Posts tonen met het label menszijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label menszijn. Alle posts tonen

vrijdag 17 januari 2014

Het sacrament en jij (5 en slot): Geloven is jezelf worden

In een eerdere serie op mijn blog schreef ik over het bezoek van mijn Amerikaanse vriend Bryan aan Nederland en hoe we elkaar in Amsterdam ontmoetten. We raakten aan de praat en herkenden veel in elkaars verhaal. Zo vertelde hij dat hij Doctor Who-fan was. Maar daar gaat deze serie niet over. Een van de overeenkomsten tussen ons was dat we allebei een tijd lang onze gevoelens en verlangens, uitingen van ons lichaam, hadden afgewezen. Mede daardoor (en waarschijnlijk doordat we allebei intellectuele mensen zijn) ervoeren we afstand ten aanzien van ons lichaam, alsof we als een marionettenspeler boven ons lichaam zweven en er niet werkelijk mee in contact staan. Mijn vriend had leren inzien dat ‘mens zijn’ betekent ‘lichaam zijn’ en had besloten te proberen meer in contact te komen met zijn lichaam. Dat deed hij onder andere door te koken en door bier te maken. Niet in eerste instantie door recepten te volgen, maar door zelf met de ingrediënten bezig te gaan. Zelf bij het kneden te voelen wanneer het deeg de juiste consistentie had, zelf te voelen wanneer het genoeg gerezen was, zelf te proeven of hij het juiste mengsel te pakken had. Experimenteren en vervolgens ervaren wat de gevolgen zijn - de sensaties van zijn zintuigen te leren ervaren als goed en waardevol. En zo weer af te dalen in zijn lichaam, en dat weer te bewonen. Om, als het ware ‘vlees te worden’ of te incarneren in zijn eigen lichaam.

Spreken over incarnatie als het gaat om onze relatie met ons lichaam is in dit geval niet vreemd. Te vaak hebben we als christenen geloofd in een dualistisch beeld van ons lichaam, recentelijk vooral in navolging van Descartes, waarbij de ziel inderdaad werd gezien als een entiteit los van het lichaam, die dat bestuurde als een soort poppenspeler. Volgens Descartes vond de interactie tussen de immateriële, onstoffelijke ziel en het lichaam plaats via de pijnappelklier. Andere denkers zeiden later dat de interactie plaatsvond via de hersenen. Als delen van de hersenen beschadigd raakten zou de ziel zich niet meer volledig kunnen uiten (bijvoorbeeld in het geval van een aangeboren afwijking als Down), maar de ziel zelf zou daardoor niet zijn aangetast. De ziel bleef immers gescheiden van de materie. De hersenen waren gebrekkig materieel, en de ziel zou niet kunnen wachten om die achter te kunnen laten.
Zelfs denkers als N.T. Wright spreken over de geest van de mens als ‘software’ die loopt op ‘hardware’. Ze bevestigen het belang van het lichaam (software heeft hardware nodig om te functioneren), en verklaren het leven na de dood door te stellen dat God onze ‘software’ op zijn eigen ‘hardware’ laat lopen. Maar in feite houden ze nog steeds een scheiding in stand. En atheïstische wetenschappers als Dick Swaab doen hetzelfde, door het immateriële te ontkennen. Ze zeggen wat wij onze hersenen zijn, en dat wat wij beschouwen als keuzevrijheid, persoonlijkheid of bewustzijn alleen maar bijverschijnselen zijn van natuurkundige of biologische processen in de hersenen.
Allemaal gaan ze uit van een gescheiden zijn van geest en lichaam.

Maar kijk naar de incarnatie, de vleeswording van Jezus. Jezus was God en mens tegelijk, maar zijn goddelijke en zijn menselijke kant konden niet van elkaar worden gescheiden. Zijn goddelijke kant hing niet als een marionettenspeler boven zijn menselijke lichaam. Zijn goddelijke natuur was ook geen software die liep op zijn menselijke hardware.
De geloofsbelijdenissen suggereren dat Jezus volledig, 100 procent, God was, en volledig, 100 procent, mens. De mens Jezus is God. Dat wil zeggen dat de ene eigenschap van Jezus dus tegelijk volledig goddelijk was, en tegelijk volledig menselijk. Anders gezegd: wie Jezus zag in zijn goddelijke glorie (bijvoorbeeld bij de verheerlijking op de berg, in zijn berispen van de storm, in zijn grote vergevingsgezindheid), zag hoe God mensen bedoeld had. Dit is waarvoor wij zijn geschapen. ‘Wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik’, zei Jezus (Johannes 14:12). Maar andersom: wie Jezus’ menselijkheid zag, zag daarin de natuur van God. Bijvoorbeeld in het feit dat hij huilde bij het graf van Lazarus, in zijn woede op de Farizeeën, maar ook in zijn aanraken van melaatsen. ‘Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’, zegt Jezus, en dat dus letterlijk (v9). Hoe Jezus was in zijn menselijkheid, is hoe God in zijn eeuwigheid is.
In het lichaam van Jezus is God dus werkelijk zichtbaar, hoewel het lichaam niet ophoudt materie te zijn. Dus kan de kerk leren dat in het brood en de wijn van het avondmaal het lichaam en het bloed van Jezus werkelijk zichtbaar zijn, hoewel ze niet ophouden brood en wijn te zijn. Dit moet je niet dood analyseren (op welk moment wordt het brood dan metafysisch lichaam?). Het is een kenmerk van het sacramentele karakter van brood en wijn, dat er iets werkelijks in zichtbaar wordt, hoewel het materieel is. En zo is het ook met ons. We zijn een enkel geheel. Er zweeft boven ons geen immateriële geest. En al helemaal niet een geest die bij de bevruchting uit de hemel op ons is neergekomen en na de dood daarnaar weer teruggaat.
Ook over de menselijke natuur hebben speculaties als ‘op welk moment na de bevruchting krijgt het lichaam een geest’ geen enkele zin. Wij zijn ons lichaam. Daarin heeft Swaab gelijk. Ontleed ons en je komt geen los onderdeel tegen. Het gaat om meer dan onze hersenen. Onze andere organen, hormonen en spijsvertering, onze huid, onze zintuigen, zelfs de bacteriën in onze darmen, doen allemaal mee. Tegelijkertijd geldt: ons lichaam is ons. Mijn lichaam is mij. Mijn lichaam maakt de persoon ‘Johan’ zichtbaar. In mijn verlangens, in mijn keuzes, in mijn relaties. Ik ben niet te reduceren tot mijn lichaam, ik ben niet ‘maar een lichaam’, mijn lichaam is een sacrament, waarin de persoon zichtbaar wordt ‘die God heeft geschapen als zijn evenbeeld’ (Jakobus 3:9).
We zijn naar Gods beeld geschapen in het feit dat we personen zijn, die tot werkelijke creativiteit in staat zijn, die waarheid kunnen nastreven en vinden, en die vrije relaties met anderen kunnen aangaan. En dat wordt zichtbaar in onze lichamelijkheid. Niet volmaakt - het bijbelverhaal suggereert dat deze werkelijkheid is onderworpen aan invloeden van een transactionele aard, waardoor ze ‘als in barensweeen zucht en lijdt’ (Romeinen 8:22). Dit geldt ook voor ons lichaam. We worden tegengewerkt in onze uiting van onze glorie als geschapen wezen, maar eens zullen de vrijheid en luister van Gods kinderen volkomen worden geopenbaard, eens komt de verlossing van ons sterfelijk bestaan (v23). Daar kijken we naar uit, in deze hoop zij we gered (v24). Maar dat onze vleeswording niet volmaakt is, wil niet zeggen dat ze niet relevant is. Als Jezus een sacrament is, zijn wij, kortom, zelf ook een sacrament. Ik denk dat dit bevestigd wordt door de opstanding van Jezus, en de belofte dat wij net als hij zullen opstaan uit de dood. En het feit dat bij geen van de opwekkingen (die van het dochtertje van Jairus, of die van Lazarus) de suggestie wordt gewekt dat de persoon ‘terugkeerde uit de hemel’. De persoon was dood. Hij (of zij) werd weer levend en werd vanaf dat moment weer sacrament.

Dit inzien, leidt ertoe dat we ons lichaam op een andere manier gaan bekijken. Ons lichaam met alles wat daarbij hoort, want juist het lichamelijke is sacrament van wie we zijn. Dat is: het lichaam zoals dat door miljoenen jaren evolutie is gevormd, inclusief de verschillen tussen man en vrouw, onze seksualiteit, onze sociale structuren, onze taalvaardigheid. Om een voorbeeld te geven van de manier waarop we met dit uitgangspunt anders kunnen gaan denken over wie we zijn, wijs ik terug naar de discussie op de blog van Richard Beck of feministen wel hoge hakken konden dragen, of dat het feit dat mannen visueel zijn ingesteld inherent slecht is. Wat hij suggereert is dit: “The visual bias in male sexual arousal is an adaptive feature of the brain. A feature adaptively intertwined with the female gaze. I'm tentatively suggesting that the gazes, being adaptive features of the brain, are morally neutral, adaptations that are similar to why we find sugar sweet. We generally think of incarnational theology as being about embodiment. If so, an incarnational approach to being "sexy" will recognize and enjoy the evolutionary and biological aspects influencing both the male and female gaze. Males and females have been gazing at each other and finding each other sexy for millions of years. And there is a creational goodness in how these erotic feelings spontaneously emerge within us. How you catch my eye. How that gesture melts my heart. And, being humans, we've reveled in all the ways we can creatively and artistically enhance those feelings. From love songs to diamond rings to, well, to high heels. We become chefs to enhance the pleasures of taste. We do the similar things to enhance the pleasures of sexual attraction and arousal. One of many bodily goods that both genders enjoy, from the taste of good coffee to the pleasure of a symphony. The male and female gaze is embodied pleasure.” Het is een uiting van wie wij zijn, van ons diepste zelf. Net als creativiteit dat is. Wie kan zeggen waar in de hersenen creatieve ideeën vandaan komen? Toch (dat merk ik althans zelf) horen mijn creatieve ideeën diep bij mij, zijn ze niet van mijzelf te scheiden. Een ander zou niet dezelfde creatieve ideeën hebben als ik.
Deze verlangens, creativiteit en seksueel, komen uit mijn diepste hart voort. Ikzelf wordt erin zichtbaar. Ze zijn een sacrament. Als ik goed en liefdevol ben, zal dat in deze uitingen te zien zijn. Als mijn gerichtheid transactioneel is, op mijzelf gericht, zal dat in deze uitingen te zien zijn. De gerichtheid wordt erin zichtbaar. Maar ze zijn zelfs meer dan dat. Mijn creativiteit als mens, als geschapen wezen, is een sacrament van de creativiteit van God, het maakt zichtbaar hoeveel mogelijkheden God ziet en hoeveel nieuwe schoonheid hij tevoorschijn kan brengen. ‘Zie ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten’ (Jesaja 43:9). En: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft’ (1 Korintiers 2:9). Hetzelfde geldt voor onze seksualiteit, het plezier dat de man en de vrouw in elkaar hebben, initiatief en overgave, het is een beeld van God in zijn liefde voor ons, een sacrament van het goddelijke plezier in zijn relaties, van het plezier van de Bruid met de bruidegom. ‘Dit mysterie is groot - en ik betrek het op Christus en zijn kerk’ (Efeze 5:32). Dit is waar wij voor bedoeld zijn, om ‘beelddragers van God’ te zijn, om zijn liefde en passie zichtbaar te maken en te openbaren. ‘God heeft ons gemaakt om een relatie met Hem te hebben en zijn gelijkenis in alle gebieden van ons leven tot uitdrukking te laten komen’, stellen Jerram Barrs en Ranald Macaulay. ‘Met ons lichaam, ons verstand, onze emoties en onze wil.’ (Geloven is weer mens worden).

