zondag 20 december 2015

Verhaal: De herders bij nacht in het veld

Op welke planeet je ook in de atmosfeer probeert vaart te minderen, de grazende beesten onder je slaan altijd op dezelfde manier op de vlucht. Ze kijken op bij het beginnen van het lawaai, de ogen rond, de oren alert. Als dat toeneemt, worden ze onrustig, ze komen overeind. Dan komt het felle licht. Eerst een, dan vijf, dan de hele kudde maakt zich vervolgens uit de voeten. Ze vinden elkaar en bewegen als één organisme, golvend over het veld als water. Soms springen ze, soms zigzaggen ze, de ruggen gekromd, de staarten als signaalvlaggen in de lucht. Als het er genoeg zijn, laten ze de aarde trillen, of het nu olifantsgrote reptielen zijn die in ondiepe moerassen woelen, legers van zwarte muizen op uitgestrekte steppes, of rood met blauwe zespoters op oranje mos. En ze komen pas tot rust ver weg, als ze ons niet meer zien of horen, hijgend, damp boven hun ruggen. En het duurt uren voor we weer beginnen te eten.
Dit keer was het precies hetzelfde. Ons schip was aan de nachtzijde van de planeet door het wolkendek gebroken en daverde over het landschap, dat was geschilderd in grijstinten en poelen schoolbordzwart. Vlekken konden bossen zijn, spiegelingen zeeën, maar het grootste deel was schimmig, onduidelijk, vlak. En toen we laag genoeg kwamen, zagen we de dieren schrikken. Ze waren wit en bruin, niet groot, met lange staarten achter ze aan wapperend, en ze stroomden door de dalen tussen de heuvels door, door ons schijnsel in een hel licht gehuld, waarna ze opzij afbogen en in het donker verdwenen. Onze sensoren vingen ook hun klagelijke geluiden op. “Ze komen me bekend voor”, liet Janus, onze cultuurbewaarder, ons weten. Hij was de enige van ons gezelschap die rekenkracht over had voor een dergelijke observatie. De rest was allemaal nodig om ons veilig te laten landen. Er was zelfs niet genoeg voor een simulatie. “Dit soort dieren leefde vroeger op Aarde ook.”
“Hoogte vijfhonderd meter”, sprak Thomas. “Snelheid: mach 0,75 en dalend. We bevinden ons heel ergens anders in het melkwegstelsel.”
“Ik zei ook niet dat dit de Aarde was”, zei Janus, met zelfs een lichte klank van ergernis. “Ze lijken er alleen erg op. Convergente evolutie?”
“Dat zoek je later op je gemak maar uit”, kwam Luweng tussenbeide. Zij was de wapenmeester en planner. “Is er een landingsplek?”
Die vraag was aan mij gericht. Ik raadpleegde de gegevens van eerdere scans en bracht ze overeen met de beelden van het snel schuivende landschap onder ons. “Ja,” concludeerde ik. “Een vlak veld, niet ver weg meer.”
“Mooi”, zei Luweng. “Want we kunnen ook niet heel ver meer.”
De hete wind loeiend om ons heen en onze motoren krijsend, mikten we op de door mij aangewezen locatie. Voor ons stoven nog meer van de witte en bruine dieren weg. Janus wist een hoge resolutie opname op zijn bandbreedte te trekken. “Ze hebben zelfs wol!”, riep hij. “Het is echt heel bijzonder!” We zonden allemaal onze niet heel positieve emoties zijn kant op, waarna hij eindelijk zweeg.
