al zijn films. Voor mij geeft dat de suggestie dat zijn beelden, waar hij goed over heeft nagedacht, ook daadwerkelijk iets betekenen (sacramenteel zijn), en dus de moeite van het analyseren waard. Dat geldt ook voor deze film. Hogwarts heeft in deze film meer identiteit gekregen (de grote slinger die voortdurend heen en weer gaat, de hut van Hagrid), maar ook de karakters hebben meer persoonlijkheid. De interacties, onder andere tussen Remus Lupin en Harry, zijn aangrijpend. De film heeft ook een duidelijker thema, het verhaal wordt vanaf het begin opgezet en wordt niet pas langzaam geïntroduceerd. Het was volgens mij een van de moeilijkste Harry Potter-boeken om te verfilmen, vanwege het ingewikkelde einde, maar het lukt Cuaron toch, inclusief verrassende wendingen en verklaringen voor onder andere het gedrag van Hermione tijdens de film. Ook de hippogrief Buckbeak ziet er geweldig uit en is geloofwaardig als levend fabeldier. Het enige minpuntje, en dat geldt voor elke film in de serie, is de lengte, waarbij de film net een klein beetje langer voelt dan nodig was geweest. Geen groot probleem overigens! Ik zal de film nog vaker kijken.

Het verhaal gaat over Harry Potters’ derde jaar op Hogwarts, de school voor tovenaars waarvoor hij onverwacht werd uitgenodigd. De zomer was voor de jonge tiener geen pretje. Hij moest die namelijk doorbrengen bij zijn familie en het eindigde ermee dat hij zijn eigen tante betoverde. Daarna sloeg hij op de vlucht. Gelukkig wordt hij gevonden en blijkt dat hij niet gestraft zal worden. Dit omdat hij in Hogwarts alleen veilig zal zijn voor de kwaadaardige tovenaar Sirius Zwart, de man die zijn ouders vermoordde en die nu ontsnapt is uit de tot nu toe veilig geachte gevangenis Azkaban. Om de leerlingen op Hogwarts te beschermen zijn de gevangenbewaarders van Azkaban overgekomen, de Dementors, nogal nare types. Ze lijken een bovengemiddelde interesse in Harry Potter te hebben, en ondertussen gaan de geruchten dat Sirius Zwart is geïnfiltreerd op het schoolterrein. Gelukkig krijgt Harry hulp van de nieuwe leraar ‘Verdediging tegen de Duistere Kunsten’, Remus Lupin, die zijn ouders gekend blijkt te hebben, toen die zelf op Hogwarts leerling waren ... Ondertussen gedraagt Hermione zich wel heel vreemd en verschijnt ze op plekken waar ze een ogenblik daarvoor niet was.

Harry Potter and the Prisoner of Azkaban kijkt heel diep naar het onderwerp ‘identiteit’. Wat maakt je tot wie je bent? Ik realiseerde me dat dit het thema was van de film, doordat me opviel hoe vaak Harry zijn eigen spiegelbeeld ziet. Een keer in het raam, een keer in het water. Hij kijkt naar zichzelf. Dat wil zeggen dat hij op zichzelf reflecteert. We doen dat allemaal wel als we in de spiegel kijken - wie is deze persoon, die zijn hand optilt als ik mijn hand optil, die opzij kijkt als ik opzij kijk? Wie ben ik? Als er in films wordt gespeeld met spiegelbeelden en reflecties, gaat het eigenlijk altijd om de vraag naar iemands identiteit. (De film Le Double Vie de Veronique, die ik ooit zag op een L’Abri-weekeinde, was daarvan een mooi voorbeeld).
Toen ik deze sleutel in handen had, dacht ik aandachtiger na over de film. De film begint met een allusie naar Harry’s puberteit. Hij is onder zijn lakens met zijn staf bezig en verstopt zich als zijn oom op zijn kamer komt kijken. De puberteit is nu juist een periode dat kinderen hun eigen identiteit proberen vast te stellen. Ze gaan zichzelf zien als onderscheiden van hun omgeving, hun ouders, en zoeken wie ze werkelijk zijn. Zo ook Harry. Maar wat hij te horen krijgt van zijn pleegouders, en zijn tante Petunia, stelt hem niet vrolijk. Ze belasteren zijn ouders, zeggen dat ze nergens toe deugden en nietsnutten waren. En ze suggereren dat Harry dus ook niets voorstelt. Dat hij nergens goed voor is. Harry wordt er boos over, maar er is toch twijfel in hem gezaaid. Hij heeft zijn ouders namelijk niet gekend, alleen verhalen over ze gehoord. En hij weet niet of hij op die verhalen kan vertrouwen. Per slot van rekening had de toverhoed hem bijna ingedeeld bij de groep van Slitherin, de sluwe, slimme tovenaars, waar veel van de slechte tovenaars uit voort zijn gekomen, onder andere Voldemort zelf. De basis van Harry’s identiteit begint te wankelen. Het wordt nog erger door de nare Draco, die hem nog verder onderuit haalt.
En dan zijn er de Dementors. Mensen die een depressie hebben meegemaakt zeggen dat deze toverwezens daar een goed beeld van zijn. Ze geven hun slachtoffer de ‘kus van de dood’ en zuigen zijn ziel weg. Het slachtoffer wordt willoos, ziet het leven als grijs en betekenisloos en verliest uiteindelijk zichzelf. En ze verzamelen zich rond Harry, misschien juist omdat hij zo worstelt met zijn identiteit. Volgens mij komt depressie ook vaak voort uit een losse greep op de eigen identiteit. Het gevoel van betekenisloosheid, niet weten wie je bent en wat je wilt is heel verlammend. En Harry ziet deze kloof onder zich opengaan. Hij moet ontdekken wie hij is, wat voor iemand hij is, of hij zal zichzelf verliezen. Hij kan de dementors pas verslaan als hij leert een ‘Patronum’ op te roepen - een lichtende verschijning gebaseerd op een blije herinnering, die de depressie kan verjagen. Deze ‘Patronum’ is voor iedereen iets anders, en drukt iets uit van wie iemand is. Het lukt Harry echter aanvankelijk niet. Hij heeft geen blije herinneringen die de basis kunnen zijn van zijn identiteit. Zijn zoektocht wordt wanhopig.

