Posts tonen met het label onvrijheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onvrijheid. Alle posts tonen

zondag 4 januari 2015

Filmbespreking: V for Vendetta

Toen ik gisteren mijn op een na jongste broer aan de lijn had, vertelde die me over iets dat hij in het nieuws had gelezen. Hij zei eerst dat hij had gelezen dat er in de wet zou worden opgenomen dat kinderen voor hun ouders op leeftijd zouden moeten zorgen. En daarvan vroegen we ons al of of kinderen dat wel met zoveel enthousiasme zouden doen als het niet vrijwillig was. Maar helemaal raar was dat omdat laatst weer iemand was aangetroffen die drie jaar dood in zijn huis had gelegen, er een regel zou komen dat buurtbewoners minstens een keer per jaar bij elkaar op bezoek zouden moeten. Maar verplichtingen werken vriendschap en echte relatie heus niet in de hand, en zijn dus geen oplossing tegen eenzaamheid. Als ik verplicht bij mijn buren op de koffie zou moeten, zouden het nooit vrienden van me worden. Toch denken we dat wetten overal het antwoord op zijn. Ikzelf was enkele weken geleden al van streek door het nieuws van de positieflijsten voor huisdieren. De positieflijst voor zoogdieren was namelijk aangenomen, en er zouden ook lijsten komen voor vogels, en reptielen. En waarschijnlijk ook voor amfibieen en vissen. Een lijst die precies zou aangeven welke soorten ik als aquariumliefhebber zou mogen houden. De hobby zou erdoor veel van zijn glans verliezen. Het zou net zo zijn alsof er een lijst zou komen met de honderd boeken die een mens zou mogen lezen. En ook hier: het probleem, namelijk dat sommige mensen niet respectvol met huisdieren omgaan, wordt door de regels niet opgelost. Het enige wat er gebeurt is dat de vrijheid wordt ingeperkt.
Verder las ik gisteren een essay via SF-site io9, dat uiteenzette hoe kort de gelijke rechten van vrouwen in onze samenleving nog maar gelden. Rond het begin van de vorige eeuw hadden vrouwen nog niet eens stemrecht! Het was tot kort geleden gebruikelijk dat vrouwen hun baan opzegden als ze trouwden. En nu zien we de gelijke rechten als vanzelfsprekend. Maar een blik op de geschiedenis leerde, volgens het essay, dat vrouwen hun rechten ook makkelijk weer konden kwijtraken. De toekomst zag er dus voor vrouwen helemaal niet zo rooskleurig uit. Een beangstigend visioen. En voor andere groepen is de situatie nog schrijnender. Er zijn groepen die nog veel korter een gelijkwaardige positie hebben in de samenleving, of nog niet eens zo ver zijn. Zoals bijvoorbeeld mensen met een homoseksuele geaardheid. Het is nog niet zo lang dat zij met elkaar mogen trouwen. En er zijn nog steeds plekken (sommige scholen) waar ze niet worden aangenomen. In de samenleving zien we ook nog steeds uitingen van homofobie. En voor andere geaardheden of transgenders is de mate van uitsluiting nog groter. Mensen die zich als aseksueel identificeren worden bijvoorbeeld nog steeds als ‘minder menselijk’ gezien, blijkt uit onderzoek. En hoe zit het met geloofsminderheden, zoals moslims? Wilders verwoordt helaas het onderbuikgevoel van heel wat Nederlanders. Al deze mensen, kunnen niet als vrouwen, hun rechten zo weer kwijt raken (of nooit verkrijgen). Hoe makkelijk dat gaat, hebben we in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw al gezien in Duitsland. Het enige wat nodig is, is een situatie van onvrede en angst, en een leider die belooft daar een antwoord op te geven. En aangezien we wezens zijn die ons zelfbehoud op de eerste plek hebben staan, ruilen we dan onze verworven vrijheden (en die van onze medemens) graag om voor bestaanszekerheid.
Aan deze dingen moest ik denken bij het kijken van de film V for Vendetta op nieuwjaarsdag, onze traditionele ‘badjasdag’. Deze vrij grimmige SF-film schetst een totalitaire samenleving in Engeland, die is ontstaan na een aanslag met een kunstmatig virus, waarbij 100.000 mensen zijn omgekomen. De partij ‘Norsefire’ kwam toen aan de macht, en begon met het systematisch oppakken en doden van moslims, andersgeaarden, en minder aangepasten. Ook kunst en boeken die niet ‘door de beugel konden’ werden verboden. En de vertegenwoordigers van het bewind roepen steeds uit dat het volk hen nodig heeft. De mensen die zich tot deze partij keerden omdat ze bang en onzeker waren, worden nu door de regering bang en onzeker gehouden. Retoriek wordt over hen uitgespoeld via de media, met beelden van een burgeroorlog in de Verenigde Staten. En via de kerk: want als God aan de kant staat van de regering, wie durft dan tegen te zijn? Instituten zoals de kerk gebruiken -zo betoogt de film- deze technieken van angst en onzekerheid zaaien toch al eeuwen lang om mensen klein te houden.

In dit door angst verteerde land verschijnt een vrijheidsstrijder die praat in allitererende volzinnen, en zich tooit met een Guy Fawkes-masker. Als een combinatie van Zorro en de graaf van Montecristo zet hij zich vanuit zijn ondergrondse uitvalsbasis in om de regering omver te werpen. Deze man, alleen bekend als ‘codenaam V’ meent dat het niet de mensen zijn die bang zouden moeten zijn voor hun regering. Het is de regering die bang moet zijn voor haar mensen. Want de regering heeft niet de vrijheid van de mensen afgenomen, het zijn de mensen die hun vrijheid hebben afgestaan. En het zijn dezelfde mensen die hun vrijheid weer kunnen nemen. Ze kunnen het mandaat dat ze (zij het stilzwijgend) hebben verleend aan hun regering, uit angst voor hun eigen veiligheid, weer intrekken. Als de hele bevolking dat doet, heeft de regering geen been meer om op te staan, en moet wel vertrekken. Als alle Duitsers in de tweede wereldoorlog hadden geweigerd nog naar Hitler of de SS te luisteren, was de Nazi-regering niet zo’n lang leven beschoren geweest. Ja, er zouden doden bij zijn gevallen. Misschien wel duizenden, of tienduizenden, voor de machtswisseling werkelijkheid zou zijn geworden. Maar dat zou hebben opgewogen tegen de miljoenen doden die nu zijn gevallen, met hun impliciete goedkeuring. Daarom dat het zo steekt dat er Duitsers na de oorlog zeiden: ‘Wir haben es nicht gewusst’. Het klinkt te makkelijk.
En is het zo onwaarschijnlijk? In Denemarken besloot de koning (en met hem het volk) om een Davidsster te gaan dragen, en zo werden de Deense Joden beschermd. Dit vraagt echter wel moed. De moed om je vrijheid te claimen, de vrijheid die jouw deel is als mens, ook als je daarmee het doelwit wordt van de regering, op dat moment je vijand. Het vereist de moed om jouw waarde als individu, en de waarde van je medemens, hoezeer hij ook van je verschilt, als individu, belangrijker te vinden dan je leven. Om niet te zwijgen als een zigeuner, een homo of een Jood - net zozeer een mens als jij - wordt afgevoerd, maar je eigen leven voor ze in de waagschaal te stellen. Anders gezegd: het vereist liefde. Dit is ware liefde: je medemens, in al zijn uniciteit, te zien als respect waardig, waard om voor te strijden. Waard om je eigen leven en vrijheid voor op te offeren. Liefde die makkelijk is, is niet anders dan affectie. Die voelen we vooral voor mensen die op ons lijken en die tot onze groep behoren. Maar werkelijke liefde, opofferende liefde, komt ons niet aanwaaien, die vraagt moed. En die liefde brengt vrijheid voort. Niet alleen vrijheid voor degene voor wie je je opoffert, maar -interessant genoeg- ook en misschien wel vooral vrijheid voor jezelf. Want, de bijbel zegt het al dat wij allen ‘uit angst voor de dood ons hele leven aan slavernij onderworpen’ zijn (Hebreeen 2:15). Onze angst is een valstrik. We zijn pas echt vrij als we niet door angst worden gedreven (angst om onszelf), maar door liefde (voor waarheid, voor schoonheid, voor andere mensen, dus: voor iets buiten onszelf). Volmaakte liefde sluit angst uit, aldus 1 Johannes 4:18. Als we iets hebben gevonden dat het waard is om voor te sterven, zijn we dus vrij om te kunnen leven. Niet voor niets was Jezus de meest vrije persoon op Aarde. ‘Niemand neemt mijn even, ik geef het zelf Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen’ (Johannes 10:18). Hoe komt hij zo vrij? Omdat hij de goede herder is, die van zijn schapen houdt. ’Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen’ (vers 11). Een huurling (die het alleen om de winst gaat, dus zijn eigen belang) laat de schapen in de steek en vlucht zodra hij een wolf ziet.
Voor ons geldt hetzelfde. Vrijheid komt tot stand door liefde. Dwang kan het niet tot stand brengen, en intellectuele argumenten evenmin. Het kan alleen gebeuren door liefde. ‘Wij hebben lief , omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (1 Johannes 4:19).