Ik maakte voor mezelf een weergave van de omgeving en liet ons vervolgens op de millimeter nauwkeurig neerkomen waar ik het bedoeld had, op de telescooppoten die uit de gladde buik van ons schip waren geschoven. De wollige grazers waren ondertussen lang en breed uit het zicht verdwenen. Een laatste veiligheidscheck. Daarna kon de rekenkracht weer gewoon aan ons worden toebedeeld. We kregen onze gesimuleerde, virtuele lichamen terug. Als locatie om elkaar te ontmoeten had Janus ervoor gekozen de computer een twintigste-eeuwse automobiel te laten genereren, met eigenlijk net te weinig ruimte voor ons allemaal. Het was zijn manier om ons terug te pakken. Thomas zat achter het stuur, zijn handen om het wiel, zijn achterhoofd leunend tegen het omhoog geschoven steuntje. Luweng zat naast hem, haar wenkbrauwen in een diepe V, haar lippen een lijn. Ze droeg een blauw met wit uniform, met goudkleurige insignes en een kokerrok. Het dashboardkastje voor haar stond open en ik zag de kolf van een pistool. Ze keek over haar schouder om naar Janus, die het raampje aan zijn kant had opengeschoven en naar buiten keek door een verrekijker. Het was natuurlijk geen echte, maar een representatie van de instrumenten van ons schip. Ik probeerde ondertussen ruimte te vinden voor mijn knieën, die in Thomas’ rug prikten, terwijl ik tegelijk mijn best deed de kaart zo netjes mogelijk weer op te vouwen. De kille bries die door het raam naar binnen blies, mocht dan wel nagebootst zijn, hij maakte het er voor mij niet makkelijker op. Aan de achteruitkijkspiegel voor in de auto hing een zilveren kruisje, dat welhaast hypnotiserend heen en weer zwaaide.
“We zijn niet alleen”, zei Janus opeens. De toon die hij gebruikte, was heel anders dan zojuist tijdens de landing. We draaiden alle drie ons hoofd zodat we dezelfde kant uitkeken als hij. Hij wees met zijn vinger. “Daar bovenop die heuvel.”
Drie gestaltes. Tweepoters. Ruwweg manshoog. En intelligent, want ze hadden zich in wollen jassen gehuld. Een van hen ondersteunde zichzelf met iets als een houten staaf. Ze leken verstijfd. Misschien waren ze het wel niet echt, want onze waarneming was versneld ten opzichte van de normale tijd. Ik kon alleen maar raden naar wat zij zagen: een ovaal van doorschijnend goud. Daarachter lichtgevende cirkels, om elkaar draaiend, onze deeltjesversnellers. En bovenaan ons standaard, wit stralend als een bliksem. Ze moesten met stomheid geslagen zijn.
“Ik weet zeker dat dit niet de Aarde is”, zei Thomas ondertussen van achter het stuur.
Het leek even of Janus daarop wilde reageren, maar Luweng fronste nog dieper en hij hield zijn mond. “We moeten het weten”, verklaarde ze. Ze pakte haar wapen in haar ene hand, een zaklamp in haar andere en stootte de deur van de auto open. Voorovergebogen rende ze tegen de heuvel op. Twee van de wezens verdwenen uit het zicht, gillend van angst. De derde was niet snel genoeg. De wapenmeester sprong op hem af en leek hem vanuit ons gezichtspunt met haar vlakke hand tegen de grond te slaan. In zijn eigen werkelijkheid werd hij geveld door een pulserende energiestoot. Luweng trok de man bij zijn been terug naar de auto. Bij het licht uit onze ramen zagen we een donker gezicht, een prominente neus en een krullende baard. De geur van angstzweet hing in een wolk om hem heen.
Janus graaide in zijn jaszak en pakte een stethoscoop. Nadat hij de pluggen in zijn oren had gestoken, drukte hij de kop tegen de borst van zijn patiënt. “Als het convergente evolutie is”, mompelde hij, “dan heeft die wel heel opvallende gelijkenissen opgeleverd.”
Thomas schraapte zijn keel. “De Aarde is vernietigd”, zei hij. “Dat weten we allemaal.”