Ondertussen zijn er verschillende karakters in de film die verschillende benaderingen van de eigen identiteit illustreren. Wat bepaalt of ze goede of slechte mensen/individuen zijn? Om te beginnen de hippogrief Buckbeak, een combinatie van paard en roofvogel. De irritante Draco Malfidus houdt zich niet aan de instructies van leraar Hagrid, en het dier haalt naar hem uit. De gewonde Draco laat het er niet bij, en het komt tot een rechtszaak. Uiteindelijk moet Buckbeak ter dood worden gebracht. Maar was hij aansprakelijk? Het dier reageerde instinctief. Het had niet de bedoeling Draco kwaad te doen. Eigenlijk was Draco de schuldige, maar toch wordt Buckbeak veroordeeld, als was hij kwaadaardig, als was dat zijn identiteit. Het idee hier lijkt te zijn dat je ook als je iets schadelijks doet, maar je doet het niet bewust, niet verantwoordelijk, het niet je identiteit bepaalt. Iets is pas een kwaadaardige daad, als de dader kwaadaardig is. Omdat Buckbeak een dier is, kan hij niet kwaadaardig zijn.
Vervolgens zien we Sirius Zwart, de meest gevaarlijke moordenaar die ooit in Azkaban heeft vastgezeten. Hij is heel slecht, denken we als kijker. Hij komt uit een familie van boze tovenaars, uit de traditie van Slitherin, en was een volgeling van Voldemort. Iedereen ziet hem ook als gevaarlijk en een moordenaar (zoals mensen ook de hippogrief Buckbeak als slecht en kwaadaardig zien. Geen wonder dat ze uiteindelijk samen eindigen!). Maar in de film blijkt dat hij geen slecht mens is. Hij offert zich op voor een vriend. Hij probeert anderen te redden. Zijn identiteit is dus niet wat mensen van hem konden zien (een gevangene van Azkaban), maar ligt in zijn keuzes verborgen. Omdat hij ervoor kiest zich op te offeren, goede dingen te doen, weten we dat hij een goed mens is. Hij is zo trouw als een hond. Dat is zijn identiteit.
Dan is er Remus Lupin, de nieuwe leraar Verdediging tegen de Donkere Kunsten. Hij is (Ja, dit is een spoiler, maar het boek is al meer dan een decennium oud, dus je weet waarschijnlijk toch al hoe het verhaal gaat) een weerwolf. Dat betekent dat hij elke keer bij volle maan verandert in een monster. Een monster dat andere mensen en dieren doodt. Ook zijn vrienden. Door mensen die hem niet kennen, wordt Remus daarom gewantrouwd. Als de ouders van leerlingen ontdekken dat een van de docenten een weerwolf is, halen ze hun kinderen van school af. Maar de film maakt duidelijk onderscheid tussen tovenaars die zichzelf uit eigen keuze in dieren kunnen veranderen, zogenaamde wisselaars, en mensen als Remus die tegen hun eigen zin in veranderen in dieren, ook al verzetten ze zich er met al hun macht tegen. Interessant genoeg weten we van een van de gedaantewisselaars dat deze een slecht mens is, terwijl we van Remus weten dat hij ten diepste een goed mens is. De momenten dat hij in staat is te kiezen, maakt hij goede keuzes, offert hij zich op voor anderen. Dat hij een keer per maand tegen zijn wil in verandert in een monster verandert daar niets aan, het verandert niets aan zijn identiteit.
De laatste is Peter Pettigrew. Hij bracht jaren door in de vorm van een rat, het huisdier van Harry’s vriend Ron. ‘Was ik niet een trouw huisdier?’, klaagt hij. ‘Heb ik me niet altijd goed gedragen?’ Hij was braaf, leek vriendelijk. Maar hij is degene die de ouders van Harry verraadde aan heer Voldemort, en verantwoordelijk was voor hun dood. En die bewuste keuze om mensen te verraden, laat ons zien dat hij in zijn identiteit een slecht mens is. Ook al gedroeg hij zich aan de buitenkant (in de vorm van een tamme rat) misschien vriendelijk naar Ron (hoewel hij Ron ook een keer beet), zijn keuzes laten zien wie hij werkelijk is. Hij is ook figuurlijk een rat.

Het verband tussen deze drie is duidelijk: ze waren deel van de ‘Marauders’ - een gezelschap van vier vrienden, die allerlei kattenkwaad uithaalden. Die ook nog eens alle vier konden veranderen, al was het bij een van hen onvrijwillig. Dit suggereert nog eens verder de thematische connectie tussen hen. De vierde van het gezelschap was James Potter, de vader van Harry. Als Harry met Remus Lupin praat en vertelt dat hij niets weet over zijn ouders, vertelt Remus hem dat zijn vader een goed mens was, die opkwam voor zijn vrienden, die hem nooit liet vallen, ook niet toen openbaar werd dat hij weerwolf was. Zijn identiteit was goed. Als een hert, een edel dier. En Remus ziet die identiteit ook terug in Harry. Hij is een kind van zijn vader, zegt hij.
Maar Harry kan dat niet goed geloven. Hij heeft zijn vader nooit gekend, hoe kan hij accepteren dat hij dezelfde identiteit heeft als hij? Tot hij in het slot van de film ziet hoe de dementors zich op Sirius Zwart storten, de man die hij tot kort tevoren kende als de moordenaar van zijn ouders. Hij denkt dat zijn vader hem zal komen redden, maar dat gebeurt niet. Uiteindelijk moet hij zelf in actie komen. Hij doet het enige wat hij kan en roept een Patronus op. Het lichtende beeld dat verschijnt is een hert. Uit de boeken weten we dat dit het beeld was van zijn vader! Het is pas op het moment dat Harry zich gedraagt als zijn eigen vader, dat hij weet dat hij de identiteit heeft van zijn vader. Maar hij kon zich niet gedragen als zijn vader, als Remus hem niet had verzekerd dat dit zijn identiteit was. Dat hij ook een hert was, zo edel en moedig.
De Patronus is ook nog eens fel en krachtig genoeg om een leger van Dementors te verslaan, terwijl het Harry eerder nog niet eens was gelukt er een weg te jagen. Juist toen hij niet bezig was met de vraag wat zijn identiteit was, of het hem wel zou lukken een Patronus op te roepen, maar toen hij alleen bezig was met het lot van een ander, kwam zijn ware zelf naar buiten. Een zelf dat leek op zijn vader. Dit is een krachtig moment in de film, dat voor mij diep resoneert. Ik denk zelfs dat hier een bepaalde sacramentele kracht in zit. In dit moment waar licht overwint over duisternis werd iets zichtbaar van de diepere realiteit onder het Harry Potter-universum.

De dementors zijn verjaagd, en Harry heeft zijn identiteit teruggevonden. Hij weet nu wie hij is. Hij heeft ook een pleegouder: Sirius wil zich over hem ontfermen. Hij is eindelijk vrij. We zien daarom in dit deel van de film geen weerspiegelingen meer. Welke les kunnen we hier nu als christenen uit leren? Die uit 1 Johannes: ‘Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (4:19). Onze identiteit is die van geliefde kinderen van God, en dat is de werkelijkheid die zichtbaar wordt als wij zelf anderen liefhebben. En op geen andere manier.