Deze film illustreert dat principe in het karakter van Evey, een meisje die in contact komt met vrijheidsstrijder V. Evey heeft jaren in angst geleefd. Voortdurend. Ze wilde dat het niet zo was, maar het is de realiteit. Ze durft dan ook niet mee te strijden met V voor de vrijheid van Engeland. Maar waar ze zo bang voor was, gebeurt toch. Ze wordt gevangengenomen door de regering en gemarteld, zodat ze zal vertellen wat ze weet over V. In haar kale cel vindt Evey een briefje, achtergelaten door een eerder slachtoffer van het regime: actrice Valerie, die verliefd werd op een andere actrice. Ze had al afwijzing ervaren van haar ouders, toen ze uit de kast wilde komen, en vervolgens wordt ze opgepakt door troepen van de regering. In de gevangenis wordt ze gebruikt voor verschrikkelijke experimenten. Toch verliest ze haar liefde niet. Op haar laatste velletje papier, het laatste dat ze achterlaat voor ze overlijdt, schrijft ze: ‘But what I hope most of all is that you understand what I mean when I tell you that, even though I do not know you, and even though I may never meet you, laugh with you, cry with you, or kiss you, I love you. With all my heart, I love you.’ Deze woorden drinkt Evey in, en als het ultieme moment daar is en ze voor de keuze wordt gesteld: V verraden of voor het vuurpeloton (mooi allitererend niet?), kies ze voor de dood. Ze is namelijk niet meer bang. V zegt het zo: ‘They put you in a cell and took everything they could take except your life. And you believed that was all there was, didn't you? The only thing you had left was your life, but it wasn't, was it? You found something else. In that cell you found something that mattered more to you than life. It was when they threatened to kill you unless you gave them what they wanted... you told them you'd rather die. You faced your death, Evey. You were calm. You were still.’ Het is wat Jezus heeft gezegd: ‘Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden’ (Matteus 16:25, en vele andere plaatsen). Omdat ze bereid was haar leven te verliezen omwille van van V, is ze niet meer bang. En nu kan ze de wereld aan. Als in een wonder kan ze de cel verlaten. Ze treedt naar buiten en tilt haar handen op in de regen. En ze herhaalt de woorden uit het briefde van Valerie uit haar cel: ‘God is in the rain’. Evey heeft zich overgegeven aan de liefde, en daarmee aan de Liefde met hoofdletter ‘L’, en dat maakt haar vrij.
Wat Evey doorstond in de cel leek op wat V jaren eerder zelf doormaakte. Want ook hij was gevangen. En ook hij las eigenlijk hetzelfde briefje, met dezelfde boodschap. En ook hij kwam vrij. De scene waarin zijn ontsnapping getoond wordt, valt samen met de ontsnapping van Evey. En waar zij haar handen opsteekt en de regen ontvangt (een shot toont haar van bovenaf, als het ware uit het perspectief van God) en zich daaraan overgeeft, staat V midden in de vlammen, wordt hij door vuur verteert, en slaat hij een angstaanjagende kreet uit. En het blijkt dat V helemaal niet wordt gedreven door liefde. Zijn inspanningen om Engeland te bevrijden, zelfs om kunstschatten te bewaren, komen niet voort uit liefde voor de werkelijkheid buiten hemzelf, maar uit het verlangen de machthebbers te treffen, hen te straffen voor wat ze hem hebben aangedaan. Hij wil hen lik op stuk geven, want alleen dat zou volgens hem rechtvaardigheid zijn. Hij wordt gedreven door haat. ‘What was done to me was monstrous’, verklaart hij. Maar Evey heeft door wat er gebeurd is: ‘And they created a monster.’
Waar Evey in staat blijkt degenen die haar gevangen namen te vergeven, of althans, hen niet te haten, heeft V zijn verleden nooit achter zich gelaten. Hij wordt erdoor gedreven. Hij is niet vrij. Het lukt Evey haar kwellers met compassie in de ogen te kijken, V lijkt ervan te genieten ze te zien lijden. En dat maakt hem eigenlijk niet echt geschikt om een rol te spelen als bevrijder van Engeland.
En uiteindelijk ziet V dat zelf ook in. Hij geeft het toe aan Evey dat hij fout zat. En hij geeft zelf zijn campagne tegen de ‘Norsefire’-regering op. Hij is niet vrij om de goede beslissing te maken, zijn haat maakt hem blind voor wat goed en liefdevol is. Daarom laat hij de keuze over aan iemand anders. Aan iemand die wel de liefde kent. Die niet onvrij is door haat, maar die ergens zo om geeft dat ze zichzelf daarvoor over heeft. Het lijkt mij dat op dat moment duidelijk komt waarom Evey een naam heeft die zo op ‘Eva’ lijkt. In haar vrijheid (tot stand gekomen door liefde, door de dood heen), is ze in zichzelf een nieuw begin. Met haar begint een nieuwe werkelijkheid. Het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. De film eindigt dan ook met haar, en een ander, mannelijk karakter, samen afscheid nemend van de oude, door haat gedreven werkelijkheid, en kijkend naar een nieuw begin.
In de menigte mensen die wordt getoond aan het slot, zien we ook de karakters tegen die eerder in de film om het leven waren gekomen, onder andere Valerie. Voor mij een krachtig beeld van de nieuwe werkelijkheid die komt, die tot stand is gekomen door de opoffering van Jezus, gedreven door liefde. Liefde zorgt dat de dood nieuw leven voortbrengt. Een werkelijkheid waarin gerechtigheid heerst. Waarin iedereen vrij is. Jezus is een mens geworden zoals wij ‘ om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren va hun levenslange angst voor de dood’ (Hebreeen 3:14,15).
Er valt over deze film nog veel meer te zeggen. Bijvoorbeeld over het karakter van inspecteur Finch, die deel is van het partijsysteem, maar voor wie het nog belangrijker is de waarheid te kennen. Hij illustreert een ander, belangrijk principe, namelijk wat de bijbel ook zegt: ‘De waarheid zal u vrijmaken’ (Johannes 8:32). Wie liefde heeft voor de waarheid, boven de leugen, is op reis naar de vrijheid. En ook dat leidt tot een nieuw begin.

