Posts tonen met het label schepping. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schepping. Alle posts tonen

zaterdag 19 december 2015

Gedicht: Fractaltheologie

Fractaltheologie

Hoe komt de wereld toch zo vol
vormen allemaal verschillend,
elke leemte ingenomen,
geen optie onbenut? Leven
rijst vanuit een zee van chaos
op en ontvouwt zich als een bloem
ooit gezaaid in rijke aarde,
volgens wetten simpel. Het spel
van vrijheid en beperkingen
levert complexiteit, op elk
bestaansniveau. Zelfs geest ontstaat
uit talloze verbindingen:
in staat zichzelf te zien, schoonheid
te onderscheiden, te danken
wie de regels schreef. Een godheid,
die koos zichzelf te verbazen,
niet te heersen maar voor altijd
lief te hebben zijn gelijken
en met hen te dansen zonder
dat de muziek zich ooit herhaalt.

donderdag 4 september 2014

Gedicht: Survival of the fittest

Survival of the fittest

Waterweegbree in gelid
buigt in de bruine stroom.
Ik zie parende libellen
als juwelen dansen op
een vloer van zon en schaduw.
Rietpluimen glanzend paars.
Spin weeft unieke cirkels
met een eindeloos geduld.
Geen geluid. De rust is diep
als in een boek van Thijsse.

Maar ik moet terug naar huis
over het zwarte asfalt.
Opdringerig motorlawaai.
Mijn hand tegen het glas gedrukt.
De tuin maakt plaats voor
blokkendozen. Grijze steen
vol schreeuwerige logo's.
Gehaaste drommen mensen
voegen zich naar de vormen
in regels vast beklonken.

De wereld die wij maakten
was niet voor ons bedoeld,
maar voor wie wij dienden:
abstracte idealen, macht
en efficiëntie kil.
Die konden hier floreren.
Techniek overheerst natuur
zonder om ons te geven.
Wij wilden zelf regeren,
maar zijn toen slaaf geworden.

dinsdag 22 april 2014

Filmbespreking: Noah (1)

Ik boog mij gisteren opzij naar mijn broer, met wie ik in de bioscoop zat, en fluisterde hem toe: “Volgens mij maken atheïstische filmmakers vaak films die beter het Grote Verhaal weergeven dan die van christelijke verhalenvertellers.” In deze film geen brave huisvaders die met een enkel gebed alle problemen opgelost krijgen, geen bekeringen die iemand van het ene op het andere moment volledig veranderen, geen makkelijke morele keuzes. Wat kwaad is, wordt duidelijk getoond, en verdient ook rechtvaardige woede. Maar dat uiteindelijk genade het laatste woord heeft, hoewel niemand het meer verwacht of er recht op kan laten gelden, is net zo onmiskenbaar. In mijn optiek is dit ook de boodschap van het verhaal uit de Bijbel.

Ik vind het zelf niet altijd makkelijk hoe ik moet omgaan met de eerste hoofdstukken van Genesis. Ik heb toen deze blog nog jong was een serie artikelen geplaatst over mijn keuze om het jonge aarde creationisme wat ik in de kerk geleerd had af te zweren, en een langere ontstaansgeschiedenis van het heelal, het leven op Aarde en de mens te accepteren, waarbij het fenomeen van natuurlijke selectie als mechanisme heel aannemelijk is (links naar deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5). Lezers van mijn blog zullen begrijpen dat ik daarmee niet mijn geloof in God overboord heb gezet. Volstrekt niet. Ik geloof nog steeds dat niet alleen de Aarde en al het leven daarop alleen bestaat omdat God het zo gewild heeft, maar ook dat ik als het individu Johan door God gewild en bedoeld ben. Maar zoals ik ben ontstaan door het toevallige samensmelten van een eicel en een zaadcel, en daarna via talloze tussenstadia, beïnvloed door allerlei lichaamsprocessen, van microscopisch wezentje tot baby opgroeide, en toch door God bedoeld was, zo is de schepping het product van een miljarden jaren lang proces, dat door wetenschappers kan worden bestudeerd en beschreven, waarbij toeval de oorzakelijke factor lijkt, maar is ze toch door God bedoeld. God is namelijk een God van processen, van ontwikkeling, van groei. De God in wie ik geloof is niet kleiner geworden, maar groter. En ik heb mijn plezier in de wetenschap en het menselijke waarnemingsvermogen teruggevonden. Ook niet onbelangrijk.
Er zijn echter nog heel wat vragen waar ik geen antwoord op heb, onder andere hoe ik de eerste hoofdstukken van Genesis precies moet lezen. Was er een enkele mens Adam, die apart werd gezet? Was Adam een vertegenwoordiger van de toenmalige mensen? Is het verhaal symbolisch in plaats van letterlijk? Is het een mythe? Net zo het verhaal van de zondvloed. Ik denk dat de genetische diversiteit van het leven op Aarde en het ontbreken van geologische aanwijzingen het onmogelijk maken geloof te hechten aan een totale uitroeiing van het op land gebaseerde leven op Aarde. En het in het verhaal beschreven wereldbeeld van het oude Midden-Oosten, van een waterige hemelkoepel en een door zuilen ondersteunde aarde, is wetenschappelijk gezien ook niet meer houdbaar. Maar er zijn suggesties van lokale overstromingen. Een snelle stijging van de zeespiegel na de laatste ijstijd, het volstromen van de Zwarte Zee waar het water ooit lager stond dan in de Middellandse Zee, een meteorietinslag waardoor vloedgolven zouden zijn ontstaan. Zou er een Noach zijn geweest die op een schip zo’n overstroming overleefde? Er wordt wel eens gewezen op de talloze zondvloedverhalen in culturen van over de hele wereld, verhalen waarin een mens op een boot de toorn van de goden overleeft. Bewijst dat niet dat er een kern van waarheid in het verhaal zit? Mijn inziens niet, want veel mythen ontstaan om kenmerken van de werkelijkheid betekenis te geven. Kenmerken zoals de fossielen van zeedieren (schelpen, vissen et cetera) die op elk continent worden gevonden, zelfs tot hoog in de bergen. Niet verwonderlijk als bijna elke aardlaag gevormd is uit sedimenten in water. Dat mensen overal deze fossielen vonden suggereerde vanzelf een wereldwijde vloed. En andere opmerkelijke fenomenen als een regenboog pasten er mooi in.
Ik denk dat alle volken rond Israël dit soort verhalen vertelden, en dat ook de stammen van Israël een zondvloedmythe ontwikkelden in navolging daarvan. Maar het verhaal dat de zonen van Jakob vertelden was heel anders dan dat van de omliggende volken, en dat is hoe ik naar het zondvloedverhaal wil kijken. Het gaat me dan niet om de inhoud van het verhaal (want dat is gelijk aan de verhalen die alle volken al vertellen), maar om de interpretatie die daarvan wordt gegeven, en wat dat zegt over de God waarin het volk Israël geloofde. Net zoals het scheppingsverhaal uit Genesis erg lijkt op andere oorsprongsverhalen, maar door de verschillen heel duidelijk maakt dat de God van Israël totaal anders met de mensheid omgaat als de goden van de volken dat doen, zo geldt dat ook voor het zondvloedverhaal. De verhalen van de omliggende volken zijn heldenverhalen. De goden besluiten de aarde te vernietigen (vooral omdat ze ze zich bedreigd voelen door de ondernemingszucht van de mensen), maar uit de mensen staat een held op die zo slim is een boot te bouwen en daarmee zichzelf te redden. Hij krijgt het voor elkaar de goden de moed te laten opgeven. Er is niets dat voor de mens niet mogelijk is. Het komt ook voor in andere verhalen dat de goden boos zijn, en dat een paar mensen het verdiend hebben te overleven.
Het verhaal dat de bijbel vertelt is echter heel anders. Het begint met het beeld van de boze god dat de omliggende volken ook hebben, een god die op onrecht alleen maar kan reageren door het te straffen, maar het vormt dit verhaal welhaast alchemistisch om, zodat wat bij de hoorder overblijft niet angst is voor God, maar vertrouwen in zijn genade. Want anders dan de verhalen van de omliggende volken heeft God in dit verhaal berouw, en belooft hij de wereld niet meer door water te laten vergaan (ook al zouden de mensen net zo goed slechte dingen doen als voor de zondvloed), en als teken daarvan hing hij zijn boog op in de hemel (als een jager, die zijn boog ophangt). God legt zijn wapens neer, en richt de pijl liever op zichzelf (in Christus), dan zijn wraakzucht voort te zetten. Het is in dit verhaal niet de slimheid of de goedheid van de mens die de overhand haalt, maar de genade van God. Dit is waarom dit verhaal in de bijbel staat. Het subverteert de verhalen van de omgeving, en maakt er een verhaal van waarin niet de mens de held is, maar God. En iedereen die dit verhaal hoorde, in plaats van het concurrerende verhaal uit de omgeving, bleef achter met ontzag voor God en dankbaarheid voor het verbond dat stelde dat genade altijd het laatste woord zou hebben.
Op deze manier gelezen, vind ik het zondvloedverhaal prachtig. En het is deze boodschap die ik terugzag in de bioscoopfilm Noah. De film brengt het verhaal uit de kinderbijbel terug in de mythische sfeer, waar het thuishoort. Een oorsprongsverhaal, vol rijke beelden, dat iets zegt over het karakter van God en hoe hij omgaat met de mens. De film laat de hoofdstukken uit Genesis weer spreken als verhaal.

Noah is een film die meerdere keren kijken beloont. De eerste keer meende ik nog dat bepaalde plotelementen niet genoeg waren uitgewerkt om emotionele betrokkenheid te verkrijgen, maar bij de tweede keer leefde ik mee met de morele beslissingen van Noach, en bleken die een sterke rode draad, die me alle betrokkenheid gaven die ik wenste. Verder is de film tot de nok toe volgestouwd met symboliek. Ik waardeerde de manier waarop het scheppingsverhaal van genesis 1 wordt geïllustreerd met beelden die een langere ontstaansduur van de schepping suggereren, mooi dat de spanning tussen schepping en evolutie zo wordt weggenomen! Russell Crowe speelt een sterke, maar getroebleerde Noach en Emma Watson (bekend uit Harry Potter) voor mij verrassend effectief en aandoenlijk zijn adoptiedochter. Anthony Hopkins is briljant gecast als Methusalem. Ik vond de acteur die Sem speelde wat vlak. De muziek is mooi en meeslepend. De effecten zijn indrukwekkend. De wereld lijkt een postapocalyptische vlakte, en als de storm losbreekt is dat overweldigend. Ik had de ernst van een overspoelde aarde nog wat duidelijker willen zien, maar de kreten van buiten de ark zeggen ook al genoeg. De Wachters vond ik een mooie uitvinding in het verhaal. Deze ent-achtige wezens geven in zichzelf al een mythologische sfeer, en hun verhaal van zonde en verlossing zijn een mooie parallel met wat Noach doormaakt. Als Noach hun lot beter had bestudeerd, had hij waarschijnlijk andere keuzes gemaakt in het slot van de film.
In deze film staat Noach namelijk voor een paar moeilijke beslissingen. Het begint ermee dat hij in visioenen ziet dat de Schepper de mensheid zal vernietigen. Het blijkt zijn opdracht de onschuldigen te redden in een boot. Hij is echter niet de enige die weet dat de beschaving gedoemd is te verdwijnen en al snel dienen zich Tubal-Kain (een smid, mooie verwijzing) en zijn volgelingen aan. Zij eisen een plek op de ark, maar Noach kan die niet geven. Hij realiseert zich bovendien dat het kwaad dat hij ziet in deze nakomelingen van Kain zich ook bevindt in zijn hart en in zijn gezin. Hij besluit dat de mensheid maar beter helemaal kan verdwijnen. Die beslissing wordt echter op de proef gesteld als zijn onvruchtbare adoptiedochter aan boord van de ark toch zwanger blijkt te zijn. Bovendien koestert Ham duistere gedachten, naar aanleiding van een onrecht dat zijn vader hem heeft aangedaan. De sfeer aan boord van het schip wordt zo mogelijk nog grimmiger.