zondag 12 mei 2013

Filmbespreking: Spider-Man 2

Spider-Man 2 is een van mijn favoriete films. Hoe favoriet? Nou, de enige filmposters die ik in mijn appartement heb hangen zijn van de Lord of the Rings-films, en een van Spider-Man 2. Okee, aan de andere kant daarvan bevond zich een poster van Aragorn uit The Return of the King, maar die heb ik opgehangen tegen het glas van de woonkamerdeur aan, zodat de poster van Spider-Man 2 ook zichtbaar is vanaf de gang. Misschien dat The Dark Knight een betere superheldenfilm is, maar die is behoorlijk duister en wellicht zelfs cynisch, waar Spider-man 2 (ook een vervolg), wel spannend is en heftig, maar uiteindelijk  juist opbeurend en bevestigend. En Spider-Man is een superheld met wie ik me meer kan identificeren dan Batman. Batman is een multimiljonair die het leven van een playboy moet leiden, met aan elke arm een mooie vrouw, om onder bescherming van de nachtelijke duisternis met zijn dure snufjes de misdaad te bestrijden. Okee, hij heeft op jonge leeftijd zijn ouders verloren, maar die hebben wel het familiebedrijf aan hem overgedragen. En hij heeft een butler. Nee, dan Spider-Man ...
Aan het begin van deze film gaat het niet echt geweldig met student Peter Parker. Hij woont in een krottige studentenkamer, en loopt zelfs daar al achter met het betalen van de huur. Hij is niet op tijd in zijn lessen, en dreigt van Dr. Connors zelfs een onvoldoende te krijgen. Hij houdt van de mooie Mary Jane Watson, maar durft dat niet tegen haar te zeggen, en het lukt hem zelfs niet bij een van haar toneelstukken te zijn. En dan raakt hij ook nog zijn baantje als pizzaverkoper kwijt. Ondertussen doet hij in de vermomming van Spider-Man zijn uiterste best voor anderen. Met grote kracht komt immers grote verantwoordelijkheid. Maar niemand lijkt zijn inspanningen te waarderen. De mediacampagne van krantenmaker J. Johan Jameson lijkt vruchten af te werpen. De mensen voor wie hij zo zijn best doet, zien Spider-Man als bedreiging. Uiteindelijk beginnen zelfs Peters spinnenkrachten hem te verlaten. Hij is niet meer in staat om aan zijn web te slingeren of tegen een muur op te klimmen. Hij heeft zelfs zijn bril weer nodig. De maat is vol. Peter besluit zijn alter ego in de prullenmand te gooien: hij is niet langer Spider-Man. Nu heeft hij eindelijk de kans Mary Jane de waarheid te vertellen. Wetenschapper Otto Octavius probeert ondertussen een gevaarlijk experiment te herhalen. Daarvoor heeft hij een substantie nodig die alleen Harry Osborn kan leveren. Die stelt een deal voor: de hele voorraad in ruil voor Spider-Man. Otto is echter niet de gemiddelde wetenschapper. Hij beschikt over vier lange, dodelijke tentakels, versmolten met zijn rug en met een eigen, niet tegen te houden wil. En om Spider-Man te vinden, gaat hij eerst op zoek naar Peter Parker ...

De eerste Spider-Man-film was achteraf gezien een klein beetje tam. Een van de eerste van de nieuwe generatie superheldenfilms en dus nog een beetje terughoudend in het tonen van waar superhelden toe in staat zijn. Het karakter van Peter Parker en zijn omgeving waren goed weergegeven, met situaties die zo uit de stripverhalen konden zijn gekomen, maar de actiescènes waren niet bijzonder spectaculair en de slechterik was niet heel overtuigend (en dat terwijl de Green Goblin eigenlijk Spider-Mans aartsvijand is). Het is nu vooral mijn liefde voor het karakter Spider-Man die me de eerste film doet kijken en niet mijn liefde voor goed gemaakte films. Bij Spider-Man 2 komen deze twee liefdes echter samen. Dit is een Spider-Man-verhaal dat recht doet aan de stripverhalen, met epische confrontaties waarbij ook de verticale dimensie wordt toegepast, en held en schurk hun extra’s op een originele wijze inzetten. Dr. Octopus is een tegenstander die het Spider-Man echt moeilijk maakt, maar ook nog eens iemand met wie je als kijker meeleeft en zijn uiteindelijke lot raakt je dan ook. Ook het verhaal van Peter is invoelbaar gebracht. Ondertussen brengt Sam Raimi al zijn kwaliteiten als filmmaker in - vooral de scene waarin Dr. Octopus ‘ontstaat’ is fantastisch, net als een gevecht op en in een trein. Wel moet iemand die in wetenschap geïnteresseerd is zijn kritische denken op de pauzestand zetten, want kernfusie is niet zo eenvoudig als het hier gebracht wordt. Als de film eindigt ben je als kijker tevreden, maar ook benieuwd hoe het de karakters verder vergaat. Jammer dat Spider-Man 3 in vergelijking met deze film eigenlijk een teleurstelling is.

Omdat de film in 2004 is uitgekomen, ga ik niet heel erg mijn best doen om ‘spoilers’ te voorkomen. Als je de film niet hebt gezien, zorg ik wel dat er nog wat verrassingen voor je overblijven, maar ik zal wel wat meer verklappen over het plot dan ik gewend ben.

Ik heb de film al heel wat malen gezien, maar de laatste keer vielen met twee dingen meer op dan normaal. Een daarvan is wat persoonlijker, dus die bewaar ik voor zo meteen. De ander is dat dit verhaal wel heel duidelijke verwijzingen naar het verhaal van Jezus bevat. De held heeft twee naturen: de bovennatuurlijk snelle en krachtige Spider-Man en de kwetsbare, gevoelige mens Peter Parker. Hij moet een op hol geslagen trein tot staan brengen. Hij doet dit met uitgestrekte armen - een houding alsof hij wordt gekruisigd. Hij heeft het masker van Spider-Man afgezet en wordt gezien als de mens die hij is. En het is duidelijk hoe zwaar het gewicht van de trein (een microskosmos van de mensheid met individuen van allerlei leeftijden en nationaliteiten) op zijn schouders drukt. Uiteindelijk verliest hij het bewustzijn. De mensen vragen zich af of hij dood is. Spider-Man wordt over hun hoofden getild, alsof hij ten grave wordt gedragen. Dan blijkt hij nog te leven. Hij heeft er opeens volgelingen bij, die door zijn opoffering zijn geïnspireerd om zelf ook heldhaftig te zijn. En aan het slot van het verhaal verslaat hij de slechterik niet met de kracht van Spider-Man maar met de zwakheid van Peter Parker. Zijn dit soort overeenkomsten met het verhaal van Jezus bewust aangebracht? Misschien. Ik denk echter van niet. Ik denk dat onze verhalen automatisch mee gaan bewegen met het Verhaal van de Werkelijkheid. Er vindt resonantie plaats - de snaar gaat meebewegen met de andere snaar. En in het geval van deze film is dat mijns inziens goed zichtbaar.

Het tweede dat mij opviel, was hoeveel ik van mijn eigen leven in het verhaal van Spider-Man herkende. Het belangrijkste thema van de film is hoe wij dat wat wij doen of wat ons is aangedaan zoveel waarde kunnen toekennen dat ons leven erdoor bepaald wordt, in plaats van dat wij ons leven zelf kunnen bepalen. Wij verliezen onze vrijheid, zijn nog maar een schaduw van onszelf, en zijn niet in staat om te doen wat wij het liefste willen. We zitten in de klem. We lopen zelfs het risico een monster te worden, het tegenovergestelde van wat we willen zijn.