V for Vendetta is een van mijn favoriete films. Dat zal niemand verrassen wie weet dat ik een boek heb geschreven met als titel: Indrukwekkende Vrijheid (warm aanbevolen, overigens). Het verhaal zit sterk in elkaar, met heel goede dialogen en een reeks fantastische acteurs. Vooral de prestatie van Hugo Weaving als de titelheld is prijzenswaardig, aangezien hij nooit zijn gezicht kan gebruiken. Ook was het leuk een acteur uit de serie Sherlock te herkennen. Er zit wat behoorlijk heftig geweld in de film, wat een sterke maag geen overbodige luxe maakt. Nog moeilijker kan voor sommige kijkers het gedrag van ‘V’ zijn, die wel heel drastische methoden gebruikt om anderen vrij te maken. De in de film geschetste wereld lijkt niet heel waarschijnlijk - in het Thatcher-tijdperk waarin de oorspronkelijke strip werd getekend was het misschien anders, maar zoals ik in het begin van dit stuk al zei: vrijheid is een fragiel ding. Voor je het weet is het van je afgenomen. En dan hebben we liefde nodig die moed vraagt. We kunnen er maar beter nu al mee beginnen daarmee te oefenen.
Voor wie erin geïnteresseerd is ten slotte: op mijn eerste blog, Tol Eressea, schreef ik al eerder een bespreking van deze film. Daarin haal ik best vaak G.K. Chesterton aan en zijn mijn gedachten over vrijheid die ik in Indrukwekkende Vrijheid uiteenzette al in embryonale vorm te lezen. Maar vooral illustreert deze bespreking hoeveel ik in mijn inzichten, vooral ten aanzien van mensen met een andere geaardheid dan ik, ben veranderd. Mijn overtuiging van toen was niet bepaald liefdevol Ik zou daarom nooit dezelfde dingen meer schrijven. Houd dat in gedachten als je deze link toch wilt volgen.

vrijdag 5 december 2014

Gedicht: Evenwicht

Evenwicht

Ik volg het koord, gespannen
over het ravijn. Kijk niet omlaag
want dan zou ik verdwijnen.
Ik plaats mijn voet voorzichtig
voor de ander, houd mijn adem in.
Hoe ver nog tot de overkant?
Ik zie slechts mist. Mij is verteld
dat daar beloning wacht.
Dus zet ik door. Maar niet te snel
of ik verlies mijn evenwicht.

Maar ik kan ook niet rusten.
Ik wankel. Hoor achter mij
de megafoon. Kritiek klinkt
als vanouds. Ik mag niet falen.
Anderen zijn mij al voorbij,
bewijzen dat het kan, dus
aarzelen is uitgesloten.
Ik moet wel door, ik ken geen
alternatief. Maar wat gebeurt
er als het ooit donker wordt?

dinsdag 24 juni 2014

Gedicht: Blinddoek

Werkelijkheid

Ik leefde in een wereld zwart,
hoorde niets, zelfs geen gefluister.
Mijn dikke vingers gleden van
elk voorwerp af. Ik was alleen,
overgeleverd aan mijzelf.

Ik wist van kleuren, van muziek,
uit mijn kindertijd, herinnerde
zacht fluweel dat ik beroerde,
een blije lach. Dat was voorbij.
Ik had verleiding weggedaan.

Ik moest werken, betalen voor
elke adem, de voedselbrij,
mocht al blij zijn dat ik leefde,
verder niet klagen, gehoorzaam
doen waarvoor ik was aangeschaft.

Tot op een dag handen streken
over mijn gezicht. De blinddoek
werd verwijderd. Uit mijn oren
vielen dikke proppen. Handschoen
werd door tere huid vervangen.

Overweldigend. De waarheid
bood zich aan mijn zintuigen aan,
vulde leegtes die ik niet kende.
Wat was de prijs? Ik kreeg
geen antwoord dan een brede lach.

zaterdag 15 februari 2014

Gedicht: Reflectie

Reflectie

Ik zie mijzelf weerkaatst
in glimmend glas. Mijn ziel
verschijnt in blauwe ogen.
Geen bedekking, als in de tuin
voordat het avond werd.
Confronterend werkelijkheid.

Wat ik waarneem moet wel
Slecht zijn. Generaties
lang door dood misvormd.
Slechts waard te verteren in het vuur
van haat dat altijd brandt.
Zo is het mij ingeprent.

Ik mag het niet omarmen
hoe verlokkend het ook oogt
met de schijn van waarde. Ik moet
wat mooi lijkt, lelijk noemen,
verguizen want slechts dan
blijft mij ballingschap gespaard.

Dus vervloek ik mijn gelaat
trek met nagels rode voren
ruk haren uit, besmeur het beeld
tot het op een demon lijkt.
Zonder de pijn te voelen:
die is niet meer dan afgodsdienst.

Dan breekt de spiegel op
in duizend scherven. Ik verdwijn
maar vind mijn zelf weer terug
niet langer op mijn plaats gepind.
De lijst een open raam
dat uitkijkt op de eeuwigheid.

dinsdag 24 december 2013

God is niet de kerstman (1): het alziende oog ...

Vorige week zat ik nietsvermoedend te lunchen bij de Delifrance in Houten, verdiept in een boek (voor wie het weten wil: The Wise Man’s Fear van Patrick Rothfuss), toen ik op de radio een kerstliedje hoorde. Dat is in deze tijd van het jaar natuurlijk niet verwonderlijk. Het ging in dit geval niet om een mooie hymne, Stille Nacht of zo, maar om een Amerikaans liedje. Zo’n zoete, vrolijke met zo’n melodie die in je hoofd blijft hangen, zodat je hem dagen erna nog kunt neuriën, terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wilt. Tegen mijn zin in luisterde ik dus naar de tekst van deze ode aan de kerstman. ‘Santa Claus is coming to town’ heet het nummer. Van Mariah Carey, zegt google. Voor jullie educatie schrijf ik de tekst hieronder uit.

You better watch out
You better not cry
You better not pout
I’m telling you why

Santa Claus is coming to town (3x)

He’s making a list
He’s checking it twice
He’s gonna find out
Who’s naughty or nice

Santa Claus is coming to town (3x)

He sees you when you’re sleeping
He knows when you’re awake
He knows if you’ve been bad or good
So be good for goodness sake

So you better watch out
You better not cry...

et cetera et cetera ...

De rillingen liepen over mijn rug. Niet alleen omdat het zo’n klef, zeurderig liedje was. Dat speelde ook mee natuurlijk, maar vooral omdat het me deed denken aan hoe ik in de kerk over God heb geleerd. We leerden namelijk dat God alles zag wat we deden. Het verhaal van Jona werd daarvoor vaak aangehaald: Jona kon niet voor God vluchten. God zag hem ook midden op zee, in het ruim van de boot. Vluchten kon niet voor God. Waar de zwarte pieten van Sinterklaas alleen rond december rondwaarden om te kijken of kinderen wel braaf genoeg waren, hield God je elk moment van de dag, zeven dagen per week, in de gaten om te zien of je wel leefde volgens zijn bedoeling. Als we het hadden over films of televisie, zeiden we dat we ons moesten voorstellen dat God over onze schouder met ons meekeek. Zouden we dan wel dat ene programma kijken? En zouden we dan die naaktscène uit een James Bond film zomaar accepteren, of zouden we de TV uitzetten? Want waar je als tiener soms zaken voor je ouders verborgen wilt houden, wist je dat God nog veel strenger moest zijn dan zij. Hij is heilig. Stond er niet in de bijbel dat wij net zo volmaakt moesten zijn? Als God zag dat je iets verkeerds deed, zou hij boos op je worden. Of op zijn minst verdrietig. En de woede van God was nog angstaanjagender dan die van mijn ouders. Ik moest dus elk moment van de dag mijn best doen om niets te doen waarvoor ik straf verdiende.
Maar dat was nog niet het enige. God zag niet alleen wat je deed. Dat zou erg genoeg zijn. Maar uit onder andere Psalm 139 wisten we dat hij ook in onze gedachten kon kijken: ‘U weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. Geen woord ligt op mijn tong, of u HEER, kent het ten volle’ (vers 3 en 4). Mijn binnenwereld bleefniet voor hem verborgen. Hij wist niet alleen of ik goede of slechte dingen deed, maar ook of ik goede of slechte dingen dacht. Hij kende je fantasieën en verbeeldingsleven, de boosheid op pesters of het verlangen naar boeken. En ook daarover oordeelde hij. Als ik ergens meer naar verlangde (zoals naar het lezen van verhalen) dan dat ik naar God verlangde, was dat een verslaving. Als ik bang was om voor mijn geloof uit te komen, stelde ik God teleur. Als ik mijn pesters iets vreselijks wilde aandoen, gold ik al als een moordenaar, want volgens Mattheus 5 gold dat ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zich zal moeten verantwoorden voor het hemelse gerecht. Ik heb al eerder aangehaald wat datzelfde Bijbelgedeelte zei over begeerte. Ik moest dus niet alleen politieagent spelen over mijn daden, maar ook over mijn gedachten. Dat was gedoemd om te mislukken. Zoals een huisgenote in mijn studententijd een keer zei: ‘Een grote verbeelding en een streng geweten, dat is geen goede combinatie.’ Eigenlijk voelde ik me voortdurend tekortschieten en ik strafte mezelf alvast met schaamte en schuldgevoelens, omdat ik wist dat God mij moest oordelen. Ik was bang voor de kerstman, omdat ik wist dat ik niet braaf was geweest.