Onze thuisplaneet was nog het blakende centrum van ons rijk geweest, toen wij vertrokken vanuit de baan van Neptunus, objectief zestigduizend jaar geleden. Ik was door alle relativistische snelheden, wormgatsprongen en versnelde tijdsbeleving niet meer zeker hoeveel subjectieve tijd er voor mij verstreken was. In elk geval voelde het ook lang geleden. We hadden alle bronnen van het zonnestelsel, inclusief de ijsbrokken uit de Oortwolk, bijeengebracht tot de grootste vloot in de geschiedenis. Elk schip schijnend, voorzien van het samen uitgekozen symbool en de woorden ‘In dit teken’. Het moment dat we allemaal gelijktijden onze aandrijvingen activeerden, was vanaf de Aarde zichtbaar geweest als een band langs de hemel, feller dan de Melkweg.
Ons reisdoel was het zwarte gat in het midden van ons sterrenstelsel. Astronomen hadden uit de banen van omringende sterren en planeten de aanwezigheid afgeleid van creaturen bestaande uit donkere materie. Ze zouden de processen in de kern van sterren versnellen zodat er meer zwarte gaten ontstonden, zodat zij in de zwaartekrachtputten daarvan elkaar zouden kunnen ontmoeten. We wisten niet hoe ze er uitzagen, zelfs niet of we ze wel zouden kunnen waarnemen, maar in de volksmond kregen ze de bijnaam ‘demonen’ toebedeeld en in de media werden ze meteen voorzien van bokkenboten en hooivorken. En het verhaal ging dat ze ook onze zon op het oog hadden, zelfs al was er nooit enige activiteit van ze waargenomen buiten het centrum van de Melkweg. Het was echter onze bestemming om in de eeuwigheid te domineren, niet de hunne, en zo ontstond het glorieuze visioen van de vloot. Het menselijke rijk zou afdalen in de duisternis en de heersers daarvan ontwapenen en tentoonstellen. Het licht zou zegevieren. Een andere uitkomst was niet mogelijk.
We hadden echter beter moeten weten. De structuren van donkere materie die we bereikten, bleken voor onze wapens onaantastbaar, terwijl onze tegenstanders in staat waren de zwaartekracht rondom onze schepen te manipuleren en ons zo in de ruimte te doen stranden. Duizenden jaren lang vochten we bloederige veldslagen uit, aanvankelijk tussen de sterren en nevels van het centrum, vervolgens in onze eigen spiraalarm. Hoe we onze technologie ook verbeterden, steeds verder werden we teruggedrongen, door steeds nauwere wormgaten vluchtend, verwoeste zonnestelsels en planeten als sintels achterlatend, met onze achtervolgers op onze hielen.
Net toen we terug waren op ons vertrekpunt, haalde de duisternis ons in. Tussen Jupiter en Mars vond vervolgens een ongelijke strijd plaats, waarbij het grootste deel van wat van onze vloot was overgebleven, werd vernietigd. Een regen van brokstukken en meteorieten daalde daarna neer op de binnenste planeten van het zonnestelsel, een nieuw groot bombardement. Hun oppervlak werd tot magma gereduceerd. Niets overleefde, zelfs geen bacterie.
Drie van onze schepen, waar wij er een van waren, wisten aan de ravage te ontsnappen. Maar in de eeuwen die volgden, ontplofte één ruimtetuig door een beschadiging aan de aandrijving. Een andere raakte van koers, zodat we uiteindelijk elk contact verloren. En nu was onze eigen energievoorraad uitgeput. Het laatste wormgat dat we konden openen, kwam uit in dit zonnestelsel, en we hadden net brandstof genoeg om deze planeet te bereiken en in dit veld te landen.
Wat er ook gebeurde, we zouden niet meer kunnen opstijgen. Dit was het einde van onze vlucht. Voor zover wij wisten, waren wij de laatste vertegenwoordigers van de mensheid.

“Dit is een mens”, concludeerde Janus. “Zijn genetische materiaal komt overeen met dat van ons uit de scheepscomputers. Heel bijzonder!”
