Posts tonen met het label gedicht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedicht. Alle posts tonen

donderdag 18 augustus 2016

Gedicht: Augustus

Augustus

Koude lucht streelt mijn wangen, doet
ze gloeien. Ik hap naar adem
van de schrik. Zo fris, mijn longen
zetten uit en vitaliteit 
bereikt het kleinste adertje.
Op vierkante tegels liggen 
oranje bessen als eersten 
van de oogst. Bloemen hangen en 
worden bruin. Ik zie nog
blote benen op het station
maar ook steeds meer sjaaltjes. Ik dacht 
dat het nog volop zomer was, 
lucht blauw, de bomen vol en groen.
De zon is heet zoals altijd. 
In de schaduw regeert echter
de herfst. Een nieuwe kringloop start.

donderdag 11 augustus 2016

Gedicht: College

College

Alweer een houten poort, beslagen
met donker ijzer, en door een kier 
is een binnenplaats te zien, bloemen
in het groen, gemillimeterd gras.
Daarachter de ramen, kantelen,
stroken wolken als een schilderij
en een nieuwe deur die open staat,
ons verder wenkt naar onvermoede
galerijen, stille kapellen
waar vergeten wijzen overleven
in het glas, verboden trappen naar
de bibliotheek. Professoren
kijken niet op als wij passeren.
Moet een bord ons de uitgang wijzen?
Kunnen wij niet blijven, in stilte 
dwalend tot we thuisgekomen zijn?

woensdag 10 augustus 2016

Gedicht: De Inklings

De Inklings

Ik kijk om, pijn in mijn nek:
een glimp van hemelsblauw met
oranje is snel verdwenen
achter ons, er volgt een bocht
en dan zijn we niet meer waar
onze helden schreden, maar
tussen de grijze stenen, 
naar het station. Elke stap
van de reis onafwendbaar,
voor ons bepaald. Om ons heen
drukke mensen met koffers,
telefoons, het leven dat
ik ken. Maar niet hetzelfde,
mijn hart kent nu de waarheid:
net buiten zicht dansen de
elfen en ik mag ze aan de
zoekers tonen. Net als zij.

Gedicht: Blenheim Palace

Blenheim Palace 

Na het schuifelen door hoge gangen,
kijkend over de schouders van toeristen
naar marmeren beelden, wandtapijten
met gestorven helden, gouden servies
waar niet van wordt gegeten, de boeken
achter tralies, een orgel zonder kerk,
dan af de trappen, opnieuw de rijen
in het café, een tuin maar niet de rust
om te genieten, mijn hoofd vol echo's,
mijn voeten rood geschaafd, zien we een pad
dat naar het water voert, een boothuis groen,
betonnen kade, geen ruwe stemmen
maar eenden in slaap gesust. Rimpelend
water verandert het grijs in zilver
en ik strek mijn benen uit, tevreden
zuchtend dat dit nu echte rijkdom is.

dinsdag 9 augustus 2016

Gedicht: Castlefest 2016

Castlefest 2016

Ik had me aangesloten 
-en ook mijn vrouw- bij de stoet
van mooi geklede mensen 
(ridders, elfjes, kinderen)
onder een dak van bomen
naar de poort. Nervositeit
verdween al snel. Slechts één stap
en binnen was ik. Vertrouwd
de klank van harpen, lieren,
gelach, wapengekletter.
Kramen met rijp vlees, cider,
zoete wijn en overal
verhalen. Was echt een jaar
voorbij sinds de laatste keer
dat ik hier liep? Het voelde
niet zo, de tijd verdwenen
als een droom, nog flarden slechts,
twee dagen -maanden terug- 
veel echter, alsof dit feest
is waar ik thuis kan komen,
mijn cape mij hier juist onthult.
Geen vlucht! Dat is de wereld
van prestatie, nuttigheid,
en oordeel. Hier kan ik zijn
zonder te verdwijnen 
en toch mezelf vergeten:
het gevoel van eeuwigheid.

maandag 8 augustus 2016

Gedicht: Natuurhistorisch museum

Natuurhistorisch museum

Gevat in metalen zuilen het licht
dat zich de weg laat wijzen, zich neervlijt
op de rangen glad hout, spiegelend glas,
opgesteld onder de blik van wijzen
aller eeuwen, beschaving's keur. Hun werk
wordt hier geëerd, hun strakke ordening
gelegd op wat bestaat. Witte botten,
zwarte afgietsels, prachtige veren,
reuzen waartussen kinderen rennen.
Maar het mysterie is niet te vangen
door mensenhanden, het toont haar glorie:
levenskracht uit vergeten aeonen, 
uitbottend, gepassioneerd, bestaat
over miljarden jaren, als deze schrijn
tot stof is teruggekeerd, nog steeds. Ik buig
mijn knie en fotografeer erop los.

vrijdag 5 augustus 2016

Gedicht: The Rabbit Room

The Rabbit Room

De tafel, bruin als een woud uit
vroeger tijden, na de zomer, een paar
banen licht, waar elk moment de hoorn
kan schallen van de jacht, zowel blij
als diepe ernst, wiebelt als ik
erop steun. Het voelt alsof ik
op een drempel aarzel. Ik grijp
de pul, frommel mijn gezicht bij
het bitter bier en zie hem kijken,
een wetende glimlach, zoekend
de vrienden die voorbij de grenzen
zagen van het gewone, achter
donker hout een nieuw land wisten -
een kastdeur maar bij hen vandaan.
Misschien ben ik wel een van hen?
Ik wil van wel, dus hef ik mijn glas
en over het schuim knik ik hem toe.

donderdag 4 augustus 2016

Gedicht: Oxford

Oxford

Torens van zand aaneengekoekt
waar mijn oog ook kijkt, achter muren
nieuwe kantelen, hoge ramen,
grote kerken, elke rand getooid
met krullen en wezens uit de geest
van jong gebleven zielen, zich
uitlevend met hun materiaal,
scheppen zelf hun loon, net als op
het strand emmers worden omgekeerd
op en naast elkaar, zorgvuldig
getransformeerd tot een kasteel
zonder te geven om de golven
die ooit komen. Ik hoop dat de zee
die ik zie rijzen, donker onder 
onweerswolken, zich weer terugtrekt
en het geen springvloed blijkt, maar dat
hier schoonheid boven water blijft.

donderdag 31 maart 2016

Gedicht: Tweesprong

Tweesprong

Het was een grote keuze,
dacht ik, links of rechts te gaan. 
Het ene pad leek makkelijk
maar liep dood; het andere
-smal, rotsachtig- was de weg
naar huis. Maar het scherpe grind
stak mijn voeten, de netels
brandden onbeschermde huid
en mijn reisgenoten lachten,
duwden me neer. Ik bleef het
proberen, tot ik bezweek
en wel opzij moest gaan. Ik stond
op stevige grond, ik zag
om mij dezelfde bergen,
voelde dezelfde wind en
de zon was nog even fel.
Ook dit pad is steil, klimmen
kost nog steeds veel moeite.
Maar ik word niet opgejaagd,
word niet beschimpt als ik val
of achterblijf. En voor mij
zie ik geen afgrond gapen,
maar slechts het vertrouwde licht 
dat aan de start me was beloofd.

vrijdag 19 februari 2016

Gedicht: Crocussen

Crocussen

Ze lijken wel gemaakt van plastic
-eidooiergeel en reclamepaars-
uitgestrooid over het koude gras
als afval, onbescheiden. Mijn oog 
wordt als door een magneet getrokken, 
schrikt terug. Ik kijk opnieuw, als bij
het zien van bloed, een ongeluk, 
gefascineerd, iets dat hier niet hoort
te bestaan. Bijna mismaakt wringt het
mijn kaders open. Ik slaak een zucht
De uitbarstingen van leven zijn
wat normaal is. Niet de winter.

maandag 15 februari 2016

Gedicht: Racen



Racen

Ik blijf staan hijgen, uitgeput,
mijn handen op mijn knieën.
Zij steekt, hart ratelt, mijn keel prikt,
maar hier is geen water. Je roept
me toe dat ik weer verder moet
op zere voeten, moet geven
wat ik nog aan kracht bezit,
die niet voor mezelf gebruiken
maar voor de finish gaan. Dichtbij
zou die nu zijn. Maar dat heb je
duizend keer gezegd. Een leugen
was het steeds, nooit kon ik rusten,
rondkijken waar ik mij bevond
tussen de bergen, zelf kiezen
voor een pad en dan maar kijken
waar dat voert. Wat is er voor mij
achter de eindstreep weggelegd?
Voor jou voldoening, je hebt mij
afdoende opgejaagd. Maar ik ben
opgebrand. Ja, anderen die
rennen met plezier, want dit is
waarvan zij houden. Mijn vreugde
ligt hier niet. Dus ik laat ze mij
voorbijgaan. Dan maar geen beker.
Ik les mijn dorst liever direct
knielend bij de bergbeek koel.

maandag 8 februari 2016

Gedicht: Storm

Storm

Ik stap uit de trein en aarzel
een moment. De wind wil niet 
gaan liggen. De plaagstootjes
zijn ruw geworden, hij rukt
aan mijn hoed, mijn jas, mijn haren,
sleept me mee en duwt me zodat
ik wankel. Koude regen prikt
mijn wangen. Protest is zinloos.
Zelfs 's nachts liet hij me niet alleen
maar loeide om de flat en hield
me wakker. Gaat het zo dagen,
weken, totdat mijn weerstand breekt?
Zover laat ik het niet komen!
Nee, ik recht mijn rug, rol met mijn
schouders en loop: de ene voet,
de ander volgt en zo steeds door.
Mijn doel voor ogen, net zo lang
tot ik mijn huis bereik, de deur
zich opent, ik jou weer voor me zie.

donderdag 7 januari 2016

Gedicht: Moedig

Moedig

Doen alsof je moedig bent,
dat is genoeg. Je handen
-trillend- buiten het gezicht.
Spreken door geknepen keel
wat je normaal zou zeggen.
Het zweet negeren, de pijn
wellicht niet genoeg te zijn
trotseren. Boze blikken
of bezorgde maar niet zien.

Laat je voeten je dragen
naar waar je moet zijn, ook al
wil je niet, sterf je liever
dan bloed te storten. Je zelf
groeit weer aan, stapt uit het graf
de vernieuwde wereld in.
Ziet zich met nieuwe ogen
in anderen gespiegeld,
herkent: ik was al moedig.

zaterdag 19 december 2015

Gedicht: Fractaltheologie

Fractaltheologie

Hoe komt de wereld toch zo vol
vormen allemaal verschillend,
elke leemte ingenomen,
geen optie onbenut? Leven
rijst vanuit een zee van chaos
op en ontvouwt zich als een bloem
ooit gezaaid in rijke aarde,
volgens wetten simpel. Het spel
van vrijheid en beperkingen
levert complexiteit, op elk
bestaansniveau. Zelfs geest ontstaat
uit talloze verbindingen:
in staat zichzelf te zien, schoonheid
te onderscheiden, te danken
wie de regels schreef. Een godheid,
die koos zichzelf te verbazen,
niet te heersen maar voor altijd
lief te hebben zijn gelijken
en met hen te dansen zonder
dat de muziek zich ooit herhaalt.

donderdag 10 december 2015

Gedicht: riet

Riet

Is er iets zo mooi als
de laaghangende zon
tussen de bomen door
licht schijnend, goud schenkend
aan de pluimen van het
riet, dat even, wuivend 
als een toverstokje,
een nieuwe wereld toont?

dinsdag 8 december 2015

Gedicht: Terugreis

Terugreis

Als ik de deur weer uitga
van kantoor. De regen in. 
Het donker. Gele vlammen
voor auto's uit weerspiegeld 
op nat asfalt. De wind prikt
koud in mijn gezicht. De dag
leek eindeloos. Ik ben
moe, heb trek, maar moet nog ver
reizen. Een volle trein in.
Doet het me allemaal niets.
Want thuis schijnt licht, wacht jij
tot je het slot hoort en dan
zijn we weer bijeen. Niet lang, 
een avond slechts. Maar genoeg
om mezelf te vinden, me 
schoon te wassen. Te leven.

vrijdag 4 december 2015

Gedicht: Halverwege

Halverwege

Ik heb tot de helft gespeeld,
zelfs nog na de rust. Ik deed
mijn best te overwinnen,
scoorde een keer en hield 
een doelschop tegen. Maar nu 
ben ik moe. Mijn knie doet pijn 
van een trap: een teamgenoot
haalde me neer. En toen ik
miste, werd er gescholden. 
Toch hield ik vol, mijn kaken
op elkaar. Tot nu. Het is
nog gelijkspel. Mijn passie
heeft geen verschil gemaakt
en het duurt nog lang voordat
de fluittoon klinkt. Ik kan niet
verder rennen. Ik zet me
schrap voor wat komen gaat.
Niets. Het blijkt een spel te zijn
zonder verliezers. Plezier
was het doel en achteraf
een feest, de tegenstanders
zijn ook uitgenodigd. Nu
mag ik kiezen: zit ik neer
of doe ik wat ik nog kan?

woensdag 2 december 2015

Gedicht: Windstil

Windstil

De lucht is zwart, ononderbroken
hangen wolken boven mij. De zee
toont niets dan duister als een spiegel
glad. Geen wind om mij voort te stuwen.
Ik voer uit toen het nog licht was en
ik wist waarheen ik moest gaan.
Nu lig ik stil. Ik heb mijn kompas
verloren, zie aan de horizon
geen land. Hoe kan ik ooit komen
waar ik word verwacht? Zonder opdracht
zit ik aan de riemen. Kapitein
van mijn eigen leven. Voortaan vrij
elke kant uit te reizen, zoekend
mijn bestemming, niet meer opgejaagd.
En achter mij fluistert u zachtjes:
'Het is goed.'

maandag 23 november 2015

Gedicht: Vuur

Vuur

Ik zit als een kind gehurkt,
mijn armen om mijn knieën,
zacht wiegend. Rondom zwarte
sporen, en lijnen op de
verre wanden. In mijn borst
sluimert een verwoestend vuur
dat niet meer uit mag breken
of ik brand jou, bewaker,
teken jouw huid en doe je
schreeuwen. Jouw vlammen branden
net zo fel, en ik ben rood,
mijn haar verdwenen, de pijn
haast onverdraaglijk. Toch
mag ik niet klagen, ik moet
ze in mij absorberen,
ze bij de mijne voegen
voor jouw vrijheid. Hoewel ik
zwak ben, doe ik wat jij
niet kunt. Wie is er nu bang
voor mijn kracht? Wie weet, misschien
baan ik een weg naar buiten.
Want vuur kan ook heel mooi zijn.

dinsdag 27 oktober 2015

Gedicht: Een droom (4)

Een droom (4)

We lopen samen naar beneden,
jij mijn vriend, en ook een broer van mij
-die kunnen aarden op kantoor en
niet elke nacht de slaap verliezen-
over stenen treden, laag plafond,
eindigend in een grot. Er spiegelt
water. Ik heb lang niet gedoken,
maar dat is wat we gaan doen. Ik draag
de spullen, kleed me om. Ik heb geen
snorkel bij me. Er is een stapel
waarvan ik er een neem. Een blauwe.

Ik sta aan de kant. De instructeur
controleert onze apparatuur.
Ik heb ook geen zwemvliezen zie ik.
Hoe moet ik dan omlaag gaan zwemmen
de diepte in? Jullie bijhouden?
Er is plek voor mij maar ik weiger
af te dalen. Dit is niets voor mij
al dacht ik ooit van wel. Geen schaamte
voel ik als ik weer naar boven loop.
Ik kies mijn eigen pad. Kijk, een deur!
Waar kom ik uit als ik die openduw?