De kerstman in het liedje van Mariah Carey gebruikte externe motivatiemiddelen (straf en beloning) om het gedrag van kinderen te veranderen. De God waarin ik geloofde, deed hetzelfde. Maar was het maar zo eenvoudig. Het mooie van een wet of regel is natuurlijk dat je er met genoeg inspanning aan kunt voldoen. Dat verklaart het succes van de Farizeeën, die zelfs nog extra regels opstelden naast die uit het Oude Testament. Het is mogelijk braaf te zijn en met gebruik van je wilskracht de regels niet te overtreden. Het is mogelijk de tienden te geven van de kruiden in je tuin, zoals de Farizeeën deden, of je wijn te zeven zodat je niet per ongeluk een dood mugje zou doorslikken, zoals de Farizeeën deden. Met een beetje discipline kom je een heel eind. Je kunt aan je competenties werken, je kunt de resultaten behalen die je op je functioneringsgesprek hebt afgesproken, en dus aan het eind van het jaar je goede beoordeling en een bonus verdienen. Maar ik ben blij dat mijn werkgever bij die beoordeling niet kijkt naar mijn motivatie. Hij vindt het prima als ik hard werk uit angst om ontslagen te worden, of omdat ik meer geld nodig heb. Als het werk maar afkomt. Dit diepgewortelde transactionele denken (‘Voor wat hoort wat’) kleurt bewust (op kantoor) of onbewust (in families) al onze relaties.
Je ziet deze manier van denken geïllustreerd in de stripverhalen van Bill Watterson over Calvin en Hobbes. Daarin is kerst een terugkerend thema. Het zesjarige jongetje Calvin maakt zich rond de kerstdagen altijd heel druk. Hij wil heel graag cadeautjes, en heel veel (hij heeft steeds een erg lange lijst, op alfabet geordend). Maar hij ligt wakker omdat hij zich afvraagt of hij wel op de lijst met brave jongetjes van Santa Claus staat. Hij weet niet welke criteria Santa hanteert. Is het stout als hij een sneeuwbal teruggooit naar buurmeisje Susie? En als zij nou begon? Hij vraagt zijn speelgoedtijger Hobbes als zijn advocaat op te treden en een brief te schrijven aan de Kerstman om hem vrij te pleiten. Hobbes stelt voor om Calvin ontoerekeningsvatbaar te verklaren, maar Calvin zoekt liever naar een gaatje in de regels van de kerstman, zodat hij er tenminste nog goed van af kan komen. Calvins goedheid in de dagen voor kerst is hypocriet (zodra hij de cadeautjes binnen heeft, gooit hij weer vanouds sneeuwballen naar Susie). Het is de goedheid van een Farizeeërs. Diep van binnen is Calvin zich er echter van bewust dat hij bij de kerstman toch altijd zal falen. Want de kerstman voegt aan al zijn voorschriften over goed en slecht gedrag nog een oneerlijke regel toe: ‘So be good for goodness sake.’
Ik word bijna misselijk van dit ene regeltje, volgend op ‘He knows if you’ve been bad or good’. Die twee gaan namelijk niet samen. We leerden het over God ook, dat het hem ging om onze motivatie. Jezus maakt het in de Bergrede duidelijk dat we niet goed moeten zijn omdat we bang zijn voor straf, maar omdat we goed WILLEN zijn. We moeten van andere mensen houden, en daarom goed voor ze willen zijn. We moeten de zonde heel erg vinden, en daarom heilig leven. En God kon beoordelen of we wel uit de juiste motieven handelden. Hij keek immers in ons hart. En als we niet uit de juiste motieven handelden, was hij teleurgesteld en boos.
Volgens mij wordt dit in de psychologie wel een ‘double bind’ genoemd. In het Engels is er de uitdrukking ‘Damned if you do, damned if you don’t’. Je kunt het namelijk op deze manier niet goed doen. Want zodra je ermee bezig bent dat de kerstman weet wanneer je braaf bent geweest, of stout, zijn je motieven al niet meer oprecht. Dan ben je bezig om goed te doen uit angst voor straf. Maar je kunt ook niet doen wat je wilt doen, wat voortkomt uit je motivatie van binnenuit, omdat je weet dat de kerstman in de gaten houdt wat je wel niet doet! Als je denkt dat God je beoordeelt, als een chef die steeds over je schouders heenkijkt, ben je niet meer vrij om te doen wat je verlangt. Maar als je je eigen verlangen volgt, weet je dat je waarschijnlijk tekort zult schieten aan de eisen van God en dus straf verdient. Je kunt het gewoon niet goed doen.

Als je iets niet kunt, hoef je het ook niet, is een van de stelregels die ik mezelf heb aangeleerd. Ik ben namelijk nogal perfectionistisch en stel zware eisen aan mezelf. Eisen die ik niet kan halen, die menselijk gezien zelfs onmogelijk zouden zijn. Die moet ik daarom relativeren. Ik kan niet vijftig boeken lezen per jaar, dus hoef ik het ook niet van mezelf te verwachten. Ik kan niet zes afspraken hebben in een weekeinde en toch goed blijven slapen, dus hoef ik dat ook niet van mezelf te verwachten. Zo is het op dit punt ook. Maar dat betekent dat we moeten accepteren dat we niet aan Gods verwachtingen kunnen voldoen. Op geen enkele manier. En dat is moeilijk. Want het idee dat we het geschenk van het eeuwige leven niet kunnen verdienen stuit ons tegen de borst. Het transactionele denken zit diep geworteld!

Wordt vervolgd

woensdag 17 juli 2013

Gedicht: 'Hier sta ik, ik kan niet anders'

'Hier sta ik, ik kan niet anders'

Ik heb hen trouw gediend, mijn leven lang
Gedreven door hun woorden.
'T was voor mijn eigen goed. Beloning
Lag voor mij in het verschiet. Of straf.
Als ik niet kon doen alsof. Ik faalde,
bezweek haast door de pijlen, werd ziek van koorts
Tot ik uit hun haven vluchtte.

Maar ik heb voet aan wal gezet, een veilig land,
Onder de witte wolken.
Waar ik gewoon mezelf mag zijn. Niet anders.
Mijn hart is thuis. Ik droom niet langer
Maar adem zoete geuren in. Drink water dat verkwikt.
Mijn wond geneest. De innerlijke leegte
Echoot niet meer mijn wanhoopskreet.

Nu arriveert de vloot. Hun zeilen afgetekend
Tegen de rode lucht.
Hun laarzen trappen plat het groen, hun vuur
Verandert tere hoop in as.
Ze roepen: mijn land is als een luchtkasteel
En ik verdoemd als ik me niet opnieuw
Aan gouden ketens overgeef.