Luweng, die tegen de deur van de auto aangeleund stond, haar wapen nog steeds in haar hand, vloekte in het oud-Chinees. Thomas duwde aan zijn kant het portier open en zwaaide zijn benen naar buiten. “Het kan niet”, zei hij ondertussen over zijn schouder. Zijn gezicht stond strak als een masker. “Er zijn geen biologische mensen meer.”
Janus haalde zijn schouders op, terwijl hij zijn instrument weer opborg. “Er heeft natuurlijk enige verschuiving in de basenparenvolgorde plaatsgevonden, maar niet meer dan in zestigduizend jaar te verwachten was geweest. Ze behoren nog steeds tot dezelfde soort: Homo sapiens sapiens. En geen ander.”
Ik schoof opzij zodat ik langs hem kon kijken. Inderdaad: de vorm van zijn jukbeenderen en de breedte van zijn kaken vertoonden kleine verschillen, maar de man had nog gewoon tussen de toeschouwers kunnen staan op het moment dat wij op onze queeste vertrokken, zonder dat iemand naar hem had op- of omgekeken. Thomas was om de auto heengelopen en knielde nu bij hem neer. Hij voelde aan zijn pols. “Hij leeft nog.”
“Ik weet wat ik doe”, zei Janus, duidelijk met zichzelf ingenomen.
“Gelukkig maar”, zei Thomas. “Want wij zijn nu ook aan deze planeet gekluisterd. We zullen haar met hem en zijn soortgenoten moeten delen. En ik weet niet of het slim is ons direct als vijanden te positioneren.”
Luweng schudde haar hoofd. “Wat stel je voor? Dat we ons voordoen als goden? Ze tempels voor ons laten oprichten? Een nieuw rijk stichten? Aan deze voorbeelden te zien, lopen wij technologisch ver op ze vooruit.”
“Ze zouden ons waarschijnlijk niet eens als menselijk herkennen”, zei Janus.
Thomas ging verzitten en keek naar ons op. “We hebben meer informatie nodig.”
Ik schoof terug naar mijn plek en haalde de kaart weer tevoorschijn. Ik vouwde hem uit op de bank van de auto en prikte met mijn vinger bijna in het midden, vlak naast de vouw. “Hier zijn we geland. Hier …” –ik bewoog mijn vinger opzij- “bevindt zich een dorp of een stadje, er loopt een verhard weggetje doorheen. Daar zijn de herders waarschijnlijk heen gevlucht.”
“Een goede plek om te verkennen”, besloot Thomas.
Luweng knikte. Ze richtte zich op en stak haar pistool in een holster onder haar oksel. Vervolgens trok ze haar marineblauwe jasje recht. “Incognito natuurlijk.”
“Dat is het meest verstandig”, zei Janus.
Ik rilde. Het was alweer tienduizend jaar geleden dat ik de computerwerkelijkheid had verlaten om een fysieke vorm aan te nemen, en dat was niet eens de menselijke geweest. In de lichamen van reusachtige mantaroggen hadden we gestreden tegen donkere materie-schepen in de kokende atmosfeer van een bruine dwergster. We waren na een eeuwenlange worsteling verslagen. Luweng had het een strategisch terugtrekken genoemd, maar dat kon de pijn van dat moment niet verzachten. En net als toen was de overgang nu niet plezierig. Terwijl een stroom denkende deeltjes het schip verliet en samenklonterde tot mijn menselijke vorm, bevond ik voor mijn gevoel even op twee plekken tegelijk, in de simulatie en daarbuiten, en ik zag mezelf naar mezelf kijken. Het duurde maar een seconde, daarna stond ik op het gras buiten de auto en streek met mijn handen over mijn parka. Tot aan de poriën in mijn huid en mijn net wat te lang geleden geknipte nagels was mijn voorkomen niet van een biologisch lichaam te onderscheiden.
De anderen waren naast mij in de tastbare wereld verschenen. Luweng wees naar de nog steeds bewusteloze man aan onze voeten. “Wat doen we met hem?”