De kern van de zonde is dat dit beeld niet meer zichtbaar wordt. Dat in onze uitingen, onze verlangens, creativiteit en seksualiteit, niet meer de oprechte, opofferende sacramentele liefde van God zichtbaar is, maar dat in ons lichaam onze transactionele natuur zichtbaar wordt, onze gerichtheid om onszelf en anderen te kopen en te verkopen, om mensen (onszelf incluis) te reduceren tot ‘alleen maar lichamen’, om te vragen ‘What’s in it for me’.
Als dat is wat zichtbaar is, tonen we niet het beeld van God, zoals we bedoeld waren, maar het beeld van de duivel, de gepersonifieerde transactionaliteit. “As a heterosexual man--the product of a long, long evolutionary history--I don't know how to look at my wife and not find her sexy”, schrijft Richard Beck op zijn blog experimental theology. “And I love how she, joyously, creatively, and artistically, surprises my gaze. I love the way my wife dresses. Does her hair. The whole thing. And yet, if I start to demand that she dresses a certain way. If I start to privilege my gaze--if anyone, in any sort of romantic context, heterosexual or otherwise, starts to privilege their gaze--we begin in that instance to conflate our gaze with power. When we begin to lord over our partners to indulge our visual appetites we are back to oppression.”
Wat is de oplossing voor dit dilemma? Een antwoord dat Richard Beck geeft is dat we offers moeten brengen. We moeten bereid zijn om af te zien van de vervulling van ons verlangen, als die afhankelijk is van iets dat anderen niet willen geven. De ander moet belangrijker voor ons zijn, en diens integriteit, dan onze eigen begeerte. Anders zijn we immers transactioneel. Anders zijn we 'entitled'. Dus we moeten offers brengen. Niet eisen, maar vragen en ‘nee’ kunnen accepteren. Het belang van de ander boven dat van onszelf stellen. Maar dit soort denken zou terug kunnen vallen in een afwijzen van onze verlangens en onze seksualiteit. Als we immers bereid moeten zijn er van af te zien, als we het moeten opofferen, kunnen we de verlangens immers maar beter helemaal opzij schuiven. Dan kunnen we ze maar beter als slecht bestempelen en onderdrukken. Dan weten we immers zeker dat we niet over een grens gaan, dat we het goed doen. En dan is het maar een kleine stap om te gaan geloven dat we door de offers die we brengen, aangenamer worden voor God. Dat hij wel heel blij met ons is als we zoveel voor de ander en voor hem over hebben. Dan zijn we terug bij het transactionele. Dit kan echter niet de oplossing zijn.
Gelukkig is er een derde weg, beweert Richard Beck, en daarvoor grijpt hij terug op de oosters orthodoxe theologie. “The object of love isn't the sacrifice of the gaze but the divinization of the gaze. No doubt, mortification may be a part of this process. But the goal isn't to repress and sacrifice the biological and erotic aspects of love but to have our bodies taken up and transformed by the love of God.” Dit is de oplossing. Niet het opgeven van het verlangen, maar de vrijheid van het verlangen. Als wij zijn gegrepen door de onvoorwaardelijke liefde van God, als we werkelijk zijn gaan geloven dat hij van ons houdt zoals we zijn, zoveel dat hij daar alles voor over had aan het kruis. Als we die liefde toelaten en accepteren, ons ervoor open stellen. Als we onszelf zien als geliefde kinderen van God, dan gaat dat in ons doorwerken. Dan verandert die wetenschap onze verlangens. Als inkt in een bloem wordt het zichtbaar in onze keuzes, en in onze relaties.

Het openstellen voor de liefde van God zal ertoe leiden dat we onszelf, compleet, zien als waardevol en betekenisvol. Dit is een proces van zelfaanvaarding. Geen afwijzing van delen van mezelf, maar mezelf accepteren. Dit is wie ik ben, en ik ben door God geliefd. Ik bedoel hier niet mee een goedpraten van de zondige, transactionele kanten van mijn verlangens en mijn keuzes. Die zijn nooit goed, omdat ze mijzelf, de ander en de wereld beschadigen. En God accepteert die ook niet. Liefde is volgens 1 Korintiers 13 immers niet blij met de ongerechtigheid. Maar dat is gerichtheid, niet kern. Het ik dat gericht is op zelfverrijking, of ‘voor wat hoort wat’, is door God geaccepteerd. Volledig. Ook als het op zichzelf gericht is. Maar die acceptatie ervaren, die tot je laten doordringen, daarin gaan leven, verandert je gerichtheid. Als je jezelf echt onvoorwaardelijk gaat accepteren, zoals God dat doet, ga je ook anderen zien in datzelfde licht: als belangrijk, waardevol, betekenisvol. Je ziet ze niet meer als bijfiguren in jouw verhaal. Je ziet ze als belangrijk in Gods verhaal. ‘Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld’ (2 Korintiers 5:16). Je gaat hen ook liefhebben, zoals God hen liefheeft.
Dit is volgens mij wat de bijbel bedoelt met de uitspraak: ‘Voor wie rein zijn, is alles rein’ (Titus 1:15). En: ‘Ieder die in Hem blijft, zondigt niet’ (1 Johannes 3:6)
En op deze manier werkt Gods liefde door, via ons. Want wij worden voor anderen een sacrament van Gods liefde, in ons wordt Gods acceptatie zichtbaar. Zodat anderen die kunnen accepteren, en zichzelf kunnen gaan zien als waardevol en betekenisvol, als sacramenten. En zo breidt de vernieuwing zich uit als een olievlek, of althans, zo zou het kunnen gaan. Het transactionele wereldbeeld, gebaseerd op de leugen dat we Gods acceptatie moeten verdienen, viert hoogtij. In onze wereld, in ons. Daarom dat wij met de schepping zuchten in afwachting van de ‘verlossing van ons sterfelijk bestaan’ (Romeinen 8:23). Wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is (1 Johannes 3:2). Wat in de toekomst volledig openbaar wordt, is nu echter in het verborgene al wel werkelijkheid. We zijn al nieuwe mensen! Daarom: ‘Ieder die dit vol vertrouwen van hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is’ (1 Johannes 3:3).

Ik vind dit hele principe prachtig in beeld gebracht in de recente Disneyfilm Frozen (die ik op mijn blog eerder ook heb besproken). In dat verhaal is koningin Elsa bang dat wat uit haar voortkomt niet goed is. Ze heeft er mensen mee beschadigt en probeert haar gave nu te onderdrukken. Ze accepteert zichzelf niet. En als haar gave door haar muur van bescherming heenbreekt, doet ze anderen pijn. Zelfs haar eigen zus. De enige manier die ze kan vinden om anderen geen pijn te doen, is door zich te isoleren. Helemaal alleen op een berg. Het heeft de vorm van vrijheid (geen regels), maar ze is niet vrij. Hoe ze zich ook aan het keurslijf ontvochten heeft, ze blijft van binnen overtuigd dat ze anderen pijn zal doen, en dat iets dat echt bij haar hoort gevaarlijk is en blijft.
Tot iemand zich voor haar opoffert. Iemand die ze eerst had afgewezen, die ze pijn had gedaan, die ze van zich had afgestoten. Zonder er twee keer over na te denken springt die persoon tussenbeide. Ze vraagt: ‘Waarom doe je zoiets?’. De ander antwoordt: ‘Uit liefde’. en dat verandert het hart van koningin Elsa. Het is haar hart dat bevroren was, en het is haar hart dat moet ontdooien. En als haar hart ontdooid is, kan ze niet alleen maar bevriezen, dan kan ze zelf ook de wereld om haar heen ontdooien. Ze kan nog steeds volledig zichzelf zijn, maar uit haar komen goede dingen voort, geen slechte. Een betere parabel voor het evangelie is volgens mij niet mogelijk.

vrijdag 10 januari 2014

Het sacrament en jij (3): een nieuwe gerichtheid

In biologieboekjes voor kinderen las ik ooit de beschrijving van een proefje dat je makkelijk thuis kunt uitvoeren. Het is heel simpel. Je hebt een witte bloem nodig, bijvoorbeeld een chrysant, die zet je in water. Vervolgens giet je blauwe inkt, bijvoorbeeld uit een vulpenvulling, in het water. Je laat de bloem staan. Even later is de bloem blauw geworden. Misschien zijn de punten van de bloemblaadjes nog wit, maar als je lang genoeg wacht verkleuren die ook. De inkt is via de steel opgezogen en is uiteindelijk via steeds kleinere capillairvaten terecht gekomen tot in het verste uiteinde van de bloem.
Het experiment leert de jonge onderzoekers iets over bloemen en planten, maar het laat volgens mij ook iets zien over de werking van God in de schepping, namelijk dat verandering begint van binnen en vervolgens naar buiten toe doorwerkt. De innerlijke verandering zal uiteindelijk aan de buitenkant zichtbaar worden, maar begint daar niet. Je zou kunnen zeggen dat wat binnenin is (het erfelijke materiaal, de kleurstof) wordt geopenbaard. Je zou kunnen zeggen dat de kleur aan de buitenkant het sacrament is van de inwendige verandering, namelijk van de inkt in het water.

Als God dit principe zo duidelijk in de biologische schepping heeft gelegd, is het mijns inziens redelijk te veronderstellen dat het wel eens breder zou kunnen gelden. Het zou zo maar eens kunnen dat het is hoe hij zelf actief is in zijn schepping: van binnenuit. Niet voor niets gebruikt Jezus is zijn gelijkenissen zoveel voorbeelden uit de biologie. Zaad dat onzichtbaar in de aarde gezaaid is, en zichtbaar wordt als het groen bovenkomt. Gist dat in brooddeeg verstopt is en zichtbaar wordt als het deeg rijst. Een wijnrank die vast moet blijven zitten aan de stam en dan vrucht zal dragen. De boom die je kunt herkennen aan de vrucht. Het is hetzelfde principe. De verandering waar God op aan stuurt volgens de gelijkenissen is niet een cosmetische verandering, een verandering van het uiterlijk, van het gedrag. Het gaat hem er helemaal niet om hoe we ons gedragen, of we wel genoeg ons best doen, of we er wel uitzien als het ideaalbeeld. Kijk naar wat Jezus de Farizeeën verwijt. Hij zegt tegen ze dat ze wel de buitenkant van de beker schoonmaken, maar niet de binnenkant. Dat ze witgekalkte graven zijn. Van buiten mooi schoongemaakt, maar van binnen vol dood en verderf. (Matteus 23) Ze gaven wel tienden van de tuinkruiden aan de tempel, maar in hun hart werden ze gekenmerkt door trots en hebzucht. Het was alleen nog niet openbaar geworden. Dat zou gebeuren rond de kruisiging van Jezus, toen voor iedereen zichtbaar werd wat er belangrijk was voor deze mensen. Wat binnen in hen was, kwam toen naar buiten, volgens het principe van de schepping, van Gods werkelijkheid.
De religieuze wereld van Jezus’ tijd functioneerde rond het uitgangspunt dat het draaide om het aanpassen van gedrag: je werd rein door bepaald gedrag te vertonen, en door ander gedrag werd je onrein, bijvoorbeeld door de verkeerde dingen te eten of de verkeerde mensen aan te raken. Jezus rekent met die manier van denken af: ‘Zien jullie niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt hem onrein kan maken ... Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen komen slechte gedachten ...’ (Marcus 7:18,21). Mensen worden niet onrein omdat ze zich op een verkeerde manier gedragen. Ze gedragen zich verkeerd omdat hun hart, hun spirituele DNA, onrein is. Maar het geldt dus ook andersom. Als je hart goed is, als je spirituele DNA in orde is, zal dat ook in je gedrag zichtbaar worden, zal dat geopenbaard worden in je manier van leven. Dat is waarom Jacobus kan stellen dat geloof dat zich niet daadwerkelijk bewijst, dood is (Jakobus 2:17v). Het geloof dat uiteindelijk niet iemands leven verandert, was kennelijk iets dat zich alleen aan de buitenkant bevond, zoals de gehoorzaamheid van de Farizeeën. Het was niet iets binnenin het hart, iets dat als vanzelf naar de buitenkant doordrong. Het was een vernislaagje, meer niet. Als iemands hart werkelijk door het geloof vernieuwd is, kan het niet anders of dat heeft gevolgen. Het nieuwe leven is als bruisend, stromend water, dat in ons hart ‘een bron wordt waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft’ (Jh4:14; 7:38). Het borrelt over, en komt naar buiten via onze woorden, ons gedrag, ons lichaam.

Dit wil zeggen dat wat van ons aan de buitenkant zichtbaar is, niet van zichzelf ‘slecht’ is. Ons lichaam is niet onherroepelijk verdorven. De ‘oude natuur’ staat niet gelijk aan onze lichamelijke verlangens, de wensen van ons lichaam, waarmee we zijn geboren. De oude mens afleggen is niet ophouden mens te zijn en je menselijke kant ontkennen. Het verschil tussen de oude mens en de nieuwe mens, tussen de wereld en het koninkrijk van God, is niet dat tussen geestelijk en lichamelijk, tussen materieel en immaterieel. Het is een kwestie van gerichtheid. Onze wil, ons verstand, onze creativiteit, onze seksualiteit waren nooit slecht in zichzelf. Het was hun gerichtheid, waarmee iets mis was. Je kunt het vergelijken met een kompasnaald, die onder invloed van een elektrische stroom niet langer meer naar het Noorden wijst, maar naar het Zuiden. Het is echter niet de kompasnaald zelf, maar de richting ervan, die het probleem veroorzaakt.
Wat de gerichtheid is die leidt tot de desintegratie van het lichaam, die leidt tot het toebrengen van pijn en vernedering aan andere mensen, die leidt tot de dood, heb ik beschreven in het vorige deel van deze serie. Het is het transactionele denken dat het lichaam en andere mensen reduceert tot handelswaren, als lappen vlees waarmee kan worden betaald, of die zelf kunnen worden gekocht en verkocht. Bij de verleiding in de hof van Eden beschuldigde Satan God ervan transactioneel te zijn en stelde de slang zelf een transactie voor: ‘zodra je daarvan eet, zullen jullie als goden zijn en kennis hebben van goed en kwaad’. Let op het ‘als ... dan’, het ‘voor wat, hoort wat’. Daarvoor te kiezen veranderde de gerichtheid van de mens, en werkte direct door in hoe de mens zijn eigen lichaam zag: als een bron van schaamte. En de mens en zijn kinderen gingen vervolgens ook transactioneel met God om. Kain dacht dat het feit dat hij offerde God aan hem verplichte. En hij vond het oneerlijk dat God zich niets van zijn offer aantrok. Tegelijk zag hij zijn broer Abel niet als inherent waardevol, als beschermwaardig puur vanwege het feit van zijn bestaan. Hij zag Abel alleen als concurrent om de gunst van God, en vond zichzelf dus in zijn recht staan als hij hem doodde. Hij dacht dat het leven wat Gods gunst betrof een ‘zero sum game’ was en wilde tegen elke prijs de winnaar zijn. Transactioneel denken leidt tot de dood. ‘Door een enkel mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen’ (Romeinen 5:12). De besmetting spreidt zich uit, van individuele mensen naar de hele wereld. Want mensen die door anderen op transactionele wijze zijn behandeld, gaan de wereld ook transactioneel zien. Uiteindelijk wijst ieders kompas de verkeerde kant op.