Hoe kwelt mijn vrijheid hen? Hun rijk
Lijkt in de kern bedreigd.
De wereld moet hun stempel dragen. Voldoen
Aan wat hun spiegel toont. Volmaaktheid.
Maar ik ben hen niet gelijk, ben levend dood
Als ik hen volg. Die weg is afgesloten,
Ik neem eindelijk mijn wapens op.

zondag 12 mei 2013

Filmbespreking: Spider-Man 2

Spider-Man 2 is een van mijn favoriete films. Hoe favoriet? Nou, de enige filmposters die ik in mijn appartement heb hangen zijn van de Lord of the Rings-films, en een van Spider-Man 2. Okee, aan de andere kant daarvan bevond zich een poster van Aragorn uit The Return of the King, maar die heb ik opgehangen tegen het glas van de woonkamerdeur aan, zodat de poster van Spider-Man 2 ook zichtbaar is vanaf de gang. Misschien dat The Dark Knight een betere superheldenfilm is, maar die is behoorlijk duister en wellicht zelfs cynisch, waar Spider-man 2 (ook een vervolg), wel spannend is en heftig, maar uiteindelijk  juist opbeurend en bevestigend. En Spider-Man is een superheld met wie ik me meer kan identificeren dan Batman. Batman is een multimiljonair die het leven van een playboy moet leiden, met aan elke arm een mooie vrouw, om onder bescherming van de nachtelijke duisternis met zijn dure snufjes de misdaad te bestrijden. Okee, hij heeft op jonge leeftijd zijn ouders verloren, maar die hebben wel het familiebedrijf aan hem overgedragen. En hij heeft een butler. Nee, dan Spider-Man ...
Aan het begin van deze film gaat het niet echt geweldig met student Peter Parker. Hij woont in een krottige studentenkamer, en loopt zelfs daar al achter met het betalen van de huur. Hij is niet op tijd in zijn lessen, en dreigt van Dr. Connors zelfs een onvoldoende te krijgen. Hij houdt van de mooie Mary Jane Watson, maar durft dat niet tegen haar te zeggen, en het lukt hem zelfs niet bij een van haar toneelstukken te zijn. En dan raakt hij ook nog zijn baantje als pizzaverkoper kwijt. Ondertussen doet hij in de vermomming van Spider-Man zijn uiterste best voor anderen. Met grote kracht komt immers grote verantwoordelijkheid. Maar niemand lijkt zijn inspanningen te waarderen. De mediacampagne van krantenmaker J. Johan Jameson lijkt vruchten af te werpen. De mensen voor wie hij zo zijn best doet, zien Spider-Man als bedreiging. Uiteindelijk beginnen zelfs Peters spinnenkrachten hem te verlaten. Hij is niet meer in staat om aan zijn web te slingeren of tegen een muur op te klimmen. Hij heeft zelfs zijn bril weer nodig. De maat is vol. Peter besluit zijn alter ego in de prullenmand te gooien: hij is niet langer Spider-Man. Nu heeft hij eindelijk de kans Mary Jane de waarheid te vertellen. Wetenschapper Otto Octavius probeert ondertussen een gevaarlijk experiment te herhalen. Daarvoor heeft hij een substantie nodig die alleen Harry Osborn kan leveren. Die stelt een deal voor: de hele voorraad in ruil voor Spider-Man. Otto is echter niet de gemiddelde wetenschapper. Hij beschikt over vier lange, dodelijke tentakels, versmolten met zijn rug en met een eigen, niet tegen te houden wil. En om Spider-Man te vinden, gaat hij eerst op zoek naar Peter Parker ...

De eerste Spider-Man-film was achteraf gezien een klein beetje tam. Een van de eerste van de nieuwe generatie superheldenfilms en dus nog een beetje terughoudend in het tonen van waar superhelden toe in staat zijn. Het karakter van Peter Parker en zijn omgeving waren goed weergegeven, met situaties die zo uit de stripverhalen konden zijn gekomen, maar de actiescènes waren niet bijzonder spectaculair en de slechterik was niet heel overtuigend (en dat terwijl de Green Goblin eigenlijk Spider-Mans aartsvijand is). Het is nu vooral mijn liefde voor het karakter Spider-Man die me de eerste film doet kijken en niet mijn liefde voor goed gemaakte films. Bij Spider-Man 2 komen deze twee liefdes echter samen. Dit is een Spider-Man-verhaal dat recht doet aan de stripverhalen, met epische confrontaties waarbij ook de verticale dimensie wordt toegepast, en held en schurk hun extra’s op een originele wijze inzetten. Dr. Octopus is een tegenstander die het Spider-Man echt moeilijk maakt, maar ook nog eens iemand met wie je als kijker meeleeft en zijn uiteindelijke lot raakt je dan ook. Ook het verhaal van Peter is invoelbaar gebracht. Ondertussen brengt Sam Raimi al zijn kwaliteiten als filmmaker in - vooral de scene waarin Dr. Octopus ‘ontstaat’ is fantastisch, net als een gevecht op en in een trein. Wel moet iemand die in wetenschap geïnteresseerd is zijn kritische denken op de pauzestand zetten, want kernfusie is niet zo eenvoudig als het hier gebracht wordt. Als de film eindigt ben je als kijker tevreden, maar ook benieuwd hoe het de karakters verder vergaat. Jammer dat Spider-Man 3 in vergelijking met deze film eigenlijk een teleurstelling is.

Omdat de film in 2004 is uitgekomen, ga ik niet heel erg mijn best doen om ‘spoilers’ te voorkomen. Als je de film niet hebt gezien, zorg ik wel dat er nog wat verrassingen voor je overblijven, maar ik zal wel wat meer verklappen over het plot dan ik gewend ben.

Ik heb de film al heel wat malen gezien, maar de laatste keer vielen met twee dingen meer op dan normaal. Een daarvan is wat persoonlijker, dus die bewaar ik voor zo meteen. De ander is dat dit verhaal wel heel duidelijke verwijzingen naar het verhaal van Jezus bevat. De held heeft twee naturen: de bovennatuurlijk snelle en krachtige Spider-Man en de kwetsbare, gevoelige mens Peter Parker. Hij moet een op hol geslagen trein tot staan brengen. Hij doet dit met uitgestrekte armen - een houding alsof hij wordt gekruisigd. Hij heeft het masker van Spider-Man afgezet en wordt gezien als de mens die hij is. En het is duidelijk hoe zwaar het gewicht van de trein (een microskosmos van de mensheid met individuen van allerlei leeftijden en nationaliteiten) op zijn schouders drukt. Uiteindelijk verliest hij het bewustzijn. De mensen vragen zich af of hij dood is. Spider-Man wordt over hun hoofden getild, alsof hij ten grave wordt gedragen. Dan blijkt hij nog te leven. Hij heeft er opeens volgelingen bij, die door zijn opoffering zijn geïnspireerd om zelf ook heldhaftig te zijn. En aan het slot van het verhaal verslaat hij de slechterik niet met de kracht van Spider-Man maar met de zwakheid van Peter Parker. Zijn dit soort overeenkomsten met het verhaal van Jezus bewust aangebracht? Misschien. Ik denk echter van niet. Ik denk dat onze verhalen automatisch mee gaan bewegen met het Verhaal van de Werkelijkheid. Er vindt resonantie plaats - de snaar gaat meebewegen met de andere snaar. En in het geval van deze film is dat mijns inziens goed zichtbaar.

Het tweede dat mij opviel, was hoeveel ik van mijn eigen leven in het verhaal van Spider-Man herkende. Het belangrijkste thema van de film is hoe wij dat wat wij doen of wat ons is aangedaan zoveel waarde kunnen toekennen dat ons leven erdoor bepaald wordt, in plaats van dat wij ons leven zelf kunnen bepalen. Wij verliezen onze vrijheid, zijn nog maar een schaduw van onszelf, en zijn niet in staat om te doen wat wij het liefste willen. We zitten in de klem. We lopen zelfs het risico een monster te worden, het tegenovergestelde van wat we willen zijn.