Thomas fronste. “Het is zeker diplomatiek niet handig als we …”
Nog voor hij was uitgesproken, schudden zowel Luweng als Janus nadrukkelijk van nee. De piloot trok met zijn schouders. “Goed dan”, zei hij. Hij duwde met zijn voet tegen het portier van de auto, zodat die dichtviel. Daarna pakte hij een bos met sleutels uit zijn broekzak en drukte op een knopje. Er klonk een pieptoon en het geluid van sluitende sloten. Hij pakte de liggende man onder zijn schouders en zijn knieën, en richtte zich op. “Vertel me dat die nederzetting niet ver weg is!”
Ik slikte. “Een half uur lopen. Als we stevig door stappen. Meer niet.”
Thomas leek met dat antwoord tevreden en zette zich in beweging. Luweng liep opzij van hem, spiedend om zich heen kijkend. Ik volgde, met de kaart, en Janus kwam achteraan. Ik hoorde hem voortdurend dingen zeggen als: “Deze plant is nieuw voor de wetenschap!” en “Is dit een mier? Maar waarom heeft hij dan zoveel pootjes?”

We vonden, na twee zanderige heuvels te hebben beklommen en weer te zijn afgedaald, een zandpad dat de juiste richting op voerde. Tien minuten later kwam dat uit op een verharde weg, met op elkaar aansluitende klinkers. En iets meer dan een half uur nadat we waren vertrokken stuitten we op het dorp, weggestopt in een dal. De huizen waren donker, er brandde geen straatverlichting, en het scheelde niet veel of we waren eraan voorbij gelopen.
Een splitsing van het pad vormde de hoofdstraat. Aan het eind daarvan zagen we een groot gebouw, met een toren erop. Dit was waarschijnlijk het centrum van de gemeenschap, opperde Janus. Voor de grote houten deur stond een groepje mannen. Ze keken onze kant uit, kennelijk niet verbaasd dat zo laat nog reizigers hun nederzetting aandeden. Een lange man –zo te zien een van de herders die ons had zien landen- fluisterde iets in het oor van een man met een grijze baard en een mantel tot aan zijn enkels. Hij knikte, wuifde met zijn hand en stapte vervolgens naar voren. “De engelen zijn gearriveerd.” Zijn stem was diep, en zijn woorden waren voor ons, met enige hulp van onze computerrekenkracht, verrassend goed verstaanbaar. “Jullie hebben onze vriend meegenomen. Dank daarvoor.”
Luweng en Thomas wisselden een blik uit. Thomas kuchte. “Engelen, zei u?” Een vrouw en een jongen kwamen naar voren en namen zijn last van hem over. De bewusteloze man werd uit het zicht afgevoerd.
“We hoorden zojuist een knal en een gierend geluid dat ons deed schrikken.” De man met de baard knikte naar de lange herder, die nu schuin achter hem stond en aan zijn kin krabde. “Toen kwamen zij aangerend met een verhaal over oplichtende wezens in een gouden strijdwagen, die zich sneller bewogen dan een mens kan rennen. En dat juist in deze nacht. Dan is er maar één conclusie mogelijk.”
Thomas begon zich al groter te maken. Luweng glimlachte. Kennelijk zag ze al een glorieuze toekomst voor zich. De man keek tussen hen heen en weer. Uiteindelijk verbrak hij de stilte. “Jullie komen uit de ruimte, net als wij.”
Zelfs in het donker was te zien hoe zijn ogen twinkelden. Ik besloot dat ik de man wel mocht. Hij klopte Thomas op zijn bovenarm. “We zijn wat technologie kwijtgeraakt onderweg, maar we zijn niet vergeten waartoe mensen vroeger in staat waren. Onze voorouders zijn destijds tegelijk met jullie van de Aarde vertrokken. Ze kregen alleen niet zoveel aandacht in de media. Als ze niet werden genegeerd, werden ze afgetekend als lafaards of deserteurs. Ze moesten niet de kans krijgen de aandacht af te leiden van de door God bedoelde bestemming van de mensheid.”