In de volgende aflevering een analyse van de thema’s van de film.

zondag 9 maart 2014

Gedicht: Gods gezicht

Gods gezicht

Als God is te zien
in witte bloesem
als breekbaar porselein
in de lentezon.
Als God zich bevindt
in vrolijke muziek,
de hoge noten,
piano en trombone.
Als Hij schuilgaat
achter het kirren
van de baby voor mij
in de kerkbank.
Als cheesecake hem aan
de zintuigen aanbiedt.
Als dansers aanbidden
wie sterren beweegt.
Dan moet Hij goed zijn
en toont zijn gezicht
een glimlach die blijft
tot in de eeuwigheid.

zondag 12 januari 2014

Het sacrament en jij (4): Verrast door schoonheid

In december nodigden vrienden van ons mijn vrouw en mij uit om samen met hen en hun kinderen een Lord of the Rings-marathon te houden. Drie films, in de ‘extended edition’, in twee dagen: beginnen op de vrijdagavond, en dan doorkijken tot zaterdag. En tussendoor veel eten, slapen en praten. Die verleiding konden wij natuurlijk niet weerstaan, en zo zaten we onderuit op de bank, met een schaal M&M’s, te kijken naar deze epische films, die tien jaar na dato nog niks van hun zeggingskracht hebben verloren. Ik werd er zelf in elk geval opnieuw door geraakt. Neem bijvoorbeeld de scene waarin Sam en Frodo na veel omzwervingen de Doemberg bereikt hebben. Frodo is echter te moe om verder te gaan. Om hem te motiveren haalt Sam herinneringen op aan de Gouw, aan de smaak van aardbeien en aan muziek. Maar zijn voorbeelden spreken Frodo niet langer aan. Ze wekken zijn verlangen niet meer op. “No, Sam. I can't recall the taste of food...”, moet hij toegeven. “Nor the sound of water... nor the touch of grass. I'm naked in the dark, with nothing, no veil... between me and the wheel of fire! I can see him... with my waking eyes!”
Als kijker snappen we dat dit het effect moet zijn van de ring van macht, die Frodo al drie films lang met zich meezeult. De ring van macht, die de drager ervan ook naar macht doet verlangen, op een verslavende manier. Dit heeft een vervormend effect op de persoonlijkheid, zien we bij het karakter Gollum. Maar het heeft kennelijk ook een vervormend effect op hoe iemand de wereld ziet. Frodo kan, nemen we aan, met zijn ogen nog wel de werkelijkheid waarnemen: hij is niet opeens kleurenblind geworden, en is niet opeens zijn reukvermogen kwijtgeraakt. Wat veranderd is, is de betekenis die deze werkelijkheid voor hem heeft. Hij ziet alles alleen nog maar in de termen van de ring, in de termen van macht: geeft het hem meer macht, of bedreigt het zijn macht? In die termen is hij zelfs zijn vriend Sam gaan zien! Het is een betekenis die hij zelf aan de dingen geeft, niet iets wat ze uit zichzelf hebben. En daardoor wordt de wereld grauw, kleurloos, levenloos. Want verlangen naar het goede, naar schoonheid, naar liefde, staat het machtsverlangen alleen maar in de weg. Frodo kan nergens meer van genieten. Want dan zou hij zich niet meer van zichzelf bewust zijn, en dat staat de ring niet toe. Hij is zich dus alleen nog maar bewust van de macht, van de ring.
Hoe anders is dan een karakter als Sam, die juist wel verlangt naar aardbeien met room, naar het groene gras en de lachende kinderen, naar ‘Rosie Cotton dancing, with ribbons in her hair’. De schoonheid, de waarheid en de intimiteit die hij waarneemt, roepen uit zichzelf een reactie op in zijn hart. Hij ziet nog wel datgene wat inherent goed en betekenisvol is aan de wereld om hem heen, onafhankelijk van hemzelf. Hij ziet nog wel dat de wereld het waard is ervoor te strijden, jezelf ervoor op te offeren. En hoewel hij de ring zelf niet kan dragen, kan hij wel Frodo op zijn schouders nemen en tegen de Doemberg opklimmen. Niet voor niets is Sam voor veel mensen het favoriete karakter uit de films (en de boeken). Waar Frodo een schaduw van zichzelf is geworden (hij is op weg een ringgeest te zijn), laat Sam juist zien dat hij werkelijk zichzelf is, een gepassioneerd, liefhebbend peroon ...

Een van de belangrijkste vragen in de filosofie is naar ik heb begrepen, die waarom er iets is en niet niets. Waarom bestaat er eigenlijk iets, als er net zo goed niets had kunnen bestaan? In populairwetenschappelijke artikelen lees ik wel over ‘quantumfluctuaties’, waarbij schijnbaar in een volkomen vacuum spontaan deeltjes ontstaan. Maar zelfs als dit bewezen kan worden, verklaart het nog steeds niet het waarom. Ook voor christenen is het een relevante vraag. Vooral omdat God door niets en niemand gedwongen was om ook maar iets te maken. Er was geen wet die het hem zei, geen verplichting. Maar als je luistert naar hoe sommige christenen over de schepping praten, is het moeilijk voor te stellen waarom God energie in het scheppingsproces zou hebben gestoken. De wereld heeft voor Hem toch immers geen enkele waarde? Schoonheid leidt de zintuigen toch alleen maar af van het geestelijke? De wereld zal toch in vlammen vergaan, en er zal toch niets van overblijven? Je begrijpt opeens waarom de gnostici geloofden in een demiurg, want God kon zijn handen toch niet vies maken met zoiets vuigs als materie, als bestaan? Toch zijn we er, en is de wereld er, in al zijn complexiteit. Van het prachtige mechanisme in de binnenkant van de cel (waar wetenschappers als Cees Dekker lyrisch over schrijven), tot galactische fenomenen, quasars, neutronensterren en planeten om andere sterren, zo ver dat we er nooit met een ruimteschip tot door zullen kunnen dringen. We leven in een wereld die bestaat in overvloed. En God zei erover: ‘Het is goed!’, hij zag zelfs dat het zeer goed was. Zo goed dat hij zelf in de avondkoelte in de tuin wandelde om ervan te genieten. God is zelf inderdaad geen materieel wezen in de zin zoals wij het woord gebruiken (al kan hij kennelijk wel een interactie aangaan met de materie. Hij is denk ik niet immaterieel, maar bovenmaterieel). Maar dat betekent niet dat hij de materie die hij geschapen heeft minacht. Ik sta zelf ook als levend wezen in de scheppingsorde op een positie boven dood papier. Toch behandel ik de verhalen die ik op papier heb geschreven zorgvuldig, en heb ik groot verdriet als ik een pagina kwijtraak, of een manuscript bezoedeld raakt. Het feit dat ik deze schriften heb volgeschreven, maakt ze voor mij waardevol. Zelfs als ik nu kan zien dat er schrijffouten en onvolkomenheden in staan. Net zo is de goedheid van de geschapen werkelijkheid zelf nooit veranderd, ook niet door wat wij zo makkelijk de ‘zondeval’ noemen. Toen veranderde misschien de gerichtheid van sommige processen, maar materie bleef materie, leven bleef leven, mens bleef mens, en onverminderd Gods creatie waarover hij had gezegd dat hij goed was. Daarom vindt Jacobus het ook zo erg als wij met de tong andere mensen vervloeken - ook de ‘slechte’ mensen - omdat ze naar het beeld van God geschapen zijn (Jakobus 3:9).

Materie is dus belangrijk, ook voor God. Volgens mij omdat alleen door middel van materie en energie (de geschapen werkelijkheid) schoonheid, waarheid (avontuur) en intimiteit gekend kunnen worden. Ik las hierover een mooi citaat van de elfde-eeuwse benedictijnse monnik Guido van Arezzo waarin hij de aangename werking prijst van versierde gregoriaanse muziek: ‘Het wekt geen verbazing dat een rijkdom aan tonen het gehoor vergenoegd, zoals een rijkdom aan kleuren het oog streelt, een rijkdom aan geuren een weldaad is voor de neus en een afwisseling in smaak de tong blij maakt. Zo dringt namelijk door de vensters van het lichaam de liefelijkheid van aangename dingen diep in het hart door.’
De liefelijkheid van aangename dingen is waar het om gaat. Schoonheid is een eigenschap van materie. Er is materie voor nodig die mooi is, en materie (ogen) die haar kunnen waarnemen. Schoonheid is niet iets abstracts. Een abstract begrip kan wel mooi zijn, maar zelfs dan moet het worden uitgelegd, het moet in woorden gevangen zijn, zichtbaar worden. Maar vooral moet schoonheid zich buiten ons bevinden, geen hersenschim zijn of slechts verbeelding. Net zo geldt het voor de waarheid. Die moet concreet zijn. Om ons verlangen naar betekenis te vervullen, naar avontuur, moet de waarheid zich buiten ons bevinden en onwankelbaar zijn. We moeten ons ermee kunnen meten, de waarheid moet effect op ons kunnen hebben. En ook intimiteit kan alleen bestaan tussen van elkaar gescheiden wezens, die elk zichzelf zijn. Je kunt alleen een relatie hebben met iets dan niet jouzelf is. De ander moet op zichzelf staan. Vorm hebben gekregen, zodat je de ander kunt kennen. De ander moet te onderscheiden zijn van alle anderen, uniek zijn. En je communicatie met de ander moet uniek zijn. Dat kan alleen in de vorm van materie. De katholieke filosoof Peter Kreeft zegt het zo: “Spirits are the meeters, but matter is the street corner where they meet. Angels are much better than we at intelligence, will and power, but they cannot smell flowers or weep over a chopin nocturne ... God invented the senses to reveal the unique and irreplaceable tang of the particular to consciousness.” God vindt eigenheid belangrijk, uniciteit, voorwerpen en wezens die eigen zijn, die zichzelf zijn. Daarom is er geen cel hetzelfde, daarom is er geen sterrenstelsel identiek, en daarom zijn er geen ‘dubbelgangers‘ aan te wijzen onder de mensen. God is als een kunstenaar die oneindig veel verschillende werken maakt, en die verscheidenheid is alleen mogelijk in het concrete en niet in het abstracte.  

