donderdag 31 maart 2011

Zonnige lente

Ik houd van dit jaargetijde, vooral met het weer van de afgelopen weken (als het grijs is en regent zoals vandaag, is mijn enthousiasme wat afgenomen, maar daarin zal ik niet de enige zijn). Hier zijn nog wat meer foto's die ik nam bij het Huis te Merwede, waar ik met goede vrienden een bezoekje aan bracht.




De fotograaf aan het werk. Een foto van een trouwe volger van deze blog.

woensdag 30 maart 2011

Boekbespreking: De Ideale Kerk

Het is weer eens bewezen: mond-tot-mondreclame is de beste vorm van marketing. Ik wordt namelijk niet echt enthousiast om een boek te lezen als ik posters met plaatsjes van de auteur zie op bushaltes en reclameborden, of bij advertenties in de krant. Een goede recensie in een krant of tijdschrift weet in elk geval mijn aandacht te trekken, maar resulteert vaak niet in aanschaf van het boek in kwestie. Veel positieve recensies van lezers op een website als Amazon helpen al veel beter. Nog sterker is een aanbeveling op een blog die ik volg. Ik heb al meerdere malen boeken gelezen die voorbijkwamen op de Internetmonkwebsite. Maar de grootste kans dat ik een boek ga lezen, is als een vriend of familielid er niet over kan ophouden, vooral als ik wat betreft interesses en smaak met de betreffende persoon op een lijn zit. Dat was het geval met dit boek van Larry Crabb. Een van mijn broers was er al weken enthousiast over. Hij stuurde me citaten uit het boek, en zei dat hij het snel een tweede keer wilde lezen. Maar gelukkig was hij bereid het eerst aan mij uit te lenen. Omdat ik iets sneller lees dan hij, heeft hij het snel weer terug.

Laat ik om te beginnen zeggen dat ik de Nederlandse titel niet echt geweldig vind. Ik moet erbij denken aan de gevleugelde uitdrukking over de volmaakte kerk. Zodra je die gevonden hebt, is hij niet meer volmaakt. Afgaande op de inhoud van het boek zou Larry Crabb het met die uitspraak volkomen eens zijn. De Engelse titel stemt beter overeen met het betoog: ‘Real Church’. Echtheid, eerlijkheid en waarheid, dat is waar Crabb naar op zoek is. En dat is iets heel anders dan perfectie, dan gelikte organisatie, dan uitwendige idealen. Een rommelige, misschien zelfs ruzie-achtige, elkaar schurende groep mensen die werkelijk op elkaar betrokken zijn, en verlangen naar genade, is een duidelijkere expressie van de kerk van Christus dan een glad geproduceerd optreden op zondagmorgen, waar de aan de buitenkant keurige kerkgangers een boodschap krijgen hoe ze betere christenen kunnen worden, of hoe ze de wereld moeten veranderen, of hoe ze naar de hemel kunnen als ze doodgaan. Dit is dus geen boek met praktische tips over het organiseren van een kerk, en ook geen traktaat hoe mensen zich schuldig moeten voelen als ze de zondagmorgendienst overslaan. Maar dat zullen lezers van deze blog ook niet hebben verwacht van een boek dat hier besproken wordt. Ikzelf zet ook vraagtekens bij de kerk zoals die als instituut is komen vast te liggen. Dat is trouwens waar Crabb het boek mee begint. Hij stelt zichzelf de vraag waarom hij niet meer op zondag naar de dienst wil. De rest van het boek is zijn poging om een antwoord op die vraag te formuleren, en te proberen te schetsen naar wat voor soort gemeenschap hij dan wel verlangt. Dit alles is opgeschreven in korte hoofdstukjes, opgesteld in een conversationele stijl, meer als brieven aan de lezer dan als bijbelstudies of overdenkingen. Dat maakt het boek wat minder diepgravend dan ik zou hebben gewenst, maar wel weer persoonlijker. Het is geen studieboek over de kerk, dat moge duidelijk zijn, maar een gepassioneerde oproep aan kerkleden om het verlangen naar ware christelijke gemeenschap en liefde te laten opbloeien. Het eindigt daarom ook niet met een praktische conclusie, met duidelijke handvatten hoe een ideale kerk is op te zetten, of hoe je gelijkgestemde gelovigen kunt vinden. Crabb zet duidelijker in op de individuele gesteldheid van de christen en de gesteldheid van zijn gemeenschap- het gaat erom de gerichtheid van beiden te onderzoeken, niet om weer een nieuwe structuur van de grond te krijgen. De auteur is niet voor niets psycholoog. Dit maakt het boek naar mijn bescheiden mening ook waardevol voor gelovigen die nog wel enthousiast zijn over hun traditionele gemeente, of die niets zien in huiskerken of groepen (daar is Crabb zelf ook niet onverdeeld enthousiast over). Dit boek heeft geen kritiek op de vorm, maar op de inhoud. En ook de aanbevelingen zijn gericht op de inhoud, niet de vorm. Liefhebbers van de kerk in welke uitingsvorm dan ook hoeven dus niet bang te zijn door dit boek tegen het hoofd te worden gestoten, hoewel de auteur vaak dezelfde vragen stelt als kerkverlaters en ‘post church’-christenen. En zelfs als mensen zelf die vragen niet stellen, lijkt het me geen slechte zaak als ze zich kunnen verplaatsen in de belevingswereld van hen voor wie ze wel leven.
Het kwam overigens wel een beetje als een verrassing om een dergelijk boek te lezen van de hand van Larry Crabb. Hij is per slot van rekening een evangelische veelschrijver op het gebied van pastorale onderwerpen (ik heb meerdere boeken van hem in de kast staan) en wordt door heel wat andere auteurs instemmend geciteerd. Hij was een ‘middle of the road’ christelijke auteur, van wie niet veel schokkends kon komen. In mijn mentale boekenkast had ik hem dus alvast ingedeeld bij de kerkmensen, auteurs die de gangbare evangelische terminologie hanteren, die de standaard dogma’s zonder vragen aannemen en de gang van zaken in de christelijke wereld ondersteunen. Daaruit blijkt overigens dat het lang geleden is dat ik iets van hem gelezen heb, want onder andere in Van Binnen Uit wijst hij er al op dat niet het uiterlijke christelijke gedrag is wat telt, maar de situatie in ons hart, met zijn donkere en lichte plekken. Tijd om dat boek te herlezen, maar dat ter zijde.

Bij het lezen van dit boek ontdekte ik dat Crabb een verleden heeft gehad bij de Plymouth Brethren (zoals de Vergadering van Gelovigen in de Angelsaksische wereld heet), en daar is weggegaan omdat een nieuwe vrouwelijke bekeerling werd gedwongen hoofdbedekking te dragen. Dat gaf herkenning. Het is trouwens interessant dat meerdere mensen uit de emerging church en organische kerk-hoek banden hebben met de Vergadering. Een opvoeding in deze kerk laat volgens mij bepaalde sporen achter, die leiden tot een ontevredenheid met de vaste vormen en structuren van georganiseerde kerken en een verlangen naar eenvoudig ‘samenkomen rond de Heer’. Dat is wat ik bij mezelf herken, gecombineerd met een zeker onrustig cynisme over het falen van het ‘kerkgenootschap’ dat zo begon volgens het ideaal, maar zelf ook verstarde tot een vorm, een structuur. Ik weet niet of ex-vergaderingbroeders ooit zullen kunnen zeggen dat ze hebben gevonden wat ze zochten. Aan de andere kant: als we dat van iets in deze gebroken, corrupte werkelijkheid zouden zeggen, zouden we aangeven tevreden te zijn met iets minder dan de volmaakte glorie van de Eeuwigheid. Dan is het beter om te blijven verlangen naar meer, wat precies is waar Crabb in dit boek op aanstuurt. De kerk is volgens hem een gemeenschap van christenen die verlangen naar meer dan een ‘beter leven nu’, naar meer dan het liefhebben van God om er zelf beter van te worden. De kerk zou moeten bestaan uit mensen die liefhebben om wille van God. Christenen die er van overtuigd zijn dat God beter is dan enig ander aards substituut. Crabb hamert erop dat wij allemaal verslaafd zijn, ten diepste aan onszelf. We ervaren een diepe leegte, die we op onze eigen voorwaarden proberen te vullen. Een van de manieren om die leegte te vullen is religie: gelikte diensten, emotionele ervaringen. Een ware kerk ontmaskert de leegheid van alle mindere geliefden, en wakkert het verlangen aan naar de Werkelijkheid, de Waarheid waarvoor we zijn geschapen.
Verder bleek Larry Crabb bekend met Brennan Manning, zowel zijn boeken als zijn persoon, een auteur die veel oog heeft voor genade en de onvoorwaardelijke liefde van Jezus voor zondaars, voor zwervers aan de troon van Gods liefde. Crabb pleit in navolging van Manning voor een onthutsende eerlijkheid. Genade is alleen effectief, betoogt hij, als die de hel in ons eigen hart openbaart. Als er een spoortje zelfgenoegzaamheid in ons overblijft, verliest de genade van God zijn glans al. Te vaak doen we ons in de kerk vromer voor dan we zijn, terwijl we in werkelijkheid leeg zijn, zondig, falend. Ik schrijf dit een dag nadat ik zelf weer voor een verleiding ben gevallen, en terwijl ik me bijna misselijk voel van vermoeidheid omdat ik al een tijdlang slecht slaap. Ik ben een wrak en ik heb genade nodig. Genade is niet iets dat mensen mij kunnen geven, maar wel iets waar mijn mede-gelovigen mij aan kunnen herinneren. Maar alleen als zij ook gebroken zijn, eerlijk zijn over hun falen, en hun eigen behoefte aan genade en niets dan genade openlijk erkennen. Belijd elkaar uw zonden (in een wederkerig proces) schrijft Jacobus, en u zult genezing ontvangen. Dat is het visioen dat Crabb schetst. Een aansprekend visioen. Maar ook een visioen dat rauw is, ongepolijst. Een visioen dat van mij vraagt mijn vroomheid vaarwel te zeggen, elke illusie op persoonlijke eer en lof van mensen te laten varen, en mijn hart voor anderen te openen, de lelijkheid van binnen incluis. Pas in deze eerlijkheid, zoals iemand als Manning die beschrijft van groepen van de Anonieme Alcoholisten, in de niets verhullende erkenning van het eigen onvermogen, ontstaat de ruimte voor heling.

Ten slotte bleek Crabb ook nog eens geïnspireerd door The Shack (De Uitnodiging). Dit boek van theologie in verhaalvorm heeft veel kritiek over zich heen gekregen (vooral uit gereformeerde hoek), maar is voor mij een prachtige omschrijving (in menselijke taal) van de niet manipulerende, gevende, gelijkwaardige en vooral blijde liefde tussen de personen van de drie-eenheid. Het presenteert de Vader, de Zoon en de Heilige Geest als levende, dynamische en actieve wezens, die elkaar niet overheersen of dienen vanuit een hiërarchische positie, als personen die boven of onder elkaar staan, maar die elkaar dienen uit vrije keuze, vanuit een positie van gelijkheid, en die enorm van elkaar genieten. Dit wordt ook wel de dans van de drie-eenheid genoemd, het diepste wezen van de mysterieuze God die Liefde IS. De God die in zijn diepste wezen wordt gekenmerkt door relatie. Het evangelie volgens deze visie is dat wij, mensen, zijn geschapen om deel uit te maken van deze dans, deze ‘perichoresis’ in theologische taal. Wij hebben er echter voor gekozen om in ons eentje te dansen, om onszelf niet uit te storten in liefde aan anderen, maar de belangrijkste rol voor onszelf te eisen. We hebben gekozen voor hierarchie in plaats van relatie. Maar zolang we ons isoleren van de Goddelijke, dansende gemeenschap zijn we afgesneden van de bron van het leven. Want elk leven in het universum vindt zijn oorsprong en bestemming in het mysterie van de liefde in het hart van de drie-eenheid. De dood en opstanding van Jezus hadden tot doel ons weer op te nemen in die levenbrengende dans. In Jezus werd de muziek van het hart van God zichtbaar, tastbaar, voelbaar. Jezus was de uitgestoken hand van God, waarmee hij ons weer de dansvloer op wil trekken, ons in zijn bewegende, vreugdevolle gemeenschap wil opnemen. En als we ons laten omarmen, ons laten meenemen op de muziek van Gods liefde, komt het leven van God door ons heen tot uitdrukking, dan breidt de dans zich als het ware door ons uit naar buiten. En dan ontstaat de kerk, betoogt Crabb. “God,” zegt hij, “is een feest dat gevierd wordt. En ik ben uitgenodigd op dat feest ... ik kan me naar het feest begeven door niets anders te verlangen dan in mijn diepste wezen gevormd te worden door de Geest, zodat ik tot vreugde van de Vader meer als Jezus zal worden ... Een samenkomst wordt een kerk, wanneer een groep christenen samen de muziek van het hemelse feest en de lach van God zelf hoort, en onhandig met de Drie-eenheid begint te dansen, om zo de hemelse manier van handelen in de relaties en omstandigheden van het leven op aarde te brengen.” Daar zeg ik ‘Amen’ op.

Hoe dit alles vorm krijgt in de praktijk? Dat kan meen ik, met Larry Crabb, op allerlei manieren. Dat kan in de rituelen van een orthodoxe of katholieke kerk, in de gezangen en de liturgie van een traditionele protestantse kerk, in de aanbidding van een evangelische gemeente, of in een gesprek van persoon tot persoon, van hart tot hart, met iemand die ook de muziek van God heeft gehoord zoals die is geopenbaard in Jezus. Er is niet een enkele vorm die ‘goed’ is of ‘slecht’. Waar het om gaat zijn mensen die de muziek hebben gehoord, en sindsdien ten diepste naar niets anders meer verlangen.

Fossielen, planeten, Falling Skies, Glen Keane, vrije wil, oosterse orthodoxie

Meestal worden alleen de harde delen van dieren als fossiel bewaard. Zo was er een soort zeedier waarvan men alleen maar wist dat die in buisvormige structuren leefde, en verwant was aan zeesterren en zee-egels. Nu is er een afdruk gevonden van de zachte delen van deze soort.
Voer voor astronomen: opnames van elke planeet waargenomen door de Kepler telescoop in baan rond elke betreffende star. En de eerste opnames van Mercurius door een satelliet in een baan om deze planeet.

Geen uitleg nodig: A year of fake science. Hilarisch.

Trailer voor de TV-serie Falling Skies - geproduceerd door Steven Spielberg. Over een invasie van buitenaardsen - waarover anders? En de aankondiging van een interessante SF-film.: Earthseed, over de kolonisatie van een nieuwe wereld waarbij kinderen uit DNA worden opgekweekt. Met verwijzingen naar Lord of the Flies.

Het vervolg op lieve Pixarfilm Monsters Inc. wordt Monsters University.

De bekende Disneytekenaar Glen Keane (die het beest ontwierp uit Beauty and the Beast) wordt mede geinspireerd door zijn geloof in God. "With the characters I've animated, I've always tried [to animate in a way] that reflects my own spiritual life. I animated the Beast's transformation in Beauty and the Beast where it was very much a reflection of Christ's transforming power. Or Ariel's longing to live in another world [in The Little Mermaid]—that's true of a spiritual longing."

Interessante vraag van Experimental Theology: "Why reduce Christian theology to an apologetics for free will? Do Christian have to go out there and convince their neighbors about free will? Is that the Great Commission? Personally, I'd like to see a theology that comes out right because we get God right." Ik heb zelf een heel boek geschreven over indrukwekkende vrijheid - waarin ik stel dat onze vrijheid belangrijk is. Maar het is ook een feit dat we zelfzuchtige mensen zijn die in een gevallen wereld leven en dus niet zo vrij zijn als we denken. We zijn 'slaaf van de zonde' en 'aan de vergankelijkheid onderworpen'. We zijn volledig afhankelijk van Gods genade, en paradoxaal genoeg is het die afhankelijkheid die ons vrij maakt. Het gaat dus inderdaad om God, de held. Zijn liefde voor ons is wat ons in staat stelt om lief te hebben, en dat is vrijheid.

Goed advies voor mensen zoals ik die neigen op alles 'ja' te zeggen en zich te laten opjagen. Vind jouw 'tribe' - de groep mensen wiens leider jij bent. "Frederick Buechner says that the place that you ought to serve is “where your greatest joy meets the world’s greatest need.” So define that. In your opinion, what is the world’s greatest need? (Everyone’s will be different). What is your greatest joy? How do they intersect in your life right now? How would you like them to? Another exercise: List your three favorite movies. (Don’t think about it; just list them.) Now look over your list. What is the common thread in all three? That common thread is typically your passion colliding with the world’s greatest need."

Een Belgische blogger en broeder is op een vergelijkbare reis als ik als het gaat om het ontdekken van de erfenis van de Oosters Orthodoxe kerk. "I do indeed think that the orthodox have a much more complete, biblical and coherent view on salvation than the good-friday-only penal substitution some of us protestants preach! And we can and should also learn a lot from their non-dualistic view of reality, their insistance of the presence of God, and their embrace of paradox and mystery instead of trying to push all of reality into systematic theology!" Ook een mooi citaat van een orthodoxe schrijver: "It is very difficult in our culture, where the wrathful God has been such an important part of the gospel story, to turn away from such portrayals – and yet it is necessary – both for faithfulness to the Scripture, the Fathers, and the revelation of God in Christ."

zondag 27 maart 2011

De natuur komt tot leven

De overgang van de winter naar het voorjaar biedt genoeg stof tot fotograferen. Vooral met de macro-instelling in de aanslag.
 





zaterdag 26 maart 2011

Blast from the past 2: De bron van de verschillen

Wie het vorige bericht onder deze titel gelezen heeft, weet wat hij kan verwachten in deze editie. Geen filosofische overdenkingen, of theologische bespiegelingen, maar een persoonlijke terugblik op de tijd voor mijn overspannenheid. Ik vertelde in de eerste aflevering hoe ik tot het inzicht kwam dat ik de Johan van toen ten onrechte had verguisd. Ik had hem jarenlang uitgemaakt voor wettische betweter en bemoeial, een Farizeeër die niet van het leven kon genieten en mensen die het niet met hem eens waren veroordeelde, een workaholic die werd gedreven door schuld- en plichtgevoel, kortom: een onaangenaam persoon, met wie ik me niet wilde associëren. Ik had geprobeerd hem uit mijn gedachten te bannen, en die periode te zien als een donkere bladzijde uit mijn persoonlijke geschiedenis. De Johan van nu was totaal iemand anders. Die had niets meer te maken met de persoon van toen.
Maar ik keek naar mijn verleden door een zwarte bril. Ik was bevooroordeeld. Wat ik opnieuw moest beseffen, was dat ik toen dezelfde persoon was als nu. Een persoon met dezelfde humor, dezelfde liefde voor verhalen, fantasie en vissen, met dezelfde creativiteit en dezelfde eerlijkheid als de Johan van nu. Die jaren die ik altijd door een donkere bril had bekeken, horen gewoon bij mijn persoonlijke geschiedenis. Ze zijn als boeken uit een tot nu toe 34-delige serie, die ik van zolder mag halen, waar ze stof lagen te verzamelen, en die ik weer in de kast mag zetten, tussen de andere delen, waar ze thuishoren. Ik mag terugkijken naar deze tijd zonder mezelf te veroordelen, ik mag genieten van de goede herinneringen van toen, en tegelijk verdriet voelen om de druk die ik mezelf oplegde, en het schuldgevoel waar ik mijzelf (onterecht meestal) mee strafte.
Misschien is dit wat mensen bedoelen, als ze spreken over ‘jezelf vergeven’ - het verloren, afgesneden deel van jezelf weer thuis ontvangen, en zijn plek laten innemen. Daarbij hoort dat je het goede van die tijd op waarde schat, maar zonder het verkeerde goed te praten. Volgens mij is dat de enige manier waarop een mens echt van zijn verleden kan leren, en waarop echte en blijvende verandering mogelijk is. Dat is de enige manier om niet aan symptoombestrijding te blijven doen, en de ware wortels van destructief gedrag te vinden en uit te roeien.

Ik vertelde hoe ik voor het eerst in jaren op bezoek was bij een vriend uit mijn ‘donkere’ periode, en hoe ik met hem driehonderd pagina’s e-mailcorrespondentie uit die tijd doornam. Later praatten we erover door. Want als we zoveel met elkaar konden delen, waarom ontstond er dan zo’n kloof tussen ons? Waarom kon onze vriendschap niet blijven bestaan? Ja, we dachten over sommige zaken verschillend, en voerden lange discussies over de ontwikkelingen in onze geloofsgemeenschap, en over postmodernisme, en bijbelstudie. Maar vrienden moeten over sommige onderwerpen van mening kunnen verschillen, dat hoort erbij. Wat we nu ontdekten was dat de verschillen dieper zaten.
Toen ik schreef dat ik zocht naar een manier om te ontspannen, adviseerde mijn vriend me om rustig iets uit de bijbel te lezen, of naar christelijke muziek te luisteren, want dat was voor hem ontspannend. Een film kijken zou weer inspanning zijn, betoogde hij. Hij kon op dat moment niet weten dat deze dingen voor mij een heel andere lading hadden. Bijbellezen was voor mij niet ontspannend. Net zo min als bidden of christelijke muziek dat was. Het was iets dat ik deed uit plicht, dat een ‘moeten’ was geworden, en dat me dus juist spanning opleverde als ik het zou doen. In een andere mail vroeg mijn vriend ‘Denk jij dat een hele dag niet christelijke romans lezen, omdat je dat leuk vindt, verkeerd is? En zo nee, waarom niet? Is het te passen in teksten als: we moeten onze tijd uitkopen (Ef. 6)?’ Voor hem was het een legitieme vraag. Hij kon niet weten dat het bij mij schuldgevoel opriep, dat ik me veroordeeld voelde. Hij kon niet weten dat ik de vraag of iets verkeerd was, direct op mezelf zou toepassen, dat ik het zou interpreteren alsof ikzelf verkeerd was (zodra ik iets deed dat mogelijk verkeerd zou kunnen zijn). Mijn vriend dacht dat ik hetzelfde in elkaar zat als hij, dat ik dezelfde motivaties had als hij, dat bij mij dezelfde diepe overtuigingen ten grondslag lagen aan mijn gedrag. En de technieken die hij zelf toepaste, die bij hem goed werkten, leidden bij mij tot een diepere wanhoop. De adviezen die hij zelf vrij kon opvolgen, werden voor mij een dwang.
En andersom meende ik dat mijn vriend hetzelfde in elkaar zat als ik. Dat hij dezelfde motivaties had als ik, en dat zijn gedrag op dezelfde innerlijke wereld was gebaseerd. Dat wil dus zeggen dat ik dacht dat hij zich liet leiden door hetzelfde schuldgevoel als ik en hetzelfde plichtsgevoel. Dat hij net zo oordelend over zichzelf dacht als ik, en zichzelf net zo snel ‘verkeerd’ vond als ik. Dus toen ik overspannen werd, en meende dat mijn religieuze gedrag uit de periode ervoor allemaal zijn oorsprong had in schaamte en plicht, dacht ik dat hetzelfde moest gelden voor het religieuze gedrag van mijn vriend. Het feit dat ik niet kon bidden zonder mezelf onder druk te zetten, betekende dat hij dat ook niet kon. Het feit dat ik uit de bijbel las omdat ik alleen zo een ‘goed christen’ kon zijn, betekende dat hij dat ook deed. Het kwam niet bij me op dat mijn vriend uit de bijbel las omdat hij het graag wilde, en bad zonder dat het voelde als een ‘plicht’. Omdat ik mezelf zag als een huichelaar, zag ik mijn vriend ook zo. En dus verbrak ik het contact, zonder ooit te vragen waarom hij nou werkelijk deed wat hij deed, of hij hetzelfde over zichzelf dacht als ik.

De realiteit was dat er grote verschillen waren in de manier waarop wij in het leven stonden. We hadden het er nu, vijftien jaar na dato, eindelijk met elkaar over of we in ons hart wisten dat God van ons hield, dat we onvoorwaardelijk aanvaard waren. Daarin bleek het verschil te liggen. We vergeleken hoe wij omgingen met schuldgevoel, als we iets hadden gedaan waarvan we dachten dat het verkeerd was. (Bij mij waren het vaak kleine dingen, zoals het inkijken van X-menstripboekjes bij de tijdschriftenwinkel. Als ik dat had gedaan, voelde ik me soms dagenlang diep schuldig). Mijn vriend vertelde me nu dat hij er altijd van overtuigd was geweest dat God echt van hem hield. Als hij iets had gedaan waarvan hij overtuigd was dat het niet goed was, dacht hij niet dat God nu boos op hem was. Hij beleed zijn zonde, erkende dat het niet goed was, en dacht er verder niet meer aan. Hij voelde zich niet slecht of verontreinigd. Daarentegen voelde ik me een mislukkeling, iemand van wie God niet kon houden. Ik kon verstandelijk wel zeggen dat God van me hield. Maar het voelde niet zo. Het voelde alsof ik nooit goed genoeg was, alsof ik perfect moest zijn. En dat ik het oordeel verdiende als ik dat niet was. Voor mij was Gods liefde ten diepste voorwaardelijk.
Op mijn beurt vertelde ik mijn vriend waarom ik mezelf zoveel oplegde. Ik schreef het zelfs in een van mijn e-mails: “Ik denk dat het een soort compensatie is voor mijn teleurstelling in mezelf. Ik faal zo vaak in dienst van de Heer! En als ik maar veel lees, kan ik mezelf zeggen dat ik ‘het toch wel goed doe’.” Ik las vijf hoofdstukken per dag in de bijbel, memoriseerde bijbelteksten, studeerde Nieuw Testamentisch Grieks, bad een half uur per dag, las commentaren op de bijbel, bezocht elke mogelijke samenkomst, maar het was nooit genoeg. Ik kon nooit tevreden zijn met mezelf. Tot ik volmaakt was, kon ik mezelf niet accepteren. Daarom dat ik zo gevoelig was voor suggesties over wat ik moest doen, de preken in de kerk die me opriepen meer te bidden en meer in de bijbel te lezen. Ik geloofde ten diepste niet dat God van mij hield zoals ik ben, dat God me al volledig aanvaard had, en dat ik Gods liefde niet hoefde verdienen.

Mijn vriend en ik vertoonden dus aan de buitenkant hetzelfde gedrag. We lazen allebei veel uit de bijbel, waren actief in de kerk, baden veel, probeerden te evangeliseren, en lazen een boel. En omdat we van buitenaf zo op elkaar leken, dachten we dat we dus ook van binnen wel hetzelfde zouden zijn. Maar de realiteit was dat we van binnen nogal van elkaar verschilden. Om naar het plaatje bovenaan te verwijzen: we sprongen allebei uit het water. Maar mijn vriend deed het omdat het bij hem paste, omdat hij ervan genoot, omdat hij een dolfijn was. Daardoor kon hij het ook volhouden. Ik deed het omdat ik het mezelf oplegde, maar het ging bij mij niet vanzelf. Ik was een koe. En dus werd ik al snel moe van het onnatuurlijke springen.
Mijn vriend was in staat zichzelf te accepteren, omdat hij geloofde dat God van hem hield. Daarom kon hij al bidden, bijbellezen en evangeliseren zonder er overspannen van te worden, zonder religieuze plicht. Daarentegen vond ik mezelf tekortschieten, ik kon mezelf niet accepteren, omdat ik in mijn hart niet echt geloofde dat God zomaar van mij kon houden. En dus deed ik al die dingen om beter over mezelf te denken, om mezelf voor God acceptabel te maken, om er als christen bij te horen. En ik werd er overspannen van. We geloofden met ons verstand dezelfde dingen over God en over onszelf, toch waren ons Godsbeeld en ons zelfbeeld in ons hart totaal verschillend. We hadden dezelfde intellectuele leerstellingen over God gehoord op de zondagsschool en in de kerk, maar we hadden ze anders geïnterpreteerd. Omdat onze ervaringen anders waren. Mijn vriend had als kind een andere relatie met zijn ouders als ik, had andere ervaringen op school (waar ik bijvoorbeeld was gepest omdat ik zo anders was dan anderen). Hij had tijdens zijn jeugd heel andere beelden opgedaan van ouderliefde, acceptatie en veiligheid, dan ik. Zijn gedrag had dus een heel andere basis.
Veertien jaar geleden waren we ons daar niet van bewust. Het kwam niet in ons op om de ander naar die diepe beelden te vragen die onze waarneming en ons gedrag kleurden. En omdat we dit niet wisten, en er niet over konden praten, dreven we uit elkaar, en verbrak ik het contact. Gelukkig waren we nu allebei ouder en wijzer, en konden we elkaar recht in de ogen kijken en ook over deze soms pijnlijke zaken delen. We durfden elkaar te vertellen wat ons in onze jeugd was overkomen, en waarom we soms nog steeds gevoelig reageren als we aan die gebeurtenissen herinnerd worden. Doordat we zonder elkaar te veroordelen of af te wijzen naar elkaar konden luisteren, konden we elkaar vergeven. Er was opnieuw een basis voor relatie. Een basis niet in gedeelde interesse voor bijbelstudie alleen, zoals vroeger, maar in openheid en respect. Zelfs al verschilden we nu meer dan toen in ons religieuze gedrag, kerkgang en sommige overtuigingen ten aanzien van de bijbel, we deelden meer op een dieper niveau.
Het was mooi om te merken dat we nu allebei begrip konden opbrengen voor de verschillende ervaringen die aan ons gedrag ten grondslag hadden gelegen, en nog steeds liggen. Want ik begrijp nu dat ik nog steeds opgejaagd wordt door hetzelfde gevoel van tekortschieten, van niet goed genoeg zijn. Het stoppen met het religieuze gedrag maakte niet een einde aan de innerlijke slavendrijver, de diepe leegte die mij voortdreef. En met dat besef wordt de eerste stap gezet naar genezing. Genezing van de relatie, maar ook genezing van die beschadigde beelden diep in het hart. Want adviezen en opmerkingen op het niveau van gedrag bieden geen uitkomst. De beelden van binnen moeten worden veranderd. Dat gaat niet door informatie van buitenaf. Kennis heeft er niets mee te maken. Het enige dat de wond kan genezen is de ervaring van acceptatie en liefde. Leren liefde te ontvangen van God, van anderen en leren mezelf te accepteren. Dat is het proces waar ik me in bevind. En dat proces zal nog wel even doorgaan. De ontmoeting van twee weken geleden was er een onderdeel van.

vrijdag 25 maart 2011

Intelligente vissen, koekoeken, de Wacht verfilmd, ambitie en hoge verwachtingen

Vissen zijn intelligent, blijkt uit onderzoek (maar ik heb het ook altijd al betoogd als ervaren aquariumliefhebber). Zo weten vissen op koraalriffen donders goed dat ze speervissers moeten ontwijken. Ik geef ze groot gelijk.

Wetenschappelijk verantwoord buitenaards leven.

De evolutionaire oorlog tussen vogels en koekoeken leidt tot extra kleurgevoelige cellen in het netvlies bij vogels, en perfect nagebootste eieren bij koekoeken.

Op het eiland Minorca leefden 5 tot 3 miljoen jaar geleden reuzenkonijnen, zes keer zo groot als gewone, die niet konden springen.

De boeken van Terry Pratchett over de stadswacht worden bewerkt tot een televisieserie. Dit zijn mijn favoriete delen uit de Schijfwereldserie, dus ik ben wel benieuwd!

De volgende Narniafilm wordt niet The Silver Chair (helaas voor mij als Eustaas-fan), maar The Magicians Nephew, over de schepping van Narnia. Is ook een mooi boek!

De trailer voor historische superheldenfilm Captain America ziet er goed uit, met een Indiana Jones-achtig sfeertje.

Een blogger op Jezus Creed stelt dat ambitie niet altijd een deugd is, maar dat het mensenlevens kapot kan maken. "Within the American evangelical church we view ambition as a virtue. We condone ambition, we reward ambition, we cultivate ambition, we admire ambition, we feed ambition. And this is a serious problem.Ambition, although not always clearly recognized and acknowledged as such, wreaks havoc in the church. Sexual sin, despite the attention payed to it, is of less significance if we consider impact on community and pain caused." Goed punt: ambitie plaatst denk ik snel materiële doelen boven het belang van individuele mensen of relaties. En die laatste zijn toch echt het belangrijkst.

Dit hangt samen met een artikel dat wordt aangehaald op Mockingbird over de verwachting die heerst in de maatschappij dat we het beste uit onszelf moeten halen. We moeten ons schuldig voelen als we mogelijkheden die we hebben niet ten volle benutten. "This is the vision of perfection we’ve signed up for: That you must outsmart, outwork, outrival and outdream everybody else or consign yourself to a life of frustrated obscurity or worse. Perfection has always held a kind of promise, but this conception of it sounds less like a promise than a threat."  Dat voel ik ook. Ik noemde het in een eerder blogbericht wel de zonde van het vergelijken. Maar: "What would happen if I stopped measuring myself against an ideal and continually coming up short? Would I be better? Would ceasing to think so much about becoming a better person actually make me a better person?"

donderdag 24 maart 2011

De pijl van de tijd 2: Vroeger was alles beter

In het vorige artikel in deze mini-serie (hoewel ik blij zal zijn als het bij maar vier afleveringen blijft. Ik ken mijn eigen valkuilen, waarvan een zekere breedsprakigheid er een is) stelde ik dat de tijd zich van het verleden weg beweegt. Wat er nu gebeurt, wordt bepaald door wat er in het verleden is gebeurd. Wat er in de toekomst zal gebeuren, wordt veroorzaakt door wat er nu gebeurt. Maar wat gebeurd is, staat voor eens en altijd vast. Gebeurtenissen uit de toekomst kunnen er geen enkele invloed op uitoefenen, behalve in science fiction-verhalen. En die zijn niet voor niets ‘fiction’. Het is dus niet zo dat er in de natuur ooit gebeurtenissen plaatsvinden om een bepaald doel te bereiken, om een beoogd resultaat te behalen. Dat zou namelijk impliceren dat een toestand in de toekomst bepalend is voor een gebeurtenis in het verleden. De pijl van de tijd gaat echter maar een enkele richting uit.

Dit geldt niet alleen voor de kosmologie en de geschiedenis van het heelal, maar ook voor de biologie en de geschiedenis van het leven. Het is ondertussen uit de studie van fossielen en uit moleculair biologisch onderzoek wel redelijk duidelijk vast komen te staan dat dier- en plantensoorten niet statisch zijn, maar dat er veranderingen plaatsvinden en een soort kan veranderen in een andere soort. En die weer in een andere. Verschillende soorten en groepen soorten volgen elkaar zo op in de tijd. Ze kunnen op een tijdsbalk achter elkaar worden weergegeven. Eerst zie je dan alleen maar eencellige dieren, dan zie je meercellige dieren, dan vissen, dan landdieren, dan reptielen, dan zoogdieren en dan de mens. En andersom kun je vanuit de mens een hele lijn terug trekken naar de eerste eencellige met alle soorten die daar tussenin leefden. Vaak wordt deze informatie weergegeven in een soort ‘evolutionaire boom’, waarin de mens de hoogste tak vormt, het hoogste puntje. Het lijkt er zo op dat de mens het doel was van de evolutie, dat de geschiedenis daar naar toe werkte. Maar dat is een artefact van onze illustratiemethodes, want de evolutie heeft natuurlijk geen doel. Er is geen eindpunt dat moet worden bereikt. De processen van mutatie en selectie zijn er niet op gericht om uiteindelijk intelligentie te bereiken, ze zijn niet zo geprogrammeerd dat er een soort moet ontstaan die schoonheid kan waarnemen en beschavingen beginnen. Evolutie heeft zelfs niet tot doel de complexiteit van het leven te laten toenemen. Er wordt nergens naar toe gewerkt. Elke volgende stap in het evolutieproces wordt, net als in de kosmologie, bepaald door de situatie in het heden. In het genetisch materiaal dat nu op Aarde aanwezig is, vinden mutaties plaats (door stralingsdeeltjes die in het verleden van hun stralingsbron vertrokken, en die niet als doel hadden op DNA in te slaan in het heden). En de omstandigheden in het heden bepalen of dieren blijven leven of sterven, dus of hun erfelijk materiaal naar de volgende toekomstige generatie wordt doorgegeven, of niet. Als een mutatie een organisme een hogere overlevingskans biedt, is de kans groter dat deze in een volgende generatie terechtkomt, dan wanneer de mutatie leidt tot een lagere overlevingskans. Maar alle factoren die bepalen of een mutatie doorgaat naar de volgende ‘ronde’, bevinden zich in het verleden. Dat er bij onze voorouders intelligentie en zelfbewustzijn ontstond, was dus niet de ‘bedoeling’. Het was kennelijk toevallig een eigenschap die onze voorouders hogere overlevingskansen bood. In de tijd van de dinosaurussen kon het leven vele miljoenen jaren blijven floreren zonder dat er intelligentie in het spel was. En waren de omstandigheden weer anders geweest, zodat bijvoorbeeld er geen overlevingsvoordeel was van meercelligheid, dan zou onze planeet nog steeds alleen bevolkt zijn door eencelligen. En waren de omstandigheden weer anders, dan zou het zelfs denkbaar zijn dat er maar een enkele soort was. Sterker nog: eencelligen en vooral bacteriën zijn nog steeds de meest succesvolle levensvormen op onze planeet, en vooral in onze aardkorst. Als je alle massa van al het leven op en in de Aarde bij elkaar optelt, komt het grootste deel op rekening van deze nederige wezentjes. Mensen zijn maar een toevallige uitkomst van de processen uit het verleden, en dat wij kunnen denken is een eigenschap die ontstaan is door een samenloop van omstandigheden. We zijn dus in wetenschappelijk oogpunt niet de kroon van de schepping. Als we als mensen onszelf bijvoorbeeld zouden uitroeien, zou onze beschaving in al zijn glorie maar een voetnoot zijn in de geschiedenis van het leven. In elk geval kunnen biologen om het huidige leven in al zijn verscheidenheid te begrijpen alleen maar terugkijken naar het verleden, en naar de processen die hebben geleid tot de huidige vormen. De toekomst heeft uit evolutionistisch perspectief geen betekenis voor het heden.

Wat ik interessant vind, is dat de christelijke ‘stroming’ die zich het sterkst tegen de evolutietheorie in al haar facetten verzet, op dit punt opvallende overeenkomsten vertoont met de evolutionisten. Ik heb het hier over ‘jonge aarde creationisten’ - als een onderdeel van een bredere christelijke stroming - degenen die geloven in de schepping van een perfecte wereld (of dat nu zesduizend of miljarden jaren geleden is), een wereld zonder dood of pijn, zonder dierenleed en zonder menselijk verval. Ze geloven dat onze wereld, het heelal, door God is gemaakt in een paradijselijke staat. En de mens die in deze wereld werd geplaatst was zelf ook volmaakt: het toppunt van menselijke perfectie - lichamelijk, geestelijk, intellectueel en moreel, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks. Deze mensen leefden in een volmaakte gemeenschap met God, en hadden verder niets meer nodig. Gods ideaal was bereikt. Gods werk zat er op.
Dit volmaakte verleden is voor deze gelovigen het ijkpunt. Hun ‘Grote Verhaal’ (dat ik nu wel heel kort en kort door de bocht samenvat) vertelt hoe de mens door God ongehoorzaam te zijn van zijn verheven, volmaakte positie ‘viel’. De mens viel terug in een staat van ziekte, moeite, pijn en imperfectie. En in zijn ‘val’ sleurde de mens de hele schepping mee. Omdat de mens de perfectie verliet, werd ook de rest van de wereld in de ellende gestort. Het is een verhaal van verval, van degeneratie. De dingen zijn niet meer zoals ze geweest zijn. Vanaf de val gaat het alleen maar bergafwaarts. Sommige christenen betogen dat letterlijk in hun verweer tegen de evolutietheorie, dat het ontstaan van nieuwe soorten een kwestie is van degeneratie, dat er geen nieuwe eigenschappen en genen worden toegevoegd, maar dat genen muteren en hun functie verliezen. Het perfecte DNA van de oervormen wordt steeds verder beschadigd, en daardoor ontstaan afwijkende, minder perfecte soorten. De natuur wordt ook moreel steeds perverser, want er ontstaan virussen, parasieten en andere uitbuiters. Het is als een glijbaan op weg naar het verderf, want het proces van dood en verval kan natuurlijk niet tot stand worden gebracht. Dat geldt op heel grote schaal voor alle soorten, die kennelijk in een proces van degeneratie terecht zijn gekomen. Het geldt ook voor de menselijke beschaving. Van vooruitgang kan geen sprake zijn, onze inspanning is vechten tegen de bierkaai. Uiteindelijk zijn we met z’n allen op weg naar de ondergang. We kunnen het hoogstens even tegenhouden. En er is ook geen hoop dat we het proces kunnen omkeren. En in ons individuele leven al net zo: al onze inspanningen ten spijt zullen we onszelf niet kunnen verbeteren. Het gaat alleen maar slechter en dat moet ook, want we zijn gevallen van de perfecte staat waarin we ooit begonnen.
Natuurlijk is dit niet de enige boodschap van christenen uit deze stroming. Ze prediken ook over de verlossing. Maar de verlossing, de hoop die ze brengen, staat in het teken van het verleden. Wat God van plan is, is de schepping terugbrengen naar die volmaakte staat waarmee ze ooit begon. Wij hebben er een zootje van gemaakt, en God zal de boel opruimen. Al onze menselijke inspanningen zullen daar geen rol bij spelen, die zullen verloren gaan. God voert de mens terug naar het paradijs. En dit tijdvak van strijd, van lijden, van ontbering, maar ook van beschavingen, van cultuur, van ontdekkingen, zal niet meer zijn dan een donkere pagina in de geschiedenis van alles, een vlek die maar het best vergeten kan worden. Niemand zal meer willen denken aan die tijd dat de mens het voor de schepping verpest had. God zal van buitenaf ingrijpen, en alles zal weer voor altijd bij het oude zijn. God is in deze visie eigenlijk conservatief, behoudend, reactionair, en niet vernieuwend, creatief en revolutionair. En de toekomst die door deze christenen wordt geschetst is ook een (in mijn bescheiden mening) vaak saaie toekomst, waarbij voor de rest van de tijd alles hetzelfde blijft, waar niets meer ontwikkelt, waar niets meer gebouwd wordt en mensen geen avonturen meer kunnen beleven. Als het God alleen maar gaat om het herstel van de paradijselijke toestand uit het verleden, als God op het verleden gericht is, is de toekomst iets statisch.

Beide visies waarbij het verleden het ijkpunt is, waarbij de tijd wordt gezien als een pijl die zich van het verleden af beweegt, bieden uiteindelijk geen hoop  voor deze wereld, voor ons menselijke leven in deze materiële werkelijkheid. Ik heb al proberen aan te geven dat dit geldt voor de christelijke visie, waarin alleen het paradijs aan het begin van de tijd (het vertrekpunt) perfect was, en alles wat er sindsdien gebeurt alleen maar verder af beweegt van die ideale toestand. Al onze menselijke pogingen om ons in te zetten voor het milieu, voor gezondheid, voor onze medemens, zijn hoogstens doekjes voor het bloeden, maar hebben geen blijvende betekenis. Uiteindelijk zal deze wereld worden opgedoekt, zal alles wat wij hebben gemaakt of gedacht of geschreven als in vuur vergaan, als God zal zorgen voor een ‘reboot’, een herstart. Ik voelde dit ooit al instinctief aan als een ten diepste wanhopige boodschap. Ik herinner me nachtmerries, akelige dromen over de toekomst. Waarin ik bijvoorbeeld zorgen maakte over wat er ging gebeuren met mijn vissen als ik naar de hemel ging. Waarin alles wat ik belangrijk vond, of naar verlangde, waardeloos bleef. Waarin ik de eeuwigheid moest doorbrengen in een soort troonzaal waarin niets meer gebeurde en niets veranderde, waarin ik alleen maar kon zingen.
Maar hetzelfde wanhopige gevoel overvalt mij bij het Grote Verhaal van de kosmologie en de evolutie. Ook die poneren namelijk dat de hele geschiedenis een verhaal is van verval. Ik zei dat de tijd wetenschappelijk kon worden verbonden aan de wetten van oorzaak en gevolg, maar je kunt net zo goed zeggen dat de tijd verbonden is aan het gestage verlies van ordening in het universum. Dit noemen we als wetenschappers ‘Entropie’. We weten allemaal dat niets voor niets gaat. Aan alles zit een prijs, ook op kosmisch niveau. Alles wat gebeurt, elke ontwikkeling, elk ‘gevolg’ na een ‘oorzaak’, kost energie. Bij elk proces gaat wat energie verloren, wat een andere manier is om te zeggen dat de chaos een klein stukje toeneemt. De ordening van het systeem neemt onherroepelijk af. Het universum begon als een oneindig heet, oneindig dicht punt, en sindsdien neemt de temperatuur af en daalt de dichtheid. Een deel van de materie is nu verzameld in sterren, maar sterren houden ooit op met branden. Over miljarden jaren raakt de materie in het heelal zo wijd verspreid dat er geen nieuwe sterren meer worden gevormd. Uiteindelijk blijven er slechts zwarte gaten en donkere sintels over. En na nog weer vele miljarden jaren vallen de atomen uiteen tot subatomaire deeltjes. Dan is het heelal bovendien zo ver uitgezet dat het feitelijk bestaat uit leegte, waarin niets beweegt, waarin niets trilt, waarin niets meer gebeurt. Wat wij ook verrichten als mensen, waar we ons ook mee bezighouden, deze ‘hittedood’ van het universum kunnen we nooit tegenhouden. Er blijft niets over wat ook maar herinnert aan de mens en aan het leven.

Maar ik zal mijn lezers niet achterlaten met een allesoverheersend gevoel van wanhoop. Ik geloof namelijk dat de bijbel laat zien dat het Grote Verhaal van God is gericht op de toekomst. Ik geloof dat God niet aanstuurt op het herstel van een ideale situatie in het verleden, maar op een heerlijk, avontuurlijk, steeds expanderend Koninkrijk in de toekomst. God kijkt vooruit. De werkelijkheid is ‘doelgericht’. Dat betekent dat de pijl van de tijd voor de christen niet afkomstig is uit het verleden, dat we ons niet afbewegen van de perfectie, maar dat de pijl van de tijd op weg is naar de toekomst, dat we op weg zijn naar onze bestemming. Dit is een visie die werkelijk hoop geeft, voor de christen en voor het universum. Het is ook een visie die het voor gelovigen mogelijk maakt vast te houden aan de bijbelse waarheid en tegelijk de waarnemingen van wetenschappers serieus te nemen. Meer daarover in het volgende deel van deze serie ...

Wordt vervolgd ...

woensdag 23 maart 2011

Dordtse burcht

Hij is zelfs onder Dordtenaren nog niet zo bekend, heb ik begrepen, de ruine van het Huis te Merwede. Afgelopen zaterdag had ik het voorrecht door goede vrienden te worden meegenomen naar de resten van de ene toren die nog overeind zijn blijven staan. Natuurlijk had ik mijn fototoestel bij me. Wat dachten jullie dan?




Stilleven aan de waterkant.

En als toegift nog twee andere staaltjes van Dordtse architectuur.