Thomas knikte. “Onze strijd tegen de demonen, de heersers van de donkere materie.”
“We hebben begrepen dat die niet heel voorspoedig is verlopen.” De man klonk meelevend. “Er waren echter ook mensen die meenden dat hun eigen motieven niet altijd even stralend waren, en eerder de strijd wilden aangaan met de duisternis in hun eigen leven. Zij kozen ervoor de invloedssfeer van de Aarde te verlaten en kwamen uiteindelijk hier terecht, aan de rand van het melkwegstelsel.” Hij wees om zich heen. “Het lijkt misschien kaal, maar voor ons is het ons thuis.”
“Daar gaan onze fantasieën van godendom”, fluisterde Luweng, zodat alleen wij haar konden horen.
Janus drong zich ondertussen tussen ons door naar voren. “Zijn er nog andere koloniën? Hebben jullie misschien contact met …?”
Het antwoord was een ontkennende hoofdbeweging. “Al onze schepen landden hier.”
In het gezicht van Thomas begon een spiertje te trillen. Hij wilde iets zeggen, sloot zijn mond weer, fronste zijn wenkbrauwen. Even keek hij opzij naar Luweng, vervolgens zochten zijn ogen de mijne en daarna draaide hij zich weer om naar de oude man. “Wij kunnen nergens anders heen”, gaf hij toe. “We zijn van jullie afhankelijk.”
De man spreidde zijn armen. “Jullie zijn van harte welkom om je bij ons te voegen. Harde werkers vinden bij ons altijd een plek.”
Daar hadden we even niets op te zeggen. Elk van ons moest zijn of haar verwachtingen bijstellen. En dat kostte moeite. Janus was de eerste die zich leek te ontspannen. Hij begon te grijnzen. “Geweldig. Een hele nieuwe wereld om te verkennen.”
“Er zit niet anders op”, concludeerde Thomas, maar zijn uitdrukking was niet langer zo zorgelijk. Ook de schouders van Luweng waren wat gezakt en haar hand bevond zich niet meer in de buurt van haar schouderholster.
“Kom mee naar binnen”, zei de man. Hij knikte naar de mensen achter hem en zij duwden de deuren van het grote gebouw open. Warm, geel licht scheen naar buiten en omhelsde ons. “We waren juist begonnen met onze jaarlijkse viering van het licht.”
Janus was de eerste die naar voren stapte. “Moet je kijken”, riep hij. “Ze kennen ons embleem!” Ik moest me op mijn tenen oprichten om over zijn schouder te kunnen kijken. Rijen gelakte houten banken, met daarin de mensen, hun gezichten naar ons omgedraaid. Kaarsen op standaards. Guirlandes van groene naalden, en een boom met lichtjes helemaal achterin. En op de muur daarnaast inderdaad het teken. Niet van goud of diamant en niet lichtgevend of stralend. Maar uit eenvoudig hout gesneden, niet eens opgeschuurd. Toch was het duidelijk een kruis. Het symbool had de eeuwen en de lichtjaren weten te overbruggen. Ik voelde een onverklaarbare warmte door mijn ledematen stromen, tot in het puntje van mijn tenen. Het gevoel werd nog sterker toen de mensen begonnen te zingen. Ik was me er opeens van bewust dat ik lachte. Zonder te aarzelen, stapte ik de drempel over naar binnen. Ik was thuis.
Ik passeerde Janus, die was blijven staan en onze gastheer bij zijn arm had gepakt. “En de schapen”, hoorde ik hem achter mij zeggen, “hebben jullie die ook helemaal van de Aarde naar hier meegebracht?”
“Nee”, antwoordde de man. “Die leefden hier al. Een mooi voorbeeld van convergente evolutie.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten