dinsdag 11 juni 2013

Filmbespreking: Star Trek Into Darkness

Ik ben een Star Trek-fan. Een ‘trekkie’, zoals dat heet. De verhalen in de TV-series en films schetsen een beeld van een hoopvolle toekomst, waarin de mensheid haar onderlinge twisten heeft bijgelegd, waar de economie niet het laatste woord heeft en technologie voor bijna alles een oplossing biedt en waar vriendschapsbetrekkingen worden aangegaan met andere volken in het heelal, die soms niet eens veel op mensen lijken. Vanuit deze situatie gaan ontdekkingsreizigers op pad om het onbekende in kaart te brengen en nieuwe levensvormen en beschavingen te vinden.
Het is wel eens inspirerend een positief toekomstbeeld voorgeschoteld te krijgen. Het merendeel van de Science Fiction op TV en in de bioscoop is namelijk minder optimistisch over onze toekomst. Op allerlei manieren komt de mensheid ten einde, door zombies, door milieurampen of door buitenaardse invasies, en in de wereld die overblijft moeten ze een harde strijd voeren om te blijven overleven. Of mensen worden het slachtoffer van de onderlinge wreedheid van de mens, in structuren van dwang en controle. En als er dan al ontdekkingsreizen naar andere planeten worden georganiseerd vinden de mensen daar vaak alleen maar ellende. Monsters die na het eerste contact op gruwelijke wijze de menselijke ontdekkingsreizigers uitroeien. De recente film Prometheus is daarvan een voorbeeld. De ruimte is een gevaarlijke, dodelijke plek, die het niet beloont als mensen initiatief nemen. Een plek waar angst regeert.
Tegen deze achtergrond is de wereld van Star Trek een groot contrast. Het universum dat in deze films wordt getoond is er een waarnaar ik kan verlangen, een waar ik ook deel van zou willen uitmaken. En als deze wereld bedreigt wordt slaan voormalige vijanden hun handen ineen en smeden krachtige vriendschapsbanden om hun tegenstanders het hoofd te bieden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de laatste Star Trek-film, waarin een tijdreiziger uit de toekomst toesloeg in het hart van de mensheid en op het punt stond de Aarde te vernietigen. De mens Kirk en de vulcan Spock, die elkaar eerst niet konden luchten of zien, overwonnen hun verschillen, legden hun conflict bij, en werkten samen om het gevaar af te wenden. Ze werden hierbij geleid door een belofte die (net als de vijand) uit de toekomst kwam, de belofte dat hun vriendschap door het lot bestemd was. Ze kwamen dus niet alleen bij elkaar door de bedreiging (een negatieve reden), maar ook door de profetie dat hun vriendschap het heelal zou begunstigen (een positieve reden). En om hen heen vormden ze een nauwe groep, de bemanning van het ruimteschip Enterprise, die niet alleen zou vechten, maar vooral op ontdekkingstocht zou kunnen gaan, om nieuwe werelden te verkennen. Het lijkt me niet onredelijk om hier een vergelijking te trekken met het leven van christenen, die elkaar ook vinden om een belofte van buiten deze wereld, en een gemeenschap vormen die hun omgeving verandert, die onrecht bestrijdt en schoonheid vermenigvuldigt. De kerk.
Trouwe lezers van mijn blog knipperen waarschijnlijk met hun ogen als ik zo positief ben over de kerk. Maar mijn positieve geloof is ongeveinsd. Ik geloof dat de gemeenschap van gelovigen een kracht ten goede kan zijn, en zo ook bedoeld is door haar oprichter, Jezus, die van buiten de tijd naar de Aarde kwam. Maar rond zijn woorden en beloften is een structuur ontstaan, een instituut, opgezet door mensenhanden en dus feilbaar. In dit instituut gaan de vaste patronen weer werken die het menselijke handelen al vanaf het begin hebben gekenmerkt. Patronen van bedreiging, jaloezie en eer. Patronen van straf en beloning. Patronen van macht. In elke gemeenschap ontstaan er patronen en afspraken, dat is onvermijdelijk. Als ik mijn vrienden wil zien, moet ik ook met hen de agenda trekken en tot een overeenkomst komen. Maar als er sprake gaat zijn van machtsverhoudingen verdwijnt de vriendschap al snel. Dan wordt de ene persoon het middel waarmee de ander zijn invloed of positie wil verstevigen. Van een kostbaar mens wordt hij een pion in een schaakspel die zo kan worden opgeofferd. Deze bedreiging van binnenuit is nog veel gevaarlijker dan die van buitenaf. En haar te bestrijden vraagt om opoffering.

Zoals te verwachten was, komt de bedreiging voor de Aarde in deze Star Trek-film, de tweede in de nieuwe serie, inderdaad van binnenuit. In Londen wordt een aanslag gepleegd, waarbij talloze doden vallen. De dader is een agent van Star Fleet (de ruimtevaartorganisatie van de mensheid), John Harrison. Welke reden hij heeft om zich tegen zijn werkgevers te keren, is niet bekend. Na zijn terreurdaad vlucht hij naar Kronos, de thuiswereld van de Klingons. En net op het moment dat er een oorlog dreigt uit te breken tussen de mensheid en dit opvliegende ras, gekenmerkt door eergevoel. De jonge kapitein James T. Kirk krijgt de opdracht naar Kronos te reizen en de voortvluchtige agent met nieuwe fotontorpedo’s te bestoken. Een missie die hij maar al te graag wil uitvoeren, omdat ook zijn mentor, admiraal Pike, bij de aanslag om het leven is gekomen. Zijn vriend Spock weet hem echter op andere gedachten te brengen en hij arresteert John Harrison. Die blijkt te zijn gemanipuleerd. Iemand hoog in de organisatie van Star Fleet lijkt op een ruimteoorlog aan te sturen ...

Mijn verwachtingen voor deze film waren hooggespannen. De eerste in deze serie was zo goed en meeslepend, dat die me mijn liefde voor film teruggaf na een paar teleurstellende bioscoopervaringen. Om dat te overtreffen is wel veel om van een vervolg te verlangen. En inderdaad was deze film niet zo aangrijpend als de eerste, zelfs al zaten er voor zover ik kon zien minder grote gaten in het plot. Deze film neemt je als kijker niet zo sterk mee in de psychologie van Kirk en Spock, en gaat direct van start als actiefilm. Dat zorgde bij mij voor wat meer afstand van de gebeurtenissen. Verder leunt deze film in mijn ogen wat te veel op eerdere Star Trek films, met name ‘The Wrath of Khan’. Verwijzingen zijn prima (ik pikte een paar leuke wel op!), maar het kopieren van volledige plotelementen vind ik een beetje flauw. Ze werkten wel, maar maakten minder indruk dan in het origineel. Ook vond een in mijn ogen te groot deel van de film plaats op Aarde of op de sombere planeet Kronos, en waren veel nieuwe uniformen wel erg grijs. Het kleurpalet van deze film was een stuk grauwer dan de vorige. De 3D-effecten vond ik ten slotte niet allemaal even goed werken.
Maar dat wil niet zeggen dat ik niet enthousiast ben over de film. De acteurs waren allemaal weer erg goed en elk karakter had een belangrijke bijdrage. Zo vond ik de relatie tussen Spock en Uhura bijvoorbeeld aandoenlijk, en bracht Scotty veel humor in (al had ik graag een grotere rol willen zien van Karl Urban als dr. McCoy). Vooral Benedict Cumberbatch (uit Sherlock) in zijn rol als John Harrison is indrukwekkend. Die stem! De dreiging die hij in zijn woorden legt, deed de rillingen over mijn rug lopen. Fantastisch! Ik hoop hem in nog veel meer films te zien. Verder bevatte de film weer prachtige futuristische technologie (zoals dat hoort in een Star Trek-film), buitenaardse wezens (een soort enorme vis!) en andere werelden. Maar het mooist waren de beelden van de planeet Jupiter. De goed uitgedachte en uitgevoerde actiescènes (een sprong tussen twee ruimteschepen, een neerstortend ruimteschip zonder kunstmatige zwaartekracht!) hielden de spanning er goed in. En het slot beloofde heel wat voor de toekomst. Ik hoop dat we niet al te lang op een derde film in deze serie hoeven wachten!

Een van de thema’s in de film is hoe mensen morele beslissingen nemen. Is het goed om iemand op te offeren, omdat het belang van de velen uitgaat boven dat van de weinigen of de eenling, zoals Spock wel eens suggereert? Of laat je een vriend niet in de steek, zelfs als je daarvoor belangrijke regels moet overtreden, zoals Kirk dat in het begin van de film doet? Een andere filmrecensent heeft de verschillende ethische systemen die in deze film belicht worden al besproken, dus dat zal ik hier niet doen. Wel vind ik het heel mooi hoe zowel Kirk als Spock uiteindelijk tegen hun automatische manier van handelen lijken in te gaan. De reden die ze daarvoor geven is in beide gevallen: “Dit is wat jij gedaan zou hebben.” Ze hebben ontdekt dat ze niet blind kunnen varen op hun eigen patronen, maar dat ze de bijdrages van anderen nodig hebben om een goede keuze te kunnen maken. Ze hebben geleerd nederig te zijn, ook met hun morele, of ethische uitspraken - een voorwaarde om ook de standpunten van anderen te kunnen overwegen. En die nederigheid maakt hen niet zwakker, maar sterker! Kirks innerlijke kompas, zijn onderbuikgevoel, wordt in evenwicht gehouden door Spocks rationaliteit en zijn overwegingen over de gevolgen van daden, en vice versa, en beiden kunnen daardoor met meer overtuiging handelen.

Ik wil in deze bespreking een andere vraag stellen, en dat is de vraag wat een gemeenschap gezond maakt en houdt. Als de belangrijkste bedreigingen voor groepen mensen niet van buiten komen, maar van binnen, hoe kunnen we daar dan weerstand tegen bieden? In deze film worden verschillende benaderingen tegenover elkaar gesteld.
“Zou jij niet alles overhebben voor je familie?”, vraagt John Harrison op een gegeven moment aan kapitein Kirk. Het is een krachtig moment in de film, omdat je als kijker weet dat het ruimteschip de Enterprise en haar bemanning inderdaad heel belangrijk zijn voor Kirk. Ze is zijn huis, ze is zijn familie. En hij heeft al laten zien het vuur van een vulkaan en de toorn van de Star Fleet-leiding te willen trotseren om zijn vrienden te redden van gevaar. John Harrison heeft ook een bemanning die hij tegen gevaar wil beschermen. Ze dreigen te worden gebruikt als betaalmiddel in een conflict tussen beschavingen en dat wil hij tegen elke prijs voorkomen. Volgens Harrison is alles geoorloofd, als zijn vrienden en collega’s het maar overleven. Hij is bereid alles en iedereen daarvoor op te offeren. Hij pleegt de aanslag in Londen. Hij doodt een Star Fleet-kapitein en opent het vuur op een ander ruimteschip. Hij bedreigt de bemanning van de Enterprise. Hij laat een spoor van vernieling achter, alles voor zijn familie. Dit lijkt heel positief, tot je beseft dat Harrison niet bereid is zichzelf te offeren. Hij vindt zichzelf namelijk beter. Beter dan de burgers van de Aarde, beter dan de officieren van Star Fleet. Beter dan Kirk en Spock. Hij blijkt ook te behoren tot een groep mensen die zich ten doel hebben gesteld wezens die minder zijn dan zij uit te roeien. Ze zijn fascisten geworden. De eigen groep gaat voor, ieder ander moet lijden. Harrison denkt dat de bescherming van de familie gebaseerd is op macht. Maar hij komt bedrogen uit.
Kirk heeft ook alles over voor zijn bemanning, zijn familie. Maar niet het leven van onschuldigen. Niet het leven van andere individuen. Hier moet ik wat meer zeggen over het plot, dus als je geen enkele ‘spoiler’ wilt weten is het verstandig de komende paragraaf over te slaan. Maar ik probeer genoeg te verbergen om het spannend te houden! Als zijn schip gevaar loopt en zijn bemanning dreigt om te komen, zet Kirk inderdaad alles op het spel. Niet alles buiten hem, maar alles wat van hem zelf is. Zelfs zijn leven. “Het is een wonder”, zegt iemand als de aandrijving van het schip hersteld wordt en de zwaartekracht terugkeert.. “Er bestaan geen wonderen”, antwoordt Spock. Maar als hij bij de kernreactor van het schip komt, moet hij zijn woorden inslikken. Het wonder is tot stand gebracht door Kirk, die daarbij een dodelijke dosis radioactieve straling heeft opgelopen. Groter liefde heeft niemand, dan die zijn leven aflegt voor zijn vrienden, zei Jezus al in de bijbel. Het is een krachtige verwijzing naar Jezus, die ook alles overhad voor zijn schapen, zijn familie. Maar niet het leven van onschuldigen. Hij vernietigde niet de Romeinen of de priesters van de Joden, maar liet zichzelf doden, zodat zijn vrienden de dood konden ontlopen. En zijn dood werd de basis voor de christelijke gemeenschap, waaraan in de kerk nog steeds elke zondag wordt gedacht door middel van de avondmaalsviering. In een gemeenschap waarvan de leider zijn eigen leven heeft geofferd, is geen plaats voor manipulatie en machtsmisbruik. Het wapen tegen de corruptie van onze instituten is geen macht (die neemt van anderen), maar liefde (die geeft van zichzelf).

Dit wil echter niet zeggen dat wij maar klakkeloos onszelf moeten opofferen, ongeacht tot welke familie of gemeenschap we behoren. We hoeven niet als vanzelf het belang van de groep boven onszelf te stellen. We hoeven niet zomaar over ons heen te laten lopen. Dit wordt in de film geïllustreerd door het karakter Carol Marcus. Zij is de dochter van Star Fleet-admiraal Marcus, die bezig is zijn positie binnen Star Fleet te versterken en die daarvoor de levens van onschuldigen wil opofferen. Hij vindt zijn familie ook heel belangrijk, dat blijkt als hij zijn dochter weg flitst van het gevaar. Hij wil niet dat haar iets overkomt.
Maar zij sluit zich niet bij hem aan. Als ze beseft wat hij van plan is, geeft ze hem zelfs een klap in het gezicht. Ze schaart zichzelf aan de zijde van de groep die admiraal Marcus wil vernietigen. Als hij hen kwaad wil aandoen, zal hij ook haar treffen. In deze film geeft Carol Marcus duidelijk haar grenzen aan. Wie haar familie is, wordt niet bepaald door bloedverwantschap. Ze geeft niet om de machtsinvloed van de groep waar ze bij hoort. Ze is niet zoals John Harrison. In plaats daarvan sluit ze zich aan bij een groep mensen die bij elkaar zijn gekomen uit vrije wil, uit vriendschap, mensen die bereid zijn hun eigen leven op het spel te zetten voor anderen. Mensen die niet willen dat onschuldigen schade lopen, maar die juist willen strijden voor vrede en rechtvaardigheid. Ze gaf een duidelijke grens aan en verdedigde die tegen elke prijs, zelfs als ze daarvoor tegen haar vader in moest gaan. Zelfs als ze haar leven ermee op het spel zet. Ze schaart zich aan de kant van Kirk. “Welkom bij je nieuwe familie”, zegt iemand tegen het eind van de film tegen haar. Om in de terminologie van de kerk te blijven: ze heeft het offer van de kapitein gezien, en dat heeft haar ertoe gebracht zich te bekeren en ‘uit het koninkrijk van de duisternis’ over te gaan in ‘het koninkrijk van het licht’.
Ook wij moeten, wat onze familie ook is, ons gezin of de kerk, de grens duidelijk stellen. We mogen niet over ons heen laten lopen door machtsmisbruikers, die over lijken gaan om hun eigen positie te verstevigen, maar kiezen voor mensen die elkaar en anderen liefhebben. Dan worden we niet overwonnen door machten van binnenuit en kunnen we uiteindelijk de mooie wereld om ons heen gaan verkennen. Moedig gaan waar niemand voor ons ooit gegaan is.

vrijdag 7 juni 2013

Weg van de kerk (2): Nu anglicaans?