Dit is te zien in het karakter van Harry Osborn, de beste vriend van Peter. Hij gelooft echter dat zijn vader door Spider-Man om het leven is gebracht en wordt nu verteerd door maar een verlangen: om wraak te nemen. Als er iets gebeurt waardoor het slecht gaat met zijn bedrijf ‘Oscorp industries’, zegt hij zelfs letterlijk dat zijn vendetta tegen Spider-Man het enige is wat hij nog overleeft. Alles moet hiervoor wijken. Zelfs zijn vriendschap met Peter. Hij gaat drinken, scheldt en schopt. Hij is niet meer wie hij was. Hij heeft het verlangen naar wraak op de eerste plaats gezet in zijn leven, er zijn afgod van gemaakt, en nu wordt zijn leven erdoor bepaald. We gaan lijken op wat we aanbidden, zegt de bijbel ergens. Anders gezegd: wij kunnen niet groter zijn dan het verhaal waar we in leven. En als dat een klein verhaal is, blijven wij zelf ook klein. En een kleiner verhaal dan dat van wraak is er bijna niet. Ik denk daarom dat de bijbel ook waarschuwt dat we moeten oppassen dat er in ons hart niet een wortel van bitterheid opschiet, omdat die ons onze vrijheid kan afnemen en ons kan omvormen tot ‘wraakmachines’ in plaats van vrije individuen. Het verlangen naar wraak maakt ons eenkennige robots in plaats van volledige mensen.

Een ander karakter dat in de greep raakt van het verhaal dat hij over zichzelf vertelt, is Otto Octavius. Hij is gepassioneerd over zijn werk. Hij meent dat hij een doorbraak kan bereiken waardoor de wereld op een goedkope manier van energie kan worden voorzien, en er is zelfs kans op het winnen van een Nobelprijs. Dit is zijn droom, dit is waar hij al zijn tijd en kracht aan besteed. Als het experiment mislukt, kan hij het niet opgeven. Er is een ontwerpfout in zijn theorie, maar hij kan dat niet onder ogen zien. Hij moet en zal het nog een keer proberen, ook al moet hij daarmee de populatie van New York in gevaar brengen, ook al vervreemdt hij daardoor iedereen van zich. Hij is in de macht gekomen van zijn ambitie en hij is de vrijheid kwijtgeraakt om er ‘nee’ tegen te zeggen. Hij wordt beheerst door zijn droom, in plaats van andersom. In dit geval zelfs letterlijk. De vier armen waar hij zichzelf van heeft voorzien, hebben een eigen intelligentie met de opdracht fusie-energie tot stand te brengen. Ze fluisteren hem in, beïnvloeden hem. En hij gebruikt het zelfs als excuus om zijn eigen experiment niet te stoppen. Hij is niet meer vrij. Maar hij heeft wel uit eigen beweging ingestemd met de vier armen. Ze zeiden niet iets wat hij zelf niet dacht, ze sloten aan bij een ambitie die uit hem zelf kwam. Alleen omdat uiteindelijk iemand anders zich wil opofferen om de gevolgen van zijn zelfzuchtige keuzes ongedaan te maken, kan Dr. Octavius zijn eigen ambitie opzij schuiven. En als hij dat doet, als hij zijn eigen ambities opzij zet voor een ander, als hij zijn droom opgeeft, wordt hij een mens in plaats van een monster. Een mens wordt niet zo beheerst door zijn droom dat hij er andere mensen aan opoffert. Een mens heeft de vrijheid om anderen lief te hebben als zichzelf. Wie dat niet kan, is een monster.

En dan is er Peter Parker. De beginscènes van de film zijn eigenlijk moeilijk om te kijken, zo pijnlijk herkenbaar vind ik de worsteling van de hoofdpersoon. Hij zet zich in als Spider-Man om misdaad te bestrijden en voor zwakken op te komen, maar hij gaat er bijna aan ten onder. Hij heeft zijn persoonlijke leven volledig ondergeschikt gemaakt aan de taak die hij heeft opgenomen. Hij offert zijn carrière op, zijn scholing, zijn vriendschappen en zijn liefde. Allemaal omdat hij het idee heeft dat hij Spider-Man moet zijn. Het is minder iets dat hij wil, maar iets waarvan hij vindt dat het behoort. Zijn taak als Spider-Man is namelijk gebaseerd op schuld. Peter Parker vindt dat hij schuldig is aan het overlijden van zijn oom Ben. Als hij namelijk zijn krachten op een goede manier had gebruikt en een bandiet had tegengehouden, zou Ben Parker nog leven. Dat is een behoorlijke last om op je schouders te dragen. En dan zei zijn oom ook nog eens dat bij grote kracht een grote verantwoordelijkheid hoort. Dus denkt Peter dat hij niet anders kan dan zich inspannen. Hij gaat er echter zelf aan onderdoor. Zijn energie raakt op. Uiteindelijk wordt hij gedwongen te stoppen.
Ik denk bij deze scenes aan de jaren dat ik me uit alle kracht inspande om bijbel te lezen (vijf hoofdstukken per dag), te bidden (minstens een half uur), bijbelstudie te doen, bijbelteksten te memoriseren, naar de kerk te gaan, te evangeliseren et cetera. Het klinkt allemaal heel geestelijk. Maar ik deed het uit schuldgevoel. Ik was bang dat God boos op me zou worden als ik niet voor hem zou werken. Bovendien had ik van God een groot intellect gekregen en dat kwam met grote verantwoordelijkheden. Ik vond dat ik niet meer de boeken mocht lezen die ik zo graag wilde lezen, of de verhalen schrijven die ik zo graag wilde schrijven. Zelfs voor vriendschappen kon ik nauwelijks nog tijd vrijmaken. Maar deze christelijke activiteiten pasten niet bij me. Het was niet wat ik wilde, maar wat ik dacht dat ik ‘behoorde’ te doen. En zoals Peter Parker zijn energie kwijt raakte, zo gebeurde dat bij mij. Ik kreeg enorme slaapproblemen. Ik werd overspannen. Van de ene op de andere dag stopte ik met al dat werken. Wat een opluchting.

Peter geeft zichzelf de toestemming gewoon Peter te zijn. Hij volgt de lessen waar hij zo van houdt (en wordt de beste van de klas), repareert zijn bromfiets, en bezoekt eindelijk een van de toneelvoorstellingen van Mary Jane. Hij geniet eindelijk van zijn leven. En hij vindt de vrijheid om eerlijk te zijn naar zijn tante May. Hij wil het geheim van zijn schaamte niet meer alleen met zich meedragen, maar besluit het met anderen te delen. Het lijkt met Peter voor de wind te gaan. Maar dat is maar schijn. Hij ziet namelijk hoe iemand op straat beroofd wordt, en realiseert zich dan dat hij daar niet zomaar aan voorbij kan lopen. Zijn verlangen om Spider-Man te zijn was niet alleen maar gebaseerd op schuldgevoel, maar ook op een positief verlangen om iets goeds te doen voor andere mensen. Hoe hij het ook probeert, hij kan echter zijn krachten niet meer terugkrijgen. Hoe hij zich ook inspant.
Ook dat herken ik wel. Na mijn overspannenheid volgde een periode van vrijheid, van ontspanning, van soms pijnlijke eerlijkheid. Maar het was de ontspanning van het negatieve, ontspanning omdat er iets ontbrak in mijn leven - de eeuwige overheersing van het schuldgevoel, de rust van het niet meer behoren te werken. Er was iets van mijn afgevallen. Maar ik ervoer ook een leegte. Er was niet iets positiefs terug gekomen in mijn leven. Ik was stuurloos geworden. Ik heb geprobeerd te schrijven, maar ik kon zelfs dat niet omarmen als mijn roeping, als iets dat bij mij paste. Ik zei dat ik eigenlijk verhalen wilde schrijven, maar het lukte me niet. De inspiratie leek verdwenen. De behorens kwamen steeds weer terug. De vrijheid was dus van korte duur.