Dit is te zien in het karakter van Harry Osborn, de beste vriend van Peter. Hij gelooft echter dat zijn vader door Spider-Man om het leven is gebracht en wordt nu verteerd door maar een verlangen: om wraak te nemen. Als er iets gebeurt waardoor het slecht gaat met zijn bedrijf ‘Oscorp industries’, zegt hij zelfs letterlijk dat zijn vendetta tegen Spider-Man het enige is wat hij nog overleeft. Alles moet hiervoor wijken. Zelfs zijn vriendschap met Peter. Hij gaat drinken, scheldt en schopt. Hij is niet meer wie hij was. Hij heeft het verlangen naar wraak op de eerste plaats gezet in zijn leven, er zijn afgod van gemaakt, en nu wordt zijn leven erdoor bepaald. We gaan lijken op wat we aanbidden, zegt de bijbel ergens. Anders gezegd: wij kunnen niet groter zijn dan het verhaal waar we in leven. En als dat een klein verhaal is, blijven wij zelf ook klein. En een kleiner verhaal dan dat van wraak is er bijna niet. Ik denk daarom dat de bijbel ook waarschuwt dat we moeten oppassen dat er in ons hart niet een wortel van bitterheid opschiet, omdat die ons onze vrijheid kan afnemen en ons kan omvormen tot ‘wraakmachines’ in plaats van vrije individuen. Het verlangen naar wraak maakt ons eenkennige robots in plaats van volledige mensen.

Een ander karakter dat in de greep raakt van het verhaal dat hij over zichzelf vertelt, is Otto Octavius. Hij is gepassioneerd over zijn werk. Hij meent dat hij een doorbraak kan bereiken waardoor de wereld op een goedkope manier van energie kan worden voorzien, en er is zelfs kans op het winnen van een Nobelprijs. Dit is zijn droom, dit is waar hij al zijn tijd en kracht aan besteed. Als het experiment mislukt, kan hij het niet opgeven. Er is een ontwerpfout in zijn theorie, maar hij kan dat niet onder ogen zien. Hij moet en zal het nog een keer proberen, ook al moet hij daarmee de populatie van New York in gevaar brengen, ook al vervreemdt hij daardoor iedereen van zich. Hij is in de macht gekomen van zijn ambitie en hij is de vrijheid kwijtgeraakt om er ‘nee’ tegen te zeggen. Hij wordt beheerst door zijn droom, in plaats van andersom. In dit geval zelfs letterlijk. De vier armen waar hij zichzelf van heeft voorzien, hebben een eigen intelligentie met de opdracht fusie-energie tot stand te brengen. Ze fluisteren hem in, beïnvloeden hem. En hij gebruikt het zelfs als excuus om zijn eigen experiment niet te stoppen. Hij is niet meer vrij. Maar hij heeft wel uit eigen beweging ingestemd met de vier armen. Ze zeiden niet iets wat hij zelf niet dacht, ze sloten aan bij een ambitie die uit hem zelf kwam. Alleen omdat uiteindelijk iemand anders zich wil opofferen om de gevolgen van zijn zelfzuchtige keuzes ongedaan te maken, kan Dr. Octavius zijn eigen ambitie opzij schuiven. En als hij dat doet, als hij zijn eigen ambities opzij zet voor een ander, als hij zijn droom opgeeft, wordt hij een mens in plaats van een monster. Een mens wordt niet zo beheerst door zijn droom dat hij er andere mensen aan opoffert. Een mens heeft de vrijheid om anderen lief te hebben als zichzelf. Wie dat niet kan, is een monster.

En dan is er Peter Parker. De beginscènes van de film zijn eigenlijk moeilijk om te kijken, zo pijnlijk herkenbaar vind ik de worsteling van de hoofdpersoon. Hij zet zich in als Spider-Man om misdaad te bestrijden en voor zwakken op te komen, maar hij gaat er bijna aan ten onder. Hij heeft zijn persoonlijke leven volledig ondergeschikt gemaakt aan de taak die hij heeft opgenomen. Hij offert zijn carrière op, zijn scholing, zijn vriendschappen en zijn liefde. Allemaal omdat hij het idee heeft dat hij Spider-Man moet zijn. Het is minder iets dat hij wil, maar iets waarvan hij vindt dat het behoort. Zijn taak als Spider-Man is namelijk gebaseerd op schuld. Peter Parker vindt dat hij schuldig is aan het overlijden van zijn oom Ben. Als hij namelijk zijn krachten op een goede manier had gebruikt en een bandiet had tegengehouden, zou Ben Parker nog leven. Dat is een behoorlijke last om op je schouders te dragen. En dan zei zijn oom ook nog eens dat bij grote kracht een grote verantwoordelijkheid hoort. Dus denkt Peter dat hij niet anders kan dan zich inspannen. Hij gaat er echter zelf aan onderdoor. Zijn energie raakt op. Uiteindelijk wordt hij gedwongen te stoppen.
Ik denk bij deze scenes aan de jaren dat ik me uit alle kracht inspande om bijbel te lezen (vijf hoofdstukken per dag), te bidden (minstens een half uur), bijbelstudie te doen, bijbelteksten te memoriseren, naar de kerk te gaan, te evangeliseren et cetera. Het klinkt allemaal heel geestelijk. Maar ik deed het uit schuldgevoel. Ik was bang dat God boos op me zou worden als ik niet voor hem zou werken. Bovendien had ik van God een groot intellect gekregen en dat kwam met grote verantwoordelijkheden. Ik vond dat ik niet meer de boeken mocht lezen die ik zo graag wilde lezen, of de verhalen schrijven die ik zo graag wilde schrijven. Zelfs voor vriendschappen kon ik nauwelijks nog tijd vrijmaken. Maar deze christelijke activiteiten pasten niet bij me. Het was niet wat ik wilde, maar wat ik dacht dat ik ‘behoorde’ te doen. En zoals Peter Parker zijn energie kwijt raakte, zo gebeurde dat bij mij. Ik kreeg enorme slaapproblemen. Ik werd overspannen. Van de ene op de andere dag stopte ik met al dat werken. Wat een opluchting.

Peter geeft zichzelf de toestemming gewoon Peter te zijn. Hij volgt de lessen waar hij zo van houdt (en wordt de beste van de klas), repareert zijn bromfiets, en bezoekt eindelijk een van de toneelvoorstellingen van Mary Jane. Hij geniet eindelijk van zijn leven. En hij vindt de vrijheid om eerlijk te zijn naar zijn tante May. Hij wil het geheim van zijn schaamte niet meer alleen met zich meedragen, maar besluit het met anderen te delen. Het lijkt met Peter voor de wind te gaan. Maar dat is maar schijn. Hij ziet namelijk hoe iemand op straat beroofd wordt, en realiseert zich dan dat hij daar niet zomaar aan voorbij kan lopen. Zijn verlangen om Spider-Man te zijn was niet alleen maar gebaseerd op schuldgevoel, maar ook op een positief verlangen om iets goeds te doen voor andere mensen. Hoe hij het ook probeert, hij kan echter zijn krachten niet meer terugkrijgen. Hoe hij zich ook inspant.
Ook dat herken ik wel. Na mijn overspannenheid volgde een periode van vrijheid, van ontspanning, van soms pijnlijke eerlijkheid. Maar het was de ontspanning van het negatieve, ontspanning omdat er iets ontbrak in mijn leven - de eeuwige overheersing van het schuldgevoel, de rust van het niet meer behoren te werken. Er was iets van mijn afgevallen. Maar ik ervoer ook een leegte. Er was niet iets positiefs terug gekomen in mijn leven. Ik was stuurloos geworden. Ik heb geprobeerd te schrijven, maar ik kon zelfs dat niet omarmen als mijn roeping, als iets dat bij mij paste. Ik zei dat ik eigenlijk verhalen wilde schrijven, maar het lukte me niet. De inspiratie leek verdwenen. De behorens kwamen steeds weer terug. De vrijheid was dus van korte duur.

Twee dingen leiden voor Peter uiteindelijk tot werkelijke vrijheid. Ten eerste de onvoorwaardelijke liefde die hij ervaart van zijn tante. Ze vergeeft hem voor zijn rol in de dood van zijn oom, en zegt hem dat ze van hem houdt. Zoals hij is, superheld of niet. Ze is niet in hem teleurgesteld. Voor haar hoeft hij niets te doen. Hij hoeft niet te presteren. Hij hoeft helemaal niets. De opluchting bij Peter Parker is op zijn gezicht te zien. Onvoorwaardelijke acceptatie is de eerste stap naar vrijheid. Zolang Peter dat nog niet had ervaren, zou zijn vrijheid alleen de vrijheid zijn van het ontbreken van overheersing, niet de vrijheid van het werkelijk jezelf kunnen zijn. Want Peter geloofde nog niet dat het genoeg was echt zichzelf te zijn. Hij wist alleen dat hij zich niet meer kon laten overheersen door zijn schuldgevoelens. Als zijn tante May zegt dat hij geliefd is, ook als hij niets doet, is hij pas echt vrij om iets te gaan doen. Positieve vrijheid. De vrijheid van leven in overeenstemming met wie je bent.
De tweede ontdekking die Peter doet is dat hij om te leven in overeenstemming met wie hij is niet afhankelijk is van omstandigheden buiten hem om. Hij is niet afhankelijk van zijn krachten als Spider-Man. Hij is niet afhankelijk van het superheldenpak dat hij gemaakt heeft. Er hoeft niet aan voorwaarden te worden voldaan voor hij zichzelf kan zijn. Hij kan ook als de eenvoudige Peter Parker al het goede doen.
Ook deze dingen herken ik heel sterk. Een groot deel van mijn geestelijke reis van de afgelopen jaren was te leren ontdekken dat God onvoorwaardelijk van mijn houdt, dat hij van mijn houdt zoals ik ben, niet zoals ik zou moeten zijn. Ontdekken dat ik hem niet kan teleurstellen, omdat hij alles weet wat ik heb gedaan en ooit zal doen, en toch van mij houdt. Ontdekken dat ook als ik nooit meer iets zou presteren, dat hij mij in zijn armen sluit als zijn geliefde zoon. Die liefde maakt me vrij om rond te kijken naar wat ik wil doen. Die liefde maakt me vrij om eenvoudig te schrijven, om te tekenen, om te bloggen. Ik mag doen wat ik wil, want Gods liefde is onvoorwaardelijk.
En om te doen wat ik wil, ben ik niet afhankelijk van anderen. Ik stopte ooit met schrijven nadat een manuscript door een uitgever was afgewezen. Ik dacht dat ik om door te gaan met schrijven afhankelijk was van publicatie. Ik meende dat ik afhankelijk was van erkenning. Maar dat was niet zo. Ook al zou niemand mijn verhalen lezen, ook al zou ik ze alleen voor mezelf schrijven, ik zou ze mogen schrijven. Om mijn creativiteit uit te leven heb ik niets anders nodig dan papier en een potlood (of een MacBook air, dat werkt ook). Het zijn niet mijn omstandigheden die mij bepalen. Of er ooit nog iets van mij wordt uitgegeven, of niet, ik ben schrijver. Zoals Peter Parker een held is, of hij ooit nog Spider-Man kan worden of niet.

En dan is er dat moment waarop Peter Parker daadwerkelijk weer Spider-Man wordt. Zijn vriendin wordt bedreigd. Op dat moment weet hij het opeens: dit is wie ik ben. Dit is wat ik wil. Op dat moment is hij helemaal niet met zichzelf bezig (zoals eerder, toen hij ook probeerde om weer Spider-Man te worden). Hij denkt niet aan zichzelf, hij denkt alleen aan Mary Jane. En hij breekt door een hele laag puin heen. Hij is Spider-Man!
Dat moment kwam voor mij afgelopen jaar, toen ik voor de tweede keer ziek thuislag met wondroos. Ik realiseerde mij dat als ik dood zou gaan (zo ernstig was het gelukkig niet, maar wondroos is toch niet mis) ik vooral spijt zou hebben van het feit dat ik geen verhalen zou hebben geschreven. Ik had het er al jaren over dat ik weer wilde schrijven, maar ik deed het niet. Ik dacht dat het was omdat ik geen inspiratie meer had, dat er geen ideeën kwamen. Maar de realiteit was dat ik mezelf geen toestemming gaf om dag en nacht over mijn verhalen te denken. Ik stond mezelf in de weg. Toen ik besloot om weer te schrijven en mezelf de toestemming gaf te doen wat ik het liefst wilde, begonnen de ideeën weer als vanouds te borrelen. En hoe veel ik ook schreef, ik werd er niet overspannen van. In plaats van slechter te slapen omdat ik zo hard werkte, sliep ik er beter door. Mijn schouders waren minder opgetrokken en ik was (volgens mijn vriendin) vrolijker. Ik was meer mezelf. Want ik had mezelf toestemming gegeven om te schrijven. Dit was net zo’n moment als Peter die door het puin breekt.
Het is ook een keuze waarop ik niet meer terug zal komen. Zoals Peter op dat moment wist dat hij Spider-Man was, weet ik dat ik schrijver ben. Niemand kan dat van me af pakken. Deze keuze was namelijk niet gemaakt doordat ik me op mezelf richtte, ik maakte de keuze niet omdat ik iets wilde bewijzen. Zoals Peter was ik niet op mezelf gericht. Ik was gericht op het schrijven, zoals Peter was gericht op Mary Jane. En omdat ik op iets buiten mezelf gericht was, was ik werkelijk vrij. Er was geen sprake meer van schuldgevoel en verplichting, zoals eerst. Ik mocht gewoon doen wat ik wilde doen. Voor Peter was dat Spider-Man zijn, voor mij was dat schrijven.

vrijdag 19 april 2013

Filmbespreking: Oblivion

Als er een originele Science Fiction-film in de bioscoop verschijnt, is dat altijd iets om toe te juichen. Zo vaak gebeurt dat niet in deze tijd van vervolgen en nieuwe versies van oude verhalen. Niet dat ik die niet kijk, natuurlijk. De nieuwe Total Recall was bijvoorbeeld best vermakelijk, en ik ben nu al enthousiast over de volgende Star Trek-film. Maar als er een genre is dat juist vernieuwend zou moeten zijn, is dat de Science Fiction. Een goede SF-film zou je beelden moeten laten zien die je nooit eerder gezien hebt, en je laten nadenken over thema’s waar je niet eerder over hebt nagedacht. Een goede SF-film moet je geest openen voor nieuwe inzichten. Daarom is de voortdurende herhaling van onderwerpen soms wat teleurstellend. Er lijkt nu echter (na het succes van Avatar) een lichting originele SF-films aan te komen. Elysium (met Matt Damon), Gravity (van regisseur Alfonso Cuaron), zelfs Batman-regisseur Christopher Nolan werkt aan een ruimtefilm. Maar de eerste die uitkwam is Oblivion. Deze is nu eens een keer niet gebaseerd op een eerdere film, of een stripverhaal, of een boek, maar is verzonnen door de regisseur zelf.
Helaas is de regisseur van oorsprong architect, en geen science fiction-auteur. Het verhaal blijkt daarom niet bijzonder origineel te zijn. Er zijn invloeden merkbaar van onder andere Wall-E, The Matrix, The Omega Man, 2001, Independence Day en de recentere film Moon, om er maar een paar te noemen. Nu vind ik dat in zichzelf nog geen reden om de film minpunten toe te kennen - ik laat me voor mijn eigen verhalen ook graag inspireren door de werken van anderen. Het is de vraag of iemand ooit helemaal origineel is. Als scheppers staan we allemaal op de schouders van de scheppers voor ons. Er is er maar een die werkelijk uit het niets (ex nihilo) kon scheppen ... Maar dan nog verwacht je een eigen gebruik van het materiaal. Dat miste ik hier een beetje. De wendingen in het plot waren goed gevonden, maar lieten me niet van verbazing naar adem happen. De conclusie van de film was niet anders dan die van heel veel eerdere verhalen. Verder vond ik dat niet al het potentieel van het uitgangspunt werd uitgebuit. Zo krijgt de hoofdpersoon iets heel schokkends te horen, wat zijn beeld op de wereld en op hemzelf doet wankelen. Ik zou dit zelf in de conclusie hebben laten terugkomen, bijvoorbeeld in een belegering die volgt tegen het eind, of in de climax. Het zou een diep schokkend, emotioneel rijk plot hebben opgeleverd.
Verder waren de karakters niet echt diep. Als kijker moet je er maar van uitgaan dat je met ze mee moet leven, maar je krijgt er weinig reden voor. Motivaties worden niet duidelijk. En de meeste dialogen zijn er om het plot uit te leggen. (En een astronaut hoeft niet uitgelegd te krijgen dat Titan een maan van Saturnus is). Als zelfs Morgan Freeman zijn karakter geen leven kan meegeven, zegt dat toch wel wat. Dit maakte dat mijn verloofde de film wel onderhoudend vond, maar geen interesse had hem nog een keer te zien. Ik denk dat ook in SF het beste plot mede wordt gedreven door de motivaties van de karakters, en niet alleen iets is dat hen overkomt, van buitenaf.
Maar wat de beelden betreft, is deze film wel degelijk bijzonder geslaagd. Net als in zijn eerdere film Tron Legacy weet de regisseur een consistente wereld te scheppen, vol kloppende details, maar toch heel anders dan de onze (hier komt het juist goed uit dat hij architect is!). Strakke interieurs en ruimteschepen worden gecombineerd met beelden van lege, ruige natuur uit IJsland. Meerdere keren hield ik mijn adem in door de pracht van de beelden op het scherm. Ik heb zelf een behoorlijk visuele verbeelding en het zou me niet verbazen als scenes in volgende verhalen van me aan deze film zouden doen denken. Alleen al voor de beelden zou ik deze film meerdere malen willen zien. De muziek is trouwens ook prima. De hele film zou als videoclip kunnen fungeren. Omdat ik visuele schoonheid ook een belangrijk criterium vind voor een film, slaat mijn oordeel uiteindelijk dus positief uit (maar niet heel ver).

