Posts tonen met het label zonde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zonde. Alle posts tonen

donderdag 4 september 2014

Gedicht: Survival of the fittest

Survival of the fittest

Waterweegbree in gelid
buigt in de bruine stroom.
Ik zie parende libellen
als juwelen dansen op
een vloer van zon en schaduw.
Rietpluimen glanzend paars.
Spin weeft unieke cirkels
met een eindeloos geduld.
Geen geluid. De rust is diep
als in een boek van Thijsse.

Maar ik moet terug naar huis
over het zwarte asfalt.
Opdringerig motorlawaai.
Mijn hand tegen het glas gedrukt.
De tuin maakt plaats voor
blokkendozen. Grijze steen
vol schreeuwerige logo's.
Gehaaste drommen mensen
voegen zich naar de vormen
in regels vast beklonken.

De wereld die wij maakten
was niet voor ons bedoeld,
maar voor wie wij dienden:
abstracte idealen, macht
en efficiëntie kil.
Die konden hier floreren.
Techniek overheerst natuur
zonder om ons te geven.
Wij wilden zelf regeren,
maar zijn toen slaaf geworden.

maandag 9 januari 2012

Filmbespreking: Son of Rambow

Het is wel een beetje raar om een film te zien die jouw eigen jeugd in beeld lijkt te brengen. Een film waarvan de hoofdpersoon wel heel erg lijkt op hoe jij vroeger was, zodat hij zelfs lid is van dezelfde kerk als waar jij in opgroeide. Dat overkwam mij bij het kijken naar Son of Rambow.
Nee, anders dan de titel misschien doet vermoeden is dit geen actiefilm. Er komen geen geweren of ontploffingen in voor (behalve op het TV-scherm). De film gaat niet over een vietnamveteraan die eigenhandig een heel leger uitschakelt, maar over een jongetje van tien of elf, Will, die opgroeit in de Vergadering van Gelovigen, in Engeland de ‘Plymouth Brethren’ genoemd. In deze strenge geloofsgemeenschap mag men geen televisie kijken. Ook voor andere frivoliteit lijkt geen plaats; verbeelding wordt duidelijk gewantrouwd. Deze groep wil zichzelf afschermen van de wereld. Wie omgaat met ongelovigen raakt verontreinigd en wordt uiteindelijk zelfs uitgesloten. Will voegt zich ernaar en als er in de schoolklas een video wordt gekeken, gaat hij braaf op de gang zitten. Maar Will is een gevoelige jongen, die geniet van verschillende geluiden, van geuren, van schoonheid. Hij is ook creatief: hij tekent hele boeken vol. Verbeelding is voor hem iets natuurlijks, maar het is iets dat hij moet onderdrukken. Hij moet zijn eigen identiteit ontkennen. Niet voor niets loopt hij ook voorovergebogen door de schoolgangen, een schaduw van zichzelf.
Op een dag komt hij in contact met Lee, een wildebras, die aanvankelijk de naiviteit van Will probeert uit te buiten. Hij heeft namelijk een stuntman nodig voor de film die hij aan het opnemen is. Bij Lee in huis krijgt Will een illegale kopie te zien van First Blood, de film waarin Sylvester Stallone de held Rambo speelt. Hij is niet van het scherm los te rukken. En als de film is afgelopen, begint hij direct verhalen te verzinnen. Hij loopt naar huis en doet alsof hij zelf een held als Rambo is. Een held die sterk genoeg is om de angstbeelden waar hij door geplaagd wordt te verslaan. De volgende dag sluipt hij weg van de bijeenkomst van de Vergadering, en verschijnt in vol Rambotenue bij Lee op de stoep. Zijn toewijding verbaast zelfs Lee. Niet alleen stort hij zich met overgave op de (toch best wel gevaarlijke) stunts - hij weet ook wat het verhaal moet zijn: hij heeft het al helemaal uitgetekend.
Maar Will kan zijn avonturen niet altijd voor zijn moeder verborgen blijven houden.  De broeders van de Vergadering maken zich zorgen. Ze willen Will weer op het rechte pad brengen, dat wil zeggen: weer in de fantasieloze, strakke leer van hun geloofsgemeenschap. En op school gaan andere leerlingen zich met de film bemoeien, onder andere een Franse uitwisselingsstudent, wat de vriendschap tussen Will en Lee onder druk zet. Wills hele leven lijkt te ontrafelen ...

Son of Rambow (de ‘w’ in de titel is geen typefout) is een vrij kleinschalige film, die een bescheiden verhaal vertelt. Maar dat is tegelijk de kracht ervan. Dit zijn gebeurtenissen die  iedereen uit zijn of haar jeugd herinnert: vriendschappen, avonturen in het bos, oudere broers die niet hun videocamera willen uitlenen, ouders die je fantasie niet begrijpen. Het goede spel van de twee jonge acteurs (die nooit eerder in een film hadden gespeeld), draagt bij aan de herkenbaarheid. Een van de twee speelde later op briljante wijze de rol van Eustaas in The Voyage of the Dawn Treader.
Met eenvoudige animatie wordt de verbeeldingswereld van Will in beeld gebracht. En de scenes met het filmen lijken heel realistisch. Tot je in de documentaire op de DVD ziet dat er heel wat is uitvergroot. Het is een nostalgische blik op de kindertijd van de regisseur. Zo is het helemaal niet mogelijk met een vlieger een hond te laten zweven - maar in de film lijkt het allemaal net echt (daar is film ook heel goed in).
In dezelfde documentaire vertelt de regisseur dat hij in zijn kinderjaren naast een gezin uit de Plymouth Brethren (de Vergadering van Gelovigen) woonde. Hij besefte dat het niet zo interessant zou zijn als hij een film zou maken over zijn eigen jeugd, maar dat het veel boeiender was als hij de gebeurtenissen naar een huis verder verplaatste, en als het zoontje van dat gezin degene was die films ging maken. Dit zorgt er helaas wel voor dat het beeld dat van de Plymouth Brethren wordt geschetst in deze film een beetje karikaturaal is. Gezien door de ogen van een kind worden immers sommige gewoontes of eigenschappen die afwijken van de norm, nog verder uitvergroot. Bij ons in de vergadering spraken de kinderen elkaar bijvoorbeeld niet aan als ‘broeder die’ of ‘zuster zo’ (volwassenen wel - dat was dan wel weer goed in beeld gebracht). Ook droegen de zusters niet ook nog thuis een hoofddoekje (maar wel in de diensten. En sobere kleding werd volgens mij ook wel op prijs gesteld). Televisie was niet verboden bij ons, maar het kan zijn dat de groep uit de film gewoon strenger was. Sommige groepen uit de ‘Vergaderingen van gelovigen’ zijn strenger en geslotener dan andere, en gaan (zoals die in de film) ver in de richting van het sektarische.
Het belangrijkste was voor mij in elk geval wel herkenbaar: het idee dat je als kind je verbeelding en fantasie moest begraven, en dat de leer en heiligheid van de kerk boven alles gingen. Het verhaal dat de moeder van Will vertelt over een langspeelplaat was heel pijnlijk en ook geloofwaardig.

Ik ben, zoals gezegd, ook opgegroeid in de Vergadering van Gelovigen. Een strenge geloofsgemeenschap die zichzelf zag als de ‘ware kerk’. (Ik bad op mijn knieen dat andere gelovigen het licht zouden zien). We hadden een ‘verontreinigingsleer’ waardoor omgang met andere gelovigen (laat staan mensen uit de wereld) eigenlijk verdacht was (als je al in een andere kerk kwam mocht je in elk geval niet aan het avondmaal deelnemen). Het ideaal was dat we ons afzonderden. We deden niet mee aan politiek (stemden ook niet), luisterden niet naar populaire muziek (mensen die zich bekeerden deden hun platencollectie weg, ik weet zelfs dat iemand de CD-collectie van haar tienerzoon verbrandde), we wilden zelfs niet afgeleid worden door muziekinstrumenten tijdens de dienst (zoals orgels!), of door kunst (het Vergaderlokaal was saai: banken, grinttegels, TL-verlichting - dat was in de film wel goed weergegeven), seksualiteit was taboe (mannen en vrouwen zaten gescheiden, vrouwen moesten zich ‘bedekken’), en eigenlijk was alleen het ‘geestelijke’ belangrijk: bidden, bijbelstudie, de samenkomsten. Ik pikte op dat mijn liefde voor verhalen op z’n best een hobby was, iets voor erbij, maar waarschijnlijker een verslaving - het zou me immers afleiden van het ‘geestelijke’.
De God in wie we geloofden, was als een boze vader. Ja, omdat Jezus tussenbeide was gekomen, waren wij gered van de dood, maar als God ons zou zien zoals we echt waren, zou hij ons toch moeten straffen. Hij kon niet van ons houden zoals we waren. In een preek over Johannes 3:16 werd letterlijk eens gezegd dat het kenmerkende van deze tekst was dat God de wereld lief HAD - verleden tijd! Daarom moesten we alsnog erg ons best doen om hem niet tegen ons in het harnas te jagen, en ons inspannen om te doen wat hij van ons vroeg: schuld en plicht waren de motiverende factoren. En later bleek een deel van de godsdienstigheid van belangrijke broeders ook nog eens hypocriet. Toen er meningsverschillen rezen aarzelden ze niet om anderen zwart te maken, te veroordelen en mensen uit de gemeenschap te sluiten, onder het mom van heiligheid. Dat was een grote klap, vooral omdat ik hen altijd heel serieus had genomen.
En ik was (net als Will) een gevoelige jongen met een grote verbeelding. Net als Will ging ik als ik naar school liep, op in de verhalen die ik verzon (zodat ik zelfs in de bosjes sprong om imaginaire vijanden te ontwijken). Ik genoot van schoonheid, van geluid, van verhalen. Maar in de Vergadering leerde ik die verlangens te wantrouwen. Ik leerde dat ik moest doen wat ik niet wilde en mijn eigen behoeften moest ontkennen. Geen wonder dat ik gedurende mijn jeugd lange tijd met gebogen schouders liep, alsof ik er niet mocht zijn (net als Will dus eigenlijk).

Ik had gelukkig ook een vriendje die mijn wereld opende voor verhalen en verbeelding. Dik heette hij. Vanaf de basisschool trokken we samen op. Net als Lee was hij een beetje een wildebras en een vechtersbaas (als ik in de klas een natuurvereniging oprichtte, zorgde hij ervoor dat er een knokploeg bij hoorde, om het leven te beschermen). Maar hij had ook fantasie. Bij hem zag ik films en televisieprogramma’s (we hebben De Kleine Zeemeermin zo vaak gekeken dat we die uit het hoofd kenden. En ja, toen zaten we op de middelbare school). We speelden hele veldslagen uit met de lego. We besloten samen een boek te schrijven (hij stopte ermee na drie hoofdstukken, maar ik had de smaak te pakken, en schreef tijdens mijn middelbare schooltijd mappen vol - zonder Dik zou Neptunus nooit realiteit zijn geworden). We hebben nooit echt een film gemaakt (maar wel radio-uitzendingen), maar we speelden wel dat we een film opnamen. We waren dan allebei geheim agenten, die een internationale samenzwering moesten tegenhouden. We doken de bosjes in en bevochten met onze kung fu allerlei tegenstanders. We speelden allerlei scenes na. Dik had altijd een fascinatie voor China - dus had hij altijd een Chinese schone aan zijn zij (het is geen wonder dat hij uiteindelijk in China terechtkwam). En we maakten niet te vergeten samen muziek (de casettebandjes heb ik gelukkig bewaard). Ons eerste lied ‘Ik moest eens op mijn kleine broertje passen’ is bij mijn broers nog steeds een hit. Het was erg leuk om Dik een paar weken geleden na meer dan dertien jaar weer eens in levenden lijve te ontmoeten. We waren allebei uiterlijk wel wat veranderd - maar hij (en ik) hadden nog steeds dezelfde verbeelding, en konden die ook direct weer bij elkaar herkennen.