Boekbespreking: Voices

Ik ben een fantasyliefhebber - ik maak er geen geheim van. Ik ben natuurlijk lyrisch over Tolkien en Lewis, over wie ik op deze blog meermalen heb geschreven. Maar ik heb tal van schrijvers ontdekt die in hun navolging nieuwe werelden verzinnen, spannende queestes beschrijven, betoverende taferelen oproepen en sympathieke karakters weergeven. Schrijvers als William Horwood met zijn epische dierenverhalen, Stephen Lawhead met zijn versmelting van keltisch christendom en oude historie, David Gemmell met zijn heldhaftige strijders, Stephen Donaldson met zijn heftige emoties en bijzondere hoofdpersoon, Guy Gavriel Kay met zijn levensechte situaties en mooie beschrijvingen, Steven Erikson met zijn diep gelaagde wereld en gruwelijke oorlogen, Robin Hobb met haar unieke draken en invoelbare personages, en niet te vergeten Joanne Rowling met haar sympathieke tovenaarsleerling. (Van David Eddings, Terry Brooks, Raymond Feist en Robert Jordan ben ik echter niet zo gecharmeerd.) Ik ben niet bang voor de omvang van hun boeken, en investeer graag de tijd om een serie van drie, vijf of tien boeken te lezen, en soms opnieuw te lezen. Zelf hoop ik ook nog altijd een keer een fantasyboek te schrijven (je moet iets te dromen houden). Ik vind het jammer dat er zoveel vooroordelen heersen ten aanzien van de fantasyliteratuur. Alsof verhalen die werkelijk wat te zeggen hebben, zich moeten afspelen in onze eigen werkelijkheid. Het tot leven roepen van een nieuwe wereld, met eigen regels en eigen schoonheid, en karakters die deze wereld bevolken, als uit het niets, is volgens mij ‘kunstiger’ dan het zoveelste semi-autobiografische boek over een schrijver met een midlife crisis. Elk verhaal is ten slotte minstens gedeeltelijk verzonnen. Dat geldt zelfs voor verhalen die gebaseerd zijn op werkelijke personen of gebeurtenissen. Als iemand een verhaal vertelt of opschrijft vindt er altijd subcreatie plaats. De wereld in het verhaal is altijd tot leven geroepen door de verteller of de schrijver, of die nu lijkt op de wereld waar wij in leven, of er totaal van verschilt. De al dan niet fantasievolle setting van een verhaal kan daarom niet worden gebruikt als argument tegen de kunstigheid ervan. En ja, veel fantasyverhalen hebben uiteindelijk een ‘happy end’ - maar dat is mijns inziens geen argument om ze maar als lectuur af te doen. Alsof iets dat mooi is niet meer tot de kunst kan worden gerekend! Een slechte afloop kan net zo goed cliché zijn. Waar het om gaat is hoe dat einde bereikt wordt, en wat het de karakters kost. Veel van de schrijvers die ik hierboven noemde zou ik zelf zien als literatoren, en niemand zou zich moeten hoeven schamen voor het lezen van hun boeken.

Maar hoewel ik de fantasy te vuur en te zwaard zal verdedigen, zie ik ook wel negatieve kanten aan het genre. Als ik bijvoorbeeld in de American Book Centre voor de kasten met science fiction en fantasy sta, en door de boeken blader of de achterflapteksten lees, is er weinig dat zich onderscheidt. Ik ontdek graag nieuwe auteurs, en nieuwe werelden om mezelf in onder te dompelen, maar keer op keer lees ik over vredige rijken die worden bedreigd door boze tovenaars of oude goden, en een select gezelschap van schijnbaar nederige types, op wie het lot van de wereld en het universum rust. Of juist over grimmige veldslagen en cynische generaals en oorlogen zonder goede partijen. Slechts weinig springt er voor mij echt uit. Ik wordt er soms zelfs een beetje moe van. De fantasyschrijver heeft het grootste pallet tot zijn beschikking dat er bestaat, oneindige mogelijkheden, en toch valt hij terug op een beperkte selectie mogelijkheden (briljant geparodieerd door Dianna Wynn Jones in haar ABC of Fantasyland!). Als ik dan realiseer dat ik drie of meer boeken van 900 pagina’s moet lezen om het hele verhaal te lezen, begin ik er maar liever niet aan. Ik vraag me zelfs wel eens af of de criticasters van het genre stiekem geen gelijk hebben. Maar dan lees ik weer een boek van bijvoorbeeld Ursula Le Guin, en herinner ik me weer wat ik zo mooi vind aan fantasy en verbaas ik me er weer over hoe een echt goede kunstenaar de uitgangsmaterialen van het genre kan herordenen en iets totaal nieuws kan scheppen. Dat deed Le Guin voordat fantasy als genre in de jaren tachtig populair werd al in de Aardzee-boeken, in mijn opinie Literatuur met een grote ‘L’. Je doet jezelf tekort als je deze boeken niet hebt gelezen, ongeacht of je fantasyliefhebber bent of niet.
LeGuins boeken zijn in naam ‘Young Adult’-novels - maar alleen omdat de hoofdpersonen vaak tieners zijn die worstelen met het ontdekken van hun eigen identiteit, en omdat er weinig expliciet geweld of seks in de verhalen voorkomt. Haar schrijfstijl lijkt ook op het eerste gezicht eenvoudig. Maar schijn bedriegt. Deze boeken zijn niet aan een leeftijdscategorie verbonden, de thema’s die ze aansnijdt zijn universeel, en ze suggereert heel wat zonder het expliciet te beschrijven. Ten slotte hanteert ze haar woorden als scherpe wapens, effectief. Ze weet precies het juiste op te roepen. Ze is een ware kunstenaar. Deze boeken zijn er om te lezen en te herlezen. Dat geldt ook voor Voices.

Zeventien jaar voor het begin van het verhaal werd de zonnige handelsstad Ansul ingenomen door de Alds, een volk uit de woestijn, gedreven door een religieuze queeste, namelijk de vernietiging van het geschreven woord. Ze plunderden de stad, verkrachtten vrouwen, vernietigden de universiteit en de bibliotheek. Ze onderdrukten de verering van de goden van Ansul en wierpen alle boeken die ze konden vinden in zee. En ze martelden de Waylord, een nobele die verantwoordelijk was voor de handel met buurtsteden. Nu zijn de inwoners van Ansul arm, bang en moedeloos. De Waylord, Sulter Galva, heeft zich kreupel teruggetrokken in zijn huis Galvamand. Hij heeft zich ontfermd over Memer, de dochter van iemand uit zijn huishouding, die bij de inname van Ansul door een Ald was verkracht. Memer blijkt een bijzondere gave te hebben: ze was in staat de door magie beschermde deur te openen van de geheime bibliotheek, de plek waar de laatste boeken van Ansul veilig worden bewaard. Sulter heeft haar leren lezen, maar heeft haar niet verteld welk geheim er schuilt aan het donkere uiteinde van de ondergrondse ruimte. Op een dag verschijnt in Ansul de dichter en zanger Orrec uit de verre Bovenlanden in het Noorden, met zijn vrouw Gry en hun tamme leeuw. Hij is gekomen op uitnodiging van de leider van de Alds, maar verblijft in het huis van de Waylord. Zijn voordrachten leiden tot het herstel van de trots van de inwoners van Ansul, en het eerste verzet tegen de vijandige overheersing. Maar als er iets is wat Orrec verafschuwt, is het als zijn woorden leiden tot geweld. Is er een mogelijkheid om Ansul te bevrijden zonder een bloedbad te veroorzaken? Dat kan alleen als Memer haar haat tegen de Alds opzijzet en haar eigen gave omarmt. Een gave die alles te maken heeft met de verborgen bibliotheek van Galvamand.

Dit boek is een vervolg op Gifts, maar is ook prima te lezen zonder het eerste deel te kennen. Wel voegt Le Guin interessante informatie toe aan haar beschrijving van haar wereld, zoals de oorsprong van de bevolking. Bovendien blijken de gaven uit het eerste deel niet beperkt tot de Bovenlanden. Opnieuw is er de suggestie dat de ‘magische’ krachten van de hoofdpersonen worden overgeërfd. Maar nu is er ook de suggestie van een geestelijke aanwezigheid, die spreekt door het orakel. Wat deze macht is, wordt niet verhelderd. En in het plot speelt de magie maar een beperkte rol. Wat uiteindelijk leidt tot de overwinning is het karakter van de Waylord, Orrec, Memer en de leider van de Gands. ‘Vrede zit in jullie botten’, zegt Gry van de inwoners van Ansul, als ze actief maatregelen nemen om ontaarding van het geweld te voorkomen. (Ik vond het ook ontroerend dat Memer, hoewel ze half-Ald is, de nakomeling uit een verkrachting, nooit om die reden wordt gediscrimineerd of uitgescholden.) De Waylord (een prachtig, teer karakter) blijft, ondanks de martelingen die hij heeft ondergaan, tegenstander van een gewelddadige revolutie. En ook de leider van de Gands luistert liever naar zijn vrouw van Ansul-afkomst dan naar de ophitsende priesters. De daden van de extremisten aan allebei de zijden dreigen het evenwicht herhaaldelijk in te laten storten, en steeds blijkt dat het kiezen voor vrede niet iets passiefs is, maar een actief besluit. Het vraagt ook opoffering: de ‘bad guy’ eindigt niet op de brandstapel, maar blijft in leven. Het boek eindigt ook niet in een epische strijd om de stad, maar in een politiek verdrag. Afzien van wraak is dus kostbaar. Maar misschien is het behoud van leven, welk leven dan ook, veel waardevoller. Dat is in elk geval wat de hoofdpersonen van het boek lijken te geloven.

Wat de geweldloze bevrijding van Ansul mogelijk maakt, is de gave van Orrec. Nu was het punt van het eerste boek juist dat hij geen magische gave heeft. Die heeft hij ook niet. Zijn gave is het schrijven en declameren van verhalen en gedichten. En verhalen en gedichten blijken iets belangrijks te communiceren. Het is dan ook niet toevallig dat de Waylord en zijn gave veel met het lezen te maken hebben en dat de leider van de Alds iemand is die met zijn hele hart houdt van poëzie. En ook niet dat zijn zoon, degene die de Waylord ooit heeft gemarteld, alleen geeft om zijn eigen carrière en niet om kunst of poëzie. De Alds vinden het opschrijven van woorden iets duivels. Ze vernietigen dan ook alle boeken in de door hen veroverde streken, en de mensen die boeken lezen. Dit is trouwens een algemeen toegepast middel om mensen te onderdrukken, door ze hun boeken te ontnemen. Lees bijvoorbeeld Fahrenheit 451 van Ray Bradbury, of denk aan de boekverbrandingen in het Derde Rijk. Door het lezen van boeken kom je namelijk i aanraking met gedachten anders dan die van jezelf of je gelijken. Boeken brengen nieuwe ideeën bij je binnen, verrijken je verbeeldingswereld, en geven inhoud aan theoretische concepten. Kunst, poëzie, literatuur vult het hart, en geeft daardoor richting aan het handelen en spreken, immers: waar het hart vol van is, daar stroomt de mond van over. De Alds zelf missen de boeken, en hebben daardoor een beperkt wereldbeeld, een beeldenwereld die erg zwart wit is. Omdat ze alleen hun eigen woorden kennen, beschouwen ze wat anders is dan zijzelf als vijandig, en demonisch.Tegelijk is hun waarheid, hun God, niet iets levends, een realiteit, maar een concept, een ritueel of traditie. De leegte van de beeldenwereld, de inhoudsloze dogmatiek, leidt tot keuzes die worden ingegeven door het verlangen naar macht, naar zelfverheffing, naar het eigen gelijk. Tegelijk is het volk van Ansul kreupel gemaakt doordat hun boeken - de vastgelegde verhalen en verbeelding - hen zijn afgenomen. Ze missen concepten van heldendom, van vrijheid, van opoffering, van vechten voor de goede zaak. Ze kennen alleen de realiteit van overheersing en slavernij. Hun hart is met opzet leeg gemaakt. Een stroom van levend water (let op het beeld van de bron van het orakel in dit verhaal) is drooggelegd. En dit leidt deels tot hopeloosheid, tot acceptatie van de status quo, want hoe kun je hopen op een betere wereld als je geen beelden hebt van hoe die wereld er uitziet. En deels leidt dit tot gewelddadig verzet: de onderdrukte verandert in de onderdrukker, vergoedt kwaad met kwaad, en eindigt zelf als tiran, omdat er geen beelden zijn van vergeving en verzoening.
Er is dus een belangrijke taak weggelegd voor de dichters, voor de schrijvers. Zoals Memer opmerkt: “Love of country, or honor, or freedom, may be names men give the pleasure of acting for te sake of acting, to justify those actions to the gods and to the people who suffer and kill and die in the game. So those words - love, honor, freedom - are degraded from their true sense. Then people may come to hold them in contempt as meaningless, and poets must struggle to give them back their truth.”
Maar boeken op zichzelf kunnen de wereld niet veranderen. Je vindt geen zwart wit antwoorden in de boeken, geen toekomstvoorspelling. Boeken geven alleen beelden, inhoud. Boeken maken niet je keuzes voor je, net zo min als orakelspreuken dat doen. Je houdt altijd zelf de eindverantwoordelijkheid. De vraag blijft altijd hoe je reageert op de beelden die de boeken je voorhouden. Weiger je ze te aanvaarden, of laat je je vullen, en maak je vervolgens keuzes gebaseerd op de nieuwe innerlijke beelden uit de gedichten?