Twee dingen leiden voor Peter uiteindelijk tot werkelijke vrijheid. Ten eerste de onvoorwaardelijke liefde die hij ervaart van zijn tante. Ze vergeeft hem voor zijn rol in de dood van zijn oom, en zegt hem dat ze van hem houdt. Zoals hij is, superheld of niet. Ze is niet in hem teleurgesteld. Voor haar hoeft hij niets te doen. Hij hoeft niet te presteren. Hij hoeft helemaal niets. De opluchting bij Peter Parker is op zijn gezicht te zien. Onvoorwaardelijke acceptatie is de eerste stap naar vrijheid. Zolang Peter dat nog niet had ervaren, zou zijn vrijheid alleen de vrijheid zijn van het ontbreken van overheersing, niet de vrijheid van het werkelijk jezelf kunnen zijn. Want Peter geloofde nog niet dat het genoeg was echt zichzelf te zijn. Hij wist alleen dat hij zich niet meer kon laten overheersen door zijn schuldgevoelens. Als zijn tante May zegt dat hij geliefd is, ook als hij niets doet, is hij pas echt vrij om iets te gaan doen. Positieve vrijheid. De vrijheid van leven in overeenstemming met wie je bent.
De tweede ontdekking die Peter doet is dat hij om te leven in overeenstemming met wie hij is niet afhankelijk is van omstandigheden buiten hem om. Hij is niet afhankelijk van zijn krachten als Spider-Man. Hij is niet afhankelijk van het superheldenpak dat hij gemaakt heeft. Er hoeft niet aan voorwaarden te worden voldaan voor hij zichzelf kan zijn. Hij kan ook als de eenvoudige Peter Parker al het goede doen.
Ook deze dingen herken ik heel sterk. Een groot deel van mijn geestelijke reis van de afgelopen jaren was te leren ontdekken dat God onvoorwaardelijk van mijn houdt, dat hij van mijn houdt zoals ik ben, niet zoals ik zou moeten zijn. Ontdekken dat ik hem niet kan teleurstellen, omdat hij alles weet wat ik heb gedaan en ooit zal doen, en toch van mij houdt. Ontdekken dat ook als ik nooit meer iets zou presteren, dat hij mij in zijn armen sluit als zijn geliefde zoon. Die liefde maakt me vrij om rond te kijken naar wat ik wil doen. Die liefde maakt me vrij om eenvoudig te schrijven, om te tekenen, om te bloggen. Ik mag doen wat ik wil, want Gods liefde is onvoorwaardelijk.
En om te doen wat ik wil, ben ik niet afhankelijk van anderen. Ik stopte ooit met schrijven nadat een manuscript door een uitgever was afgewezen. Ik dacht dat ik om door te gaan met schrijven afhankelijk was van publicatie. Ik meende dat ik afhankelijk was van erkenning. Maar dat was niet zo. Ook al zou niemand mijn verhalen lezen, ook al zou ik ze alleen voor mezelf schrijven, ik zou ze mogen schrijven. Om mijn creativiteit uit te leven heb ik niets anders nodig dan papier en een potlood (of een MacBook air, dat werkt ook). Het zijn niet mijn omstandigheden die mij bepalen. Of er ooit nog iets van mij wordt uitgegeven, of niet, ik ben schrijver. Zoals Peter Parker een held is, of hij ooit nog Spider-Man kan worden of niet.

En dan is er dat moment waarop Peter Parker daadwerkelijk weer Spider-Man wordt. Zijn vriendin wordt bedreigd. Op dat moment weet hij het opeens: dit is wie ik ben. Dit is wat ik wil. Op dat moment is hij helemaal niet met zichzelf bezig (zoals eerder, toen hij ook probeerde om weer Spider-Man te worden). Hij denkt niet aan zichzelf, hij denkt alleen aan Mary Jane. En hij breekt door een hele laag puin heen. Hij is Spider-Man!
Dat moment kwam voor mij afgelopen jaar, toen ik voor de tweede keer ziek thuislag met wondroos. Ik realiseerde mij dat als ik dood zou gaan (zo ernstig was het gelukkig niet, maar wondroos is toch niet mis) ik vooral spijt zou hebben van het feit dat ik geen verhalen zou hebben geschreven. Ik had het er al jaren over dat ik weer wilde schrijven, maar ik deed het niet. Ik dacht dat het was omdat ik geen inspiratie meer had, dat er geen ideeën kwamen. Maar de realiteit was dat ik mezelf geen toestemming gaf om dag en nacht over mijn verhalen te denken. Ik stond mezelf in de weg. Toen ik besloot om weer te schrijven en mezelf de toestemming gaf te doen wat ik het liefst wilde, begonnen de ideeën weer als vanouds te borrelen. En hoe veel ik ook schreef, ik werd er niet overspannen van. In plaats van slechter te slapen omdat ik zo hard werkte, sliep ik er beter door. Mijn schouders waren minder opgetrokken en ik was (volgens mijn vriendin) vrolijker. Ik was meer mezelf. Want ik had mezelf toestemming gegeven om te schrijven. Dit was net zo’n moment als Peter die door het puin breekt.
Het is ook een keuze waarop ik niet meer terug zal komen. Zoals Peter op dat moment wist dat hij Spider-Man was, weet ik dat ik schrijver ben. Niemand kan dat van me af pakken. Deze keuze was namelijk niet gemaakt doordat ik me op mezelf richtte, ik maakte de keuze niet omdat ik iets wilde bewijzen. Zoals Peter was ik niet op mezelf gericht. Ik was gericht op het schrijven, zoals Peter was gericht op Mary Jane. En omdat ik op iets buiten mezelf gericht was, was ik werkelijk vrij. Er was geen sprake meer van schuldgevoel en verplichting, zoals eerst. Ik mocht gewoon doen wat ik wilde doen. Voor Peter was dat Spider-Man zijn, voor mij was dat schrijven.

donderdag 11 augustus 2011

Meer doen of meer verlangen?