Met de naald zelf is echter niets mis. Dat betekent dat om deze situatie te herstellen, om mensen uit de desintegratie van het transactionele leven te verlossen, niet de naald verwijderd hoeft te worden, of vervangen hoeft te worden, maar dat de naald weer de goede richting op gezet moet worden. Net zo hoeven wij onze wil, ons verstand, onze creativiteit of onze seksualiteit niet af te leggen. Ze horen bij ons. De verandering in ons leven begint niet op dat niveau, maar veel dieper. Op dezelfde plek waar we de wereld gingen zien in transactionele termen, moeten we weer in staat worden gesteld om onvoorwaardelijk lief te hebben, om andere mensen en de wereld te zien als inherent waardevol en respect en bescherming waardig. Daar gingen we aan twijfelen door de woorden van de slang, die suggereerde dat God iets voor mensen achterhield, en hen klein wilde houden. Die twijfel kan alleen veranderen, als God ons voor eens en altijd laat zien dat hij echt, onverdeeld, onbetwijfelbaar liefde is, en ons allemaal, individueel liefheeft met een ondeelbare, onvoorwaardelijke liefde. Liefde die ons niet alleen maar tolereert, of die onverschillig is voor onze tekortkomingen. Liefde die niet iets terug wil in ruil voor de liefde, die niet zich laat voorstaan op de eigen offervaardigheid. Liefde die het beste zoekt voor ons, en ons maakt tot de personen zoals we altijd al bedoeld waren. Scheppende liefde.
Het enige dat God doet is die actieve liefde aan ons te laten zien, die liefde openbaren. Hij maakt zijn werkelijke natuur voor ons zichtbaar. Zichtbaar voor onze zintuigen. Zichtbaar in de materie. Dit gebeurde in de incarnatie, toen God mens werd. Jezus zei: ‘Wie mij heeft gezien, heeft de vader gezien’ (Johannes 14:7). Johannes zei: ‘Wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is’ (1 Johannes 1:1). In de mens Jezus Christus was de liefde van de Vader zichtbaar geworden. In de manier waarop hij omging met hoeren en tollenaars (en met Farizeeën), in zijn woorden en zijn wonderen, maar ook in zijn dood en in zijn opstanding. Het leven was geopenbaard (1 Johannes 1:2). Jezus was in al zijn aspecten, in zijn leven, zijn dood en zijn opstanding, een sacrament. In hem was de waarheid van Gods liefde zichtbaar geworden, zodat nooit iemand daaraan kan twijfelen. En dit teken laat dus zien dat God ons op dezelfde manier liefheeft. God heeft ons lief zoals Jezus anderen liefhad. Maar vooral: God heeft ons lief, zoals Hij Jezus liefhad (Johannes 17:23).
Dezelfde scheppende liefde, waarmee hij Jezus opwekte uit de dood, is de liefde waarmee Hij ons liefheeft. Als we dat werkelijk toelaten, als we die liefde zijn gang laten gaan in ons hart, zonder al die transactionele bezwaren (voor wat hoort wat ... goedkope genade et cetera), verandert er bij ons iets van binnen. We zien opeens dat de liefde van God geen ‘zero sum game’ is, maar steeds toeneemt, en nooit opraakt. We zien opeens dat we daarom niet meer onszelf hoeven bewijzen. Dat we niet meer bang hoeven zijn voor onze duistere kanten, onze tekortkomingen en ons falen. Maar ook dat we ons niet meer hoeven laten voorstaan op onze prestaties. We leren dat me niet meer ‘entitled’ kunnen zijn, of ook maar ergens recht op hebben. We rusten in het feit dat we geliefd zijn. En de wetenschap dat we geliefd zijn, zal van binnen naar buiten in ons doorwerken. Dit is namelijk hoe God ons oorspronkelijk bedoeld had, en als vanzelf zullen alle verlangens en talenten en zintuigen zich naar deze gerichtheid voegen. Onze nieuwe gerichtheid zal zichtbaar worden in wat we willen, waarover we denken, wat we scheppen en hoe we liefhebben. We zullen onze transactionele spelletjes meer en meer opgeven, en anderen zien als respect waardig. We zullen de wereld niet meer uitbuiten en de schepping willen beschermen.
Kortom, we zijn geïntegreerd geraakt: we verdelen onszelf niet meer in delen die we moeten afwijzen, of waarmee we geestelijk gezien handel kunnen drijven (ons lichaam, onze ziel). We zijn weer een eenheid, een compleet persoon, die door God geliefd is als individu. En we reduceren ook anderen niet meer tot ‘slechts lichamen’, tot minder dan mensen. We zien geen verschil meer in waarde tussen mannen en vrouwen, slaven en vrijen, Joden en heidenen (vgl. Galaten 3:28). We hoeven immers van niemand meer iets te krijgen. We zijn, hoe we ook van elkaar verschillen, ‘een lichaam’ geworden (1Korintiers 12:13). Het is het lichaam van Christus. Dat wil zeggen: in ons wordt het leven van Jezus zichtbaar. We zijn zelf ook (collectief en individueel) sacramenten geworden - tekenen van de liefde van God. Wie ons ziet, heeft de liefde van God gezien. Dit is wat het betekent dat Christus in ons hart woning heeft gemaakt (Efeze 3:17). We zijn een nieuwe schepping geworden, het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden (2 Korintiers 5:17). En het lichaam van Christus, het sacrament waarin hij zichtbaar wordt, verandert de wereld. In ons en voor ons en door ons heen krijgt het koninkrijk van God gestalte, de samenleving die gekenmerkt wordt door zijn liefde (vgl Kolossenzen 1:16).

Maar wat de liefde van God doet is niet alleen ons aardig maken, voor onszelf en andere mensen. De liefde van God is een scheppende liefde. Het is de liefde van God die ooit de wereld ten aanschijn riep. Die als een duif op de wateren broedde en het leven schiep. Het is de liefde van God die ook nu elk leven schept. Die ons ‘leven en adem en al het andere geeft’ (Handelingen 17:25). God grijpt niet van buitenaf in de schepping in, alsof hij in een grote viskom graait. God onderhoudt de schepping voortdurend “door het woord van zijn kracht” (Hebreeen 1:3). Hij is niet op te houden met scheppen, zodat de wereld nu als een machine op zichzelf draait, maar alles wat wij om ons heen zien gebeuren is het scheppende werk van God. De aarde draait niet uit zichzelf om de zon, het is het werk van God. Dat het regent is niet het automatisch gevolg van natuurwetten, maar is een handeling van God. God is als het ware in de schepping aanwezig als levenbrengende kracht, die alles in beweging houdt. En net zo was God door zijn liefde aanwezig in Jezus, toen hij dood in het graf lag. En die liefde was een scheppende kracht, en gaf Jezus zijn leven terug. En meer dan dat: een opstandingslichaam. Liefde herstelt niet alleen maar, maar schept. Liefde geeft betekenis. En als God dat doet, geeft liefde daadwerkelijk bestaan. Dat Gods liefde dit tot stand bracht in Jezus, is een teken dat hij hetzelfde wil doen voor ons. Jezus heeft zich namelijk met ons geïdentificeerd. Nu worden wij met hem geïdentificeerd. Hij was de eersteling van hen die ontslapen zijn (1 Korintiers 15:20). Omdat hij is opgestaan, is de hele mensheid, die in hem begrepen is, samen met hem uit de dood opgestaan en met hem gezeten in de hemelse gewesten (Efeziers 2:6).
Dit is al waar, maar het is alleen nog niet zichtbaar geworden. Maar ook wij zullen worden veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Korintiers 3:18). Ons materiële lichaam zal de eigenschappen van de nieuwe gerichtheid vertonen, we worden vernieuwd ‘naar het beeld van onze schepper’ (Kolossenzen 3:10). We zullen ook wat ons lichaam betreft op Jezus lijken, tot in de kleinste cel. Niets zal verloren gaan, of minder waard blijken te zijn. Daarom kan de bijbel zeggen: ‘Christus is in u, hij is uw hoop op goddelijke luister’ (Kolossenzen 1:27). En ook deze materiële vernieuwing eindigt niet bij ons, maar zet zich door: de hele schepping zucht nu nog ‘als in barensweeën’ en ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn (Romeinen 8:19). Dan zal de heerlijkheid van God de aarde vervullen, zoals de wateren de zee. God heeft beloofd dat hij alle dingen nieuw zal maken (Openbaring 21:5). De vernieuwing hoeft alleen nog zichtbaar te worden.
Het enige dat van ons verwacht wordt, is dat wij het zichtbaar worden van God in ons leven en in de schepping niet in de weg staan, dat wij geen dam opbouwen voor het levende water. Het enige dat van ons verwacht wordt, is dat wij zijn als Jezus. Niet in alle dingen die hij deed, niet in zijn activiteit. Zijn activiteit kwam namelijk voort uit een houding van ontvangen. Hij deed wat hij de vader zag doen. Hij deed niets uit zichzelf (Johannes 5:19). We hoeven dus alleen maar gelijk worden aan Jezus in zijn dood (Filippenzen 3:10). Want: pas ‘als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding’ (Rm6:5). We hoeven alleen maar te worden zoals de aarde was voorafgaande aan Gods scheppingswerk: woest en ledig. Er hoeft alleen maar ruimte in ons te zijn voor de Geest om in ons te broeden. Anders gezegd: er hoeft alleen maar ruimte in ons te zijn om de liefde van God voor ons, zijn scheppende woord, te ontvangen. Om het in ons te laten werken. We worden opgeroepen te zijn als Maria, die zich voor de scheppende geest openstelde, door te zeggen: ‘Laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd’ (Lucas 1:38). We worden opgeroepen te zijn als de aarde in de gelijkenis van Jezus. Niet de harde grond, niet het stuk begroeid met dorens en distels, maar de ontvankelijke aarde, die het zaad in zich opnam, zodat het kon groeien en vrucht dragen. ‘You cannot be partly pregnant’, schrijft Peter Kreeft in ‘Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask’, “Ever since Heaven came to earth in mary’s womb, there have been only two choices: spiritual pregnancy, or spiritual barrenness. Heaven begins now, and so does Hell.”

Is het makkelijk zo ontvankelijk te zijn? Is het makkelijk het transactionele denken op te geven en erop te vertrouwen dat God zichzelf in mij en door mij zichtbaar zal maken? Ik geloof van niet. Maar ik geloof wel dat het goed nieuws is. Nieuws dat ons complete mensen maakt, en ervoor zorgt dat we de wereld en andere mensen gaan zien als inherent waardevol, omdat ook in hen Gods liefde te vinden is. In de komende twee berichten wil ik uitwerken welke gevolgen dit sacramentele wereldbeeld kan hebben voor ons beeld van de wereld en van onszelf!

donderdag 8 augustus 2013

Mijn favoriete boeken (2): 15 tot 6

Verder met mijn top 25 van boeken, fictie en non-fictie, een natuurlijk volledig persoonlijke lijst gebaseerd op mijn eigen smaak en voorkeur. Dat maakt het net als bij de top 25 van films die ik vorige week plaatste erg interessant om te kijken of er rode lijnen zijn aan te wijzen in de boeken die mij sterk aanspreken of waarnaar ik vaak terug grijp (of hoop terug te grijpen). En ik begin die rode draden wel te ontwaren. Zo gaan veel van deze boeken over de overweldigende schoonheid en avontuurlijkheid van onze wereld (of van andere werelden - en dus over de onze, want Chesterton zou zeggen dat we lezen dat bladeren in sprookjes zwart zijn, zodat we ons erover te verwonderen dat ze in onze wereld groen zijn) en de betekenis van ons verlangen daarnaar. En daar tussendoor is een waarschuwende draad verweven, die wijst op de menselijke natuur die in de woorden van Lewis, eerder te weinig verlangt dan te veel, en in een modderpoel blijft zitten zandtaarten bakken terwijl hem een reis naar het strand is aangeboden.

15    The Complete Sherlock Holmes (Arthur Conan Doyle)
De verhalen over de meesterdetective (technisch gezien niet de eerste, maar wel de meest iconische) heb ik als kind meerdere malen verslonden. Maar anders dan bijvoorbeeld de boeken van Agatha Christie verliezen ze niet hun fascinatie als je weet hoe ze aflopen. Dat lijkt soms eerder een bijkomstigheid. De kracht ligt in de beeldende schrijfstijl, die ook meer dan honderd jaar na dato heerlijk weg leest en een soms beklemmend beeld van het victoriaanse Engeland oproept. Verder zijn er de goed verzonnen mysteries, met een zweem van het bovennatuurlijke en mystieke, waar altijd een rationele verklaring voor is (interessant, omdat Conan Doyle zelf wel in elfjes en waarzeggerij geloofde). En vooral de karakters, de sympathieke, bewogen dokter Watson, en de scherpzinnige, opmerkzame Sherlock Holmes, die lijkt te leven voor zijn werk, steeds op zoek is naar afleiding, maar als Watson in gevaar is, niet zonder zijn vriend blijkt te kunnen. Zijn voorbeelden van deductie zijn niet altijd even logisch, maar als je ze leest wel geloofwaardig, en hij bevat mooie innerlijke tegenstellingen.
Wie de verhalen heeft gelezen denkt Holmes echt te kennen. Vandaar dat er ook na de dood van Conan Doyle nog zo veel verhalen over de meesterdetective zijn geschreven, maar geen daarvan heeft hetzelfde niveau weten te bereiken. De verhalen van Conan Doyle over professor Challenger zijn ook geweldig. Opnieuw een intrigerend karakter, die een weg baant door een bijzondere wereld, in beeldende stijl opgeschreven. Ze zullen op mijn favorietenlijstje blijven staan.

14     Earthsea (Ursula LeGuin)
Op deze lijst ontbreken de boeken over Harry Potter, hoewel ik die erg leuk vond om te lezen en ook ga herlezen. Maar J.K. Rowling was niet de eerste die schreef over een school voor magie. En zij schreef beter, met een beter uitgedacht systeem van magie, in een fantastische wereld, met een donker karakter als hoofdpersoon, en een bedreiging niet van buitenaf maar van binnenuit de hoofdpersoon. De strijd van Ged met zijn schaduw, en de manier waarop hij zich (als was het de strijd tussen Scott Pilgrim en ‘Nega-Scott’) met zichzelf moet verzoenen waren voor mij in elk geval heel herkenbaar. Het is ook nog eens een behoorlijk dun boek, dat verscheen voordat fantasy in de jaren tachtig van de vorige eeuw opeens populair werd en lange series van boeken van duizend pagina’s de norm werden. Dit boek werd niet geschreven om op die populariteit mee te liften, maar omdat de auteur daadwerkelijk iets te zeggen had dat alleen op deze manier kon worden weergegeven. De vervolgdelen zijn ook erg goed, behandelen elk een ander thema, soms opvallend en verfrissend feministisch, en hebben een duidelijke metafysische laag. Goed om rustig te lezen en over na te denken.

13    Byzantium (Stephen Lawhead)
Schrijft Stephen Lawhead christelijke fantasy?, wilde een lezer weten. Op zijn website antwoordde Lawhead: ‘Ik ben christen. Ik ben schrijver. Soms schrijf ik fantasy.’ Die uitspraak is me altijd uitgebleven en die ben ik ook zelf gaan toepassen. Ik schrijf geen ‘christelijke fantasy’, maar ik schrijf zo goed als ik kan, en in wat ik schrijf zullen de thema’s die me bezig houden vanzelf een plek krijgen. Byzantium kreeg ik aangeraden van iemand op de studentenvereniging waar ik lid van was. Ik weet nog steeds als de dag van gisteren hoe ik op een maandag het boek in een dag uitlas. Ik las tijdens het ontbijt, tijdens de lunch, tijdens het avondeten, tot laat in de avond. Het liet me niet los en maakte me fan van Lawhead.
Dit boek heb ik sindsdien nog twee keer gelezen. Het is het verhaal van een Ierse monnik die met zijn collega’s rond het jaar 800 op weg gaat naar Byzantium om aan de keizer een kunstig versierd manuscript (‘The book of kells’) aan te bieden. Hun schip word onderweg echter aangevallen door Noorse rovers en Aidan wordt gevangengenomen. Hij is daar eigenlijk blij mee, want hij heeft in een droom gezien dat hij in Byzantium aan zijn eind zal komen. Dan blijkt dat de Vikingen een plundertocht naar Byzantium organiseren en hij mee zal moeten als vertaler. Geconfronteerd met zijn lot begint hij aan zijn geloof te twijfelen. Lawhead weet andere culturen levendig te beschrijven en laat je met zijn hoofdpersoon meeleven. Zijn schrijfstijl is behoorlijk fysiek (maaltijden doen me likkebaarden, maar zijn martelscenes ...), en hij geeft een enorme spanning mee aan het verhaal. Thema’s die met het christelijk geloof te maken hebben zijn behoorlijk organisch door het verhaal geweven, vooral beïnvloed door Keltische spiritualiteit. Ik kijk nog steeds uit naar nieuwe boeken van Lawhead. Zijn ‘Celtic Crusades’-serie is erg goed, zijn SF-verhalen zijn wat minder, vind ik zelf.

12    Crime and Punishment (Fyodor Dostoyevsky)
Na jaren een literair dieet te hebben genuttigd dat vooral bestond uit SF en fantasy en theologische boeken, ben ik door de goede invloed van mijn verloofde op het spoor gebracht van de boeken uit de negentiende eeuw. Ik was al langer gefascineerd door Dostoyevsky en heb nu al meerdere boeken van hem verslonden. Deze vind ik tot nu toe de beste (vooral omdat The Brothers Karamazov duidelijk aanstuurde op een vervolg, dat nooit is geschreven). Het is niet altijd makkelijk te lezen, maar wel op een grimmige manier boeiend.
De lezer krijgt hetzelfde koortsachtige gevoel als de hoofdpersoon, een student in Sint Petersburg, die wil bewijzen dat hij een groots man is als Napoleon. Zo iemand laat zich niet leiden door dezelfde morele waarden als gewone mensen, denkt hij, en dus pleegt hij een moord. Maar hij is geen Napoleon, en krijgt gewetenswroeging. Terwijl de vertegenwoordigers van de wet hem steeds dichter op het spoor komen, krijgt hij contact met een meisje dat nog iets goeds in hem ziet, en gelooft dat hij kan veranderen. Hijzelf denkt echter dat geen verlossing meer mogelijk is. Dostoyevsky ontsnapte zelf op het nippertje aan het vuurpeleton en wist sindsdien aangrijpend te schrijven over thema’s als genade en verlossing, zonder zich te vergissen in de menselijke neiging zichzelf voor de gek te houden. Ook in dit boek geeft hij uiteindelijk een prachtig beeld van de onvoorwaardelijke liefde van God, uit de mond van een onverbeterlijke dronkaard. Het is een boek dat ik nog vaker zal lezen en tot me door zal laten dringen, net als The Idiot en The Brothers Karamazov. Ook de boeken van Tolstoy staan nog op mijn ‘leeslijstje’.

11    The Divine Conspiracy (Dallas Willard)
Theologische werken lees ik eigenlijk niet vaak meerdere malen, vooral omdat ze niet vaak ‘literair’ zijn geschreven. Als je het idee eenmaal hebt eigen gemaakt dat de schrijver wil overbrengen, kunnen ze in de kast blijven staan. The Divine Conspiracy heb ik echter twee keer doorgenomen, en zal ik vaker ter hand nemen. Het is namelijk een rijk werk, filosofisch goed onderbouwd, doorspekt met voorbeelden die tot de verbeelding spreken en verfrissend direct in de kritiek op geaccepteerde ‘evangelische’ verwoordingen van het christelijk geloof, die ondanks de naam van de beweging weinig met het goede nieuws van doen hebben.
Volgens Willard zijn we vergeten dat Jezus een leraar was, die zijn hoorders een nieuwe wereld voorspiegelde waar ze naar zouden verlangen. Deze wereld is de beste wereld die mogelijk is. De Bergrede is geen wettisch document dat ons als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt, maar een uitnodigende beschrijving van het leven dat voor ons bedoeld is. En het goede nieuws is dat we door Jezus zijn binnengebracht in dit koninkrijk en kunnen gaan leven op de manier die daarbij hoort. Daar zorgt Jezus zelf voor, in ons en door ons heen. Dit heeft niets te maken met ‘zondemanagement’, maar met verlangen. Centraal daarbij staat het geloof dat God en zijn bedoelingen met ons werkelijk goed zijn - iets wat christenen wel eens lijken te vergeten. Dit zou niet zo ‘mind blowing’ moeten zijn, maar is het wel. Wat als we dit nu eens als uitgangspunt zouden nemen voor al ons denken? Zouden we dan niet enthousiast worden van Jezus en het leven dat hij beschrijft? Dat effect heeft dit boek in elk geval wel op mij.

10    Lord Foul’s Bane (Stephen Donaldson)
Dit was een van de eerste fantasyboeken die populair werd in het kielzog van de werken van Tolkien (de andere was The Sword of Shannarah, een zwak aftreksel van Tolkiens verhaal, zonder duidelijke eigen thema’s, eigenlijk niet meer dan flauwe fan-fictie), maar liet tegelijk zien welke andere mogelijkheden het genre bood dan de standaard queeste en strijd tussen goed en kwaad. Helaas leidde het niet tot de diversiteit van fantasyverhalen die mogelijk was geweest en bleven veel auteurs meer Terry Brooks navolgen.
 De vernieuwing van Stephen Donaldson was te kiezen voor een hoofdpersoon die niet gelooft in de andere wereld waarin hij is terecht gekomen. Het land is prachtig, vol bijna tastbare schoonheid en goedheid, vol moedige, sterke karakters (Mohram en Foamfollower staan me bij), maar Thomas Covenant blijft volhouden dat hij droomt. Doet hij dat niet, dan zal hij zijn rigide discipline laten varen, en dat is het enige dat hem in de echte wereld in leven houdt. Hij leidt namelijk aan lepra. Maar een nog veel groter probleem waar hij mee worstelt is zijn zelf-afwijzing. En die wordt weerspiegeld in de macht van Lord Foul die het land bedreigt. Covenant wordt aangezien voor de reïncarnatie van Lord Kevin Halfhand, maar hij wil die verantwoordelijkheid niet op zich nemen. En daarmee lijkt hij net als Kevin uit te sturen op de verwoesting van de wereld. Een aangrijpende, emotionele schrijfstijl die je zelfs met een op het eerste gezicht onsympathieke hoofdpersoon doet meeleven, vol heldhaftige momenten en een plot dat uiteindelijk draait om zelfacceptatie. Dit is een boek waar ik steeds opnieuw naar zal terugkeren. De latere boeken in deze serie worden wat complex en minder makkelijk te volgen, maar weten wel steeds mijn hart te beroeren. Donaldson maakt het zijn personages niet makkelijk, maar hij voelt wel voor ze.

9    Lord of the Flies (William Golding)
Ik las dit boek voor het eerst op de middelbare school voor mijn Engelse lijst, en het is een van de weinige boeken van die lijst die ik later nog een keer heb gelezen, met veel plezier (hoewel ‘plezier’ niet echt het juiste woord is). Ik was al fan van ‘overlevingsverhalen’ in de trend van Robinson Crusoe, over mensen die op onbewoonde eilanden een nieuw bestaan opbouwen. En Golding volgt het patroon van deze verhalen door te laten zien hoe de jongens die met het vliegtuig op hun eiland zijn neergestort proberen in leven te blijven.
Maar waar andere Crusoenades uitgaan van een positief mensbeeld (als we maar de kans kregen overnieuw te beginnen, zouden we het vast beter doen), weet Golding dat we ook op een onbewoond eiland niet aan onszelf kunnen ontsnappen. Juist niet, want wat ons nu beschaaft houdt is de beschaving. Als die wegvalt blijven krachten over die we niet onder controle hebben. Dezelfde drijfveren die in de volwassen wereld leiden tot vooroordelen, onderdrukking, oorlog en uiteindelijk vernietiging van de leefomgeving, doen dat op dit eiland ook. Het schijnbare ‘happy end’ waarbij Ralph gevonden wordt door een officier van een oorlogsschip is dus niet zo gelukkig als het lijkt. En zoals de kinderen op het eiland niet luisterden naar de profetieën van Simon en de wijsheid van Piggy, luisteren de mensen nu ook niet naar wetenschappers die waarschuwen voor klimaatverandering en tekort aan grondstoffen, of religieuze leiders die oproepen tot tolerantie en vergeving. De verlossing kan niet van binnenuit komen, is wat Golding wil zeggen. Waar die boodschap dan wel vandaan komt, zegt hij niet, maar daar zijn dan weer glimpjes van op te vangen in andere boeken op deze lijst.

8    Surprised by Hope (N.T. Wright)
Soms denk je het ene te geloven, maar komen je daadwerkelijke overtuigingen nog overeen met iets heel anders. Zo was het met mij wat betreft mijn toekomstverwachting. Ik dacht dat ik geloofde in de opstanding en dat ik voldoende waarde hechtte aan het lichamelijke, het materiële aspect van het mens-zijn. Maar dit boek van Tom Wright verloste me van mijn illusie. In de praktijk hield ik toch vast aan beelden van een hemel ver weg van de Aarde en een bestaan als lichaamsloze ziel in een immateriële werkelijkheid. Dat is niet de toekomst die Jezus predikte en die zijn volgelingen verwachtten.
Ze verwachtten de toekomst waar de profeten al over predikten, namelijk het herstel van alle dingen, een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, en de opstanding van het lichaam. Deze verwachting werd bevestigd door de opstanding van Jezus, die nadat hij het graf verliet nog steeds mens was en lichamelijk (het graf was leeg), maar tegelijk meer (hij kon door een muur heen lopen). Dit is een vooruitblik op de verlossing van zowel de Aarde als van ons als individuen. We willen niet ontkleed worden, zegt Paulus als, maar overkleed. We zullen ook in de toekomst volledig mens zijn, op een wereld die werkelijk mooi is, goed, en vol echte relaties. Deze wereld, maar dan zoals God die altijd al bedoeld heeft. En nu mogen we met dat visioen voor ogen zelf al kleine voorafschaduwingen van die wereld zichtbaar maken in ons leven, individueel en als christelijke gemeenschappen. Tom Wright heeft een prettige schrijfstijl, hij blaast niet hoog van de toren, maar weet juist door zijn bescheidenheid onder je huid te kruipen en je anders naar je levensbeschouwing te laten kijken. Erg aangeraden en een boek dat ik regelmatig herlees.

