zaterdag 18 mei 2013

Filmbespreking: La Vie En Rose

Voor mijn manier van films bespreken zijn biografische films (‘biopics’) eigenlijk niet heel erg geschikt. Ik geloof in de kracht van verhalen en de manier waarop ze ons naar ons eigen leven laten kijken. Ze geven ons een kader om de gebeurtenissen die we meemaken te plaatsen en laten ons verlangen naar een bepaalde uitkomst. We vertellen verhalen om op een andere manier naar ons eigen leven te kunnen kijken. Maar als we naar ons leven kijken heeft dat niet noodzakelijk een verhaalstructuur. Veel gebeurtenissen lijken toevallig. We maken beslissingen die niet wijs zijn uit het perspectief van het ‘plot’, en het einde past niet noodzakelijkerwijs bij wat eraan voorafging. Tijd en toeval treffen allen, zegt de Prediker. Maar dat levert niet noodzakelijk goede verhalen op. Bij goede verhalen is er sprake van wil. Onze levens lijken echter meer op een blaadje heen en weer gewaaid door de wind. Als er dus een film gemaakt over iemands leven, die ook nog eens recht doet aan de feiten, levert dat niet noodzakelijk een sterk verhaal op. Het is leuk om te weten hoe iemand geleefd heeft, maar meer eigenlijk niet. Iemand maakt goede keuzes en slechte keuzes, heeft plezier gehad en heeft geleden, en gaat uiteindelijk dood, aan ziekte of aan ouderdom. Het is immers iemand zoals wij, en zo leven wij ook. Onze levens zijn (op het eerste gezicht) niet mythisch. Uit de levens van individuele mensen zijn daarom ook geen universele lessen af te leiden, waarheden die gelden voor die van ieder mens, anders dan de waarheden waar Prediker over schrijft: Alles is ijdelheid, als je geniet van het leven met de vrouw van je jeugd is dat het geschenk van God, wees niet te zeer rechtvaardig, maar ook: zoek de Heer in je jongelingsjaren voordat de kwade dagen komen. 
De film La Vie en Rose laat bijvoorbeeld zien dat iemand die in de jeugd verlaten wordt door haar ouders, daar later pijnlijke gevolgen van ervaart. De film laat zien dat je jouw talent als redmiddel kunt gebruiken, maar dat het zich dan uiteindelijk tegen je gaat keren - het is een te klein verhaal, dat niet het antwoord biedt voor de leegte die je ervaart. De film laat zien dat het vluchten van de pijn in verdovende middelen (alcohol, morfine) de problemen alleen maar erger maakt (ook weer: te kleine verhalen). De film laat zien dat mensen die (vanuit hun pijn) hun eigen eisen centraal stellen en vinden dat al hun verlangens direct moeten worden ingewilligd, anderen daardoor van zich vervreemden. Ook die lessen zijn natuurlijk waardevol. Maar daar hoef ik geen besprekingen over te schrijven. Het zijn de lessen die we ook leren als we (zoals de Prediker zelf) eerlijk kijken naar ons eigen leven ‘an sich’ (dus niet als mythe).

Maar als christen geloof ik dat we daadwerkelijk leven in een Groot Verhaal, en dat de verhalen die we vertellen daar weerspiegelingen van zijn, en in de woorden van Tolkien, zigzaggend naar de Ware Haven koersen. Niet alleen geven we met onze verhalen ons leven betekenis, onze levens hebben daadwerkelijk betekenis. Ons leven is een verhaal, alleen al omdat het deel is van een groter verhaal. Dat zien we niet noodzakelijkerwijs op het moment dat de gebeurtenissen zich ontvouwen. De hoofdpersoon van een verhaal heeft immers ook niet door dat hij zich in een verhaal bevindt. Om Tolkien nog een keer te citeren: In The Two Towers beginnen Sam en Frodo onderweg naar de doemberg de moed te verliezen, en dan zegt Sam: “It’s not that way with the tales that really mattered. Folk seem to have been just landed in them, usually – their paths were led that way. They had lots of chances of turning back, only they didn’t. They just went on – and not all to a good end. At least not to what folk inside a story and not outside it call a good end.”
That’s the way of a real tale.” zegt Frodo. “You may know, or guess, what kind of a tale it is, happy-ending or sad-ending, but the people in it don’t know.”
Dan realiseert Sam zich dat het licht dat ze hebben meegekregen het licht van Aerendil bevat, en Aerendil speelden ooit een belangrijke rol bij de bevrijding van de wereld van duivelse overheersing. “We are part of the tale!”, roept hij uit.  “Don’t the great tales never end?”
No, they never end as tales”, zegt Frodo. “But the people in them come and go when their part’s ended. Our part will end later – or sooner. We are stuck in the worst places of the story.”
But things done and over and made into part of the great tales are different!”
En daarmee slaat Sam de spijker op de kop. Van binnenuit gezien lijkt ons leven niet mythisch, of heroïsch. Wij kunnen ons leven niet werkelijk betekenis geven - de verhaaltjes die wij zelf vertellen (ook onze heldenverhalen, bijvoorbeeld ons artistieke succes, ons succes in de liefde, onze carrière) zijn te klein. Als we ze gebruiken om ons leven te definiëren, perken we onszelf alleen maar in. En uiteindelijk worden ze door de sterfelijkheid achterhaald. Ons succes is tijdelijk, we worden afgewezen, onze carrière eindigt met ons pensioen. Ons leven kent geen moment van verlossing. Het is gewoon wat het is. Maar het wordt anders als we zoals Sam en Frodo zien dat er een groter verhaal is, dat wel mythisch en heroïsch is, en dat wij er deel van zijn. De strijder uit Gondor op de derde rij van het leger van Aragorn, die door een bijlslag werd geveld, had wel degelijk betekenis is het verhaal van Midden-Aarde, ook al leek zijn einde wreed en toevallig. Puur omdat Tolkien het verhaal schreef, had het leven van elke figuur in dat verhaal betekenis. Net zo is wat er in ons leven gebeurt wellicht voor het oog zinloos, worden we getroffen door toevallige tegenslag, en eindigt onze bijdrage in het verhaal voordat we het einde hebben meegemaakt - maar dat maakt ons leven niet betekenisloos. We weten dat ons leven uiteindelijk is opgenomen in iets groters, en dat het daardoor betekenis heeft. Het betekent ook dat die betekenis van ons leven niet van ons afhangt. Wij zijn niet de verteller. Anders gezegd: ons leven heeft betekenis, of wij dat nu willen of niet. Het enige dat wij hoeven doen, is het accepteren. We hoeven er alleen maar in te geloven. Zo simpel is het. Dit is de betekenis van verlossing. Het is allemaal genade.
Biografische films laten dit vaak ook al zien, doordat de feiten uit het leven van een individu vaak in een meer gestroomlijnde verhaalstructuur worden geplaatst, en zo ook door ons wordt geïnterpreteerd. Eigenlijk is het maken van een ‘biopic’ daarmee al een daad van genade. Ik merkte dat ik bij de film La Vie en Rose hoopte dat er voor het centrale karakter een moment van verlossing zou komen, van omkering, waardoor ze uiteindelijk de rust zou vinden om helemaal zichzelf te zijn. Ik was haar leven gaan zien als een verhaal, en niet als een toevallige opvolging van gebeurtenissen en keuzes zonder doel of richting. En omdat ik het als een verhaal was gaan zien, hoopte ik op de verhaalwending die er altijd is in een verhaal, het onverwachte einde. De eu-catastrofe of verlossing (opnieuw een term van Tolkien). Als een biopic echter een leven te duidelijk in dit kader plaatst, wordt het een onechte film. We voelen ons dan als kijker gemanipuleerd. Bij ons leven bevindt het moment van verlossing zich immers ook buiten de gebeurtenissen van ons leven, buiten de tijd, en niet er binnenin.
Het is voor een filmmaker een moeilijk evenwicht om te bewaren. En ook deze film ontkomt er niet aan dat er sommige gebeurtenissen worden weggelaten of vereenvoudigd om een aansprekend einde van het verhaal te bereiken. Maar de ‘verlossing’ waar de kijker naar snakt, wordt uiteindelijk wel gegeven, en wel op zo’n manier dat de kijker zich niet bekocht voelt, omdat het leven van de hoofdpersoon toevallig en moeizaam blijft, een opeenvolging van gebeurtenissen, een rommeltje, een mengeling van goed en kwaad, zoals ook onze levens dat zijn. Maar dan een rommeltje dat gevat is in een werkelijkheid die inderdaad boven het leven uitstijgt. Een rommeltje waarover betekenis wordt uitgesproken door de Verteller (en niet door de hoofdpersoon van het verhaal). Het moment van verlossing bevindt zich buiten de tijd zelf. En daarmee wordt deze geschiedenis over een gebroken individu een verhaal over genade.

Het gebroken individu in kwestie is in dit geval de Franse chansonneuse Edith Piaf. Ze voerde liederen uit waar nu nog steeds naar wordt geluisterd (zoals ‘La vie en Rose’), en zelfs opnames van haar concerten worden nog steeds bekeken. Een artieste van wereldfaam. Maar niet iemand met een makkelijk leven (dat lijken de meeste kunstenaars niet te hebben). Als klein meisje groeit ze op bij haar grootmoeder, die een bordeel uitbaat. Haar vader neemt haar vervolgens mee op zijn tournee als acrobaat. Hij is hardvochtig en drinkt (verklaarbaar door zijn ervaringen aan het front in de eerste wereldoorlog). Bij hem ontdekt Edith haar stem. Die gebruikt ze vervolgens om staande te blijven, door op straat te zingen. Zo kan ze zelf uit de prostitutie blijven. Haar lot begint pas echt de keren als ze wordt ontdekt door de uitbater van een nachtclub, en haar klim naar de top begint. Maar ergens blijft ze het gekwelde, onzekere meisje van de straat, en de verleidingen van succes en geld liggen op de loer. Ze vraagt een enorme prijs, van haar omgeving, en van haar eigen lichaam. Maar zelfs als het haar teveel dreigt te worden, kan ze niet stoppen met zingen. Als ze niet kan zingen, heeft ze niets meer om voor te leven ...
Edith Piaf is werkelijk geweldig weergegeven door actrice Marion Cotillard (onder andere uit Inception en The Dark Knight Rises). Ik heb op internet foto’s van Piaf gezien, en de gelijkenis is treffend. Het is een acteerprestatie van formaat. Want niet alleen de gedrevenheid van Piaf is weergegeven, maar ook haar onzekerheid, haar blik als een in het nauw gedreven vogeltje (de ‘mus’ - dat is wat Piaf betekent), haar voorovergebogen houding, alsof ze elk moment straf verwachtte ... De innerlijke pijn van Piaf is levendig in te voelen. De muziek in de film is ook prachtig (zoals het hoort) en de aankleding is ook heel geloofwaardig. Wat de film wel eens moeilijk te volgen maakt zijn alle sprongen in de tijd. Het verhaal gaat steeds heen en weer tussen het einde van Ediths leven en het begin en het is niet altijd duidelijk naar welk deel van de geschiedenis je kijkt. Het vormt uiteindelijk wel een geheel, maar de precieze chronologie is niet duidelijk. Zo kom je pas in de laatste minuten achter een belangrijke, vormende gebeurtenis uit Ediths tienerjaren. Ikzelf kende de muziek van Piaf niet, maar ook ik vond het een prachtige, intrigerende film. Degene met wie ik de film keek, kende haar muziek wel, en vond de film zo mogelijk nog beter. De moeite waard om te kijken dus.

De film begint met beelden van Piaf op het podium. Ze zingt een lied. Als je goed naar de tekst luistert, hoor je dat het uiteindelijk gaat over ‘mercy’, over genade. Dan wordt het scherm zwart en hoort de kijker een gebed tot de heilige Theresa. De film is natuurlijk niet toevallig zo opgebouwd. Deze eerste scenes zijn duidelijk bedoeld om het frame te vormen waarin de rest van het verhaal wordt gevat, en dat moet worden gebruikt om de rest van het verhaal te interpreteren. Het verhaal moet dus mijns inziens worden geïnterpreteerd vanuit het gezichtspunt van de genade. Vanaf haar gezongen oproep om te worden opgenomen in genade, valt de rest van het verhaal van Edith onder deze categorie. Het hele leven van Edith is begrepen onder haar verlangen naar genade. Al haar keuzes, goed en kwaad, slim of dom, moeten nu op deze manier worden bekeken.
Het blijkt in de film al snel dat Piaf een duidelijk religieus bewustzijn heeft. Ze bidt tot de heilige Theresa, en niet alleen voor zichzelf, maar vooral voor anderen. En ze gelooft ook dat ze gehoord wordt. Ikzelf heb helaas uit mijn opvoeding de neiging over gehouden nog wel eens rechtlijnig te willen zijn, en het viel me daardoor op dat het leven van Piaf niet helemaal leek te passen bij dat van iemand die in God gelooft. Ze leefde helemaal niet heilig, zei ik verontwaardigd tegen mezelf. Ze gebruikt drugs, beledigt mensen, en heeft een relatie met een getrouwde man. Hoe durft ze! Maar hiermee verraad ik vooral mijn eigen farizeïsme. Want ik ben misschien wel braaf, maar niet beter dan Edith. Ik maak ook domme keuzes, hoewel misschien niet zo duidelijk zichtbaar als de hare, en ik schiet ook tekort. Mijn leven is misschien wat gestroomlijnder dan het hare, maar het is net zo goed een rommeltje. En mijn verontwaardiging dient natuurlijk vooral om dat niet onder ogen te hoeven zien. “Ik dank u dat ik niet ben als deze tollenaar”, zei de farizeeër al op de hoek van de straat, in het zicht van alle anderen. Het feit dat iemand in God gelooft, betekent niet dat iemand geen foute keuzes maakt of domme dingen doet. De bijbel staat vol met verhalen van gelovige mensen die dingen doen waar de honden geen brood van lusten. Ooit van Koning David gehoord? Of van Petrus? Gelovige mensen zijn net zo feilbaar en zwak als niet-gelovige mensen. Wie dat niet toegeeft, houdt zichzelf voor de gek.
Om gered te worden, om verlossing te ontvangen, is het gelukkig helemaal niet nodig om onfeilbaar te zijn, of een volmaakt leven te leiden. Juist niet. Het enige dat daarvoor nodig is, is te accepteren dat je het zelf niet kunt, dat je tekort schiet, dat je genade nodig hebt. De tollenaar sloeg zichzelf op de borst en zei: “Heer, wees mij, een zondaar, genadig.” En Jezus zegt dat juist hij gerechtvaardigd naar huis terugging. De eerlijkheid over het eigen onvermogen was het enige dat nodig was om gerechtvaardigd te worden. En als de tollenaar weer faalde, zoals hij waarschijnlijk zou doen, hoefde hij alleen maar weer God te vragen of hij genadig wilde zijn. Ook al zou hij zichzelf nooit kunnen verbeteren, meer zou nooit nodig zijn. De betekenis van zijn leven hing namelijk niet af van zijn eigen heiligheid, hij kon niet zelf een verhaal vertellen dat hem betekenis kon geven. Het kwam niet van binnenuit uit zijn leven. De betekenis van zijn leven werd hem gegeven door de Verteller van het Ware Verhaal. Het was een geschenk dat niet van hem afhing. “Een geschenk, niet op grond van werken, opdat niemand roeme”, zoals Paulus zegt in Efeze 2.
Dat geldt ook voor Edith Piaf. Ze wil niet optreden zonder haar kruis. De film maakt er een punt van dit uitgebreid te laten zien. Steeds is ze in beeld met het kruis om haar hals. En als ze uiteindelijk aan het eind van haar carrière voor een tweede kans het podium op moet, gaat ze niet voordat iemand dat kruis voor haar gehaald heeft. Volgens mij realiseerde ze zich op dat punt haar afhankelijkheid van de genade. Ze was zich bewust van het rommeltje dat haar leven was, en haar onvermogen er ooit iets van te kunnen maken. Ze klemde zich vast aan het kruis, het teken van het Grote Verhaal van Gods liefde dat over ons verteld wordt.
En vervolgens zingt ze ‘Je ne regrette de rien’. Een prachtig lied waarin ze uitdrukt dat ze alles achterlaat. Het geluk en de pijn. De verwondingen. Het misbruik. Ze denkt er niet meer aan terug. Ze laat zich niet verteren door spijt, door schuldgevoel, door zelfverwijt. Ze is vrij van de fouten en de ongelukken. Die bepalen niet haar identiteit. Die bepalen niet wie ze is. Haar betekenis komt ergens anders vandaan.
Uiteindelijk blijft de conclusie van de kijker (van mij in elk geval) dat het leven van Edith Piaf vooral tragisch te noemen was. Het bevatte ondraaglijke pijn, waar ze een groot deel van de tijd voor op de vlucht was. Ze verloor mensen die haar dierbaar waren, maar maakte zichzelf ook kapot. Ze joeg mensen van zich weg, en was veel te vroeg oud. Maar dit is alleen een constatering. Het is geen oordeel. Haar hele leven valt immers onder het teken van de genade. Ze is gerechtvaardigd, net als de tollenaar. En haar muziek spreekt na vijftig jaar nog steeds mensen aan. Haar liederen geven mensen troost in moeilijke omstandigheden. Ik ken iemand die heel lang hoop putte uit ‘Je ne regrette de rien’. Op die manier speelt Piaf een rol in de levens van mensen, in al die verhalen. Ze draagt voor velen bij aan een gelukkig einde, aan verlossing. Ze kon het misschien niet zien toen ze zich in het verhaal zelf bevond, zoals de helden van Tolkien dat ook niet konden, maar haar leven droeg uiteindelijk vrucht. Het is opgenomen in het Grote Verhaal, het Ware Verhaal, en draagt bij aan de verlossing. Zoals ook onze levens daar uiteindelijk aan zullen bijdragen.

zondag 12 mei 2013

Filmbespreking: Spider-Man 2

Spider-Man 2 is een van mijn favoriete films. Hoe favoriet? Nou, de enige filmposters die ik in mijn appartement heb hangen zijn van de Lord of the Rings-films, en een van Spider-Man 2. Okee, aan de andere kant daarvan bevond zich een poster van Aragorn uit The Return of the King, maar die heb ik opgehangen tegen het glas van de woonkamerdeur aan, zodat de poster van Spider-Man 2 ook zichtbaar is vanaf de gang. Misschien dat The Dark Knight een betere superheldenfilm is, maar die is behoorlijk duister en wellicht zelfs cynisch, waar Spider-man 2 (ook een vervolg), wel spannend is en heftig, maar uiteindelijk  juist opbeurend en bevestigend. En Spider-Man is een superheld met wie ik me meer kan identificeren dan Batman. Batman is een multimiljonair die het leven van een playboy moet leiden, met aan elke arm een mooie vrouw, om onder bescherming van de nachtelijke duisternis met zijn dure snufjes de misdaad te bestrijden. Okee, hij heeft op jonge leeftijd zijn ouders verloren, maar die hebben wel het familiebedrijf aan hem overgedragen. En hij heeft een butler. Nee, dan Spider-Man ...
Aan het begin van deze film gaat het niet echt geweldig met student Peter Parker. Hij woont in een krottige studentenkamer, en loopt zelfs daar al achter met het betalen van de huur. Hij is niet op tijd in zijn lessen, en dreigt van Dr. Connors zelfs een onvoldoende te krijgen. Hij houdt van de mooie Mary Jane Watson, maar durft dat niet tegen haar te zeggen, en het lukt hem zelfs niet bij een van haar toneelstukken te zijn. En dan raakt hij ook nog zijn baantje als pizzaverkoper kwijt. Ondertussen doet hij in de vermomming van Spider-Man zijn uiterste best voor anderen. Met grote kracht komt immers grote verantwoordelijkheid. Maar niemand lijkt zijn inspanningen te waarderen. De mediacampagne van krantenmaker J. Johan Jameson lijkt vruchten af te werpen. De mensen voor wie hij zo zijn best doet, zien Spider-Man als bedreiging. Uiteindelijk beginnen zelfs Peters spinnenkrachten hem te verlaten. Hij is niet meer in staat om aan zijn web te slingeren of tegen een muur op te klimmen. Hij heeft zelfs zijn bril weer nodig. De maat is vol. Peter besluit zijn alter ego in de prullenmand te gooien: hij is niet langer Spider-Man. Nu heeft hij eindelijk de kans Mary Jane de waarheid te vertellen. Wetenschapper Otto Octavius probeert ondertussen een gevaarlijk experiment te herhalen. Daarvoor heeft hij een substantie nodig die alleen Harry Osborn kan leveren. Die stelt een deal voor: de hele voorraad in ruil voor Spider-Man. Otto is echter niet de gemiddelde wetenschapper. Hij beschikt over vier lange, dodelijke tentakels, versmolten met zijn rug en met een eigen, niet tegen te houden wil. En om Spider-Man te vinden, gaat hij eerst op zoek naar Peter Parker ...

De eerste Spider-Man-film was achteraf gezien een klein beetje tam. Een van de eerste van de nieuwe generatie superheldenfilms en dus nog een beetje terughoudend in het tonen van waar superhelden toe in staat zijn. Het karakter van Peter Parker en zijn omgeving waren goed weergegeven, met situaties die zo uit de stripverhalen konden zijn gekomen, maar de actiescènes waren niet bijzonder spectaculair en de slechterik was niet heel overtuigend (en dat terwijl de Green Goblin eigenlijk Spider-Mans aartsvijand is). Het is nu vooral mijn liefde voor het karakter Spider-Man die me de eerste film doet kijken en niet mijn liefde voor goed gemaakte films. Bij Spider-Man 2 komen deze twee liefdes echter samen. Dit is een Spider-Man-verhaal dat recht doet aan de stripverhalen, met epische confrontaties waarbij ook de verticale dimensie wordt toegepast, en held en schurk hun extra’s op een originele wijze inzetten. Dr. Octopus is een tegenstander die het Spider-Man echt moeilijk maakt, maar ook nog eens iemand met wie je als kijker meeleeft en zijn uiteindelijke lot raakt je dan ook. Ook het verhaal van Peter is invoelbaar gebracht. Ondertussen brengt Sam Raimi al zijn kwaliteiten als filmmaker in - vooral de scene waarin Dr. Octopus ‘ontstaat’ is fantastisch, net als een gevecht op en in een trein. Wel moet iemand die in wetenschap geïnteresseerd is zijn kritische denken op de pauzestand zetten, want kernfusie is niet zo eenvoudig als het hier gebracht wordt. Als de film eindigt ben je als kijker tevreden, maar ook benieuwd hoe het de karakters verder vergaat. Jammer dat Spider-Man 3 in vergelijking met deze film eigenlijk een teleurstelling is.

Omdat de film in 2004 is uitgekomen, ga ik niet heel erg mijn best doen om ‘spoilers’ te voorkomen. Als je de film niet hebt gezien, zorg ik wel dat er nog wat verrassingen voor je overblijven, maar ik zal wel wat meer verklappen over het plot dan ik gewend ben.

Ik heb de film al heel wat malen gezien, maar de laatste keer vielen met twee dingen meer op dan normaal. Een daarvan is wat persoonlijker, dus die bewaar ik voor zo meteen. De ander is dat dit verhaal wel heel duidelijke verwijzingen naar het verhaal van Jezus bevat. De held heeft twee naturen: de bovennatuurlijk snelle en krachtige Spider-Man en de kwetsbare, gevoelige mens Peter Parker. Hij moet een op hol geslagen trein tot staan brengen. Hij doet dit met uitgestrekte armen - een houding alsof hij wordt gekruisigd. Hij heeft het masker van Spider-Man afgezet en wordt gezien als de mens die hij is. En het is duidelijk hoe zwaar het gewicht van de trein (een microskosmos van de mensheid met individuen van allerlei leeftijden en nationaliteiten) op zijn schouders drukt. Uiteindelijk verliest hij het bewustzijn. De mensen vragen zich af of hij dood is. Spider-Man wordt over hun hoofden getild, alsof hij ten grave wordt gedragen. Dan blijkt hij nog te leven. Hij heeft er opeens volgelingen bij, die door zijn opoffering zijn geïnspireerd om zelf ook heldhaftig te zijn. En aan het slot van het verhaal verslaat hij de slechterik niet met de kracht van Spider-Man maar met de zwakheid van Peter Parker. Zijn dit soort overeenkomsten met het verhaal van Jezus bewust aangebracht? Misschien. Ik denk echter van niet. Ik denk dat onze verhalen automatisch mee gaan bewegen met het Verhaal van de Werkelijkheid. Er vindt resonantie plaats - de snaar gaat meebewegen met de andere snaar. En in het geval van deze film is dat mijns inziens goed zichtbaar.

Het tweede dat mij opviel, was hoeveel ik van mijn eigen leven in het verhaal van Spider-Man herkende. Het belangrijkste thema van de film is hoe wij dat wat wij doen of wat ons is aangedaan zoveel waarde kunnen toekennen dat ons leven erdoor bepaald wordt, in plaats van dat wij ons leven zelf kunnen bepalen. Wij verliezen onze vrijheid, zijn nog maar een schaduw van onszelf, en zijn niet in staat om te doen wat wij het liefste willen. We zitten in de klem. We lopen zelfs het risico een monster te worden, het tegenovergestelde van wat we willen zijn.

Dit is te zien in het karakter van Harry Osborn, de beste vriend van Peter. Hij gelooft echter dat zijn vader door Spider-Man om het leven is gebracht en wordt nu verteerd door maar een verlangen: om wraak te nemen. Als er iets gebeurt waardoor het slecht gaat met zijn bedrijf ‘Oscorp industries’, zegt hij zelfs letterlijk dat zijn vendetta tegen Spider-Man het enige is wat hij nog overleeft. Alles moet hiervoor wijken. Zelfs zijn vriendschap met Peter. Hij gaat drinken, scheldt en schopt. Hij is niet meer wie hij was. Hij heeft het verlangen naar wraak op de eerste plaats gezet in zijn leven, er zijn afgod van gemaakt, en nu wordt zijn leven erdoor bepaald. We gaan lijken op wat we aanbidden, zegt de bijbel ergens. Anders gezegd: wij kunnen niet groter zijn dan het verhaal waar we in leven. En als dat een klein verhaal is, blijven wij zelf ook klein. En een kleiner verhaal dan dat van wraak is er bijna niet. Ik denk daarom dat de bijbel ook waarschuwt dat we moeten oppassen dat er in ons hart niet een wortel van bitterheid opschiet, omdat die ons onze vrijheid kan afnemen en ons kan omvormen tot ‘wraakmachines’ in plaats van vrije individuen. Het verlangen naar wraak maakt ons eenkennige robots in plaats van volledige mensen.

Een ander karakter dat in de greep raakt van het verhaal dat hij over zichzelf vertelt, is Otto Octavius. Hij is gepassioneerd over zijn werk. Hij meent dat hij een doorbraak kan bereiken waardoor de wereld op een goedkope manier van energie kan worden voorzien, en er is zelfs kans op het winnen van een Nobelprijs. Dit is zijn droom, dit is waar hij al zijn tijd en kracht aan besteed. Als het experiment mislukt, kan hij het niet opgeven. Er is een ontwerpfout in zijn theorie, maar hij kan dat niet onder ogen zien. Hij moet en zal het nog een keer proberen, ook al moet hij daarmee de populatie van New York in gevaar brengen, ook al vervreemdt hij daardoor iedereen van zich. Hij is in de macht gekomen van zijn ambitie en hij is de vrijheid kwijtgeraakt om er ‘nee’ tegen te zeggen. Hij wordt beheerst door zijn droom, in plaats van andersom. In dit geval zelfs letterlijk. De vier armen waar hij zichzelf van heeft voorzien, hebben een eigen intelligentie met de opdracht fusie-energie tot stand te brengen. Ze fluisteren hem in, beïnvloeden hem. En hij gebruikt het zelfs als excuus om zijn eigen experiment niet te stoppen. Hij is niet meer vrij. Maar hij heeft wel uit eigen beweging ingestemd met de vier armen. Ze zeiden niet iets wat hij zelf niet dacht, ze sloten aan bij een ambitie die uit hem zelf kwam. Alleen omdat uiteindelijk iemand anders zich wil opofferen om de gevolgen van zijn zelfzuchtige keuzes ongedaan te maken, kan Dr. Octavius zijn eigen ambitie opzij schuiven. En als hij dat doet, als hij zijn eigen ambities opzij zet voor een ander, als hij zijn droom opgeeft, wordt hij een mens in plaats van een monster. Een mens wordt niet zo beheerst door zijn droom dat hij er andere mensen aan opoffert. Een mens heeft de vrijheid om anderen lief te hebben als zichzelf. Wie dat niet kan, is een monster.

En dan is er Peter Parker. De beginscènes van de film zijn eigenlijk moeilijk om te kijken, zo pijnlijk herkenbaar vind ik de worsteling van de hoofdpersoon. Hij zet zich in als Spider-Man om misdaad te bestrijden en voor zwakken op te komen, maar hij gaat er bijna aan ten onder. Hij heeft zijn persoonlijke leven volledig ondergeschikt gemaakt aan de taak die hij heeft opgenomen. Hij offert zijn carrière op, zijn scholing, zijn vriendschappen en zijn liefde. Allemaal omdat hij het idee heeft dat hij Spider-Man moet zijn. Het is minder iets dat hij wil, maar iets waarvan hij vindt dat het behoort. Zijn taak als Spider-Man is namelijk gebaseerd op schuld. Peter Parker vindt dat hij schuldig is aan het overlijden van zijn oom Ben. Als hij namelijk zijn krachten op een goede manier had gebruikt en een bandiet had tegengehouden, zou Ben Parker nog leven. Dat is een behoorlijke last om op je schouders te dragen. En dan zei zijn oom ook nog eens dat bij grote kracht een grote verantwoordelijkheid hoort. Dus denkt Peter dat hij niet anders kan dan zich inspannen. Hij gaat er echter zelf aan onderdoor. Zijn energie raakt op. Uiteindelijk wordt hij gedwongen te stoppen.
Ik denk bij deze scenes aan de jaren dat ik me uit alle kracht inspande om bijbel te lezen (vijf hoofdstukken per dag), te bidden (minstens een half uur), bijbelstudie te doen, bijbelteksten te memoriseren, naar de kerk te gaan, te evangeliseren et cetera. Het klinkt allemaal heel geestelijk. Maar ik deed het uit schuldgevoel. Ik was bang dat God boos op me zou worden als ik niet voor hem zou werken. Bovendien had ik van God een groot intellect gekregen en dat kwam met grote verantwoordelijkheden. Ik vond dat ik niet meer de boeken mocht lezen die ik zo graag wilde lezen, of de verhalen schrijven die ik zo graag wilde schrijven. Zelfs voor vriendschappen kon ik nauwelijks nog tijd vrijmaken. Maar deze christelijke activiteiten pasten niet bij me. Het was niet wat ik wilde, maar wat ik dacht dat ik ‘behoorde’ te doen. En zoals Peter Parker zijn energie kwijt raakte, zo gebeurde dat bij mij. Ik kreeg enorme slaapproblemen. Ik werd overspannen. Van de ene op de andere dag stopte ik met al dat werken. Wat een opluchting.

Peter geeft zichzelf de toestemming gewoon Peter te zijn. Hij volgt de lessen waar hij zo van houdt (en wordt de beste van de klas), repareert zijn bromfiets, en bezoekt eindelijk een van de toneelvoorstellingen van Mary Jane. Hij geniet eindelijk van zijn leven. En hij vindt de vrijheid om eerlijk te zijn naar zijn tante May. Hij wil het geheim van zijn schaamte niet meer alleen met zich meedragen, maar besluit het met anderen te delen. Het lijkt met Peter voor de wind te gaan. Maar dat is maar schijn. Hij ziet namelijk hoe iemand op straat beroofd wordt, en realiseert zich dan dat hij daar niet zomaar aan voorbij kan lopen. Zijn verlangen om Spider-Man te zijn was niet alleen maar gebaseerd op schuldgevoel, maar ook op een positief verlangen om iets goeds te doen voor andere mensen. Hoe hij het ook probeert, hij kan echter zijn krachten niet meer terugkrijgen. Hoe hij zich ook inspant.
Ook dat herken ik wel. Na mijn overspannenheid volgde een periode van vrijheid, van ontspanning, van soms pijnlijke eerlijkheid. Maar het was de ontspanning van het negatieve, ontspanning omdat er iets ontbrak in mijn leven - de eeuwige overheersing van het schuldgevoel, de rust van het niet meer behoren te werken. Er was iets van mijn afgevallen. Maar ik ervoer ook een leegte. Er was niet iets positiefs terug gekomen in mijn leven. Ik was stuurloos geworden. Ik heb geprobeerd te schrijven, maar ik kon zelfs dat niet omarmen als mijn roeping, als iets dat bij mij paste. Ik zei dat ik eigenlijk verhalen wilde schrijven, maar het lukte me niet. De inspiratie leek verdwenen. De behorens kwamen steeds weer terug. De vrijheid was dus van korte duur.

Twee dingen leiden voor Peter uiteindelijk tot werkelijke vrijheid. Ten eerste de onvoorwaardelijke liefde die hij ervaart van zijn tante. Ze vergeeft hem voor zijn rol in de dood van zijn oom, en zegt hem dat ze van hem houdt. Zoals hij is, superheld of niet. Ze is niet in hem teleurgesteld. Voor haar hoeft hij niets te doen. Hij hoeft niet te presteren. Hij hoeft helemaal niets. De opluchting bij Peter Parker is op zijn gezicht te zien. Onvoorwaardelijke acceptatie is de eerste stap naar vrijheid. Zolang Peter dat nog niet had ervaren, zou zijn vrijheid alleen de vrijheid zijn van het ontbreken van overheersing, niet de vrijheid van het werkelijk jezelf kunnen zijn. Want Peter geloofde nog niet dat het genoeg was echt zichzelf te zijn. Hij wist alleen dat hij zich niet meer kon laten overheersen door zijn schuldgevoelens. Als zijn tante May zegt dat hij geliefd is, ook als hij niets doet, is hij pas echt vrij om iets te gaan doen. Positieve vrijheid. De vrijheid van leven in overeenstemming met wie je bent.
De tweede ontdekking die Peter doet is dat hij om te leven in overeenstemming met wie hij is niet afhankelijk is van omstandigheden buiten hem om. Hij is niet afhankelijk van zijn krachten als Spider-Man. Hij is niet afhankelijk van het superheldenpak dat hij gemaakt heeft. Er hoeft niet aan voorwaarden te worden voldaan voor hij zichzelf kan zijn. Hij kan ook als de eenvoudige Peter Parker al het goede doen.
Ook deze dingen herken ik heel sterk. Een groot deel van mijn geestelijke reis van de afgelopen jaren was te leren ontdekken dat God onvoorwaardelijk van mijn houdt, dat hij van mijn houdt zoals ik ben, niet zoals ik zou moeten zijn. Ontdekken dat ik hem niet kan teleurstellen, omdat hij alles weet wat ik heb gedaan en ooit zal doen, en toch van mij houdt. Ontdekken dat ook als ik nooit meer iets zou presteren, dat hij mij in zijn armen sluit als zijn geliefde zoon. Die liefde maakt me vrij om rond te kijken naar wat ik wil doen. Die liefde maakt me vrij om eenvoudig te schrijven, om te tekenen, om te bloggen. Ik mag doen wat ik wil, want Gods liefde is onvoorwaardelijk.
En om te doen wat ik wil, ben ik niet afhankelijk van anderen. Ik stopte ooit met schrijven nadat een manuscript door een uitgever was afgewezen. Ik dacht dat ik om door te gaan met schrijven afhankelijk was van publicatie. Ik meende dat ik afhankelijk was van erkenning. Maar dat was niet zo. Ook al zou niemand mijn verhalen lezen, ook al zou ik ze alleen voor mezelf schrijven, ik zou ze mogen schrijven. Om mijn creativiteit uit te leven heb ik niets anders nodig dan papier en een potlood (of een MacBook air, dat werkt ook). Het zijn niet mijn omstandigheden die mij bepalen. Of er ooit nog iets van mij wordt uitgegeven, of niet, ik ben schrijver. Zoals Peter Parker een held is, of hij ooit nog Spider-Man kan worden of niet.

En dan is er dat moment waarop Peter Parker daadwerkelijk weer Spider-Man wordt. Zijn vriendin wordt bedreigd. Op dat moment weet hij het opeens: dit is wie ik ben. Dit is wat ik wil. Op dat moment is hij helemaal niet met zichzelf bezig (zoals eerder, toen hij ook probeerde om weer Spider-Man te worden). Hij denkt niet aan zichzelf, hij denkt alleen aan Mary Jane. En hij breekt door een hele laag puin heen. Hij is Spider-Man!
Dat moment kwam voor mij afgelopen jaar, toen ik voor de tweede keer ziek thuislag met wondroos. Ik realiseerde mij dat als ik dood zou gaan (zo ernstig was het gelukkig niet, maar wondroos is toch niet mis) ik vooral spijt zou hebben van het feit dat ik geen verhalen zou hebben geschreven. Ik had het er al jaren over dat ik weer wilde schrijven, maar ik deed het niet. Ik dacht dat het was omdat ik geen inspiratie meer had, dat er geen ideeën kwamen. Maar de realiteit was dat ik mezelf geen toestemming gaf om dag en nacht over mijn verhalen te denken. Ik stond mezelf in de weg. Toen ik besloot om weer te schrijven en mezelf de toestemming gaf te doen wat ik het liefst wilde, begonnen de ideeën weer als vanouds te borrelen. En hoe veel ik ook schreef, ik werd er niet overspannen van. In plaats van slechter te slapen omdat ik zo hard werkte, sliep ik er beter door. Mijn schouders waren minder opgetrokken en ik was (volgens mijn vriendin) vrolijker. Ik was meer mezelf. Want ik had mezelf toestemming gegeven om te schrijven. Dit was net zo’n moment als Peter die door het puin breekt.
Het is ook een keuze waarop ik niet meer terug zal komen. Zoals Peter op dat moment wist dat hij Spider-Man was, weet ik dat ik schrijver ben. Niemand kan dat van me af pakken. Deze keuze was namelijk niet gemaakt doordat ik me op mezelf richtte, ik maakte de keuze niet omdat ik iets wilde bewijzen. Zoals Peter was ik niet op mezelf gericht. Ik was gericht op het schrijven, zoals Peter was gericht op Mary Jane. En omdat ik op iets buiten mezelf gericht was, was ik werkelijk vrij. Er was geen sprake meer van schuldgevoel en verplichting, zoals eerst. Ik mocht gewoon doen wat ik wilde doen. Voor Peter was dat Spider-Man zijn, voor mij was dat schrijven.

vrijdag 19 april 2013

Filmbespreking: Oblivion

Als er een originele Science Fiction-film in de bioscoop verschijnt, is dat altijd iets om toe te juichen. Zo vaak gebeurt dat niet in deze tijd van vervolgen en nieuwe versies van oude verhalen. Niet dat ik die niet kijk, natuurlijk. De nieuwe Total Recall was bijvoorbeeld best vermakelijk, en ik ben nu al enthousiast over de volgende Star Trek-film. Maar als er een genre is dat juist vernieuwend zou moeten zijn, is dat de Science Fiction. Een goede SF-film zou je beelden moeten laten zien die je nooit eerder gezien hebt, en je laten nadenken over thema’s waar je niet eerder over hebt nagedacht. Een goede SF-film moet je geest openen voor nieuwe inzichten. Daarom is de voortdurende herhaling van onderwerpen soms wat teleurstellend. Er lijkt nu echter (na het succes van Avatar) een lichting originele SF-films aan te komen. Elysium (met Matt Damon), Gravity (van regisseur Alfonso Cuaron), zelfs Batman-regisseur Christopher Nolan werkt aan een ruimtefilm. Maar de eerste die uitkwam is Oblivion. Deze is nu eens een keer niet gebaseerd op een eerdere film, of een stripverhaal, of een boek, maar is verzonnen door de regisseur zelf.
Helaas is de regisseur van oorsprong architect, en geen science fiction-auteur. Het verhaal blijkt daarom niet bijzonder origineel te zijn. Er zijn invloeden merkbaar van onder andere Wall-E, The Matrix, The Omega Man, 2001, Independence Day en de recentere film Moon, om er maar een paar te noemen. Nu vind ik dat in zichzelf nog geen reden om de film minpunten toe te kennen - ik laat me voor mijn eigen verhalen ook graag inspireren door de werken van anderen. Het is de vraag of iemand ooit helemaal origineel is. Als scheppers staan we allemaal op de schouders van de scheppers voor ons. Er is er maar een die werkelijk uit het niets (ex nihilo) kon scheppen ... Maar dan nog verwacht je een eigen gebruik van het materiaal. Dat miste ik hier een beetje. De wendingen in het plot waren goed gevonden, maar lieten me niet van verbazing naar adem happen. De conclusie van de film was niet anders dan die van heel veel eerdere verhalen. Verder vond ik dat niet al het potentieel van het uitgangspunt werd uitgebuit. Zo krijgt de hoofdpersoon iets heel schokkends te horen, wat zijn beeld op de wereld en op hemzelf doet wankelen. Ik zou dit zelf in de conclusie hebben laten terugkomen, bijvoorbeeld in een belegering die volgt tegen het eind, of in de climax. Het zou een diep schokkend, emotioneel rijk plot hebben opgeleverd.
Verder waren de karakters niet echt diep. Als kijker moet je er maar van uitgaan dat je met ze mee moet leven, maar je krijgt er weinig reden voor. Motivaties worden niet duidelijk. En de meeste dialogen zijn er om het plot uit te leggen. (En een astronaut hoeft niet uitgelegd te krijgen dat Titan een maan van Saturnus is). Als zelfs Morgan Freeman zijn karakter geen leven kan meegeven, zegt dat toch wel wat. Dit maakte dat mijn verloofde de film wel onderhoudend vond, maar geen interesse had hem nog een keer te zien. Ik denk dat ook in SF het beste plot mede wordt gedreven door de motivaties van de karakters, en niet alleen iets is dat hen overkomt, van buitenaf.
Maar wat de beelden betreft, is deze film wel degelijk bijzonder geslaagd. Net als in zijn eerdere film Tron Legacy weet de regisseur een consistente wereld te scheppen, vol kloppende details, maar toch heel anders dan de onze (hier komt het juist goed uit dat hij architect is!). Strakke interieurs en ruimteschepen worden gecombineerd met beelden van lege, ruige natuur uit IJsland. Meerdere keren hield ik mijn adem in door de pracht van de beelden op het scherm. Ik heb zelf een behoorlijk visuele verbeelding en het zou me niet verbazen als scenes in volgende verhalen van me aan deze film zouden doen denken. Alleen al voor de beelden zou ik deze film meerdere malen willen zien. De muziek is trouwens ook prima. De hele film zou als videoclip kunnen fungeren. Omdat ik visuele schoonheid ook een belangrijk criterium vind voor een film, slaat mijn oordeel uiteindelijk dus positief uit (maar niet heel ver).

Oblivion speelt zich af aan het einde van de 21e eeuw. Zestig jaar geleden arriveerden er vanuit het duister van het heelal buitenaardse wezens, die de maan vernietigden en vervolgens een vernietigingsoorlog startten. De mensheid wist de invallers ternauwernood te verslaan, maar de Aarde bleek onbewoonbaar. De overlevenden werden ge-evacueerd naar Titan, de grootste maan van Saturnus, waar misschien wel geen leven, maar wel complexe organische moleculen aanwezig zijn. Op onze planeet zijn alleen nog een paar technici achtergebleven. Ze zorgen voor de vliegende robots die de enorme energiecentrales beschermen tegen de laatste buitenaardse wezens. Jack Harper is een van deze technici. Over twee weken zullen hij en zijn partner Victoria ook naar Titan mogen vertrekken. Eindelijk. Maar zo makkelijk gaat het natuurlijk niet. Een signaal, afkomstig van de buitenaardse wezens, voert Jack naar een neergestort ruimteschip. Daar vindt hij een capsule met een slapende astronaut. Hij herkent haar. Maar dat is onmogelijk. Het ruimteschip dateert namelijk nog van voor de oorlog. Als Julia wakker is geworden, zet ze Jacks leven op zijn kop: ze vertelt hem dat ze zijn vrouw is. Vastbesloten de waarheid te achterhalen, gaat Jack op zoek naar de zwarte doos van het ruimteschip. De buitenaardse wezens zijn hem echter voor en hebben een valstrik voor hem opgezet. Ze willen hem gebruiken om eens en voor altijd de overwinning te behalen.

Als ik het thema van deze film in een woord moet samenvatten, is dat ‘medeplichtigheid’. Dit is een film over het moment dat je beseft dat je dingen hebt gedaan waar je niet achter staat, omdat een systeem of organisatie dat van je vroeg. Het instituut heeft jou gebruikt voor zijn eigen doeleinden, maar in het proces ben jij je ziel verloren. Je was voor het systeem nooit een persoon. Je bent geworden tot een instrument, een wapen. Dat is de identiteit die de organisatie je heeft gegeven. En hoe kun je daar ooit aan ontsnappen?
Ik moest (vanzelfsprekend) denken aan de Duitse bevolking die er na de tweede wereldoorlog achter kwam dat ze een rol had gespeeld bij een geïndustrialiseerde, technische volkerenmoord. Al bestond zijn medeplichtigheid alleen maar uit hun zwijgen, of hun onwetendheid. Onwetendheid is geen excuus, maar maakt je juist kwetsbaar om gebruikt te worden. We hebben het niet geweten. Mensen waren deel van het Nazi-systeem en zijn gebruikt om dat machtiger te maken en zijn vijanden te bestrijden. Nazi-duitsland is natuurlijk een makkelijk voorbeeld van een demonisch systeem (misschien te makkelijk - we denken al snel dat hetzelfde ons niet zou kunnen overkomen). Maar er is een toepassing mogelijk op alle systemen, alle instituten. Ook de goedaardige dragen deze schaduwzijde met zich mee. Bedrijven (werknemers worden gebruikt om de doelstellingen van het bedrijf te behalen (winst), ook al moeten ze daar zelf door lijden (stress)), regeringen, scholen, verenigingen, en ja: kerken. Mijn wat cynische houding ten opzichte van religieuze instituten zal voor trouwe lezers van mijn blog niet als een verrassing komen. Mocht jij toevallig een geweldige kerk bezoeken, die geen van onderstaande kenmerken vertoont, prijs je dan gelukkig en zie dit als een waarschuwing (want elk systeem kan zich deze demonische kant op ontwikkelen).
Ik noemde systemen meerdere malen ‘demonisch’ - en niet alleen vanwege het shock-effect. Organisaties en instituten zijn entiteiten op een hoger organisatieniveau van het individu. Ze hebben echter (net als het individu) eigen doelen, eigen prioriteiten, eigen verlangens, eigen motivaties. Deze zijn niet afhankelijk van het individu. Niet voor niets spreken we bijvoorbeeld van een ‘bedrijfscultuur’. Bedrijven en organisaties kunnen daarom ook in rechtszaken als ‘rechtspersoon’ worden gezien, bijvoorbeeld in zaken tegen ‘de staat Nederland’, of in bedrijfsrecht. Bedrijven nemen beslissingen, landen trekken ten oorlog, beschavingen groeien en krimpen. Volgens verschillende theologen wordt in de bijbel over dit soort hogere entiteiten gesproken als ‘de overheden en de machten’, ‘de wereldheersers’. Ze hebben een persoonlijkheid, en worden ook zo behandeld. Als de bijbel zegt dat we niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en de machten, gaat het niet om een strijd tegen duivels met horens en hoeven, maar tegen onderdrukkende systemen en instituten die mensen hun individualiteit afnemen en hen uitbuiten voor hun eigen doeleinden (de groei van een kerk, territoriumuitbreiding). De belangrijkste vraag van het systeem in deze film is: ‘Zijn jullie een effectief team?’ En zodra het antwoord daarop ‘Nee’ is, breekt de hel los. Mensen zijn alleen maar belangrijk voor hun effectiviteit, hun producitiviteit. Niet voor wie ze zijn als individu.
In het bijbelboek Daniel wordt gesproken over de Engel van het Perzische rijk, in Openbaringen hebben verschillende kerken hun eigen engel. Dit zijn dan personificaties van de persoonsoverschrijdende entiteiten. Dat dit niet zo vreemd is, weet iedereen die wel eens groepsprocessen heeft gadegeslagen, of die gelezen heeft over sociale experimenten - om bij een groep te horen zijn mensen bereid om ver over hun eigen (morele) grenzen te gaan. De systemen hebben dus een religieus aspect, vooral als ze de individuen in het systeem een bepaalde identiteit verlenen (zoals iemand die lid is van een supportersvereniging daar zijn identiteit aan ontleent, en de supportersvereniging vervolgens daar een beorep op doet, bijvoorbeeld om tegen andere supporters te vechten). In deze film krijgt de hoofdpersoon zelfs letterlijk te horen: ‘I have created you. I am your God.’ Duidelijker kun je het niet krijgen. Systemen worden tot afgoden als we onze identiteit eraan ontlenen. Als we dat doen, winnen we misschien de veiligheid van het systeem, we winnen de wereld, maar we raken onze ziel kwijt.

Maar waarom kunnen dit soort instituten zoveel macht over mensen uitoefenen? Als ze zo slecht zijn, werpen we ze toch omver? Maar dat gebeurde niet met Nazi-Duitsland, dat gebeurt niet met bedrijven en het gebeurt niet met kerken. Vaak groeien ze zelfs. Want het systeem neemt niet alleen iets weg, het geeft er natuurlijk ook iets voor terug. In deze film zien we dat terug bij Victoria, de partner van hoofdpersoon Jack. En ook hier zie ik sterke parallellen met religieuze systemen. Zo wordt Victoria een beloning in de toekomst voorgehouden. Als ze goed presteert, zal de missieleiding met haar een drankje drinken op Titan. Ze moet nu volhouden, om zo meteen te kunnen genieten. De belofte van toekomstige beloning is gekoppeld aan straf voor het niet effectief zijn. Beloning en straf zijn externe motivatoren, die mensen niet werkelijk veranderen, maar ze in feite hun vrijheid en identiteit afnemen. Dit is te zien bij Victoria die elke dag strak volhoudt dat ze in een paradijs leeft (‘another day in paradise’), in een poging zichzelf te overtuigen, zelfs als de realiteit anders is - ze wil immers niet de toekomstige beloning mislopen. Die beloning is er alleen voor hen, omdat ze zo goed functioneren. Dat maakt hen bijzonder. Het systeem heeft de wereld onderverdeeld in de ‘goeien’ en de ‘vijanden’. Over deze vijanden weet Victoria niets, behalve dat het systeem heeft gezegd dat ze een bedreiging zijn voor haar beloning. En dus hoeft ze ze ook niet te leren kennen, maar kan ze tevreden zijn met ze te bestrijden.
Hieraan gekoppeld is een angst voor ‘verontreiniging’. Niets van het aardoppervlak mag haar wereldje binnenkomen. Zelfs als Jack een bloem voor haar meeneemt, kan Victoria niets anders doen dan die weggooien. Het leidt af van hun effectiviteit. Ik meen dat ik niet overdreven cynisch ben, als ik hierbij moet denken aan de ‘verontreinigingsleer’ die we kenden in de kerk waarin in opgroeide, waar we bang waren om onrein te worden als we bijvoorbeeld in een andere kerk aan het avondmaal zaten. We ontleenden daaraan onze identiteit. Zo geldt het ook voor Victoria. Let op: ze draagt het symbool van het systeem op haar kleren, als was het een religieus symbool zoals een kruis. Ze identificeert zich met het systeem. Maar haar identiteit staat in dienst van het systeem - ze heeft de identiteit van een effectieve werker, en dus is ze voortdurend aan het werk voor het instituut. Ze heeft allerlei taken. Er is geen moment om te rusten, te ontspannen. Dat is prettig, want zo hoeft ze geen confronterende vragen onder ogen te zien.
Die vragen wil ze niet onder ogen zien. “The questions I ask, she doesn't,” verzucht Jack. “The things I wonder about, she won't.”

Wat maakt Jack verschillend? De film speelt met het idee van herinneringen die genetisch worden doorgegeven. Zo werken onze genen natuurlijk niet. Maar op een andere manier worden wel ‘herinneringen’ doorgegeven, namelijk via de kunst, via literatuur. En ook dat gebeurt in deze film. De herinneringen wekken verlangen op bij Jack. Een verlangen naar schoonheid, naar waarheid en naar intimiteit. Naar een menselijk leven. Een bestaan dat meer is dan het dienen van het systeem. Een bestaan dat om meer draait dan een toekomstige beloning. Een bestaan dat echt is. Verlangen is een interne motivatie, en eigenlijk de enige motivatie die ons vrijheid kan brengen. Als Jack dit verlangen gaat volgen, komt hij allereerst in conflict met zichzelf (in deze film zelfs letterlijk). Zijn identiteit was namelijk verweven met het systeem, het systeem had macht over hem. En hij moet dus worstelen met dat deel van zichzelf dat nog wel gelooft in de beloning die het systeem hem voorhoudt, en de dreiging van straf door het systeem als hij niet meer effectief is. Dit is de worsteling tussen de geest en het vlees, waar Paulus over spreekt in Galaten 5 ‘Want deze twee staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt’. Maar zelfs als Jack zichzelf heeft overwonnen (als hij is gestorven aan zichzelf), wil het systeem hem niet zomaar laten gaan. Als hij werkelijk vrij wil zijn, zal hij zich aan de wereld van het systeem moeten onttrekken. Nog een bijbelse verwijzing: zoals Jezus volgens Hebreeen ‘buiten de legerplaats’ ging om gekruisigd te worden. Jacks vrijheid en identiteit en het bestaan van het systeem zijn onverenigbaar. Een van de twee zal eraan moeten geloven. Om vrij te worden, moet Jack dus bereid zijn te sterven. Zo dramatisch is het voor ons vaak niet, maar het voelt wel als een stukje sterven als je het systeem achter laat en je identiteit als deel van het systeem afzweert. Het voelt als sterven om toe te geven wat je gedaan hebt als deel van het systeem, om aan anderen te belijden dat je hen pijn hebt gedaan door de meningen van het systeem over hen te verkondigen, om vergeving te vragen. Je moet bereid zijn af te gaan in de ogen van anderen. Om op te staan tegen de mensen die anderen kwaad willen doen, om hardop te schreeuwen dat de keizer geen kleren aan heeft. Dit vraagt moed, maar het is noodzakelijk. Wie werkelijk wil leven, moet bereid zijn te sterven. (Ook dit is iets wat Jezus al zei).
Dit thema wordt in de film verwoord door een citaat uit The Lays of Ancient Rome van de dichter Macauley: ‘How can man die better: than facing fearful odds, for the ashes of his fathers, and the temples of his Gods?’ Er is een ander boek dat in deze film duidelijk in beeld komt, en dat is het boek A Tale of Two Cities van Charles Dickens. Volgens mij is dat niet toevallig! Want waar gaat dit boek over? Over een systeem dat mensen hun vrijheid en hun leven ontneemt! En over iemand die bereid is te sterven, zodat iemand die heel erg op hem lijkt kan leven (de parallellen zijn wel heel duidelijk). Ik denk dat Jack hem na zou zeggen: ‘It’s a far better thing that I do, than I have ever done, It’s a far better rest that I go to, than I have ever known’.
En wat gebeurt er na deze dood (sterven aan de wereld, zoals de bijbel het noemt)? Welnu, daarop volgt de opstanding. Een leven buiten het systeem, in een wereld die gebaseerd is op schoonheid, waarheid en intimiteit. Deze film bevat daarvan een prachtig beeld, dat bij meerdere kijkers naar ik heb begrepen de tranen in de ogen bracht. Ik moest bij de paradijselijke beelden (inclusief nieuw leven) denken aan Openbaringen, dat over het nieuwe Jeruzalem zegt dat daar geen tempel meer zal zijn! (De tempel is het beeld van religieuze systemen - Jezus heeft die hun macht ontnomen, bij zijn dood, toen het gordijn voor het (lege!) heilige der heiligen van boven naar beneden scheurde. Nu zijn ze er nog wel, maar hun lege hart is blootgelegd en ooit zullen ze helemaal verdwijnen). Ook de Zon en de Maan zullen er niet meer zijn (ook dit zijn in de bijbel net als de sterren beelden van machthebbers en systemen). Het Lam zelf is hun licht, zegt de bijbel. Een lam oefent geen macht uit. Een lam is geen systeem dat anderen kan gebruiken voor zijn eigen doeleinden.
God toont zich naar ons niet als een tempel, niet als een zon, maar als een lam. God is namelijk geen systeem, geen kerk, geen organisatie. Hij wil ons niet gebruiken voor zijn eigen doeleinden. God is relatie. God is liefde. En hij nodigt ons uit om daar deel aan te hebben. Als we daaraan onze identiteit ontlenen, door ons door hem te laten liefhebben en zelf onze naasten lief te hebben, worden we pas helemaal onszelf. Waar systemen ons onze ziel ontroven, worden we allen zo werkelijk bezield. Tot deze conclusie komt ook de film: ‘If there is a soul, it is made from the love we share.'

vrijdag 12 april 2013

Filmbespreking: Extremely Loud & Incredibly Close

Het was op mijn blog de laatste tijd erg rustig wat filmbesprekingen betreft. Ik ging zo op in het schrijven van de laatste hoofdstukken van De Krakenvorst, boek 1: Keruga, dat ik daar in het weekeinde niet mee wilde stoppen. Nu heb ik de tekst echter af, en heb ik weer tijd en aandacht voor andere schrijftaken. Zoals het herschrijven van De Derde Macht. Maar ook: filmbesprekingen. Ik vind het namelijk erg leuk om mijn gedachten over films met jullie te blijven delen. Ik blijf de mening toegedaan dat verhalen een van de belangrijkste manieren zijn, zo niet de belangrijkste, waarop wij veranderen. Niet zozeer omdat ze ons denken veranderen, niet op een rationele manier, maar omdat ze beelden in ons hart vormen, beelden waaruit onze verlangens ontstaan en waar ze aan refereren, en wij maken weer keuzes op basis van die verlangens. Wie denkt zomaar elk boek te kunnen lezen en elke film te kunnen kijken, zonder dat het hem iets doet, houdt zichzelf voor de gek. Verhalen doen wel degelijk iets met je. Daarom is het belangrijk er over na te denken wat. Voor mij helpt schrijven daarbij. De komende maanden hoop ik dus weer met enige regelmaat films te bespreken op mijn blog.

De eerste is Extremely Loud & Incredibly Close, een film uit 2011. Hoofdpersoon is het elfjarige jongetje Oskar Schell, die een jaar eerder zijn vader verloor op 11 september. Zijn vader was toen net aanwezig in een van de torens van het World Trade Center. Dat zoiets enorm traumatiserend is, spreekt vanzelf. Daar komt nog bij dat Oskar een geweldige band met zijn vader had: ze begrepen elkaar, zijn vader stimuleerde hem, en bemoedigde hem. En dat was weer belangrijk omdat er niet veel mensen zijn die Oskar begrijpen. Hij is niet per se een standaard elfjarige. En dan is er ook nog een geheim dat hij sinds die bewuste dag met zich meedraagt, een geheim dat hem dreigt te verteren.
Een van de dingen die zijn vader voor Oskar deed, was speurtochten uitzetten. Als Oskar op een dag in een blauwe vaas een sleutel vindt, realiseert hij zich dat zijn vader nog een laatste opdracht voor hem had. De enige andere aanwijzing is de naam ‘Black’. Dus Oskar vat het plan op om methodisch elke ‘Black’ in New York af te gaan, op zoek naar het slot waar de sleutel op past. Dat dwingt hem ertoe zijn eigen angsten te overwinnen. En het plan brengt hem in contact met bijzondere mensen. Niet in het minst de zwijgzame huurder van zijn oma, in het gebouw tegenover dat van zijn ouders, die een eigen geheim koestert.

Mijn vriendin en ik vonden dit een mooie film en hebben er een tijdje over zitten napraten. Dit was vanwege de goede acteerprestaties, van onder andere Tom Hanks en Sandra Bullock in kleine rollen en veteraan Max von Sydow (kwetsbaar en ontroerend). Verder is het verhaal mooi gemaakt, met een paar verrassende vondsten (zo kom je als kijker informatie waarvan je aanvankelijk denkt dat die erg belangrijk is, nooit te weten) en mooie beelden. De gebeurtenissen zijn misschien te toevallig om echt gebeurd te kunnen zijn, maar dit is geen probleem als je het verhaal ziet als een fabel over het verwerken van 11 september. Maar vooral vonden we de film mooi omdat we ons allebei (om verschillende redenen) herkenden in Oskar Schell. Voor mij was het alsof ik mijzelf als tien/twaalfjarige terugzag op het scherm. Eindelijk iemand in wie ik mij kon herkennen!

Ik heb een aantal recensies van deze film gelezen op de internationale filmdatabase IMDb en een van de meest voorkomende kritieken op deze film is dat mensen het moeilijk vonden met Oskar mee te leven. Ze vonden hem een vreemd jongetje, vonden hem vervelend en onaardig, zouden hem in het echt niet willen kennen, enzovoorts ... Alleen al om deze reden gaven ze lage scores aan de film. Wat ik niet kan begrijpen - ten eerste omdat het duidt op een gebrek aan empathisch vermogen als je alleen kunt meeleven met volkomen aangepaste, populaire kinderen, en ten tweede omdat ik Oskar juist wel heel goed kon begrijpen. Maar goed, ik was als kind ook niet echt heel aangepast of populair. En ja, ik ben daarom ook gepest. Misschien wel door dezelfde types die nu deze film afkraken omdat Oskar niet normaal is.
De komende paragrafen worden behoorlijk persoonlijk. Wie niet wil lezen over mijn jeugdervaringen en een stuk zelfanalyse moet verder naar beneden scrollen, waar ik het zal hebben over een mooie religieuze parallel die ik in deze film meende te ontwaren.
Over naar het persoonlijke deel van deze filmbespreking dan maar. Volgens heel wat filmbesprekingen zou Oskar (hoog functionerend) autistisch zijn. Dat zou zijn vreemde gedrag verklaren. Maar ik denk dat dit te makkelijk is. In de film zelf zegt Oskar dat hij is getest op het syndroom van Asperger, maar dat de testuitslagen geen uitsluitsel gaven. De film zegt dus niet definitief dat hij deze ‘stoornis’ heeft. Ik denk zelf ook dat hij op sommige momenten juist heel gevoelig uit de hoek komt, op een manier die niet autistisch is te noemen. Ik las op internet bijvoorbeeld het volgende: “I know a boy in real life, about the age as the Oskar character, who has Asperger's. I have interacted with him several times, and he acts in no way like this character did in the film. He smiles politely when I meet him, says hello very stiffly and uncomfortably, and then goes to investigate the plumbing or the train schedule or this favorite subject, birds. He doesn't engage me in dramatic dialogue, berate me on moral topics, or conduct searing, soul-searching monologues at rapid-fire speed until he is out of breath and spent. He barely remembers my name each time we interact, and he has trouble showing his feelings or expressing any sense of emotion. This may be one aspect of the syndrome, but having been in contact with someone who is not a character in a movie reciting a script I can say I had a hard time accepting Oskar as having Asperger's.
Meerdere mensen hebben aan mij gevraagd of ik niet ook autistisch ben. Zelfs mijn moeder - vorige week nog. Bovendien kan ik het vaak heel goed vinden met mensen op het (hoog functionerende) autistische spectrum (en wederzijds: in mij hebben ze iemand die heel geïnteresseerd is in hun eigen interessegebied!). En ik herken vaak ook dingen van mezelf in hen. Maar ik ben behoorlijk goed in het lezen van non-verbale communicatie, en pik best goed gevoelens op van anderen. Ik heb geen gebrek aan ‘spiegelneuronen’. Toch deed ik laatst een zelf-test op autistische kenmerken. Ook bij mij was die test niet definitief, maar met mijn puntenscore zat ik in de categorie waarvan bij 86 procent uiteindelijk Asperger zou worden aangetoond (mijn score zou hoger zijn geweest zonder de vragen naar het interpreteren van lichaamstaal en het oppikken van emoties, oh, en over het lezen van fictie. Aspergers zouden daar niet van houden). In een draad op een forum waar ik de link naar de test had gevonden, las ik de interessante opmerking dat mensen die hoog scoren op de Aspergertest, vaak ook hoog scoren op de test voor HSP (Highly Sensitive Person), of hoogsensitiviteit. Ook zouden heel wat mensen met de diagnose ‘hoog functionerend autistisch’ verkeerd zijn gediagnosticeerd: ze zouden hooggevoelig zijn, en niet autistisch! Ik deed vervolgens ook de zelftest voor HSP, en wie schetst mijn verbazing: ik scoorde enorm hoog. Dat was eigenlijk geen verrassing. Ik heb jaren geleden eens het boek van Elaine M. Aron gelezen over hoogsensitiviteit, en sindsdien weet ik het al: ik ben hooggevoelig. Maar deze week besefte ik (ook na het kijken van deze film) nog eens goed wat een invloed dat in mijn leven had en nog steeds heeft. En dat ik er ook daadwerkelijk rekening mee mag houden in mijn leven en het niet hoef te overschreeuwen.
Mijn voorzichtige suggestie is dat Oskar in de film ook hoogsensitief is. Dit verklaart niet al zijn eigenschappen, maar wel veel. Veel andere dingen komen voort uit zijn diepe trauma en schuldgevoel. We zien ook een aantal echt hoogsensitieve gedragingen: zo legt Oskar soms een voorwerp tegen zijn wang om het te voelen. Hij geniet van het aanraken van dingen. (Ik streek als kind al graag met mijn vinger over mos, vooral bloeiend mos. Een van mijn eerste woordjes was: ‘mosje’). Oskar ervaart prikkels als luide geluiden, en drukke omgevingen al snel als heel overweldigend (mooi in beeld gebracht). Ik voel me in een drukke supermarkt niet op mijn gemakt, en ervaar het geluid van een opgevoerde brommer, of een sirene, als fysiek pijnlijk. De wereld overweldigt me vaak. Oskar heeft zijn eigen manier gevonden om daarmee om te gaan (een tamboerijn). Ik had ook zo mijn manieren. Oskar is aan de ene kant bang voor mensen (dat herken ik ook), en is aan de andere kant soms veel te goed van vertrouwen (same here, als kind). Hij lijkt in een eigen wereld te leven, gebruikt heel moeilijke woorden en beschikt over detaillistische kennis over allerlei onderwerpen (eh, ik hoef niet uit te leggen waarom ik mezelf daar in herken, toch?). Zijn hooggevoeligheid maakt hem kwetsbaar, maar hij is tegelijk heel moedig - mede doordat zijn vader hem stimuleert durft hij het leven toch aan te gaan. Dat ontroerde mij wel (mijn ogen werden zelfs even vochtig). Ik wou dat ik ouders had gehad die me zo goed kenden en op zo’n goede manier stimuleerden. Wie niet hoogsensitief is, begrijpt misschien niet goed waarom Oskar zo moedig is (“Dat kan iedereen toch? Daar heeft hij toch geen tamboerijn voor nodig?”), maar ik weet beter. Oskar is een held!

Genoeg over hoogsensitiviteit - ik hoop er nog vaker over te schrijven, als ik verder nadenk wat het betekent voor mijn leven. Het feit dat ik mezelf herkende in de hoofdpersoon was echter niet het enige dat de film in mijn ogen een succes maakte, ik vond het verhaal zelf ook ontroerend en zag er een mooie parallel in met de menselijke zoektocht naar God. Het is natuurlijk duidelijk dat het verhaal op een bepaald niveau een fabel is over de verwerking van 11 september - de film zegt niet alleen iets over het individuele effect van een gestorven vader, maar gaat ook breder over het effect van zulke rampen voor de mensheid. Oskar houdt op een bepaald punt in de film het volgende ‘nerdy’ betoog: Wat als de zon opeens zou verdwijnen? Het licht van de zon doet er acht minuten over om de Aarde te bereiken. Dus als de zon opeens zou verdwijnen, zouden we dat pas acht minuten later merken. Hij vergelijkt zijn vader met de zon, en zegt dat hij zoekt naar manieren om de ‘acht minuten’ langer te laten duren, om langer het gevoel te hebben dat zijn vader bij hem is, terwijl dat langzaam verdwijnt.
De vraag die mensen eigenlijk altijd stellen na een ramp als die van elf september is: “Waar was God?” Deze vraag is sinds de tweede wereldoorlog wel heel actueel geworden. ‘God na Auschwitz.’ Geconfronteerd met de gruwelijkste gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis -mensen die andere mensen met miljoenen uithongeren, martelen en vergassen, bevolkingsgroepen die worden uitgeroeid, verkrachtingen en moord, terrorisme en lijden (en natuurrampen, kernexplosies, aids en kanker)- ervaren de meeste mensen niet de aanwezigheid van God, maar juist zijn afwezigheid. Dit is trouwens van alle tijden, lees het boek Job maar. De afgelopen zeventig jaar hebben deze vraag echter wel heel acuut gemaakt. Juist op die momenten waarop we God het meest nodig hebben, wanneer ons leven op zijn grondvesten wankelt, als we behoefte hebben aan steun en troost, blijft de hemel zwijgen, en lijkt er niets anders te zijn dan ‘lucht en leegte’ (zoals Prediker al aangaf - ja, de bijbel kent deze ervaring van nutteloosheid. Er is inderdaad niets nieuws onder de zon.) De collectieve vraag die we ons stellen is: ‘Waar is God als het leven pijn doet?’ En het antwoord dringt zich op: misschien is hij er wel niet. Misschien is het heelal inderdaad leeg, is er alleen materie, is er geen God die zich om ons bekommert. Misschien is het leven inderdaad niets anders dan een nimmer aflatende strijd om het bestaan, waar de sterkste overleeft, en waar voor het individu niets anders overblijft dan te eten en te drinken, want morgen sterven wij. Dit is een nogal somber beeld op het leven, vooral voor mensen, die toch van nature betekeniszoekers zijn. Dus proberen we de ‘acht minuten’ te rekken - we zien de afgrond van leegte en betekenisloosheid onder ons opdoemen, en klampen ons aan elke strohalm vast om niet te hoeven toegeven dat we in existentieel opzicht alleen zijn.

Dit is wat Oskar doet met de sleutel die hij vindt in de vaas. Hij denkt dat dit een laatste boodschap is van zijn vader, en dus doet hij er alles aan om het slot te vinden waar de sleutel op past. Hij gunt zichzelf geen rust, maar gaat verder dan redelijk is. Hij is behoorlijk fundamentalistisch geworden waar het de sleutel betreft - er is geen tijd om bijvoorbeeld naar de film te gaan, en hij is hard tegen zijn moeder, die zijn zoektocht niet lijkt te begrijpen. Is het heel vergezocht als ik hier een parallel zie met hoe heel wat christenen omgaan met wat zij zien als de boodschap van God, de bijbel? Is de zekerheid die zij zo claimen te bezitten omtrent het woord van God niet in zeker opzicht een vergelijkbare angstreactie, ingegeven door het dreigende gevoel van Godsverlatenheid? Want ook christenen zijn niet blind, ook christenen kijken het journaal, en worden geconfronteerd met gebeurtenissen die op het eerste gezicht niet in verband te brengen zijn met een goede, almachtige God. En de psychologische reactie daarop is vaak het claimen van absolute zekerheid, een zekerheid die nergens door aan het wankelen kan worden gebracht. De bijbel moet worden verdedigd in felle discussies, waarbij de eigen interpretatie wordt gezien als absolute waarheid, en individuen die anders zijn dan de spreker worden beschadigd (denk aan discussies over homoseksualiteit onder christenen, of de rol van vrouwen in de kerk). Menzen zien de bijbel en hun theologie als het laatste bolwerk tegen de duisternis, als ook dit aan het wankelen wordt gebracht, vallen ze zelf. Fundamentalisme is een vorm van angst. Net als het opgeven van de hoop aan de andere kant dat is.
De sleutel blijkt geen boodschap van Oskars vader - en (ja, het is schokkend) net zo is de bijbel volgens mij niet Gods boodschap aan ons. Niet op de manier zoals hierboven beschreven. De bijbel is niets meer dan woorden gedrukt op papier. (Niet dat de bijbel niet waardevol is! Maar in zichzelf biedt de bijbel geen hoop - zoals inkt op papier nooit hoop kan bieden). Maar omdat Oskar zo vasthoudt aan de sleutel, omdat hij zich daar zo op fixeert, zo fundamentalistisch is, ziet hij niet dat de hoop die hij nodig heeft al lang aanwezig is. In de mensen die hij spreekt, die hem binnenlaten in hun huis, die hem opnemen in hun gezin, die voor hem bidden, hem een kraan laten besturen, die hun leven met hem delen en hem met respect behandelen. En in zijn moeder, die er bijna wanhopig op wacht dat Oskar haar binnenlaat en zijn pijn met haar deelt. Want als er iemand is die Oskars pijn kan herkennen en hem kan troosten is zij het, want zij kende immers dezelfde vader.
Oskar voelt zich losgesneden van ouderliefde, maar dat is hij niet werkelijk. Maar Oskar is niet in staat de liefde van zijn moeder te voelen, vanwege het geheim dat hij met zich meedraagt. Hij heeft iets nagelaten, iets dat hij nu al een jaar met zich meedraagt en waar hij zich enorm schuldig over voelt. Ik heb mij om veel kleinere dingen schuldig gevoeld (ja, ik heb hoogsensitief), en kon dit daarom enorm goed herkennen. Ik kon ook herkennen dat hij zich zelfs afzette tegen zijn moeder - omdat hij zich zo schuldig voelde. Dit schuldgevoel is een van de motoren achter zijn vasthoudende zoeken naar het slot. Zo werkt het met religie ook - ik weet dat een groot deel van mijn eigen moeten en behoren op religieus gebied voortkwam uit schuldgevoel. Ik dacht dat ik tekortschoot en dat ik dat kon opheffen door heel hard voor God te werken. Niet dat het schuldgevoel daar ooit door verdween, het betekende alleen dat ik nog veel harder moest werken. En de boodschappen die ik in de kerk ontving hielpen nooit dat schuldgevoel te verminderen, maar deden me alleen nog maar schuldiger voelen. Bijvoorbeeld als mensen zeiden dat ook als ik al christen was elke zonde die ik deed het lijden van Jezus aan het kruis nog zwaarder maakte. En ik werd er al elke zondag aan herinnerd dat het mijn zonden waren waarvoor hij zo had geleden. Ik was schuldig aan zijn dood en elke dag voegde ik daar door mijn zonden nog aan toe. Nee, dat is geen basis om jezelf te accepteren.

Het tragische in het verhaal is dat Oskar het gevoel had dat hij naar zijn vader toe tekort is geschoten, dat hij er niet voor zijn vader was toen die hem nodig had, terwijl het juist andersom was: zijn vader probeerde er juist te zijn voor Oskar, probeerde hem gerust te stellen, probeerde hem te zeggen dat hij van hem hield. Zo denken wij (of denk ik) ook vaak dat ik iets voor God moet doen, dat ik naar God toe tekort ben geschoten, dat God teleurgesteld in mij is. Terwijl niets verder van de waarheid kan zijn. Kijk naar de gelijkenissen die Jezus vertelt, en hoe hij omgaat met hoeren, tollenaars en melaatsen. God is niet teleurgesteld in hen of in mij. God is juist voor ons! Hij wil ons met hem verzoenen! Hij is op zoek naar ons. Wij hoeven niet iets voor hem te doen of te betekenen, Hij wil juist alles voor ons betekenen en doen. Wij hoeven hem niet lief te hebben. Hij heeft ons eerst liefgehad. En wij hebben lief, omdat Hij ons heeft liefgehad. Niet andersom! Nooit andersom! Oskars moeder houdt ook van Oskar, zelfs als hij lelijk naar haar is of haar kwetst met zijn woorden. Haar liefde voor hem verandert nooit!
Oskars instelling verandert pas als hij eerlijk is naar een van de mensen die hij ontmoet en zijn twijfels en schuldgevoel benoemt. En in een van de meest ontroerende scenes die ik de laatste tijd gezien heb, vraagt hij om vergeving. Het karakter spreekt vergeving uit. Wauw! Wat hebben we het nodig om dat te horen! Om te horen dat we vergeven zijn! Om te horen dat we er mogen zijn! Om die last van schuldgevoel kwijt te raken! We zouden dat soort dingen vaker tegen elkaar mogen zeggen! Ik geloof dat het een van de rollen van de kerk is in ons leven om die vergeving uit te spreken. Niet om ons weer lasten op te leggen, maar om Gods vergeving te communiceren. Dit karakter doet het namens de vader van Oskar, de kerk doet het namens de Vader.
En zo ontmoet Oskar zijn vader - niet via de sleutel, maar via mensen. Ik denk dat dit ook is hoe wij God blijven ontmoeten ook na Auschwitz en na 11 september.  We ontmoeten God in de personen met wie wij ons leven delen. In onze naaste. (God is altijd persoonlijk. Hij openbaart zich niet in een boek, maar in een persoon, de mens Jezus Christus. God is relationeel!) Niet voor niets zegt de bijbel dat we onze naaste moeten liefhebben, en zegt Jezus in Mattheus 25 confronterende dingen over hoe we Jezus ontmoeten als we onze naaste bezoeken, te eten geven of te drinken geven. Dit is essentieel! God is relatie (drie-eenheid) en relatie is dus een beeld van God, of zelfs goddelijk. Wie liefheeft kent God, zegt Johannes. Wie niet liefheeft kent God niet. En deze relaties, de liefde die we ervaren via mensen, is er nog steeds ook na bovengenoemde rampen. En ze vormen een teken dat de Goddelijke liefde er ook nog steeds is. Want hoe zouden mensen kunnen liefhebben, werkelijk liefhebben, in een universum dat volledig leeg zou zijn? Ook hier ligt de liefde van Oskars ouders echter uiteindelijk, ten grondslag aan de liefde die hij ervaart van de mensen die hij op zijn reis ontmoet. Oskars moeder speelt er een belangrijke rol in (hoe, dat ga ik hier niet uitleggen, je moet de film zelf maar kijken!).

En dus, als Oskar de liefde ervaren heeft van de mensen die hij ontmoet heeft, kan hij terugkeren naar zijn moeder, en accepteren dat zij al die tijd al zielsveel van hem hield. Hij keert terug en laat zich omarmen (let op: in de gedeelde ervaring van het lijden - daarin is Oskars moeder een beeld van Christus). Hij is geen wees geworden. En ook wij zijn door Jezus niet als wezen achtergelaten. De Heilige Geest, de trooster, werkt in ons, wekt liefde in ons op en doet ons elkaar liefhebben. We mogen terugkeren naar de Vader. Niet met de valse zekerheid van een fundamentalistisch vastklampen aan de ‘waarheid’, wat die ook moge zijn, maar met een openstellen voor liefde. Want, dat zegt de bijbel ook, God is helemaal geen waarheid. God is Liefde.
Elke film die me daaraan herinnert, is een goede film!

zondag 24 maart 2013

Even geen nieuwe berichten

Hallo lieve volgers,
Zoals jullie al konden lezen is mijn schrijfcarriere in een stroomversnelling gekomen. Dit jaar wordt mijn debuut Neptunus opnieuw uitgegeven, gevolgd door het vervolg De Derde Macht. Daar moet ik echter nog wel wat schrijfwerk aan verrichten! Vooral omdat publicatie deze zomer al zou moeten plaatsvinden.
Verder ben ik in de laatste fase van het schrijven van mijn fantasyroman De Krakenvorst, boek 1: Keruga. Ik ben nu bezig aan het een na laatste hoofdstuk. Ik wil dit boek eerst afschrijven. Dan kan ik daarna snel door met het herschrijven van De Derde Macht. En dan staat De Krakenvrost, boek 2: Kartaalmon op het programma.
Maar daar is geen deadline aan verbonden, dus heb ik tegen die tijd weer tijd en energie voor het schrijven van film- dan wel boekbesprekingen. De komende maanden heb ik die echter niet. Dat wil zeggen dat het een paar maanden stil blijft op mijn blog.
Wel zal ik nieuws over mijn boeken hier vanzelfsprekend blijven melden.
Met vriendelijke groet,
Johan Klein Haneveld

maandag 4 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 2: het vlees, de wet en het goede nieuws

Boodschappen die mij proberen duidelijk te maken dat ik iets ‘BEHOOR’ te doen of niet te doen, zijn in essentie manipulatief, omdat ze mij het recht op een eigen oordeel ontnemen. Daarom denk ik dat daar geen plaats voor is in het christelijke geloof. Maar voordat je nu geërgerd van dit essay weg klikt, laat ik duidelijk stellen dat ik geloof dat de bijbel duidelijk is dat er een manier van leven is die door God niet bedoeld is, namelijk dat wij onze lusten volgen en daardoor andere mensen hun vrijheid en waardigheid ontnemen of onszelf kwaad doen. Dit leven noemt de bijbel het ‘vlees’. Ik meen dat dit de ‘behorens’ zijn die ons door ons verlangen worden opgelegd - en als we zoals Mr. Rochester denken dat we onze verlangens ten koste van alles (ook ten koste van andere mensen) behoren te bevredigen, leven we uit het vlees. En: ‘Het is bekend wat het vlees allemaal teweegbrengt: ontucht, zeleoosheid en losbandigheid, afgoderij en toerij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen en nog meer van dat soort dingen’ (Galaten 5:19v). Deze manier van leven leidt tot de dood van onszelf en van anderen (‘wie op de akker van zijn zondige natuur zaait, oogst de dood’ (6:8)). De bijbel roept ons daarom op het vlees te laten afsterven. Dat wil volgens mij zeggen dat als we om ons verlangen te vervullen, onszelf of anderen zonder respect zouden moeten behandelen, we ervoor kiezen het niet doen. Want de mens is belangrijker dan het tijdelijke plezier van een vervuld verlangen.
De bijbel is er volgens mij net zo duidelijk over dat er een manier van leven is die hoort bij hoe mensen bedoeld zijn: een leven gebaseerd op het liefhebben, van God boven alles en je naaste als jezelf. Daarom dat God in de bijbel ook aanstuurt op verandering van mensen, tot deze manier van leven in hen zichtbaar wordt. Wie liefheeft heeft de wet vervuld, dat is het doel van God. Ook al heb ik het op mijn blog heel veel over de genade, en lijk ik zelfs voor de oppervlakkige lezer antinomianistisch, ik geloof wel degelijk dat God wil dat we op een bepaalde manier leven. Maar ik geloof niet dat deze manier van leven te bereiken is door motivatie van buitenaf, door boodschappen van ‘behoren’. Het gaat namelijk om liefde. En liefde is vrijwillig, liefde laat zich niet dwingen. Het IK WIL dat de basis is van ons handelen, kan niet van buitenaf veranderd worden. De wet heeft daar geen invloed op. We kunnen niet opeens iets anders gaan willen, omdat dat hoort. Regels, straf en beloning hebben er geen invloed op - wat we dan willen is namelijk niet goed te doen, maar straf ontlopen of beloond worden. Of bij de groep horen, of een goed christen gevonden worden. En dat is iets heel anders. Dat is niet wat God wil. Het leidt ook niet tot blijvende verandering. St. John Rivers probeert Jane Eyre op deze manier te veranderen, maar Jane heeft heel goed door dat de wet haar tot een vloek zou worden, en haar zou laten sterven. De wet is, net als het vlees, uiteindelijk dodelijk (‘Iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt’, Galaten 3:10).

Daarom dat God al in het oude testament, toen mensen nog onder de wet leefden, beloofde dat er een ander, een nieuw verbond zou komen. ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden ‘Leer de HEER kennen’, want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al.’ (Jeremia 31:33v). En: ‘Ik zal hen een van hart en een van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich noot meer van mij zullen afkeren’ (32:40). En in Ezechiel: ‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mij wetten leven en mijn regels in acht nemen.’ (36:26v).
Dit alles is vervuld in het Nieuwe Testament. Jezus kwam om het nieuwe verbond in werking te stellen. En hoe deed hij dat? Door mensen lief te hebben. Kijk hoe hij met mensen omgaat in de evangeliën, welke verhalen hij vertelt. Hoeren, tollenaars, melaatsen krijgen van hem geen ‘behorens’ opgelegd. Ze horen dat ze vergeven zijn, dat ze geliefd zijn, dat ze oneindig waardevol zijn voor God. Zo waardevol dat Hij zich met hen identificeert -in hun zwakheid. En omdat ze van zichzelf gaan geloven dat ze waardevol zijn, krijgen ze respect voor zichzelf en voor anderen. Ze gaan anderen liefhebben, zoals God hen liefheeft. Zaccheus verkoopt zijn bezit niet omdat Jezus hem had verteld dat hij dat ‘hoorde’ te doen, maar omdat hij het zelf wilde. Zijn verlangen was veranderd.
Ook Paulus in zijn brieven legt eerst uit wat het evangelie heeft gedaan, hoe wij van uitgeslotenen in de aanwezigheid van de Vader zijn gebracht, hoe we hoewel we dood waren, met Jezus uit de dood zijn opgestaan en met Jezus zijn gezeten aan Gods rechterhand. Hij vertelt dat niets ons meer kan scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze heer. Dit is het goede nieuws. En als we dat echt gaan geloven, als we die waarheid echt tot ons laten doordringen, zal ons verlangen gaan veranderen. Dan zullen we ons niet langer willen laten regeren door onze zelfzuchtige verlangens (zoals Mr. Rochester), maar willen we anderen en onszelf met respect behandelen. En we zullen ons niet meer onder controle te hoeven houden met regels en verplichtingen (zoals St. John Rivers) omdat de liefde de angst heeft uitgedreven. “Volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf” (een indicatie van ‘behoren’ is dat er altijd een vorm van angst onder schuilt). Dit betekent dat we werkelijk vrij zijn! Om vrij te zijn heeft Christus ons vrij gemaakt. In plaats daarvan zullen we liefhebben ‘omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (1 Johannes 4:18v). Eerst verandert ons verlangen, dan pas ons gedrag. ‘De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geluld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft’ (Galaten 5:22,23). Maar ons verlangen verandert niet door de wet, maar alleen door het goede nieuws - ‘wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet’ (v18). Daarom denk ik dat alle preken met ‘behorens’ in de kerk niet effectief zijn. Mensen zouden veel ingrijpender veranderen als ze het goede nieuws horen.

Dit zie ik ook terug bij Jane Eyre. Ze weigert namelijk om op het voorstel van Mr. Rochester in te gaan, ook al betekent dat dat ze berooid door het land moet zwerven. En waarom doet ze dat? Omdat ze zichzelf respecteert. “I care for myself. The more solitary, the more friendless, the more unsystained I am, the more I will respect myself. I will keep the law given by God; sanctioned by man. I will hold to the principles received by me when I was sane, and not mad, as I am now. Laws and principles are not for the times when there is no temptation: they are for such moments as this, when body and soul rise in mutiny against their rigour; stringent are they; inviolate they shall be. If at my individual convenience I might break them, what would be their worth? They have a worth- so I have always believed; and if I cannot believe it now, it is because I am insane.” Nog even voorbijziend aan het feit dat het in de negentiende eeuw waarschijnlijk een behoorlijke schok was dat een vrouw zichzelf zo respecteerde en zichzelf zo waardevol vond, wordt hier de basis zichtbaar van Jane Eyre’s karakter. Ze houdt zich aan de huwelijkswet, niet omdat het ‘behoort’, maar omdat ze zichzelf en anderen zo waardevol vindt en zo respecteert dat ze zich aan deze wet wil houden. Uit haar conversatie met St. John Rivers weten we namelijk dat ze zich niet houdt aan regels puur omdat iemand ze oplegt. Hij haalt er zelfs bijbelteksten bij aan om haar ertoe te brengen met hem te trouwen en naar India te gaan. Volgens hem is het de wil van God. Maar ook dan zegt ze ‘Nee’. Ze houdt dus niet de regels omdat het regels zijn, maar omdat ze ziet dat deze regel gebaseerd is op echte liefde en echt respect voor mensen. Dat is wat ze wil en daarom kiest ze ervoor deze regel te houden. Ze MOET het, omdat ze het WIL. Zoals ze zag dat de woorden van St. John Rivers wel met bijbelteksten ondersteund waren, maar niet haar als persoon respecteerden en haar waardigheid niet respecteerden, en ze daarom niet met hem kon trouwen. Ze MOEST hem pijn doen door hem af te wijzen, zoals ze haar eigen verlangen naar Mr. Rochester MOEST ontkennen. Omdat ze zichzelf en hen met respect WILDE behandelen.
Jane is twee keer in staat een ‘behoren’ te weerstaan. Een ‘behoren’ dat voortkomt uit het zelfzuchtige verlangen (uit het ‘vlees’ zou de bijbel zeggen), en een ‘behoren’ dat voortkomt uit de regels (uit de ‘wet’ zou de bijbel zeggen). Waarom was ze daartoe in staat? Omdat ze geloofde in God. Haar geloof in God was anders dan het geloof van Mr. Rochester, of St. John Rivers. Die hadden beide eigenlijk een overeenkomend beeld van God. Allebei geloofden ze in een God die de daden van mensen woog en ze overeenkomstig zou belonen dan wel straffen. Mr. Rochester geloofde daarom dat hij toch al verdoemd was en alles kon doen wat hij verlangde, en St. John Rivers geloofde dat God hem zou belonen in de eeuwigheid als hij zendeling werd. Maar Jane heeft een heel ander Godsbeeld. Dat blijkt als ze afscheid neemt van St. John. Ze zegt daar: ‘I mounted to my chamber; locked myself in; fell on my knees; and prayed in my way - a different way to St. Johns, but effective in its own fashion. I seemed to penetrate very near a Mighty Spirit; and my soul rushed out in gratitute at His feet. I rose from the tanksgiving- took a resolve - and lay down, unscared enlightened - eager but for the daylight.
Dat verschilt nogal van de God tot wie St. John bidt (of tegen wie hij minipreekjes afsteekt). Dit is een God waarvan Jane weet en ervaart dat Hij er voor haar is, dat Hij van haar houdt. Daarom dat ze opstaat met dankbaarheid. Zelfs al zou ze niet de juiste keuze gemaakt hebben, deze God respecteert haar als persoon en wijst haar niet af. En daarom kan ze handelen met respect voor zichzelf. En voor anderen (het is tekenend dat het boek eindigt met St. John - het feit dat Jane hem afwees, wil niet zeggen dat ze hem niet respecteert. Ze laat hem in zijn waarde, zoals ze zichzelf in haar waarde laat).

Jane had dit godsbeeld niet van zichzelf - ze groeide juist op als wees in een hard huishouden. Niet de beste omgeving om respect te leren. Maar ik geloof dat het is terug te voeren op haar eerste vriendin Helen Burns. Niet voor niets heeft Charlotte Bronte zoveel aandacht besteed aan deze vriendschap. Dit is de basis om de rest van het werk te interpreteren. Goed, wat dogma’s betreft zou ik als ik muggenzifterig was op haar overtuigingen wel wat aan te merken kunnen hebben (maar daar moet ik nog een keer een ander essay over schrijven) en ze maakt niet echt melding van Jezus - degene door wie wij de Vader hebben leren kennen op de manier zoals Helen Hem beschrijft. Maar hoe Helen God beschrijft, is hoe ik hem heb leren kennen - door Jezus en in mijn gebeden. Als Jane vraagt: ‘Where Is God? What is God?’, antwoordt Helen: ‘My Maker and yours, who will never destroy what He created. I rely implicitly on His power, and confide wholly in His goodness: I count the hours till that eventful one arrives which shall restore me to Him, reveal Him to me.’ En dan vraagt Jane: ‘You are sure then Helen, that there is such a place as heaven, and that our souls can get to it when we die?’. Helen antwoordt: ‘I am sure there is a future state; I believe God is good; I can resign my immortal part to Him without any misgiving. God is my father; God is my friend: I love Him; I believe He loves me.” Jane vraagt: “And shall I see you again, Helen, when I die?”. Ze antwoordt: “You will come to the same region of happiness: be received by the same mighty, universal Parent, no doubt, dear Jane.”
Dit is wat Jane is gaan geloven. Voor haar heeft Gods liefde inderdaad de angst uitgebannen. Ze verlangt niet meer naar beloning voor haar inspanning, en is niet meer bang om door God gestraft te worden. In plaats daarvan weet ze dat God van haar houdt, en haar nooit zal vernietigen, maar haar bij zich wil hebben in zijn eeuwigheid. God is haar vriend, en zal zichzelf aan Haar openbaren. Ze heeft van God waardigheid gekregen, zoals ieder mens van God waarde heeft gekregen. En daarom WIL ze zichzelf en anderen met waardigheid behandelen, ook al MOET ze daarvoor zichzelf soms ontkennen, en anderen pijn doen door ze af te wijzen. Maar ze BEHOORT niets meer. Ze is vrij!

Ik wil ook op deze manier leven. Ik BEHOOR niet meer bijbelstudie te doen of te bidden - ik hoef mezelf niet meer onder druk te zetten om daar mijn tijd mee te vullen. Of God van mij houdt hangt er niet van af. Maar ik realiseer me dat mijn diepste verlangen is om te schrijven. Dat WIL ik, zoals ik nooit heb willen bijbelstudie doen, en daarom MOET ik er tijd voor maken. Daarom MOET ik er elke dag voor zitten. Dat past bij mij. Het is niet iets dat ik BEHOOR. Ik ga er niet aan onderdoor, ik kom er juist door tot leven. Maar net zo WIL ik anderen respecteren. Ik WIL anderen zien zoals God ze ziet. Daarom MOET ik soms dingen doen die in eerste instantie ongemakkelijk zijn, uit mijn comfortzone komen, bijvoorbeeld om een zwerver niet als minder dan menselijk af te schudden, maar hem of haar echt in de ogen te kijken. Maar ook hier ga ik niet aan ten onder, het is voor mij geen verplichting die mij overspannen maakt, want het is niet iets dat ik BEHOOR. Ik geloof zelfs dat ik er uiteindelijk meer mens door wordt, en niet minder. Want we zijn het meest mens als we liefhebben, zoals God ons heeft liefgehad. God, de universele Ouder, die ons en hen ooit zal ontvangen in zijn huis van blijdschap.

zondag 3 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 1: willen, moeten en behoren

Een tijdje geleden ontmoette ik een oude vriend. Ik heb op mijn blog eerder over hem geschreven in mijn serie ‘Blast from the Past’. Daar schreef ik over de periode toen ik studeerde en net twintig was. Ik las toen elke dag uit de bijbel (vijf hoofdstukken), memoriseerde bijbelteksten (heb ik nog vaak plezier van, moet ik toegeven), las bijbelstudieboeken, bad elke dag minstens een half uur, probeerde mezelf nieuw testamentisch Grieks aan te leren, en bezocht alle bijeenkomsten van de kerk waar ik toen bij hoorde. Mijn vriend deed hetzelfde. Dat was ook waardoor we elkaar vonden op een bijbelstudiekamp georganiseerd vanuit ons kerkgenootschap. We waren allebei serieuze, toegewijde christenen en we bemoedigden elkaar om God enthousiast te dienen. Zodra we allebei een e-mailadres hadden begonnen we bovendien aan een uitgebreide elektronische correspondentie. Mijn vriend heeft al onze berichten uitgeprint en heeft een hele stapel thuis liggen.
Maar, zoals ik ook in die eerdere serie schreef, in het vierde jaar van mijn studie, toen ik bezig was met mijn afstudeerstage, werd ik overspannen. Ik sliep nauwelijks meer, werd acht keer per nacht wakker, en werd daardoor (natuurlijk) vermoeid en prikkelbaar. Wat ik ook probeerde, ik kon niet ontspannen. Tot een docente van mijn opleiding me suggereerde dat ik, als ik thuis kwam, nu eens niet moest doen wat ik had gepland, dat ik van mezelf moest doen, maar dat ik deed wat ik wilde. Dat was een revolutionair concept voor me! Wat ik eigenlijk direct besefte was dat alle religieuze activiteiten die ik deed niet werden gemotiveerd door verlangen, maar dat ik ze deed (en zo hard) uit een gevoel van verplichting. Ik dacht dat ik een slecht christen zou zijn als ik het niet deed, dat ik dan tekort zou schieten. Ik voelde me schuldig als ik mijn doelen niet haalde. Ik zette mezelf onder druk, door niet te doen wat ik eigenlijk wilde, en mijn tijd vol te plannen met wat ik geloofde dat ik moest. Dat kon natuurlijk niet goed gaan. Ik realiseerde me toen dat ik eigenlijk wilde schrijven. En begon aan mijn boek Neptunus (dat binnenkort opnieuw wordt uitgegeven! Houd deze plek in de gaten! - een beetje reclame voor mezelf mag wel op mijn eigen blog, toch). Ik heb toen een paar jaar lang niet gebeden en niet uit de bijbel gelezen, en geen christelijke boeken gelezen. Dat was heerlijk. Mijn vriend ging daar echter wel mee door. En dat leidde tot spanning in onze relatie. Want ik geloofde dat hij alles deed uit dezelfde motieven als ik. Dat ook hij alleen werd gedreven door gevoelens van schuldgevoel, schaamte en verplichting. Dat hij mij daarom aanmoedigde om te blijven bijbellezen. (Aan de andere kant dacht hij dat ik werd gedreven door dezelfde motieven als hij: dat ik werkelijk graag bijbelstudie deed, en dat mijn passie om te bidden uit mijn hart kwam, zoals bij hem). Dit leidde ertoe dat ik onze relatie verbrak. Het heeft jaren geduurd voor ik hem daarvoor om vergeving vroeg - die hij gelukkig verleende. Ik begreep toen dat al die activiteiten bij hem niet voortkwamen uit plicht, maar dat hij zich er echt graag mee bezighield (en nu dertien jaar later nog steeds graag mee bezighoudt!). Zijn motivatie was oprecht, terwijl die van mij uit schuldgevoel en schaamte voortkwam. Ik was namelijk veel liever bezig met verhalen, met boeken, met fantasie en verbeelding. Dat was wat mij motiveerde.

Toen ik na de ontmoeting met mijn vriend sprak met mijn verloofde, zei ik: “Hij is echt zoals St. John Rivers.” -En daar hebben we de connectie met deze boekbespreking. Ik had namelijk net het boek Jane Eyre van Charlotte Bronte gelezen. Dit is een van de favoriete boeken van mijn verloofde, en het is bovendien nog eens een klassieker (ik meen ergens gelezen te hebben dat ook C.S. Lewis fan was van de Bronte-boeken). Het boek gaat over  weesmeisje Jane Eyre, die gouvernante wordt van een meisje, Adele, in een kasteel. Dan komt de heer de huizes thuis van zijn reis. Deze Mr. Rochester is onconventioneel eerlijk, gepassioneerd en behandelt Jane als gelijke. En hij is gecharmeerd van haar eerlijkheid en stelligheid. Jane krijgt gevoelens voor hem, maar mr. Rochester lijkt te willen trouwen met een adellijke dame. Ze kan het dan ook nauwelijks geloven als hij opeens haar ten huwelijk vraagt. Maar als ze getweeën in de kapel staan, wordt de plechtigheid onderbroken. Een advocaat heeft bewijs dat het huwelijk tussen Rochester en Jane Eyre ongeldig zou maken ...
Over de literaire kwaliteiten van het boek zal ik het hieronder niet uitgebreid hebben. Het is niet voor niets een klassieker. Charlotte Bronte schrijft heel invoelend vanuit het perspectief van Jane. Het wordt een werkelijk persoon voor de lezers, met niet alleen goede, maar ook minder positieve eigenschappen. Dit is bijvoorbeeld eindelijk een romantisch boek waarin de heldin niet bijzonder knap of aantrekkelijk is. De man in haar leven trouwens ook niet. Verder is het boek voor de tijd waarin het werd geschreven behoorlijk feministisch. Jane’s betoog dat vrouwen een zelfde innerlijke leven hebben als mannen en net als mannen hun eigen leven willen leiden, lijkt voor ons wellicht vanzelfsprekend, maar was dat in de negentiende eeuw absoluut niet. Het verhaal bevat enkele gothische elementen die er zelfs een thrillersfeertje aan zouden kunnen geven, maar het wordt niet als horror behandelt. Aan het eind sluipt er een voor moderne lezers magisch realistisch tintje in, als twee karakters elkaar over een afstand van tientallen mijlen naar elkaar horen roepen. Maar dat is niet wat bij blijft. Wat bij blijft is het karakter van Jane Eyre, en het gevoel haar echt te kennen. Iemand die je graag in je kennissenkring zou hebben, al was het maar om haar verbeelding - ze maakt zelfs fantasy-illustraties.

Van een van de karakters in het boek dacht mijn verloofde aanvankelijk dat die leek op mij zoals ik voor mijn overspannenheid was, omdat hij zich ook onder druk zette om de Heer te dienen, zo ver dat hij zelfs een relatie weigerde met iemand die op hem verliefd was (en van wie hij ook hield), zodat hij zendeling kon worden in India. Ze dacht dat dit bij St. John Rivers ook voortkwam uit schuldgevoel en verplichting. Maar toen ik het boek las, realiseerde ik me dat het anders was. De passie van St. John Rivers was namelijk oprecht. Hij wilde echt de Heer dienen. Het was zijn natuur. Zoals Jane Eyre over hem zegt: “I saw he was of the material from which nature hews her heroes - Christian and Pagan- her lawgivers, her statesmen, her conquerors: a steadfast bulwark for great interests to rest upon ... This parlour iss not his sphere. The Himalayan ridge or Caffre bush, even the plague-curses Guinea Coast swamp would suit him better. Well may he eschew the calm of domestic life; it is not his element: there his faculties stagnate. It is in scenes of strife and danger - where courage is proved, and energy exercised, and fortitude tasked-that he will speak and move, the leader and superior. A merry child would have the adventage of him on this hearth. He is right to choose a missionary’s career- I see it now.” Zo was het verlangen om bijbelstudie te doen en te bidden van mijn vriend ook altijd oprecht was geweest. Het hoorde bij hem.
Ik herkende mezelf echter eerder in Jane Eyre - op wie het betreffende karakter inpraat dat zij ook zendelinge moet worden (hij schrijft aan haar dezelfde motivatie toe als hij zelf heeft). En St. John Rivers wil dat ze haar leven achterlaat om voor de Heer te lijden. “Remember, we are bid to work while it is day - warned that ‘the night cometh when no man shall work’  Remember the fate of Dives, who had his good things in this life. God give you strength to choose that better part which shall not be taken from you!” Omdat hij zendeling wil worden, denkt hij dat dit het plan van God met allen is. En Jane is er gevoelig voor. Zoals iemand tegen haar zegt: “St. John would urge you to impossibilities; with him there would be no permission to rest during the hot hours; and unfortunately, I have noticed, whatever he exacts, you force yourself to perform.” En het zou voor Jane slecht aflopen, want het is niet haar ware natuur. Zij heeft een meer verbeeldingsvolle geest - ze is in haar hart een kunstenares, die prachtige fantasievolle tekeningen maakt. Daar verlangt ze naar. Jane zegt daarom: “As his wife-at his side always, and always restrained, and always checked - forced to keep the fire of my nature continually low, to compel it to burn inwardly and never utter a cry, though the imprisoned flame consumed vital after vital - THIS would be unendurable ... If he would marry me, he would kill me. He is killing me now.’ Gedwongen worden haar ware natuur te onderdrukken om religieus gedrag te vertonen dat ze eigenlijk niet wil, zou haar dood worden. Ze zou er overspannen van worden, is wat ik haar hoor zeggen. Ze kan zichzelf niet op die manier ontkennen zonder eraan te bezwijken. Daarom weigert ze met St. John mee te gaan naar India.
Maar het interessante in het boek is natuurlijk dat een paar hoofdstukken eerder Jane ogenschijnlijk zichzelf en haar passie wel ontkende, namelijk door weg te rennen bij Mr. Rochester, de liefde van haar leven, de man van wie ze meer dan alles hield. Ze kon haar hart met hem delen (zoals ze dat niet kon met St. John). Ze kon alles tegen hem zeggen. En hij had haar gezegd dat hij ook van haar hield. Hij had haar ten huwelijk gevraagd. Hij had zelfs een prachtige trouwjurk voor haar gekocht. Hij was bereid de kloof van rijkdom en afkomst te overbruggen voor haar: een edelman die zich wil binden aan een gouvernante. Jane wist heel zeker dat Mr. Rochester haar gelukkig zou maken. Mr. Rochester is namelijk een heel andere man dan St. John. Gepassioneerd. Misschien zelfs te gepassioneerd. Hij leeft namelijk niet voor een hoger ideaal, zoals St. John, maar alleen voor zichzelf. “Since happiness is irrevocably denied me, I have a right to get pleasure out of life: and I WILL get it, cost what it may.” Hij leeft niet uit zijn hoofd (zoals St. John), maar uit zijn buik (waar Jane uit haar hart leeft, zoals ik in het volgende deel van deze bespreking zal laten zien). Mr. Rochester leeft voor wat hij verlangt. Maar net als St. John wil ook hij Jane iets opleggen, namelijk dat zij net als hij haar verlangen klakkeloos volgt, dat ze toegeeft aan haar verliefdheid, en in feite zijn maîtresse wordt. Hij wil dat ze geen belang hecht aan de huwelijksbelofte, dat ze alles maar laat schieten om zich aan hem te binden. Hij wil dat ze haar lust volgt. Haar ‘vlees’ in de termen van de bijbel. Waar St. John vond dat Jane op hem behoorde te lijken, vindt Mr. Rochester dat Jane op hem behoort te lijken. En in beide situaties gaat Jane er bijna aan onderdoor.

Ik las met mijn verloofde laatst in het interessante boek When I Say No, I Feel Guilty (Als Ik Nee Zeg, Voel Ik Mij Schuldig) van Manuel J. Smith een paragraaf die de situatie van Jane verduidelijkt (en ook mijn eigen situatie). Het gaat om het verschil tussen ‘moeten’ en ‘behoren’. Hij schrijft: ‘I often ask people to phrase their internal conflict in any of these three categories: ‘I want to’, ‘I have to’ or ‘I should’. The I WANT category is straightforward i.e. I WANT to have steak for dinner three times a week, I WANT to go to the movies instead of watching TV, or I WANT to spend the rest of my life living on the beach in Tahiti. From these wants, certain I HAVE TO’s or contingencies follow. The I HAVE TO’s are compromises that you work out within yourself and with other people. If I WANT steak three times a week, I HAVE TO get the money to afford to eat steak three times a week. If I have to get this money (and I also want to stay out of jail), I HAVE TO work at a job that pays enough money so I can afford steak three times a week (or some other compromise that works). If I WANT TO go to the movies tonight, I HAVE TO forgo watching my favorite TV-program. If I WANT TO spend my life lounging on the beach of Tahiti, I will HAVE TO get used to ‘tropical lunch’ (whatever you can mooch). All these contingencies on what you do because you want certain things are quite simple: you simply decide if the I WANTS are worth the I HAVE TO’s. Many people, however, cofuse the I HAVE TO’s with the I SHOULD’s and muddy the clear water of their thinking. SHOULDS as a rule of thumb, can be categorised as manipulative structure used to get you to do wahtever someone else wants, or arbitrary structure you have imposed upon yourself to deal with your own insecurity concerning what you ‘can or cannot’ do. For instance: I SHOULD work because everybody SHOULD be productive, not just because I want meat on the table three nights a week. I SHOULD get out in the evening because I SHOULDN’T watch TV all the time. I SHOULDN’T want to go to Tahiti, because no one SHOULD be a beach bum. Whenever you hear yourself or someone else say ‘should’, extend your antimanipulative antennae up as far as possible and listen carefully. In all likelyhood, some message will follow that says: ‘You are not your own judge’.

Als ik kijk naar mijn eigen leven en de reden dat ik overspannen ben geworden, realiseer ik me dat ik leefde op basis van ‘behoren’. En dat slurpte mijn energie weg. En nog steeds hoor ik veel boodschappen die me zeggen dat ik dingen ‘behoor’. Die komen voort uit de maatschappij (je ‘behoort’ een goede baan te hebben, je ‘behoort’ naar de sportschool te gaan), maar helaas ook uit de kerk. De meeste boodschappen over het christelijke leven die worden gebracht in de kerk, zijn in mijn ervaring ‘behorens’. Ik ‘behoor’ meer te bidden,  ik ‘behoor’ meer te geven, ik ‘behoor’ de leiders te gehoorzamen. Anders ben ik geen goed christen, anders hoor ik er niet bij, anders stel ik God en andere mensen teleur, anders ... Mede als gevolg van mijn overspannenheid lukt het me niet goed deze ‘behorens’ buiten me te houden en ik krijg er stress van. Dat is niet gezond. Ik heb vaker geschreven op mijn blog over de verschillen tussen motivatie van buitenaf, en van binnenuit. Motivatie van buitenaf (gebaseerd op de principes van beloning en straf) ontneemt me uiteindelijk mijn vrijheid, en maakt me minder mezelf. Bovendien kan ik het uiteindelijk niet volhouden.
Ik verander alleen als ik wordt gemotiveerd van binnenuit. Als mijn verlangen verandert. Als mijn ‘Ik WIL’ verandert. Want dan ga ik zien dat daarbij een ‘Ik MOET’ hoort!
Toen ik op de middelbare school heel graag met een survivalkamp naar de Ardennen meewilde, besefte ik dat ik moest trainen. En dat heb ik toen een hele tijd gedaan. En toen ik besefte dat ik niet langer vrijgezel wilde blijven, realiseerde ik dat ik initiatief moest nemen om vrouwen aan te spreken, ook al voelde dat spannend. Ik geloof dat het zo ook geldt op het gebied van het christelijk geloof, maar daarover zal ik meer schrijven in het tweede deel van deze bespreking. Ik zal laten zien hoe Jane Eyre vanuit haar zelfrespect in staat is om ‘nee’ te zeggen tegen de ‘behorens’ die haar worden opgelegd door St. John Rivers en Mr. Rochester, en waar dat zelfrespect vandaan komt, namelijk: de liefde van God, die de angst uitdrijft en ons weerbaar maakt tegen manipulatie.