De afgelopen maanden zat ik niet lekker in mijn vel. Ik sliep niet goed (eigenlijk sinds eind februari of daaromtrent) en was dus vaak moe. Daardoor kreeg ik niet veel gedaan. Niet alleen verwaarloosde ik mijn huishouden, ik kwam ook niet toe aan die activiteiten waar ik normaal energie van krijg. Als ik uit bed kwam, voelde ik me al uitgeput. Ik sleepte mij naar afspraken die ik weken van te voren in mijn agenda had gezet. Op mijn werk was ik niet mijn vrolijke zelf - en ik weet niet of de artikelen die ik in deze periode schreef nou tot hoogtepunten van mijn oeuvre moeten worden gerekend. Het behoeft geen uitleg dat het met mijn humeur niet goed gesteld was toen. Ik kan wel zeggen dat ik me een beetje depressief voelde. Een oogontsteking en een kaakoperatie maakten het allemaal niet makkelijker. Toen ik een keer ook vrijdag had gewerkt, sprak ik ‘s avonds af met een vriend een terrasje te pakken. We vonden een plek voor een biertje. Ik was na een lange week moe, en niet te vrolijk. Maar mijn vriend leek zich eraan te ergeren dat ik wat cynisch reageerde. Volgens hem moest ik ‘gewoon’ van het leven genieten. Ik moest het ‘gewoon’ positief inzien - en niet steeds zo mopperen. Hij deed dat immers ook - ‘gewoon’ genieten.
Aan het gesprek kwam snel een einde. Er was immers niets meer om over te praten. Ik kon niets met zijn advies. Natuurlijk wilde ik me weer eens lekker in mijn vel voelen. Ik wilde weer met energie mijn dag ingaan, en enthousiasme kunnen tonen voor mijn werk. Maar het was niet zo alsof ik een knop in mezelf kon omzetten, waardoor ik opeens weer zou gaan lachen. Mijn gevoel is niet zomaar op commando te veranderen. Het advies van mijn vriend had een averechts effect: het leidde er alleen maar toe dat ik me schuldig ging voelen - want volgens hem had ik mijn negatieve bui alleen aan mezelf te wijten. Ik had ook opeens niets meer tegen mijn vriend te vertellen. Zijn opmerking maakte voor mij duidelijk dat hij me niet serieus nam. Als ik mijn hart voor hem opende, wilde ik geen ineffectieve dooddoener horen. Ik wilde dat hij naar mij zou luisteren. En het idee dat je geforceerd in een blij universum moet leven en van alles maar moet genieten, vond ik maar oppervlakkig. We hadden het nog even over koetjes en kalfjes, en daarna was onze afspraak snel voorbij.
Mensen maken vaker de fout om mensen die zich depressief of verdrietig voelen dergelijke ‘makkelijke’ adviezen te geven.
Op de mockingbirdblog werd verwezen naar tien dingen die je niet tegen iemand met depressie moet zeggen. "Huur gewoon een komische film of neem een massage. Mijn zus is net als jij. Hoe kan jij nou depressief zijn? Je bent zo zelfverzekerd! Mensen in ontwikkelingslanden hebben dit soort problemen helemaal niet. Maar je bent toch gelukkig? Je hebt een partner en kinderen! Je hebt zeker wel medelijden met jezelf. Waarschijnlijk is het gewoon je leeftijd." De schrijver van het stuk had al deze opmerkingen daadwerkelijk gehoord van mensen in zijn omgeving. En ze hadden allemaal hetzelfde effect: ze lieten hem alleen maar slechter over zichzelf denken. Misschien hadden sommige van deze mensen het beste voor met deze patiënt. Maar ik vermoed dat bewust of onbewust ook meespeelde dat ze niet te veel met de negatieve emotie geconfronteerd wilden worden. Ze wilden zichzelf goed blijven voelen. Ze wilden de illusie behouden dat ze hun vrolijkheid aan zichzelf te danken hadden, dat ze er zelf verantwoordelijk voor waren. En wellicht zelfs dat ze beter of sterker waren dan iemand die depressief was, omdat het hen wel lukte om van het leven te genieten. Ze wilden niet van hun voetstuk afkomen en naast de gebroken medemens gaan staan.

Ik moest hier laatst aan denken in verband met de kerk. De meeste preken die ik hoor komen erop neer dat de toehoorders meer moeten doen. Ze moeten meer bidden. Meer bijbellezen. Meer evangeliseren. Meer geloven. Dat is de oplossing voor alle problemen. En de mensen in de zaal knikken, en de oudsten herhalen de boodschap instemmend in het afsluitende gebed. Maar, vraag ik me af, als je in de volgende week een onderzoek zou doen onder de gemeenteleden, zou ook maar iemand na zo’n preek meer zijn gaan bidden of bijbellezen? Zou ook maar iemand meer zijn gaan geloven? Zou iemand een seconde langer ‘stille tijd’ zijn gaan houden? Ik denk het niet. Anders zou niet elke zondag dezelfde oproep moeten worden gedaan. De enigen die op basis van zo’n preek meer gaan bidden of bijbellezen zijn de mensen die geneigd zijn zich schuldig te voelen, die slecht over zichzelf denken en die vinden dat ze niet genoeg doen. En bij hen leidt het niet tot verandering in hun leven, maar juist tot meer vermoeidheid, spanning en meer schuldgevoel. Dat doet het in elk geval bij mij (laat ik het persoonlijk houden). Maar niet alleen bij mij. Ik heb vaker verteld van mijn vriend die een keer zei: “De ene zondag hoor ik dat ik hier aan moet werken, de volgende dat ik daaraan moet werken. Maar ik ben nog niet klaar met het ene van vorige week. Er komt elke keer meer bij!”
Vorig jaar op kring hadden we een avond over discipelschap. Een van de kringleden stelde voor om een rondje te doen en dan kon iedereen vertellen wat hij of zij deed aan het volgen van Jezus. Ik voelde me direct ongemakkelijk. Ik meende zeker te weten dat ik veel minder christelijke dingen deed dan mijn kringgenoten. Ik bad vast veel minder, las minder de bijbel, en evangeliseerde minder. Dat moest wel, want ik was de enige van de kring die zich bij preken over deze onderwerpen schuldig voelde. Maar toen we de kring rondgingen bleek dat de een na de ander van mijn kringgenoten nog minder bad of uit de bijbel las dan ik! Ik was -hoe onreligieus ik me ook voelde- nog steeds een van de mensen die het meeste deed! Maar deze mensen hadden allemaal dezelfde preken gehoord als ik, dezelfde oproepen om dagelijks stille tijd te houden, om meer dit te doen en minder dat te doen. Sommige nog veel vaker dan ik. Hun leven was echter niet veranderd.
Ik ben misschien cynisch, maar als je elke week mensen zegt dat ze meer moeten doen, en het leidt er niet toe dat ze meer gaan doen, dan is er iets mis met je boodschap. Waarom blijven leiders en predikers dan toch hetzelfde zeggen? En waarom blijft iedereen ernaar luisteren, week in, week uit?
Ik vermoed dat deze boodschap ons in staat stelt ons beter te voelen dan anderen - net als de ‘goede adviezen’ die aan de depressiepatiënt werden gegeven. Zelfs als je erbij zegt dat je zelf ook tekortschiet - dan ben je er tenminste bewust van dat je tekortschiet, en ook dat geeft al morele superioriteit. En misschien is voor sommige mensen het horen dat ze te weinig doen, dat ze eigenlijk dit of eigenlijk dat zouden moeten, op een bepaalde manier geruststellend. Het is een soort geestelijke daad, een boetedoening, om in de kerk te zitten en je slecht over jezelf te voelen. Het is de prijs die je betaalt, en als je dat gevoeld hebt kun je gelouterd de week weer in. De boodschap van ‘moeten’ is een ritueel geworden. Maar degenen die het wel proberen, die worstelen met schuld, die weten dat ze het zelf niet kunnen, voelen zich alleen maar slechter - zoals de vrouw van wie Philip Yancey vertelt (ook dit voorbeeld heb ik vaker aangehaald), die op de vraag waarom ze niet met haar probleem naar de kerk was gegaan, antwoordde: “De kerk? Daar zouden ze me alleen maar slechter over mezelf laten denken dan ik al doe.”

Weg dus met de boodschappen van ‘moeten’! Weg dus met die wekelijkse vermaningen. Weg met de religieuze focus op het juiste gedrag. Dit soort oproepen kan ons niet veranderen. Mockingbird wijt dat aan geestelijke entropie, de natuurwet die zegt dat een gesloten systeem aan zichzelf overgelaten alleen maar wanordelijker kan worden. "No matter how hard we try, no matter how tightly we cling to the standards we follow (be it Mosaic Law or modern church expectations or Zen Buddhism or American societal norms or organic environmentalism or political philosophy or new-age scientism), we cannot grow spiritually as closed systems. Trying to ‘will’ oursevles to spirituality by adhering to some form of law will always fail–we will tend to either stay the same or get worse, but certainly no better. Willpower is insufficient to overcome the natural decay of life."
Gelukkig is het goede nieuws niet afhankelijk van ons gedrag. Het goede nieuws is een aankondiging van iets dat al realiteit is: het koninkrijk van God. Het is een blijde boodschap: de regering van God is werkelijkheid geworden. Het herstel en de vernieuwing waar de profeten over spraken, dringt door in de schepping. Alle dingen worden nieuw gemaakt. De wil van God zal gebeuren, op Aarde, zoals in de Hemel. En ik en jij zijn welkom in deze nieuwe realiteit, in het koninkrijk van God. We hoeven het alleen maar te ontvangen, zonder dat we er iets voor hoeven doen. Het is een geschenk, onvoorwaardelijke liefde.
Natuurlijk hoort bij deze realiteit een andere manier van leven - daar is waar bijvoorbeeld een gedeelte als de bergrede over gaat. Je kunt niet tot in het diepst van je ziel geloven dat God je onvoorwaardelijk liefheeft, en dan zelf je medemens haten. Je kunt niet aanvaarden dat God je als persoon boven alles waardevol vindt, en andere mensen als object behandelen. Je kunt niet omgaan met de God die onvervalste werkelijkheid is en zelf blijven liegen. Maar als je werkelijk iets bent gaan begrijpen van het koninkrijk van de liefdevolle God, wil je dat soort dingen niet meer. Dan krijg je er een afkeer van. Je zult fouten maken, je zult tekortschieten, maar je verlangen is veranderd. Je wilt leven als een onderdaan, sterker als kind van de Koning. En omdat je daarnaar verlangt zal steeds meer je gedrag veranderen.

Dwang zal nooit blijvende verandering bewerkstelligen, of het nou harde dwang is of zachte. En de ‘moet’-boodschappen zijn boodschappen van dwang - ze zijn manipulatief: ze laten je slecht over jezelf denken als je in de ogen van de spreker te weinig doet, en goed als je aan de verwachtingen voldoet. Maar de boodschap van Jezus is dat we al aan de verwachting van God voldoen. Dat we dus niet meer over onszelf hoeven oordelen als ‘goed’ of ‘kwaad’ - maar dat we het oordeel van God over ons mogen aanvaarden: we zijn geliefd. Punt. Niets meer en niets minder. En God zal ons nergens toe dwingen. Hij zal ons niet manipuleren door op onze gevoelens te spelen. Hij zal ons niet bang maken met straf, en ons niet proberen te paaien met beloning. Hij laat ons vrij. Want Hij houdt van ons. En de volmaakte liefde drijft de vrees uit, omdat de echte liefde nooit straft.
Laat al het moeten en niet moeten varen, laat elke dwang en plicht los -hoe eng dat ook voelt (zo voelt het in elk geval voor mij)- en realiseer je dat het niets verandert aan de liefde van God voor jou. Zijn liefde is werkelijk onvoorwaardelijk. We moeten niet meer bidden. We moeten niet meer bijbellezen. We moeten niet meer evangeliseren. We hebben alles al (‘Al het mijne is het uwe’, zei de vader tegen de broer die buiten het feest bleef staan). Laten we ophouden met die pogingen om onszelf geliefd te maken. En laten we de waarheid dat we geliefd zijn tot in onze diepste vezels laten doordringen. Laten we tot op het bot gaan voelen hoe goed de werkelijkheid van God eigenlijk is, hoe radicaal anders dan onze menselijke machtssystemen, hoe verfrissend, hoe betoverend.
Het lijkt onwerkelijk, een ideaal. En dat is natuurlijk wat het is. Als het iets was dat wij konden bereiken met onze inspanning, zou het niet anders zijn dan welke religie ook. Als wij het konden organiseren, als het iets was dat wij ‘moesten‘ doen, zou het een menselijk systeem zijn als alle anderen. Het punt is nu juist dat wij dit niet kunnen bewerkstelligen. Dat het onze verwachtingen maar ook onze vaardigheden ver te boven gaat. We moeten het niet eens willen proberen. In plaats daarvan mogen we het accepteren als Gods realiteit. We mogen in die werkelijkheid gaan leven, in een werkelijkheid die op geen enkele manier van ons afhangt. En dan zal ons gedrag gaan veranderen. Omdat we onder de indruk komen van de liefde van God, zullen we ernaar gaan verlangen om meer naar Hem te luisteren. We zullen met Hem willen communiceren. We zullen zijn woord willen lezen. En we zullen anderen over Hem willen vertellen, omdat we zo enthousiast zijn geworden over deze prachtige God en zijn koninkrijk. We zullen andere mensen gaan liefhebben, omdat we zelf Gods liefde hebben ervaren. We zullen gaan strijden voor gerechtigheid, omdat we onder de indruk zijn geraakt van Gods gerechtigheid. We zullen schoonheid gaan maken en najagen, omdat we een glimp hebben opgevangen van de schoonheid van Gods aangezicht. We zullen de zonde gaan haten, omdat we hebben gezien hoeveel schade die toebrengt aan Gods visioen. Dit is de bron van verandering.

In de kerk zou dus het goede nieuws moeten klinken. Niet alleen voor mensen die nog niet geloven, maar voor iedereen. Steeds weer moeten we het horen, steeds weer moet het ons voor ogen worden geschilderd. Steeds weer moeten we onder de indruk komen van deze werkelijkheid. Dan zullen we er namelijk naar gaan verlangen. En het verlangen is het enige dat nodig is voor verandering.

Later dit weekeinde meer over de manier waarop Jezus mensen naar het koninkrijk deed verlangen.

maandag 24 mei 2010

Post-boekblues

Zo heb je de winterdepressie overleefd, kom je terecht in een post-boekdip. Ik heb begrepen dat vrouwen na de geboorte van hun baby last kunnen krijgen van een post-natale depressie. Ik heb eigenlijk nooit erg goed begrepen waarom dat kon gebeuren, maar nu heb ik een klein beetje (ik herhaal: een klein beetje) een idee. Je leven stond namelijk maandenlang in het teken van je zwangerschap. Je leefde toe naar het moment dat je baby geboren zou worden. Je knutselde aan de kinderkamer, deed zwangerschapsgymnastiek, at andere dingen, dacht na over wat de toekomst zou zijn et cetera. Je zwangerschap vormde je identiteit. En plotseling is het voorbij. Het moment waar je naar toe leefde, is voorbij. Wat je identiteit bepaalde, is van je afgenomen. Het verlangen is realiteit geworden, een realiteit waar je je opnieuw aan moet aanpassen. Het is alsof er een steunbeer onder je vandaan wordt gezaagd. Je moet een nieuw evenwicht vinden, een nieuw doel om voor te leven.