Er is nog een andere overeenkomst tussen God en kunstenaars. In de verhalen die ik heb geschreven, is iets van mijzelf zichtbaar geworden. Ik heb mijn hart erin gelegd en wie de manuscripten uit de kast pakt en ze leest, leert mij beter kennen. Je zou kunnen zeggen dat mijn creativiteit en iets van mijn karakter en overtuigingen in die verhalen voor anderen openbaar zijn geworden. Wie mijn verhalen heeft gelezen, heeft mij gezien. En in zekere zin ben ik ook zelf aanwezig in mijn verhalen, door mijn verhalen spreek ik zelf tot mensen. Ze zijn dus een sacrament geworden. Net zo, en nog veel meer, maakt Gods schepping hem zichtbaar. Als kunstenaar spreekt hij door zijn schepping. En omdat hij zijn schepping onderhoudt ‘door het woord van zijn kracht’, blijft hij voortdurend spreken. Omdat hij de aarde om de zon doet draaien en de druppel uit de wolk doet vallen, wordt hij voortdurend zichtbaar. Wie naar de materiële werkelijkheid kijkt, ziet hem, actief. Het onzichtbare wordt zichtbaar. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er sprake is van incarnatie - overal om ons heen is God de drijvende kracht achter het bestaan. Vleeswording is niet een geïsoleerde gebeurtenis die plaats vond toen Jezus de werkelijkheid binnenkwam - Jezus’ vleeswording was zelf een sacrament van wat God altijd al deed, en altijd zal blijven doen: zijn geest inademen in zijn schepping en haar leven, adem en alles geven.
Het zal direct duidelijk zijn dat dit geen wetenschappelijke uitspraken zijn, en dat het bestaan van virussen, parasieten en supernova’s geen openbaringen zijn over Gods karakter. Het vleeswordingsproces is nog niet afgelopen. Er zijn ontwikkelingen aan de gang. De complexiteit neemt toe. Organismen ontwikkelen intelligentie. Er ontstaan samenlevingen. Er ontstaan wezens die elkaar kunnen liefhebben. Wezens die moraliteit ontdekken en anderen en de schepping met respect behandelen. Er is een lijn, die uiteindelijk zal leiden tot de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. In die werkelijkheid zal de bedekking zijn weggenomen. Wij die nu nog door een spiegel zagen, in raadselen, zullen dan kennen zoals we zelf gekend zijn. God zal volledig zichtbaar zijn, en sacramenten als de tempel en het offer zullen niet meer nodig zijn. Maar tot die tijd wordt God zichtbaar in dat proces van groeiende liefde. Zelfs aan het toenemen van liefde zou je kunnen twijfelen, maar zie dan dat God zichtbaar wordt in het feit van het bestaan alleen al. In het simpele feit dat er iets is, in plaats van niets. En dat dit iets waardevol is, puur en alleen omdat het bestaat. God heeft het ten aanschijn geroepen. God heeft gezegd dat het er moest zijn en het was er. God heeft het betekenis gegeven. God heeft het lief. Want dat is liefhebben: betekenis aan iets of iemand verlenen. Alleen al in het feit dat wij bestaan en dat het heelal bestaat zien we dat God liefde is. Dat hij vreugde is. Dat hij geniet van het creeren. Daarom schrijft Peter Kreeft: ‘Joy bubbles and brims at the heart of God, the heart of reality. God is an overflowing fountain of joy, a million burning suns of joy, a joy that could uttlerly break our hearts if we touched even a drop of it at its source ... He IS the joy that DOES break our hearts with hope and longing whenever we catch a taste of it in human love or see the shadows of it in thee beauties of nature or hear the remote echoes of it in great music’ (Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask).
Wat we ontmoeten in de schoonheid, in de waarheid en in de intimiteit van de geschapen werkelijkheid, is God zelf. Je ziet God als je op het balkon van je flat staat en je ziet de zon opkomen. Als je langs de sloot loopt en je ziet een kikker wegspringen. Als je in de ogen van je geliefde kijkt. Maar ook als je een witte plastic tas ziet dansen op de wind (als in de film American Beauty, zie mijn recensie). Als je op een bergtop staat en zeker weet dat er een God moet zijn. En dat hij goed moet zijn, want waarom zou je anders zulke schoonheid, zulk avontuur, zulke liefde maken dan uit overvloedige liefde? Ja, de wereld is besmeurd door onze transactionele keuzes. We buiten de wereld uit, kappen bossen, vervuilen zeeën. En volgens de bijbel zijn er ook onpersoonlijke transactionele machten, die leiden tot ziekte, hongersnoden, parasieten. Maar ze veranderen niets aan de goedheid van de materie. We ervaren ze niet voor niets als verstorend, als binnendringers, als verbasteringen. Tolkien zei al dat het kwaad niets zelf kan scheppen, maar het alleen maar kan vervormen. Wat we daarom in de vervorming van het kwaad kunnen zien, is hoe mooi de werkelijkheid bedoeld was. Ik moet als ik hierover schrijf denken aan het gedicht ‘God’s grandeur’, van Gerard Manley Hopkins:

‘The world is charged with the grandeur of God.
  It will flame out, like shining from shook foil;
  It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?
Generations have trod, have trod, have trod;       
  And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
  And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.

And for all this, nature is never spent;
  There lives the dearest freshness deep down things
And though the last lights off the black West went
Oh, morning, at the brown brink eastward, springs—
Because the Holy Ghost over the bent
  World broods with warm breast and with ah! bright wings.’

Ik zie hierin (het broeden van de heilige Geest over de wereld) een beschrijving van de sacramentele werkelijkheid die in de materie zichtbaar wordt, zelfs te midden van transactionele mensen die die glorie niet zien of zelfs door te kopen en verkopen besmeuren. Deze glorieuze wereld is onze woning. We zijn gemaakt om te leven te midden van alle schoonheid, alle waarheid, alle intimiteit, die zich via de materie aan ons openbaart en ons Gods hart doet zien. En daardoor worden we gevormd. We bestaan immers niet op onszelf. We bestaan bij gratie van onze omgeving. We worden gedefinieerd door de interacties die we hebben met schoonheid, waarheid en identiteit. Mens zijn is deel zijn van een ecologie, van een samenleving, van relaties.
Wie deze niet waardeert, of ze bezoedelt of verkoopt is een slecht mens. Wie ze beschermt, najaagt, deelt met anderen is een goed mens. Maar deze interacties vormen ons ook. Nog sterker gezegd: ze scheppen ons. We hebben van onszelf niet door hoe weinig invloed we zelf hebben op wie we zijn geworden. Ons gezin heeft grote invloed gehad, de school waarop we les kregen, de stad waarin we woonden, de cultuur waarin we leefden. Zelfs het feit dat we tussen mensen leefden was nodig om ons mensen te maken. Ik hoorde via een vriend over de zogenoemde wolfskinderen. Kinderen die als baby of peuter in de natuur zijn achtergelaten, en zijn geadopteerd door bijvoorbeeld wolven, denk aan Mowgli. Zij zijn in hun gedrag en communicatie ‘wolf’ geworden. Als ze door mensen worden opgenomen lukt het ze misschien een paar woorden te leren, maar hele zinnen kunnen ze niet meer maken, en ze blijven vaak onzindelijk. Dit geldt ook voor verwaarloosde kinderen, die in een kelder zijn opgegroeid zonder dat iemand tegen ze sprak. Ze kunnen niet spreken, ze kunnen geen deel meer worden van de menselijke wereld. Ze zien eruit als mensen, maar ze zijn geen mensen geworden. Om de potentie die in ons ligt te verwezenlijken, moeten we dus in relatie staan met de wereld om ons heen, met andere mensen, andere zielen. Ons zelf wordt door die dingen in ons opgewekt. Want wij zijn ons verlangen, ons verlangen is wat ons voortdrijft, en dat moet ergens vandaan komen. Peter Kreeft zegt het zo: ‘Only in relationship to others do we BECOME human selves, that is: lovers.’ (Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask). We zijn naar het beeld van God geschapen. God is liefde. Wij zijn dus ook geschapen om lief te hebben. Dat is wie we zijn. En daarom wordt dat zelf opgewekt door datgene wat het waard is liefgehad te worden, door het mooie, het ware, het liefdevolle. Door dat waarin God zichtbaar wordt.

In de Lord of the Rings-filmmarathon kwam een scene voorbij die me hieraan deed denken, namelijk in de eerste film, als het reisgezelschap het elfenland Lothlorien verlaat om verder te reizen naar de Doemberg. Iedereen krijgt dan van mooie elfenkoningin Galadriel een geschenk. De een krijgt een boog, de ander een mes, de ander elfentouw. Dan komt Galadriel aan bij de dwerg Gimli. Tussen dwergen en elfen heeft altijd wantrouwen bestaan, en Gimli voelde zich beledigd toen hij door de dwergen gevangen werd genomen. Maar toen zag hij Galadriel. Hij is een andere dwerg geworden. Daarom vraagt hij van haar om een van de haren van haar gouden hoofd. Zodat hij altijd iets zou hebben dat hem herinnert aan de schoonheid van de elfenkoningin. “Ik noem niets anders meer mooi”, zegt hij. En hij verzucht: “Ze gaf me er zelfs drie.” Gimli is een elfenvriend geworden en trekt uiteindelijk zelfs met Legolas over de zee naar het westen.
Tolkien was katholiek, en in Galadriel heeft hij iets van het Katholieke denken over Maria opgenomen. En ik realiseerde me dat hier een kern van waarheid in zit. Namelijk dat wat Katholieken in mijn beleving eigenlijk zeggen met hun leer over Maria, is dat wij daadwerkelijk mogen verlangen naar het goede en schone uit de schepping (Maria is immers geschapen. Galadriel ook). Dat de schoonheid die wij zien in een vrouw of man, in een schilderij, in de natuur, en die ons hart beroert, ons niet van God afleidt, maar ons juist naar hem toevoert. Dat de liefde die ze in ons oproept, ten diepste liefde is voor God. Want hij is het die in die dingen zichtbaar wordt.

vrijdag 19 juli 2013

Gedicht: De wereld roept

De wereld roept

De wereld roept,
met miljoenen
stemmen luid,
mij uit mezelf,
de ogen open,
wijd gesperd,
door er te zijn.
Niet afgezaagd
maar elke morgen
nieuw. Wind waait
waarheen hij wil.
Maar ook niet hip
en volgt geen trends,
bestaat gewoon,
dringt zich niet op,
nodigt kwetsbaar
uit. Ik ben
geen machine
maar mens en leef
in dit heelal,
zelf geschapen,
en zie de hand
die maakt en wenkt.
Ik kom tot rust,
wacht als de bloem,
de vogels af
het Koninkrijk.

donderdag 18 juli 2013

Gedicht: What's in a name?

What's in a name?

De stem die zei: Ik schep
Licht, land en zee
En kruipend dier.
Gewoon omdat het kon
En Hij ze wilde zien,
Heeft ook mijn naam gesproken
En ik ben.

Niet omdat het moet,
Een kosmisch puzzelstuk
Een dienaar voor een taak,
Maar omdat Hij mij wilde
Kennen. En het was goed.
Hij noemt mijn naam nog steeds:
Zijn troetelkind.

Zijn innerlijk bewogen
Denkt hij aan mij. Omfloerst
Zijn stem die roept
En fluistert in het duister,
Waar ik ben heen gedwaald.
Verdoofd door eigen namen.
Niet mezelf.

Gevlucht of weggejaagd
Tot in de verre streken
Van distels en van zweet
Volgt mij de klank. Hij blijft
Mij vriendelijk verzoeken
Naar anderen niet te luisteren.
Alleen naar Hem.

En zelfs al komt het eind
Voor zon en maan. Wint entropie.
Hij zal mij niet vergeten.
Door koude nacht volg ik
Het laatste licht naar huis,
En word wie hij bedoelde.
Echt Johan.

donderdag 4 juli 2013

Gedicht: Adem

Adem

Niets is ooit alleen een hond,
een huis, een mens.
Maar vader, kind
of echtgenoot.
Het oog schept wat het ziet.
De werkelijkheid
door liefde uit het niets geroepen,
krijgt vorm, wordt tastbaar,
levensecht.
De huls krijgt inhoud
ingeblazen
en blijft bestaan
zolang de liefde leeft.

