zaterdag 18 september 2010

Hoop doet leven 5: geloof, hoop en liefde

Onzekerheid is eindeloos frustrerend. Ik denk dat iedereen zich nog kan herinneren hoe je als kind iets vroeg voor je verjaardag, en hoe je vervolgens in spanning zat of je het zou krijgen. Wat zou er onder het pakpapier zitten? Was het wat je gevraagd had, of iets heel anders? Ik hoorde laatst van een moeder dat die met haar zoontje zijn verjaardagscadeaus gaat kopen, omdat hij onhandelbaar wordt als hij niet weet wat hij gaat krijgen.

En zo is het met alles waar we op hopen. Je hebt je examens gedaan, en over een week wordt je opgebeld met de uitslag. Wat zal het zijn? Je hebt een sollicitatiebrief gestuurd en nu wacht je of je wordt uitgenodigd voor het gesprek. Elke keer als de telefoon gaat, zit je recht overeind. Je hebt een manuscript naar de uitgever gestuurd, en nu ligt er een brief in je brievenbus. Durf je hem te openen? Je hebt meegedaan met een talentenjacht, en nu worden de deelnemers naar voren geroepen, de laatst beoordeelde het eerst. Hoe langer jouw naam niet wordt afgeroepen, hoe spannender het wordt. Je hoop groeit - 'Misschien sta ik op de eerste plaats!' - maar tegelijk je angst: 'Wat als ik het niet geworden ben?'.

De spanning is nog wel vol te houden als het gaat om iets triviaals (wie jouw lootje getrokken heeft om een surprise te maken voor Sinterklaasavond), of als het snel voorbij is (als ze je na het sollicitatiegesprek dezelfde dag nog terug zullen bellen. Maar als het gaat om je diepste verlangens wordt de onzekerheid hoe langer hoe pijnlijker. Er is een stripverhaal van Calvin & Hobbes dat daar over gaat: Calvin heeft met zijn ontbijtspul bonnen verzameld en daarvoor een petje met een propeller erop besteld. En komt er vervolgens achter dat het nog zes weken kan duren voor het bezorgd wordt. In het begin rent hij nog enthousiast naar de brievenbus als hij uit school komt, maar het pakje is er niet. En de volgende dag ook niet, en de volgende ook niet, en de volgende ook niet. Elke dag laait zijn hoop weer op, maar hij wordt steeds teleurgesteld. Uiteindelijk sloft hij het huis binnen: "Het pakje zal er vandaag ook wel niet zijn." Het kost hem te veel energie om te blijven hopen. Daarom heeft hij zich er maar voor afgesloten. Maar daardoor is hij wel zijn enthousiasme en levensvreugde kwijtgeraakt. Zo gaat het ook met ons: als ik een half jaar niks hoor van de uitgever, durf ik niet meer te hopen op een positief antwoord. Maar ondertussen blijft ik mijn manuscript in mijn la houden. Als ik hoop op een promotie, maar ik wordt steeds over het hoofd gezien, zal ik steeds minder mijn best gaan doen. De schrijver van de Spreuken had het goed door: "Almaar onvervulde hoop maakt ziek" (13:12). Een andere vertaling zegt dat een langgerekt hopen het hart ziek maakt, de kern van onze identiteit, onze wil. Als we de spanning niet meer aankunnen, geven we de moed op. En daarmee sterft er, dramatisch uitgedrukt, iets van onszelf, van onze levenslust, van ons initiatief. 

Hetzelfde gevaar dreigt met de christelijke toekomstverwachting. De schrijver van 2 Petrus 3:4 voorspelde al dat mensen zullen vragen: Waar blijft hij nu? Hij had toch beloofd te komen? De generatie voor ons is al gestorven, maar alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is.’ Een logische vraag. We zijn bijna tweeduizend jaar verder, maar van het beloofde herstel van alle dingen is minder zichtbaar dan ooit. Het klonk allemaal mooi wat Jezus zei over het koninkrijk van God, en de eersten die de laatsten zouden zijn, maar er is nog niks van uitgekomen. Er zou een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen, waar gerechtigheid woont. Wat houdt God tegen? De eerste wereldoorlog, de holocaust, AIDS, mensenhandel: van gerechtigheid is weinig sprake. Elke keer denken we dat dit toch wel het moment moet zijn dat God zal ingrijpen. Maar tot nu toe is die hoop steeds teleurgesteld. 

Toch laten we ons steeds weer het hoofd op hol brengen. In de negentiende eeuw dachten de volgelingen van John Nelson Darby dat God toch wel tijdens hun leven zou terugkomen. De tekenen van de tijd wezen erop. Maar nee, hij bleef weg. Dan misschien bij de oprichting van de staat Israel. Nee, hij bleef weg. Hal Lindsey zag de vervulling van Bijbelse profetieën in de Europese unie, en de Sovjet Unie. Nee, het zou geen tientallen jaren meer duren. Het jaar 2000. Dat zou mooi zijn! Maar nee, geen terugkomst van Jezus. En steeds zijn er nieuwe mensen die met getallen strooien, ingewikkelde berekeningen en nieuwe uitleggingen van de profetieën, om aan te tonen dat Jezus nu toch echt een keer terugkomt. Nee, de vorige keren waren er fouten gemaakt. Nu weten we het zeker. De feiten laten echter zien dat tot nu toe nog nooit een van die voorspellingen is uitgekomen. 