Een paar punten waarom ik zo enthousiast ben over de anglicaanse kerk (in willekeurige volgorde).

- De aandacht voor schrijvers en filosofen in de dienst (citaten van Tolkien, Lewis en Kierkegaard, maar ook Peanuts). Het is een kerk waar ruimte is voor intellect en creativiteit.
- Een paar van mijn favoriete schrijvers zijn anglicaans. N.T. Wright, John Stott, C.S. Lewis, Adrian Plass, Alistair McGrath - om er een paar te noemen. Maar vlak voordat ik voor het eerst naar de anglicaanse kerk ging, las ik een boek van Brenee Brown over schaamte en kwetsbaarheid. Ik ontdekte dat zij ook een anglicaanse kerk bezocht. De wetenschap dat iemand uit deze kerk zo over kwetsbaarheid kon schrijven, maakte dat ik er ook meer vertrouwen in kreeg. Verder ontdekte ik dat een van de filmrecensenten die ik volg (van de One Minute Reviews) een anglicaanse voorganger is. In zo’n gezelschap voel ik me wel thuis! Zo wie zo komen de meeste andere schrijvers die ik graag lees uit een liturgische, sacramentele kerk (katholiek, orthodox, presbyteriaans, episcopaal-luthers): J.R.R. Tolkien, G.K Chesterton, Peter Kreeft, George McDonald, John C. Wright, Gene Wolfe, Brennan Manning en Madeleine L’Engle, maar ook iemand als Robert Farrar Capon.
- Ik hoef in deze kerk niet volmaakt te zijn. Sterker nog, men gaat ervan uit dat ik niet volmaakt ben. De dienst begint met een collectieve schuldbelijdenis, waarna de vergeving van God wordt uitgesproken. Wat ik benoem als ‘het verhaal van de zwakheid’, wordt hier beleefd.
- Het sacramentele denken (dat ook aansluit bij ‘het verhaal van de zwakheid’, dat ervan uitgaat dat God het is die in ons werkt, die ons uit de dood opwekt). Dit uit zich in het feit dat wekelijks het avondmaal wordt gevierd, en dat het avondmaal niet wordt gezien als alleen een symbool dat ons helpt terugdenken aan het offer van Jezus, maar als werkelijk representatief voor het offer van Christus. Delen in het avondmaal is op een reële manier het ontvangen van het lichaam en het bloed van Christus, en bewerkt daarom ook de verandering van de verlossing. Maar dat is niet het enige waardoor God werkt. God werkt ook door de schrift heen! Het woord wordt gelezen, niet zodat wij ermee aan de slag kunnen gaan, maar zodat het Woord (met hoofdletter) door het woord in ons kan werken. Daarom gaat men er ook bij staan. Zo zijn er meer punten waarbij het duidelijk is dat het er niet om gaat wat wij voor God kunnen of moeten doen, maar om het ontvangen wat God voor ons heeft gedaan en nog steeds doet.
- Mooi is daarom steeds de houding van het ontvangen. Bijvoorbeeld bij het deelnemen aan het avondmaal. Het raakt me echt om dat weer elke week te kunnen doen. En niet door (zoals bij de evangelische kerk die ik bezocht) bij een kruis te knielen en zelf brood en wijn te pakken, maar door brood en wijn te ontvangen. Het raakt me dat ik alleen mijn handen hoef te openen en dat het brood erin wordt gelegd met de woorden ‘Het lichaam van Christus’. En ik hoef alleen maar ‘Amen’ te zeggen. Geen ‘dank je wel’, want het gaat niet om degene die het brood geeft, maar alleen ‘amen’ - ‘zo is het’. De verlossing is iets dat Christus geeft, waar ik alleen maar mijn handen voor hoef te openen. Ik hoef het niet zelf te doen. En dat wordt in deze vorm heel duidelijk.
- Ik vind de liederen mooi. Ze draaien niet om onze reactie op het evangelie (zoals veel van de opwekkingsliederen). Ze uiten niet dat ikzelf blij of dankbaar ben, of enthousiast, of gelovig. Ze gaan over het werk van God, het werk van Christus, het werk van de Heilige Geest. Ze gaan over het goede nieuws. En ik kan ze zingen hoe ik mij ook voel! Ik kan ze zingen als belijdenis van de waarheid. Niet over mijn eigen gevoel (want dat is vaak niet zo zoals het in evangelische liederen wordt beschreven), maar de waarheid over Christus.
- Dit geldt voor de liturgie in het algemeen. Die bestaat voor grote delen (waar het niet gaat om het ‘ontvangen’) uit het samen met alle heiligen uitspreken van de waarheid, bijvoorbeeld in de geloofsbelijdenis, of in de lofprijzing. Elke zondag opnieuw spreek ik uit wat ik geloof. Dat Jezus is gestorven, dat hij is opgestaan, dat hij aan de rechterhand van de vader zit. Ik spreek uit dat God naar ons toe alleen maar genadig is. Ik spreek uit dat ik uitzie naar de opstanding en de wereld die komt (elke zondag minstens twee keer!).
- Wat ik vroeger dacht over liturgie, dat het door de herhaling een ‘vormpje’ wordt, dat niet echt meer zou worden beleefd door de mensen, wordt hier wel ontkracht. Ik let steeds op op de voorgangers. Maar die spreken de woorden elke keer uit vol overtuiging. Prachtig! Het zijn voor hen geen ‘dode’ maar ‘levende’ waarheden. Ze spreken over een realiteit waar ze volledig achter staan. Hier is geen woord vrijzinnigheid bij.
- Tegelijkertijd geloof ik dat waarheden juist door herhaling werkelijk deel van ons gaan uitmaken. Ze zijn nog niet tot je doorgedrongen als je ze een keer hebt gehoord en hebt beaamd. Intellectuele instemming is niet voldoende. Ze moeten landen in je hart en je leven gaan bepalen. Hier is het niet voldoende een keer het evangelie te horen, het evangelie moet steeds opnieuw worden ontvangen. Daarom zijn rituelen zo belangrijk!
- Het diverse gezelschap: de aanbidding is hier daadwerkelijk ‘uit elk geslacht en stam en volk en natie’. Engelsen, Amerikanen en Nederlanders zitten naast Indiers en mensen uit Afrika. En bovendien hebben we vrouwelijke voorgangers en sprekers. Hier wordt in praktijk gebracht dat er in Christus geen onderscheid is tussen man en vrouw, slaaf en vrije, jood en griek.
- Ik hoor elke zondag twee tot drie schriftgedeeltes (waarvan een uit een van de evangelien), die ik trouw meelees, en ik zing een van de psalmen mee, en daarnaast is een groot deel van de liturgie geciteerd uit de bijbel. Het mooie is dat er een kerkelijk jaar wordt gevolgd, waardoor door het jaar een groot deel van de bijbel aan bod komt, en de belangrijke momenten van het geloof allemaal aandacht krijgen!
- Verder is er bijna elke zondag gebed, voor de kerk, voor zieken, voor zendelingen. En eens per maand is er de mogelijkheid gebed te ontvangen voor genezing en heelheid. Veel mensen maken hier gebruik van, wat mooi is om te zien. Dat herinnert me eraan dat Leanne Payne, en Lin Button (die in Nederland conferenties verzorgt over innerlijke genezing), ook uit de Anglicaanse kerk afkomstig zijn. En Martin Tensen die deze conferenties organiseert bezoekt ook een anglicaanse kerk. Genezing en herstel wordt in deze kerk serieus genomen!
- Ook in de preken hoor ik het evangelie. Tot nu toe werd in elke preek expliciet verteld dat Jezus is gestorven en opgestaan. En in bijna elke preek werd de nadruk gelegd op de liefde van God voor elk van ons. Afgelopen zondag nog stelde de leider van de dienst dat het allemaal draaide om Jezus, dat hij degene is waar het om gaat in het christelijk geloof. En de spreekster legde er de nadruk op dat God ieder van ons liefheeft, niet als deel van een collectief, maar als individu, zoals we zijn. Het is de boodschap die langzaam bij me komt binnendruppelen. Dit is een plek waar ik kan leren het eindelijk te geloven, dat ik de geliefde van God ben.
- De hele drie-eenheid komt aan de orde in de diensten. God de Vader, de Zoon en ook de Heilige Geest. Ze hebben alle drie een belangrijke plek. En, een punt dat mijn verloofde inbracht: aan alle aspecten van God wordt aandacht besteed - God als Vader, maar ook God als Koning, of als Rechter. Er is ruimte voor ontzag, maar ook voor intimiteit. Dat evenwicht is mooi!
- De nadruk op schoonheid en mysterie, in de symbolen, maar ook in het mooie kerkgebouw, met een prachtige tuin, vlak bij de Scheveningse bosjes, in het prachtige gebrandschilderde raam, maar ook in de muziek! Het orgel speelt onder andere muziek van Bach. Er is een koor dat prachtig zingt. Soms zijn er andere instrumenten (viool, piano). Muziek (ook zonder tekst) wordt als belangrijk gezien. Schoonheid is voor mij een belangrijk thema. Schoonheid communiceert iets over de natuur van God, zonder dat het uitgelegd hoeft te worden. Ik merk dat dit een plek is waar dat herkend en gewaardeerd wordt. Geen wonder dat veel kunstenaars uit sacramentele, liturgische tradities komen. Ik sprak laatst met een kennis die ik ooit op het Flevofestival heb ontmoet waar ze een workshop tekstschrijven gaf. Ze blijkt voorgangster te zijn in een presbyteriaanse kerk. En ook zij gaf aan dat de ruimte voor schoonheid en mysterie daar heel belangrijk is. God werkt in mysterieuze wegen, die niet altijd voor ons in woorden te vatten zijn. En dat moeten we ook niet altijd proberen.
- De vriendelijkheid van de mensen. Dit kan misschien aan de Engelse volksaard liggen, maar er zijn veel mensen in deze kerk met een heel rustige, vriendelijke natuur. Bianca en ik werden direct verwelkomd, men vroeg geïnteresseerd naar ons en onze interesses, en de volgende keer werden we herkend. Zonder dat er direct druk op ons werd gelegd. Dit voelde heel verwelkomend. En ik geloof dat het minstens voor een deel voortkomt uit de theologie van deze kerk, en wat ze geloven over de liefde van God, die naar ons toe alleen maar genade is.
- De oproepen voor vrijwilligers komen bovendien niet manipulerend over, eerder uitnodigend (misschien kan ik me ook eens inzetten) en de collecte wordt niet aangekondigd. Soms heb ik niet eens door dat het al zover is. Ik voel me nergens toe gedwongen.
- Mooi onderdeel van de dienst: elkaar de zegen van God toewensen. De mensen om je heen de hand schudden, in de ogen kijken, en de zegen van God toewensen. Prachtig. Mijn verloofde zei dat ze dat vroeger ook het mooiste onderdeel vond van de katholieke kerk.

Bij deze opsomming zal ik sommige mooie dingen nog vergeten zijn, maar het is denk ik genoeg om te snappen waarom mijn verloofde en ik na vijf diensten nog steeds enthousiast zijn. We hebben een geestelijk thuis gevonden. Geen wonder dat ik dus nog even in de ‘cage phase’ zit. Uiteindelijk zal ik ook wel punten zien die een beetje ‘schuren’ (er is altijd wel wat), en ik zal me daar niet door van mijn stuk proberen te laten brengen, maar ik vermoed dat die niet zullen opwegen tegen wat ik hierboven opsomde. In elk geval heb ik er zin in komende zondag weer te gaan!

Aandachtige lezers van mijn blog hebben vast herkend dat wat mijn aanspreekt in de anglicaanse kerk aansluit bij wat ik de afgelopen jaren op mijn blog heb geschreven over mijn worsteling met de (evangelische) kerk en mijn zoektocht naar God en zijn genade. In een volgend bericht wil ik terugkijken op die zoektocht en een paar van mijn eerdere blogberichten citeren die licht werpen op mijn reis!

donderdag 6 juni 2013

Weg van de kerk (1): ooit evangelisch ...

Het schijnt dat mensen die van kerk veranderen soms door een ‘cage phase’ gaan, een periode van soms wel zes maanden waarin ze iedereen lastig vallen met enthousiaste verhalen over hun nieuwe geestelijk thuis, kritiek hebben op alles wat met hun oude kerk te maken heeft en nogal scherp zijn op theologische twistpunten en puntjes. Meestal wordt dit woord gebruikt voor mensen die calvinist zijn geworden. Maar volgens mij duidt het op een breder fenomeen, waar iedereen die een levensveranderende ontdekking heeft gedaan mee te maken krijgt. Het wordt door andere mensen vooral als vervelend ervaren omdat zij op een andere plek zijn op hun reis en diezelfde ontdekking nog niet hebben gedaan en mogelijk ook nooit willen doen of zullen doen. En omdat de persoon in de ‘cage phase’ daar geen begrip voor kan opbrengen.
Welnu, ik ben me terdege bewust van het feit dat ik me op dit moment in de ‘cage phase’ bevind. Ik ben namelijk sinds anderhalve maand van kerk veranderd. En voor het eerst in jaren ben ik enthousiast over de kerk. Ik kijk er zelfs naar uit om op zondag weer te gaan! En dat is voor mij een unicum. Trouwe lezers van mijn blog (er zijn er misschien nog wel een paar) weten van mijn moeite met de evangelische kerk. In 2010 maakte ik zelfs de keuze gewoon niet meer op zondag naar de dienst te gaan. In 2011 ging ik weer een paar keer, maar ook daar hield ik snel weer mee op. Het was voor mij niet makkelijk om niet naar de kerk te gaan. Op basis van wat ik uit de bijbel heb geleerd, geloof ik dat het heel belangrijk is met andere christenen samen te komen. Ik ben ervan overtuigd dat geloven en het vieren van dat geloof een gemeenschappelijke activiteit is. En ik ben me ervan bewust dat ik het vlammetje van mijn vertrouwen in God in mijn eentje moeilijk levend kan houden. Toch voel ik me al tijden niet meer 'evangelisch'.

September vorig jaar wandelde ik naar de stad. Ik vroeg in mijn gedachten aan God: ‘Wat kan ik doen om u beter te leren kennen?’ - het antwoord dat in mij boven kwam: ‘Door naar de kerk te gaan.’ Het kwam direct en het klonk als de waarheid. Vooral omdat ik het niet zelf verzonnen kon hebben. Ik had namelijk niet lang daarvoor op mijn blog geschreven dat ik geen enkel verlangen meer had om naar de kerk te gaan. Maar op dat moment besefte ik opeens dat ik al die tijd het idee had gehad dat het christelijke leven iets was wat ik zelf moest doen. Ik moest zelf alles kunnen: bijbellezen, bidden, getuigen, studeren et cetera. Maar ik wist dat ik daarvan overspannen werd, en dat ik om gezond te zijn verhalen moest schrijven. In de kerk kan ik echter genieten van de gaven van andere mensen, die juist graag bijbelstudie doen. Ik hoor teksten uit de bijbel, en bid met anderen, en tijdens de week ben ik vervolgens vrij om de heer te dienen op de manier die bij mij past. Ik accepteerde dat het inderdaad voor mij de manier was om God beter te leren kennen.
Omdat ik daarvoor gewend was naar de evangelische kerk te gaan, ging ik daarnaar terug. Maar eigenlijk was ik toen al van plan om rond te kijken naar een andere kerk, want ik wist eigenlijk al dat ik me niet meer evangelisch voelde. Het was echter te makkelijk om steeds naar dezelfde kerk te blijven gaan. De eerste twee diensten waren bovendien goed, met boodschappen die voor mij en voor mijn verloofde betekenisvol waren (ik geloof ook dat ik deze moest horen). Maar daarna ontstond hetzelfde patroon dat mij al eerder deed besluiten om niet meer naar de kerk te gaan. Ik zat op mijn stoel heen en weer te schuiven bij boodschappen die me vertelden dat ik meer ‘dit’ moest doen en minder ‘dat’, en ik hoorde niets over Jezus of over het goede nieuws.
Ik las het programma van een mannenconferentie, georganiseerd door een groep die zichzelf naar vrijheid heeft genoemd (ironisch), dat stelde dat een echte man alles zou opofferen voor zijn vrouw ‘niet alleen zijn verlangens, maar ook zijn dromen’. En ik besefte dat dit de visie is van de evangelische kerk, dat ik mezelf moest kwijtraken. Dat maakte me misselijk. Bovendien ontdekte ik opnieuw het verschil tussen ‘moeten’ en ‘behoren’ en identificeerde ik veel van de boodschappen in de kerk als ‘behorens’, in feite manipulerende boodschappen die mij ertoe brachten om dingen te doen zonder dat ik er werkelijk uit mezelf voor gemotiveerd was. Ik raakte opnieuw in een negatieve spiraal. Op een etentje met mensen uit de kerk vertelde ik hoe ik niet goed in staat ben om bepaalde boodschappen ‘buiten me’ te houden. Mijn denken is als een mobile. Een nieuwe gedachte hang ik erin en dan merk ik hoe de andere onderdelen bewegen. Pas als het evenwicht verstoord raakt, kan ik de gedachte als negatief beoordelen en afwijzen. Ik heb dus niet een filter waardoor ik zo’n boodschap van te voren kan tegenhouden. Iemand in de groep die coacht en trainingen geeft vertelde dat meer mensen zo in elkaar zitten. Hij noemde ze ‘systeemdenkers’.  En hij zei dat de enige manier van zulke mensen om zichzelf tegen voor hen negatieve boodschappen te beschermen, is te vertrekken uit de omgeving waar die boodschappen worden gebracht. Dat was voor mij de bevestiging en we stopten met naar de kerk gaan. Maar ik had toch echt ‘gehoord’ dat ik de kerk moest bezoeken om God beter te leren kennen! Dat leidde tot een innerlijk conflict, dat kan ik je wel zeggen.

Een goede vriend met wie ik over deze dingen praatte en die zelf ook wel eens moeite heeft met de evangelische kerk, stuurde me het adres van een anglicaanse kerk in Den Haag, die ook nog eens makkelijk met de tram bereikbaar was. Mijn verloofde en ik togen erheen, de laatste zondag van april, een beetje zenuwachtig. En we waren ook nog eens te laat omdat we bij de verkeerde halte uitstapten. Maar er was een bank speciaal voor laatkomers en dat stelde me gerust.
We maakten een prachtige dienst mee. Een paar keer stootten we elkaar aan en fluisterden we: dat was precies waar we naar zochten! In de liturgie kwam meerdere keren het evangelie voor. Er werden gedeeltes uit de bijbel gelezen. Er was zalving voor genezing en heelheid, en het avondmaal werd gevierd. En in de preek werd The Hobbit aangehaald, en het ging erover hoe Jezus vanaf het kruis niet naar ons kijkt met ogen van veroordeling, maar met ogen vol liefde. En hoe dat ons verandert. Wauw! We werden ook nog eens heel vriendelijk aangesproken door de mensen in de kerk. Ikzelf had ook een ervaring van Gods aanwezigheid tijdens de dienst. Ik ervoer zelf hoe Jezus met liefde naar me keek. En ik vroeg hem in gedachten waarom ik die ervaring niet had gehad in de evangelische kerk. Wat toen in me opkwam was: ‘Omdat ze hier samenkomen in mijn naam.’ Dat was inderdaad wat de dienst karakteriseerde: het draaide om Jezus. Meer dan ik in de evangelische kerk had meegemaakt. Daar is de Heer natuurlijk ook aanwezig, zoals Hij overal is, maar het draait er in mijn ervaring niet om hem en zijn aanwezigheid, maar meer om onze reactie op hem en wat wij behoren te doen. Hier stond hij in het midden.
Er stonden tranen in mijn ogen. Aan het begin van dit jaar had ik de Heer gebeden om een tekst voor 2013. Nog voor ik klaar was met het uitspreken van die vraag, kreeg ik in gedachten: ‘Komt tot mij allen die vermoeid en belast zijn, en ik zal u rust geven.’ En in deze dienst in de anglicaanse kerk kwam ik eindelijk tot rust. Hier kon ik eenvoudig zijn, zonder iets te hoeven, en de liefde van de Heer ervaren.
Mijn verloofde was ook erg geraakt door de dienst, omdat ze in een katholiek gezin is opgegroeid en nog veel affiniteit heeft met de vormen en symbolen van de katholieke kerk, alhoewel ze uit leerstellig oogpunt niet meer achter het gezag van de Paus kan staan (hoe goed de huidige paus ook is, trouwens!). Zij had al sinds enkele jaren de indruk dat ze van de Heer mocht zoeken naar een ‘katholiek-achtige’ kerk, maar ze dacht dat de evangelische kerk dat al was. Ze wist namelijk niet dat de anglicaanse kerk bestond. Dit bleek precies te zijn waar ze naar verlangde.

Mijn verloofde en ik waren allebei erg enthousiast, maar een enkele zwaluw maakt nog geen zomer. De volgende dienst was ook weer bijzonder. De dienst erna werd C.S. Lewis uitgebreid geciteerd. De keer erna was er weer zalving, en de keer erna ging het weer over de liefde van de Heer. We hebben vijf diensten meegemaakt, en die waren allemaal prachtig, bemoedigend en draaiden om het evangelie. Ik had me erop ingesteld dat ik ook teleurstellende ervaringen zou hebben, dat niet alle preken even goed zouden zijn, maar tot nu toe is dat nog niet uitgekomen. We hebben daarom besloten dat we deze zomer zo vaak mogelijk naar de anglicaanse kerk zullen gaan, en in het najaar zullen besluiten of we ons definitief bij de kerk gaan aansluiten. Eigenlijk hebben we die keuze nu al gemaakt, vermoed ik, maar omdat ik soms mezelf overschat geven we het de tijd, zodat ik niet roep ‘dit is de beste kerk van de wereld’ om er een maand later weer op af te knappen. Maar deze kerk voelt voor mij als een antwoord op mijn gebed. En daar ben ik dankbaar voor.

In deel twee een paar punten waarom ik zo enthousiast ben over de anglicaanse kerk ...

zaterdag 18 mei 2013

Filmbespreking: La Vie En Rose

Voor mijn manier van films bespreken zijn biografische films (‘biopics’) eigenlijk niet heel erg geschikt. Ik geloof in de kracht van verhalen en de manier waarop ze ons naar ons eigen leven laten kijken. Ze geven ons een kader om de gebeurtenissen die we meemaken te plaatsen en laten ons verlangen naar een bepaalde uitkomst. We vertellen verhalen om op een andere manier naar ons eigen leven te kunnen kijken. Maar als we naar ons leven kijken heeft dat niet noodzakelijk een verhaalstructuur. Veel gebeurtenissen lijken toevallig. We maken beslissingen die niet wijs zijn uit het perspectief van het ‘plot’, en het einde past niet noodzakelijkerwijs bij wat eraan voorafging. Tijd en toeval treffen allen, zegt de Prediker. Maar dat levert niet noodzakelijk goede verhalen op. Bij goede verhalen is er sprake van wil. Onze levens lijken echter meer op een blaadje heen en weer gewaaid door de wind. Als er dus een film gemaakt over iemands leven, die ook nog eens recht doet aan de feiten, levert dat niet noodzakelijk een sterk verhaal op. Het is leuk om te weten hoe iemand geleefd heeft, maar meer eigenlijk niet. Iemand maakt goede keuzes en slechte keuzes, heeft plezier gehad en heeft geleden, en gaat uiteindelijk dood, aan ziekte of aan ouderdom. Het is immers iemand zoals wij, en zo leven wij ook. Onze levens zijn (op het eerste gezicht) niet mythisch. Uit de levens van individuele mensen zijn daarom ook geen universele lessen af te leiden, waarheden die gelden voor die van ieder mens, anders dan de waarheden waar Prediker over schrijft: Alles is ijdelheid, als je geniet van het leven met de vrouw van je jeugd is dat het geschenk van God, wees niet te zeer rechtvaardig, maar ook: zoek de Heer in je jongelingsjaren voordat de kwade dagen komen. 
De film La Vie en Rose laat bijvoorbeeld zien dat iemand die in de jeugd verlaten wordt door haar ouders, daar later pijnlijke gevolgen van ervaart. De film laat zien dat je jouw talent als redmiddel kunt gebruiken, maar dat het zich dan uiteindelijk tegen je gaat keren - het is een te klein verhaal, dat niet het antwoord biedt voor de leegte die je ervaart. De film laat zien dat het vluchten van de pijn in verdovende middelen (alcohol, morfine) de problemen alleen maar erger maakt (ook weer: te kleine verhalen). De film laat zien dat mensen die (vanuit hun pijn) hun eigen eisen centraal stellen en vinden dat al hun verlangens direct moeten worden ingewilligd, anderen daardoor van zich vervreemden. Ook die lessen zijn natuurlijk waardevol. Maar daar hoef ik geen besprekingen over te schrijven. Het zijn de lessen die we ook leren als we (zoals de Prediker zelf) eerlijk kijken naar ons eigen leven ‘an sich’ (dus niet als mythe).

Maar als christen geloof ik dat we daadwerkelijk leven in een Groot Verhaal, en dat de verhalen die we vertellen daar weerspiegelingen van zijn, en in de woorden van Tolkien, zigzaggend naar de Ware Haven koersen. Niet alleen geven we met onze verhalen ons leven betekenis, onze levens hebben daadwerkelijk betekenis. Ons leven is een verhaal, alleen al omdat het deel is van een groter verhaal. Dat zien we niet noodzakelijkerwijs op het moment dat de gebeurtenissen zich ontvouwen. De hoofdpersoon van een verhaal heeft immers ook niet door dat hij zich in een verhaal bevindt. Om Tolkien nog een keer te citeren: In The Two Towers beginnen Sam en Frodo onderweg naar de doemberg de moed te verliezen, en dan zegt Sam: “It’s not that way with the tales that really mattered. Folk seem to have been just landed in them, usually – their paths were led that way. They had lots of chances of turning back, only they didn’t. They just went on – and not all to a good end. At least not to what folk inside a story and not outside it call a good end.”
That’s the way of a real tale.” zegt Frodo. “You may know, or guess, what kind of a tale it is, happy-ending or sad-ending, but the people in it don’t know.”
Dan realiseert Sam zich dat het licht dat ze hebben meegekregen het licht van Aerendil bevat, en Aerendil speelden ooit een belangrijke rol bij de bevrijding van de wereld van duivelse overheersing. “We are part of the tale!”, roept hij uit.  “Don’t the great tales never end?”
No, they never end as tales”, zegt Frodo. “But the people in them come and go when their part’s ended. Our part will end later – or sooner. We are stuck in the worst places of the story.”
But things done and over and made into part of the great tales are different!”
En daarmee slaat Sam de spijker op de kop. Van binnenuit gezien lijkt ons leven niet mythisch, of heroïsch. Wij kunnen ons leven niet werkelijk betekenis geven - de verhaaltjes die wij zelf vertellen (ook onze heldenverhalen, bijvoorbeeld ons artistieke succes, ons succes in de liefde, onze carrière) zijn te klein. Als we ze gebruiken om ons leven te definiëren, perken we onszelf alleen maar in. En uiteindelijk worden ze door de sterfelijkheid achterhaald. Ons succes is tijdelijk, we worden afgewezen, onze carrière eindigt met ons pensioen. Ons leven kent geen moment van verlossing. Het is gewoon wat het is. Maar het wordt anders als we zoals Sam en Frodo zien dat er een groter verhaal is, dat wel mythisch en heroïsch is, en dat wij er deel van zijn. De strijder uit Gondor op de derde rij van het leger van Aragorn, die door een bijlslag werd geveld, had wel degelijk betekenis is het verhaal van Midden-Aarde, ook al leek zijn einde wreed en toevallig. Puur omdat Tolkien het verhaal schreef, had het leven van elke figuur in dat verhaal betekenis. Net zo is wat er in ons leven gebeurt wellicht voor het oog zinloos, worden we getroffen door toevallige tegenslag, en eindigt onze bijdrage in het verhaal voordat we het einde hebben meegemaakt - maar dat maakt ons leven niet betekenisloos. We weten dat ons leven uiteindelijk is opgenomen in iets groters, en dat het daardoor betekenis heeft. Het betekent ook dat die betekenis van ons leven niet van ons afhangt. Wij zijn niet de verteller. Anders gezegd: ons leven heeft betekenis, of wij dat nu willen of niet. Het enige dat wij hoeven doen, is het accepteren. We hoeven er alleen maar in te geloven. Zo simpel is het. Dit is de betekenis van verlossing. Het is allemaal genade.
Biografische films laten dit vaak ook al zien, doordat de feiten uit het leven van een individu vaak in een meer gestroomlijnde verhaalstructuur worden geplaatst, en zo ook door ons wordt geïnterpreteerd. Eigenlijk is het maken van een ‘biopic’ daarmee al een daad van genade. Ik merkte dat ik bij de film La Vie en Rose hoopte dat er voor het centrale karakter een moment van verlossing zou komen, van omkering, waardoor ze uiteindelijk de rust zou vinden om helemaal zichzelf te zijn. Ik was haar leven gaan zien als een verhaal, en niet als een toevallige opvolging van gebeurtenissen en keuzes zonder doel of richting. En omdat ik het als een verhaal was gaan zien, hoopte ik op de verhaalwending die er altijd is in een verhaal, het onverwachte einde. De eu-catastrofe of verlossing (opnieuw een term van Tolkien). Als een biopic echter een leven te duidelijk in dit kader plaatst, wordt het een onechte film. We voelen ons dan als kijker gemanipuleerd. Bij ons leven bevindt het moment van verlossing zich immers ook buiten de gebeurtenissen van ons leven, buiten de tijd, en niet er binnenin.
Het is voor een filmmaker een moeilijk evenwicht om te bewaren. En ook deze film ontkomt er niet aan dat er sommige gebeurtenissen worden weggelaten of vereenvoudigd om een aansprekend einde van het verhaal te bereiken. Maar de ‘verlossing’ waar de kijker naar snakt, wordt uiteindelijk wel gegeven, en wel op zo’n manier dat de kijker zich niet bekocht voelt, omdat het leven van de hoofdpersoon toevallig en moeizaam blijft, een opeenvolging van gebeurtenissen, een rommeltje, een mengeling van goed en kwaad, zoals ook onze levens dat zijn. Maar dan een rommeltje dat gevat is in een werkelijkheid die inderdaad boven het leven uitstijgt. Een rommeltje waarover betekenis wordt uitgesproken door de Verteller (en niet door de hoofdpersoon van het verhaal). Het moment van verlossing bevindt zich buiten de tijd zelf. En daarmee wordt deze geschiedenis over een gebroken individu een verhaal over genade.

Het gebroken individu in kwestie is in dit geval de Franse chansonneuse Edith Piaf. Ze voerde liederen uit waar nu nog steeds naar wordt geluisterd (zoals ‘La vie en Rose’), en zelfs opnames van haar concerten worden nog steeds bekeken. Een artieste van wereldfaam. Maar niet iemand met een makkelijk leven (dat lijken de meeste kunstenaars niet te hebben). Als klein meisje groeit ze op bij haar grootmoeder, die een bordeel uitbaat. Haar vader neemt haar vervolgens mee op zijn tournee als acrobaat. Hij is hardvochtig en drinkt (verklaarbaar door zijn ervaringen aan het front in de eerste wereldoorlog). Bij hem ontdekt Edith haar stem. Die gebruikt ze vervolgens om staande te blijven, door op straat te zingen. Zo kan ze zelf uit de prostitutie blijven. Haar lot begint pas echt de keren als ze wordt ontdekt door de uitbater van een nachtclub, en haar klim naar de top begint. Maar ergens blijft ze het gekwelde, onzekere meisje van de straat, en de verleidingen van succes en geld liggen op de loer. Ze vraagt een enorme prijs, van haar omgeving, en van haar eigen lichaam. Maar zelfs als het haar teveel dreigt te worden, kan ze niet stoppen met zingen. Als ze niet kan zingen, heeft ze niets meer om voor te leven ...
Edith Piaf is werkelijk geweldig weergegeven door actrice Marion Cotillard (onder andere uit Inception en The Dark Knight Rises). Ik heb op internet foto’s van Piaf gezien, en de gelijkenis is treffend. Het is een acteerprestatie van formaat. Want niet alleen de gedrevenheid van Piaf is weergegeven, maar ook haar onzekerheid, haar blik als een in het nauw gedreven vogeltje (de ‘mus’ - dat is wat Piaf betekent), haar voorovergebogen houding, alsof ze elk moment straf verwachtte ... De innerlijke pijn van Piaf is levendig in te voelen. De muziek in de film is ook prachtig (zoals het hoort) en de aankleding is ook heel geloofwaardig. Wat de film wel eens moeilijk te volgen maakt zijn alle sprongen in de tijd. Het verhaal gaat steeds heen en weer tussen het einde van Ediths leven en het begin en het is niet altijd duidelijk naar welk deel van de geschiedenis je kijkt. Het vormt uiteindelijk wel een geheel, maar de precieze chronologie is niet duidelijk. Zo kom je pas in de laatste minuten achter een belangrijke, vormende gebeurtenis uit Ediths tienerjaren. Ikzelf kende de muziek van Piaf niet, maar ook ik vond het een prachtige, intrigerende film. Degene met wie ik de film keek, kende haar muziek wel, en vond de film zo mogelijk nog beter. De moeite waard om te kijken dus.

De film begint met beelden van Piaf op het podium. Ze zingt een lied. Als je goed naar de tekst luistert, hoor je dat het uiteindelijk gaat over ‘mercy’, over genade. Dan wordt het scherm zwart en hoort de kijker een gebed tot de heilige Theresa. De film is natuurlijk niet toevallig zo opgebouwd. Deze eerste scenes zijn duidelijk bedoeld om het frame te vormen waarin de rest van het verhaal wordt gevat, en dat moet worden gebruikt om de rest van het verhaal te interpreteren. Het verhaal moet dus mijns inziens worden geïnterpreteerd vanuit het gezichtspunt van de genade. Vanaf haar gezongen oproep om te worden opgenomen in genade, valt de rest van het verhaal van Edith onder deze categorie. Het hele leven van Edith is begrepen onder haar verlangen naar genade. Al haar keuzes, goed en kwaad, slim of dom, moeten nu op deze manier worden bekeken.
Het blijkt in de film al snel dat Piaf een duidelijk religieus bewustzijn heeft. Ze bidt tot de heilige Theresa, en niet alleen voor zichzelf, maar vooral voor anderen. En ze gelooft ook dat ze gehoord wordt. Ikzelf heb helaas uit mijn opvoeding de neiging over gehouden nog wel eens rechtlijnig te willen zijn, en het viel me daardoor op dat het leven van Piaf niet helemaal leek te passen bij dat van iemand die in God gelooft. Ze leefde helemaal niet heilig, zei ik verontwaardigd tegen mezelf. Ze gebruikt drugs, beledigt mensen, en heeft een relatie met een getrouwde man. Hoe durft ze! Maar hiermee verraad ik vooral mijn eigen farizeïsme. Want ik ben misschien wel braaf, maar niet beter dan Edith. Ik maak ook domme keuzes, hoewel misschien niet zo duidelijk zichtbaar als de hare, en ik schiet ook tekort. Mijn leven is misschien wat gestroomlijnder dan het hare, maar het is net zo goed een rommeltje. En mijn verontwaardiging dient natuurlijk vooral om dat niet onder ogen te hoeven zien. “Ik dank u dat ik niet ben als deze tollenaar”, zei de farizeeër al op de hoek van de straat, in het zicht van alle anderen. Het feit dat iemand in God gelooft, betekent niet dat iemand geen foute keuzes maakt of domme dingen doet. De bijbel staat vol met verhalen van gelovige mensen die dingen doen waar de honden geen brood van lusten. Ooit van Koning David gehoord? Of van Petrus? Gelovige mensen zijn net zo feilbaar en zwak als niet-gelovige mensen. Wie dat niet toegeeft, houdt zichzelf voor de gek.
Om gered te worden, om verlossing te ontvangen, is het gelukkig helemaal niet nodig om onfeilbaar te zijn, of een volmaakt leven te leiden. Juist niet. Het enige dat daarvoor nodig is, is te accepteren dat je het zelf niet kunt, dat je tekort schiet, dat je genade nodig hebt. De tollenaar sloeg zichzelf op de borst en zei: “Heer, wees mij, een zondaar, genadig.” En Jezus zegt dat juist hij gerechtvaardigd naar huis terugging. De eerlijkheid over het eigen onvermogen was het enige dat nodig was om gerechtvaardigd te worden. En als de tollenaar weer faalde, zoals hij waarschijnlijk zou doen, hoefde hij alleen maar weer God te vragen of hij genadig wilde zijn. Ook al zou hij zichzelf nooit kunnen verbeteren, meer zou nooit nodig zijn. De betekenis van zijn leven hing namelijk niet af van zijn eigen heiligheid, hij kon niet zelf een verhaal vertellen dat hem betekenis kon geven. Het kwam niet van binnenuit uit zijn leven. De betekenis van zijn leven werd hem gegeven door de Verteller van het Ware Verhaal. Het was een geschenk dat niet van hem afhing. “Een geschenk, niet op grond van werken, opdat niemand roeme”, zoals Paulus zegt in Efeze 2.
Dat geldt ook voor Edith Piaf. Ze wil niet optreden zonder haar kruis. De film maakt er een punt van dit uitgebreid te laten zien. Steeds is ze in beeld met het kruis om haar hals. En als ze uiteindelijk aan het eind van haar carrière voor een tweede kans het podium op moet, gaat ze niet voordat iemand dat kruis voor haar gehaald heeft. Volgens mij realiseerde ze zich op dat punt haar afhankelijkheid van de genade. Ze was zich bewust van het rommeltje dat haar leven was, en haar onvermogen er ooit iets van te kunnen maken. Ze klemde zich vast aan het kruis, het teken van het Grote Verhaal van Gods liefde dat over ons verteld wordt.
En vervolgens zingt ze ‘Je ne regrette de rien’. Een prachtig lied waarin ze uitdrukt dat ze alles achterlaat. Het geluk en de pijn. De verwondingen. Het misbruik. Ze denkt er niet meer aan terug. Ze laat zich niet verteren door spijt, door schuldgevoel, door zelfverwijt. Ze is vrij van de fouten en de ongelukken. Die bepalen niet haar identiteit. Die bepalen niet wie ze is. Haar betekenis komt ergens anders vandaan.
Uiteindelijk blijft de conclusie van de kijker (van mij in elk geval) dat het leven van Edith Piaf vooral tragisch te noemen was. Het bevatte ondraaglijke pijn, waar ze een groot deel van de tijd voor op de vlucht was. Ze verloor mensen die haar dierbaar waren, maar maakte zichzelf ook kapot. Ze joeg mensen van zich weg, en was veel te vroeg oud. Maar dit is alleen een constatering. Het is geen oordeel. Haar hele leven valt immers onder het teken van de genade. Ze is gerechtvaardigd, net als de tollenaar. En haar muziek spreekt na vijftig jaar nog steeds mensen aan. Haar liederen geven mensen troost in moeilijke omstandigheden. Ik ken iemand die heel lang hoop putte uit ‘Je ne regrette de rien’. Op die manier speelt Piaf een rol in de levens van mensen, in al die verhalen. Ze draagt voor velen bij aan een gelukkig einde, aan verlossing. Ze kon het misschien niet zien toen ze zich in het verhaal zelf bevond, zoals de helden van Tolkien dat ook niet konden, maar haar leven droeg uiteindelijk vrucht. Het is opgenomen in het Grote Verhaal, het Ware Verhaal, en draagt bij aan de verlossing. Zoals ook onze levens daar uiteindelijk aan zullen bijdragen.

zondag 12 mei 2013

Filmbespreking: Spider-Man 2

Spider-Man 2 is een van mijn favoriete films. Hoe favoriet? Nou, de enige filmposters die ik in mijn appartement heb hangen zijn van de Lord of the Rings-films, en een van Spider-Man 2. Okee, aan de andere kant daarvan bevond zich een poster van Aragorn uit The Return of the King, maar die heb ik opgehangen tegen het glas van de woonkamerdeur aan, zodat de poster van Spider-Man 2 ook zichtbaar is vanaf de gang. Misschien dat The Dark Knight een betere superheldenfilm is, maar die is behoorlijk duister en wellicht zelfs cynisch, waar Spider-man 2 (ook een vervolg), wel spannend is en heftig, maar uiteindelijk  juist opbeurend en bevestigend. En Spider-Man is een superheld met wie ik me meer kan identificeren dan Batman. Batman is een multimiljonair die het leven van een playboy moet leiden, met aan elke arm een mooie vrouw, om onder bescherming van de nachtelijke duisternis met zijn dure snufjes de misdaad te bestrijden. Okee, hij heeft op jonge leeftijd zijn ouders verloren, maar die hebben wel het familiebedrijf aan hem overgedragen. En hij heeft een butler. Nee, dan Spider-Man ...
Aan het begin van deze film gaat het niet echt geweldig met student Peter Parker. Hij woont in een krottige studentenkamer, en loopt zelfs daar al achter met het betalen van de huur. Hij is niet op tijd in zijn lessen, en dreigt van Dr. Connors zelfs een onvoldoende te krijgen. Hij houdt van de mooie Mary Jane Watson, maar durft dat niet tegen haar te zeggen, en het lukt hem zelfs niet bij een van haar toneelstukken te zijn. En dan raakt hij ook nog zijn baantje als pizzaverkoper kwijt. Ondertussen doet hij in de vermomming van Spider-Man zijn uiterste best voor anderen. Met grote kracht komt immers grote verantwoordelijkheid. Maar niemand lijkt zijn inspanningen te waarderen. De mediacampagne van krantenmaker J. Johan Jameson lijkt vruchten af te werpen. De mensen voor wie hij zo zijn best doet, zien Spider-Man als bedreiging. Uiteindelijk beginnen zelfs Peters spinnenkrachten hem te verlaten. Hij is niet meer in staat om aan zijn web te slingeren of tegen een muur op te klimmen. Hij heeft zelfs zijn bril weer nodig. De maat is vol. Peter besluit zijn alter ego in de prullenmand te gooien: hij is niet langer Spider-Man. Nu heeft hij eindelijk de kans Mary Jane de waarheid te vertellen. Wetenschapper Otto Octavius probeert ondertussen een gevaarlijk experiment te herhalen. Daarvoor heeft hij een substantie nodig die alleen Harry Osborn kan leveren. Die stelt een deal voor: de hele voorraad in ruil voor Spider-Man. Otto is echter niet de gemiddelde wetenschapper. Hij beschikt over vier lange, dodelijke tentakels, versmolten met zijn rug en met een eigen, niet tegen te houden wil. En om Spider-Man te vinden, gaat hij eerst op zoek naar Peter Parker ...

De eerste Spider-Man-film was achteraf gezien een klein beetje tam. Een van de eerste van de nieuwe generatie superheldenfilms en dus nog een beetje terughoudend in het tonen van waar superhelden toe in staat zijn. Het karakter van Peter Parker en zijn omgeving waren goed weergegeven, met situaties die zo uit de stripverhalen konden zijn gekomen, maar de actiescènes waren niet bijzonder spectaculair en de slechterik was niet heel overtuigend (en dat terwijl de Green Goblin eigenlijk Spider-Mans aartsvijand is). Het is nu vooral mijn liefde voor het karakter Spider-Man die me de eerste film doet kijken en niet mijn liefde voor goed gemaakte films. Bij Spider-Man 2 komen deze twee liefdes echter samen. Dit is een Spider-Man-verhaal dat recht doet aan de stripverhalen, met epische confrontaties waarbij ook de verticale dimensie wordt toegepast, en held en schurk hun extra’s op een originele wijze inzetten. Dr. Octopus is een tegenstander die het Spider-Man echt moeilijk maakt, maar ook nog eens iemand met wie je als kijker meeleeft en zijn uiteindelijke lot raakt je dan ook. Ook het verhaal van Peter is invoelbaar gebracht. Ondertussen brengt Sam Raimi al zijn kwaliteiten als filmmaker in - vooral de scene waarin Dr. Octopus ‘ontstaat’ is fantastisch, net als een gevecht op en in een trein. Wel moet iemand die in wetenschap geïnteresseerd is zijn kritische denken op de pauzestand zetten, want kernfusie is niet zo eenvoudig als het hier gebracht wordt. Als de film eindigt ben je als kijker tevreden, maar ook benieuwd hoe het de karakters verder vergaat. Jammer dat Spider-Man 3 in vergelijking met deze film eigenlijk een teleurstelling is.

Omdat de film in 2004 is uitgekomen, ga ik niet heel erg mijn best doen om ‘spoilers’ te voorkomen. Als je de film niet hebt gezien, zorg ik wel dat er nog wat verrassingen voor je overblijven, maar ik zal wel wat meer verklappen over het plot dan ik gewend ben.

Ik heb de film al heel wat malen gezien, maar de laatste keer vielen met twee dingen meer op dan normaal. Een daarvan is wat persoonlijker, dus die bewaar ik voor zo meteen. De ander is dat dit verhaal wel heel duidelijke verwijzingen naar het verhaal van Jezus bevat. De held heeft twee naturen: de bovennatuurlijk snelle en krachtige Spider-Man en de kwetsbare, gevoelige mens Peter Parker. Hij moet een op hol geslagen trein tot staan brengen. Hij doet dit met uitgestrekte armen - een houding alsof hij wordt gekruisigd. Hij heeft het masker van Spider-Man afgezet en wordt gezien als de mens die hij is. En het is duidelijk hoe zwaar het gewicht van de trein (een microskosmos van de mensheid met individuen van allerlei leeftijden en nationaliteiten) op zijn schouders drukt. Uiteindelijk verliest hij het bewustzijn. De mensen vragen zich af of hij dood is. Spider-Man wordt over hun hoofden getild, alsof hij ten grave wordt gedragen. Dan blijkt hij nog te leven. Hij heeft er opeens volgelingen bij, die door zijn opoffering zijn geïnspireerd om zelf ook heldhaftig te zijn. En aan het slot van het verhaal verslaat hij de slechterik niet met de kracht van Spider-Man maar met de zwakheid van Peter Parker. Zijn dit soort overeenkomsten met het verhaal van Jezus bewust aangebracht? Misschien. Ik denk echter van niet. Ik denk dat onze verhalen automatisch mee gaan bewegen met het Verhaal van de Werkelijkheid. Er vindt resonantie plaats - de snaar gaat meebewegen met de andere snaar. En in het geval van deze film is dat mijns inziens goed zichtbaar.

Het tweede dat mij opviel, was hoeveel ik van mijn eigen leven in het verhaal van Spider-Man herkende. Het belangrijkste thema van de film is hoe wij dat wat wij doen of wat ons is aangedaan zoveel waarde kunnen toekennen dat ons leven erdoor bepaald wordt, in plaats van dat wij ons leven zelf kunnen bepalen. Wij verliezen onze vrijheid, zijn nog maar een schaduw van onszelf, en zijn niet in staat om te doen wat wij het liefste willen. We zitten in de klem. We lopen zelfs het risico een monster te worden, het tegenovergestelde van wat we willen zijn.

Dit is te zien in het karakter van Harry Osborn, de beste vriend van Peter. Hij gelooft echter dat zijn vader door Spider-Man om het leven is gebracht en wordt nu verteerd door maar een verlangen: om wraak te nemen. Als er iets gebeurt waardoor het slecht gaat met zijn bedrijf ‘Oscorp industries’, zegt hij zelfs letterlijk dat zijn vendetta tegen Spider-Man het enige is wat hij nog overleeft. Alles moet hiervoor wijken. Zelfs zijn vriendschap met Peter. Hij gaat drinken, scheldt en schopt. Hij is niet meer wie hij was. Hij heeft het verlangen naar wraak op de eerste plaats gezet in zijn leven, er zijn afgod van gemaakt, en nu wordt zijn leven erdoor bepaald. We gaan lijken op wat we aanbidden, zegt de bijbel ergens. Anders gezegd: wij kunnen niet groter zijn dan het verhaal waar we in leven. En als dat een klein verhaal is, blijven wij zelf ook klein. En een kleiner verhaal dan dat van wraak is er bijna niet. Ik denk daarom dat de bijbel ook waarschuwt dat we moeten oppassen dat er in ons hart niet een wortel van bitterheid opschiet, omdat die ons onze vrijheid kan afnemen en ons kan omvormen tot ‘wraakmachines’ in plaats van vrije individuen. Het verlangen naar wraak maakt ons eenkennige robots in plaats van volledige mensen.

Een ander karakter dat in de greep raakt van het verhaal dat hij over zichzelf vertelt, is Otto Octavius. Hij is gepassioneerd over zijn werk. Hij meent dat hij een doorbraak kan bereiken waardoor de wereld op een goedkope manier van energie kan worden voorzien, en er is zelfs kans op het winnen van een Nobelprijs. Dit is zijn droom, dit is waar hij al zijn tijd en kracht aan besteed. Als het experiment mislukt, kan hij het niet opgeven. Er is een ontwerpfout in zijn theorie, maar hij kan dat niet onder ogen zien. Hij moet en zal het nog een keer proberen, ook al moet hij daarmee de populatie van New York in gevaar brengen, ook al vervreemdt hij daardoor iedereen van zich. Hij is in de macht gekomen van zijn ambitie en hij is de vrijheid kwijtgeraakt om er ‘nee’ tegen te zeggen. Hij wordt beheerst door zijn droom, in plaats van andersom. In dit geval zelfs letterlijk. De vier armen waar hij zichzelf van heeft voorzien, hebben een eigen intelligentie met de opdracht fusie-energie tot stand te brengen. Ze fluisteren hem in, beïnvloeden hem. En hij gebruikt het zelfs als excuus om zijn eigen experiment niet te stoppen. Hij is niet meer vrij. Maar hij heeft wel uit eigen beweging ingestemd met de vier armen. Ze zeiden niet iets wat hij zelf niet dacht, ze sloten aan bij een ambitie die uit hem zelf kwam. Alleen omdat uiteindelijk iemand anders zich wil opofferen om de gevolgen van zijn zelfzuchtige keuzes ongedaan te maken, kan Dr. Octavius zijn eigen ambitie opzij schuiven. En als hij dat doet, als hij zijn eigen ambities opzij zet voor een ander, als hij zijn droom opgeeft, wordt hij een mens in plaats van een monster. Een mens wordt niet zo beheerst door zijn droom dat hij er andere mensen aan opoffert. Een mens heeft de vrijheid om anderen lief te hebben als zichzelf. Wie dat niet kan, is een monster.

En dan is er Peter Parker. De beginscènes van de film zijn eigenlijk moeilijk om te kijken, zo pijnlijk herkenbaar vind ik de worsteling van de hoofdpersoon. Hij zet zich in als Spider-Man om misdaad te bestrijden en voor zwakken op te komen, maar hij gaat er bijna aan ten onder. Hij heeft zijn persoonlijke leven volledig ondergeschikt gemaakt aan de taak die hij heeft opgenomen. Hij offert zijn carrière op, zijn scholing, zijn vriendschappen en zijn liefde. Allemaal omdat hij het idee heeft dat hij Spider-Man moet zijn. Het is minder iets dat hij wil, maar iets waarvan hij vindt dat het behoort. Zijn taak als Spider-Man is namelijk gebaseerd op schuld. Peter Parker vindt dat hij schuldig is aan het overlijden van zijn oom Ben. Als hij namelijk zijn krachten op een goede manier had gebruikt en een bandiet had tegengehouden, zou Ben Parker nog leven. Dat is een behoorlijke last om op je schouders te dragen. En dan zei zijn oom ook nog eens dat bij grote kracht een grote verantwoordelijkheid hoort. Dus denkt Peter dat hij niet anders kan dan zich inspannen. Hij gaat er echter zelf aan onderdoor. Zijn energie raakt op. Uiteindelijk wordt hij gedwongen te stoppen.
Ik denk bij deze scenes aan de jaren dat ik me uit alle kracht inspande om bijbel te lezen (vijf hoofdstukken per dag), te bidden (minstens een half uur), bijbelstudie te doen, bijbelteksten te memoriseren, naar de kerk te gaan, te evangeliseren et cetera. Het klinkt allemaal heel geestelijk. Maar ik deed het uit schuldgevoel. Ik was bang dat God boos op me zou worden als ik niet voor hem zou werken. Bovendien had ik van God een groot intellect gekregen en dat kwam met grote verantwoordelijkheden. Ik vond dat ik niet meer de boeken mocht lezen die ik zo graag wilde lezen, of de verhalen schrijven die ik zo graag wilde schrijven. Zelfs voor vriendschappen kon ik nauwelijks nog tijd vrijmaken. Maar deze christelijke activiteiten pasten niet bij me. Het was niet wat ik wilde, maar wat ik dacht dat ik ‘behoorde’ te doen. En zoals Peter Parker zijn energie kwijt raakte, zo gebeurde dat bij mij. Ik kreeg enorme slaapproblemen. Ik werd overspannen. Van de ene op de andere dag stopte ik met al dat werken. Wat een opluchting.

Peter geeft zichzelf de toestemming gewoon Peter te zijn. Hij volgt de lessen waar hij zo van houdt (en wordt de beste van de klas), repareert zijn bromfiets, en bezoekt eindelijk een van de toneelvoorstellingen van Mary Jane. Hij geniet eindelijk van zijn leven. En hij vindt de vrijheid om eerlijk te zijn naar zijn tante May. Hij wil het geheim van zijn schaamte niet meer alleen met zich meedragen, maar besluit het met anderen te delen. Het lijkt met Peter voor de wind te gaan. Maar dat is maar schijn. Hij ziet namelijk hoe iemand op straat beroofd wordt, en realiseert zich dan dat hij daar niet zomaar aan voorbij kan lopen. Zijn verlangen om Spider-Man te zijn was niet alleen maar gebaseerd op schuldgevoel, maar ook op een positief verlangen om iets goeds te doen voor andere mensen. Hoe hij het ook probeert, hij kan echter zijn krachten niet meer terugkrijgen. Hoe hij zich ook inspant.
Ook dat herken ik wel. Na mijn overspannenheid volgde een periode van vrijheid, van ontspanning, van soms pijnlijke eerlijkheid. Maar het was de ontspanning van het negatieve, ontspanning omdat er iets ontbrak in mijn leven - de eeuwige overheersing van het schuldgevoel, de rust van het niet meer behoren te werken. Er was iets van mijn afgevallen. Maar ik ervoer ook een leegte. Er was niet iets positiefs terug gekomen in mijn leven. Ik was stuurloos geworden. Ik heb geprobeerd te schrijven, maar ik kon zelfs dat niet omarmen als mijn roeping, als iets dat bij mij paste. Ik zei dat ik eigenlijk verhalen wilde schrijven, maar het lukte me niet. De inspiratie leek verdwenen. De behorens kwamen steeds weer terug. De vrijheid was dus van korte duur.

Twee dingen leiden voor Peter uiteindelijk tot werkelijke vrijheid. Ten eerste de onvoorwaardelijke liefde die hij ervaart van zijn tante. Ze vergeeft hem voor zijn rol in de dood van zijn oom, en zegt hem dat ze van hem houdt. Zoals hij is, superheld of niet. Ze is niet in hem teleurgesteld. Voor haar hoeft hij niets te doen. Hij hoeft niet te presteren. Hij hoeft helemaal niets. De opluchting bij Peter Parker is op zijn gezicht te zien. Onvoorwaardelijke acceptatie is de eerste stap naar vrijheid. Zolang Peter dat nog niet had ervaren, zou zijn vrijheid alleen de vrijheid zijn van het ontbreken van overheersing, niet de vrijheid van het werkelijk jezelf kunnen zijn. Want Peter geloofde nog niet dat het genoeg was echt zichzelf te zijn. Hij wist alleen dat hij zich niet meer kon laten overheersen door zijn schuldgevoelens. Als zijn tante May zegt dat hij geliefd is, ook als hij niets doet, is hij pas echt vrij om iets te gaan doen. Positieve vrijheid. De vrijheid van leven in overeenstemming met wie je bent.
De tweede ontdekking die Peter doet is dat hij om te leven in overeenstemming met wie hij is niet afhankelijk is van omstandigheden buiten hem om. Hij is niet afhankelijk van zijn krachten als Spider-Man. Hij is niet afhankelijk van het superheldenpak dat hij gemaakt heeft. Er hoeft niet aan voorwaarden te worden voldaan voor hij zichzelf kan zijn. Hij kan ook als de eenvoudige Peter Parker al het goede doen.
Ook deze dingen herken ik heel sterk. Een groot deel van mijn geestelijke reis van de afgelopen jaren was te leren ontdekken dat God onvoorwaardelijk van mijn houdt, dat hij van mijn houdt zoals ik ben, niet zoals ik zou moeten zijn. Ontdekken dat ik hem niet kan teleurstellen, omdat hij alles weet wat ik heb gedaan en ooit zal doen, en toch van mij houdt. Ontdekken dat ook als ik nooit meer iets zou presteren, dat hij mij in zijn armen sluit als zijn geliefde zoon. Die liefde maakt me vrij om rond te kijken naar wat ik wil doen. Die liefde maakt me vrij om eenvoudig te schrijven, om te tekenen, om te bloggen. Ik mag doen wat ik wil, want Gods liefde is onvoorwaardelijk.
En om te doen wat ik wil, ben ik niet afhankelijk van anderen. Ik stopte ooit met schrijven nadat een manuscript door een uitgever was afgewezen. Ik dacht dat ik om door te gaan met schrijven afhankelijk was van publicatie. Ik meende dat ik afhankelijk was van erkenning. Maar dat was niet zo. Ook al zou niemand mijn verhalen lezen, ook al zou ik ze alleen voor mezelf schrijven, ik zou ze mogen schrijven. Om mijn creativiteit uit te leven heb ik niets anders nodig dan papier en een potlood (of een MacBook air, dat werkt ook). Het zijn niet mijn omstandigheden die mij bepalen. Of er ooit nog iets van mij wordt uitgegeven, of niet, ik ben schrijver. Zoals Peter Parker een held is, of hij ooit nog Spider-Man kan worden of niet.

En dan is er dat moment waarop Peter Parker daadwerkelijk weer Spider-Man wordt. Zijn vriendin wordt bedreigd. Op dat moment weet hij het opeens: dit is wie ik ben. Dit is wat ik wil. Op dat moment is hij helemaal niet met zichzelf bezig (zoals eerder, toen hij ook probeerde om weer Spider-Man te worden). Hij denkt niet aan zichzelf, hij denkt alleen aan Mary Jane. En hij breekt door een hele laag puin heen. Hij is Spider-Man!
Dat moment kwam voor mij afgelopen jaar, toen ik voor de tweede keer ziek thuislag met wondroos. Ik realiseerde mij dat als ik dood zou gaan (zo ernstig was het gelukkig niet, maar wondroos is toch niet mis) ik vooral spijt zou hebben van het feit dat ik geen verhalen zou hebben geschreven. Ik had het er al jaren over dat ik weer wilde schrijven, maar ik deed het niet. Ik dacht dat het was omdat ik geen inspiratie meer had, dat er geen ideeën kwamen. Maar de realiteit was dat ik mezelf geen toestemming gaf om dag en nacht over mijn verhalen te denken. Ik stond mezelf in de weg. Toen ik besloot om weer te schrijven en mezelf de toestemming gaf te doen wat ik het liefst wilde, begonnen de ideeën weer als vanouds te borrelen. En hoe veel ik ook schreef, ik werd er niet overspannen van. In plaats van slechter te slapen omdat ik zo hard werkte, sliep ik er beter door. Mijn schouders waren minder opgetrokken en ik was (volgens mijn vriendin) vrolijker. Ik was meer mezelf. Want ik had mezelf toestemming gegeven om te schrijven. Dit was net zo’n moment als Peter die door het puin breekt.
Het is ook een keuze waarop ik niet meer terug zal komen. Zoals Peter op dat moment wist dat hij Spider-Man was, weet ik dat ik schrijver ben. Niemand kan dat van me af pakken. Deze keuze was namelijk niet gemaakt doordat ik me op mezelf richtte, ik maakte de keuze niet omdat ik iets wilde bewijzen. Zoals Peter was ik niet op mezelf gericht. Ik was gericht op het schrijven, zoals Peter was gericht op Mary Jane. En omdat ik op iets buiten mezelf gericht was, was ik werkelijk vrij. Er was geen sprake meer van schuldgevoel en verplichting, zoals eerst. Ik mocht gewoon doen wat ik wilde doen. Voor Peter was dat Spider-Man zijn, voor mij was dat schrijven.

vrijdag 19 april 2013

Filmbespreking: Oblivion

Als er een originele Science Fiction-film in de bioscoop verschijnt, is dat altijd iets om toe te juichen. Zo vaak gebeurt dat niet in deze tijd van vervolgen en nieuwe versies van oude verhalen. Niet dat ik die niet kijk, natuurlijk. De nieuwe Total Recall was bijvoorbeeld best vermakelijk, en ik ben nu al enthousiast over de volgende Star Trek-film. Maar als er een genre is dat juist vernieuwend zou moeten zijn, is dat de Science Fiction. Een goede SF-film zou je beelden moeten laten zien die je nooit eerder gezien hebt, en je laten nadenken over thema’s waar je niet eerder over hebt nagedacht. Een goede SF-film moet je geest openen voor nieuwe inzichten. Daarom is de voortdurende herhaling van onderwerpen soms wat teleurstellend. Er lijkt nu echter (na het succes van Avatar) een lichting originele SF-films aan te komen. Elysium (met Matt Damon), Gravity (van regisseur Alfonso Cuaron), zelfs Batman-regisseur Christopher Nolan werkt aan een ruimtefilm. Maar de eerste die uitkwam is Oblivion. Deze is nu eens een keer niet gebaseerd op een eerdere film, of een stripverhaal, of een boek, maar is verzonnen door de regisseur zelf.
Helaas is de regisseur van oorsprong architect, en geen science fiction-auteur. Het verhaal blijkt daarom niet bijzonder origineel te zijn. Er zijn invloeden merkbaar van onder andere Wall-E, The Matrix, The Omega Man, 2001, Independence Day en de recentere film Moon, om er maar een paar te noemen. Nu vind ik dat in zichzelf nog geen reden om de film minpunten toe te kennen - ik laat me voor mijn eigen verhalen ook graag inspireren door de werken van anderen. Het is de vraag of iemand ooit helemaal origineel is. Als scheppers staan we allemaal op de schouders van de scheppers voor ons. Er is er maar een die werkelijk uit het niets (ex nihilo) kon scheppen ... Maar dan nog verwacht je een eigen gebruik van het materiaal. Dat miste ik hier een beetje. De wendingen in het plot waren goed gevonden, maar lieten me niet van verbazing naar adem happen. De conclusie van de film was niet anders dan die van heel veel eerdere verhalen. Verder vond ik dat niet al het potentieel van het uitgangspunt werd uitgebuit. Zo krijgt de hoofdpersoon iets heel schokkends te horen, wat zijn beeld op de wereld en op hemzelf doet wankelen. Ik zou dit zelf in de conclusie hebben laten terugkomen, bijvoorbeeld in een belegering die volgt tegen het eind, of in de climax. Het zou een diep schokkend, emotioneel rijk plot hebben opgeleverd.
Verder waren de karakters niet echt diep. Als kijker moet je er maar van uitgaan dat je met ze mee moet leven, maar je krijgt er weinig reden voor. Motivaties worden niet duidelijk. En de meeste dialogen zijn er om het plot uit te leggen. (En een astronaut hoeft niet uitgelegd te krijgen dat Titan een maan van Saturnus is). Als zelfs Morgan Freeman zijn karakter geen leven kan meegeven, zegt dat toch wel wat. Dit maakte dat mijn verloofde de film wel onderhoudend vond, maar geen interesse had hem nog een keer te zien. Ik denk dat ook in SF het beste plot mede wordt gedreven door de motivaties van de karakters, en niet alleen iets is dat hen overkomt, van buitenaf.
Maar wat de beelden betreft, is deze film wel degelijk bijzonder geslaagd. Net als in zijn eerdere film Tron Legacy weet de regisseur een consistente wereld te scheppen, vol kloppende details, maar toch heel anders dan de onze (hier komt het juist goed uit dat hij architect is!). Strakke interieurs en ruimteschepen worden gecombineerd met beelden van lege, ruige natuur uit IJsland. Meerdere keren hield ik mijn adem in door de pracht van de beelden op het scherm. Ik heb zelf een behoorlijk visuele verbeelding en het zou me niet verbazen als scenes in volgende verhalen van me aan deze film zouden doen denken. Alleen al voor de beelden zou ik deze film meerdere malen willen zien. De muziek is trouwens ook prima. De hele film zou als videoclip kunnen fungeren. Omdat ik visuele schoonheid ook een belangrijk criterium vind voor een film, slaat mijn oordeel uiteindelijk dus positief uit (maar niet heel ver).

Oblivion speelt zich af aan het einde van de 21e eeuw. Zestig jaar geleden arriveerden er vanuit het duister van het heelal buitenaardse wezens, die de maan vernietigden en vervolgens een vernietigingsoorlog startten. De mensheid wist de invallers ternauwernood te verslaan, maar de Aarde bleek onbewoonbaar. De overlevenden werden ge-evacueerd naar Titan, de grootste maan van Saturnus, waar misschien wel geen leven, maar wel complexe organische moleculen aanwezig zijn. Op onze planeet zijn alleen nog een paar technici achtergebleven. Ze zorgen voor de vliegende robots die de enorme energiecentrales beschermen tegen de laatste buitenaardse wezens. Jack Harper is een van deze technici. Over twee weken zullen hij en zijn partner Victoria ook naar Titan mogen vertrekken. Eindelijk. Maar zo makkelijk gaat het natuurlijk niet. Een signaal, afkomstig van de buitenaardse wezens, voert Jack naar een neergestort ruimteschip. Daar vindt hij een capsule met een slapende astronaut. Hij herkent haar. Maar dat is onmogelijk. Het ruimteschip dateert namelijk nog van voor de oorlog. Als Julia wakker is geworden, zet ze Jacks leven op zijn kop: ze vertelt hem dat ze zijn vrouw is. Vastbesloten de waarheid te achterhalen, gaat Jack op zoek naar de zwarte doos van het ruimteschip. De buitenaardse wezens zijn hem echter voor en hebben een valstrik voor hem opgezet. Ze willen hem gebruiken om eens en voor altijd de overwinning te behalen.

Als ik het thema van deze film in een woord moet samenvatten, is dat ‘medeplichtigheid’. Dit is een film over het moment dat je beseft dat je dingen hebt gedaan waar je niet achter staat, omdat een systeem of organisatie dat van je vroeg. Het instituut heeft jou gebruikt voor zijn eigen doeleinden, maar in het proces ben jij je ziel verloren. Je was voor het systeem nooit een persoon. Je bent geworden tot een instrument, een wapen. Dat is de identiteit die de organisatie je heeft gegeven. En hoe kun je daar ooit aan ontsnappen?
Ik moest (vanzelfsprekend) denken aan de Duitse bevolking die er na de tweede wereldoorlog achter kwam dat ze een rol had gespeeld bij een geïndustrialiseerde, technische volkerenmoord. Al bestond zijn medeplichtigheid alleen maar uit hun zwijgen, of hun onwetendheid. Onwetendheid is geen excuus, maar maakt je juist kwetsbaar om gebruikt te worden. We hebben het niet geweten. Mensen waren deel van het Nazi-systeem en zijn gebruikt om dat machtiger te maken en zijn vijanden te bestrijden. Nazi-duitsland is natuurlijk een makkelijk voorbeeld van een demonisch systeem (misschien te makkelijk - we denken al snel dat hetzelfde ons niet zou kunnen overkomen). Maar er is een toepassing mogelijk op alle systemen, alle instituten. Ook de goedaardige dragen deze schaduwzijde met zich mee. Bedrijven (werknemers worden gebruikt om de doelstellingen van het bedrijf te behalen (winst), ook al moeten ze daar zelf door lijden (stress)), regeringen, scholen, verenigingen, en ja: kerken. Mijn wat cynische houding ten opzichte van religieuze instituten zal voor trouwe lezers van mijn blog niet als een verrassing komen. Mocht jij toevallig een geweldige kerk bezoeken, die geen van onderstaande kenmerken vertoont, prijs je dan gelukkig en zie dit als een waarschuwing (want elk systeem kan zich deze demonische kant op ontwikkelen).
Ik noemde systemen meerdere malen ‘demonisch’ - en niet alleen vanwege het shock-effect. Organisaties en instituten zijn entiteiten op een hoger organisatieniveau van het individu. Ze hebben echter (net als het individu) eigen doelen, eigen prioriteiten, eigen verlangens, eigen motivaties. Deze zijn niet afhankelijk van het individu. Niet voor niets spreken we bijvoorbeeld van een ‘bedrijfscultuur’. Bedrijven en organisaties kunnen daarom ook in rechtszaken als ‘rechtspersoon’ worden gezien, bijvoorbeeld in zaken tegen ‘de staat Nederland’, of in bedrijfsrecht. Bedrijven nemen beslissingen, landen trekken ten oorlog, beschavingen groeien en krimpen. Volgens verschillende theologen wordt in de bijbel over dit soort hogere entiteiten gesproken als ‘de overheden en de machten’, ‘de wereldheersers’. Ze hebben een persoonlijkheid, en worden ook zo behandeld. Als de bijbel zegt dat we niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en de machten, gaat het niet om een strijd tegen duivels met horens en hoeven, maar tegen onderdrukkende systemen en instituten die mensen hun individualiteit afnemen en hen uitbuiten voor hun eigen doeleinden (de groei van een kerk, territoriumuitbreiding). De belangrijkste vraag van het systeem in deze film is: ‘Zijn jullie een effectief team?’ En zodra het antwoord daarop ‘Nee’ is, breekt de hel los. Mensen zijn alleen maar belangrijk voor hun effectiviteit, hun producitiviteit. Niet voor wie ze zijn als individu.
In het bijbelboek Daniel wordt gesproken over de Engel van het Perzische rijk, in Openbaringen hebben verschillende kerken hun eigen engel. Dit zijn dan personificaties van de persoonsoverschrijdende entiteiten. Dat dit niet zo vreemd is, weet iedereen die wel eens groepsprocessen heeft gadegeslagen, of die gelezen heeft over sociale experimenten - om bij een groep te horen zijn mensen bereid om ver over hun eigen (morele) grenzen te gaan. De systemen hebben dus een religieus aspect, vooral als ze de individuen in het systeem een bepaalde identiteit verlenen (zoals iemand die lid is van een supportersvereniging daar zijn identiteit aan ontleent, en de supportersvereniging vervolgens daar een beorep op doet, bijvoorbeeld om tegen andere supporters te vechten). In deze film krijgt de hoofdpersoon zelfs letterlijk te horen: ‘I have created you. I am your God.’ Duidelijker kun je het niet krijgen. Systemen worden tot afgoden als we onze identiteit eraan ontlenen. Als we dat doen, winnen we misschien de veiligheid van het systeem, we winnen de wereld, maar we raken onze ziel kwijt.

Maar waarom kunnen dit soort instituten zoveel macht over mensen uitoefenen? Als ze zo slecht zijn, werpen we ze toch omver? Maar dat gebeurde niet met Nazi-Duitsland, dat gebeurt niet met bedrijven en het gebeurt niet met kerken. Vaak groeien ze zelfs. Want het systeem neemt niet alleen iets weg, het geeft er natuurlijk ook iets voor terug. In deze film zien we dat terug bij Victoria, de partner van hoofdpersoon Jack. En ook hier zie ik sterke parallellen met religieuze systemen. Zo wordt Victoria een beloning in de toekomst voorgehouden. Als ze goed presteert, zal de missieleiding met haar een drankje drinken op Titan. Ze moet nu volhouden, om zo meteen te kunnen genieten. De belofte van toekomstige beloning is gekoppeld aan straf voor het niet effectief zijn. Beloning en straf zijn externe motivatoren, die mensen niet werkelijk veranderen, maar ze in feite hun vrijheid en identiteit afnemen. Dit is te zien bij Victoria die elke dag strak volhoudt dat ze in een paradijs leeft (‘another day in paradise’), in een poging zichzelf te overtuigen, zelfs als de realiteit anders is - ze wil immers niet de toekomstige beloning mislopen. Die beloning is er alleen voor hen, omdat ze zo goed functioneren. Dat maakt hen bijzonder. Het systeem heeft de wereld onderverdeeld in de ‘goeien’ en de ‘vijanden’. Over deze vijanden weet Victoria niets, behalve dat het systeem heeft gezegd dat ze een bedreiging zijn voor haar beloning. En dus hoeft ze ze ook niet te leren kennen, maar kan ze tevreden zijn met ze te bestrijden.
Hieraan gekoppeld is een angst voor ‘verontreiniging’. Niets van het aardoppervlak mag haar wereldje binnenkomen. Zelfs als Jack een bloem voor haar meeneemt, kan Victoria niets anders doen dan die weggooien. Het leidt af van hun effectiviteit. Ik meen dat ik niet overdreven cynisch ben, als ik hierbij moet denken aan de ‘verontreinigingsleer’ die we kenden in de kerk waarin in opgroeide, waar we bang waren om onrein te worden als we bijvoorbeeld in een andere kerk aan het avondmaal zaten. We ontleenden daaraan onze identiteit. Zo geldt het ook voor Victoria. Let op: ze draagt het symbool van het systeem op haar kleren, als was het een religieus symbool zoals een kruis. Ze identificeert zich met het systeem. Maar haar identiteit staat in dienst van het systeem - ze heeft de identiteit van een effectieve werker, en dus is ze voortdurend aan het werk voor het instituut. Ze heeft allerlei taken. Er is geen moment om te rusten, te ontspannen. Dat is prettig, want zo hoeft ze geen confronterende vragen onder ogen te zien.
Die vragen wil ze niet onder ogen zien. “The questions I ask, she doesn't,” verzucht Jack. “The things I wonder about, she won't.”

Wat maakt Jack verschillend? De film speelt met het idee van herinneringen die genetisch worden doorgegeven. Zo werken onze genen natuurlijk niet. Maar op een andere manier worden wel ‘herinneringen’ doorgegeven, namelijk via de kunst, via literatuur. En ook dat gebeurt in deze film. De herinneringen wekken verlangen op bij Jack. Een verlangen naar schoonheid, naar waarheid en naar intimiteit. Naar een menselijk leven. Een bestaan dat meer is dan het dienen van het systeem. Een bestaan dat om meer draait dan een toekomstige beloning. Een bestaan dat echt is. Verlangen is een interne motivatie, en eigenlijk de enige motivatie die ons vrijheid kan brengen. Als Jack dit verlangen gaat volgen, komt hij allereerst in conflict met zichzelf (in deze film zelfs letterlijk). Zijn identiteit was namelijk verweven met het systeem, het systeem had macht over hem. En hij moet dus worstelen met dat deel van zichzelf dat nog wel gelooft in de beloning die het systeem hem voorhoudt, en de dreiging van straf door het systeem als hij niet meer effectief is. Dit is de worsteling tussen de geest en het vlees, waar Paulus over spreekt in Galaten 5 ‘Want deze twee staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt’. Maar zelfs als Jack zichzelf heeft overwonnen (als hij is gestorven aan zichzelf), wil het systeem hem niet zomaar laten gaan. Als hij werkelijk vrij wil zijn, zal hij zich aan de wereld van het systeem moeten onttrekken. Nog een bijbelse verwijzing: zoals Jezus volgens Hebreeen ‘buiten de legerplaats’ ging om gekruisigd te worden. Jacks vrijheid en identiteit en het bestaan van het systeem zijn onverenigbaar. Een van de twee zal eraan moeten geloven. Om vrij te worden, moet Jack dus bereid zijn te sterven. Zo dramatisch is het voor ons vaak niet, maar het voelt wel als een stukje sterven als je het systeem achter laat en je identiteit als deel van het systeem afzweert. Het voelt als sterven om toe te geven wat je gedaan hebt als deel van het systeem, om aan anderen te belijden dat je hen pijn hebt gedaan door de meningen van het systeem over hen te verkondigen, om vergeving te vragen. Je moet bereid zijn af te gaan in de ogen van anderen. Om op te staan tegen de mensen die anderen kwaad willen doen, om hardop te schreeuwen dat de keizer geen kleren aan heeft. Dit vraagt moed, maar het is noodzakelijk. Wie werkelijk wil leven, moet bereid zijn te sterven. (Ook dit is iets wat Jezus al zei).
Dit thema wordt in de film verwoord door een citaat uit The Lays of Ancient Rome van de dichter Macauley: ‘How can man die better: than facing fearful odds, for the ashes of his fathers, and the temples of his Gods?’ Er is een ander boek dat in deze film duidelijk in beeld komt, en dat is het boek A Tale of Two Cities van Charles Dickens. Volgens mij is dat niet toevallig! Want waar gaat dit boek over? Over een systeem dat mensen hun vrijheid en hun leven ontneemt! En over iemand die bereid is te sterven, zodat iemand die heel erg op hem lijkt kan leven (de parallellen zijn wel heel duidelijk). Ik denk dat Jack hem na zou zeggen: ‘It’s a far better thing that I do, than I have ever done, It’s a far better rest that I go to, than I have ever known’.
En wat gebeurt er na deze dood (sterven aan de wereld, zoals de bijbel het noemt)? Welnu, daarop volgt de opstanding. Een leven buiten het systeem, in een wereld die gebaseerd is op schoonheid, waarheid en intimiteit. Deze film bevat daarvan een prachtig beeld, dat bij meerdere kijkers naar ik heb begrepen de tranen in de ogen bracht. Ik moest bij de paradijselijke beelden (inclusief nieuw leven) denken aan Openbaringen, dat over het nieuwe Jeruzalem zegt dat daar geen tempel meer zal zijn! (De tempel is het beeld van religieuze systemen - Jezus heeft die hun macht ontnomen, bij zijn dood, toen het gordijn voor het (lege!) heilige der heiligen van boven naar beneden scheurde. Nu zijn ze er nog wel, maar hun lege hart is blootgelegd en ooit zullen ze helemaal verdwijnen). Ook de Zon en de Maan zullen er niet meer zijn (ook dit zijn in de bijbel net als de sterren beelden van machthebbers en systemen). Het Lam zelf is hun licht, zegt de bijbel. Een lam oefent geen macht uit. Een lam is geen systeem dat anderen kan gebruiken voor zijn eigen doeleinden.
God toont zich naar ons niet als een tempel, niet als een zon, maar als een lam. God is namelijk geen systeem, geen kerk, geen organisatie. Hij wil ons niet gebruiken voor zijn eigen doeleinden. God is relatie. God is liefde. En hij nodigt ons uit om daar deel aan te hebben. Als we daaraan onze identiteit ontlenen, door ons door hem te laten liefhebben en zelf onze naasten lief te hebben, worden we pas helemaal onszelf. Waar systemen ons onze ziel ontroven, worden we allen zo werkelijk bezield. Tot deze conclusie komt ook de film: ‘If there is a soul, it is made from the love we share.'

vrijdag 12 april 2013

Filmbespreking: Extremely Loud & Incredibly Close

Het was op mijn blog de laatste tijd erg rustig wat filmbesprekingen betreft. Ik ging zo op in het schrijven van de laatste hoofdstukken van De Krakenvorst, boek 1: Keruga, dat ik daar in het weekeinde niet mee wilde stoppen. Nu heb ik de tekst echter af, en heb ik weer tijd en aandacht voor andere schrijftaken. Zoals het herschrijven van De Derde Macht. Maar ook: filmbesprekingen. Ik vind het namelijk erg leuk om mijn gedachten over films met jullie te blijven delen. Ik blijf de mening toegedaan dat verhalen een van de belangrijkste manieren zijn, zo niet de belangrijkste, waarop wij veranderen. Niet zozeer omdat ze ons denken veranderen, niet op een rationele manier, maar omdat ze beelden in ons hart vormen, beelden waaruit onze verlangens ontstaan en waar ze aan refereren, en wij maken weer keuzes op basis van die verlangens. Wie denkt zomaar elk boek te kunnen lezen en elke film te kunnen kijken, zonder dat het hem iets doet, houdt zichzelf voor de gek. Verhalen doen wel degelijk iets met je. Daarom is het belangrijk er over na te denken wat. Voor mij helpt schrijven daarbij. De komende maanden hoop ik dus weer met enige regelmaat films te bespreken op mijn blog.

De eerste is Extremely Loud & Incredibly Close, een film uit 2011. Hoofdpersoon is het elfjarige jongetje Oskar Schell, die een jaar eerder zijn vader verloor op 11 september. Zijn vader was toen net aanwezig in een van de torens van het World Trade Center. Dat zoiets enorm traumatiserend is, spreekt vanzelf. Daar komt nog bij dat Oskar een geweldige band met zijn vader had: ze begrepen elkaar, zijn vader stimuleerde hem, en bemoedigde hem. En dat was weer belangrijk omdat er niet veel mensen zijn die Oskar begrijpen. Hij is niet per se een standaard elfjarige. En dan is er ook nog een geheim dat hij sinds die bewuste dag met zich meedraagt, een geheim dat hem dreigt te verteren.
Een van de dingen die zijn vader voor Oskar deed, was speurtochten uitzetten. Als Oskar op een dag in een blauwe vaas een sleutel vindt, realiseert hij zich dat zijn vader nog een laatste opdracht voor hem had. De enige andere aanwijzing is de naam ‘Black’. Dus Oskar vat het plan op om methodisch elke ‘Black’ in New York af te gaan, op zoek naar het slot waar de sleutel op past. Dat dwingt hem ertoe zijn eigen angsten te overwinnen. En het plan brengt hem in contact met bijzondere mensen. Niet in het minst de zwijgzame huurder van zijn oma, in het gebouw tegenover dat van zijn ouders, die een eigen geheim koestert.

Mijn vriendin en ik vonden dit een mooie film en hebben er een tijdje over zitten napraten. Dit was vanwege de goede acteerprestaties, van onder andere Tom Hanks en Sandra Bullock in kleine rollen en veteraan Max von Sydow (kwetsbaar en ontroerend). Verder is het verhaal mooi gemaakt, met een paar verrassende vondsten (zo kom je als kijker informatie waarvan je aanvankelijk denkt dat die erg belangrijk is, nooit te weten) en mooie beelden. De gebeurtenissen zijn misschien te toevallig om echt gebeurd te kunnen zijn, maar dit is geen probleem als je het verhaal ziet als een fabel over het verwerken van 11 september. Maar vooral vonden we de film mooi omdat we ons allebei (om verschillende redenen) herkenden in Oskar Schell. Voor mij was het alsof ik mijzelf als tien/twaalfjarige terugzag op het scherm. Eindelijk iemand in wie ik mij kon herkennen!

Ik heb een aantal recensies van deze film gelezen op de internationale filmdatabase IMDb en een van de meest voorkomende kritieken op deze film is dat mensen het moeilijk vonden met Oskar mee te leven. Ze vonden hem een vreemd jongetje, vonden hem vervelend en onaardig, zouden hem in het echt niet willen kennen, enzovoorts ... Alleen al om deze reden gaven ze lage scores aan de film. Wat ik niet kan begrijpen - ten eerste omdat het duidt op een gebrek aan empathisch vermogen als je alleen kunt meeleven met volkomen aangepaste, populaire kinderen, en ten tweede omdat ik Oskar juist wel heel goed kon begrijpen. Maar goed, ik was als kind ook niet echt heel aangepast of populair. En ja, ik ben daarom ook gepest. Misschien wel door dezelfde types die nu deze film afkraken omdat Oskar niet normaal is.
De komende paragrafen worden behoorlijk persoonlijk. Wie niet wil lezen over mijn jeugdervaringen en een stuk zelfanalyse moet verder naar beneden scrollen, waar ik het zal hebben over een mooie religieuze parallel die ik in deze film meende te ontwaren.
Over naar het persoonlijke deel van deze filmbespreking dan maar. Volgens heel wat filmbesprekingen zou Oskar (hoog functionerend) autistisch zijn. Dat zou zijn vreemde gedrag verklaren. Maar ik denk dat dit te makkelijk is. In de film zelf zegt Oskar dat hij is getest op het syndroom van Asperger, maar dat de testuitslagen geen uitsluitsel gaven. De film zegt dus niet definitief dat hij deze ‘stoornis’ heeft. Ik denk zelf ook dat hij op sommige momenten juist heel gevoelig uit de hoek komt, op een manier die niet autistisch is te noemen. Ik las op internet bijvoorbeeld het volgende: “I know a boy in real life, about the age as the Oskar character, who has Asperger's. I have interacted with him several times, and he acts in no way like this character did in the film. He smiles politely when I meet him, says hello very stiffly and uncomfortably, and then goes to investigate the plumbing or the train schedule or this favorite subject, birds. He doesn't engage me in dramatic dialogue, berate me on moral topics, or conduct searing, soul-searching monologues at rapid-fire speed until he is out of breath and spent. He barely remembers my name each time we interact, and he has trouble showing his feelings or expressing any sense of emotion. This may be one aspect of the syndrome, but having been in contact with someone who is not a character in a movie reciting a script I can say I had a hard time accepting Oskar as having Asperger's.
Meerdere mensen hebben aan mij gevraagd of ik niet ook autistisch ben. Zelfs mijn moeder - vorige week nog. Bovendien kan ik het vaak heel goed vinden met mensen op het (hoog functionerende) autistische spectrum (en wederzijds: in mij hebben ze iemand die heel geïnteresseerd is in hun eigen interessegebied!). En ik herken vaak ook dingen van mezelf in hen. Maar ik ben behoorlijk goed in het lezen van non-verbale communicatie, en pik best goed gevoelens op van anderen. Ik heb geen gebrek aan ‘spiegelneuronen’. Toch deed ik laatst een zelf-test op autistische kenmerken. Ook bij mij was die test niet definitief, maar met mijn puntenscore zat ik in de categorie waarvan bij 86 procent uiteindelijk Asperger zou worden aangetoond (mijn score zou hoger zijn geweest zonder de vragen naar het interpreteren van lichaamstaal en het oppikken van emoties, oh, en over het lezen van fictie. Aspergers zouden daar niet van houden). In een draad op een forum waar ik de link naar de test had gevonden, las ik de interessante opmerking dat mensen die hoog scoren op de Aspergertest, vaak ook hoog scoren op de test voor HSP (Highly Sensitive Person), of hoogsensitiviteit. Ook zouden heel wat mensen met de diagnose ‘hoog functionerend autistisch’ verkeerd zijn gediagnosticeerd: ze zouden hooggevoelig zijn, en niet autistisch! Ik deed vervolgens ook de zelftest voor HSP, en wie schetst mijn verbazing: ik scoorde enorm hoog. Dat was eigenlijk geen verrassing. Ik heb jaren geleden eens het boek van Elaine M. Aron gelezen over hoogsensitiviteit, en sindsdien weet ik het al: ik ben hooggevoelig. Maar deze week besefte ik (ook na het kijken van deze film) nog eens goed wat een invloed dat in mijn leven had en nog steeds heeft. En dat ik er ook daadwerkelijk rekening mee mag houden in mijn leven en het niet hoef te overschreeuwen.
Mijn voorzichtige suggestie is dat Oskar in de film ook hoogsensitief is. Dit verklaart niet al zijn eigenschappen, maar wel veel. Veel andere dingen komen voort uit zijn diepe trauma en schuldgevoel. We zien ook een aantal echt hoogsensitieve gedragingen: zo legt Oskar soms een voorwerp tegen zijn wang om het te voelen. Hij geniet van het aanraken van dingen. (Ik streek als kind al graag met mijn vinger over mos, vooral bloeiend mos. Een van mijn eerste woordjes was: ‘mosje’). Oskar ervaart prikkels als luide geluiden, en drukke omgevingen al snel als heel overweldigend (mooi in beeld gebracht). Ik voel me in een drukke supermarkt niet op mijn gemakt, en ervaar het geluid van een opgevoerde brommer, of een sirene, als fysiek pijnlijk. De wereld overweldigt me vaak. Oskar heeft zijn eigen manier gevonden om daarmee om te gaan (een tamboerijn). Ik had ook zo mijn manieren. Oskar is aan de ene kant bang voor mensen (dat herken ik ook), en is aan de andere kant soms veel te goed van vertrouwen (same here, als kind). Hij lijkt in een eigen wereld te leven, gebruikt heel moeilijke woorden en beschikt over detaillistische kennis over allerlei onderwerpen (eh, ik hoef niet uit te leggen waarom ik mezelf daar in herken, toch?). Zijn hooggevoeligheid maakt hem kwetsbaar, maar hij is tegelijk heel moedig - mede doordat zijn vader hem stimuleert durft hij het leven toch aan te gaan. Dat ontroerde mij wel (mijn ogen werden zelfs even vochtig). Ik wou dat ik ouders had gehad die me zo goed kenden en op zo’n goede manier stimuleerden. Wie niet hoogsensitief is, begrijpt misschien niet goed waarom Oskar zo moedig is (“Dat kan iedereen toch? Daar heeft hij toch geen tamboerijn voor nodig?”), maar ik weet beter. Oskar is een held!

Genoeg over hoogsensitiviteit - ik hoop er nog vaker over te schrijven, als ik verder nadenk wat het betekent voor mijn leven. Het feit dat ik mezelf herkende in de hoofdpersoon was echter niet het enige dat de film in mijn ogen een succes maakte, ik vond het verhaal zelf ook ontroerend en zag er een mooie parallel in met de menselijke zoektocht naar God. Het is natuurlijk duidelijk dat het verhaal op een bepaald niveau een fabel is over de verwerking van 11 september - de film zegt niet alleen iets over het individuele effect van een gestorven vader, maar gaat ook breder over het effect van zulke rampen voor de mensheid. Oskar houdt op een bepaald punt in de film het volgende ‘nerdy’ betoog: Wat als de zon opeens zou verdwijnen? Het licht van de zon doet er acht minuten over om de Aarde te bereiken. Dus als de zon opeens zou verdwijnen, zouden we dat pas acht minuten later merken. Hij vergelijkt zijn vader met de zon, en zegt dat hij zoekt naar manieren om de ‘acht minuten’ langer te laten duren, om langer het gevoel te hebben dat zijn vader bij hem is, terwijl dat langzaam verdwijnt.
De vraag die mensen eigenlijk altijd stellen na een ramp als die van elf september is: “Waar was God?” Deze vraag is sinds de tweede wereldoorlog wel heel actueel geworden. ‘God na Auschwitz.’ Geconfronteerd met de gruwelijkste gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis -mensen die andere mensen met miljoenen uithongeren, martelen en vergassen, bevolkingsgroepen die worden uitgeroeid, verkrachtingen en moord, terrorisme en lijden (en natuurrampen, kernexplosies, aids en kanker)- ervaren de meeste mensen niet de aanwezigheid van God, maar juist zijn afwezigheid. Dit is trouwens van alle tijden, lees het boek Job maar. De afgelopen zeventig jaar hebben deze vraag echter wel heel acuut gemaakt. Juist op die momenten waarop we God het meest nodig hebben, wanneer ons leven op zijn grondvesten wankelt, als we behoefte hebben aan steun en troost, blijft de hemel zwijgen, en lijkt er niets anders te zijn dan ‘lucht en leegte’ (zoals Prediker al aangaf - ja, de bijbel kent deze ervaring van nutteloosheid. Er is inderdaad niets nieuws onder de zon.) De collectieve vraag die we ons stellen is: ‘Waar is God als het leven pijn doet?’ En het antwoord dringt zich op: misschien is hij er wel niet. Misschien is het heelal inderdaad leeg, is er alleen materie, is er geen God die zich om ons bekommert. Misschien is het leven inderdaad niets anders dan een nimmer aflatende strijd om het bestaan, waar de sterkste overleeft, en waar voor het individu niets anders overblijft dan te eten en te drinken, want morgen sterven wij. Dit is een nogal somber beeld op het leven, vooral voor mensen, die toch van nature betekeniszoekers zijn. Dus proberen we de ‘acht minuten’ te rekken - we zien de afgrond van leegte en betekenisloosheid onder ons opdoemen, en klampen ons aan elke strohalm vast om niet te hoeven toegeven dat we in existentieel opzicht alleen zijn.

Dit is wat Oskar doet met de sleutel die hij vindt in de vaas. Hij denkt dat dit een laatste boodschap is van zijn vader, en dus doet hij er alles aan om het slot te vinden waar de sleutel op past. Hij gunt zichzelf geen rust, maar gaat verder dan redelijk is. Hij is behoorlijk fundamentalistisch geworden waar het de sleutel betreft - er is geen tijd om bijvoorbeeld naar de film te gaan, en hij is hard tegen zijn moeder, die zijn zoektocht niet lijkt te begrijpen. Is het heel vergezocht als ik hier een parallel zie met hoe heel wat christenen omgaan met wat zij zien als de boodschap van God, de bijbel? Is de zekerheid die zij zo claimen te bezitten omtrent het woord van God niet in zeker opzicht een vergelijkbare angstreactie, ingegeven door het dreigende gevoel van Godsverlatenheid? Want ook christenen zijn niet blind, ook christenen kijken het journaal, en worden geconfronteerd met gebeurtenissen die op het eerste gezicht niet in verband te brengen zijn met een goede, almachtige God. En de psychologische reactie daarop is vaak het claimen van absolute zekerheid, een zekerheid die nergens door aan het wankelen kan worden gebracht. De bijbel moet worden verdedigd in felle discussies, waarbij de eigen interpretatie wordt gezien als absolute waarheid, en individuen die anders zijn dan de spreker worden beschadigd (denk aan discussies over homoseksualiteit onder christenen, of de rol van vrouwen in de kerk). Menzen zien de bijbel en hun theologie als het laatste bolwerk tegen de duisternis, als ook dit aan het wankelen wordt gebracht, vallen ze zelf. Fundamentalisme is een vorm van angst. Net als het opgeven van de hoop aan de andere kant dat is.
De sleutel blijkt geen boodschap van Oskars vader - en (ja, het is schokkend) net zo is de bijbel volgens mij niet Gods boodschap aan ons. Niet op de manier zoals hierboven beschreven. De bijbel is niets meer dan woorden gedrukt op papier. (Niet dat de bijbel niet waardevol is! Maar in zichzelf biedt de bijbel geen hoop - zoals inkt op papier nooit hoop kan bieden). Maar omdat Oskar zo vasthoudt aan de sleutel, omdat hij zich daar zo op fixeert, zo fundamentalistisch is, ziet hij niet dat de hoop die hij nodig heeft al lang aanwezig is. In de mensen die hij spreekt, die hem binnenlaten in hun huis, die hem opnemen in hun gezin, die voor hem bidden, hem een kraan laten besturen, die hun leven met hem delen en hem met respect behandelen. En in zijn moeder, die er bijna wanhopig op wacht dat Oskar haar binnenlaat en zijn pijn met haar deelt. Want als er iemand is die Oskars pijn kan herkennen en hem kan troosten is zij het, want zij kende immers dezelfde vader.
Oskar voelt zich losgesneden van ouderliefde, maar dat is hij niet werkelijk. Maar Oskar is niet in staat de liefde van zijn moeder te voelen, vanwege het geheim dat hij met zich meedraagt. Hij heeft iets nagelaten, iets dat hij nu al een jaar met zich meedraagt en waar hij zich enorm schuldig over voelt. Ik heb mij om veel kleinere dingen schuldig gevoeld (ja, ik heb hoogsensitief), en kon dit daarom enorm goed herkennen. Ik kon ook herkennen dat hij zich zelfs afzette tegen zijn moeder - omdat hij zich zo schuldig voelde. Dit schuldgevoel is een van de motoren achter zijn vasthoudende zoeken naar het slot. Zo werkt het met religie ook - ik weet dat een groot deel van mijn eigen moeten en behoren op religieus gebied voortkwam uit schuldgevoel. Ik dacht dat ik tekortschoot en dat ik dat kon opheffen door heel hard voor God te werken. Niet dat het schuldgevoel daar ooit door verdween, het betekende alleen dat ik nog veel harder moest werken. En de boodschappen die ik in de kerk ontving hielpen nooit dat schuldgevoel te verminderen, maar deden me alleen nog maar schuldiger voelen. Bijvoorbeeld als mensen zeiden dat ook als ik al christen was elke zonde die ik deed het lijden van Jezus aan het kruis nog zwaarder maakte. En ik werd er al elke zondag aan herinnerd dat het mijn zonden waren waarvoor hij zo had geleden. Ik was schuldig aan zijn dood en elke dag voegde ik daar door mijn zonden nog aan toe. Nee, dat is geen basis om jezelf te accepteren.

Het tragische in het verhaal is dat Oskar het gevoel had dat hij naar zijn vader toe tekort is geschoten, dat hij er niet voor zijn vader was toen die hem nodig had, terwijl het juist andersom was: zijn vader probeerde er juist te zijn voor Oskar, probeerde hem gerust te stellen, probeerde hem te zeggen dat hij van hem hield. Zo denken wij (of denk ik) ook vaak dat ik iets voor God moet doen, dat ik naar God toe tekort ben geschoten, dat God teleurgesteld in mij is. Terwijl niets verder van de waarheid kan zijn. Kijk naar de gelijkenissen die Jezus vertelt, en hoe hij omgaat met hoeren, tollenaars en melaatsen. God is niet teleurgesteld in hen of in mij. God is juist voor ons! Hij wil ons met hem verzoenen! Hij is op zoek naar ons. Wij hoeven niet iets voor hem te doen of te betekenen, Hij wil juist alles voor ons betekenen en doen. Wij hoeven hem niet lief te hebben. Hij heeft ons eerst liefgehad. En wij hebben lief, omdat Hij ons heeft liefgehad. Niet andersom! Nooit andersom! Oskars moeder houdt ook van Oskar, zelfs als hij lelijk naar haar is of haar kwetst met zijn woorden. Haar liefde voor hem verandert nooit!
Oskars instelling verandert pas als hij eerlijk is naar een van de mensen die hij ontmoet en zijn twijfels en schuldgevoel benoemt. En in een van de meest ontroerende scenes die ik de laatste tijd gezien heb, vraagt hij om vergeving. Het karakter spreekt vergeving uit. Wauw! Wat hebben we het nodig om dat te horen! Om te horen dat we vergeven zijn! Om te horen dat we er mogen zijn! Om die last van schuldgevoel kwijt te raken! We zouden dat soort dingen vaker tegen elkaar mogen zeggen! Ik geloof dat het een van de rollen van de kerk is in ons leven om die vergeving uit te spreken. Niet om ons weer lasten op te leggen, maar om Gods vergeving te communiceren. Dit karakter doet het namens de vader van Oskar, de kerk doet het namens de Vader.
En zo ontmoet Oskar zijn vader - niet via de sleutel, maar via mensen. Ik denk dat dit ook is hoe wij God blijven ontmoeten ook na Auschwitz en na 11 september.  We ontmoeten God in de personen met wie wij ons leven delen. In onze naaste. (God is altijd persoonlijk. Hij openbaart zich niet in een boek, maar in een persoon, de mens Jezus Christus. God is relationeel!) Niet voor niets zegt de bijbel dat we onze naaste moeten liefhebben, en zegt Jezus in Mattheus 25 confronterende dingen over hoe we Jezus ontmoeten als we onze naaste bezoeken, te eten geven of te drinken geven. Dit is essentieel! God is relatie (drie-eenheid) en relatie is dus een beeld van God, of zelfs goddelijk. Wie liefheeft kent God, zegt Johannes. Wie niet liefheeft kent God niet. En deze relaties, de liefde die we ervaren via mensen, is er nog steeds ook na bovengenoemde rampen. En ze vormen een teken dat de Goddelijke liefde er ook nog steeds is. Want hoe zouden mensen kunnen liefhebben, werkelijk liefhebben, in een universum dat volledig leeg zou zijn? Ook hier ligt de liefde van Oskars ouders echter uiteindelijk, ten grondslag aan de liefde die hij ervaart van de mensen die hij op zijn reis ontmoet. Oskars moeder speelt er een belangrijke rol in (hoe, dat ga ik hier niet uitleggen, je moet de film zelf maar kijken!).

En dus, als Oskar de liefde ervaren heeft van de mensen die hij ontmoet heeft, kan hij terugkeren naar zijn moeder, en accepteren dat zij al die tijd al zielsveel van hem hield. Hij keert terug en laat zich omarmen (let op: in de gedeelde ervaring van het lijden - daarin is Oskars moeder een beeld van Christus). Hij is geen wees geworden. En ook wij zijn door Jezus niet als wezen achtergelaten. De Heilige Geest, de trooster, werkt in ons, wekt liefde in ons op en doet ons elkaar liefhebben. We mogen terugkeren naar de Vader. Niet met de valse zekerheid van een fundamentalistisch vastklampen aan de ‘waarheid’, wat die ook moge zijn, maar met een openstellen voor liefde. Want, dat zegt de bijbel ook, God is helemaal geen waarheid. God is Liefde.
Elke film die me daaraan herinnert, is een goede film!