(Geïnspireerd door de film 'Finding Neverland')

donderdag 16 februari 2012

Links: Del Toro, Europa, muziekvideo, kameleons, genadeweek op Internetmonk, schepping en evolutie

Een van mijn favoriete filmmakers, Guillermo Del Toro, met een rijke visuele verbeelding gekoppeld aan een goed gevoel voor het vertellen van verhalen, gaat een nieuwe versie maken van het mooie sprookje Beauty and the Beast. Dat wordt waarschijnlijk (met een beest dat ook echt een beest is, vermoed ik, afgaande op zijn eerdere werk).

Een science fiction-film over een team onderzoekers op weg naar Jupitermaan Europa om daar te zoeken naar mogelijk leven onder het ijs. Die moet ik kijken als hij uitkomt! Het idee van leven op Europa heeft mij altijd geboeid (sinds Arthur C. Clarkes 2010 The Year We Make Contact in elk geval).

Prachtige muziekvideo van OK Go. Deze moet je zien om te kunnen geloven. Heel erg creatief!

Hoewel baby's niet kunnen praten, begrijpen ze vanaf een leeftijd van zes maanden al wat je zegt!

De kleinste kameleon ter wereld - past op een luciferkop (jonge exemplaren in elk geval). Gaaf dat er nog steeds nieuwe diersoorten worden ontdekt!

Over kameleons gesproken: dit korte animatiefilmpje is leuk!

In een bericht dat kan dienen als aanvulling op mijn recente artikelen over wilskracht, citeert Jos Douma de wijze Anselm Grun over verandering. "In het begrip ‘veranderen’ stak vaak een overdreven optimisme, alsof men zomaar alles kon veranderen, maar dat in dat begrip zat tegelijkertijd ook vaak iets gewelddadigs Ik zou graag alles willen veranderen omdat wat bestaat niet goed is. Ik zou graag mezelf willen veranderen, van mij een andere mens willen maken, omdat ik zoals ik ben, niet goed ben." In plaats van 'veranderen' stelt Grun voor te spreken over 'omvormen'. "Omvormen betekent allereerst dat alles wat is goed is, maar dat er veel dingen zijn die ons wezen en onze waarheid verbergen. Omvorming bestaat er dan in dat wij ons oorspronkelijke beeld vanonder het kreupelhout van beelden weer opdelven en ons eigenlijke beeld uit het oneigenlijke laten groeien." Prachtig! Ik denk dat ik maar eens wat van Anselm Grun ga lezen. 

Schoonheid en wat dat voor ons betekent is iets dat mij veel bezighoudt. Ik heb er onder andere over geschreven in Het Boek van de Natuur (nog steeds warm aanbevolen). Een van de weinige blogs die er vaak over schrijft is The Rabbit Room. Ik vond daar een prachtig geschreven bericht waarin iemand vertelde hoe ze 'eigenaar' werd van een heuvel, door er een gedicht over te schrijven. Vooral als christenen mogen we ons de schoonheid van de natuur toe-eigenen met behulp van de verbeelding. "For the true apprehension of beauty, like faith itself, is an exercise in laying claim to what is already ours. There is a low door in the garden wall, and it opens on an inheritance: this is my Father’s world, and He has given it to me. All of the beauty in this astonishing universe of ours has already been lavished by a self-giving Creator. Wakefulness and effort give forth upon our birthright; seeing becomes receiving."

De Internetmonk-blog wijdt een week aan de genade, op basis van het nieuwe boek van Steve Brown (een van de inspiratoren van Indrukwekkende Vrijheid - ook nog steeds van harte aanbevolen) dat als titel draagt: Three Free Sins. Ik houd van de manier waarop Brown aanstelijke over de radicaliteit van de genade schrijft. Wauw! En op Internetmonk brengen ze dezelfde boodschap luid en duidelijk. Chaplain Mike bijvoorbeeld in zijn bericht Why Gays, Republicans, and Other Notorious Sinners Are Welcome at My Church. Dat leidde tot nogal wat discussie, wat ook weer suggereert dat je niet genoeg over de genade kunt spreken. In een prachtig stuk schrijft dezelfde auteur op basis van het boek van Brown dat het in het christelijk geloof niet erom gaat een beter mens te worden. Dat wordt je namelijk niet door je erop te richten. '“Almost everything of importance is found while we’re headed somewhere else.” That is, the goals we really want for our lives — love, joy, peace, meaning, significance, security, wisdom, maturity — will most likely be achieved when we don’t pursue them directly. They are by-products of important relationships and experiences in life.' Hij eindigt met de volgende oproep: "How about we call off this relentless “self-improvement” project and go take a walk with Jesus down the path of grace?" Hmmm ... dat is wel wat ik verlang. Er is ook een interview met Steve Brown. En een artikel over Maarten Luther, die ook het een en ander leerde over genade. En een prachtig geschreven stuk van een katholieke schrijfster, die toegeeft dat ze lijkt op de oudste broer uit de gelijkenis van Jezus. "Grace is unfair, yes, but not unjust.  Can I not do what I like with my own?” the Master asks us in the parable, and we have to answer “Yes”.  Unfortunately, we are all too likely to answer “Yes, but…”.  There’s always a “but”. But – won’t this let sinners off the hook?  But – won’t this be too easy?  But – how is this fair?  But – won’t people take advantage?  But – if it makes no difference what we do, then how can we tell people they have to believe to be saved?  But – but – but.  But nothing." Oh, en ze citeert G.K. Chesterton (altijd goed) en gebruikt voorbeelden uit Role playing games, waardoor ze op geekbonuspunten kan rekenen.

Een prachtig autobiografisch verhaal van iemand die opgroeide met interesse in de wetenschap, toen hij tot geloof kwam dacht zich aan het jonge aarde-creationisme te moeten binden, en zich later verzoende met een langere ontstaansgeschiedenis van het heelal en het leven - heel erg herkenbaar. Het had mijn verhaal wel kunnen zijn.  "Mijn mening is nu dat Genesis 1-11 wel degelijk over het begin van de wereld gaat maar daar in symbolische taal over spreekt. Wat toen gebeurd is, is niet op een manier beschreven die ‘zintuiglijk waarneembaar’ is, maar op een profetische manier. In beeldtaal dus. Een soort apocalyps van het verleden."

donderdag 5 januari 2012

Levensveranderende boeken 4 (herpublicatie)

Ja hoor, daar zijn we weer! Welkom bij de vierde aflevering van 'levensveranderende boeken'. Uw presentator voor vandaag: Johan Klein Haneveld. Geef hem een warm applaus! Dank u, dank u. Gaat u toch zitten...

Ahem...

Zonder verdere ophef verder met weer een boek van John Eldredge. Ik kan er niets aan doen, maar zijn boeken hebben mijn denken over het christelijk geloof vijf jaar geleden ingrijpend veranderd. Niet eens omdat hij zulke radicaal andere dingen beweert, maar meer vanwege de manier waarop hij ze presenteert: in een toegankelijke stijl en met talloze voorbeelden uit zijn leven en uit films en boeken. Bovendien heeft hij een manier van uitdrukken, waardoor ik steeds bij mezelf denk: 'Hee, zo had ik het nog niet bekeken...' Het derde boek dat ik van hem las (toen ik eenmaal fan van hem was), was The journey of desire. Op de een of andere manier had ik het beeld gekregen dat in het christelijke geloof verlangens maar eng waren. Ze zouden me van God afvoeren en het was het beste maar niet te veel te willen en te voelen. John Eldredge legt uit dat God ons geschapen heeft met onze verlangens. En dat achter veel van onze 'oppervlakkige' verlangens veel diepere verlangens schuilgaan. En dat God degene is die uiteindelijk al deze verlangens zal vervullen. We moeten leren aan de ene kant van onze verlangens bewust te worden, aan de andere kant ermee te leven dat ze nu niet vervuld worden. Dit is inderdaad een reis, maar het einddoel is geweldig. De hemel is de plek waarvoor we zijn geschapen, het slot waar de sleutel van ons verlangen helemaal in past.

Voor de historische correctheid moet ik hier nog een boek van Eldredge noemen, en wel Waking the dead. 'Wat een occulte boeken heb je in je kast staan,' zei mijn broer laatst. 'Doe je soms in het geheim aan voodoo?' Daarover kan ik jullie gerust stellen, voor zover ik weet verricht ik geen enge rituelen. En in elk geval gaat dit boek daar niet over. De doden waar het over gaat zijn wij. Volgens Eldredge zijn wij als de mensen in de matrix: blind voor de grotere wereld om ons heen. Hij zegt dat onze ogen moeten opengaan voor het grotere verhaal. Alle epische verhalen kennen drie overeenkomsten: de held ontdekt een grotere wereld, waarvan hij het bestaan hooguit vermoed had, maar die wel degelijk realiteit is. In deze grotere wereld is een strijd aan de gang. Het is oorlog. En de held heeft een belangrijke rol te vervullen in die strijd. Zo moeten wij ook ons leven gaan zien. Ons leven heeft een bovennatuurlijke dimensie, het is groter dan alleen werken, eten en slapen. Maar tegelijk is er een strijd aan de gang. God en zijn engelen bestaan echt, maar de satan en zijn handlangers ook en zijn voeren oorlog tegen de heiligen. En wij hebben een belangrijke rol in die oorlog. Dit boek opende mijn ogen voor de geestelijke strijd (die ik ook prompt ging ervaren) en voor de werkelijke aanwezigheid van God in mijn leven. Ook een die ik regelmatig heb herlezen, als denk ik over geestelijke strijd ondertussen wat meer genuanceerd.

Dan een boek van Leanne Payne: Gods tegenwoordigheid geneest. Mijn ouders waren al langer heel enthousiast over Payne en haar conferenties en boeken, dus besloot ik uiteindelijk ook maar eens te lezen waar het over ging. Om eerlijk te zijn: dat was niet zo makkelijk. Payne's schrijfstijl staat mijlenver af van die van Eldredge. Het is duidelijk dat ze beschikt over uitgebreide theologische, filosofische en psychologische kennis, maar tegelijkertijd gaat ze daar nogal associatief doorheen. Ik moest erg aandachtig lezen, met een potlood in de hand, om haar bedoeling te begrijpen. Maar soms is het goed als je ergens wat meer moeite voor moet doen. In elk geval pikte ik uit haar werk wel belangrijke concepten op. Dat ons denken en voelen wordt bepaald door de beelden en symbolen in ons hart. Dat verkeerde symboolsystemen, beelden van God, jezelf, de wereld enzovoorts, leiden tot problemen in je dagelijks leven (vooral omdat je daardoor de werkelijkheid anders interpreteert). Dat we dus een 'hersymbolisering' nodig hebben. Dat God daarvoor onder andere verhalen gebruikt, kunst, maar ook andere mensen en de sacramenten. En vooral: een ontmoeting met zichzelf. De aanwezigheid van God ervaren is werkelijk genezend.

Op een heel ander terrein ligt het boek onder redactie van o.a. Cees Dekker: En God beschikte een worm. In dit boek schrijven negentien christenwetenschappers over de verhouding tussen schepping en evolutie en tussen godsgeloof en atheisme. Vroeger las ik veel boeken over het creationisme: een leer die de traditionele schepping in zes dagen probeerde te bewijzenop basis van wetenschappelijke bevindingen . Al sinds een jaar of acht, negen (op het moment van schrijven, dus nu al bijna veertien jaar) geloof ik niet meer dat zoiets mogelijk is. Ik heb geaccepteerd dat God het heelal en het leven heeft geformeerd in een proces, met gebruik van de natuurwetten (die zoals C.S. Lewis schreef de beschrijvingen zijn van wat God doet in de wereld), en dat dit niet de waarde van schepping of van de mens teniet doet. Ik heb geleerd Genesis 1 niet als een wetenschappelijke tekst te lezen, maar meer als gedicht. De waarheden die er in staan zijn waar, maar het zijn geen letterlijke waarheden. Dus ik geloof dat God alles geschapen heeft, dat ik een schepsel ben en niet God zelf, dat God de mens en mij gewild heeft als zijn beelddragers en dat ik daardoor waardevol ben. In dit boek vond ik aansluiting bij andere christenwetenschappers, die hier ook over hadden nagedacht, en tot de conclusie kwamen dat goede wetenschappelijke theoriën en goede bijbeluitleg elkaar niet hoeven tegenspreken. Een langere ontstaansgeschiedenis van het heelal is prima in overeenstemming te brengen met het christelijk geloof. De ware scheidslijn is die tussen het theïsme, dat de natuur ziet als iets dat God heeft gemaakt, en het atheïsme, dat alles terugvoert op toeval. Daartussen is geen verzoening mogelijk.

Tenslotte wil ik wijzen op een boek van Dallas Willard: The divine conspiracy. Ik kende dit boek vooral omdat John Eldredge het aanhaalt, dus toen ik het op een jongerenconferentie tegenkwam, heb ik het direct gekocht. En het is als een soort frisse bries. Willard is filosoof en voorganger en hij combineert een heel heldere, goed onderbouwde schrijfstijl, met een realistische kijk en invoelingsvermogen. Hij benoemt een aantal problemen die ik heb met de manier waarop sommige christenen het evangelie presenteren. Hij noemt dit 'evangeliën van zondemanagement' (vaker genoemd op deze blog). En hij stelt daar tegenover het 'evangelie van het koninkrijk'. Jezus is gekomen om ons deel te laten uitmaken van zijn koninkrijk, en om ons te maken tot mensen die daarin thuishoren. De bekende bergrede beschrijft het leven in dat koninkrijk. We moeten dit gedeelte echter niet opvatten als een nieuwe wet, maar als een beschrijving van de mens die in dat koninkrijk leeft. Als we in Jezus geloven, veranderen we in mensen die op Hem lijken. Mensen dus die van nature bereid zijn van wraak af te zien, de extra mijl te gaan en hun vijanden als medemensen te behandelen. Dit was voor mij echt een nieuwe visie, die mij heel anders deed kijken naar het christelijke leven. Ik heb het daarom ook meerdere malen aangehaald in Indrukwekkende Vrijheid.

In de volgende aflevering een paar boeken die ik heb gelezen in de vijf jaar sinds ik deze serie schreef op mijn vorige blog.

donderdag 24 maart 2011

De pijl van de tijd 2: Vroeger was alles beter

In het vorige artikel in deze mini-serie (hoewel ik blij zal zijn als het bij maar vier afleveringen blijft. Ik ken mijn eigen valkuilen, waarvan een zekere breedsprakigheid er een is) stelde ik dat de tijd zich van het verleden weg beweegt. Wat er nu gebeurt, wordt bepaald door wat er in het verleden is gebeurd. Wat er in de toekomst zal gebeuren, wordt veroorzaakt door wat er nu gebeurt. Maar wat gebeurd is, staat voor eens en altijd vast. Gebeurtenissen uit de toekomst kunnen er geen enkele invloed op uitoefenen, behalve in science fiction-verhalen. En die zijn niet voor niets ‘fiction’. Het is dus niet zo dat er in de natuur ooit gebeurtenissen plaatsvinden om een bepaald doel te bereiken, om een beoogd resultaat te behalen. Dat zou namelijk impliceren dat een toestand in de toekomst bepalend is voor een gebeurtenis in het verleden. De pijl van de tijd gaat echter maar een enkele richting uit.

Dit geldt niet alleen voor de kosmologie en de geschiedenis van het heelal, maar ook voor de biologie en de geschiedenis van het leven. Het is ondertussen uit de studie van fossielen en uit moleculair biologisch onderzoek wel redelijk duidelijk vast komen te staan dat dier- en plantensoorten niet statisch zijn, maar dat er veranderingen plaatsvinden en een soort kan veranderen in een andere soort. En die weer in een andere. Verschillende soorten en groepen soorten volgen elkaar zo op in de tijd. Ze kunnen op een tijdsbalk achter elkaar worden weergegeven. Eerst zie je dan alleen maar eencellige dieren, dan zie je meercellige dieren, dan vissen, dan landdieren, dan reptielen, dan zoogdieren en dan de mens. En andersom kun je vanuit de mens een hele lijn terug trekken naar de eerste eencellige met alle soorten die daar tussenin leefden. Vaak wordt deze informatie weergegeven in een soort ‘evolutionaire boom’, waarin de mens de hoogste tak vormt, het hoogste puntje. Het lijkt er zo op dat de mens het doel was van de evolutie, dat de geschiedenis daar naar toe werkte. Maar dat is een artefact van onze illustratiemethodes, want de evolutie heeft natuurlijk geen doel. Er is geen eindpunt dat moet worden bereikt. De processen van mutatie en selectie zijn er niet op gericht om uiteindelijk intelligentie te bereiken, ze zijn niet zo geprogrammeerd dat er een soort moet ontstaan die schoonheid kan waarnemen en beschavingen beginnen. Evolutie heeft zelfs niet tot doel de complexiteit van het leven te laten toenemen. Er wordt nergens naar toe gewerkt. Elke volgende stap in het evolutieproces wordt, net als in de kosmologie, bepaald door de situatie in het heden. In het genetisch materiaal dat nu op Aarde aanwezig is, vinden mutaties plaats (door stralingsdeeltjes die in het verleden van hun stralingsbron vertrokken, en die niet als doel hadden op DNA in te slaan in het heden). En de omstandigheden in het heden bepalen of dieren blijven leven of sterven, dus of hun erfelijk materiaal naar de volgende toekomstige generatie wordt doorgegeven, of niet. Als een mutatie een organisme een hogere overlevingskans biedt, is de kans groter dat deze in een volgende generatie terechtkomt, dan wanneer de mutatie leidt tot een lagere overlevingskans. Maar alle factoren die bepalen of een mutatie doorgaat naar de volgende ‘ronde’, bevinden zich in het verleden. Dat er bij onze voorouders intelligentie en zelfbewustzijn ontstond, was dus niet de ‘bedoeling’. Het was kennelijk toevallig een eigenschap die onze voorouders hogere overlevingskansen bood. In de tijd van de dinosaurussen kon het leven vele miljoenen jaren blijven floreren zonder dat er intelligentie in het spel was. En waren de omstandigheden weer anders geweest, zodat bijvoorbeeld er geen overlevingsvoordeel was van meercelligheid, dan zou onze planeet nog steeds alleen bevolkt zijn door eencelligen. En waren de omstandigheden weer anders, dan zou het zelfs denkbaar zijn dat er maar een enkele soort was. Sterker nog: eencelligen en vooral bacteriën zijn nog steeds de meest succesvolle levensvormen op onze planeet, en vooral in onze aardkorst. Als je alle massa van al het leven op en in de Aarde bij elkaar optelt, komt het grootste deel op rekening van deze nederige wezentjes. Mensen zijn maar een toevallige uitkomst van de processen uit het verleden, en dat wij kunnen denken is een eigenschap die ontstaan is door een samenloop van omstandigheden. We zijn dus in wetenschappelijk oogpunt niet de kroon van de schepping. Als we als mensen onszelf bijvoorbeeld zouden uitroeien, zou onze beschaving in al zijn glorie maar een voetnoot zijn in de geschiedenis van het leven. In elk geval kunnen biologen om het huidige leven in al zijn verscheidenheid te begrijpen alleen maar terugkijken naar het verleden, en naar de processen die hebben geleid tot de huidige vormen. De toekomst heeft uit evolutionistisch perspectief geen betekenis voor het heden.

Wat ik interessant vind, is dat de christelijke ‘stroming’ die zich het sterkst tegen de evolutietheorie in al haar facetten verzet, op dit punt opvallende overeenkomsten vertoont met de evolutionisten. Ik heb het hier over ‘jonge aarde creationisten’ - als een onderdeel van een bredere christelijke stroming - degenen die geloven in de schepping van een perfecte wereld (of dat nu zesduizend of miljarden jaren geleden is), een wereld zonder dood of pijn, zonder dierenleed en zonder menselijk verval. Ze geloven dat onze wereld, het heelal, door God is gemaakt in een paradijselijke staat. En de mens die in deze wereld werd geplaatst was zelf ook volmaakt: het toppunt van menselijke perfectie - lichamelijk, geestelijk, intellectueel en moreel, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks. Deze mensen leefden in een volmaakte gemeenschap met God, en hadden verder niets meer nodig. Gods ideaal was bereikt. Gods werk zat er op.
Dit volmaakte verleden is voor deze gelovigen het ijkpunt. Hun ‘Grote Verhaal’ (dat ik nu wel heel kort en kort door de bocht samenvat) vertelt hoe de mens door God ongehoorzaam te zijn van zijn verheven, volmaakte positie ‘viel’. De mens viel terug in een staat van ziekte, moeite, pijn en imperfectie. En in zijn ‘val’ sleurde de mens de hele schepping mee. Omdat de mens de perfectie verliet, werd ook de rest van de wereld in de ellende gestort. Het is een verhaal van verval, van degeneratie. De dingen zijn niet meer zoals ze geweest zijn. Vanaf de val gaat het alleen maar bergafwaarts. Sommige christenen betogen dat letterlijk in hun verweer tegen de evolutietheorie, dat het ontstaan van nieuwe soorten een kwestie is van degeneratie, dat er geen nieuwe eigenschappen en genen worden toegevoegd, maar dat genen muteren en hun functie verliezen. Het perfecte DNA van de oervormen wordt steeds verder beschadigd, en daardoor ontstaan afwijkende, minder perfecte soorten. De natuur wordt ook moreel steeds perverser, want er ontstaan virussen, parasieten en andere uitbuiters. Het is als een glijbaan op weg naar het verderf, want het proces van dood en verval kan natuurlijk niet tot stand worden gebracht. Dat geldt op heel grote schaal voor alle soorten, die kennelijk in een proces van degeneratie terecht zijn gekomen. Het geldt ook voor de menselijke beschaving. Van vooruitgang kan geen sprake zijn, onze inspanning is vechten tegen de bierkaai. Uiteindelijk zijn we met z’n allen op weg naar de ondergang. We kunnen het hoogstens even tegenhouden. En er is ook geen hoop dat we het proces kunnen omkeren. En in ons individuele leven al net zo: al onze inspanningen ten spijt zullen we onszelf niet kunnen verbeteren. Het gaat alleen maar slechter en dat moet ook, want we zijn gevallen van de perfecte staat waarin we ooit begonnen.
Natuurlijk is dit niet de enige boodschap van christenen uit deze stroming. Ze prediken ook over de verlossing. Maar de verlossing, de hoop die ze brengen, staat in het teken van het verleden. Wat God van plan is, is de schepping terugbrengen naar die volmaakte staat waarmee ze ooit begon. Wij hebben er een zootje van gemaakt, en God zal de boel opruimen. Al onze menselijke inspanningen zullen daar geen rol bij spelen, die zullen verloren gaan. God voert de mens terug naar het paradijs. En dit tijdvak van strijd, van lijden, van ontbering, maar ook van beschavingen, van cultuur, van ontdekkingen, zal niet meer zijn dan een donkere pagina in de geschiedenis van alles, een vlek die maar het best vergeten kan worden. Niemand zal meer willen denken aan die tijd dat de mens het voor de schepping verpest had. God zal van buitenaf ingrijpen, en alles zal weer voor altijd bij het oude zijn. God is in deze visie eigenlijk conservatief, behoudend, reactionair, en niet vernieuwend, creatief en revolutionair. En de toekomst die door deze christenen wordt geschetst is ook een (in mijn bescheiden mening) vaak saaie toekomst, waarbij voor de rest van de tijd alles hetzelfde blijft, waar niets meer ontwikkelt, waar niets meer gebouwd wordt en mensen geen avonturen meer kunnen beleven. Als het God alleen maar gaat om het herstel van de paradijselijke toestand uit het verleden, als God op het verleden gericht is, is de toekomst iets statisch.

Beide visies waarbij het verleden het ijkpunt is, waarbij de tijd wordt gezien als een pijl die zich van het verleden af beweegt, bieden uiteindelijk geen hoop  voor deze wereld, voor ons menselijke leven in deze materiële werkelijkheid. Ik heb al proberen aan te geven dat dit geldt voor de christelijke visie, waarin alleen het paradijs aan het begin van de tijd (het vertrekpunt) perfect was, en alles wat er sindsdien gebeurt alleen maar verder af beweegt van die ideale toestand. Al onze menselijke pogingen om ons in te zetten voor het milieu, voor gezondheid, voor onze medemens, zijn hoogstens doekjes voor het bloeden, maar hebben geen blijvende betekenis. Uiteindelijk zal deze wereld worden opgedoekt, zal alles wat wij hebben gemaakt of gedacht of geschreven als in vuur vergaan, als God zal zorgen voor een ‘reboot’, een herstart. Ik voelde dit ooit al instinctief aan als een ten diepste wanhopige boodschap. Ik herinner me nachtmerries, akelige dromen over de toekomst. Waarin ik bijvoorbeeld zorgen maakte over wat er ging gebeuren met mijn vissen als ik naar de hemel ging. Waarin alles wat ik belangrijk vond, of naar verlangde, waardeloos bleef. Waarin ik de eeuwigheid moest doorbrengen in een soort troonzaal waarin niets meer gebeurde en niets veranderde, waarin ik alleen maar kon zingen.
Maar hetzelfde wanhopige gevoel overvalt mij bij het Grote Verhaal van de kosmologie en de evolutie. Ook die poneren namelijk dat de hele geschiedenis een verhaal is van verval. Ik zei dat de tijd wetenschappelijk kon worden verbonden aan de wetten van oorzaak en gevolg, maar je kunt net zo goed zeggen dat de tijd verbonden is aan het gestage verlies van ordening in het universum. Dit noemen we als wetenschappers ‘Entropie’. We weten allemaal dat niets voor niets gaat. Aan alles zit een prijs, ook op kosmisch niveau. Alles wat gebeurt, elke ontwikkeling, elk ‘gevolg’ na een ‘oorzaak’, kost energie. Bij elk proces gaat wat energie verloren, wat een andere manier is om te zeggen dat de chaos een klein stukje toeneemt. De ordening van het systeem neemt onherroepelijk af. Het universum begon als een oneindig heet, oneindig dicht punt, en sindsdien neemt de temperatuur af en daalt de dichtheid. Een deel van de materie is nu verzameld in sterren, maar sterren houden ooit op met branden. Over miljarden jaren raakt de materie in het heelal zo wijd verspreid dat er geen nieuwe sterren meer worden gevormd. Uiteindelijk blijven er slechts zwarte gaten en donkere sintels over. En na nog weer vele miljarden jaren vallen de atomen uiteen tot subatomaire deeltjes. Dan is het heelal bovendien zo ver uitgezet dat het feitelijk bestaat uit leegte, waarin niets beweegt, waarin niets trilt, waarin niets meer gebeurt. Wat wij ook verrichten als mensen, waar we ons ook mee bezighouden, deze ‘hittedood’ van het universum kunnen we nooit tegenhouden. Er blijft niets over wat ook maar herinnert aan de mens en aan het leven.

Maar ik zal mijn lezers niet achterlaten met een allesoverheersend gevoel van wanhoop. Ik geloof namelijk dat de bijbel laat zien dat het Grote Verhaal van God is gericht op de toekomst. Ik geloof dat God niet aanstuurt op het herstel van een ideale situatie in het verleden, maar op een heerlijk, avontuurlijk, steeds expanderend Koninkrijk in de toekomst. God kijkt vooruit. De werkelijkheid is ‘doelgericht’. Dat betekent dat de pijl van de tijd voor de christen niet afkomstig is uit het verleden, dat we ons niet afbewegen van de perfectie, maar dat de pijl van de tijd op weg is naar de toekomst, dat we op weg zijn naar onze bestemming. Dit is een visie die werkelijk hoop geeft, voor de christen en voor het universum. Het is ook een visie die het voor gelovigen mogelijk maakt vast te houden aan de bijbelse waarheid en tegelijk de waarnemingen van wetenschappers serieus te nemen. Meer daarover in het volgende deel van deze serie ...

Wordt vervolgd ...

zondag 19 december 2010

Geloven is mens worden 1: 'In mensen een welbehagen'

Nog een week en het is kerst (of minder dan een week, want ik zet deze blog pas morgen op het internet, wat wil zeggen dat ik hem gisteren schreef). De meeste mensen hebben al hun huis versierd en een kerstboom neergezet. Op de radio kun je de kerstkrakers niet ontlopen (ik betrap mezelf er soms op dat ik ze meeneurie). In winkelcentra lopen kerstmannen rond, en de voorbereidingen voor het kerstdiner worden getroffen. De agenda’s rond deze dagen staan vol met familiebezoeken, vieringen en dat soort zaken. Ikzelf hoop ook volgens goede traditie naar de kerstnachtdienst te gaan, en later in het weekeinde mijn ouders met een bezoek te vereren. Ook op mijn blog ontkom ik niet aan een stukje dat samenhangt met de kerstgedachte. Want kerst (en wat met kerst gevierd wordt), maakt duidelijk waar het in het christelijk geloof ten diepste om draait.
Daar is namelijk nogal wat onduidelijkheid over, ook onder christenen. Onder invloed van Griekse filosofische stromingen is de gedachte de kerk binnengedrongen dat het in het geloof gaat om het ontsnappen uit het huidige, beperkte, Aardse bestaan, om deel uit te maken van een toekomstig, volmaakt, hemels bestaan. De oude Platonisten achtten de materiële wereld als iets minderwaardigs, slechts geschapen door een ‘demiurg’ (een soort ‘schepper’ die onder God stond). De volmaakte God kon de materie immers niet in zijn nabijheid verdragen. Voor bezielde wezens, zoals wij mensen, was deze geschapen wereld een gevangenis. De werkelijke, als enige belangrijke wereld was de wereld van de volmaakte ideeën. De wereld van abstracties, concepten, idealen. Mensen moesten streven naar wat in die wereld thuishoorde, en de geneugten en verlangens van de materiële wereld zoveel mogelijk achter zich laten.

Het is niet moeilijk te zien waar dit soort gedachten wisten binnen te dringen in de christelijke theologie. Ze staken helder de kop op in ketterse leren als de gnostiek, maar wisten ook verborgen post te vatten in schijnbaar orhodoxe overtuigingen. Het idee van de hemel als de perfecte plaats, een soort steriele troonzaal, gescheiden van de Aarde, is hardnekkig. Veel christenen denken dat de verlossing inhoudt dat ze hun Aardse leven achter zich laten, en in deze volmaakte hemel worden opgenomen. Aan de Aarde hoeven ze nooit meer te denken, Aardse relaties zullen geen betekenis meer hebben, Aardse verlangens en passies zullen worden vergeten. God aanbidden tot in eeuwigheid is hun verwachting. Hoewel de opstanding met de mond wordt beleden, is het hemelse bestaan in essentie niet-materieel.
Parallel hieraan heeft de gedachte postgevat dat ons leven in de betekenisloze Aardse woestijn geen betekenis heeft op zichzelf. Het zal immers allemaal vergaan, het is slechts tijdelijk. De schoonheid van de natuur, een passie voor een hobby, een vriendschap of een relatie, een lekkere maaltijd: als het al geen tijdverspilling of zonde is, is het een afleiding van wat echt belangrijk is: het geestelijke leven. Bidden, bijbellezen, kerkdiensten bezoeken, evangeliseren, dit soort religieuze handelingen hebben als enige echte waarde.  Dat is waar onze energie op gericht moet zijn. Alleen deze dingen blijven namelijk waardevol in de eeuwigheid, de rest zal ‘als door vuur’ vergaan, net als deze Aarde en alle materie. (Jawel, de bijbel leert de schepping van een nieuwe Aarde, maar de specifieke eindtijdsleer van de kerk waarin ik opgroeide zei dat die bedoeld was voor Israel en niet voor de gelovigen uit de volken.) Consequentie van deze visie is dat bijvoorbeeld vriendschappen met ongelovigen niet belangrijk zijn in zichzelf, maar vooral als gelegenheid om ze over Jezus te vertellen. Ik was ooit teleurgesteld als op een verjaardagsfeestje het gesprek niet over het geloof ging: het was een verspilde avond. En tegelijk leer je de verlangens die gekoppeld zijn aan het Aardse, lichamelijk leven te wantrouwen. Ascetisme in de oude kerk (de pilaarheiligen en mensen die zich lieten inmetselen) was een gevolg van dit soort denken. Maar hoe veel kerken omgaan met seksualiteit is een teken dat de verwarring nog steeds bestaat. Ik leerde dat mijn seksuele verlangens iets zondigs waren, wat (zoals je zult begrijpen) tot veel problemen leidde in mijn persoonlijke leven. Maar ik heb ook een tijd lang mijn liefde voor het lezen en schrijven van verhalen onderdrukt, om in plaats daarvan mezelf nieuw-testamentisch Grieks te leren en bijbelteksten te memoriseren, want dat zou God meer waarderen.
En nog steeds hangt om het christelijk geloof het aura van ‘wereldvreemdheid’. Christenen staan bekend om waar ze allemaal tegen zijn (en splintergroeperingen zoals de Westboro Baptists (‘God hates fags’) dragen daar niet aan bij natuurlijk). Het lijkt alsof ze alles willen verbieden waar mensen van genieten: ‘Je mag niets meer.’. En tegelijk moeten christenen van alles, van de verplichte aanwezigheid in een (vaak saaie, want Aardse zaken als mooie muziek en inspirerende kunst zijn slechts afleiding) kerkdienst op zondag, tot bidden, bijbellezen, teksten memoriseren, evangeliseren et cetera. Wie zich verdiept in het christelijk geloof ziet zich geconfronteerd met een lijst activiteiten waarvoor 24 uur in een dag niet genoeg zijn.