7    Fahrenheit 451 (Ray Bradbury)
Sciencefiction heeft vaak een waarschuwende rol. Schrijvers trekken ontwikkelen uit de technologie (of ook de filosofie) door, soms tot in het absurde en laten de gevolgen zien. Techniek en wetenschap zijn namelijk niet waardevrij. Ik had het er laatst over met een vriend dat het bedrijven zijn die de richting van onze maatschappij bepalen. Waren er echt zoveel mensen die om Twitter vroegen? Om Smartphones? Om Google Glass? Of ontstond de vraag daarnaar omdat het werd aangeboden? Werd de vraag gecreëerd omdat bedrijven winst wilden maken? Ik heb zelf een iPhone, maar ben me ook bewust van de nadelen. Bijvoorbeeld het feit dat ik door al het twitteren en facebooken me al moeilijker lange tijd op complexe teksten kan concentreren. Ik weet eigenlijk dat ik nooit meer in een dag een boek van 900 pagina’s zal lezen, zoals ik dat deed met Byzantium. Hebben we als maatschappij voor die ontwikkeling gekozen, omdat we die het beste pad voor de mensheid vonden, of is die ons opgedrongen?
Ray Bradbury had een vooruitziende blik, want in dit boekje beschrijft hij een wereld waar mensen voortdurend zijn omgeven door televisieschermen vol inhoudsloos vermaak. Daardoor kunnen ze makkelijk onder controle worden gehouden. Boeken zijn verboden en worden verbrand door ‘brandweermannen’. Een van hen begint echter te lezen, en ontdekt een nieuwe wereld, van echt contact met mensen in plaats van een vlucht in ‘soundbites’. Een toekomstbeeld dat me op een goede manier angst bezorgde en nooit actueler dan nu. Ik hoop dan ook dat een tegenbeweging op gang komt, waarbij de digitale wereld wordt gebruikt om werkelijk contact te versterken, waar diepgang niet langer verloren gaat, maar de ‘Shallows’ (om te refereren aan een boek over de gevolgen van het internet voor ons concentratievermogen) juist worden uitgediept om plaats te maken voor stromen levensbrengend water.
Andere interessante dystopieen zijn natuurlijk 1984, en Brave New World.

6    Duncton Quest (William Horwood)
Boeken die bij mij de tranen in de ogen doen springen, zijn er niet zo veel. Maar dit boek, de tweede in de serie ‘The Duncton Chronicles’, bezorgde me een brok in de keel en maakte mijn ogen vochtig. En daarmee verdient het een plek hoog in mijn persoonlijke boeken top 25. Opnieuw een boek van een emotionele schrijver, die voelt voor zijn karakters, maar niet aarzelt ze moeilijke dingen te laten meemaken. Hoewel het om mollen gaat, een humanistisch werk dat de breedte van het menselijke bestaan bevat. Intrigerend genoeg was de auteur tijdens het schrijven van het eerste boek christen, maar was hij teleurgesteld in de kerk (helaas herkenbaar) en kwam hij uiteindelijk uit bij het boeddhisme (dit is vooral in de tweede Duncton-trilogie merkbaar, en leidt tot een onpersoonlijk makende onthechting, die in mijn ogen minder positief is).
In het onderhavige boek is zijn onvrede met de kerk al merkbaar als een groep mollen met een strenge leer de godsdienst van de ‘Boeken van de Stilte’ wil onderdrukken. Een groep mollen rond de moedige Tryfan wil ze tot staan brengen. Daartoe gaan ze op zoek naar de geprofeteerde ‘Stone mole’. Ze vormen een gemeenschap gekenmerkt door onvoorwaardelijke liefde en opoffering. Zo’n gemeenschap leidt tot genezing en uiteindelijk tot verlossing. Zelfs van de meest kwaadaardige onder de mollen. Dit boek is een kruising van The Lord of the Rings en Waterschapsheuvel, maar dan vreemd genoeg menselijker dan beide. Ik heb ze al vaker herlezen en zal dat tijdens mijn leven blijven doen. Mayweed (het karakter om wie ik mijn tranen liet) zal altijd een plek in mijn hart houden. Als er voor hem een plek is waar hij geaccepteerd wordt, kan ook ik daarop blijven hopen.

vrijdag 19 juli 2013

Gedicht: De wereld roept

De wereld roept

De wereld roept,
met miljoenen
stemmen luid,
mij uit mezelf,
de ogen open,
wijd gesperd,
door er te zijn.
Niet afgezaagd
maar elke morgen
nieuw. Wind waait
waarheen hij wil.
Maar ook niet hip
en volgt geen trends,
bestaat gewoon,
dringt zich niet op,
nodigt kwetsbaar
uit. Ik ben
geen machine
maar mens en leef
in dit heelal,
zelf geschapen,
en zie de hand
die maakt en wenkt.
Ik kom tot rust,
wacht als de bloem,
de vogels af
het Koninkrijk.

zondag 27 januari 2013

Filmbespreking: The Impossible

Ik heb geen TV thuis. Ik bedoel: het apparaat heb ik wel, anders zou ik geen DVD’s en blu-rays kunnen kijken en geen computerspellen kunnen spelen, maar ik kijk er geen TV op. Nooit gedaan. Dat heeft als voordeel dat ik niet in de verleiding kom om een hele avond gedachteloos te zappen om uiteindelijk te realiseren dat ik twee saaie spelletjes gezien heb en een halve aflevering van een serie die me toch niet zo boeide. En dat naast talloze reclames voor wasmiddel en sterke drank. Maar het nadeel is dat ik sommige dingen niet zelf zie. Over de vloedgolf van kerst 2004 las ik alleen in de krant. Dat was natuurlijk al indrukwekkend genoeg. En ik zag de satellietfoto’s die toonden hoe de kustlijn was veranderd na de tsunami, wat de ongelofelijke kracht van het water illustreerde.
Maar het gebeurde bleef abstract. Cijfers waar ik weinig mee kon. Ik had geen voorstelling hoe het geweest moest zijn voor de mensen in de gebieden rond de Indische oceaan. Wel herinner ik me hoe we op kantoor geld inzamelden voor de hulpfondsen. Ik had nog Noorse kronen van een eerdere vakantie in mijn portemonnee zitten en doneerde die. Wat de impact was van de ramp werd me echter pas goed duidelijk toen ik in 2010 in India was, en mijn gastheren van de kerk in Hyderabad me vertelden hoe ze met voedsel en kleding hulp gingen bieden in de getroffen streken van India. Ze lieten ook een paar foto’s zien van de verwoesting die daar was aangericht.

Toen ik vroeger bij mijn grootouders logeerde, las ik graag in de Het Beste (Readers Digest) - waar ze heel wat jaargangen van hadden staan - en dan vooral de overlevingsverhalen. Mensen die een vliegramp hadden meegemaakt, die waren verdwaald in de bergen, die in een mijn waren vast komen te zitten. Die een aardbeving hadden doorstaan. Of een vloedgolf. Wat deze artikelen deden was dat ze de abstracte cijfers - aantallen doden, statistieken over verkeersongelukken, waarschuwingen over het gevaar van verdwalen - minder abstract maakten. Ze maakten er namelijk een verhaal van. En ik geloof dat wij als mensen (of in elk geval de meesten van ons) niet zijn gebouwd om te denken in abstracties (die betekenisloos zijn), maar wel in verhalen (die betekenis geven). Zelfs als we over abstracties praten, gebruiken we er vaak beeldspraak voor of analogieën - dat wil zeggen: we vertellen er een verhaal over.
Als we dus willen omgaan met gebeurtenissen of rampen (individueel of collectief) vertellen we er een verhaal over. Kennissen die iets erg hebben meegemaakt willen graag ‘hun verhaal kwijt’ (ik weet dat toen ik door de IJslandse vulkaanuitbarsting had vastgezeten in Doha, ik later graag dat verhaal vertelde). Net zo vertellen we verhalen over oorlogen en rampen. Dat begint op school, want de beste geschiedenisleraar is degene die mooie verhalen over geschiedenis weet te vertellen. Toch? Maar ook later - niet voor niets zijn er zoveel boeken geschreven en films gemaakt over de tweede wereldoorlog, over de Titanic, over Vietnam. En er kwamen films over de Twin Towers na elf september, en boeken waarin die gebeurtenissen een rol speelden. Die verhalen helpen ons om beter te begrijpen wat de impact was van die momenten, ze doen ons meeleven met de personen die werden getroffen (en daardoor ontwikkelen we meer empathie en ‘theory of mind’) en ze maken ons weerbaar, doordat we onszelf afvragen wat wij in zo’n situatie zouden doen en ons daarop gaan voorbereiden.
Vaak worden deze verhalen verteld vanuit het oogpunt van een overlevende. Dat lijkt misschien niet ‘eerlijk’, alsof de overledenen geen verhaal te vertellen hadden. Maar het lot van anderen wordt niet over het hoofd gezien. Het wordt juist pijnlijk duidelijk hoe ‘oneerlijk’ het is dat het verhaal van die anderen wreed tot een einde is gebracht. De onrechtvaardigheid van het universum blijkt er juist heel duidelijk uit. Het brengt bij ons de verontwaardiging tot stand die gepast is bij het zinloze lijden in de wereld. We heffen onze vuist en komen in actie. Maar waarom zouden we in actie komen als het menselijke bestaan geen waarde zou hebben? Als het individuele bestaan werkelijk zinloos zou zijn. Wat deze verhalen ons ook duidelijk maken is dat het universum uiteindelijk niet hopeloos is. Dat onze opoffering en medemenselijkheid betekenis hebben. En juist dat er mensen overleefden kan ons hier geloof in schenken. G.K. Chesterton zei al dat kinderen behoefte hebben aan verhalen, niet om te leren dat draken bestaan, maar om te leren dat ze verslagen kunnen worden. We weten allemaal met de Prediker dat ‘tijd en toeval treffen allen’. De verhalen bevestigen dit (het zijn immers vaak gewone mensen die door gebeurtenissen groter dan zichzelf worden overvallen), maar ze laten tevens zien dat in die situaties toch ruimte mogelijk is voor medemenselijkheid, opoffering en naastenliefde. En voor hoop. Hoe klein dat sprankje ook mag zijn.
(Natuurlijk is er het gevaar dat als de gebeurtenis langer geleden is, er legendevorming kan optreden, waardoor de verhalen de gebeurtenis niet dichterbij brengen, maar de afstand tussen de luisteraar en de werkelijkheid juist vergroten. Je gaat als kijker bijvoorbeeld meeleven met de helden in een oorlogsfilm en gaat de tegenstanders als minder menselijk zien. De werkelijke menselijke kosten van een gebeurtenis worden over het hoofd gezien. Daarom moeten te grote verhalen uiteindelijk gedeconstrueerd worden - de verhaaldynamiek moet worden ontmaskerd, zodat de gebeurtenis zelf weer zichtbaar wordt. Parodieen doen dit bijvoorbeeld, of een film als Inglourious Basterds van Quentin Tarantino.)
Tot slot geloof ik dat juist in dit type verhalen het Grote Verhaal het duidelijkst zichtbaar kan worden, want gaat dat er ook niet over hoe wij wonder boven wonder, tegen alle hoop in, zijn gered van de dood van het lichaam en de vernietiging van het heelal?

De film The Impossible bracht voor mij de gebeurtenissen rond de tsunami van 2004 tot leven. Hij maakte de onweerstaanbare kracht van het water duidelijk, maar ook de chaos en verwarring die er na de tsunami heersten. Als ik nu over een vloedgolf hoor, is het niet meer iets abstracts. Maar de film toont ook opvallende tekenen van medemenselijkheid. Sprankjes hoop in een duistere situatie. Wat deze film zo bijzonder maakt is dat hij zo dicht bij de hoofdpersonen blijft. De camera blijft ze op de huid zitten. Je maakt mee wat zij meemaken, soms in gruwelijk detail. (Maar zonder te gruwelijk te zijn - de film is in dat opzicht gelukkig niet sensationeel). Soms juist door het ontbreken van detail (zo is het scherm even zwart en hoor je alleen geluiden - en dat is misschien nog wel het gruwelijkst). Daarbij helpen de sympathieke acteurs, die hun rol geloofwaardig neerzetten, zelfs de kinderen die meespeelden. Het gezin heeft een heel natuurlijk overkomende dynamiek, ook de interactie tussen de drie jongens. Ik vond de muziek tegen het einde toe wel wat sentimenteel worden. Dat had wat minder gekund. Vooral omdat de gebeurtenissen tegen het einde al te mooi lijken om waar te zijn. Als de film niet was gebaseerd op een waargebeurd verhaal, zou ik het einde niet hebben geslikt. De wetenschap dat het echt is gebeurd, maakt het ontroerend.

De familie Bennett is tijdens de kerst op vakantie aan de kust in Thailand. Henry heeft te horen gekregen dat hij mogelijk zal worden ontslagen, zijn vrouw Maria wil haar baan als arts wel weer oppakken. Ondertussen spelen hun kinderen en maken ze ruzie, zoals jongens dat onderling nu eenmaal doen. De ochtend na kerst zijn ze allemaal in het zwembad in het resort als er een vreemde wind opsteekt. Er komen onheilspellend roepende vogels overwaaien. Dan verschijnt als uit het niets een muur van water, alles op zijn weg vernietigend. Als Maria uit de maalstroom boven water komt, is ze al vele meters meegesleurd landinwaarts. Ze treft haar oudste zoon Lucas aan en samen klampen ze zich vast aan een boomstam. Als het water zakt, zijn ze alleen. Van Henry en haar andere twee kinderen is geen spoor te bekennen. En zelf is ze door het puin in het water gewond geraakt. Als ze er niet aan onderdoor gaat door het bloedverlies, loopt ze het gevaar een stevige infectie op te lopen. Lucas neemt al snel de verantwoordelijkheid op zich over zijn moeder. Hij blijft bij haar als ze gevonden worden door locale mensen, en naar een ziekenhuis worden gebracht. Daar dringt Maria er bij Lucas op aan dat hij mensen gaat helpen. Als hij terugkomt, is zijn moeder verdwenen. Hij is moederziel alleen...