Net als voor Will, was ook voor mij de wereld van verhalen een openbaring. Net als Will kon ik daarin mezelf zijn, en kon ik door het verzinnen van verhalen mijn frustratie met het pesten een plek geven, en mijn verlangen naar schoonheid, relaties en avontuur. Mensen gebruiken verhalen om betekenis te geven aan wat hen overkomt. En kinderen ook. G. K. Chesterton zegt ergens dat kinderen geen sprookjesverhalen lezen om te ontdekken dat draken bestaan, maar om te ontdekken dat draken verslagen kunnen worden. Ik realiseerde dat ik was geschapen voor deze verhalen. De ontdekking van de kracht van de verbeelding is heel goed weergegeven in Son of Rambow. Het voelde voor Will - en voor mij - als thuiskomen. En het is dan ook een grote domper als deze liefde voor verhalen de kop wordt ingeduwd. Bij mij gebeurde dat deels door mijn ouders (die mijn schrijven nooit hebben bevestigd) en deels door de preken en boodschappen die ik oppikte, waardoor ik mijn liefde voor verhalen ging zien als verslaving, en meende dat ik mijn tijd alleen mocht vullen met bijbelstudieboeken, bidden en memorisatie van bijbelverzen.
Toen ik bleek overspannen te worden van dit regime, moest ik niet alleen patronen uit mijn eigen hart ontwarren, maar ik moest me ook los maken uit de verwachtingen en leringen van deze geloofsgemeenschap. Dat was moeilijk, want zelfs al was de vergadering geen sekte, er waren wel sektarische trekjes (al was het alleen maar dat we onszelf als de ware kerk zagen, en geen tafelgemeenschap mochten hebben met andere gelovigen). En ik ben nog steeds niet helemaal vrij van de invloed van mijn geloofsopvoeding. Aan de ene kant is dat positief, wil ik benadrukken: ik sta nog steeds achter de deelname van de gelovigen aan de dienst, achter het ‘ieder heeft iets’-principe en de nadruk op het avondmaal. Aan de andere kant is het negatief - ik worstel nog steeds met de schuldgevoel en verplichting die ik als een spons heb geabsorbeerd. Het kost me nog steeds moeite om mijn creativiteit te laten stromen.

Ik heb al eerder een essay geschreven over de gevolgen van het opgroeien in een strenge religieuze omgeving voor zowel de creativiteit als de seksualiteit. Schaamte is het instrument dat wordt gebruikt om de gelovigen in het gareel te houden. In deze film wordt ook de onderdrukking van seksualiteit door religie treffend in beeld gebracht (door de moeder van Will en haar interactie met een van de broeders).
Ik vind het heel tragisch dat de kerk - die door God is bedoeld als iets goeds: de levensbrengende gemeenschap der heiligen - kinderen (!) in hun identiteit beknot en voorkomt dat ze zich kunnen uiten (door hun verbeelding en door hun seksualiteit). Deze film bevestigde nogmaals mijn overtuiging dat God het zo niet bedoeld heeft. Dat God wil dat we volledig tot bloei komen. Dat we worden tot complete mensen, die niet bang zijn om te scheppen (op welke manier dan ook). Zoals Irenaeus zei:  ‘The glory of God is man fully alive’.
Aan het eind van deze film zijn Will en Lee gelukkig wel ‘fully alive’. Ze verzoenen zich met elkaar, en vormen zo een gemeenschap, gebaseerd op gedeeld verlangen en liefde voor elkaar. Misschien is dat de ware kerk wel, in plaats van de ‘Plymouth Brethren’! Ik geloof zelf in elk geval van wel.

donderdag 5 januari 2012

Levensveranderende boeken 4 (herpublicatie)

Ja hoor, daar zijn we weer! Welkom bij de vierde aflevering van 'levensveranderende boeken'. Uw presentator voor vandaag: Johan Klein Haneveld. Geef hem een warm applaus! Dank u, dank u. Gaat u toch zitten...

Ahem...

Zonder verdere ophef verder met weer een boek van John Eldredge. Ik kan er niets aan doen, maar zijn boeken hebben mijn denken over het christelijk geloof vijf jaar geleden ingrijpend veranderd. Niet eens omdat hij zulke radicaal andere dingen beweert, maar meer vanwege de manier waarop hij ze presenteert: in een toegankelijke stijl en met talloze voorbeelden uit zijn leven en uit films en boeken. Bovendien heeft hij een manier van uitdrukken, waardoor ik steeds bij mezelf denk: 'Hee, zo had ik het nog niet bekeken...' Het derde boek dat ik van hem las (toen ik eenmaal fan van hem was), was The journey of desire. Op de een of andere manier had ik het beeld gekregen dat in het christelijke geloof verlangens maar eng waren. Ze zouden me van God afvoeren en het was het beste maar niet te veel te willen en te voelen. John Eldredge legt uit dat God ons geschapen heeft met onze verlangens. En dat achter veel van onze 'oppervlakkige' verlangens veel diepere verlangens schuilgaan. En dat God degene is die uiteindelijk al deze verlangens zal vervullen. We moeten leren aan de ene kant van onze verlangens bewust te worden, aan de andere kant ermee te leven dat ze nu niet vervuld worden. Dit is inderdaad een reis, maar het einddoel is geweldig. De hemel is de plek waarvoor we zijn geschapen, het slot waar de sleutel van ons verlangen helemaal in past.

Voor de historische correctheid moet ik hier nog een boek van Eldredge noemen, en wel Waking the dead. 'Wat een occulte boeken heb je in je kast staan,' zei mijn broer laatst. 'Doe je soms in het geheim aan voodoo?' Daarover kan ik jullie gerust stellen, voor zover ik weet verricht ik geen enge rituelen. En in elk geval gaat dit boek daar niet over. De doden waar het over gaat zijn wij. Volgens Eldredge zijn wij als de mensen in de matrix: blind voor de grotere wereld om ons heen. Hij zegt dat onze ogen moeten opengaan voor het grotere verhaal. Alle epische verhalen kennen drie overeenkomsten: de held ontdekt een grotere wereld, waarvan hij het bestaan hooguit vermoed had, maar die wel degelijk realiteit is. In deze grotere wereld is een strijd aan de gang. Het is oorlog. En de held heeft een belangrijke rol te vervullen in die strijd. Zo moeten wij ook ons leven gaan zien. Ons leven heeft een bovennatuurlijke dimensie, het is groter dan alleen werken, eten en slapen. Maar tegelijk is er een strijd aan de gang. God en zijn engelen bestaan echt, maar de satan en zijn handlangers ook en zijn voeren oorlog tegen de heiligen. En wij hebben een belangrijke rol in die oorlog. Dit boek opende mijn ogen voor de geestelijke strijd (die ik ook prompt ging ervaren) en voor de werkelijke aanwezigheid van God in mijn leven. Ook een die ik regelmatig heb herlezen, als denk ik over geestelijke strijd ondertussen wat meer genuanceerd.

Dan een boek van Leanne Payne: Gods tegenwoordigheid geneest. Mijn ouders waren al langer heel enthousiast over Payne en haar conferenties en boeken, dus besloot ik uiteindelijk ook maar eens te lezen waar het over ging. Om eerlijk te zijn: dat was niet zo makkelijk. Payne's schrijfstijl staat mijlenver af van die van Eldredge. Het is duidelijk dat ze beschikt over uitgebreide theologische, filosofische en psychologische kennis, maar tegelijkertijd gaat ze daar nogal associatief doorheen. Ik moest erg aandachtig lezen, met een potlood in de hand, om haar bedoeling te begrijpen. Maar soms is het goed als je ergens wat meer moeite voor moet doen. In elk geval pikte ik uit haar werk wel belangrijke concepten op. Dat ons denken en voelen wordt bepaald door de beelden en symbolen in ons hart. Dat verkeerde symboolsystemen, beelden van God, jezelf, de wereld enzovoorts, leiden tot problemen in je dagelijks leven (vooral omdat je daardoor de werkelijkheid anders interpreteert). Dat we dus een 'hersymbolisering' nodig hebben. Dat God daarvoor onder andere verhalen gebruikt, kunst, maar ook andere mensen en de sacramenten. En vooral: een ontmoeting met zichzelf. De aanwezigheid van God ervaren is werkelijk genezend.

Op een heel ander terrein ligt het boek onder redactie van o.a. Cees Dekker: En God beschikte een worm. In dit boek schrijven negentien christenwetenschappers over de verhouding tussen schepping en evolutie en tussen godsgeloof en atheisme. Vroeger las ik veel boeken over het creationisme: een leer die de traditionele schepping in zes dagen probeerde te bewijzenop basis van wetenschappelijke bevindingen . Al sinds een jaar of acht, negen (op het moment van schrijven, dus nu al bijna veertien jaar) geloof ik niet meer dat zoiets mogelijk is. Ik heb geaccepteerd dat God het heelal en het leven heeft geformeerd in een proces, met gebruik van de natuurwetten (die zoals C.S. Lewis schreef de beschrijvingen zijn van wat God doet in de wereld), en dat dit niet de waarde van schepping of van de mens teniet doet. Ik heb geleerd Genesis 1 niet als een wetenschappelijke tekst te lezen, maar meer als gedicht. De waarheden die er in staan zijn waar, maar het zijn geen letterlijke waarheden. Dus ik geloof dat God alles geschapen heeft, dat ik een schepsel ben en niet God zelf, dat God de mens en mij gewild heeft als zijn beelddragers en dat ik daardoor waardevol ben. In dit boek vond ik aansluiting bij andere christenwetenschappers, die hier ook over hadden nagedacht, en tot de conclusie kwamen dat goede wetenschappelijke theoriën en goede bijbeluitleg elkaar niet hoeven tegenspreken. Een langere ontstaansgeschiedenis van het heelal is prima in overeenstemming te brengen met het christelijk geloof. De ware scheidslijn is die tussen het theïsme, dat de natuur ziet als iets dat God heeft gemaakt, en het atheïsme, dat alles terugvoert op toeval. Daartussen is geen verzoening mogelijk.

Tenslotte wil ik wijzen op een boek van Dallas Willard: The divine conspiracy. Ik kende dit boek vooral omdat John Eldredge het aanhaalt, dus toen ik het op een jongerenconferentie tegenkwam, heb ik het direct gekocht. En het is als een soort frisse bries. Willard is filosoof en voorganger en hij combineert een heel heldere, goed onderbouwde schrijfstijl, met een realistische kijk en invoelingsvermogen. Hij benoemt een aantal problemen die ik heb met de manier waarop sommige christenen het evangelie presenteren. Hij noemt dit 'evangeliën van zondemanagement' (vaker genoemd op deze blog). En hij stelt daar tegenover het 'evangelie van het koninkrijk'. Jezus is gekomen om ons deel te laten uitmaken van zijn koninkrijk, en om ons te maken tot mensen die daarin thuishoren. De bekende bergrede beschrijft het leven in dat koninkrijk. We moeten dit gedeelte echter niet opvatten als een nieuwe wet, maar als een beschrijving van de mens die in dat koninkrijk leeft. Als we in Jezus geloven, veranderen we in mensen die op Hem lijken. Mensen dus die van nature bereid zijn van wraak af te zien, de extra mijl te gaan en hun vijanden als medemensen te behandelen. Dit was voor mij echt een nieuwe visie, die mij heel anders deed kijken naar het christelijke leven. Ik heb het daarom ook meerdere malen aangehaald in Indrukwekkende Vrijheid.

In de volgende aflevering een paar boeken die ik heb gelezen in de vijf jaar sinds ik deze serie schreef op mijn vorige blog.

woensdag 27 april 2011

Geduldige wetenschappers, Immortals, Naked Pastor, de kracht van verleiding

Een lijst met de langstlopende wetenschappelijke experimenten ooit. Sommige zijn bizar: zoals het experiment dat moet bewijzen dat asfalt een vloeistof is, of de klok die sinds 1864 niet is opgewonden, of de kunstmatige evolutie van bacteriën.

Een nieuwe film van de makers van The Secret of Kells - ook weer met een verhaal uit de Ierse mythologie.

De trailer voor de nieuwe film van Tarsem 'The Fall' Singh - Immortals, over een oorlog tussen de Griekse goden. Doet meer dan een beetje aan 300 denken.

Ik weet niet of ik hier niet al een keer naar heb verwezen, maar dit stripverhaal ziet er wel gaaf uit. Met dinosaurusachtige monsters, dan zit je bij mij al snel goed.

Dit huwelijksaanzoek is wel cool.

Drie mooie, maar ietwat cynische paascartoons van de Naked Pastor.

De aartsbischop van Canterbury beantwoordt de vraag van een meisje: wie heeft God uitgevonden? "Nobody invented me – but lots of people discovered me and were quite surprised. They discovered me when they looked round at the world and thought it was really beautiful or really mysterious and wondered where it came from. They discovered me when they were very very quiet on their own and felt a sort of peace and love they hadn’t expected."

De bijbel beweerde al dat het verbod leidde tot de zonde, en dat de wet begeerte opwekt. Maar nu is het wetenschappelijk bewezen. Wie zijn partner verbiedt naar andere mensen te kijken, zorgt ervoor dat hij of zij dat juist meer gaat doen. "Forbidden fruit tastes sweeter. When our desires are externally prohibited, desires grow stronger. Psychologists call this “reactance”. When prohibitions are imposed upon us we tend to interpret such impositions as an affront to our liberty. In response we come to value the forbidden more than we otherwise would."

Experimental Theology vraagt zich af waarom het opstandingsverhaal bij Markus eindigt met angst - het antwoord: in menselijke verhalen is de herrijzenis van het slachtoffer slecht nieuws. Het geweld van het slachtoffer tegen de daders is namelijk gerechtvaardigd. Dit is het plot van bijna alle actiefilms in de bioscoop (en van oud testamentische verhalen). Maar de opstanding van Jezus is (gelukkig) anders: "This is not the Judgment Day we were expecting. The victim returns to us and shows us the wounds we inflicted, yet brings to us no hate, blood lust, condemnation, or revenge. Only love, forgiveness, grace, and peace. The joy of Easter, it seems, requires a first wave of fear. It is a joy of relief. A joy of finding ourselves inexplicably forgiven. And in accepting this forgiveness we step into this new story, this new way of becoming that is so very, very different from the rounds of victimage and vengeance found in the world."

donderdag 7 april 2011

Filmbespreking: The Adjustment Bureau

Er draaien in de bioscoop heel wat films die eigenlijk een standaard verhaal vertellen. Stoere man wordt tegengewerkt en belandt in de goot, maar neemt uiteindelijk wraak op zijn tegenstanders. Jongen ontmoet meisje, raakt verliefd, lijkt haar kwijt te raken, maar weet haar toch voor zich te winnen. Een professional stemt ermee in nog een laatste klus te doen, een experiment van een wetenschapper blijkt gevaarlijker dan hij dacht, een tiener ontdekt dat grote kracht gepaard moet gaan met grote verantwoordelijkheid ... ga zo maar door. Je kent ze wel: de films die best vermakelijk zijn als je ze ziet, waar je ook nog wel om kunt lachen, met karakters met wie je kunt meeleven, maar die je eigenlijk al weer bijna vergeten bent als je de bioscoop weer uitloopt. Soms blijven je nog wel scenes bij, of inventieve special effects, of grappige bijrolspelers, maar het verhaal heeft verder niets met je gedaan. Je bent er niet door tot nadenken gezet, je bent er niet door uitgedaagd, het heeft je hart niet veranderd. Het was ontspanning, niet meer. Ik kijk die films ook, want soms heb je behoefte aan niet meer dan ontspanning. Maar gelukkig komt er eens in de zoveel tijd een film voorbij die anders is. Die originele ideeën bevat. Die de hoofdpersonen voor interessante keuzes plaatst. Die vragen oproept over wat belangrijk is in het leven, wat het betekent mens te zijn, en of er niet meer is tussen hemel en aarde dan wordt gedroomd in onze filosofie (om met William S. te spreken). Films die zijn als een verfrissend bad, waardoor je niet in slaap wordt gesust (puur als ontspanning), maar waardoor je juist met een andere blik naar je leven en de mensen om je heen gaat kijken. Inception was vorig jaar zo'n film. The Matrix, The Truman Show, de meeste Pixar-films, The Lord of the Rings, Into the Wild ... om er een paar te noemen die mijn eigen denken en verbeelding hebben aangesproken.
De lijst is nu weer uitgebreid, en wel met The Adjustment Bureau, een film van George Nolfi, gebaseerd op een verhaal van Philip K. Dick (die vaker boeken schreef die tot nadenken stemden). Het is ten eerste een goed gemaakte film, die gedragen wordt door sympathieke acteurs, die bovendien een leuke chemie met elkaar hebben. Dat zorgt dat je als kijker in hun relatie investeert. Er zitten ook een aantal originele achtervolgingsscènes in, met elementen die aan de werken van Escher doen denken. En veel karakters dragen hoeden, wat ik alleen maar kan toejuichen. Maar vooral kreeg ik bij het kijken van deze film een prettige energie en een glimlach op mijn gezicht door het spel met voorbestemming en vrije wil, verwijzingen naar God en zijn bedoelingen, en de overwinning van een theologie van de liefde. Ik had toen ik de bioscoop uitkwam zin om over deze film te praten, en dat gebeurt me niet met elke film die ik kijk. Goed, als je langer over de film nadenkt ontdek je dat het wereldbeeld achter de film niet helemaal consistent is, dat de regels die de 'aanpassers' beperken niet zo goed doordacht zijn, en dat het niet zo duidelijk is waarom de hoofdpersonen nou eigenlijk voor elkaar kiezen. Je kunt niet alles hebben. Maar deze film beoogt zo wie zo niet antwoorden te geven, maar roept eerder vragen op. En die vragen blijven staan, ook al is het plot misschien niet zo helder als de filmmaker het wil doen voorkomen. Ik ga de film in elk geval zelf wel aanschaffen en zie ernaar uit hem vaker te zien en er met vrienden over te discussiëren.

The Adjustment Bureau is het verhaal van David Norris, die zich kandidaat heeft gesteld voor de senaatsverkiezingen. Maar omdat de verkiezingen in de Verenigde Staten nogal op imago gestoeld zijn, heeft een gelekte foto uit zijn studententijd tot gevolg dat hij verliest. In het toilet bereidt hij zijn verliezerstoespraak voor, maar hij weet niet dat hij wordt gadegeslagen door balletdanseres Elise. Hun wat ongemakkelijke ontmoeting, ontwikkelt zich al snel tot een flirt, en door haar opmerkingen geïnspireerd kiest David ervoor tijdens zijn toespraak eens echt eerlijk te zijn. En dat blijkt voor zijn politieke carrière de juiste beslissing.
De volgende dag ontmoet hij Elise toevallig opnieuw en zij geeft hem haar nummer. David heeft het gevoel dat zij de ware voor hem is. Maar zijn geluk is van korte duur. Als hij op kantoor komt treft hij een gezelschap vreemde mannen met hoeden, die zijn collega's lijken te hersenspoelen. Zelf krijgt hij te horen dat zijn ontmoeting met Elise geen deel uitmaakte van het 'plan' van hun 'Voorzitter'. Davids leven heeft een bedoeling en die komt niet tot vervulling als hij met haar een relatie aangaat. De agenten van het Adjustment Bureau vertellen hem dat hij haar uit het hoofd moet zetten (en ze verbranden haar telefoonnummer).
Vervolgens duurt het drie jaar voor David Elise weer ontmoet. En nu laat hij zich niet tegenhouden, hoe de agenten ook hun best doen zijn levenspad te beïnvloeden. Het lijkt een onmogelijke strijd tegen bijna alwetende en alomtegenwoordige tegenspelers. Maar een van de agenten is met David gaan meeleven. En hij geeft hem het instrument in handen om de agenten van het bureau te omzeilen en zijn beklag te doen bij de voorzitter ...

Dit is een film met meerdere lagen. Hij bevat bijvoorbeeld interessante ideeën over engelen en hun beperkingen, waar ik nu niet op in kan gaan. En op een heel mooie manier wordt ontleed waar Davids gedrevenheid vandaan komt: hij ervaart een leegte in zijn binnenste, die hij uit alle macht probeert te vullen. Pas als hij met Elise is, voelt hij zich vol, voor het eerst in zijn leven. Ik moest denken aan het gat in de ziel waar Augustinus het al over had, dat alleen door God gevuld kan worden, en dat onrustig in ons is zolang we geen rust hebben gevonden in hem. In deze film kan een vrouw die leegte in de hoofdpersoon vullen. Dat geldt volgens mij in het echt niet - anders zouden er niet zoveel echtscheidingen zijn. Het is echter wel de Hollywoodmythe - waarbij menselijke liefde de plek inneemt van de liefde van God. Mijn favoriete filmcriticus Steven Greydanus noemt dit de belangrijkste beperking in het beeld dat deze film van God schetst: "The Chairman’s most important attribute, for the purposes of the story at least, is whatever he (or she) thinks of David and Elise’s love. The Chairman may be an agent of or an obstacle to human happiness; there is no indication that he might be the source and goal of human happiness — of all possible happiness of all possible creatures in all possible universes." De 'voorzitter' is in deze film een afstandelijk wezen, met een doel dat geen rekening houdt met de wensen van individuele mensen. Hij is de 'vivisector' waar C.S. Lewis over schrijft in A Grief Observed, een klinische God, op wie mensen niet kunnen vertrouwen. Maar goed, van mij hoeft een film niet een theologisch correct godsbeeld neer te zetten, anders zou ik ook de Narnia-films van dezelfde Lewis niet hoeven kijken. Jezus was immers niet werkelijk een leeuw, toch?

Waar ik deze filmbespreking vooral voor wil gebruiken, is als illustratie van de menselijke vrijheid, en het 'open' plan van God. Ik wil namelijk dit weekeinde mijn vierde stuk schrijven over de 'pijl van de tijd' en dan hoef ik daarin dit niet meer te herhalen. In feite gaat deze film namelijk over dezelfde vraag als mijn artikelen, namelijk: ligt alles wat er gebeurt al van tevoren vast, en hebben onze keuzes geen werkelijke betekenis, of zijn wij vrij om te kiezen en neemt God onze vrije keuzes op in zijn creatieve plan om zijn koninkrijk te realiseren?
Hoofdpersoon David dacht altijd dat wat hij deed zijn eigen keuzes waren. Maar het blijkt dat hij (zonder het te weten) een nauwkeurig uitgestippeld plan volgt. Eigenlijk is van te voren bekend wat hij gaat doen en wat voor invloed hij in de wereld zal hebben. De agenten van het Adjustment Bureau vertellen hem dat hij alleen de illusie heeft van een vrije wil. En ze hebben natuurlijk voor een groot deel gelijk. We denken allemaal dat we vrij zijn om te kiezen wat we willen, maar in feite worden onze keuzes voor een groot deel bepaald door onze omstandigheden. Bijvoorbeeld door onze opvoeding, door onze cultuur, door wat we eten en drinken, door chemische stoffen in onze hersenen, door onbewuste patronen. Om een eenvoudig voorbeeld te geven: ik ben niet vrij om iemand aan te spreken op een symposium. Dat probeerde ik vanmiddag, maar mijn verlegenheid hield me tegen, en ik wachtte net zo lang tot er ook geen gelegenheid meer was. Een groot deel van mijn beslissingen is erg goed te voorspellen. Ik geloof dat deze onvrijheid niet Gods bedoeling was met mensen, maar het gevolg is van de keuze van mensen om zichzelf op de eerste plaats te zetten en 'als God' te willen zijn. De zelfzucht van mensen, die eigenlijk afgodendienst is, maakt ze tot slaven. Slaven van begeerte, slaven van angst, slaven van de macht van andere mensen. De leegte in ons hart is een slavendrijver die ons nooit tot rust laat komen, zoals bij David het geval is. De vrije wil die God mensen gegeven had (waarvan het verhaal in Genesis 3 volgens mij een mooi beeld is) leidde door de keuze voor onvrijheid tot de ondergang. Deze film herkent dit, want volgens de agenten van het bureau probeerde de Voorzitter de mensheid al eerder vrijheid te geven, maar dat leidde tot de donkere middeleeuwen, en een latere poging leidde tot de eerste wereldoorlog, nazisme, de atoombom en de Cubaanse crisis. De mens, aan zichzelf overgelaten, zal zichzelf vernietigen, omdat hij niet vrij is. Maar deze gebondenheid van onze wil is een moreel kwaad, het is niet hoe we als mensen geschapen zijn. We zijn geschapen als beelddragers van God, die (zij het op een beperkte schaal) kunnen kiezen. Wij zijn in staat om ons een voorstelling te maken van een toekomstige situatie, te bepalen welke stappen ervoor nodig zijn om die te bereiken, en vervolgens in actie te komen, zelfs al is onze keuzevrijheid beperkt door onze omstandigheden en onze geschiedenis, en worden we belemmerd door drang naar veiligheid en makkelijke oplossingen die het gevolg is van onze zelfzucht. We zijn personen die werkelijk betekenis hebben, die de machten achter de schermen verbaasd kunnen doen staan.

Niet alles ligt dus vast vanaf de grondlegging van de wereld. Niet in de materialistische betekenis - waarbij alles wordt veroorzaakt door de keten van bewegingen van atomen die in gang is gezet bij de oerknal. En niet in de religieuze, Calvinistische betekenis - waarbij alles wat gebeurt door God en alleen door God gewild is, en de wil van God zelfs bepaald welke mensen behouden worden en welke mensen verloren gaan.  Beide zijn mechanistisch. Greg Boyd schrijft in een blogbericht: "Determinists argue that everything is predetermined, despite all appearances to the contrary. What is disputable, however, is the claim that every cause necessitates one, and only one, effect. There’s nothing in the nature of causation itself that says Y must always follow X. So there’s no basis for the assumption that “Given X, Y had to happen, and only Y could happen.
Greg Boyd pleit ervoor dat we het universum niet meer gaan zien als een mechanisme (of het nu een mechanisme is dat uit zichzelf is gaan aflopen, of een dat volledig door God bestuurd wordt), maar als een kunstwerk. Dat is: iets dat door de grote Kunstenaar tot aanschijn wordt geroepen, wordt gekneed uit het rauwe materiaal van de chaos, wordt gehouwen uit het oorspronkelijke rotsblok. Het beeld van het universum als kunstwerk veronderstelt een andere relatie tussen God en het heelal. Niet controlerend, als een computerprogrammeur, maar persoonlijk en dynamisch. De kunstenaar heeft een plan, een doel, waar hij naar toe werkt. Maar hij laat zich soms verrassen door het materiaal waar hij mee werkt. Een beeldhouwer gebruikt een breuklijn in de steen om zijn werk te verfraaien, een schilder verwerkt een verfklodder in het uiteindelijke ontwerp, en een schrijver merkt dat zijn romanpersonages een eigen leven gaan leiden, maar werkt uiteindelijk wel toe naar een bevredigend einde. De kunstenaar verwerkelijkt zijn visie door een interactieve relatie met zijn materiaal. Net zo, zegt Greg Boyd in zijn bespreking van deze film, zijn de vrije keuzes van mensen het materiaal dat God gebruikt om zijn grote Kunstwerk te realiseren.
Dat wij een vrije wil hebben en keuzes kunnen maken die niet van te voren vast liggen, sluit dus niet uit dat er een kosmisch plan bestaat - "and a rather meticulous plan at that! It just means the plan must incorporate the possible free decisions of others and thus must be, within limits, flexible. A “chairman” (God) who was smart enough could have a personal, moment-by-moment plan for every one of his creations as well as a plan that assures his overall objectives for creation will be attained while yet granting free will to agents and thus while facing a partly open future." Wat Greg Boyd voorstaat wordt wel eens 'open theïsme' genoemd. Hij gaat ervan uit dat de toekomst niet vastligt (want anders zouden onze keuzes geen werkelijke betekenis hebben). Dat betekent niet dat God de toekomst niet kent en dus minder zou zijn dan alwetend. Het betekent dat God alle mogelijke toekomsten kent. Hij kent alle consequenties van alle mogelijke keuzes. En hij speelt er actief op in, verandert zijn plan, wijkt af van zijn bedoeling, kortom: hij reageert op de keuzes van zijn schepselen. Hij laat zich verrassen door zijn materiaal. Maar dat betekent niet dat hij zijn visioen, zijn plan, niet zal verwerkelijken. Hoe kan het anders? Anders zou hij God niet zijn.

Maar waarom gunt God ons die vrijheid, die mogelijkheid om keuzes te maken waar hij op moet reageren? “Everything is a kind of test,” suggereert iemand aan het einde van de film. Dat geldt voor mensen als David en Elise. Het geldt ook voor de 'Agenten' in deze film, die zelf ook vrij zijn om te kiezen. Net als engelen, trouwens. Greg Boyd schrijft: "In the context of this movie – and, I believe, in the context of sound theology – this doesn’t mean every event is orchestrated by God to be a test. Rather, each event that impacts us presents us with a choice of how we will respond to it. This is the ultimate test: will we choose to love, even if doing so means we must defy [apparent] fate and court disaster?" Dat is waar het in het slot om blijkt te draaien: kiezen de karakters ervoor elkaar lief te hebben? Kiest David voor Elise? Kiest de agent Harry te doen wat goed is voor David? De keuze voor de liefde - wat in feite een keuze is voor iets of iemand buiten jezelf, boven de eigenliefde - is wat ons vrijmaakt.
Maar als onze vrijheid beperkt is, als we als gevolg van onze gebrokenheid een leegte in ons hart hebben, een innerlijke onrust, waardoor we steeds voor onszelf kiezen, zijn we dan in staat om werkelijk lief te hebben? Zolang David van binnen leeg was, voltooide hij stap voor stap het plan dat het Adjustment Bureau voor hem had - zijn weg naar de top. Pas als de leegte in hem is opgevuld is hij vrij om zijn eigen keuzes te maken. Hij is pas vrij om lief te hebben, om voor Elise te kiezen, als hij zelf geliefd is. Geliefd worden is de enige manier om te ontsnappen uit de gebondenheid van de wil, de onvrijheid van de zelfzucht. Misschien ligt daar de kern van de vrijheid die wij als gebonden mensen hebben. De enige keuze die we kunnen maken in onze toestand van gevangenschap is misschien wel om ons te laten liefhebben, om ons open te stellen voor de onvoorwaardelijke liefde van God - het enige wat de leegte in ons kan vullen. En als we door die liefde gevuld zijn, dan zijn we vrij om zelf lief te hebben, God boven alles en onze naaste als onszelf. Dat is echte vrijheid.

vrijdag 31 december 2010

Filmbespreking: Der Untergang

Films kunnen soms tot ophef leiden, misschien nog wel meer dan boeken (vooral nu, want ik geloof dat meer mensen films kijken dan er zijn die boeken lezen). Een film vertelt namelijk een verhaal zowel in woord als in beeld, met kleur en beweging, en het komt zo direct bij de kijker binnen, waar wie een boek leest de inhoud nog filtert door de verbeelding. Sommige films zijn controversieel door de expliciete inhoud, sommige films zijn schokkend door echte of vermeende godslastering (denk aan de ophef rond ‘The Life of Brian’ of ‘The Last Temptation of Christ’). Een film die een paar jaar geleden behoorlijk wat stof deed opwaaien was Der Untergang. En zoals gebruikelijk maakte de controverse meer duidelijk over de filmkijkers dan over de film. Wat mensen tegen de borst stootte was namelijk dat deze film Hitler weergaf als mens: een man die vriendelijk is tegen zijn secretaresse, zijn kok dankt voor het eten, en goed zorgt voor zijn hond. Een man die applaudisseert als kinderen een liedje voor hem zingen, en die met Eva Braun wil trouwen. Hitler wordt niet alleen maar in beeld gebracht als monster, de Fuhrer van het derde rijk, een verpersoonlijking van het kwaad, zonder menselijke eigenschappen.
De kritiek zou zijn dat het kwaad dat Hitler aanrichtte zo gebagatelliseerd zou worden. Maar ik denk dat het tegenovergestelde waar is. Door Hitler neer te zetten als gezichtsloos monster, als het kwaad in eigen persoon, wordt hij van ons gescheiden. Hij is de vijand, de ander, het kwaad buiten ons. Hij is een afwijking, een mutant, niet normaal. Deze anomalie kunnen we bestrijden zonder dat we in ons eigen hart hoeven kijken. We kunnen onszelf blijven beschouwen als de goeden, de normale mensen, die zich nooit zouden verlagen tot wat Hitler heeft gedaan. Het is veilig. Maar toon Hitler als een mens als wij, met menselijke eigenschappen en beweegredenen, en we kunnen niet meer op onze onaantastbare positie blijven staan. We kunnen niet meer volhouden dat wij een ander soort mensen zijn, dat wij tot de categorie van de goeden behoren, dat ons geen blaam treft. Als Hitler een mens is zoals wij, zijn wij niet boven hem verheven. Dat zouden wij tot dezelfde wandaden in staat zijn. Dan zouden wij ook gevoelig zijn voor de verleiding van het kwaad. Dan zouden ook wij kunnen vallen. En dat voelt bedreigend. Daar voelen we ons ongemakkelijk bij. Daarom is het goed dat dit type films wordt gemaakt, want soms is het goed dat we ons wat ongemakkelijk voelen.

Der Untergang toont de laatste dagen van het befaamde Derde Rijk. De Russische troepen zijn tot vlak bij Berlijn genaderd en het bombardement van de stad begint. Hitler weigert echter te vluchten. Hij trekt zich met zijn staf terug in zijn ondergrondse bunker, in de hoop dat er hulptroepen zullen verschijnen. De legerleiding is daar echter niet zo zeker meer van. Het is duidelijk dat de top van de nazi-regering uit elkaar begint te vallen. Hitler wil echter niet van overgave weten. Ook weigert hij Berlijn te laten evacueren. Als de Duitsers niet overleven, hebben ze dat aan zichzelf te wijten. Het liefst zou Hitler heel Duitsland vernietigen, zijn rijk met hem ten onder laten gaan, maar Albert Speer heeft daar een stokje voor gestoken. De gevechten in Berlijn worden ondertussen steeds heviger, en de sfeer in de bunker wordt grimmiger. Uiteindelijk beseft zelfs Hitler dat er geen hoop meer is. De enige optie voor hem en zijn adjudanten is zelfmoord te plegen.

Dit is geen film voor een ontspannen avondje op de bank, niet bedoeld om even je zinnen te verzetten. Deze film vereist je aandacht, en stelt vragen die je uit je comfortzone zullen brengen. Het is meer dan vermaak. De film is bijna een documentaire. Hij is gebaseerd op de getuigenverklaring van Traudl, de secretaresse van Hitler, die de laatste dagen in de bunker zelf heeft meegemaakt (opnames van haar, genomen vlak voor haar dood, openen en besluiten de film). Wat in de film te zien is, is wat er over deze laatste dagen bekend is. Het is een reconstructie die volledig geloofwaardig lijkt. Ook de aankleding is realistisch, heb ik me laten vertellen. De acteurs lijken zelfs fysiek op de personen die ze spelen (ik heb begrepen dat daar zelfs computereffecten voor gebruikt zijn). Het is door het spel van de auteurs dat de film het niveau van een documentaire overstijgt, en je af en toe doet denken dat het opnames betreft van de werkelijke gebeurtenissen. Vooral het spel van Bruno Ganz als Hitler (een heel andere rol dan de zijne in de film Luther, die ik eerder dit jaar heb besproken) is bijna angstaanjagend overtuigend. Je kunt je als kijker nauwelijks aan de indruk onttrekken dat dit is hoe Hitler echt was. Tegelijk is de naïeve maar innemende secretaresse Traudl een goede gids door de nachtmerrie. Met haar identificeren we ons als kijkers, maar dat doet ons tegelijk de vraag stellen naar onze eigen betrokkenheid bij het kwaad. Was haar onschuld en jeugd een excuus voor haar werk voor de Fuhrer?

Dit is boven alles een film over het kwaad. Niet alleen het kwaad van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog, maar ook het kwaad in ieder mens, en ook in jou en mij. De centrale figuur is Hitler. Al in de eerste scenes van de film wordt hij getoond als een normale man, die een secretaresse zoekt. Hij stelt vriendelijke vragen aan de kandidaten voor de functie, en wordt niet boos als iemand een fout maakt bij het overtypen van zijn woorden, maar stelt eenvoudig voor overnieuw te beginnen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij een sympathieke man lijkt. Maar dit is geen film die Hitlers daden goed wil praten: hij heeft niets dan afkeer voor de zwakke Duitsers die de Russen niet konden tegenhouden. Hij heeft alleen oog voor zijn eigen glorie. Op de laatste dag van zijn leven zegt hij nog trots dat ook al valt het Derde Rijk, hij in elk geval Duitsland heeft verlost van het probleem van de Joden. Als hij zich verraden voelt door zijn adjudanten, ook al gaat het om de broer van  zijn verloofde, aarzelt hij niet het bevel te geven hen om te brengen. Maar tegelijk is hij iemand die geeft om het lot van zijn herdershond. Hitler wordt getoond als iemand die volledig overtuigt is van zijn eigen gelijk, zijn eigen positie: hij ziet zichzelf als God.
En weer anderen verafgoden Hitler en het systeem van het Nationaal-Socialisme. Daarbij gaat het in de film met name om Joseph Goebbels en zijn vrouw. Zij schuilen in dezelfde bunker. Vooral Goebbels vrouw gelooft heilig in het Nationaal Socialisme. Voor haar is Hitler een messias. Ze heeft al haar hoop op hem gevestigd. Ze wil ook niet dat haar kinderen zouden leven in een wereld zonder het Nationaal-Socialisme. Alles beter dan dat. Dus ontneemt ze in een gruwelijke scene haar kinderen het leven. Het systeem, de ideologie, heeft in haar hart een belangrijkere plaats gekregen dan het leven, de liefde. Zelfs het protest van haar dochter, die door heeft dat ze een slaapmiddel krijgt toegediend, kan haar hart niet zacht maken. Hierin zie ik een waarschuwing voor iedereen die een ideologie volgt, ook christenen en kerkgangers: pas op dat je de ideologie niet stelt boven de liefde, want als je dat doet zul je onherroepelijk mensen offeren op het altaar van je religie: je medemensen, je familie, zelfs je kinderen.
De film toont echter ook mensen die kiezen voor het goede, zoals de SS-kolonel en arts Ernst Gunther Schenk, die weigert Berlijn te verlaten. Hij riskeert zijn leven om medicijnen te zoeken, en zet zich tot het uiterste in om de levens van de Berlijnse burgers te redden. Hij is een held. Maar uit de geschiedenis weten we dat deze man in concentratiekampen experimenten uitoefende op de gevangenen. Hij was niet onschuldig. Hij verrichte gruwelijke, mensonterende daden. En zijn inzet voor het Duitse volk in Berlijn maakt dat niet ongedaan. Het goede en het kwade bestaan samen in zijn persoon.
En hoe zit het met secretaresse Traudl? Meerdere malen krijgt ze de gelegenheid de bunker te verlaten, maar ze weigert. Ze wil Hitler blijven ondersteunen. Ze claimt dat ze niet afwist van de gruwelen die onder het nazi-regime gebeurden, en niet wist dat Hitler een monster was. Maar was haar naïviteit een excuus? In de beelden voor en na de film zegt ze zelf dat ze het wel had kunnen ontdekken als ze er moeite voor had gedaan. Ze koos er bewust voor onwetend te blijven, en dat maakt haar ook schuldig.

Hetzelfde weekeinde dat ik deze film zag, las ik (toevallig?) een artikel over het bekende ‘Stanford prison experiment’. De onderzoeker die dit experiment uitvoerde heeft er een boek over geschreven: The Lucifer Effect - waarin hij betoogt dat alle mensen, hoe goed ze ook over zichzelf denken, in staat zijn gruwelijke daden te begaan. In het experiment werd een groep studenten willekeurig verdeeld tussen gevangenen en bewakers. De bewakers begonnen hun toevallige machtspositie te misbruiken. Ze behandelden de ‘gevangenen’ steeds slechter, tot mishandeling toe. Het is een huiveringwekkend verhaal, dat niet voor niets het uitgangspunt is geweest voor meerdere films.
Wat er zo angstaanjagend aan is, is dat normale, goed aangepaste jonge mensen, onder de juiste omstandigheden beestachtig gedrag gaan vertonen jegens hun medemensen. Er zijn zeker parallellen aan te wijzen met het nazi-regime. De ‘bewakers’ hadden macht gekregen over de ‘gevangenen’. Maar ze hadden niet alleen ‘macht’ - ze waren ‘de goeden’. De anderen waren immers gevangenen. De bewakers stonden aan de goede kant van de lijn. En dat wilden ze laten merken. Ze versterkten hun positie door de ‘gevangenen’ te vernederen, te onderwerpen. Ze tolereerden geen verzet. Ze maakten de ‘gevangenen’ tot minder dan zichzelf. Ze zagen ze niet meer als personen die waarde hadden en recht hadden op respect. Ze bestonden alleen nog als ‘gevangenen’. Ze waren geen individuen meer, maar een klasse, die minder was. En dus hoefden ze niet als individuen te worden behandeld. Net zo gaf het Nationaal-Socialisme de nazi’s een excuus om zichzelf te zien als ‘beter’ dan heel veel anderen, en dus om die anderen niet langer te behandelen als waardevolle personen, maar hen te onderdrukken, te vernederen en te doden.
Het probleem van het kwaad ligt echter niet in de ideologie. De ideologie is, ik gebruikte het woord al, een excuus. Ik geloof zelfs dat mensen vaak actief zoeken naar een ideologie waardoor ze zichzelf kunnen zien als ‘beter’ of ‘waardevoller’ dan anderen. Ook ik doe dat. Ik ben opgegroeid in een strenge kerk. En wij zagen onszelf als ‘beter’ dan andere christenen. Wij hadden immers het ‘licht’, we wisten hoe we God moesten dienen, hoe we moesten samenkomen, hoe we de bijbel moesten lezen. En dus waren andere christenen ‘minder’. We mochten niet samen met hen het avondmaal vieren, en eigenlijk mochten we ook niet met hen samenwerken in christelijke organisaties. We verketterden ze. (En we verketterden vooral christenen die ooit tot onze groep behoorden, maar van mening veranderd waren. Die werden uit de gemeenschap gestoten, en voortaan genegeerd.) Maar zolang we dachten dat we het gelijk aan onze kant hadden, zagen we dit niet als iets slechts, iets verkeerds. Onze ideologie was een afgod, en elke afgod geeft ons de gelegenheid onszelf te zien als belangrijk, waardevol, betekenisvol (en anderen als onbelangrijk, waardeloos en onbetekenend). Maar de afgoderij lag in ons eigen hart. Dit is blijkens Genesis 3 de kern van onze zondigheid: dat we als God willen zijn, en onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad (waarbij wij natuurlijk ‘goed’ zijn en de ander ‘kwaad’). Dit is de wortel van alle kwaad.

Het ‘Stanford prison experiment’ en films als Der Untergang laten zien dat de neiging onszelf te zien als beter dan anderen, om onszelf bovenaan te zetten, om zelfzuchtig te zijn, in iedereen aanwezig is, hoe aangepast of religieus ook. Het is deel van ons. Het is niet uit te roeien door een geloof aan te hangen, een programma te volgen of goede daden te doen. Deze neiging is niet met een vijf stappen-plan ongedaan te maken (we zouden er alleen maar trots op worden dat we de vijf stappen hebben volbracht). Hoe eerlijker je bent over de zelfzucht en trots in je hart, hoe sterker je beseft dat je jezelf er niet van kan bevrijden. Toch is dat wat we proberen in de maatschappij, maar ook in de kerk. Als we maar genoeg bidden, genoeg bijbel lezen, naar de dienst komen, geven aan goede doelen ... Maar al die dingen zijn maar pleisters op de wonde. Het kwaad blijft in ons schuilen. Wat we nodig hebben is een ingrijpen van buitenaf. We moeten verlost worden. We hebben een redder nodig.
Wat Der Untergang voor mij duidelijk maakt is dat we volledig afhankelijk zijn van God. We zijn volledig aangewezen op genade. Als het van mijn inspanning, of mijn eigen goedheid afhangt, al is het maar een klein beetje, ben ik verdoemd: want, zoals Paulus in Romeinen 7, weet ik dat het goede in mij niet aanwezig is. Ik wil het wel, maar ik kan het niet. Ik zie in mijn leden de wet van het kwaad: dat zelfs al wil ik God dienen, ik toch steeds mezelf op het voetstuk zet. Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen van dit bestaan dat onherroepelijk uitloopt op de dood? God zij dank voor Jezus Christus! Verlossing komt altijd van buitenaf. Niet van binnenuit. God vraagt niet van ons er iets voor te doen. We hoeven het alleen maar te accepteren. Het is genade.

woensdag 4 augustus 2010

Het evangelie van zonde-management 4: de kracht van de genade

Pogingen om je gedrag te veranderen lopen meestal op niets uit. In elk geval zolang je jezelf richt op het gedrag zelf. Met de juiste externe motivatie (angst voor straf/verlangen naar beloning) kun je behoorlijk ver komen. Met discipline kun je zorgen dat je goede cijfers haalt op school, kilo's gewicht kwijtraakt of mensen aardig behandelt. Maar of je wordt uiteindelijk moe, je discipline faalt, en je krijgt niets meer gedaan, of je wordt trots en gaat naast je schoenen lopen. Verder kun je ook een tijd lang zorgen dat je niet voor verleiding valt, dat je dat extra glas wijn laat staan, en een roddel niet doorvertelt. Maar uiteindelijk faal je en val je dieper dan ooit tevoren, of de onderdrukte verlangens uiten zich op andere manieren in je leven. En dan beginnen we weer van voren af aan. Als Jezus ons leert dat we onszelf moeten veranderen, als zijn boodschap er een is van 'zonde-management', dan is dat geen goed nieuws. Dan kunnen we beter niet geloven. Tot die conclusie kwam bijvoorbeeld C.S. Lewis (weet ik nu ik de biografie van George Sayer over hem aan het lezen ben). Hij voelde zich diep schuldig over een slechte gewoonte, maar hij kon er niet van afkomen. Hij loste dit dilemma op door dan maar het bestaan van God te ontkennen. Maar ook dat is een schijnoplossing. Het schadelijke gedrag, dat hem minder zichzelf maakte, bleef namelijk.
Gelukkig is de boodschap van Jezus er niet een van zonde-management, maar van Gods liefde voor verloren, onreine, zondige mensen. Jezus ontkent niet de schadelijkheid van ons verkeerde gedrag, onze zelfzucht, passiviteit en controle, en hij vindt het belangrijk dat wij God, anderen en onszelf liefhebben. Maar het goede nieuws is dat ons gedrag niet bepaalt hoe God over ons denkt en wat God ons wil geven. Op het kruis van Jezus kwam onze opstand tegen God volledig aan het licht, en bleek in het niet te vallen bij de heilige liefde van God. Het zwartste en donkerste plekje in ons hart werd openbaar, en werd door het vuur van Gods liefde gereinigd. God kent ons helemaal, en heeft ons vergeven. Al onze zonden, tot aan het eind van ons leven, zijn 'gratis'. We hoeven ons niet meer beter voor te doen dan we zijn. We hoeven niet meer wanhopig te proberen onze zonden te 'managen'. We hoeven geen gradaties meer aan te brengen, of te waken voor een glijdende schaal. Niets kan ons scheiden van de liefde van God in Jezus Christus. We zijn vrij.
En wat doen we als we vrij zijn?

Ik begon onder andere over dit onderwerp na te denken door het lezen van dit blogbericht, een paar weken geleden, waarin een aflevering van TV-serie Frasier (heb ik zelf niet gezien, overigens) wordt besproken. De hoofdpersoon krijgt de gelegenheid voor geld producten aan te prijzen op de radio. Hij denkt dat hij dat kan doen zonder zijn professionele integriteit aan te tasten, als het maar producten zijn waar hij zelf van houdt. Maar dan komt het aanbod van televisie. Daarvoor zou hij iets moeten aanprijzen waar hij niet van houdt. Hij vraagt zijn broer om advies en die zegt dat hij zijn professionele waardigheid al verspeeld bij zijn eerste radio-optreden. "Dus je zegt dat ik het niet moet doen?" "Nee," is het antwoord, "Ik zeg dat het er niet meer toe doet, wat je doet." Om zijn professionele waardigheid hoeft de hoofdpersoon zich niet meer druk te maken. Hij is vrij om te doen wat hij wil. En wat doet hij? Hij slaat het aanbod af. Hij kiest voor zijn integriteit. De toepassing volgens de schrijver: "Freedom in the Gospel does not create license. It creates the thing that ethics, that is the law, wanted in the first place. Righteousness."
Dat is wat Paulus zegt in Romeinen 8, direct na zijn betoog dat hij zichzelf niet kon veranderen met behulp van externe motivatiemiddelen: "Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist." Het gedrag dat in de wet beschreven staat, het gedrag dat past bij beelddragers van God, bij echte mensen, verschijnt pas in ons als we niet meer proberen ons gedrag te veranderen. Zolang je blijft proberen je gedrag te veranderen, zolang je bezig blijft met 'zonde management', neem je je eigen zelfzucht en gebrokenheid (de zonde) eigenlijk niet serieus genoeg. Dan zie je het als een afwijking die je uit eigen kracht zou moeten kunnen overwinnen, als iets dat met een beetje wilskracht uit de weg kan worden geholpen. Maar dat is niet wat de bijbel zegt: volgens de bijbel zijn wij niet in staat onszelf te verlossen uit dit leven dat wordt beheerst door de dood. Onze enige hoop ligt in het feit dat we ons gedrag niet meer hoeven veranderen. Ik heb al eens eerder aangehaald: "People who stress obedience over grace say we who stress grace over obedience think too lightly of sin; however, I believe the exact o-p-p-o-s-i-t-e.  Those who stress obedience over grace do not understand how deadly sin is.  We are saying that sin is a monster that we do not have any ability to conquer in ourselves, although we hate it—we want sin out of our lives, and the only way to get it out is to rely on grace." Het accepteren van Gods genade betekent dat we accepteren dat God in Christus volledig met de zonde heeft afgerekend, en dat ons gedrag (ten goede of ten slechte) er wat God betreft dus niet meer toe doet. Hier konden en kunnen we zelf niets voor doen of aan bijdragen. Onze 'krukken' van straf en beloning zijn waardeloos. De wet is buiten spel gezet ('Het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, heeft God uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen.' Kolossenzen 2:14). We kunnen Gods liefde alleen maar ontvangen als geschenk. En we gaan vervolgens onszelf zien zoals God ons nu ziet, dat is: als mensen uit wie de zonde is weggenomen, die zijn schoongewassen en die nu net zo in relatie tot Hem staan als Jezus zelf. We gaan onszelf zien als 'een nieuwe schepping, het oude is voorbijgegaan. Het is alles nieuw geworden' (2 Korintiers 5:17). Als 'dood voor de zonde, maar levend voor God' (Romeinen 6).
En dat heeft gevolgen voor ons gedrag. Wanneer we onszelf zien als mensen van wie God houdt, zullen we ook zelf gaan houden van God, andere mensen en onszelf. Jezus zei het al: wie veel is vergeven, zal veel liefhebben. En Johannes stelt dat wij liefhebben, omdat God ons heeft liefgehad. Onze liefde zal dus niets te maken hebben met angst voor straf, of een verlangen naar beloning, maar komt volledig van binnenuit. We zullen er niet trots op zijn, we zullen ons niet vergelijken met anderen of met een of ander ideaal, we zullen onze daden, onze gedachten en onze woorden niet meer in een weegschaal leggen. We zullen liefhebben omdat we er zelf voor kiezen, omdat we ernaar verlangen. We hebben lief omdat we vrij zijn. En wie liefheeft, zegt de Bijbel, heeft de wet vervuld.

Als we ons niet meer richten op manipulatie van ons gedrag heeft dat twee gevolgen. Het leidt ertoe dat we kunnen genieten van het goede waar we naar verlangen zonder ons schuldig te voelen, en tegelijk dat we het slechte kunnen nalaten zonder dat we onszelf daartoe moeten dwingen. Een vriend van mij wil bijvoorbeeld graag op een gezond gewicht blijven. Hij probeert zich dan ook aan een paar dieetregels te houden. Maar hij merkte dat hij regelmatig in de supermarkt een pak koekjes kocht en dat dan helemaal op at. Daar was hij niet blij mee, maar hoe hij zich ook voornam geen koekjes te nemen, hij bleef ervoor vallen. Uiteindelijk realiseerde hij zich dat het eten van koekjes niet het probleem was, maar dat het ergens vandaan kwam. Er was iets in hem, een leegte of verveling, waardoor hij tot het eten van koekjes werd aangezet. De volgende keer dat hij trek kreeg in koekjes streed hij niet tegen dat verlangen. Hij kocht de koekjes en at ze op. En terwijl hij zijn koekjes at, dacht hij terug aan de uren daarvoor, realiseerde hij zich dat hij zich aan het vervelen was geweest, en probeerde hij na te gaan hoe hij dat eerder kon herkennen. Zijn strijd was niet tegen de koekjes, maar tegen de verveling. Als hij zich minder verveelde, zou hij ook minder vaak naar de winkel gaan. En, zei hij, de koekjes hadden nooit zo lekker gesmaakt als op dat moment. De koekjes waren namelijk in zichzelf goed en hij was vrij ervan te genieten zonder zich schuldig te voelen.
Ikzelf vertelde in een eerder bericht over mijn slechte nachtrust van een paar weken geleden, en hoe ik worstelde met een bepaalde verleiding. Ik vocht ertegen, maar tevergeefs. Ik heb ook beschreven hoe ik me realiseerde dat ik had geprobeerd met discipline en afvinklijstjes mezelf te veranderen, en hoe ik daar gestresst van was geraakt. De externe motivatie werkte niet, en dus vluchtte ik in passiviteit. Ik sprak erover met een vriend, we herinnerden elkaar aan de onvoorwaardelijke liefde van God, aan het feit dat we zelf niet in staat zijn onszelf heilig te maken, en dat het leven alleen in Jezus te vinden is. We baden: ik voor hem en hij voor mij. We vierden samen het avondmaal - symbool van het kruis waar God met alle externe motivaties afrekende. En die avond sliep ik als een roos. En tot nu toe alle avonden daarna (okee, ik ga soms nog steeds wat laat naar bed, maar ik val wel snel in slaap). Bovendien was de verleiding waar ik mee worstelde verdwenen. Ik voelde geen enkel verlangen meer naar datgene waar ik eerst niet van af kon blijven. Het was in rook opgegaan. Ik was vrij. En ik had er niets voor hoeven doen.
Dat is de boodschap van de bijbel. Dit is werkelijk goed nieuws.

woensdag 28 juli 2010

Het evangelie van zonde-management 2: de krukken van straf en beloning

We leven in een omgeving, zowel binnen als buiten de kerk, die is gericht op het veranderen van ons gedrag. We moeten bepaalde dingen meer doen (meer werken, meer geven, meer bidden) en bepaalde dingen minder (luieren, zondigen, et cetera). We moeten voldoen aan een bepaald ideaalbeeld. Om dat te bereiken moeten deze personen en organisaties onze keuzes van buitenaf beïnvloeden. En de enige manier die ze daarvoor kennen bestaat uit straf en beloning. Als we iets doen dat ongewenst is, wordt ons iets ontnomen. Als we iets doen dat gewenst is, krijgen we iets. Zo werkt het al bij het trainen van dieren. Een hond die een kunstje kan, krijgt een koekje. Een hond die te veel blaft, krijgt een schop. De hond doet geen kunstjes omdat hij een kunstenaar is, maar omdat hij koekjes wil. De hond is niet stil omdat hij niets te melden heeft, maar omdat hij pijn uit de weg wil gaan.
Ouders gebruiken dezelfde technieken bij de opvoeding van kinderen. Ze worden boos als kinderen (met of zonder opzet) een verkeerde keuze maken, en in hun boosheid tasten ze het zelfbeeld van hun kinderen aan. Ze zijn lovend en enthousiast als hun kinderen meehelpen of iets heel goed doen, en die leren dat ze perfect moeten zijn om als waardevol te worden beschouwd. Het zijn de methodes van Sinterklaas: 'Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.' Maar als dit er al toe leidt dat kinderen zich de laatste weken van November beter gedragen, dan in elk geval niet omdat ze dat graag willen (wat mooi wordt geïllustreerd in de stripverhalen van Casper en Hobbes, waar het jongetje Casper voortdurend probeert onder de eisen van de Kerstman uit te komen ...)
Scholen doen niets anders. Niets is waardevrij, aan alle activiteiten wordt een beoordeling gehangen. Wie een onvoldoende haalt, moet zich schamen. Wie een hoog cijfer haalt, krijgt een stickertje. Het bedrijfsleven maakt hiervan ook gebruik. Bij ons is dit jaar het functiewaarderingsssyteem ingevoerd: wie goed presteert krijgt meer salaris, wie meerdere jaren achter elkaar slecht zijn best doet, moet oppassen dat hij zijn baan niet verliest. Ik schreef er al eerder over hoe mij dat tegen de borst stuit. En morgen hebben we een bijeenkomst waar zal worden verteld dat we allemaal moeten gaan tijdschrijven. Weer een manier om mensen te beoordelen en op hun prestaties af te rekenen. Bovendien is het ondertussen uit wetenschappelijk onderzoek bekend dat een hogere beloning alleen motiveert bij klusjes waar men niet bij hoeft na te denken. Als het gaat om uitdagend werk, werkt het beloningssysteem juist averechts (zie deze video). Hoe meer je vertrouwt op beloning en straf, hoe minder motivatie mensen hebben en hoe minder ze produceren. Ik zag hetzelfde principe geillustreerd in de film Hellboy 2 - The Golden Army (een prachtige, fantasievolle en zelfs humoristische fantasyfilm). De geheime organisatie voor paranormaal onderzoek en verdediging doet haar best de rebelse wildebras Hellboy (een rode demon met een staart en afgevijlde hoorns) onder controle te houden. Hij wil zich namelijk aan het publiek tonen en dat mag natuurlijk niet. De bureaucratische directeur van de organisatie probeert van alles. Hij leest Hellboy de les, dreigt zijn privileges in te trekken, en belooft hem sigaren als hij zich gedeisd houdt. Maar het werkt allemaal niet. Hoewel Hellboy belooft onopvallend te werk te gaan, maakt hij gebruik van de eerste de beste gelegenheid toch in de openbaarheid te komen. Zijn baas krijgt er hoofdpijn van, en laat een harde kerel komen vanuit Washington, die 'Hellboy' wel aan zou kunnen ... Echte verandering komt echter pas wanneer Hellboy zich uit zichzelf anders WIL gedragen.

De externe motivatietechnieken van straf en beloning leiden tot onvrijheid. Ze zorgen ervoor dat we niet kunnen doen wat we willen (omdat we bang zijn voor straf), en dat we doen wat we niet willen (omdat we niet de beloning willen mislopen). In elk geval kunnen we niet onszelf zijn. We wijzen onszelf af als we tekort komen aan het ideaal, of we accepteren onszelf alleen als we het ideaal halen. Uiteindelijk leidt dat of tot depressie, passiviteit, wanhoop en overspannenheid, of tot trots, hoogmoed, afkeer van mensen die minder zijn dan jij en huichelarij. Of we geven de moed helemaal op en doen niets meer en laten alles toe, of we gaan op in een systeem van regels en wetten die we onszelf opleggen. En we kunnen niets anders, omdat we nooit een andere manier hebben geleerd om naar ons gedrag te kijken. Straf en beloning vormen de enige motivatie die we kennen. En dus zijn het de enige technieken die we op onszelf kunnen toepassen. Dus blijven we onszelf afwijzen als we falen, blijven we onszelf veroordelen, blijven we onszelf het goede ontzeggen als we in onszelf teleurgesteld zijn. En we blijven ons vastklampen aan onze prestaties om ons goed te kunnen voelen, we blijven zoeken naar complimenten en lof van anderen, omdat we alleen daardoor onszelf kunnen aanvaarden.

Deze patronen zijn diep ingesleten. Ik moet denken aan de hond van kringgenoten van mij. Die was vroeger door zijn baasje met een stok geslagen. En heel wat jaren later schrok hij nog steeds van mannen met een wandelstok, en vluchtte ervan weg. Ik las gisteren een vergelijkbaar voorbeeld in het boek A Scandalous Freedom van Steve Brown, die zelf een mishandelde hond heeft verzorgd. De hond bleef zich voortdurend gedragen alsof hij straf verdiende. Hij zag zichzelf als een 'stoute hond'.
Maar mensen reageren niet anders. Mijn ouders werden bijvoorbeeld boos toen ik op de middelbare school lage cijfers haalde. Ze dreigden me van het gymnasium af te halen als ik op mijn laatste rapport van het jaar nog steeds onvoldoendes had. Tegelijk beloofden ze me een vijfgangendiner als ik mijn opleiding zou afmaken. Vervolgens ging ik inderdaad meer huiswerk maken, maar niet omdat ik graag wilde leren. Nee, alleen omdat ik bang was voor mijn ouders (en van eten hield). Ik zag mezelf als een mislukking als ik ondanks het leren toch een laag cijfer haalde, en dacht alleen positief over mezelf bij een hoge voldoende. Tijdens mijn studie raakte ik zelfs een keer in een dip omdat ik een zeven haalde in plaats van de gebruikelijke achten en negens. Ik was een perfectionist geworden. Ik heb vaker gezegd dat ik 'gelukkig' overspannen werd.
Maar het patroon van het perfectionisme zit er bij mij nog steeds diep in. Zo zat ik de afgelopen week niet zo lekker in mijn vel. Ik sliep een paar nachten achter elkaar slecht. Bovendien viel ik voor een verleiding waar ik al maanden lang, meer dan een jaar zelfs, niet meer door gebonden was geweest. Ik raakte in een negatieve spiraal. Pas eergisteren realiseerde ik me dat deze beide dingen (mijn slechte slapen en mijn toegeven aan verleiding) samenhingen met het feit dat mijn neiging tot controle weer de overhand had gekregen. Ik had een afvinklijstje gemaakt met alles wat ik aan het uitstellen was, en probeerde alles te doen wat op het lijstje stond, maar daardoor stond mijn agenda nu al wel twee maanden in het voren vol. En ik had ook ontdekt dat ik veel dingen waarin ik vond dat ik moest veranderen, niet zo snel voor elkaar kon krijgen als ik hoopte. Ik was teleurgesteld in mezelf. En dus strafte ik mezelf, en zocht afleiding van mijn pijn in verkeerde 'pijnstillers'. Een vriend van mij legde maandag de vinger op de zere plek. Ik luisterde naar de 'aanklager'.
Mijn vriend stelde ook een indringende vraag. Hij vroeg me wat de 'ziektewinst' was van mijn zelfveroordeling. Welk voordeel leverde het mij op dat ik mezelf zo strafte? Wat deed mij steeds weer terugvallen op deze technieken? (Ik nam zijn vraag extra serieus omdat ik net een paar dagen eerder van een vriend iets vergelijkbaars had gehoord. Die had twee psychologen afgeluisterd in een cafe, waar ze spraken over het feit dat een neurose, of een situatie zoals passiviteit, altijd een voordeel biedt voor degene die passief of neurotisch is. Er is iets in de ziektetoestand die ertoe leidt dat je er vaker in terug wilt komen. Als ik in korte tijd van twee mensen hetzelfde hoor, spits ik mijn oren!). Om de een of andere reden kies ik er toch steeds voor om mezelf te straffen met schuldgevoelens en afwijzing als ik tekortschiet, of om mijn prestaties (het vullen van een afvinklijstje) te gebruiken om me goed over mezelf te voelen. Ik vermoed dat het is omdat ik bang ben dat ik anders zou mislukken. Ik zou toegeven aan elke verleiding, en mijn leven verpesten. Deze technieken zijn de enige die ik ken om me daartegen te beschermen. Ze zijn de enige technieken die ik heb om iets van mijn leven te maken. Straf en beloning zijn mijn krukken waarmee ik staande blijf.
Maar ze voldoen niet, dat bleek afgelopen week maar weer. Ik heb iets anders nodig. Een intrinsieke motivatie. Maar ook moet de motivatie van buitenaf zijn invloed op mij verliezen. Ik ken maar EEN ding dat voor beiden kan zorgen. De film Hellboy 2 geeft daarvan een voorproefje. Hellboy ligt op sterven. Zijn vriendin Liz krijgt de vraag of ze wil dat hij in leven blijft. Zelfs als in de sterren geschreven staat dat Hellboy bestemd is om de wereld te vernietigen. Dat wil ze. Vervolgens geeft ze hem een reden om te leven: hij wordt vader. Haar onvoorwaardelijke liefde voor Hellboy nam de kracht van externe motivatie weg. Zijn onvoorwaardelijke vaderliefde, werd nu zijn motivatie van binnenuit. Dat betekent echter niet dat Hellboy nu het gedrag gaat vertonen dat zijn werkgever van hem eist, dat hij zich houdt aan de regeltjes van de organisatie. Nee, hij onttrekt zich aan het systeem, levert zijn badge in, en kiest voor zijn vriendin en zijn toekomstige kinderen. Hij is vrij. En zijn voorbeeld inspireert anderen om hetzelfde te doen. Zien jullie daar net als ik iets in van het goede nieuws van Jezus?

zondag 25 juli 2010

Het evangelie van zonde-management 1: Goed of slecht nieuws?

Een van de meest indringende gedeeltes uit de bijbel is Romeinen 7, waarin Paulus beschrijft dat hij een probleem heeft met zijn gedrag. En het gaat niet om een vervelende gewoonte waar hij iets aan wilde doen (zoals de toiletbril open laten staan of mensen onderbreken voor ze zijn uitgesproken). Het is veel ernstiger: hij had zichzelf niet onder controle. "Het goede dat ik wil doen, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet doen wil, doe ik juist wèl" (Romeinen 7:19). Hij kon niet voldoen aan zijn ideaalbeeld (de wet), en merkte dat hij keer op keer deed waarvan hij een afkeer had (de zonde). Ik herken dit wel. Ik wil mijn huishouden op orde houden, en dingen doen die ik lang uitgesteld heb. Maar ik wordt er moe van, en er blijven toch weer taken liggen. Ik wil me assertief gedragen, en geen 'ja' zeggen tegen verkopers van telefoonabonnementen aan de telefoon. Toch heb ik om de paar maanden een nieuw telefoonabonnement. Aan de andere kant wil ik gezond eten, en mijn gewicht op peil houden. Maar de snacks op het station zijn te verleidelijk, en de wijzer op de weegschaal kruipt toch weer omhoog. Ik wil niet toegeven aan verleiding, maar hoe harder ik weerstand bied, hoe sneller ik ervoor bezwijk. Sommigen beschouwen deze passage uit Romeinen 7 als beschrijving van het leven van een ongelovige, of in elk geval van een 'vleselijke christen'. Echte christenen zouden hun gedrag op orde kunnen houden. Zij hebben een te heilig beeld van Paulus. Wie was het die schreef dat hij een doorn in zijn vlees meedroeg die niet van hem werd afgenomen? Wie schreef dat hij de grootste van alle zondaren was (niet 'was geweest')? Wie zei: "Als er iemand zwak is, dan ben ik het wel; gaan anderen onder verleidingen gebukt – ik word erdoor verteerd" (2 Korintiers 11:29)? Ik denk ook dat ze zichzelf niet kennen en in elk geval andere mensen niet. Ik heb afgelopen week met meerdere mensen gepraat die worstelden met verleidingen waar ze keer op keer aan toegaven, van het eten van teveel koekjes, tot TV-verslaving. Mensen die in conflicten hun mannetje wilden staan, maar steeds weer toegeven. Mensen die worstelen met controle en passiviteit. Dit is de menselijke ervaring, voor gelovigen en ongelovigen.

En we willen een oplossing. Het ontkennen van het probleem is dat niet. Zeggen dat ons gedrag eigenlijk goed is, kunnen we niet, als we eerlijk zijn. We kunnen niet tevreden zijn met het feit dat we anderen voortdurend over onze grenzen laten lopen. Dat onze omvang steeds verder toeneemt is niet iets positiefs (en beschadigd uiteindelijk onze gezondheid). Net zo kunnen we onze verslavingen niet veronschuldigen: ze doen schade aan onze omgeving en ook aan onszelf. Ik moet denken aan de film met Kevin Costner die ik een poos terug zag: Mr. Brooks. Hierin speelt hij een doorsnede man uit een doorsnede Amerikaanse buitenwijk, met een fijn gezin. Hij heeft alleen een probleem wat betreft zijn gedrag. Hij is namelijk verslaafd aan moorden. Hij kan de verleiding (de stem in zijn hoofd, gepersonificeerd door William Hurt) niet eindeloos weerstaan. Keer op keer weet die hem ervan te overtuigen dat hij zijn 'kick' moet krijgen. Maar hij weet dat het niet goed is mensen te vermoorden, en hij doet zijn uiterste best om te voorkomen dat zijn dochter hetzelfde pad op zou gaan als hij. Hij weet dat het doden van anderen in bijbelse termen een 'zonde' is. Hij kan er alleen niet meer ophouden.

Maar er lijkt geen antwoord te zijn. Meer wilskracht, zeggen mensen. Meer discipline. Doe deze oefeningen. Lees meer uit de bijbel. Meer bidden. Ga naar deze conferentie of lees dit boek. Dat hebben al deze mensen gedaan. Paulus had heus niet stil gezeten. Hij had alle technieken in de strijd gegooid, maar delfde toch het onderspit. Hij was de Farizeeër van de Farizeeërs. Hij had zich gehouden aan alles wat in de wet stond, aan alle verplichtingen voldaan, maar hij had zijn probleem er niet mee opgelost. Waar hij het op de ene plek de grond induwde, spoot het ergens anders met twee keer zoveel kracht naar buiten, zodat hij uiteindelijk zelfs meewerkte aan steniging, gezinnen uiteen rukte en christenen in de gevangenis opsloot. Zijn hart veranderde niet. Ikzelf heb ook van alles geprobeerd. Ik heb bijbelteksten uit het hoofd geleerd, ik heb maanden lang dag aan dag gebeden, ik maakte goede voornemens, stelde afvinklijstjes op en meer. Anderen hebben een coach, gaan naar conferenties, slikken medicijnen, alles om iets te doen aan hun verslaving. Mr. Brooks uit de film volgde trouw de bijeenkomsten van Alcoholics Anonymous, en herhaalde religieus het gebed van deze organisatie. Hij had vast alle zelfhulpboeken over verslaving gelezen. Maar het lukte hem niet de stem in zijn hoofd tot zwijgen te brengen. Een jaar, zelfs twee jaar op uiterste wilskracht, maar dan was het weer zover. Zijn verlangen moest worden vervuld. Onze technieken lijken niet te werken.
Ze kunnen ook niet werken. Ooit geprobeerd niet aan een paarse olifant te denken? Ooit geprobeerd niet aan dat heerlijke ijs in de koelkast te denken? Als ik me voorneem om voorbij te lopen aan de Swirls in de stationshal, eindig ik vaak in de rij voor de kassa. Want door een idee of verlangen te proberen te onderdrukken, roep je haar alleen maar op in je bewustzijn. En elke aandacht, ook negatieve, maakt het idee of de gedachte alleen maar sterker. Zo zitten onze hersenen in elkaar. En tegelijk denk ik dat er een principe is waardoor al het gedrag waartoe we onszelf dwingen, alleen maar moeilijker wordt, omdat het wordt geassocieerd met het 'moeten'. De reden waarom we naar het veranderde gedrag verlangen verschuift naar de achtergrond, en we doen het alleen nog uit plicht. En daar knappen we uiteindelijk op af. Zowel het toegeven aan de verleiding als de strijd ertegen leidt tot gebondenheid. We raken gevangen door de teleurstelling in onszelf, en verlamd door de straf van schuldgevoel die we onszelf opleggen. We veroordelen onszelf omdat ons gedrag niet voldoet aan ons ideaal, en ons oordeel over onszelf is dat we niet goed zijn. We accepteren niet de persoon die we zijn. De persoon die we kennelijk zijn, verdient het niet te leven (dat is de kern van deze zelf-veroordeling). In de woorden van Paulus: "Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?" (Romeinen 7:22-24).

Toch, en hier komt de titel van dit bericht om de hoek kijken, richten de boodschappen in de kerk zich vaak op ons gedrag. We moeten meer doen: meer bidden, bijbellezen, stille tijd houden, evangeliseren, dienen en geven. Of we moeten minder doen: minder zondigen, minder televisie kijken, minder roken, minder toegeven aan seksuele verslavingen zoals pornografie. Ik heb ooit een van de oudsten van de gemeente waar ik naartoe ging, horen zeggen dat we als christenen eigenlijk altijd tegen een zonde zouden moeten vechten. "Als je de ene zonde in je leven hebt overwonnen, komt er een volgende aan waar je weerstand tegen moet bieden." Het leven als christen bestaat kennelijk bijna volledig uit het bieden van weerstand tegen iets dat je niet wilt, door je te verplichten tot iets dat je niet uit je zelf wilt. We moeten steeds nieuwe technieken leren, steeds nieuwe stappenplannen volgen om tot een 'doelgericht leven' te komen.
De Amerikaanse filosoof Dallas Willard noemt dit treffend 'The gospel of sin management' - het evangelie van zonde-management. Want daar komt het op neer: je zonden managen. Het doel is dat we in elk geval aan de buitenkant perfect zijn, dat we passen in het beeld van de christen, zoals dat in de kerk wordt neergezet. Ja, we zijn gered, en daar zijn we dankbaar voor. Maar nu moeten we zorgen dat onze redding voor God de moeite waard was. God houdt van ons, maar nu moeten we onszelf die liefde waard maken. Zelfs preken die beginnen met genade, eindigen vaak met een oproep tot het een of ander, die die boodschap uit het begin teniet doen. Een kennis verzuchtte ooit (ik heb het volgens mij al eerder op deze blog aangehaald): "Ik heb nog niet eens bereikt wat ik de vorige keer in de kerk hoorde, en de volgende zondag krijg ik weer een ander doel opgelegd, en dan weer een ander." Ik geef eerlijk toe dat ik door mijn achtergrond gevoeliger reageer op dit soort boodschappen dan anderen, maar dat maakt deze prediking van gedragsverandering niet effectiever. Ik hoef alleen maar te luisteren naar de verhalen op onze bijbelkring om dat te beseffen. Ik ben niet de enige in de kerk die gebukt gaat onder zijn falen. Het evangelie van de zonde-management is helemaal geen goed nieuws. 'Verander je gedrag' is geen blijde boodschap. Zelfs niet 'God houd van je, dus verander je gedrag'. Het is niets anders als de boodschap die ons bereikt uit andere religies (houd je aan de vijf zuilen, zorg dat je onthecht raakt) en uit de maatschappij (wees een productief burger, koop deze kleren, wees acceptabel et cetera). Het is religie. Het is niets anders dan de boodschap die de Farizeeën brachten. En het heeft niets te maken met het werkelijke goede nieuws, dat Jezus zei te brengen. Dat riep juist op tot bekering van het religieuze zelf-verbeteringstraject. Lees Marcus 2 maar eens: Jezus gaat in tegen alle op gedrag gebaseerde leringen, zowel wat betreft het niet doen van sommige zonden, als het wel doen van bepaalde rituelen. Geen wonder dat de religieuze orde aanstoot aan hem nam, maar dat vele tollenaars en zondaars hem volgden.

Dit wordt volgens mij weer een mini-serie. In de volgende aflevering wil ik proberen na te gaan wat de boodschap van Jezus dan wel was en waarom dit wel goed nieuws was (en waarom Paulus na Romeinen 7 ook Romeinen 8 kon schrijven).
 

vrijdag 26 februari 2010

Judas: een probleem voor postmoderne mensen

Deze week liep ik twee keer tegen Judas aan. Niet letterlijk natuurlijk. De man is al bijna tweeduizend jaar dood. Ik bedoel het natuurlijk figuurlijk. De eerste keer was op de kring van onze kerk afgelopen woensdag. We behandelen namelijk de apostelen en deze avond hadden we er twee heel interessante. Petrus en Judas. Niet zo gepland, maar wel een mooi contrast: degene die Jezus verloochende, en degene die Jezus verraadde. Er werden boeiende vragen gesteld. Hoe kwam Judas aan zijn einde, doordat hij zich verhing, of doordat hij viel en zijn ingewanden kwamen eruit? En wie kocht precies die akker? En op welk moment maakte Judas de keuze om Jezus te verraden?
Maar het meest interessant was de vraag: kun je het je voorstellen dat Judas zo'n keuze maakte? Daar kwamen uiteenlopende antwoorden op. Sommigen vonden het heel moeilijk zich het verraad van Judas voor te stellen. Hij had toch drie jaar met Jezus opgetrokken? Hij moest dus toch door iets in Jezus' boodschap zijn aangesproken? Hij had toch al die tekenen en wonderen gezien? Hij bleef zelfs bij Jezus toen vele anderen hem verlieten (in Johannes 6). "Ik zou zoiets nooit doen", zei iemand zelfs als ik het me goed herinner. Dus legden we de nadruk op de teksten die suggereren dat Judas door de satan werd aangestuurd, dat hij daardoor geen keuze meer had. Pas op voor de duivel, want die kan je slechte dingen laten doen. (Iets dergelijks kwam aan bod bij onze discussie over Petrus, "Ga achter mij, Satan", zegt Jezus als Petrus hem ervan wil weerhouden te sterven (ironisch genoeg het omgekeerde van Judas). En op kring werd uitgelegd dat op dat moment Petrus onder de invloed was van de duivel, die hem die woorden deed uitspreken.

De tweede ontmoeting met Judas deze week was toen ik in De Pers las over de Judaspassie - een concurrent van die van Mattheus en Johannes- gebaseerd op (driemaal raden) het evangelie van Judas. Volgens deze gnostische tekst ziet Jezus Judas als zijn beste leerling en enige vertrouweling, en vraagt Judas hem bij wijze van ultieme vriendendienst te verraden. Judas draagt Jezus over naar zijn eindbestemming en wordt zo de held. Het was al de plot van de musical Jesus Christ Superstar uit 1970 (een van mijn favorieten overigens, de volgende paragrafen betekenen niet dat ik niet hardop meezing met de geweldige liederen ... binnenkort de film maar weer eens kijken). In deze musical wordt de suggestie gewekt dat Judas Jezus verraadt omdat hij ziet dat de stijgende populariteit van Jezus hem in botsing zal brengen met de romeinen. Ook wordt gesuggereerd dat Jezus zelf Judas er toe brengt naar de hogepriesters te gaan. En Judas wil geen geld van de priesters aannemen, nee, hij doet het (meent hij) met de beste motieven, niet voor geld. (De musical, maar vooral de film, zijn genuanceerder dan de Judaspassie. De indruk wordt gewekt dat Judas rijker gekleed gaat dan de andere discipelen. En in een scene met tanks wordt heel symbolisch de duivelse invloed in beeld gebracht.)
Beide -Judaspassie en Jesus Christ Superstar- komen eigenlijk voort uit dezelfde vraag die we ons op kring stelden: kun je het je voorstellen dat Judas zo'n keuze maakte? En opnieuw is het antwoord: nee. We kunnen ons niet voorstellen dat iemand zijn vriend verraad voor geld, als hij drie jaren met hem heeft opgetrokken. Zoiets zouden wij zelf immers nooit doen. Omdat we als moderne mensen niet geloven dat duivels ons tot zoiets kwaads zouden kunnen dwingen, blijven er twee opties over: of Judas was niet een normaal mens, maar een monster. Een psychopaat. (Maar dan had hij toch niet tot de apostelen behoord? Ze waren een religieus gezelschap!) Of: wat Judas deed was niet verkeerd, omdat het iets was dat Jezus zelf wilde. Jezus wilde zelf naar het kruis en hij had kennelijk iemand nodig om hem te verraden. Omdat zo de wil van God vervuld kon worden. De daad van verraad van een vriend (door de meeste mensen ongeacht de context als een gruwel beschouwd) is opeens een heldendaad geworden.

Kennelijk is in de afgelopen veertig/vijftig jaar ons beeld van de mens en van onszelf veranderd. We geloven niet meer dat een normaal mens in staat kan zijn tot een daad als die van Judas. We geloven niet meer dat een gewoon persoon op een bepaald moment het verkeerde kan willen of doen. Sterker nog: we geloven niet meer in het bestaan van een moreel goed of kwaad waaraan onze keuzes/verlangens wel of niet voldoen. Anders gezegd: we geloven niet meer in de zonde.
We zien onszelf en de mens in het algemeen als hoogste macht. Het heelal is een koude plaats, gemaakt van atomen, waar het in principe niets uitmaakt wat je doet of verlangt. Er is geen God die alles gemaakt heeft en heeft besloten wat goed, waardevol en liefdevol is. Wij kunnen kiezen en er is niemand boven ons aan wie we verantwoording moeten afleggen. Er is geen objectief 'goed' of 'slecht'. We bepalen zelf wat we mogen doen en verlangen. Wie zegt mij dat ik iets niet zou moeten doen of iets anders juist wel? Wat gaat het die ander aan? We kunnen hooguit als maatschappij bepaalde afspraken maken, zodat we als gemeenschap kunnen blijven functioneren. En we worden geacht ons aan die afspraken te maken. Als we dat niet doen, worden we door de gemeenschap gestraft. Dat is de belangrijkste reden om bepaalde dingen niet te doen. Verder, zolang de ander ermee instemt, en zijn toestemming geeft, mag je (vrijwel) alles doen volgens de moderne mens. Het gaat erom dat je het allebei wilt. Vrijheid van keuze staat vooraan. Over verlangens/gedrag mogen we niet oordelen, zolang het niemand pijn doet.
Daarom: we winden ons op over dierenwelzijn. Wij gebruiken dieren en niemand heeft ze om toestemming gevraagd. We protesteren tegen dierproeven, bont, bioindustrie et cetera. Volgens filosofen zouden we allemaal vegetariër moeten worden, omdat de manier waarop wij dieren behandelen de grootste morele misstand is van onze tijd. (Misschien hebben ze wel gelijk. Er is veel mis in de manier waarop wij omgaan met de schepping.) Aan de andere kant hoor ik die filosofen dan niet over abortus. Immers, vrouwen moeten zelf over hun lichaam kunnen beslissen (pro choice). Zolang het klompje cellen niets kan voelen en niets kan uiten, kan niemand mij dwingen het te houden. Het is moreel neutraal. Ik kan zelf uitmaken of ik het laat ontwikkelen tot een mens. Goed en slecht heeft daar niets mee te maken. Ik zelf geloof dat abortus een groter recht heeft 'de grootste morele misstand' van onze tijd te zijn dan dierenwelzijn.
Andersom: mensen die dingen willen of doen terwijl anderen daar geen toestemming voor willen of kunnen geven, moeten dus wel als monsters, als psychopaten, worden behandeld. Want omdat voor mij mijn eigen wil mijn morele maatstaf is, en alles wat ik wil dus 'goed' is en toegestaan moet worden, moet ik ervan uitgaan dat dit ook geldt voor de ander, dat die ander zelf zijn morele kompas bepaalt. Als hij iets wil dat ik beoordeel als 'slecht', als in strijd met mijn morele maatstaf, betekent het noodzakelijk dat die hele persoon dus slecht is. Want we denken dat hij het ziet als iets 'goeds', puur omdat hij het wil. En omdat hij iets dat ik zie als 'slecht', ziet als 'goed', verdient hij het door mij veroordeeld en verkettert te worden. Dat hij als totale mens afkeurenswaardig is. Dat hij uit de gemeenschap moet worden verstoten.
Kijk hoe activisten mensen behandelen die bont dragen. Ik zeg niet dat ikzelf bont zou dragen (ben er nog niet uit. Maar ja, ik eet wel vlees, en ik draag leren schoenen. Dus waarom niet?). Maar de 'dierenbeschermers' roepen wel heel extreme dingen naar mensen die in bont gekleed gaan. Het zijn in hun ogen verwerpelijke mensen. Monsters, die als minderwaardig aangesproken mogen worden, die geen respect verdienen. Dit gaat twee kanten op, want tegelijk zijn deze mensen verontwaardigd over fundamentalistische moslims (en christenen) die zich uitspreken over hun eigen manier van leven (abortus, vrije seksualiteit, et cetera). De fundamentalisten beroepen zich op het bestaan van een morele realiteit, die ook voor hen zou gelden. Maar daarmee doen ze inbreuk op hun (vermeende) vrijheid zelf te bepalen wat goed en slecht is. Dat is slecht, dus zijn ook deze mensen 'monsters'.

Morgen de controversiële tweede helft van dit bericht ...