Dat we behoefte hebben aan getalsberekeningen, speculatieve uitleggingen van profetieen, en hypotheses over wie de antichrist zou kunnen zijn, laat zien dat we onzeker zijn van onze toekomst.  We zoeken naar bewijzen, naar een teken dat ons kan verlossen van de spanning: is het nou waar, of is het niet waar? Wordt mijn vertrouwen en mijn inspanning voor God beloond? Of had ik beter kunnen eten en drinken en alles doen wat God verboden heeft, omdat er na de dood toch niks meer gebeurt? We kunnen het niet meer aan. Vandaar ook dat sommigen er cynisch over worden, en niet eens meer werkelijk verlangen naar de komst van Gods koninkrijk. We stellen ons de hemel voor als een plek waar we eigenlijk helemaal niet willen zijn. Want ook dat is een oplossing: het verlangen kleiner maken, zodat de teleurstelling minder groot is. 

Het is allebei heel goed te begrijpen (ik zoek ook naar aanwijzingen en hints dat ik in elk geval een positief antwoord kan verwachten op mijn verzoek), maar het is ook allebei een teken van ongeloof. Want wat is geloof? "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet" (Hebreeen 11:1). Maar hoe kun je nou zeker zijn van iets dat je hoopt? Dat lijkt met elkaar in tegenspraak. Dit beseft ook de Bijbel: "Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien?" (Romeinen 8:24). En het vervolg van Hebreeen 11, dat begint met spreken over zekerheid, gaat over allerlei geloofshelden, die tijdens hun leven de beloften van God niet werkelijkheid zagen worden. Abraham zag nooit de stad die God hem beloofd had, Mozes ging nooit het beloofde land binnen. Anderen werden gedood of leefden als vluchtelingen. Dat laat zien dat het bij dit geloof niet gaat om de zekerheid dat je in dit leven krijgt waar je op hoopt.

Daar gaan sommige geloofspredikers de mist in, die bijvoorbeeld zeggen dat je als je ziek bent, 'in geloof' moet claimen dat God je geneest. Als je dan ziek blijft, was je geloof niet sterk genoeg. Of je moet 'in geloof' uitspreken dat God je rijk zal maken, je carrière zal laten slagen, of je kinderen gelukkig zal maken. Je moet zeker weten dat het gaat komen, is de stelling, en dan zal God het doen. Wie denkt dat geloof te maken heeft met dit soort 'zekerheid', komt bedrogen uit. De gemiddelde leeftijd van gelovigen is niet hoger dan die van niet-gelovigen, en ook niet het gemiddelde aantal 'gezonde levensjaren'. Tijd en toeval treffen allen, stelt de Prediker.
Niet voor niets doet deze manier van 'geloven', net als het uitrekenen van profetische datums, denken aan waarzeggerij en spiritisme. Het is een vorm van zekerheid die gebaseerd is op (vermeende) kennis van de toekomst. Zekerheid gebaseerd op een profetie, of een boodschap uit een andere tijd, een signaal vanaf de andere kant van onze kennishorizon. Maar de toekomst kunnen we niet kennen. Sterker nog: Jezus zegt dat niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, "Ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het" (Matteus 24:36). Het is dus een valse zekerheid.

De zekerheid waar de schrijver van de Hebreeenbrief over schrijft is niet een zekerheid die vooruit kijkt. Het is niet de zekerheid van een waarzegger of tijdsreiziger. De zekerheid van het geloof is zekerheid die is gebaseerd op de persoon en het karakter van God, zoals Hij zichzelf heeft laten zien in Jezus Christus en in zijn dood en opstanding. Het is het vertrouwen in een God die ieder individueel mens onvoorwaardelijk liefheeft. Het is gebaseerd op een relatie. En dus is het een keuze.
Ons geloof in een goede toekomst, in het herstel van alle dingen, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en de opstanding uit de dood, is nooit los te maken van ons vertrouwen in God zelf. Wie datums wil kunnen berekenen voor deze dingen, wie bewijs wil zien van de opstanding, en wie zijn hoop baseert op vervulde profetieën, zegt daarmee eigenlijk dat Gods belofte voor hem niet genoeg is. Hij vertrouwt meer op voorspellingen en berekeningen dan op de persoonlijke God, die alles heeft gegeven om een relatie met Hem te kunnen aangaan. Wie blijft aandringen op een teken, vindt de tekenen van Gods liefde niet genoeg. 

Gods liefde is voor eens en altijd zichtbaar geworden in Jezus en in zijn dood aan het kruis (een spijkerhard feit, historisch gedocumenteerd). Die liefde, die zo kaarsrecht stond op alle religieuze verwachtingen van mensen, is het enige zichtbare, onbetwistbare teken dat God ons heeft willen geven. Het is het teken dat God ons liefheeft, en dat we op Hem kunnen vertrouwen. Als Hij onvoorwaardelijk van ons houdt, zoals Hij houdt van Jezus, zal Hij ons uit de dood levend maken, zoals Hij Jezus uit de dood levend maakte. Wat God van ons vraagt, is of wij ons door Hem willen laten liefhebben.
Daarom is er maar een enkele remedie als wij onze hoop dreigen kwijt te raken, en dat is ons open te stellen voor Gods liefde. In de worsteling met de onzekerheid, moeten we gaan zoeken naar tekenen van Gods liefde voor ons. Als we teleurgesteld zijn van het wachten, moeten we weer opnieuw gaan vragen wie die God eigenlijk is in wie wij geloven en hoeveel hij van ons houdt. De frustratie wordt dan niet meer een vijand, maar is een aanwijzer die ons terugwijst naar onze Vader, die ons wil omarmen. Onze spanning brengt ons keer op keer terug in zijn armen. En wanneer we ons weer realiseren dat we daadwerkelijk geliefde kinderen van God zijn, zullen we ook weer durven hopen. En "deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is" (Romeinen 5:5). 
Dan wordt waar voor ons wat Jezus zei: "Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven" (Johannes 20:28).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen