Posts tonen met het label assertiviteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label assertiviteit. Alle posts tonen

woensdag 18 maart 2015

Gedicht: Bepakking

Foto: Morguefile.
Bepakking

Heel lang liep ik kromgebogen
over het smalle pad. Hijgend
op de steile stukken. Zwetend
in de zon rond 't middaguur.
Mijn spieren deden pijn. 'S Nachts
kon ik niet slapen. Mijn blik 
bleef maar dwalen naar het pak
dat in de schaduw wachtte.

Eerst werd ik ruw gedwongen
andermans last te dragen.
Daarna werd ik gevraagd, maar ik
dacht nog dat het moest. Ik pakte
achtergelaten tassen,
hees zware stenen op mijn rug.
Ik was ze voor. Niemand zei nu
dat ik betekenisloos zou zijn.

Mijn knieën zijn kapot. Schouders
kraken onder het geweld
waar ik voor kies. Nog even 
en ik blijf liggen in de berm
waar ieder aan voorbijloopt
onder een eigen juk. Dus werp ik
mijn bepakking af. Draag slechts
wat ik zelf nodig heb. En ren!

zondag 3 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 1: willen, moeten en behoren

Een tijdje geleden ontmoette ik een oude vriend. Ik heb op mijn blog eerder over hem geschreven in mijn serie ‘Blast from the Past’. Daar schreef ik over de periode toen ik studeerde en net twintig was. Ik las toen elke dag uit de bijbel (vijf hoofdstukken), memoriseerde bijbelteksten (heb ik nog vaak plezier van, moet ik toegeven), las bijbelstudieboeken, bad elke dag minstens een half uur, probeerde mezelf nieuw testamentisch Grieks aan te leren, en bezocht alle bijeenkomsten van de kerk waar ik toen bij hoorde. Mijn vriend deed hetzelfde. Dat was ook waardoor we elkaar vonden op een bijbelstudiekamp georganiseerd vanuit ons kerkgenootschap. We waren allebei serieuze, toegewijde christenen en we bemoedigden elkaar om God enthousiast te dienen. Zodra we allebei een e-mailadres hadden begonnen we bovendien aan een uitgebreide elektronische correspondentie. Mijn vriend heeft al onze berichten uitgeprint en heeft een hele stapel thuis liggen.
Maar, zoals ik ook in die eerdere serie schreef, in het vierde jaar van mijn studie, toen ik bezig was met mijn afstudeerstage, werd ik overspannen. Ik sliep nauwelijks meer, werd acht keer per nacht wakker, en werd daardoor (natuurlijk) vermoeid en prikkelbaar. Wat ik ook probeerde, ik kon niet ontspannen. Tot een docente van mijn opleiding me suggereerde dat ik, als ik thuis kwam, nu eens niet moest doen wat ik had gepland, dat ik van mezelf moest doen, maar dat ik deed wat ik wilde. Dat was een revolutionair concept voor me! Wat ik eigenlijk direct besefte was dat alle religieuze activiteiten die ik deed niet werden gemotiveerd door verlangen, maar dat ik ze deed (en zo hard) uit een gevoel van verplichting. Ik dacht dat ik een slecht christen zou zijn als ik het niet deed, dat ik dan tekort zou schieten. Ik voelde me schuldig als ik mijn doelen niet haalde. Ik zette mezelf onder druk, door niet te doen wat ik eigenlijk wilde, en mijn tijd vol te plannen met wat ik geloofde dat ik moest. Dat kon natuurlijk niet goed gaan. Ik realiseerde me toen dat ik eigenlijk wilde schrijven. En begon aan mijn boek Neptunus (dat binnenkort opnieuw wordt uitgegeven! Houd deze plek in de gaten! - een beetje reclame voor mezelf mag wel op mijn eigen blog, toch). Ik heb toen een paar jaar lang niet gebeden en niet uit de bijbel gelezen, en geen christelijke boeken gelezen. Dat was heerlijk. Mijn vriend ging daar echter wel mee door. En dat leidde tot spanning in onze relatie. Want ik geloofde dat hij alles deed uit dezelfde motieven als ik. Dat ook hij alleen werd gedreven door gevoelens van schuldgevoel, schaamte en verplichting. Dat hij mij daarom aanmoedigde om te blijven bijbellezen. (Aan de andere kant dacht hij dat ik werd gedreven door dezelfde motieven als hij: dat ik werkelijk graag bijbelstudie deed, en dat mijn passie om te bidden uit mijn hart kwam, zoals bij hem). Dit leidde ertoe dat ik onze relatie verbrak. Het heeft jaren geduurd voor ik hem daarvoor om vergeving vroeg - die hij gelukkig verleende. Ik begreep toen dat al die activiteiten bij hem niet voortkwamen uit plicht, maar dat hij zich er echt graag mee bezighield (en nu dertien jaar later nog steeds graag mee bezighoudt!). Zijn motivatie was oprecht, terwijl die van mij uit schuldgevoel en schaamte voortkwam. Ik was namelijk veel liever bezig met verhalen, met boeken, met fantasie en verbeelding. Dat was wat mij motiveerde.

Toen ik na de ontmoeting met mijn vriend sprak met mijn verloofde, zei ik: “Hij is echt zoals St. John Rivers.” -En daar hebben we de connectie met deze boekbespreking. Ik had namelijk net het boek Jane Eyre van Charlotte Bronte gelezen. Dit is een van de favoriete boeken van mijn verloofde, en het is bovendien nog eens een klassieker (ik meen ergens gelezen te hebben dat ook C.S. Lewis fan was van de Bronte-boeken). Het boek gaat over  weesmeisje Jane Eyre, die gouvernante wordt van een meisje, Adele, in een kasteel. Dan komt de heer de huizes thuis van zijn reis. Deze Mr. Rochester is onconventioneel eerlijk, gepassioneerd en behandelt Jane als gelijke. En hij is gecharmeerd van haar eerlijkheid en stelligheid. Jane krijgt gevoelens voor hem, maar mr. Rochester lijkt te willen trouwen met een adellijke dame. Ze kan het dan ook nauwelijks geloven als hij opeens haar ten huwelijk vraagt. Maar als ze getweeën in de kapel staan, wordt de plechtigheid onderbroken. Een advocaat heeft bewijs dat het huwelijk tussen Rochester en Jane Eyre ongeldig zou maken ...
Over de literaire kwaliteiten van het boek zal ik het hieronder niet uitgebreid hebben. Het is niet voor niets een klassieker. Charlotte Bronte schrijft heel invoelend vanuit het perspectief van Jane. Het wordt een werkelijk persoon voor de lezers, met niet alleen goede, maar ook minder positieve eigenschappen. Dit is bijvoorbeeld eindelijk een romantisch boek waarin de heldin niet bijzonder knap of aantrekkelijk is. De man in haar leven trouwens ook niet. Verder is het boek voor de tijd waarin het werd geschreven behoorlijk feministisch. Jane’s betoog dat vrouwen een zelfde innerlijke leven hebben als mannen en net als mannen hun eigen leven willen leiden, lijkt voor ons wellicht vanzelfsprekend, maar was dat in de negentiende eeuw absoluut niet. Het verhaal bevat enkele gothische elementen die er zelfs een thrillersfeertje aan zouden kunnen geven, maar het wordt niet als horror behandelt. Aan het eind sluipt er een voor moderne lezers magisch realistisch tintje in, als twee karakters elkaar over een afstand van tientallen mijlen naar elkaar horen roepen. Maar dat is niet wat bij blijft. Wat bij blijft is het karakter van Jane Eyre, en het gevoel haar echt te kennen. Iemand die je graag in je kennissenkring zou hebben, al was het maar om haar verbeelding - ze maakt zelfs fantasy-illustraties.

Van een van de karakters in het boek dacht mijn verloofde aanvankelijk dat die leek op mij zoals ik voor mijn overspannenheid was, omdat hij zich ook onder druk zette om de Heer te dienen, zo ver dat hij zelfs een relatie weigerde met iemand die op hem verliefd was (en van wie hij ook hield), zodat hij zendeling kon worden in India. Ze dacht dat dit bij St. John Rivers ook voortkwam uit schuldgevoel en verplichting. Maar toen ik het boek las, realiseerde ik me dat het anders was. De passie van St. John Rivers was namelijk oprecht. Hij wilde echt de Heer dienen. Het was zijn natuur. Zoals Jane Eyre over hem zegt: “I saw he was of the material from which nature hews her heroes - Christian and Pagan- her lawgivers, her statesmen, her conquerors: a steadfast bulwark for great interests to rest upon ... This parlour iss not his sphere. The Himalayan ridge or Caffre bush, even the plague-curses Guinea Coast swamp would suit him better. Well may he eschew the calm of domestic life; it is not his element: there his faculties stagnate. It is in scenes of strife and danger - where courage is proved, and energy exercised, and fortitude tasked-that he will speak and move, the leader and superior. A merry child would have the adventage of him on this hearth. He is right to choose a missionary’s career- I see it now.” Zo was het verlangen om bijbelstudie te doen en te bidden van mijn vriend ook altijd oprecht was geweest. Het hoorde bij hem.
Ik herkende mezelf echter eerder in Jane Eyre - op wie het betreffende karakter inpraat dat zij ook zendelinge moet worden (hij schrijft aan haar dezelfde motivatie toe als hij zelf heeft). En St. John Rivers wil dat ze haar leven achterlaat om voor de Heer te lijden. “Remember, we are bid to work while it is day - warned that ‘the night cometh when no man shall work’  Remember the fate of Dives, who had his good things in this life. God give you strength to choose that better part which shall not be taken from you!” Omdat hij zendeling wil worden, denkt hij dat dit het plan van God met allen is. En Jane is er gevoelig voor. Zoals iemand tegen haar zegt: “St. John would urge you to impossibilities; with him there would be no permission to rest during the hot hours; and unfortunately, I have noticed, whatever he exacts, you force yourself to perform.” En het zou voor Jane slecht aflopen, want het is niet haar ware natuur. Zij heeft een meer verbeeldingsvolle geest - ze is in haar hart een kunstenares, die prachtige fantasievolle tekeningen maakt. Daar verlangt ze naar. Jane zegt daarom: “As his wife-at his side always, and always restrained, and always checked - forced to keep the fire of my nature continually low, to compel it to burn inwardly and never utter a cry, though the imprisoned flame consumed vital after vital - THIS would be unendurable ... If he would marry me, he would kill me. He is killing me now.’ Gedwongen worden haar ware natuur te onderdrukken om religieus gedrag te vertonen dat ze eigenlijk niet wil, zou haar dood worden. Ze zou er overspannen van worden, is wat ik haar hoor zeggen. Ze kan zichzelf niet op die manier ontkennen zonder eraan te bezwijken. Daarom weigert ze met St. John mee te gaan naar India.
Maar het interessante in het boek is natuurlijk dat een paar hoofdstukken eerder Jane ogenschijnlijk zichzelf en haar passie wel ontkende, namelijk door weg te rennen bij Mr. Rochester, de liefde van haar leven, de man van wie ze meer dan alles hield. Ze kon haar hart met hem delen (zoals ze dat niet kon met St. John). Ze kon alles tegen hem zeggen. En hij had haar gezegd dat hij ook van haar hield. Hij had haar ten huwelijk gevraagd. Hij had zelfs een prachtige trouwjurk voor haar gekocht. Hij was bereid de kloof van rijkdom en afkomst te overbruggen voor haar: een edelman die zich wil binden aan een gouvernante. Jane wist heel zeker dat Mr. Rochester haar gelukkig zou maken. Mr. Rochester is namelijk een heel andere man dan St. John. Gepassioneerd. Misschien zelfs te gepassioneerd. Hij leeft namelijk niet voor een hoger ideaal, zoals St. John, maar alleen voor zichzelf. “Since happiness is irrevocably denied me, I have a right to get pleasure out of life: and I WILL get it, cost what it may.” Hij leeft niet uit zijn hoofd (zoals St. John), maar uit zijn buik (waar Jane uit haar hart leeft, zoals ik in het volgende deel van deze bespreking zal laten zien). Mr. Rochester leeft voor wat hij verlangt. Maar net als St. John wil ook hij Jane iets opleggen, namelijk dat zij net als hij haar verlangen klakkeloos volgt, dat ze toegeeft aan haar verliefdheid, en in feite zijn maîtresse wordt. Hij wil dat ze geen belang hecht aan de huwelijksbelofte, dat ze alles maar laat schieten om zich aan hem te binden. Hij wil dat ze haar lust volgt. Haar ‘vlees’ in de termen van de bijbel. Waar St. John vond dat Jane op hem behoorde te lijken, vindt Mr. Rochester dat Jane op hem behoort te lijken. En in beide situaties gaat Jane er bijna aan onderdoor.

Ik las met mijn verloofde laatst in het interessante boek When I Say No, I Feel Guilty (Als Ik Nee Zeg, Voel Ik Mij Schuldig) van Manuel J. Smith een paragraaf die de situatie van Jane verduidelijkt (en ook mijn eigen situatie). Het gaat om het verschil tussen ‘moeten’ en ‘behoren’. Hij schrijft: ‘I often ask people to phrase their internal conflict in any of these three categories: ‘I want to’, ‘I have to’ or ‘I should’. The I WANT category is straightforward i.e. I WANT to have steak for dinner three times a week, I WANT to go to the movies instead of watching TV, or I WANT to spend the rest of my life living on the beach in Tahiti. From these wants, certain I HAVE TO’s or contingencies follow. The I HAVE TO’s are compromises that you work out within yourself and with other people. If I WANT steak three times a week, I HAVE TO get the money to afford to eat steak three times a week. If I have to get this money (and I also want to stay out of jail), I HAVE TO work at a job that pays enough money so I can afford steak three times a week (or some other compromise that works). If I WANT TO go to the movies tonight, I HAVE TO forgo watching my favorite TV-program. If I WANT TO spend my life lounging on the beach of Tahiti, I will HAVE TO get used to ‘tropical lunch’ (whatever you can mooch). All these contingencies on what you do because you want certain things are quite simple: you simply decide if the I WANTS are worth the I HAVE TO’s. Many people, however, cofuse the I HAVE TO’s with the I SHOULD’s and muddy the clear water of their thinking. SHOULDS as a rule of thumb, can be categorised as manipulative structure used to get you to do wahtever someone else wants, or arbitrary structure you have imposed upon yourself to deal with your own insecurity concerning what you ‘can or cannot’ do. For instance: I SHOULD work because everybody SHOULD be productive, not just because I want meat on the table three nights a week. I SHOULD get out in the evening because I SHOULDN’T watch TV all the time. I SHOULDN’T want to go to Tahiti, because no one SHOULD be a beach bum. Whenever you hear yourself or someone else say ‘should’, extend your antimanipulative antennae up as far as possible and listen carefully. In all likelyhood, some message will follow that says: ‘You are not your own judge’.’

Als ik kijk naar mijn eigen leven en de reden dat ik overspannen ben geworden, realiseer ik me dat ik leefde op basis van ‘behoren’. En dat slurpte mijn energie weg. En nog steeds hoor ik veel boodschappen die me zeggen dat ik dingen ‘behoor’. Die komen voort uit de maatschappij (je ‘behoort’ een goede baan te hebben, je ‘behoort’ naar de sportschool te gaan), maar helaas ook uit de kerk. De meeste boodschappen over het christelijke leven die worden gebracht in de kerk, zijn in mijn ervaring ‘behorens’. Ik ‘behoor’ meer te bidden,  ik ‘behoor’ meer te geven, ik ‘behoor’ de leiders te gehoorzamen. Anders ben ik geen goed christen, anders hoor ik er niet bij, anders stel ik God en andere mensen teleur, anders ... Mede als gevolg van mijn overspannenheid lukt het me niet goed deze ‘behorens’ buiten me te houden en ik krijg er stress van. Dat is niet gezond. Ik heb vaker geschreven op mijn blog over de verschillen tussen motivatie van buitenaf, en van binnenuit. Motivatie van buitenaf (gebaseerd op de principes van beloning en straf) ontneemt me uiteindelijk mijn vrijheid, en maakt me minder mezelf. Bovendien kan ik het uiteindelijk niet volhouden.
Ik verander alleen als ik wordt gemotiveerd van binnenuit. Als mijn verlangen verandert. Als mijn ‘Ik WIL’ verandert. Want dan ga ik zien dat daarbij een ‘Ik MOET’ hoort!
Toen ik op de middelbare school heel graag met een survivalkamp naar de Ardennen meewilde, besefte ik dat ik moest trainen. En dat heb ik toen een hele tijd gedaan. En toen ik besefte dat ik niet langer vrijgezel wilde blijven, realiseerde ik dat ik initiatief moest nemen om vrouwen aan te spreken, ook al voelde dat spannend. Ik geloof dat het zo ook geldt op het gebied van het christelijk geloof, maar daarover zal ik meer schrijven in het tweede deel van deze bespreking. Ik zal laten zien hoe Jane Eyre vanuit haar zelfrespect in staat is om ‘nee’ te zeggen tegen de ‘behorens’ die haar worden opgelegd door St. John Rivers en Mr. Rochester, en waar dat zelfrespect vandaan komt, namelijk: de liefde van God, die de angst uitdrijft en ons weerbaar maakt tegen manipulatie.

zondag 28 november 2010

Niet langer een doetje

Gisteren heb ik geoefend in onaardig zijn. Ja, je leest het goed. Ik ben bot geweest en daar voel ik me trots op. Ik heb iemand afgesnauwd en heb besloten me daar niet schuldig over te voelen. Voor mij is onaardig zijn namelijk heel moeilijk. Ik probeer het altijd iedereen naar de zin te maken, zeg bijna nooit ‘nee’ en laat dus mensen zomaar over me heen lopen. Ik voel me schuldig als ik iemand iets weiger, als ik aan iemand voorbijloop, of als ik iemand boos of chagrijnig maak. En ik denk niet dat dit goede eigenschappen zijn.

Laat ik er maar een voorbeeld van geven (hoewel ik me er een beetje voor schaam) - ik ben een makkelijk doelwit voor oplichters. Een tijd geleden kwam er ‘s avonds laat iemand op me af die vroeg of hij me wat mocht vragen. Natuurlijk zei ik ja. En hij hield een verhaal op over hoe zijn vriendin hem het huis had uitgezet, en hoe hij nergens had om te slapen, en behoefte had aan geld. En hij zou het me terugbetalen. Hij hield een heel verhaal, insinueerde manipulatief dat ik een slecht mens was als ik hem niet op zijn woord zou geloven, en beloofde ook nog eens dat hij me het geld zou teruggeven. En ik was zo stom om er in te trappen en hem meer dan 50 euro te ‘lenen’. Natuurlijk heb ik er nooit iets van teruggezien.
Een andere oplichter kwam met een verhaal hoe hij met zijn auto zonder benzine stond, en terug moest naar Hoek van Holland, en of ik hem geld kon lenen. Als ik hem mijn rekeningnummer gaf zou hij het terugstorten. Als ik hem niet geloofde kon ik meelopen naar de auto, en hij kon me zijn paspoort laten zien. Hij had maar een tientje nodig. En ik trapte er -goedgelovig als ik van nature ben- nog in ook. Dezelfde kerel heb ik sindsdien nog een paar keer gezien. Hij kwam met hetzelfde verhaal, maar gelukkig heb ik ondertussen wel wat geleerd. Zoals de ezel in het spreekwoord probeer ik me zo weinig mogelijk twee maal aan dezelfde steen te stoten.
Gisteren was het weer eens zover. Ik was op weg naar het station en ik hoor iemand roepen: ‘Meneer, meneer’. Uiteindelijk keek ik om. Het was de man van de auto zonder benzine (of hij leek als twee druppels water op hem). ‘Mag ik u wat vragen?’, begon hij. En ik zei behoorlijk hard: ‘Nee’, en liep door. Vervolgens begon hij te schelden: ‘Ik wilde alleen een straatnaam weten.’ Maar even later zag ik hem op het station in de trein naar Rotterdam stappen. Ikzelf voelde me wel een paar minuten schuldig: wat als het niet dezelfde man was, wat als hij inderdaad alleen de weg wilde weten? Maar ik besloot dat ik mijn geweten in dit geval moest negeren. Het is niet nodig dat mensen mij altijd aardig vinden, het is niet een ramp als iemand een keer op mij scheldt, en hoe dan ook is het mijn goed recht om ‘nee’ te antwoorden op een vraag. Uiteindelijk voelde ik me trots op mezelf: ik was een keer onaardig tegen iemand geweest! Eindelijk! Ik hoop nog vaker onaardig te kunnen zijn tegen sommige mensen.

Ik heb tijdens mijn opvoeding ergens het idee meegekregen dat ik altijd aardig moest zijn. Dat ik mensen tevreden moest stellen en dat het onwenselijk was dat anderen boos op mij zouden worden. Zo’n opvoeding wordt nog eens versterkt door een moralistisch religieuze opvoeding. In de kerk wordt geleerd dat je van andere mensen moet houden. Daar is natuurlijk niets mis mee: elkaar liefhebben is inderdaad waar mensen voor zijn geschapen. Maar het gaat erom hoe we dat ‘liefhebben’ definiëren. Liefde wordt in de kerk vaak teruggebracht door een set van regels: dit gedrag is liefhebbend, dit andere gedrag is niet liefhebbend. Zolang je het ene gedrag vertoont zit je goed. Het doet er dan niet toe uit welke motieven je dat bepaalde gedrag uitoefent. Het kan zijn dat je het doet om je maar aan de regels te houden, omdat het een plicht is, of omdat je bang bent voor straf, of om bij anderen in een goed blaadje te staan. Daar kijkt echter niemand naar: of je ‘goed’ of ‘slecht’ bent wordt afgemeten aan je gedragingen. Cijfer je jezelf weg? Geef je van je geld en tijd aan behoeftigen? Kom je anderen te hulp zonder iets terug te verwachten? Vergeef je zelfs je vijanden? Je kunt er een scorelijstje voor bijhouden. Ook de leerregels uit de Bergrede worden tot zo’n lijstje teruggebracht: keer je mensen de andere wang toe als ze je slaan? Geef je ook je hemd als iemand je om je jas vraagt? Ben je wel bescheiden over het goede dat je doet? Zweer en vloek je niet? Ben je bereid je oog uit te rukken als die je in verleiding brengt? En dat terwijl het nu juist Jezus’ punt was met de Bergrede dat het voor God niet ging om het gedrag aan de buitenkant, maar om de motivatie: de reden waarom je dingen doet. Zijn toehoorders zagen moraliteit als een lijstje met gedragingen om aan te voldoen, maar Jezus wilde aantonen dat ze aan de buitenkant aan alle eisen konden voldoen, maar van binnen, in het hart, vervuld konden zijn van haat, zelfzucht en begeerte. Gedrag was volgens hem geen goede maatstaf om iemands moraliteit aan af te meten, het ging om de overtuigingen waar het gedrag uit voortkwam. Helaas vielen Jezus’ volgelingen in dezelfde fout als de moralistische farizeeërs uit Jezus’ tijd en maakten ze eenvoudig een nieuwe lijst met gedragingen om het gedrag aan af te meten.

Het probleem is natuurlijk dat je het juiste gedrag kunt tonen uit volledig zelfzuchtige motieven. John Eldredge, een van mijn favoriete auteurs, schrijft in Wild at Heart hoe sommige ouders, net als sommige kerken, hun kinderen voorhouden dat ze in conflictsituaties hun tegenstander de ‘andere wang moeten toekeren’. Ze zouden zich niet moeten verweren als ze geslagen worden, en eigenlijk pestkoppen en vechtersbazen hun gang laten gaan. Ze zouden niet agressief mogen zijn, en het onrecht maar moeten laten plaatsvinden. Ze moeten vooral aardig zijn. Maar Eldredge zegt, mijns inziens terecht: “Dat is slechts zwakheid. Je kunt geen wang toekeren die je niet hebt.” De andere wang toekeren is geen daad van liefde als je het doet omdat je bang bent voor de ander, omdat je te zwak bent om terug te slaan of omdat je jezelf ziet als iemand die het verdiend heeft geslagen te worden. Zoiets zou pas een daad van naastenliefde zijn als je heel goed weet van jezelf dat je sterk bent, dat je iemand van je af kunt slaan, maar er toch voor kiest het niet te doen. Als je weerloos bent uit een positie van kracht, niet van zwakheid.
In de kerk worden we vaak opgeroepen te ‘zijn zoals Jezus’. Hij schold niet terug toen men hem uitschold, hij liet zich gevangen nemen en naar het kruis brengen. Zo zouden wij ook moeten zijn. Maar Jezus deed die dingen niet omdat hij niet durfde schelden, of omdat hij nu eenmaal zo zwak was dat hij zich niet kon verdedigen. Hij zegt zelf in de bijbel dat hij zijn vader kon vragen om tienduizend engelen, en dat hij die ter beschikking zou krijgen. Hij wist dat hij zelf zo sterk was dat hij maar een woord hoefde spreken en mensen zouden achterover worden geslagen. Nee, dat hij zich liet gevangennemen was een bewuste keuze. Hij was ervan overtuigd dat God dit van hem vroeg (daar ging zijn worsteling in de Hof van Getsemane over) en daarom was hij bereid zijn eigen recht te laten varen. Het was een bewuste keuze en dus een daad van liefde. Het is als met de leeuw Aslan in de Narniaverhalen van C.S. Lewis. Hij is ‘geen tamme leeuw’. Hij is ‘wel goed, maar niet veilig’. Hij heeft wel degelijk scherpe nagels, en kan angstaanjagend hard brullen, maar uit liefde houdt hij zich in.
Subassertiviteit en angst kunnen leiden tot hetzelfde gedrag, maar zijn niet hetzelfde. Deze motieven zijn eigenlijk zelfzuchtig. En in sommige (veel) situaties kan het juist liefdevol zijn om wel scherpe grenzen te stellen, om anderen te confronteren met de gevolgen van hun gedrag, om duidelijk te maken dat sommige woorden of daden ongewenst zijn. Het kan een daad van liefde zijn om op te komen voor jezelf. In de bijbel laat Paulus zich daarom niet zomaar afranselen door de Romeinen (dezelfde die Jezus afranselden) als hij door hen gevangen is genomen. Nee, hij vertelt ze dat hij Romeins burger is, en dus niet gemarteld mag worden en recht heeft op een rechtvaardige behandeling. En die krijgt hij. Paulus is in dit geval assertief, en daar is niets mis mee. Ergens anders confronteert hij de apostel Petrus ermee dat hij met wettische predikers meedoet en zich afscheidt van de gelovigen uit de volken. Paulus gaat conflict niet uit de weg, en in dit geval is het voor Petrus goed om een spiegel voorgehouden te krijgen. Zijn gedrag zou hem anders verder van het vrije leven van het evangelie vandaan voeren. Paulus’ assertiviteit was een daad van liefde. Hierover schrijven Dan Allender en Tremper in hun boek Liefde die Moed Vraagt. Volgens hen laat echte liefde niet over zich heenlopen, en praat echte liefde de fouten van de ander niet goed. Echte liefde is ook niet mede-afhankelijk (door de ander in staat te stellen zijn schadelijke gedrag voort te zetten). Nee, echte liefde dwingt volgens hen ‘de geliefde … iets te doen aan de innerlijke ziekte die de vreugde wegneemt, zowel bij hemzelf als bij anderen.’

Dat betekent voor iemand die weinig zelfvertrouwen heeft meegekregen, die niet heeft geleerd dat hij voor zichzelf mag opkomen, die over zich laat heenlopen, dat die mag gaan oefenen in ‘nee’ zeggen, in het stellen van grenzen en in het onaardig zijn waar dat nodig is. Daarover gaat het boek No More Mr. Nice Guy, dat ik hier thuis heb liggen. Het gaat over mannen, die hebben geleerd altijd maar ‘ja’ te zeggen, hun moeder een plezier te doen en zich ondergeschikt te achten aan anderen. De boodschap van dit boek is dat je als man voor jezelf en je eigen wensen en belangen moet opkomen. Je hoeft niet per se alle andere mensen te vriend te houden, en het is geen ramp als iemand boos op je wordt. En als je opkomt voor jezelf en je eigen wensen en belangen, zullen andere mensen meer respect voor je hebben.
Ik had het hier ooit over met iemand en die liet vallen dat hoeveel ik ook met dat boek bezig was, ik altijd wel een ‘nice guy’ zou blijven. Ik hoop echter heel erg van niet! En volgens mij bedoelde ze ook niet dat ik altijd een doetje zal blijven, of altijd iedereen over me heen zal laten lopen. Ze bedoelde dat ik altijd een kalm en vriendelijk persoon zal blijven. Hier schiet de Nederlandse taal tekort. In het engels zijn er twee woorden voor ‘aardig’: ‘nice’ en ‘kind’. Het eerste is de soort die over zich heen laat lopen, die eigenlijk te lief is om goed te kunnen zijn. Het tweede is de soort die vriendelijk is uit een bewustzijn van de eigen betekenis en de eigen kracht. Dat is waar ik naar streef: iemand te zijn die anderen in hun waarde laat, en het beste in hen naar voren haalt, maar zonder een doetje te zijn. Ik geloof dat dit ook is wat God met ons voor ogen heeft, en daarom wil ik erin blijven oefenen.