Als we het kerstverhaal serieus zouden nemen, zouden we echter een heel ander beeld krijgen van het christelijk geloof. Het is namelijk het verhaal hoe God zich identificeert met lichamelijke mensen, met een materiële wereld. ‘Vrede op Aarde, in mensen een welbehagen’, proclameerden de engelen (Lukas 2:14). Dat was de boodschap die door de gebeurtenissen van die nacht zichtbaar werd. De eeuwige, almachtige, alwetende God, het volmaakte, heilige opperwezen, sloot zich aan bij zijn eigen schepping. Hij deelde volledig in de menselijke ervaring. Hij deed niet alsof, het was geen toneelspel, nee: God was de huilende, poepende, af en toe overgevende baby in de stal van Bethlehem. De Schepper achtte het lichamelijke bestaan van mensen niet beneden zich, Hij had geen minachting voor processen als ademhaling, spijsvertering, voortplanting, hoe bloederig en ingewikkeld die ook kunnen zijn. Hij vond zichzelf niet verheven boven het zwoegen voor het dagelijks brood, de gebrekkige communicatie met medemensen, de bezorgdheid over oorlog en ziekte. Hij koos er uit eigen beweging voor volledig in het mens-zijn te delen, een materieel wezen te worden in een materiële wereld. Jezus wordt in de bijbel ook ‘Immanuel’ genoemd, wat wil zeggen: ‘God met ons’. God zoekt ons op en verbindt zich aan ons.
De incarnatie (het theologische woord voor het mens worden van God) bevestigde daarmee de boodschap van de Scheppingsverhalen. Die vormden al een scherp contrast met de legendes en mythes van de omringende beschavingen. De verhalen uit Genesis bevatten geen ‘demiurg’ of tussenpersoon, die een defecte, minderwaardige creatie afleverde. Nee: de bijbel beschrijft een bovennatuurlijke, almachtige God, die uit het niets een prachtig heelal tot aanzijn roept. Een heelal dat niet zelf goddelijk is, dat niet deelt in de goddelijke natuur, dat materieel is, maar dat wel ‘goed’ is. De woorden ‘God zag dat het goed was’, die volgen op Gods scheppingshandelingen, verlenen de materiële wereld waarde. Het is duidelijk niet iets slechts, maar iets moois, iets waardevols. Omdat God dat waardeoordeel erover uitspreekt. En dat geldt al helemaal voor dat bijzondere wezen, de mens. Die was naar Gods beeld geschapen, zijn afbeelding weergegeven in materiële vorm. Geen geestelijk wezen gevangen in vlees, niet opgesloten in een beperkt lichaam, maar een enkele onverdeelde mens. Het materiële aspect, het lichaam, hoort onlosmakelijk bij het beelddrager zijn van God. En van dit wezen dat volledig thuishoort in de geschapen werkelijkheid, verklaart God dat het niet alleen maar ‘goed’, maar ‘heel goed’ is. De bijbel laat geen ruimte voor de Griekse ideeën van een minderwaardige, slechte schepping.

De vleeswording van Christus is als het ware Gods handtekening onder het scheppingsverhaal. Een zichtbare verklaring van de waarde die Hij er over heeft uitgesproken. Hij brengt in praktijk wat hij gezegd heeft, en verklaart het lichamelijke bestaan goed en gezegend. We hoeven daar niet aan te twijfelen. Volgens de bijbel is Jezus na eenmaal geboren te zijn als mens, altijd mens gebleven. Ook na zijn opstanding uit de dood. Hij liet niet zijn lichamelijkheid achter zich, alsof het slechts een soort verkleedpartij voor hem was geweest. Hij bestond niet alleen verder als een ‘geest’. Nee, het graf was leeg en Jezus was bij zijn verschijning herkenbaar als zichzelf. Zijn identificatie met ons was niet slechts een tijdelijke gril. Ze liet een eeuwige intentie van de Godheid zien, niet om het materiële, het lichamelijke, het menselijke af te schaffen, maar om het te verheffen. Voortaan zouden deze dingen namelijk geassocieerd zijn met de Schepper zelf.
Ik heb jaren geleden een kerstpreek gehouden in de kerk in Alphen aan den Rijn waar ik toen op zondag heen ging. Het was niet lang nadat de Alphense spruitjesteler Henk Angenent de elfstedentocht had gewonnen. Daardoor was Alphen opeens positief in het nieuws. De jaren daarvoor was Alphen in het nieuws geweest door de aanwezigheid van gif op een vuilstort onder de golfbaan. Dat gaf Alphen een negatief imago. Nu werden wij, Alphenaren, opeens geassocieerd met Henk Angenent. Dat gaf ons een veel positiever beeld van onszelf. En nu is de hele mensheid, het hele menselijke bestaan, geassocieerd met de schepper zelf. Niemand zal ooit meer mogen twijfelen aan de inherente waarde en betekenis van elk individueel mens, en de ervaringen, verlangens en kenmerken die hem of haar menselijk maken. De engelen zeiden het al: “In mensen een welbehagen.”

Maar Gods intenties eindigden hier niet mee - Hij heeft grote plannen voor de mens en de geschapen werkelijkheid. Wat die zijn en hoe het vooruitzicht daarvan ons leven nu kan beinvloeden, bewaar ik voor deel 2 van dit artikel.

dinsdag 3 augustus 2010

De woestijn zal bloeien

In dit geval de overdekte woestijn van Burgers' dierenpark ...


En als toegift nog een spectaculaire lucht van een paar weken geleden:

vrijdag 4 juni 2010

Wie heeft wie nou nodig?

Het is weer weekeinde (voor mij dan in elk geval). En dat betekent dat jullie weer wat langere blogs kunnen verwachten. Want, zoals ik eerder al schreef, de stevigere, inhoudelijke blogs bewaar ik voor mijn vrije dagen. De luchtigere berichten (foto's, links) probeer ik te gebruiken om de week te overbruggen. Uit mijn vorige stukken zullen jullie wel hebben kunnen opmaken dat ik de laatste tijd behoorlijk nadenk over wat de liefde van God betekent. Want wat als God gewoon van ons houdt? Wat als we daar niets voor hoeven doen? Als we het gewoon mogen accepteren en leven uit die zekerheid? Wat als we niet aan bepaalde verwachtingen hoeven voldoen voor we door God uitgekozen worden?

Ik kan natuurlijk niet voor jullie spreken, maar dat is niet de boodschap die over het algemeen bij ons in de kerk wordt gepredikt. Meestal is de boodschap toch dat wij toch iets moeten doen, dat we aan onszelf moeten werken, dat we moeten geven aan de kerk, dat we naar de diensten moeten gaan, dat we moeten bidden, dat we aan activiteiten moeten meedoen. Een paar weken geleden was er bij ons in de dienst een mooi voorbeeld: de spreker behandelde een deel uit mijn favoriete bijbelboek, Jesaja, hoofdstuk 40, vers 31: 'Wie hoopt op de Heer krijgt nieuwe kracht, hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar.' Dit is een belofte: God wordt niet moe en wordt niet uitgeput, en hij belooft ons te helpen als we op Hem vertrouwen. Daar hoeven we zelf dus niets voor te doen (het is een boodschap voor de vermoeide. De machteloze geeft hij macht in overvloed). Maar de spreker dacht er anders over. Hij vertelde dat adelaars elke dag hun veren moeten poetsen (ze kunnen niet in een keer in de rui gaan, maar verliezen elke dag een paar veren), anders storten ze neer. Zo moeten we als christenen ook elke dag stille tijd houden. Anders kunnen we niet 'geestelijk vliegen'.
Ik moest ervan zuchten: weer werd de boodschap van de bijbel verdraaid. Ik heb zelf twee jaar niet uit de bijbel gelezen, en drie jaar niet gebeden, en God heeft me in die tijd niet laten vallen. Hij houdt immers van ons! De boodschap van dit Bijbelgedeelte is nu juist dat wij helemaal niet op onze eigen kracht kunnen en hoeven vertrouwen. Bijna heel het hoofdstuk uit Jesaja 40 gaat over hoe geweldig God is, dat de volken in zijn ogen zijn als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal. Dat hij de sterren als een leger laat uitrukken, dat er door zijn kracht en onmetelijke grootheid er niet een ontbreekt. Deze God zorgt voor ons. Dus hoeven wij niet meer te denken dat ons lot van onze eigen kracht afhangt!

De meeste van onze relaties met andere mensen worden op subtiele en minder subtiele manieren gekenmerkt door afhankelijkheid. We hebben andere mensen nodig, en zij hebben iets van ons nodig. Al was het maar dat we af en toe een arm om onze schouder, of een bemoedigend woord nodig hebben. Daar is niets mis mee. We zijn nu eenmaal beperkte wezens: we kunnen niet alles zelf. We zijn afhankelijk van anderen. Maar het zorgt er wel voor dat we geneigd zijn te denken dat we iets voor de ander moeten doen om te krijgen wat we nodig hebben, of dat hij iets voor ons moet terugdoen voor wat we hem gegeven hebben. Voor wat hoort wat. En die instelling projecteren we op God. We denken dat we iets moeten doen voor Hij ons wil helpen (zoals bidden, of een moreel leven leiden), en we denken zelfs dat hij ons wel zou moeten helpen omdat wij zoveel voor hem doen. Afgelopen woensdag op een bidstond naar aanleiding van de komende verkiezingen. Mensen baden daar of God zijn bescherming niet van Nederland wilde verwijderen vanwege onze immorele wetgeving (zoals acceptatie van het homohuwelijk et cetera). We zongen een lied met de volgende tekst: "Ik belijd: ons land heeft gezondigd en wij zijn ook schuldig, want wij baden niet. We dwaalden af, van wat U ons leerde en namen te gretig uw genade aan." Ik moest ervan huiveren: 'we namen te gretig uw genade aan' - dat kan helemaal niet. We kunnen niet te gretig Gods genade aannemen! En dan de gedachte dat onze relatieve rijkdom en veiligheid te maken zou hebben met onze morele en spirituele staat als volk. Dat zou betekenen dat landen waar armoede is of honger, of onvrijheid, minder moreel of spiritueel zouden zijn als wij. En dat wij moeten zorgen moreel en spiritueel genoeg te blijven om onze 'zegen' te houden. De god die zo te werk gaat, is niet de God in wie ik geloof. En ook niet de God van de bijbel.

In vorige berichten heb ik al beschreven dat God van ons houdt - onafhankelijk van wat we doen. Maar laten we er duidelijk over zijn, niet alleen houdt God van ons, God heeft ons ook niet nodig. Afhankelijkheid kan geen rol spelen bij hem. Hij is God. Laat tot je doordringen wat dat betekent.  Zijn naam is 'Ik ben die ik ben', of eenvoudig 'Ik ben'. Meer hoeft hij niet te zeggen. Hij is de enige die uit zichzelf IS, zonder door iets of iemand tot aanzijn te zijn geroepen. Hij is de enige die op zichzelf bestaat, zonder van iemand of iets afhankelijk te zijn. Hij bestaat niet alleen, in wezen IS hij het bestaan zelf. Want alles wat wij kunnen waarnemen, ja wijzelf als personen, bestaan omdat Hij dat wil. Hij maakte alles wat er is. Elke atoom, elk elektron, elke ster, elk zwart gat. Hij sprak en het was er, hij gebood en het stond er. Hij kon materie uit het niets tevoorschijn roepen. En sterker nog: alles wat er is, bestaat voort bij zijn gratie. De bijbel zegt dat hij alle dingen onderhoudt door het woord van zijn kracht (Hebreeën 1:3). Elk atoom kan alleen blijven bestaan omdat God wil dat hij blijft bestaan. Alle energie die er is, komt voort uit de wil van God. De tijd kan alleen verstrijken omdat God haar laat verstrijken. Daarom zegt Elihu in Job 34:14,15: "Als hij zijn aandacht alleen op zichzelf zou richten en hij zijn geest en adem voor zichzelf zou bewaren, dan zou al wat leeft onmiddellijk ten onder gaan en de mens zou terugkeren tot stof." Wij zijn al volledig van Hem afhankelijk, alleen al omdat wij bestaan. Paulus zegt het in Handelingen 17: 'In hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.' Dat is de realiteit, of we nu wel of niet in God geloven, of we goed leven of slecht leven. De bijbel zegt dat Het het doet regenen 'op goeden en op slechten'. En in Handelingen 13 zegt Paulus dat hij ten aanzien van de volken blijk heeft gegeven van zijn goedheid: "Vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht." Wij zijn degenen die God nodig hebben, niet andersom. Wij ontvangen alles (ons bestaan, onze identiteit, ons leven) van God. En wij kunnen niets toevoegen aan het bestaan, de identiteit, het leven van God. Hij heeft onze religieuze plichtsbetrachting niet nodig. Hij heeft ons morele gedrag niet nodig. Hij heeft onze gebeden en lofzangen niet nodig. Opnieuw Paulus in Handelingen 17: "De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels. Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat hij nodig heeft, hij die zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt." Hetzelfde staat in Psalm 50: "De stier uit je stal heb ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien, ... (want) van mij is de wereld en wat daar leeft." We hoeven dus niet aan Gods verwachtingen te voldoen. We hoeven ons niet in te spannen om Hem tevreden te stellen. We hoeven hem niet te geven wat hij nodig heeft. Sterker nog, hij heeft er een hekel aan als we dat wel proberen. In Amos 5:21v zegt de profeet namens God: "Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen." Religieus gedrag heeft geen enkele zin.


Wat moeten we dan wel? Nou, eenvoudig accepteren dat God is. Op Hem vertrouwen. En dan leven zoals dat past bij mensen die door God gemaakt zijn en van God afhankelijk zijn. "Breng God een dankoffer en doe wat je de Allerhoogste belooft", zegt Psalm 50. Amos zegt: "Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek." En Jezus zegt: "Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.  Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf" (Matteus 22:37).  Dat hoeven we niet te doen omdat God het nodig zou hebben, omdat hij ons anders niet zou zegenen, omdat we bang zijn voor straf, omdat de wereld anders op de een of andere manier zou vergaan. Nee, dat mogen we doen omdat het past bij mensen.
Als we voor ons bestaan afhankelijk zijn van God, als Hij onze maker is, en vooral, als Hij onvoorwaardelijk van ons houdt, dan past het bij het mens zijn om Hem lief te hebben en in afhankelijkheid van Hem te willen leven. We hebben lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. En als andere mensen, onze naasten, ook door God gemaakt zijn, van Hem afhankelijk zijn, en als God ook van hen onvoorwaardelijk houdt, dan past het bij het mens-zijn dat wij ook van Hen gaan houden, hen als waardevolle schepselen behandelen, zonder hen te willen controleren of overheersen. Zoals we ook gaan houden van en zorgen voor de schepping, Gods meesterwerk, die Hij aan ons heeft gegeven om in te wonen. We doen wat recht is, wat passend is, gerechtigheid. We leven volgens de wet. Niet omdat God dat nodig heeft, maar omdat het hoort bij ons. Jezus zei het al over de Sabbat: 'De mens is er niet voor de sabbat, maar de sabbat voor de mens.' Hetzelfde geldt voor al het andere dat God ons opdraagt. Hij heeft het niet nodig, maar wij. Want het zou eeuwig zonde zijn, als we niet zouden leven als echte mensen, als we ons doel zouden missen.

zondag 28 maart 2010

Van creationist naar evolutionist (5): geen kleine God

In mijn opsomming van links gisteren zat er ook eentje naar het bericht van The Christian Monist, getiteld: 'Children of a lesser God?' Daarin vertelt hij hoe hij van medegelovigen de beschuldiging naar het hoofd geslingerd krijgt dat hij gelooft in een te kleine God, omdat hij eraan twijfelt of de Aarde wel in zes dagen geschapen is, of dat sommige wonderverhalen die mensen enthousiast vertellen wel echt gebeurd zijn. De suggestie lijkt dat als je als christen van geloof in jonge aarde-creationisme overgaat naar het idee van de schepping als een langer ontstaansproces dat kan worden beschreven door de wetenschappelijke theorieën van de 'oerknal' en evolutie, je de macht, invloed en aanwezigheid van God daardoor kleiner zou maken.
Ik geloof echter dat het tegenovergestelde waar is. De bovenstaande visie gaat vrij duidelijk uit van een 'god van de gaten'. Een god die alleen aanwezig is, die zich alleen laat kennen, in wat wij niet met behulp van onze zintuigen waarnemen of met behulp van ons verstand kunnen beschrijven. Een god die zodra we ergens een verklaring voor hebben, het veld moet wijken. Ik heb al eerder (in mijn bespreking van de film Angels and Demons) geprobeerd uit te leggen waarom dat 'god van de gaten'-idee te kort schiet. Het feit dat we vanuit de natuurkunde weten hoe een bliksem ontstaat (veranderingen van elektrische lading) en de daaropvolgende donder (schokgolven door plotseling opgewarmde lucht), doet niets af aan het feit dat God de bliksem uitzendt en spreekt door de donder, zoals de bijbel het wil. In het tweede deel van deze bescheiden serie berichten kwam ik tot de conclusie dat God een god van de processen is, die werkzaam is in wat wij beschouwen als de uitwerking van natuurwetten of het toeval. Volgens Hebreeen 1:3 draagt God alles wat er is door het woord van zijn kracht. In Handelingen 17 stelt Paulus dat wij in God leven, bewegen en zijn. Dat suggereert dat God niet alleen maar iemand is die af en toe van buiten af ingrijpt in het heelal, en de rest 'gaat automatisch'. Nee, alles wat in het heelal gebeurt, gebeurt omdat God het wil. Hij laat, zegt Paulus in Handelingen 13, het regenen op goeden en slechten. We kunnen aangeven hoe het komt dat het regent (verdamping, wolken, vochtigheidsgraad), maar tegelijk is het God die de regen schenkt. Hij is de drijvende kracht achter de trilling van elke atoom, het signaal van elke neuron, achter de glans van elke ster. Als Hij zich invloed van het heelal zou aftrekken, zou het ophouden te bestaan.
Hieraan zijn nog wel enkele filosofische problemen verbonden, zoals het probleem van het kwaad. Ik geloof dat God de vrije keuze van zijn schepselen belangrijk vindt. Het is duidelijk dat door de vrije beslissingen van mensen (en engelen) het kwaad in de wereld is gekomen. Daardoor gebeuren er in het heelal, op Aarde en in ons leven kwade dingen: botsende sterren, aardbevingen, vloedgolven, virussen, kanker, zelfzucht, zonde, et cetera. Ik geloof dat het uiteindelijk Gods respect voor onze vrije keuze is dat Hij die gevolgen van keuzes laat plaatsvinden, maar dat Hij ook een keer de keten van oorzaak en gevolg zal verbreken, en zijn eigen wil weer zal laten gebeuren 'op de Aarde, zoals in de hemel'.

Maar dat is voor dit bericht enigszins 'besides the point'. Wat ik wil betogen is dat dit beeld van God, als de Schepper die betrokken is op elk stukje van het heelal, een groter beeld van God is dan dat van de god van de gaten, die alleen in het onverklaarbare en bovennatuurlijke een rol lijkt te spelen. En in dit 'God als onderhouder van alles'-beeld maakt het niet uit hoe groot en hoe oud het universum is. Wat de omvang en leeftijd van het heelal ook is: God draagt en onderhoudt het en laat zijn wil geschieden. Hij is immers eeuwig en alomtegenwoordig en almachtig! Als het heelal iets van 10 tot de macht 23 elektronen bevat (wat ik wel eens heb horen zeggen), kent God ze allemaal en houdt hij ze in stand (voor zolang ze in stand blijven). Hij kent alle sterrenstelsels, tot daar waar wij ze niet meer kunnen zien. En hij ziet alle bacteriën, ook die in de diepzee, of in de Aardkorst, waar geen menselijke boor of graafmachine ooit zal doordringen, en onderhoudt ze (zoals hij volgens de bijbel de bloemen van het veld en de vogels van de lucht onderhoudt). Hoe meer we weten van de omvang van het heelal en de hoeveelheid leven op Aarde (en wellicht daarbuiten), hoe groter we zullen gaan denken over God. Kijk maar eens het bekende filmpje over 'de machten van tien'. Je hoofd zal al snel gaan draaien over de grootte van het heelal. Toch zegt Jesaja: "In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; de eilanden weegt hij als zandkorrels." (40:15).
Het grootste sterrenstelsel is slechts een stofje op de weegschaal voor hem. Is het dan onredelijk om te geloven dat Hij ook een grote hoeveelheid tijd kan hebben geschapen? Als we een groot universum accepteren, is het dan niet passend ook een oud universum te accepteren? Natuurwetenschappelijk gezien is het niet meer dan logisch, aangezien ruimte en tijd bij elkaar lijken te horen. Volgens de meeste theorieën ontstond de tijd net als de ruimte bij de 'oerknal'/schepping, en krijgt de tijd haar richting door de uitdijing van de ruimte. Als we willen blijven vasthouden aan een 'jong' universum, moeten we eigenlijk geloven in een 'klein' universum (en in een God die een universum heeft gemaakt dat alleen de illusie geeft van groot te zijn).
Sommige christenen doen dat ook. Met het schaamrood op mijn wangen moet ik vertellen van een achter-oom van mij (Ab Klein Haneveld), die meent dat wij leven aan de binnenkant van een bol met een omtrek van 40.000 kilometer, dat de zon en maan en planeten heel klein zijn en in het midden van die bol zweven, dat de door ons waargenomen afstand een illusie is door veranderingen in de lichtsnelheid. Deze theorie van de Holle Aarde verklaart volgens hem het best de bijbelteksten. Daarover kun je discussiëren, maar wat die theorie in elk geval doet is de Schepping heel klein maken. Alles wat God geschapen heeft is te vatten in een bol met een omtrek van 40.000 kilometer. Daarbuiten is niets (misschien gesteente?). Alles van betekenis speelt zich af in maar een heel klein belletje water, lucht en leven. Dat bovendien maar zesduizend jaar (of daaromtrent) bestaan heeft. Dit universum van de Holle Aarde voelt benauwd aan. Ik zou er claustrofobisch van worden. En wat zegt dit over de God waar deze Klein Haneveld in gelooft? Deze moet ook een kleine, claustrofobische God zijn, die niet geniet van het maken van sterrenstelsels, die niets op heeft met processen, die alles klein, compact en overzichtelijk wil houden. Een kleine God. Maar is een god die een heelal heeft gemaakt dat maar zesduizend jaar bestaat (en kennelijk niet veel groter kan zijn dan zesduizend lichtjaar) niet net zo klein?
Nee, dan geloof ik liever in een God die een heelal maakt dat vele miljarden lichtjaren groot is en vele miljarden jaren oud is. Een God die de sterren rijkelijk heeft uitgezaaid over zijn creatie, allemaal uniek. Die kwistig is met het verspillen van energie en leven. Die overborrelt van creatieve ideeen, zowel in het grote (neutronensterren, quarksterren, quasars), als in het kleine (leven in de diepzee, grotten, et cetera). Een God die niet bang is van tijd en ruimte, maar die om die grote afstanden en lange periodes lacht! Maar ook een God die intens betrokken is bij elk onderdeel van die prachtige schepping. Die intens betrokken is op ons, zijn schepselen. Die grote God vindt ons waardevol, kostbaar. Zo kostbaar dat Hij mens is geworden om ons te redden.
Dat is pas een grote God.

Ik sprak hier over met de vriend die een paar weken geleden bij mij op bezoek was. Hij zei met enige verwondering: 'Ik dacht dat God kleiner voor me zou worden als ik het proces van de evolutie zou ervaren. Maar het tegenovergestelde is gebeurd. Hij is juist groter geworden!' Zo is het net. Hoe meer we weten over de geschiedenis van het universum en over ons ontstaan, hoe groter de God wordt in wie we geloven. Hoe meer we begrijpen, hoe meer we Hem kunnen aanbidden. En hoe meer we ons realiseren hoe weinig we eigenlijk kunnen bevatten van de dimensies van het heelal, en van zijn Liefde.