Voor iedereen die houdt van boeken en die geïnteresseerd is in de kracht van het geschreven woord, is Voices een absolute aanrader. Ik kijk er zelf ondertussen naar uit deel drie van de serie te lezen.

maandag 21 maart 2011

Vervellende trilobieten, mormonen-SF, Caribische piraten, keuzevrijheid, Oosterse Orthodoxie

Net als krabben en kreeften kwamen trilobieten in grote groepen bij elkaar om te vervellen en te paren. 

Over trilobieten gesproken: deze tekenaar heeft wel interessante ideeën voor een nieuwe superheld (onder andere).

Fascinerend SF-verhaal, geschreven door een Mormoon, over een voorganger van een kerk met buitenaardse leden.

Ook fascinerend: WOII-propagandaposters die oproepen om te strijden tegen dinosauriërs

Actrice Jodie Foster (bekend van Contact) wil een SF-film regisseren!

En een nieuwe trailer voor Pirates of the Caribbean - On Stranger Tides. Je kunt van de eerste films zeggen wat je wilt, maar niet dat ze niet fantasievol waren.

Blog Jesus Creed stelt weer eens de vraag naar de samenhang tussen geloof en wetenschap: "Science must inform our understanding of scripture. Not because materialism and modernism trumps the supernatural and revelation, but because God is the creator. All science does is explore and seek to understand creation. Science does not inform our reading of scripture or our faith by confirming the reliability of scripture or by proving the existent of God. It does not reveal hidden messages or meanings in scripture. However, our improving understanding of the world does help us separate genre and form in scripture. It helps us dig into scripture and understand the message and intent."

Deze blogger reageert ook op de alverzoeningsdiscussie naar aanleiding van het boek van Rob Bell. Ik ben het met hem eens wat betreft het belang van onze keuzevrijheid. "I stand on the belief that my ability to choose is something God counts as so precious as to give me a choice to love or not and thereby I can opt out of relationship with God, deny the offer of paradise, and build my own Hell whether on earth or in the afterlife." Maar wie daarvoor wil kiezen, moet eerst zien voorbij het kruis te komen. "A cross that is not impotently framed on a wall like an IKEA wall hanging but holds the door open for all time, so that all who seek entrance to this place of separation have to try and get by it first."

Een Oosters Orthodoxe blogger schrijft over de werkelijkheid van de hel: "You cannot say Hell is realreal and the word real mean the same thing in both sentences. Whatever the reality of Heaven, Hell does not have such reality. Whatever the reality of Hell, Heaven is far beyond such reality. "

Waarom we niet met de hel moeten dreigen, en hoe de kerkvaders God niet zagen als een oordelende God, maar als een liefhebbende God. "Fear should never be the driving force in Christianity. Actions taken either to instill fear or motivate through the promise of reward also look highly manipulative to me. And manipulation is many things, but it is most emphatically not love."

zaterdag 19 maart 2011

Groninger luchten

De provincie Groningen is een stuk leger dan bijvoorbeeld Zuid-Holland. Ik zie aan de ene horizon Rotterdam, aan de andere Den Haag en daar tussenin Zoetermeer. In Groningen is er niets. Heerlijk. 


Blast from the past 1 - De zwarte bril gaat af

Nee, ik heb het hier niet over de film met Brendan Fraser. En ondanks de verwijzing naar het verleden in de titel ga ik ook niet schrijven over de pijl van de tijd of andere metafysische speculaties. Ik heb het in dit bericht en het vervolg over mijn eigen verleden. Dat betekent dat het in de volgende alinea’s behoorlijk persoonlijk zou kunnen worden - wie liever niet alles van mij wil weten, moet een paar dagen wachten op de volgende aflevering van mijn andere lopende miniserie (twee series die door elkaar lopen, zo ingewikkeld heb ik het nog niet eerder gemaakt!). Die miniserie blijft puur theoretisch (hoewel er wel praktische toepassingen aan te verbinden zijn) - en misschien ook wat saai. Voor elk wat wils, zullen we maar zeggen.

Maar goed, het geval is dat ik de afgelopen maanden opnieuw in contact kwam met een aantal vrienden en kennissen van veertien of vijftien jaar geleden. Via twitter en mijn blog (lang leve de ‘social media’) ontmoette ik een oud-studiegenoot met wie ik ooit behoorlijk felle discussies voerde (en met wie ik stripverhalen tekende in de collegezaal). Verder kreeg ik uit het niets een mail van een jeugdvriend die ik uit het oog was verloren. Hij bleek  in China te wonen! En bij de kerstkaarten (die ik, zoals gebruikelijk, pas begin februari opende), zat een kaartje van een vriend van mij uit Groningen, met de uitnodiging elkaar weer een keer te ontmoeten. Met deze vriend had ik een goed en intensief contact tijdens mijn studietijd. We kwamen allebei uit dezelfde geloofsgemeenschap, en deelden een passie voor bijbelstudie (en serieuze discussies). We ontmoetten elkaar onder andere op bijbelstudieweekeindes en zomerkampen, en we debatteerden veel via e-mail. In 1997 en 1998 schreven we in totaal voor ongeveer 300 A4tjes aan e-mails over en weer: mijn eerste echte gebruik van het medium. Ik weet nog dat ik met spanning zat te wachten tot er een mail van mijn vriend terugkwam, met zijn reactie op mijn betoog in mijn vorige bericht. Toen ik overspannen werd, verbrak ik eigenlijk van de ene op de andere dag mijn contact met mijn Groningse vriend, zoals ik ook het contact met anderen verbrak. Hoewel we elkaar zes jaar geleden weer een keer hadden gezien en hadden uitgesproken wat er toen gebeurd was, was het tussen ons niet meer zoals het was. Maar nu was er dus weer contact.
Als er in een paar maanden tijd opeens drie mensen opduiken uit de periode voor mijn overspannenheid, schrijf ik dat niet meer toe aan het toeval. Dan bekruipt mij het vermoeden dat er misschien een reden schuilt achter deze ontmoetingen. Ik heb geleerd dat sommige periodes in je leven een ‘thema’ kunnen hebben. En ik geloof dat het God is die deze thema’s oproept, of in elk geval je aandacht erop vestigt. En ik realiseerde me al snel dat het wel eens Gods bedoeling zou kunnen zijn dat ik met een nieuwe blik zou kijken naar mijn overspannenheid en de periode die daaraan voorafging.

Als ik terugkijk in mijn leven is mijn overspannenheid namelijk het grote breekpunt. Voorjaar 1998 ontwikkelde ik slaapproblemen. Ik kwam moeilijk in slaap, en werd ‘s nachts meerdere keren wakker, tot wel zeven of acht keer per nacht. Als ‘s ochtends de wekker ging was ik nog vermoeider dan toen ik ging slapen. Ik probeerde van alles om beter te slapen: ik dronk warme melk, ik deed ontspanningsoefeningen. Niets hielp. Mijn energieniveau daalde, ik werd steeds gevoeliger, barste soms bijna in tranen uit. Uiteindelijk suggereerde een docente van de universiteit dat ik overspannen zou kunnen zijn. Ze legde haar vinger op de zere plek: ik moest heel veel van mezelf. Ik had eigenlijk geen moment vrije tijd: alles was gepland. Ik wist elk moment van te voren wat ik ging doen. Bijbelstudie, bidden, maar ook sociale contacten, de studentenvereniging. Er was geen moment voor mij dat ik vrij was om te kiezen. Ik zat gevangen. Haar advies was om als ik ‘s avonds thuiskwam eens niet te doen wat ik vond dat ik moest, maar me op het moment zelf af te vragen wat ik wilde. Dat was levensveranderend. Ik liet alles uit mijn handen vallen - het schema van bijbelstudieboeken die ik doorwerkte, de vaste tijden van gebed met de vaste onderwerpen, de memorisatie van bijbelteksten volgens een vast schema, de vijf hoofdstukken die ik trouw elke dag uit de bijbel las, het leren van nieuwtestamentisch grieks, het bezoeken van alle kerkdiensten - en begon met het schrijven van Neptunus, iets dat ik graag wilde. Langzaam krabbelde ik uit het diepe, donkere gat van de depressie. Het duurde tijden voordat de batterij weer wat opgeladen raakte. Ik liep een jaar studievertraging op. Maandenlang was ik blij als ik per dag een enkel artikel had gelezen. Dat was al een behoorlijke prestatie. Het duurde twee jaar voor ik mezelf er weer toe kon zetten om ‘s ochtends een hoofdstuk uit de bijbel te lezen. En drie en een half jaar voor ik een manier vond om met God te praten zonder door schuldgevoel te worden gedreven. Bijbelstudieboeken over een bepaald bijbelboek heb ik niet meer aangeraakt en ik heb ook nooit meer bewust bijbelteksten gememoriseerd. En uiteindelijk vond ik werk dat beter bij me paste en waar ik wat energie van kreeg. Mijn leven kwam weer wat op de rails.
Maar in mijn beleving was de tijd voor mijn overspannenheid een donkere periode geworden. Een waar ik niet graag naar terugkeek. Ik gaf namelijk mezelf de schuld van mijn burn out. De Johan van voor mijn overspannenheid had (zo zag ik mezelf) geen ‘redeeming qualities’. Hij was een irritante betweter, die het altijd beter meende te weten dan anderen en zich liet voorstaan op zijn bijbelkennis. Hij vertelde altijd anderen hoe ze moesten leven en hoe ze moesten geloven. Hij liet zich consumeren door zijn religie en deed wat hij voor God deed allemaal om zich een beter christen te voelen. Hij was een Farizeeër, het was allemaal uiterlijk vertoon. Zijn bidden en bijbellezen kwam allemaal voort uit wetticisme en hij ontzegde zich alles wat leuk was of plezier gaf. Deze Johan was in mijn beeld van mezelf een asociale hork, die mensen van zich afstootte en ondertussen zichzelf opjoeg tot onredelijke hoogtes. Ik wilde eigenlijk niet meer met hem geassocieerd worden. De Johan van na de overspannenheid was een ‘nieuwe mens’. Ik probeerde niet meer terug te denken over de periode ervoor, en als ik het er met anderen over had was het altijd met negatieve bewoordingen over mezelf en over de keuzes die ik maakte.
Het zou echter kunnen, ontdekte ik, dat ik mezelf hiermee onrecht aandeed. Vorig jaar had ik een e-mailwisseling met een oud-Ichthiaan, die ik uit die periode kende. Ik suggereerde dat ze me in die periode wel een vervelende betweter moest hebben gevonden. Zij zei juist dat ze het toen plezierig vond om met mij te praten, omdat ik tenminste nadacht voordat ik ergens antwoord op gaf en niet zomaar iets riep. Dat zette mij al aan tot nadenken, en de ontmoetingen van deze maand nog meer. Misschien wilde God dat ik met andere ogen zou gaan kijken naar de Johan van voor de overspannenheid, dat ik de negatieve, zwarte bril zou afzetten, en de realiteit zou zien. Misschien wilde God dat ik mijn zelf uit die periode niet langer zou veroordelen, of afwijzen, maar mezelf zou zien met medeleven en compassie. Misschien wilde God dat ik deze periode in mijn leven weer zou omarmen, deel van mijn levensverhaal zou laten zijn, het een plaats geven, zonder me er nog langer voor te schamen. Misschien wilde God dat ik zou herkennen en erkennen dat ik zelf niet slecht was in deze periode, maar dat het kwaad lag in mijn gebroken Godsbeeld en zelfbeeld, waar mijn plicht- en schuldgevoel uit voortkwam. Misschien wilde God dat ik wat aardiger zou zijn voor mezelf.

Het was toch wel met enige onzekerheid dat ik vorig weekeinde de reis maakte naar het hoge Noorden, om mijn vriend in Groningen te bezoeken. Het bleek heel goed te zijn hem weer te zien. We bleken elkaar weer veel te vertellen te hebben, ook al hadden we elkaar zes jaar niet gezien. We bleken ook nog steeds van elkaar te verschillen, ook in onze benadering van het geloof en zaken als bidden of bijbellezen, maar we veroordeelden elkaar er niet om. En we konden terugkijken naar onze levens veertien jaar geleden, lachen om onze stelligheid en onze jeugdigheid (iemand van 35 jaar noemden we een ‘oudere broeder’), en de pijn delen van onze gedrevenheid en onwetendheid.
Samen bladerden we onze e-mailcorrespondentie door (de volle 300 pagina’s). Dat was voor mij best confronterend. In die pagina’s ontmoette ik mijzelf van veertien jaar geleden, de Johan waar ik eigenlijk liever niet meer aan werd herinnerd, die ik eigenlijk had weggesloten achter een zwart scherm van afwijzing. Maar ik vond in die regels niet een betweterige bemoeial terug, een over-serieuze farizeeër of een ongevoelige intellectueel. Ik ontmoette mezelf. De persoon die toen die mails had gestuurd naar een vriend in Groningen, was niet een andere dan de persoon die de mails veertien jaar later las. Het was gewoon Johan. Ik herkende de lange, complex opgebouwde volzinnen, en de vooral op taal gebaseerde humor (onder andere in de ingewikkelde groeten aan het eind van de e-mails). Ik herkende het enthousiasme voor allerlei onderwerpen, niet alleen voor de bijbel of theologie, maar ook voor vissen (ik had toen ook een aquarium), voor sociale contacten (ik schreef toch enkele keren over het zitten op een terrasje met studiegenoten), en voor verhalen (ik las toch ook af en toe wat anders dan bijbelstudieliteratuur). En ik herkende een verlangen naar echtheid, naar authenticiteit, naar werkelijke beleving in plaats van regels, verplichtingen en dode leer. Ik herkende een Johan die niet tevreden was met de status quo, met clichés en maar wat aanmodderen. Ik herkende mezelf. De persoon van voor mijn overspannenheid was niet een andere.
Maar het greep me wel aan om in mijn mails te lezen hoe ik worstelde met schuldgevoelens, die me, zo schreef ik, soms dagenlang bleven achtervolgen. Hoe elke avond van de week was volgepland. Hoe ik klaagde dat ik niets wist te verzinnen om te doen dat puur ontspannend was, in plaats van nuttig. Het greep me aan hoe ik steeds weer schreef dat ik me meer moest toewijden aan God, dat ik nog niet genoeg hield van anderen. En in de latere mails hoe ik steeds vermoeider werd, en steeds minder sliep. En ik het patroon niet wist te doorbreken. Ik herkende hetzelfde patroon waar ik de laatste weken ook weer last van had: elke avond druk, de weekeindes volgepland, en het idee toch te weinig te doen, om tekort te schieten. En dan steeds slechter slapen, en steeds vermoeide zijn overdag. Wat ik me voor het eerst realiseerde was dat ik niet overspannen was geworden door mijn bijbelstudie, door mijn religieuze gedrag op zichzelf. Dat was een onderdeel. Het probleem was een drukte op veel meer gebieden, het mezelf opjagen op werk, en sociaal, en inderdaad in religieuze plicht. Het probleem was niet gelegen in het religieuze gedrag. De werkelijke reden van mijn overspannenheid lag dieper. Niet alleen in wat ik precies deed of geloofde, maar in de onbewuste beelden die mijn gedrag en geloof vorm gaven. De onbewuste drijfveren die mij steeds weer over mijn eigen grenzen heen deden gaan. En deze beelden, deze drijfveren waren nog steeds in mij aanwezig, ook nu ik was gestopt met het doen van bijbelstudie en met het gestructureerd bidden. Zelfs met het naar de kerk gaan. Dat was immers maar symptoombestrijding. De beelden, de drijfveren kwamen sindsdien gewoon tot uiting in andere gedragingen. In mijn neiging mijn agenda te vol te plannen, in mijn onvermogen om afspraken af te zeggen, in mijn schuldgevoel over fouten op het werk, in mijn neiging om mezelf minder waard te vinden dan anderen, in het vergelijken van mijn schrijven met dat van anderen. Ik had het onkruid boven de grond ruw afgehakt, maar de wortel was blijven zitten, en de plant was ergens anders weer boven de grond gekomen.

Wordt vervolgd ...

donderdag 17 maart 2011

Superheldenfilms, flexibele hersenen, toekomstvisioenen, organische kerk, open theologie

Superhelden filmnieuws: Er komt een nieuwe Daredevil-film. En Zack Snyder vertelt over de Superman-film. Maar Darren Aronofsky heeft de Wolverine-film verlaten.

De trailer voor Sucker Punch nagemaakt met clips uit Disneyfilms.

Nieuwe trailer voor een fascinerende anime, die behoorlijk aan Miyazaki doet denken. Prachtig, sfeervol, fantasierijk, emotioneel.

Hersenen zijn flexibel. Zo blijkt dat bij blindgeboren mensen de regio's die gewoonlijk zorgen voor dieptewaarneming, informatie ontvangen vanuit het gehoor. Blinde mensen zien dus met hun oren.

Het is duidelijk dat deze kippen uit Transsylvanië komen ..

De toekomst is van glas ...

Met dat visioen wordt trouwens deze comic angstaanjagend. Aldous Huxley had het bij het rechte eind ... "What [George] Orwell feared were those who would ban books. What Huxley feared was there would be no reason to ban a book, for there would be no one who would want to read one."

Hoe je een eenvoudige organische kerk kunt starten, in een koffiezaak (hee, daar zit ik al regelmatig!).

Greg Boyd bespreekt de film The Adjustment Bureau, en legt uit hoe onze keuzevrijheid niet betekent dat God geen plan heeft voor de toekomst. "Free choices can’t be predetermined for the same reason triangles cannot be round and bachelors cannot be married. It just means the plan must incorporate the possible free decisions of others and thus must be, within limits, flexible. Philip Dick, the author of TAB, understood what the majority of the critics of Open Theism thus far have not: that is, only a chairman with limited intelligence would need to, or want to, have a plan with an exhaustively settled future."

Mockinbird laat zien waarom de wet ons niet kan veranderen. "The more shame you feel as a result of being fat, the greater the toll on your body. So a widespread war on obesity, or indeed an effort to "fix" the nation's fat children, could serve to exacerbate the problem. Research also shows that stigma doesn't help anyone slim down. Nor does it encourage healthy behavio. Kids who go on a diet are twice as likely to end up overweight." Het ziet ernaar uit dat het middel de kwaal alleen maar verergert. Zoals Paulus wanhopig vraagt: wie zal mij verlossen uit dit lichaam dat beheerst wordt door de dood? Het antwoord ligt in de genade. Zie daarvoor ook deze overdenking.

Volgens blog Experimental Theology hebben veel christenen een theologie (en praktijk) waarin de dood centraal staat. De oorzaak daarvan is de traditionele leer over de hel. "What we need is a way to remove this death-fetish from the Christian faith. To replace a death-centered Christianity with a God-centered Christianity. Christ sets us free from our slavery to our fear of death. Because of Easter Sunday death is no longer the Moral Stopwatch, tick tick ticking away. Easter removes the death-fetish and creates a Christ-centered, rather than death-centered, faith." Prachtig, confronterend, en voor mij behoorlijk overtuigend, al geloof ik nog steeds dat God niemand dwingt zich bij hem thuis te voelen, als hij of zij liever zelf de touwtjes in handen houdt.

woensdag 16 maart 2011

Gewoon laten liggen

Afgelopen weekeinde was ik bij vrienden in Slochteren. Zaterdag maakten we onder andere een wandeling. Onderweg kwam ik onderstaande fiets tegen. Die lag er al een tijdje. Banden plakken had volgens mij geen zin meer. Maar het verval en het mos gaven het wrak toch iets bijzonders.






dinsdag 15 maart 2011

Filmbespreking: The King’s Speech

Ervaringen uit onze jeugd, zoals pesterijen op school, misbruik op enig gebied, maar ook afwijzing of kritiek van onze ouders, kunnen jaren later nog gevolgen hebben. Deze gebeurtenissen hebben een deuk geslagen in ons gevoel van eigenwaarde, ze hebben ons laten geloven dat we een teleurstelling zijn, dat we schuldig zijn, dat we slecht zijn of dat niets wat we doen ooit genoeg is om liefde te verdienen. We hebben geleerd dat deze wereld een onveilige plaats is, een omgeving waar we op onze hoede moeten zijn, waar we ons ware ik moeten verbergen, waar we ons moeten schamen voor onze eigenheid. We hebben leren oppassen voor andere mensen, en intimiteit te wantrouwen. Elk woord, elke gebeurtenis, was als een onkruidzaadje dat in ons hart terecht kwam, en waarvan de wortels tot in de diepste plekken doordrongen. Nu worden de rotte vruchten ervan zichtbaar in de keuzes die we maken, de woorden die we spreken, de relaties die we aangaan. We zien dat ons potentieel niet vervuld wordt, we merken dat we andere mensen pijn doen, we voelen dat we van de liefde van God verwijderd blijven, maar we kunnen er niets tegen doen. Hoe vaak we onszelf ook vermanend toespreken, welke hardhandige methodes we ook toepassen om onszelf te veranderen, welke boeken we ook lezen of hoeveel nachten we ook slapeloos doorbrengen, niets dringt diep genoeg door. Soms denken we dat het ons gelukt is, dat we onszelf hebben overtuigd van de waarheid, dat we nu het leven wel aankunnen. Maar vroeg of laat komen we in een situatie waarin de angst van vroeger weer terugkeert en de kop opsteekt. Dan blijkt dat ons diepste hart nog steeds de leugen gelooft. Rationalisaties en argumenten kunnen nu eenmaal niet diep genoeg doordringen. Woorden die we onszelf als volwassene voorhouden, kunnen niet op tegen de ervaringen die we als kind hebben opgedaan. Het zijn ideeën, die niet zozeer zijn vastgelegd in woorden, maar in beelden. In de beelden zelf die ten grondslag liggen aan de woorden. Ze zijn bovendien gekoppeld aan heftige emoties. En die zullen we eerder geloven dan makkelijke beloftes dat ‘iedereen het kan’, dat ‘het heus wel goed komt’, dat ‘je gewoon moet doorzetten’. Dus saboteren we onze eigen pogingen ons leven te leiden. En het falen versterkt alleen maar de wetenschap dat de fluisterstemmen in ons hart gelijk hebben met hun oordeel over ons, dat we gedoemd zijn te mislukken.
Verandering kan alleen komen als die diepgewortelde ideeën, die kernbeelden, worden vervangen door andere beelden, andere emoties. De leugen moet worden vervangen door de waarheid. De diepe overtuiging in ons hart dat we niets waard zijn, moet worden vervangen door een even diep gewortelde overtuiging dat we recht hebben om te bestaan, dat we geliefd zijn en waardevol, dat we een stem hebben. En wij moeten deze nieuwe hoopvolle gedachte met evenveel geloof omarmen als we dat deden bij de oude, schaamtevolle. Dat betekent dat het onze eigen gedachte moet zijn, waar we met hart en ziel achter staan. Alleen dan, als we echt geloven in de waarheid, zijn we in staat onze verantwoordelijkheid te nemen, het risico te accepteren en de uitdaging aan te gaan.
De waarheid is dus niet iets dat anderen ons kunnen opdringen. Het moet iets zijn dat we zelf ontdekken. Maar anderen kunnen wel de omstandigheden, creëren waarin we ons openstellen voor de waarheid. Een veilige plek, met mensen die we kunnen vertrouwen waar we ons hart kunnen openen, de barrières laten zakken en de stinkende, zwarte massa van binnen aan het daglicht blootstellen. Anderen kunnen ons vervolgens in contact brengen met de waarheid, en vervolgens de waarheid haar gang laten gaan, totdat we haar zelf omarmen en gaan uitleven. Dit is het proces van genezing, genezing van beschadigde emoties, een proces waarin we niet zonder anderen kunnen.
En dit jaar waren er twee films genomineerd voor een oscar waarin dit proces werd gevisualiseerd. De ene deed dat in een sciencefiction-setting, met een team goedgeklede specialisten, die een bedenkelijke opdracht tot bedrijfssabotage hebben aangenomen. Volgens hen is een idee als een gevaarlijk virus, dat zich nestelt in de gedachten en van daaruit het hele leven beïnvloedt. Voorwaarde daarvoor is wel dat de ontvanger van het idee, het idee heeft dat het idee van hemzelf is, dat hij het zelf bedacht heeft. Dit resulteert in deze film in een prachtig verzoeningsmoment tussen een man en zijn vader, maar de cynische setting (het is allemaal opgezet met hogere motieven) geeft het een pijnlijk randje. Hoe goed ik Inception ook vond, ik ben daarom blij dat deze film het aflegde tegen The Kings Speech: de andere film die het proces van genezing laat zien, op een ontroerend oprechte wijze.