Mijn boek heb ik ook meerdere malen aangeduid als 'mijn baby'. Al meer dan drie jaar, misschien zelfs vijf jaar, was ik 'zwanger' van dit boek. In 2006 praatte ik er al met anderen over dat ik een bijbelstudieboek wilde schrijven, dat ik wat ik geleerd had op papier wilde zetten en met anderen wilde delen. Mijn artikelen die ik toen schreef voor bijbelstudietijdschrift Bode hadden als impliciete doel als basis te dienen voor zo'n boek. Het kostte me moeite om daadwerkelijk aan dit grote project te beginnen, er was een valse start, maar voorjaar 2008 kreeg ik de inspiratie en begon ik dan echt. Twee jaar lang werd mijn leven bepaald door het boek. Ik schreef eraan: elke dag in de trein en in het weekeinde in de Coffee Company. Ik sprak erover met vrienden en kennissen. Ik worstelde ermee als ik niet kon schrijven. Ik las zelf andere boeken met de vraag wat die aan mijn verhaal konden toevoegen. Ik fantaseerde over reacties van anderen en recensies (ja, ik ben wat narcistisch ingesteld. Misschien elke schrijver wel een beetje). Ik vergaapte me aan het omslagontwerp, en ik wachtte met spanning op het erste exemplaar. En toen lag het boek er. Je zou denken dat je als schrijver dan erg blij bent (was ik natuurlijk ook). Ik liet mijn boek aan allerlei mensen zien, praatte erover, bleef er zelf ook door bladeren. Een droom was uitgekomen.
Maar tegelijk begon ik slecht te slapen. De laatste twee weken voor mijn Indiareis was ik voortdurend moe. Ik probeerde maar 'bij te slapen', maar tevergeefs. Ik was totaal uitgeput. India betekende een kortdurende energieopleving (na een wel heel vermoeiende heenreis), en nadat ik terugkwam was ik nog een week vitaal. Maar ik merkte al snel dat het bijhouden van mijn blog als een zware verplichting aanvoelde (terwijl ik hem voor mijn reis met veel plezier schreef en onderhield), dat ik me niet meer aan mijn dieet kon houden en begon te snoepen, dat ik op mijn werk minder productief werd, en dat ik meer vluchtte in bijvoorbeeld internet. Twee weken geleden voelde ik me al een heel weekeinde lang moe . Ik dacht dat het kwam omdat ik een verstopte neus had (had ik ook), of een beetje grieperig was. De vermoeidheid bleef de hele week. Het hemelvaartweekeinde was ik ook moe. De nacht van zondag op maandag was erg kort, omdat ik naar de bioscoop was geweest. De volgende nachten gebruikte ik slaapmiddelen om maar aan genoeg uren te komen. Ik deed mijn best om op tijd op bed te liggen. Toch lukte het me niet om echt uit te rusten. Ook het pinksterweekeinde wilde ik uitslapen zodat ik mijn achterstand kon inhalen. Maar ook al lig ik tien uur op bed, als ik wakker word, ben ik nog moe.
Koppel dat aan de piekergedachten die ik de afgelopen weken heb, en een terugkerende worsteling met een negatief zelfbeeld. Een bekende 'vijand' voor me. Ik blijk het nog steeds heel moeilijk te vinden om niet aan mijn eigen of andermans verwachtingen te kunnen voldoen. Ik houd mezelf nog steeds een maatstaf voor. En ik heb in mijn achterhoofd steeds het bange vermoeden dat ook God mij tekort vindt schieten. En deze dingen vormen een vicieuze cirkel: doordat ik moe ben en lusteloos en negatief over mezelf denk, slaap ik onrustig en blijf ik moe. Doordat ik moe ben en lusteloos ga ik meer eten, daardoor kom ik weer aan, daardoor denk ik nog negatiever over mezelf. Ik probeer mezelf voor te houden dat ik wel vaker in zo'n bui heb gezeten en er steeds ben uitgekomen. En ik klem mezelf vast aan de waarheid dat God van mij houdt, echt, onvoorwaardelijk, welke verwachtingen of maatstaven ikzelf of mijn ouders of de kerk mij ook opleggen.

Ik ontleende meer dan twee jaar lang mijn betekenis aan het feit dat ik een boek aan het schrijven was. Dat gaf mijn leven zin. En nu heb ik dat niet meer. Ik keek van de week de film Sherlock Holmes, en werd opnieuw getroffen door Conan Doyles schets van een gedreven mens, die als hij geen zaak om handen heeft vervalt in een duistere depressie. Holmes heeft zijn werk nodig, zijn opdrachten, om zich te focussen en zin in het leven te hebben. Daar herkende ik wel wat van. En vandaag las ik ook nog eens deze blog van The Christian Monist: 'Facebook, twitter and the meaning of life'. Hij schrijf dat hij juist een zoveelste afwijzing heeft ontvangen van zijn manuscript. En dat hij daardoor in een dip is geraakt. Hij stelt dat mensen verlangen naar betekenis. Dat ze van waarde willen zijn. En hij suggereert dat het dit is waarom mensen zo fanatiek bezig zijn op twitter en facebook. Ze willen hun leven betekenis geven. Zelf vraagt hij zich af of hij niet zijn manuscript en zijn blog zag/ziet als dat wat hem betekenis moet geven. En hij realiseert zich dat deze dingen dat niet kunnen. Ze kunnen niet in de plaats van God staan. Daarom komt hij uit bij de wijsheid van de bijbelse Salomo, die schreef: “All is vanity, a chasing after the wind. So what is left but to eat, drink and be merry.” I think if Solomon was here he would say, “I tried out for American Idol . . . and I won. I got a platinum record . . . but still I felt of no more value. Then I devoted my life to Christ, became a missionary in China, built a chain of Christian schools across Asia, wrote three hundred best-selling books . . . yet, for nothing. I went to church every morning for fifty years, never missing a day, yet all vain . . . chasing after the wind. I started the largest ministry in the US and was the pride of James Dobson . . . yet it was all worthless. Then, I realized that I was fully valuable in God’s eyes already and these other things didn’t matter. Then I knew that sitting in Starbucks with my son, eating a cinnamon roll, drinking a mocha and being merry of heart in the bright sun . . . is as good as it gets."  En heel eerlijk besluit hij met: "Now if I could only believe that once and for all."
In dat stadium bevind ik mij ook. Wie mijn boek al gelezen heeft (mijn advies: doen! Ook al brengt de schrijver het zelf nog niet allemaal in praktijk ...) weet dat ik betoog dat wat wij bezitten en doen ons niet betekenis kan geven. Het kan niet de plek van God voor ons innemen. Alleen God kan dat. Al het andere wordt, zodra we er iets van verwachten dat alleen God kan, voor ons een afgod. En nu word ik ermee geconfronteerd dat mijn schrijven op een bepaalde manier voor mij een afgod was, iets waar ik waarde aan ontleende. Terwijl ik al waardevol ben, puur en eenvoudig omdat God zegt dat ik dat ben. Zo waardevol dat Jezus voor mij is gestorven. Ik ben gekocht met de hoogste prijs denkbaar. Ik ben duur betaald. Dus ik ben waardevol. Geliefd zelfs. Om dat te vatten, echt te geloven, is waar ik me nu naar uit wil strekken. Al het andere is slechts ijdelheid, ook mijn boek en alles wat ik in mijn leven nog zal schrijven. Lucht en leegte.