maandag 13 september 2010

Hoop doet leven 4: Gelijke behandeling

In het vorige deel van deze serie betoogde ik dat we kunnen vertrouwen op een goede toekomst: een toekomst waarin de schepping, onszelf incluis, volledig tot haar bestemming zal komen, en onze verlangens naar schoonheid, intimiteit en waarheid volledig zullen worden vervuld. Een toekomst bovendien die niet van ons afhangt, die wij niet door onze fouten of tekortkomingen kunnen verpesten, die niet door onze keuzes in gevaar zal komen. Een toekomst die we dus niet kunnen verliezen.
Ik kan het echter wel mooi brengen, en mijn speculatieve omschrijvingen kunnen leiden tot boeiende discussies, maar het blijft de toekomst en dus onbekend. Welke basis hebben we om te geloven dat dit is wat voor ons in het verschiet ligt? Dat is het dilemma van elke toekomstvoorspelling: het blijft een gok. De toekomst blijft namelijk onbekend, tot we er zelf aankomen. Maar in dit opzicht is onze hoop niet anders dan ons geloof in een persoonlijke God.

Voor wie gelooft in God is deze toekomst daarom een zekerheid, in elk geval net zo zeker als het bestaan van God voor hem of haar zekerheid is. Want als God bestaat, is er een enkel ding dat we zeker van Hem kunnen weten, namelijk dat Hij Liefde is. Niet dat hij liefheeft, maar dat onvoorwaardelijke liefde de definitie is van wie Hij is. Dit is wat Jezus zichtbaar maakte, in zijn leven, in zijn woorden, in zijn omgang met mensen en in zijn dood en opstanding. God IS onvoorwaardelijke liefde. Dat is net zo zeker als dat Hij God is. God heeft dus onvoorwaardelijk het goede met ons voor. Hij geeft ons zijn genade zonder dat wij daarvoor hoeven werken, en zonder dat wij die ooit nog kunnen kwijtraken. De liefde van God komt voort uit zijn wezen, zijn karakter. Het is zijn eigen keuze, die wij op geen enkele manier kunnen beïnvloeden. Het enige dat voor ons over blijft, is ons voor die liefde open te stellen of ons ervoor af te sluiten.

Geen gradaties
Wat betekent dat voor onze toekomstverwachting? Nou, dat we een ding zeker kunnen weten, namelijk dat God tot in de eeuwigheid volledig, zonder enige beperking, zonder voorwaarde van ons zal blijven houden. Er zijn geen gradaties in zijn liefde. Nu niet en tot in eeuwigheid niet. Toen ik in India was, vroeg iemand me of ik dacht dat er verschillende niveau’s zouden zijn in de hemel. Of de goede, geestelijke christenen dichter bij God zouden leven in de eeuwigheid, dan de zwakke mensen of de falende gelovigen. Dat idee had ik vroeger ook: de mensen die evangeliseerden en bijbelstudie deden en met dure woorden baden, zouden vast dichter bij de troon staan. En ik zou met mijn hakken over de sloot binnenkomen en mocht blij zijn dat ik niet naar de hel ging, door Gods genade. Het was een aansporing om harder te werken en meer je best te doen. De kwaliteit van je leven in eeuwigheid hing af van je eigen goedheid.

Beloning kan inderdaad een krachtige motivatie zijn. Zo gebruiken we het in gezinnen, in scholen, op het werk, en inderdaad, in de kerk. Maar beloning is nooit onvoorwaardelijk. Er zitten altijd voorwaarden aan. In een race kan maar een enkel individu de eerste prijs halen, als ik voor een acht op mijn rapport een gulden krijg, krijg ik niks als ik geen achten heb. Maar dat is niet hoe God met zijn kinderen omgaat. Hij heeft iedereen volledig lief, met de hele volheid waarmee hij mensen lief kan hebben. Er zal nooit iemand zijn van wie hij meer houdt dan van iemand anders, nooit een kind van God dat meer privileges krijgt dan een ander. Dus zullen er geen niveauverschillen zijn in de eeuwigheid. Op iedereen zal hetzelfde licht schijnen. Iedereen zal van God al het goede krijgen. Ongeacht wat hij of zij gedaan heeft of nagelaten, ongeacht zijn of haar goedheid of slechtheid.

Er zal dus ook niemand gestraft worden voor een nalatigheid of verkeerde keuze. Straf is de andere veel gebruikte motivator, de tegenhanger van beloning. Maar de onvoorwaardelijke liefde van God straft niemand. 1Jh4:18 stelt: “De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf.” Als angst inderdaad straf veronderstelt, zoals Johannes zegt, en als de liefde geen ruimte laat voor angst, dan kan er in onze relatie met God op geen enkele manier sprake zijn van straf. Altijd zal God zijn zegen onvoorwaardelijk laten regenen ‘op rechtvaardigen en onrechtvaardigen’ (Matteus 5:45).

Het omgekeerde koninkrijk
Dit punt wordt door Jezus keer op keer gemaakt. Denk aan zijn interacties met hoeren, tollenaars en melaatsen aan de ene kant, en de Farizeeën en godsdienstige mensen aan de andere kant. Hij liet duidelijk zien dat hij de zondige, gebroken en zieke mensen even veel liefhad als de godsdienstige, morele en gezonde mensen. Hij gaf hen evenveel aandacht, zocht hen op, zorgde voor hen, en genas hen. En dat zonder hen de wet te lezen, schuldgevoel aan te praten en te veroordelen. Hij hield onvoorwaardelijk van hen. En dat maakte dat velen uit deze groep, die in moreel opzicht niets in te brengen hadden, die de eeuwige zegen van God niet verdienden, Jezus volgden. Niet om een beloning te verdienen, maar juist omdat ze niets hoefden te verdienen. De godsdienstige, morele, gezonde mensen dachten dat ze recht hadden op Gods aanvaarding en zegen. Dat ze Gods liefde verdiend hadden. En juist daardoor sloten ze zich af van de onvoorwaardelijke liefde van God. Daarom zegt Jezus dat het omgekeerd is: de hoeren en tollenaars, die niets konden verdienen, zouden hen voorgaan in het koninkrijk van God (Matteus 21:31). De armen, die niets konden betalen om in te gaan in de heerlijkheid, konden er makkelijker binnengaan dan de rijken, die dachten dat hun bezit hen wel toegang kon verschaffen tot Gods omgeving (Matteus 19:24). De laatsten in de ogen van mensen zullen de eersten zijn in het koninkrijk, en zij die denken de eersten te zijn, de laatsten (Matteus 20:16).

Ook Jezus’ gelijkenissen maken deze onvoorwaardelijkheid van de toekomst voortdurend duidelijk. In een eerder bericht had ik het al over de gelijkenis van de ‘verloren zoon’, waarin de Vader een feest aanricht om deze jongen, die hem dood had gewenst, zijn erfenis had verspeeld, en naar de varkens stonk, weer helemaal welkom te heten, onvoorwaardelijk. Hij slachtte het gemeste kalf, dat werd bewaard voor de meest bijzondere gelegenheden, en gaf hem de ring, een teken van macht. Had de jongen het verdiend? Nee, en de oudste broer was daar verbolgen over. Maar dat was juist het punt. Het was de keuze van de vader om feest te vieren en daar had het gedrag van zijn zoons niets mee te maken. Ze waren allebei welkom, onvoorwaardelijk, de moreel verdorven jongste en de moreel hoogstaande oudste. Het was alleen de oudste die vasthield aan een eis van beloning, van ‘voor wat hoort wat’, van voorwaardelijkheid. En dus bleef hij buiten in de duisternis.

Jezus vertelt de gelijkenis van een bruiloft, georganiseerd door een koning. Het punt van zo’n feest is dat mensen ervoor worden uitgenodigd, maar dat mensen niet een kaartje of uitnodiging kunnen kopen of verdienen. Het is de gastheer die uitmaakt wie er mag komen en die overal voor betaalt. De koning stuurt uitnodigingen uit, maar de mensen om wie het gaat geven er niet om. Ze vinden hun eigen verrichtingen, hun eigen gedrag, hun bezittingen veel belangrijker dan dit feest. Ze willen niet delen in dit gratis aanbod. Maar, zegt de koning, ‘mijn huis moet vol worden’ (Lukas 14:23). Dus laat hij -bijna gewelddadig- al die mensen binnen halen die nooit maar zouden hebben kunnen denken dat ze in een paleis toegelaten zouden kunnen worden. De bedelaars, de melaatsen en de onreinen, mensen die geen enkel recht konden laten gelden op de aandacht van de koning. Die zelfs nooit de moed zouden hebben op de deur van het paleis te kloppen. Die worden binnengesleept. Ze mogen delen in de festiviteiten en de vreugde van de koning, zonder dat ze er iets voor terug kunnen doen. Ze krijgen nieuwe, witte kleren, zonder dat ze ervoor hoeven betalen. Maar wie blijft volhouden dat hij recht heeft op het feest, dat hij de witte kleren van de koning niet nodig heeft, maar zelf goed genoeg is, wordt buitengesloten in de duisternis.

Dan is er de bekende gelijkenis van de dagloners. De landman wil dat er geoogst wordt, en haalt dus mannen op die op het plein op werk staan te wachten. Hij komt een royaal loon met ze overeen. Maar er blijkt meer werk te zijn dan de mensen aankunnen, dus hij haalt nog meer mensen op. Met hun komt hij het zelfde loon overeen. Ook met de mannen die hij midden op de dag ophaalt, en in de middag. En zelfs met de lamlendige nietsnutten, de luiaards die aan het eind van de dag nog geen werk hadden gevonden en hun tijd uitzaten, de werknemers die niemand anders een blik waardig had gegund. Bovendien hadden ze maar een uur de tijd voor de dag eindigde, een periode waarin ze nauwelijks iets nuttigs konden verrichten. Maar de heer van het land betaalt hen het volledige loon van een dagloner. Het was de keuze van de landman om hen te betalen, hun werk of de kwaliteit ervan had daar niets mee te maken. Iedereen kreeg evenveel.

Aanstootgevende liefde
Deze laatste gelijkenis laat direct zien waarom deze onvoorwaardelijke toekomstverwachting voor ons iets aanstootgevends heeft. De mensen die het eerst waren aangenomen klagen er namelijk over. Ze denken dat ze recht hebben op meer dan die luilakken die maar een uurtje op het land hadden gestaan. Net als de oudste broer in de gelijkenis dacht dat hij recht had op een bokje vanwege zijn harde werk, en dus boos was dat voor die nietsnut van een verloren zoon het gemeste kalf werd geslacht. Gods liefde is onvoorwaardelijk, iedereen krijgt hetzelfde, dus wij kunnen ons nergens op laten voorstaan. God doet inderdaad volledig aan gelijke behandeling. Maar dat ontneemt ons elke mogelijkheid ons beter te voelen dan andere mensen. Het ontneemt ons elke mogelijkheid ons te verlustigen over het lot dat onze vijanden zal treffen, en het ontneemt ons elke mogelijkheid om ons voor te laten staan op onze gebrokenheid, pijn en inspanning.

Een van mijn twitter-kennissen had het over ‘de romantiek van de twijfel’, oftewel ‘de romantiek van de gebrokenheid’. Je kunt het ook hebben over de ‘romantiek van het slachtofferschap’. Het is een manier van denken die ik vaak genoeg herken bij mezelf, met name in periodes van zelfmedelijden. Ik heb het zwaar, denk ik dan, ik heb pijn geleden, daardoor ben ik innerlijk beschadigd, waardoor ik bijvoorbeeld onzeker ben en verlegen. Maar, is dan mijn gedachte, in de eeuwigheid zal dat onrecht worden rechtgetrokken. Dan zal ik krijgen wat ik gemist heb, en dan zullen al die mensen die het in mijn ogen zo makkelijk hadden al die tijd op Aarde, in hun ogen moeten wrijven. Ik was een slachtoffer, en daarom heb ik meer recht op Gods liefde dan de daders. Degenen die mijn op school pestten en me daardoor ontroofden van mijn zelfvertrouwen, zullen daar altijd aan herinnerd worden als ze zien hoe ik beloond ben. Ik hou me vast aan de gedachte dat mijn moeite, mijn gebrokenheid en mijn zelftwijfel me op de een of andere manier bijzonder maakt. Ik vind dat ik in eeuwigheid recht heb op een tegemoetkoming. Ik ontleen een zekere waarde en betekenis aan mijn lijden. Het heeft een romantiek.

Maar dit is totaal in strijd met de onvoorwaardelijke liefde van God. Er is een verhaal dat wordt verteld door journalist Philip Yancey in zijn boek Genade wat een wonder (What’s so amazing about grace?). Het gaat over een mensenrechtenactivist, die op de bres sprong voor zwarte Amerikanen. Het feit dat ze slachtoffer waren, maakte dat ze het waard waren om lief te hebben. En hijzelf voelde zich goed omdat hij zichzelf inzette voor degenen die werden vertrapt en onderdrukt. Een typisch voorbeeld van de ‘romantiek van de gebrokenheid’. Ondertussen verachtte hij de blanken die anderen discrimineerden. Maar er kwam een moment dat hij zich realiseerde dat God van die blanke supremacisten net zo veel hield als de gekleurde mensen die gediscrimineerd werden. De daders waren net zo zeer het voorwerp van Gods liefde als de slachtoffers. Het aanbod van genade geldt juist voor mensen die het tegendeel verdienen, die er geen recht op hebben. Dat bracht deze man op zijn knieën. Tegenwoordig werkt hij onder blanke racisten, de mensen die hij eerst verachtte, om hen te vertellen over Gods onvoorwaardelijke aanvaarding. Gods liefde geldt voor Klu Klux Klan-leden en neonazi’s en voor de mensen die zij vervolgen. God geeft net zoveel om moordenaars als om hun slachtoffers, om abortusartsen als om foetussen. Zijn hart gaat uit naar verkrachters, pedofielen en mensenhandelaars, net zoveel als naar verslaafden, kinderen en vrouwen. God omarmt hoeren en hoerenlopers met net zo veel passie.

Kortom, het feit dat ik in dit leven iets mis, maakt niet dat ik er in de eeuwigheid meer recht op heb dan anderen. De jongens die mij pestten op de middelbare school worden door de Vader met net zo veel liefde welkom geheten als ik die gepest werd. De leidinggevende die misbruik maakte van mijn overspannenheid om mij te kunnen ontslaan, wordt door God net zoveel gezegend als ik die maandenlang in onzekerheid naar werk moest zoeken. De religieuze mensen in de gemeente waar ik opgroeide, die met hun starre denkbeelden en hoge verwachtingen in mij een verkeerd godsbeeld opwekten, mogen door dezelfde deur naar binnen als de mensen die onder hun juk gebukt gingen en vermoeid en belast werden. De mensen voor wie alles makkelijk lijkt te gaan, waar ik jaloers op ben, gaan net zo makkelijk de hemel in als ik. Ik kan al deze mensen dus maar beter zien zoals God ze ziet, als zijn geliefde, unieke schepselen, en ze vergeven. Anders blijf ik tot in de eeuwigheid rondlopen met mijn afgunst en veroordeling. En dat zou de hel zijn.

Geschenk
Gods onvoorwaardelijke liefde maakt een einde aan de romantiek van de gebrokenheid. Er blijft voor mij geen voet over om op te staan. Niks waardoor ik mij kan zien als beter of geslaagder of geestelijker dan iemand anders.  Het enige dat telt is dat God van mij houdt, en een goede toekomst heeft beloofd, die niet afhangt van iets dat ik kan doen of nalaten. Gods koninkrijk is voor iedereen. Zelfs voor de nederigen van hart, die klein over zichzelf denken, de treurenden, die niet in staat zijn van de goede dingen te genieten, de zachtmoedigen, die voortdurend over zich heen laten lopen, degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, die in deze wereld nooit tot hen komt, de barmhartigen, die de belangen van de ander stellen boven die van zichzelf, de zuiveren van hart, die zich steeds opnieuw vuil en verontreinigd voelen, de vredestichters, die in conflicten nooit de overhand halen en voor degenen die vanwege de gerechtigheid worden vervolgd en afgesneden van menselijk genot en contact, soms tot de dood erop volgt. Ook voor hen is het geluk van Gods koninkrijk (Vergelijk Matteus 5:1-13). Het koninkrijk van God en alle zegen die daarbij hoort, is een onvoorwaardelijk geschenk van de God die liefde is. Ik kan het alleen in dankbaarheid van Hem aanvaarden en met een levende verwachting uitkijken naar wat komen gaat.
Dat is de basis voor echte hoop.

P.S. Ik heb dit blogbericht op een andere manier opgemaakt, met meer witregels. Laat me weten of je het zo prettiger vindt lezen, dan blijf ik het op deze manier doen.

2 opmerkingen:

  1. mooi geschreven weer Johan. veel herkenning in. de romantiek van gebrokenheid is mooi gevonden. ik denk dat hier een hele goede waarheid in zit. we denken vaak dat we doordat we beschadigds zijn ook bepaalde rechten hebben ten opziochte van anderen. vooral naar degene die ons iets hebben aangedaan. we vergeten echter vaak degene die wij zelf iets hebben aangedaan. of misschien moet ik het scherper stellen degene die we tekort hebben gedaan. ik zal dit ff laten bezinken, maar ligt me op het hart hier ook eens een blogje over te schrijven. de wit regels vind ik beter zo. mogen van mij nog een beetje meer zijn zelfs. dank voor delen.
    erik

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Dank je wel Erik,

    Ik zal proberen met meer 'wit' en tussenkopjes te schrijven.
    Ja, wij reageren ook verkeerd op onze beschadiging, en doen daarmee andere mensen pijn. En de mensen die ons pijn deden, deden dat meestal ook weer vanuit hun eigen beschadiging. De waarheid van de zondeval suggereert dat er geen enkel mens ongeschonden is.
    In elk geval wil ik me hiervan bewust proberen te zijn. Ontleen ik mijn identiteit aan mijn gebrokenheid, of aan het feit dat ik een geliefd kind van God ben?

    Johan

    BeantwoordenVerwijderen