De film speelt zich af in de jaren voor de tweede wereldoorlog. Een tijd waarin nieuwe technologie in opkomst is. Auto’s waarmee reistijden drastisch worden ingekort. Radio’s, waarmee het Koninklijk Huis van Groot Brittannië haar onderdanen overal ter wereld zomaar kan toespreken. De koning omarmt de technologie (zij het met tegenzin), omdat hij door heeft dat zijn macht niet meer vanzelfsprekend is, maar dat hij op de troon blijft bij de gratie van het volk. De koninklijke familie moet zichzelf op de markt zien te zetten. Prins Albert, Hertog van York, vindt het maar niets dat hij in de openbaarheid moet treden. Hij spreekt niet graag, niet voor een publiek en niet voor de radio. Hij is er doodsbang voor. Hij is namelijk een stotteraar. De stiltes die vallen als hij niet uit zijn woorden kan komen, doen hem ineenkrimpen van schaamte. Hij heeft van alles geprobeerd om van het probleem af te komen, tot de meest uitzinnige therapieën toe (spreken met een mond vol knikkers). Niets werkt. Albert is dan ook tevreden dat bij de dood van zijn vader de troon toevalt aan zijn oudere broer David. Zelf kan hij, met zijn liefhebbende vrouw, buiten de schijnwerpers blijven. Maar David denkt er anders over. Hij kiest voor zijn liefde voor een gescheiden vrouw en doet troonsafstand. En dat in een tijd dat de grote redevoerder Adolf Hitler op het Europese vasteland op oorlog lijkt af te sturen. Alberts grootste angst komt uit: hij zal moeten spreken. Zijn hoop is gevestigd op de eigenzinnige Australische spraaktherapeut Lionel Logue. Deze vriendelijke man ziet het potentieel in de de hertog, maar ziet ook de barrière die de verwezenlijking ervan in de weg staat. Durft de adellijke prins Albert het aan zijn leven te delen met een gewone man uit het volk?

Bij het zien van de trailers voor de film begon- over overspel, stellen die uit elkaar gaan, en dat soort zaken - boog een van de vrienden met wie ik was zich naar mij toe en zei iets als: “Wanneer maken ze nou eens een film over huwelijkstrouw in plaats van overspel?” Na afloop suggereerde ik dat zijn wens in vervulling was gegaan. Zoals ik vaker in reviews heb gelezen: dit is een film over goede mensen, die het juiste willen doen. Prins Albert heeft het hart op de juiste plaats. Hij geeft om zijn familie, en maakt zich zorgen over Hitlers opmars. Hij houdt zielsveel van zijn dochters, ontroerend in beeld gebracht. En hij heeft een vrouw achter zich staan, die hem stimuleert, om hem geeft, en zijn spraakgebrek niet beschouwd als een bron van schaamte. Logue is een familieman, die geeft om zijn zoons, met passie voor toneel, die houdt van zijn vrouw. Prachtige voorbeelden, en niet alleen van hoe het niet moet.
Soms hoor je dat het moeilijker is voor acteurs om een goed karakter te spelen dan een boosaardig, en voor auteurs om een goed karakter te schrijven dan een boosaardig. De goede hoofdrolspeler is immers snel karikaturaal, een goedzak of een moralist, niet geloofwaardig, niet boeiend. Maar hier zetten de auteurs hun personages prachtig neer. Hun ogen spreken boekdelen. Colin Firth is als prins Albert sympathiek. In zijn blik schemert de onzekerheid door, de angst die hem achtervolgt, maar ook zijn beslissing om zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg te gaan. Helena Bonham Carter speelt zijn vrouw humoristisch, doortastend, maar liefdevol. En Geoffrey Rush heeft soms dezelfde twinkeling in zijn ogen als kapitein Barbossa in de Pirates of the Caribbean-films, maar hier in dienst van een menselijk karakter, een genezer. De mooiste scene in mijn optiek is de ontmoeting tussen de familie van de therapeut en die van prins Albert. Heel erg mooi! Ook de bijrolacteurs zijn meestal goed, behalve Timothy Spall, die Winston Churchill speelt. Die was wat karikaturaal. (Een reünie van Harry Potter-alumni trouwens, deze film: behalve Helena Bonham Carter en Timothy Spall ook nog Michael Gambon!). De aankleding is ook prachtig, authentiek en sfeervol. Af en toe vond ik de beelden wat vreemd afgesneden (Op internet las ik ergens hoe iemand daardoor uit het verhaal werd getrokken, daar had ik geen last van). Maar verder is het verhaal meesterlijk opgezet. De climax, een radio-uitzending, is aangrijpender en spannender dan de ontknoping van menig actiespektakel. Ik kreeg er tranen bij in mijn ogen. Deze film kan ik zonder aarzeling bij iedereen aanbevelen. Hij zal ook zeker deel gaan uitmaken van mijn eigen collectie.

Prins Albert is zich pijnlijk bewust van de gevolgen van zijn stotteren. De film begint als hij voor een microfoon staat in een stadion, en zijn haperende klanken versterkt over de menigte galmen. De pijnlijke blikken van de mensen om hem heen zeggen genoeg. Beschaamd trekt hij zich terug. Hij weet namelijk ook dat hij het niet kan veranderen. Het stotteren hoort nu eenmaal bij hem. Hij zal op dat gebied altijd tekortschieten. Daarom is Albert bereid zich terug te trekken, een leven te leiden buiten de aandacht. Hij accepteert de nederlaag. Zijn vader, de koning, doet dat niet en sleurt hem voor de microfoon. Hij moet gewoon meer zijn best doen. Hij is immers de zoon van de koning? Als Albert ook nu faalt, maakt dat zijn schaamte alleen maar groter. Het lijkt alsof het zijn eigen schuld is dat hij stottert. Zijn vrouw accepteert ook niet dat hij de moed opgeeft. Ze zoekt steeds nieuwe doktoren en therapieën. En omdat Albert van haar houdt, probeert hij ze ook allemaal. Maar hij geeft er zijn hart niet aan. Van binnen is hij cynisch. Zijn defect is er niet een dat met een trucje op te lossen is. Het probleem zit van binnen, en geen techniek is in staat zo diep in hem door te dringen. Als een nieuwe methode faalt, reageert hij met een mengeling van frustratie en opluchting. De situatie blijft bij het oude, hij kan blijven bij zijn identiteit: een stotteraar, iemand die niet zijn stem hoeft te laten horen, die zich niet hoeft te uiten.
Het is voor mij allemaal erg herkenbaar. Nu had ik geen probleem met stotteren, maar wel met telefoneren. Ik heb er nu niet enorm veel moeite meer mee, maar tien, twaalf jaar geleden had ik een dag lang buikpijn als ik een telefoontje moest plegen. Ik stelde het uit, liep rondjes, keek op de klok, aarzelde. Ik voelde de spanning fysiek. Zelfs als ik moest bellen naar een organisatie waar ik wist dat er mensen zaten speciaal om de telefoon op te nemen. Sommige mensen zeiden dat ik het gewoon moest doen. Als zij het konden, kon ik het ook wel. Ik stelde mezelf maar wat aan als ik er zo’n probleem van maakte. Anderen kwamen met tips en technieken. De trucs maakten het voor mij soms wel wat makkelijker (zoals het advies van te voren op te schrijven wat ik in een gesprek wilde zeggen), maar ze losten het probleem niet werkelijk op. Als alles was gezegd en gedaan bleef ik iemand met een angst voor telefoons en telefoongesprekken. Daar zou mijn hele bestaan wel door getekend worden.
De reden dat de technieken niet helpen, is doordat het probleem niet zit in de techniek, in de spieren, of de aangeleerde gewoontes, maar dieper van binnen, in wat de persoon over zichzelf gelooft. Dit is wat Lionel Logue beseft. Hij wijst Albert erop dat niemand als stotteraar wordt geboren. Ook stottert iemand niet als hij zingt. Of als hij boos is. Logue wijst er onder andere op dat veel stotteraars linkshandig zijn, en dat ze als kind werden gestraft voor het gebruiken van hun linkerhand. Gebeurtenissen uit het verleden hebben iemand bang gemaakt. Nu durft hij zichzelf niet meer te uiten. Hij saboteert onbewust zichzelf.
Dat herken ik ook bij mezelf. Ik ben ook niet verlegen en onzeker geboren. Gebeurtenissen in mijn vroege jeugd en op de middelbare school hebben mij onzeker gemaakt. Ze hebben mij aan mezelf laten twijfelen. Ze hebben me laten geloven dat ik een mislukkeling was, dat ik geen fouten kon maken, dat ik het waard was te worden uitgescholden en gepest.
Genezing komt voor Albert niet door een revolutionaire techniek. Wat hem herstelt is de relatie met Lionel Logue. Iemand die in hem gelooft, die potentie in hem ziet, maar die hem tegelijk zichzelf laat zijn, die hem niet bekritiseert zoals zijn vader. Iemand die eerlijk is over het probleem, maar hem niet veroordeelt. Iemand die niet wil toelaten dat Albert zichzelf te kort doet, omdat hij om hem geeft. De genezing ontstaat als Albert het aandurft zijn hart te openen voor een ander, als hij iemand toelaat in zijn pijn. Het is de vriendschap zelf, de relatie zelf, die de genezing brengt. Zoals iemand opmerkte toen we na de film een biertje dronken: in deze film ontbreekt de grote doorbraakscene, de scene waarbij de therapeut de patient op de schouders klopt en zegt ‘It was not your fault’. Niet de grote tranenstromen, niet de heftige emotie. Maar de verandering komt doordat een vriend hem accepteert als persoon, ondanks de standsverschillen, en tegelijk niet accepteert dat hij zichzelf blijft zien als minderwaardig.
De verandering kwam ook voor mij niet door een nieuwe techniek die ik aanleerde. Ik veranderde doordat ik langzaam van mezelf ging geloven dat ik waardevol was, dat ik er mocht zijn. Dat ik op eigen benen kon staan, en mezelf niet omver hoefde laten blazen. Dat ik recht had op een eigen mening. En dat ik fouten kon maken zonder dat vrienden me zouden laten vallen. En terwijl ik hierin groeide, werd het langzaam makkelijker om de telefoon te pakken. De genezing van het probleem aan de buitenkant kwam van binnenuit, en net als in deze film door relaties. Relaties met vrienden, die eerlijk zijn zonder te veroordelen, en de omgang met God, die Eerlijk is, die potentieel in mij ziet, die ernaar verlangt dat ik het valse zelf achter mij laat, maar die tegelijk geduld met mij heeft, mij niet zal veroordelen, kortom, die van mij houdt. Hoe meer ik met deze mensen en met God omga, hoe meer de leugens van binnen worden vervangen voor de waarheid. En opeens komt een dag dat ik het hardop kan zeggen: Ik mag er zijn.
Of zoals Albert in deze film: “I have a voice!”