Waar mijn vriendin en ik ons over verbaasden bij het kijken van de film, was hoe deze familie zich inzet voor anderen, ook na wat ze allemaal hebben doorstaan. Het kan ook anders, en dat wordt in de film getoond: mensen die anderen niet van hun mobiele telefoon laten gebruikmaken, omdat ze bang zijn dat de batterij opraakt. En die angst is natuurlijk terecht. Een ‘ieder voor zich’-mentaliteit meten we ons in ons dagelijkse leven al makkelijk aan. Maar als je leven in gevaar is, als je dreigt alles kwijt te raken wat je bezit, dan al helemaal. Om te overleven worden mensen egoïstisch - uiteindelijk in staat elkaar te doden om een korst brood (is bekend van extreme situaties, bijvoorbeeld in de concentratiekampen). Ik maak me niet veel illusies over mijn eigen houding in dezen - ik weet niet of ik zou delen wat ik heb, als ik niet weet of dat voor mijzelf genoeg is.
Maar deze familie steekt anders in elkaar. Als het water zich net heeft teruggetrokken, en Maria en Lucas landinwaarts strompelen, horen ze een kind huilen. Lucas wil dat ze een boom opzoeken. Ze moeten omhoog klimmen om veilig te zijn als er een nieuwe golf komt. Elke seconde telt. Maar Maria geeft niet toe, al kan ze zelf nauwelijks meer op haar benen staan. “Weet je wat voor mij het angstigste moment was?”, zegt ze (even uit het hoofd geparafraseerd). “Niet toen de golf me raakte, maar toen ik boven kwam en ik was helemaal alleen. Misschien zijn je vader en je broers op dit moment wel helemaal alleen. Dan zou je toch ook willen dat iemand ze vond en ze hielp? Dit kindje is nu helemaal alleen. Hij heeft alleen ons. ” Lucas laat zich overreden en helpt het blonde jongetje dat Daniel heet. Later in het ziekenhuis vraagt zijn moeder hem een mandarijn te delen met een medepatient, die vast veel honger en dorst heeft. En hij helpt mensen die Engels spreken, brengt ouders en kinderen bij elkaar. Zelfs als hij daarvoor bij zijn moeder weg moet. Hij is een reddende engel - voor anderen, zoals hij het is voor zijn moeder.
Hoe kan het dat deze mensen in een noodsituatie in staat zijn anderen te helpen? Hoe kan het dat ze ook de noden zien van hun medemensen en niet alleen die van zichzelf?
Een ramp als deze brengt onze diepste motivaties boven, uiterlijkheden vallen weg. Rationeel nadenken over je gedrag is er niet bij. Je handelt uit instinct. De enige manier om na zo’n ramp liefde te kunnen tonen voor je medemensen, is als dat is wat je in de rest  van je leven doet. Het gedrag dat je oefent als het je voor de wind gaat, als er niets aan de hand is, is wat je vertoont als het tegenzit. Als je in het normale dagelijkse leven de roep van je medemens negeert, voordringt in de rij, en niet uitdeelt van wat je hebt, zul je dat ook niet doen als je leven abnormaal wordt.
Wat in deze film mooi zichtbaar is, is dat de familie voor de tsunami de kust bereikt, al wordt gekenmerkt door een hulpvaardige instelling. Ze zorgen voor elkaar, dat is al heel snel duidelijk. En omdat ze dat altijd al deden, kunnen ze daarmee doorgaan als de rampspoed toeslaat.
We weten niet of en wanneer we in moeilijke omstandigheden komen. Misschien wel nooit. Maar misschien zitten we morgen in een auto die over de kop slaat, wordt een ernstige ziekte vastgesteld, breekt een crisis uit, worden we ontslagen. We leven in een wrede wereld. Onze wereld is in zichzelf niet menselijk. Als wij wel menselijk willen zijn. Als wij willen dat we zelfs in zulke onmenselijke omstandigheden onze menselijkheid bewaren en er kunnen zijn voor anderen, moeten we daarom nu al dagelijks zo leven, nu we nog de vrijheid hebben ons gedrag zelf te kiezen. Als onze naastenliefde in ons systeem zit, als het ons instinct is geworden, zullen we onze naasten liefhebben als we puur instinctmatig handelen. Dit is de rol van de disciplines in het geloof, van rituelen, van liturgie. Die laten schoonheid, waarheid en liefde tot in ons merg doordringen. En ze komen naar buiten als we ze nodig hebben.
Uiteindelijk in het ziekenhuis ziet Lucas Daniel weer. Hij bevindt zich in de armen van een man die net zo blond is als hij, en lacht. En Lucas weet waarvoor hij het gedaan heeft, waarvoor hij heeft gewacht een boom in te klimmen, waarvoor hij zichzelf heeft opgeofferd. Hij heeft iemand gered van de eenzaamheid, van de dood. En nu ziet hij in dat zijn moeder gelijk had. De ander helpen is de moeite waard. Hij is de realiteit gaan zien van de ‘gouden regel’ die Jezus instelde: ‘Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.’ (Mattheus 7:12) Als we dat nu doen, doen we dat ook in tijden van een tsunami.

donderdag 20 december 2012

Gamebespreking: Mass Effect

Eergisteren was een belangrijke dag. Toen speelde ik namelijk twee computerspellen uit. Een ervan was een schietspel, gesitueerd tijdens de koude oorlog, wat bestond uit spectaculaire actiescenes aan elkaar verbonden door een dun verhaaltje over hersenspoeling en nazi-geheimen, dat zo uit een ouderwetse James Bond-film had kunnen komen (als Bond voor de CIA werkte en in Vietnam opereerde). Toen ik de controller van mijn Playstation 3 neerlegde had ik een voldaan gevoel, zoals altijd als je een taak voltooid hebt, maar ik heb geen moment nagedacht over het verhaal. Het zei niets over mijn leven, het bood geen inzichten in het menselijke bestaan, en het bracht me er niet toe nieuwe standpunten te formuleren over ethische kwesties. Het had net zo goed Pac-Man kunnen zijn, of Donkey Kong (maar dan met machinegeweren en granaten). Ik zou er in elk geval geen essay van meer dan tweeduizend woorden over kunnen schrijven. Ook over veel andere games zou ik dat niet kunnen, daarom heb ik het op mijn blog ook nog niet gedaan.
Ik ben bijvoorbeeld fan van de Uncharted-serie, waarbij avonturier Nathan Drake als een moderne Indiana Jones op zoek gaat naar allerlei legendarische schatten. Maar hoewel het spel er prachtig uitziet en de tussenfilmpjes niet alleen mooi zijn geanimeerd, maar ook goed zijn geacteerd, werd ik niet geraakt door het verhaal als verhaal. Ik was toch vooral bezig met het onder de knieën krijgen van de besturing, het tot een goede afloop brengen van schietgevechten, en het oplossen van puzzels. Ik leefde echter nooit werkelijk emotioneel mee met de hoofdpersoon. Niet zoals ik met de hoofdpersoon van een film doe. Dat heeft er misschien mee te maken dat ik aan de ene kant door de ogen van mijn karakter keek, maar aan de andere kant geen keuzes voor hem kon maken. Ik kon alleen een vaste route volgen, vaste opdrachten volbrengen. Ik kon niet kiezen met wie ik wel en niet wilde praten, of welk risico ik wel of niet bereid was te nemen. Over risico’s gesproken: die bestonden op het vaste pad dat ik volgde eigenlijk niet. Zelfs in de gevaarlijkste situaties wist ik dat mijn karakter het zou overleven, zelfs al ging hij dood. Hij zou een paar minuten eerder in het spel weer terugkeren, en ik zou de scene nog een keer doormaken, en nu beter mijn best doen te overleven. Ook als ik een puzzel fout oploste, kon ik het gewoon opnieuw doen. Er stond eigenlijk niets op het spel- behalve het spel (een van de spellen wist ik niet uit te spelen. Maar mijn emotie was frustratie over de moeilijkheid, niet onzekerheid over de afloop).
Vreemd genoeg creëert deze manier van een verhaal beleven dus een afstand die groter is dan als je hetzelfde verhaal op het scherm ziet, gespeeld door Indiana Jones. Omdat je zelf niet aan de knoppen zit, geloof je in elk geval zolang de film duurt dat er de kans bestaat dat hij tussen de krokodillen terechtkomt. Het is misschien de natuur van een spel - dat draait om het behalen van punten, het vergelijken met anderen, het testen van je kunnen. In mijn bespreking van de briljante animatiefilm Wreck-it Ralph schrijf ik hier ook over.
Maar het feit dat ik toch een lange gamebespreking schrijf op mijn blog, suggereert dat er games zijn die deze beperkingen ontstijgen en niet langer ‘spellen’ zijn in de beperkte zin van het woord. Van bezigheden om je vaardigheden te ontwikkelen en de competitie aan te gaan met anderen worden ze interactieve verhalen, die elk effect op de speler hebben die een goede film heeft op een kijker en die een meeslepend boek heeft op de lezer. Dat wil zeggen dat je een moment vergeet dat je aan het spelen bent, en werkelijk in de wereld van het spel leeft. Je wordt ondergedompeld in het verhaal. En dat doet wat met je. Je wordt ontroerd, je wordt aan het denken gezet, je hecht je aan de personen, je wordt veranderd. En je denkt ook als het spel afgelopen is nog na over het plot, de karakters, en de consequenties voor je eigen blik op het leven. Ik durf te zeggen dat dit soort spellen inderdaad de stap maken van entertainment naar literatuur. Dat ze het etiket ‘kunst’ mogen dragen, omdat ze met de speler doen wat ‘kunst’ doet - schokken, confronteren, uitdagen, en ontzag opwekken. Deze spellen moeten serieus worden genomen. Ze moeten worden besproken. Niet alleen in termen van aantallen pixels en spelduur, als in veel spelrecensies, maar ook in termen van literaire analyse. Er moeten essays, zelfs boeken, over worden geschreven. Een van de spellen waarover dat mijns inziens makkelijk zou kunnen (net zo makkelijk als er boeken over de thema’s van The Matrix konden worden geschreven) is het spel (of liever de spelserie) die ik ook uitspeelde afgelopen dinsdag, namelijk Mass Effect 3.

De Mass Effect-serie wordt wel eens de Star Wars van deze generatie genoemd. Maar die vergelijking is nog wat voorbarig. Aan de ene kant zijn veel meer mensen zich bewust van Star Wars, want er zijn nog altijd meer mensen die films kijken dan die computerspellen spelen. Maar aan de andere kant is het verhaal van Mass Effect dieper, met belangwekkender thema’s dan The Force, en zonder irritante karakters als Jar Jar Binks. Een ding hebben deze twee fictieve universa wel gemeen: ze beslaan een heel melkwegstelsel, vol unieke rassen en volken. In het geval van Mass Effect is het ons eigen  stelsel. De mensen van de Aarde zijn de ruimte gaan verkennen. Daarbij ontdekten ze dat ze niet alleen waren. Sterker nog, overal bleken wezens te leven. Sommige verder gevorderd dan de mens, maar niet zo heel veel verder. De verschillende beschavingen zijn met elkaar verbonden door Mass Effect relays - installaties die door een vroegere beschaving zijn achtergelaten, waardoor het mogelijk is sneller dan het licht van stelsel naar stelsel te reizen. Een grote groep rassen vormt een gemeenschap, gecentreerd rond de Citadel, een enorm ruimtestation, waar ook de Aarde een ambassade heeft. Zo ver, zo goed, zou je in vernederlandst Engels zeggen. Er is echter een reden dat er geen beschavingen zijn die veel verder zijn gevorderd dan de mens. Elke vijftigduizend jaar worden namelijk alle rassen die ruimtevaart kennen uitgeroeid door een ras van machine-intelligenties, de Reapers geheten. Ze ‘oogsten’ de ver gevorderde beschavingen, en laten de minder ver gevorderde zich verder ontwikkelen tot de volgende ‘oogst’. En de laatste ‘oogst’ was bijna vijftigduizend jaar geleden. De speler krijgt als Commander Shepperd de taak de volgende ‘oogst’ tegen te houden. Dit is niet makkelijk. Allereerst moeten er ruzies en conflicten tussen verschillende rassen worden beslecht. Rassen die zelf ook worden aangevallen, en niet geneigd zijn de Aarde ter hulp te komen. Daarna moet een wapen worden afgebouwd, waarvan de blauwdrukken zijn overgeleverd uit de vorige cyclus. De meest intelligente beschaving van toen, de Proteans, kreeg niet de kans het te gebruiken, maar de mensheid heeft misschien meer geluk. Terwijl de verzetsbeweging op Aarde zich uit alle macht verzet tegen een invasie van reapers, reist Shepperd met een groep vrienden heen en weer door het heelal, in een race tegen de tijd ...

Deze korte samenvatting doet geen recht aan de fascinerende queestes, de uitdagingen waar je voor komt te staan, en de complexiteit van de verschillende facties die met elkaar strijden om de macht, waaronder de organisatie Cerberus, die van de gelegenheid gebruik wil maken voor een en altijd de menselijke suprematie veilig te tellen en denkt ook Shepperd voor die taak te kunnen winnen ... Ik ben al over de duizend woorden heen. Een uitputtend verslag zal dit niet worden. Voor een bespreking over het spel als spel verwijs ik je graag naar andere plekken op het web. Wel wil ik opmerken dat de toekomstwereld uit het spel gedetailleerd is opgezet, vol interessante details, die het heel geloofwaardig maken. Verder zijn veel ‘zijqueestes’, vooral in het tweede deel, erg goed als op zichzelf staande SF-verhalen, soms zelfs beter dan de gemiddelde aflevering van een SF-serie. En anders dan bij het schietspel dat ik ook uitspeelde, was ik persoonlijk bij het verhaal betrokken en bleef het in mijn gedachten hangen toen het was afgelopen. Voor ik het uitgebreider over de verschillende thema’s uit het spel heb, zal ik eerst proberen te verwoorden wat dan de verschillen zijn met andere spellen waardoor ik hierdoor wel werd ondergedompeld in het verhaal.
Het begint al met de keuzes die je voor je karakter kunt maken: je kunt het geslacht van je eigen Shepperd kiezen, hoe hij/zj eruitziet en hoe hij/zij zich kleedt - en zo zie je hem/haar ook in het hele spel, inclusief elk tussenfilmpje. Dit is niet zomaar een karakter. Het is jouw karakter. Dit effect wordt nog versterkt doordat je kunt kiezen uit verschillende achtergrondsverhalen voor je personage, en die keuzes leiden ook nog tot een of twee plotontwikkelingen. Koppel hieraan dat Shepperd redelijk realistisch wordt weergegeven (niet als karikatuur, maar bijna ‘life like’) en identificeren wordt heel makkelijk. Bovendien kun je je eigen karakter ook meenemen naar de volgende spellen in je serie - je speelt je eigen Shepperd dus door verschillende avonturen heen.
Ook de keuzes die je in het ene spel maakt, werken door in het volgende - en je maakt op veel momenten keuzes. Aan de ene kant minder belangrijke. In elke conversatie heb je keuzemogelijkheden, waardoor je niet het idee hebt dat je een vast script volgt, maar dat je ook echt zelf het gesprek leidt. Je kunt bovendien vaak kiezen tussen twee manieren van reageren: bruut of vriendelijk. Ikzelf koos ervoor vriendelijk te spelen. Behalve tegen huurlingen - daarvan besloot ik dat ik ze niet mocht. Maar je maakt ook belangrijkere keuzes. Keuzes om een ras wel of niet te genezen van een kunstmatig virus dat hen onvruchtbaar maakt, keuzes om een gevaarlijk wezen wel of niet in leven te laten, keuzes om wel of niet te helpen in een strijd tussen een zwervend volk en de door hen gemaakte robots die hen hebben verjaagd. Deze keuzes zijn niet ongedaan te maken, en hebben dus ook consequenties voor het verloop van het spel.
Ik merkte dat ik af en toe de controller opzij moest leggen om na te denken wat in een bepaalde situatie de juiste keuze was. Ik maakte niet altijd de keuze die het makkelijkst tot overwinnen zou leiden, maar koos soms voor een omslachtige wijze omdat die moreel beter was. In andere situaties voerde ik meer dan een half uur een gesprek met een karakter over alle dimensies van een bepaalde keuze - en dat gesprek was even boeiend als de heftigste actiescene. Als een verhaal je zo gaat bezighouden, begint het literair te worden.
Het verhaal is aan de ene kant lineair, aan de andere kant heb je veel vrijheid. Je kunt als Shepperd drinken aan de bar, je piloot helpen met zijn relatie met een kunstmatige intelligentie, en zelfs een aquarium bevolken en onderhouden! (In Mass Effect 2 vergat ik voor mijn virtuele vissen te zorgen. Toen ik uiteindelijk terug kwam in mijn cabine waren ze dood. Ik voelde me er werkelijk rot over. In Mass Effect 3 kon ik voor heel wat geld een ‘aquariumverzorger’ aanschaffen. Maar toch kwam ik vaak terug op mijn cabine om ze zelf eten te geven. Ik had mijn lesje geleerd).
Doordat je keuzemogelijkheden echt aanvoeren, en ook gevolgen hebben voor de andere karakters in het spel, ga je ook om hen geven. De gesprekken die je voert hebben vaak ook een emotionele basis. Het is zelfs mogelijk in het spel je karakter relaties te laten aangaan met andere karakters - het is je niet verplicht als speler, maar de mogelijkheid is er (ik maakte er deze ronde geen gebruik van - maar een volgende keer wil ik er wel mee experimenteren). En mede door het goede acteerwerk wat betreft de stemmen voelen deze interacties nog echt aan ook. De vriendschappen tussen Shepperd en iemand als Garrus of Tali (voor wie het spel gespeeld heeft) raakten me echt. En door je keuzes kunnen deze personen sterven. En dan komen ze niet terug in het verhaal. Dan raak je ze echt kwijt. Dat geeft zelfs de actiescenes een dreiging die ze bij de gemiddelde shooter niet hebben. Zelf kom je wel weer tot leven, maar als je een van je vrienden laat doodgaan moet je het rest van het spel zonder hen doen. Dat geeft je wat om voor te vechten.
Als je op een website als DeviantArt zoekt naar ‘Mass Effect’ vind je heel veel tekeningen en schilderijen van fans over Mass Effect, vaak met hun eigen Shepperd, of de andere karakters. Ook verhalen van ‘hun missies’. Spelers zijn zo gehecht geraakt aan dit universum dat het hun verbeelding blijft bezighouden. Ze klaagden dan ook toen aan het einde van het spel geen ‘closure’ werd gegeven voor sommige van de karakters. De makers van het spel hebben toen een nieuw einde uitgebracht om hen tevreden te stellen. (Ik vond het originele einde ook wel prima, maar elke kans om langer bij deze karakters te zijn is meegenomen natuurlijk).

Voor een computerspel snijdt Mass Effect behoorlijk diepe thema’s aan. Het overkoepelende thema van de speltrilogie is volgens mij de vraag of biologische intelligentie en machine-intelligentie verschillend zijn, en de gevolgen van een conflict tussen verschillende intelligenties. Het begint er al mee dat de mensheid terechtkomt in een heelal dat hem behoorlijk vijandig gezind is. Er zijn buitenaardse rassen die heel oorlogzuchtig zijn, en zich ook nog eens snel voortplanten. waardoor ze als een golf over het melkwegstelsel zouden kunnen stromen en alles vernietigen. Een ander ras bestaat alleen uit vrouwen, die met mannen van alle rassen kunnen paren, maar alleen nakomelingen van hun eigen soort voortbrengen. Een ander ras kan alleen blijven bestaan in een soort duikpakken, omdat hun immuunsysteem zo is verzwakt dat ze van de geringste infectie al zullen doodgaan. Zij zijn van hun thuisplaneet verdreven door de robots die ze zelf gemaakt hebben. En dat is nog even buiten de ‘reapers’ gerekend, die elke vijftigduizend jaar langskomen.
Geen wonder dat een groep als Cerberus zich opwerpt voor de verdediging van de menselijke beschaving. Haar leider, de ‘Illusive Man’ wil de mensheid koste wat het kost beschermen, en de beste manier om dat te doen is de mens de machtigste te maken in het melkwegstelsel. Desnoods ten koste van andere rassen. In de loop van het spel ontdek je hoe ver Cerberus bereid is te gaan. Al snel rijst de vraag op of ze nog wel om mensen geven als individuen, of zelfs als bevolking van de Aarde, maar alleen nog als theorie, als idee. Ze experimenteren met zichzelf, en ontdoen zichzelf daarmee eigenlijk van hun menselijkheid. Uiteindelijk is hun ideaal een lege huls geworden. Ze vechten eigenlijk alleen nog maar om macht.
Ik moest denken aan het karakter Weston in ‘Out of the Silent Planet’, het eerste deel van Lewis’ ruimtetrilogie, die zich ook sterk maakt voor de toekomst van de mensheid, maar niets lijkt te geven om mensen. Hij verandert daardoor in een ‘onmens’. Ditzelfde gebeurt met de ‘Illusive Man’ - al blijft hij steeds met argumenten komen die ergens, ergens redelijk klinken. De mensheid mag er namelijk wel degelijk zijn, en mensen mogen wel degelijk voor zichzelf en voor hun belangen als individu en groep opkomen, maar niet ten koste van andere individuen en andere rassen. Zoals Shepperd in zijn/haar interacties met haar ploeggenoten van andere rassen merkt zijn individuen van andere vormen en andere kleuren net zo goed individuen, en is een mens niet beter of meer waard dan een Krogan. Hieruit komen verschillende ethische keuzes uit voort, bijvoorbeeld over de moraliteit van het genezen van een virus dat het bovengenoemde oorlogszuchtige ras onvruchtbaar maakt. Ik schreef hier al over in mijn recensie van de film Avatar, waarbij sommigen de makers ervan beschuldigden dat die ‘tegen de mensheid’ was, maar waarover ik betoogde dat in dit geval de wezens die er niet uitzagen als mensen menselijker waren dan de wezens die er wel als mensen uitzagen, maar zich onmenselijk gedroegen.

Maar als dit geldt voor verschillende rassen van verschillende planeten, geldt dit ook voor andere soorten intelligentie. Biologische intelligenties maken in dit verhaal machine-intelligenties. Maar omdat ze deze gemaakt hebben, denken ze het recht te hebben ze te controleren, ze als ‘machines’ te behandelen. Zodra een wezen echter zelfbewustzijn heeft verkregen, en in staat is zelf te kiezen wat het wel of niet belangrijk vindt, is het een persoon. Of het nu een monsterlijk wezen op een andere planeet is, een mens, of een robot. Zodra een wezen kan kiezen tussen goed en kwaad, moet een mens het als mens behandelen. Ook de machine-intelligentie. Zo scherp zijn de grenzen immers niet. Zijn de biologische hersenen niet ook een machine? Zou je ze niet terug kunnen brengen tot verbindingen tussen neuronen, neuro-transmitters, elektrische signalen? Het bewustzijn is een niet biologische eigenschap die opkomt (emerget) uit de biologische complexiteit, maar die niet zonder de materiele drager kan bestaan, en verdwijnt als de materie verdwijnt. Als een computer net zo veel verbindingen zou kunnen bevatten als het menselijke brein, en computerprogramma’s net zo ingewikkeld zouden zijn, zou er ook bewustzijn uit kunnen oprijzen. Als deze werkelijk kan kiezen, is deze net zo waardevol als een biologisch bewustzijn en dus het beschermen waard.
Het spel speelt hier op verschillende manieren mee. Het conflict tussen de robots, de Geth en hun makers, de Quarians, die ze van hun planeet hebben verdreven, had ik al genoemd. De robots blijken hier niet zo duidelijk de slechteriken, het blijkt dat de makers zelf aanleiding hadden gegeven voor het conflict. En dan sta je opeens voor de mogelijkheid om de oorlogszuchtige Geth te ‘herprogrammeren’. Maar als je dat doet, tast je dan niet hun individualiteit en keuzevrijheid aan? Daar moest ik wel over nadenken.
Dan is er de intelligentie van het schip, die uiteindelijk een zelfstandig leven gaat leiden, eigen keuzes kan maken en zelfs een relatie kan aangaan met de piloot. Deze EDI komt bij je om vragen te stellen over wat het betekent mens te zijn, en deze gesprekken doen je inderdaad beseffen dat je te maken hebt met een uniek persoon. Aan de andere kant wordt in het spel een mens als computer gebruikt in een virtuele omgeving en worden ook biologische wezens misbruikt voor eigen doeleinden - maar als een biologisch wezen zo niet mag worden behandeld, waarom een robot wel?
Je bent als commandant Shepperd in het spel ook al uit de dood gered en gereconstrueerd. Eigenlijk ben je, realiseer je je opeens, zelf ook een machine geworden. Maar je ervaart jezelf wel als menselijk - Hoe beïnvloedt dat je keuzes?
En dan zijn er de ‘reapers’. Ook machines, ook ooit gebouwd door biologische wezens. Wat drijft hen om steeds weer terug te keren en beschavingen uit te roeien. Uiteindelijk ontdek je ook hun motivatie, die te maken heeft met het feit dat biologische intelligenties de machine-intelligenties niet als hun gelijken willen beschouwen (en dus vice-versa ook maar niet). Als Shepperd sta je dan voor een keuze. Vernietig je elke machine-intelligentie, ook de Geth en EDI? Controleer je de reapers en ontneem je ze zo hun keuzevrijheid? Of kies je voor synthese - voor het samengaan van biologische intelligentie en machine-intelligentie? Of kies je ervoor om niets te doen? Een interessante vraag, maar ik wist al vrij snel wat ik moest kiezen. Want zoals mijn favoriete stripheldin al zei: “Een verschillend uiterlijk doet er weinig toe, zolang het denken maar gericht is op hetzelfde goede doel.” Ik koos voor het einde van de cyclus, en een nieuw begin.

Ik was aangedaan bij de laatste beelden van het spel. En ik kijk ernaar uit het nog een keer te spelen, nog een keer rond te lopen op de Citadel, nog een keer met mijn strijdmakkers te praten, en nog een keer het universum te redden. Maar ik weet ook dat ik op het eind niet een andere keuze zal maken. Iedereen is waardevol.

maandag 19 december 2011

Filmbespreking: Rise of the Planet of the Apes

Van de zomer was ik met een goede vriendin in Burgers’ Dierenpark in Arnhem. We hadden allebei een verblijf waar we per se meer tijd wilden doorbrengen. Voor mij was dat (hoe kan het ook anders?) Burgers’ Ocean. Voor haar waren het de chimpansees. Tijdens haar studie biologie heeft ze namelijk gedragsonderzoek gedaan bij deze kolonie. Ze zat elke dag in een observatieruimte met een verrekijker om bij te houden welke chimpansee wat deed. Daardoor heeft ze een band opgebouwd met de mensapen, en nu, bijna vijftien jaar later, zoekt zij ze nog steeds af en toe op. Ook nu spendeerden we heel wat tijd achter het glas, van waar we een mooi uitzicht hadden. Veel apen die mijn vriendin toen had geobserveerd, bleken nog in leven, hoewel sommige wat grijzer waren of minder behaard. Ze kende ze zelfs bij naam! En over hun interacties praatte ze alsof het de ruzies en affaires van mensen konden zijn. Voor haar staat het wel vast dat de chimps intelligente dieren zijn, die in veel opzichten op mensen lijken. Ze leek ze ook te beschouwen als wezens met een echte persoonlijkheid, en met zelfbewustzijn (maar niet als mensen, ze is en blijft bioloog natuurlijk).
De interessante vraag is natuurlijk of deze chimpansees inderdaad zelfbewust zijn en moeten worden beschouwd als moreel verantwoordelijke personen, of dat dit iets is dat wij als toeschouwers op ze projecteren. Ik ben zelf wat huiverig om aan dieren menselijke eigenschappen toe te schrijven, ik merk namelijk dat ik dat al doe bij de maanvissen in mijn aquarium! Zelfs als een dier gedrag vertoont dat lijkt op menselijk gedrag (communiceren met gebaren, eten delen met anderen) hoeft dat nog niet dezelfde betekenis te hebben als menselijk gedrag. Neem een vogel als de prieelvogel, waarvan het mannetje een nest bouwt en versiert met gekleurde vruchtjes en keverschilden om een vrouwtje te lokken. Enthousiaste commentatoren in natuurdocumentaires roepen dan dat de vogels kunstenaars zijn en dat in dit gedrag de wortel ligt van de menselijke creativiteit. Maar de vogels volgen hun instinct. Hun gedrag is genetisch vastgelegd. Terwijl mensen nieuwe dingen kunnen maken, en vooral: deze nieuwe dingen niet HOEVEN maken. Het moeilijke is dat chimpansees (en dolfijnen, en raven) niet kunnen praten, en we dus ook niet werkelijk met ze kunnen communiceren. We kunnen geen gesprek met ze aangaan. En dus kunnen we ook nooit weten wat er werkelijk in ze omgaat. Elke keer als we ons dat proberen voor te stellen projecteren we onze menselijke gevoelens en emoties op wezens die - zelfs als ze intelligent zouden zijn - niet menselijk zijn.
Aan de andere kant zijn mensapen, en in het bijzonder chimpansees en bonobo’s, op deze wereld sinds de Neanderthaler en de Floresmens zijn uitgestorven, de wezens die het meest met ons verwant zijn. Ons genetisch materiaal vertoont grote overeenkomsten. Bovendien vertonen de apen wel degelijk intelligent gedrag. Ze gebruiken gereedschappen en tonen een probleemoplossend vermogen, ze kunnen met ons (en onderling) communiceren met behulp van gebaren en ze herkennen zichzelf in de spiegel, wat suggereert dat ze zich bewust zijn van een eigen identiteit (net als sommige vogels en dolfijnen). Bovendien - zo heel rationeel en intelligent zijn wij zelf ook vaak niet (ik zou hier een cynische verwijzing kunnen plaatsen naar TV-programma’s als Oh Oh Cherso, maar dat doe ik maar liever niet). Een groot deel van ons gedrag komt voort uit genetisch vastgelegde patronen en staat minder onder onze invloed dan wij denken. Wat wij doen, is vaak ‘bij de beesten af’. Sommige biologen noemen de mens dan ook wel ‘de naakte aap’.  Ons gedrag is vaak zelfs van een onmenselijk niveau waartoe dieren niet zouden zinken - of het nu is in oorlogen, uitbuitende economische systemen of in de manier waarop we de natuur uitwringen. Zelfs als we op essentiële punten van dieren verschillen, zijn we in elk geval niet ‘beter’.
Of je nu wel (zoals ik) gelooft dat de mens uniek is, of niet: dit zou ons moeten weerhouden van grootse claims over ons vermeende recht te heersen over de Aarde en over de dieren en planten. Als we dat recht al hadden, lijkt het erop alsof we het hebben verspeeld. Ons gedrag uit het verleden, zou ons bescheiden moeten maken. Kortom, ook al is de menselijkheid van apen iets dat wij op ze projecteren, we zouden ze moeten behandelen met het respect dat zelfbewuste, denkende wezens toekomt. We zouden de hele schepping moeten behandelen met dat respect. We zouden haar, dieren en elkaar moeten liefhebben. We zouden ons moeten gedragen als rentmeesters - precies zoals het de bedoeling was. Alleen dan zijn we namelijk echt menselijk.

Een wat lange inleiding voor mijn bespreking van misschien wel de beste ‘blockbuster’ van 2011. Ik moest de afgelopen zomer een paar van de grote films in de bioscoop aan me voorbij laten gaan. En omdat enkele spektakelfilms van eerder dit jaar een beetje tegenvielen, vond ik het niet zo erg. Een van de films die ik om deze reden liet schieten was Rise of the Planet of the Apes. De zoveelste vervolgfilm in de serie en ook nog eens met een onhandig lange titel. Noem me ongelovig, maar ik kon me niet voorstellen hoe er met dit concept een origineel verhaal te vertellen was. Bovendien was ik wat cynisch geworden door commentaren op het internet die de film al van te voren onderuit haalden - de schrijvers ervan dachten dat de film een oorlog tussen de mensheid en de apen zou tonen, en lachten al om het feit dat de laatste met stenen en stokken zouden moeten vechten tegen machinegeweren en raketten.
Maar dit bleek niet het verhaal van de film. Dat was een stuk kleinschaliger en persoonlijker, en de confrontatie tussen mens en aap bleek geloofwaardig en zelfs aangrijpend. Het begint met een aangrijpende achtervolging in Afrika, waar stropers chimpansees opjagen om ze te verkopen aan een farmaceutisch bedrijf in San Francisco. In dat bedrijf worden ze gevangen gezet in kleine hokjes en onderworpen aan vernederende experimenten. Het doel van de onderzoekers is het vinden van een middel tegen de ziekte van Alzheimer. Het gaat om een virus, dat het DNA van hersencellen verandert. Een van de apen, ‘Bright eyes’, vertoont na behandeling tekenen van een herstelde intelligentie. Ze wordt echter ook agressief, dus wordt het project stopgezet en worden de chimps geeuthanaseerd. In de kooi van ‘Bright eyes’ vinden de verzorgers echter een jonge chimp. Onderzoeker Will neemt de aap mee naar huis, naar zijn demente vader.  Die ontwikkelt een bijzondere band met het dier. Nou ja, dier? Caesar, zoals hij al snel genoemd wordt, heeft de toegenomen intelligentie overgenomen van zijn moeder. Hij begrijpt wat Will en zijn vader hem zeggen, en kan communiceren met gebaren. Hij is deel van de familie. Maar tegelijk is hij natuurlijk anders. Buurtbewoners accepteren hem niet, en denken dat hij een huisdier is. Als hij na een dramatische gebeurtenis in een apenopvang terechtkomt ontdekt hij hoe mensen zijn soortgenoten behandelen. Hij werpt zich op als hun leider (niet voor niets wordt er een beeldfragment getoond van Mozes uit The Ten Commandments). Hij wil niets liever dan deze dieren meenemen naar het beloofde land: de bossen waar hij zelf door zijn ‘vader’ Will eerder naar toe was meegenomen. Maar het is de vraag of de sadistische verzorger van het opvangcentrum en de op geld beluste directeur van het farmaceutische bedrijf dat zomaar toestaan. Het virus dat voor de verhoogde intelligentie van Caesar zorgde, blijkt ondertussen onverwachte effecten te hebben ...

Een van de belangrijkste factoren in het succes van de film is het spel van Andy Serkis - ondertussen een expert in het spelen van geanimeerde karakters: Gollum, King Kong en nu de chimpansee Caesar. Het is duidelijk dat hij voor deze film studie heeft gedaan naar het gedrag van apen. Caesar wordt namelijk nooit mens. In kleine gedragingen, in het tuiten van zijn lippen, in zijn geluiden - hij blijft een chimpansee. Maar tegelijk spreken zijn ogen boekdelen. Hij is een chimpansee die worstelt met zijn identiteit, die loyaal wil zijn aan zijn menselijke familie maar die tegelijk het verraad niet kan verkroppen, en die uitgroeit tot een doortastende, inspirerende leider. Als kijker zie je de chimpansee niet meer als computereffect, en ook niet meer als dier, maar als een intelligent persoon, ook al is hij geen mens. Het spel van de andere acteurs is goed genoeg, maar valt bij Serkis’ optreden in het niet. Verder vond ik de spanning goed opgebouwd, de actiescenes sterk, en het zonnige San Francisco goed in beeld gebracht (net als de ‘redwood forests’ - die ik ken van mijn vakantie eerder dit jaar). Ook zijn er leuke verwijzingen naar eerdere films uit de serie. En er is een gorilla die een helikopter uitschakelt. Ik ben nu al erg benieuwd naar het vervolg.

In feite wordt in deze film de mens geconfronteerd met een andere intelligente soort. Deze verhalen roepen direct de vraag op wat het betekent mens te zijn. Ligt onze identiteit als mens in ons uiterlijk (twee benen, twee armen en twee ogen)? Ligt ze in onze taalvaardigheid? In ons gebruik van gereedschappen? In onze moraal? In dit geval is de andere soort niet een buitenaards ras van vier meter hoge, blauwe wezens, maar een soort die nauw aan ons verwant is en bovendien al op onze planeet voorkomt. Het onderscheid wordt dus kleiner gemaakt. Het wordt moeilijker om het verschil tussen de mens en de ander aan te wijzen. Eerst lijkt de kunstmatig verhoogde intelligentie te zorgen voor het verschil. De aap wordt hiermee ‘mens’ gemaakt, is de suggestie. Caesar kan zich niet aanpassen aan het instinctmatige rangordegedrag van zijn soortgenoten. Hij hoort bij ons. Maar ook deze grens wordt gerelativeerd. Ten eerste doordat Caesar een circusaap ontmoet die niet met het virus zijn behandeld, maar toch met gebarentaal kan communiceren (hoewel op een hoger niveau dan apen werkelijk kunnen). En later sluiten niet behandelde chimps uit de dierentuin zich bij zijn groep aan. De suggestie is dat het ‘op menselijk niveau’ functioneren in potentie al in de apen aanwezig is, en dat het alleen maar hoeft worden opgeroepen: door een virus, door circustraining, of door een intelligente aap zelf. Ten tweede gedragen heel wat mensen zich in deze film als chimpansees. Goed voorbeeld is de buurman van Will, die de jonge Caesar met een slaghout bewerkt omdat de aap in zijn tuin is terechtgekomen. Of de bewaker in het apenverblijf, die zijn machtspositie misbruikt om indruk te maken op twee jonge dames die hij het pand heeft binnengesmokkeld. Irrationeel territoriumgedrag. Instinctmatige agressie. Mensen vertonen in deze film voor een groot deel ‘mensaap’-gedrag.
Mijn favoriete christelijke filmrecensent vindt deze vervaging van de grenzen tussen mens en dier zorgwekkend: “Not only does it depict the beginning of the end of the age of humans, it doesn’t seem to recognize anything precious or unique being lost with human nature, since people and animals aren’t that different to begin with.” Een zelfde kritiek werd geuit op de film Avatar van James Cameron. Maar in mijn tweede bespreking van die film legde ik al uit waarom ik het met deze beweringen oneens ben. Net als in Avatar blijkt de grens tussen ‘menselijk’ en ‘niet menselijk’ namelijk niet door uiterlijke kenmerken te worden bepaald. De grens blijkt zelfs dwars door het menselijke ras te lopen. En net als in Avatar is het onderscheid ook in deze film de manier waarop we ons gedragen ten opzichte van anderen.
Caesar draagt zijn volgelingen expliciet op geen mensen te doden, hij weerhoudt ze er zelfs actief van. Hij betaalt de mensheid niet terug voor wat ze hem hebben aangedaan. In dit opzicht is hij menselijker dan bijvoorbeeld de directeur van het farmaceutische bedrijf, die alleen om geld geeft, of de verzorger in het opvangcentrum, die dieren martelt. Maar de film toont bovendien dat niet alle ‘intelligente apen’ ook menselijk worden. Een chimp die is behandeld met het virus gedraagt zich daarna net als de mensen, door een weerloos slachtoffer het laatste duwtje te geven. In zijn ogen is geen sympathie te lezen. Hij is net zo’n beest als de beestachtige mensen die in de film voorkomen. De grens loopt dus net zo goed door het apenras. In plaats van een film die de menselijkheid verafschuwt, is dit dus een film die ware menselijkheid viert. Want ware menselijkheid is dit: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf (of hij nu een aap is of een mens).