Oblivion speelt zich af aan het einde van de 21e eeuw. Zestig jaar geleden arriveerden er vanuit het duister van het heelal buitenaardse wezens, die de maan vernietigden en vervolgens een vernietigingsoorlog startten. De mensheid wist de invallers ternauwernood te verslaan, maar de Aarde bleek onbewoonbaar. De overlevenden werden ge-evacueerd naar Titan, de grootste maan van Saturnus, waar misschien wel geen leven, maar wel complexe organische moleculen aanwezig zijn. Op onze planeet zijn alleen nog een paar technici achtergebleven. Ze zorgen voor de vliegende robots die de enorme energiecentrales beschermen tegen de laatste buitenaardse wezens. Jack Harper is een van deze technici. Over twee weken zullen hij en zijn partner Victoria ook naar Titan mogen vertrekken. Eindelijk. Maar zo makkelijk gaat het natuurlijk niet. Een signaal, afkomstig van de buitenaardse wezens, voert Jack naar een neergestort ruimteschip. Daar vindt hij een capsule met een slapende astronaut. Hij herkent haar. Maar dat is onmogelijk. Het ruimteschip dateert namelijk nog van voor de oorlog. Als Julia wakker is geworden, zet ze Jacks leven op zijn kop: ze vertelt hem dat ze zijn vrouw is. Vastbesloten de waarheid te achterhalen, gaat Jack op zoek naar de zwarte doos van het ruimteschip. De buitenaardse wezens zijn hem echter voor en hebben een valstrik voor hem opgezet. Ze willen hem gebruiken om eens en voor altijd de overwinning te behalen.

Als ik het thema van deze film in een woord moet samenvatten, is dat ‘medeplichtigheid’. Dit is een film over het moment dat je beseft dat je dingen hebt gedaan waar je niet achter staat, omdat een systeem of organisatie dat van je vroeg. Het instituut heeft jou gebruikt voor zijn eigen doeleinden, maar in het proces ben jij je ziel verloren. Je was voor het systeem nooit een persoon. Je bent geworden tot een instrument, een wapen. Dat is de identiteit die de organisatie je heeft gegeven. En hoe kun je daar ooit aan ontsnappen?
Ik moest (vanzelfsprekend) denken aan de Duitse bevolking die er na de tweede wereldoorlog achter kwam dat ze een rol had gespeeld bij een geïndustrialiseerde, technische volkerenmoord. Al bestond zijn medeplichtigheid alleen maar uit hun zwijgen, of hun onwetendheid. Onwetendheid is geen excuus, maar maakt je juist kwetsbaar om gebruikt te worden. We hebben het niet geweten. Mensen waren deel van het Nazi-systeem en zijn gebruikt om dat machtiger te maken en zijn vijanden te bestrijden. Nazi-duitsland is natuurlijk een makkelijk voorbeeld van een demonisch systeem (misschien te makkelijk - we denken al snel dat hetzelfde ons niet zou kunnen overkomen). Maar er is een toepassing mogelijk op alle systemen, alle instituten. Ook de goedaardige dragen deze schaduwzijde met zich mee. Bedrijven (werknemers worden gebruikt om de doelstellingen van het bedrijf te behalen (winst), ook al moeten ze daar zelf door lijden (stress)), regeringen, scholen, verenigingen, en ja: kerken. Mijn wat cynische houding ten opzichte van religieuze instituten zal voor trouwe lezers van mijn blog niet als een verrassing komen. Mocht jij toevallig een geweldige kerk bezoeken, die geen van onderstaande kenmerken vertoont, prijs je dan gelukkig en zie dit als een waarschuwing (want elk systeem kan zich deze demonische kant op ontwikkelen).
Ik noemde systemen meerdere malen ‘demonisch’ - en niet alleen vanwege het shock-effect. Organisaties en instituten zijn entiteiten op een hoger organisatieniveau van het individu. Ze hebben echter (net als het individu) eigen doelen, eigen prioriteiten, eigen verlangens, eigen motivaties. Deze zijn niet afhankelijk van het individu. Niet voor niets spreken we bijvoorbeeld van een ‘bedrijfscultuur’. Bedrijven en organisaties kunnen daarom ook in rechtszaken als ‘rechtspersoon’ worden gezien, bijvoorbeeld in zaken tegen ‘de staat Nederland’, of in bedrijfsrecht. Bedrijven nemen beslissingen, landen trekken ten oorlog, beschavingen groeien en krimpen. Volgens verschillende theologen wordt in de bijbel over dit soort hogere entiteiten gesproken als ‘de overheden en de machten’, ‘de wereldheersers’. Ze hebben een persoonlijkheid, en worden ook zo behandeld. Als de bijbel zegt dat we niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en de machten, gaat het niet om een strijd tegen duivels met horens en hoeven, maar tegen onderdrukkende systemen en instituten die mensen hun individualiteit afnemen en hen uitbuiten voor hun eigen doeleinden (de groei van een kerk, territoriumuitbreiding). De belangrijkste vraag van het systeem in deze film is: ‘Zijn jullie een effectief team?’ En zodra het antwoord daarop ‘Nee’ is, breekt de hel los. Mensen zijn alleen maar belangrijk voor hun effectiviteit, hun producitiviteit. Niet voor wie ze zijn als individu.
In het bijbelboek Daniel wordt gesproken over de Engel van het Perzische rijk, in Openbaringen hebben verschillende kerken hun eigen engel. Dit zijn dan personificaties van de persoonsoverschrijdende entiteiten. Dat dit niet zo vreemd is, weet iedereen die wel eens groepsprocessen heeft gadegeslagen, of die gelezen heeft over sociale experimenten - om bij een groep te horen zijn mensen bereid om ver over hun eigen (morele) grenzen te gaan. De systemen hebben dus een religieus aspect, vooral als ze de individuen in het systeem een bepaalde identiteit verlenen (zoals iemand die lid is van een supportersvereniging daar zijn identiteit aan ontleent, en de supportersvereniging vervolgens daar een beorep op doet, bijvoorbeeld om tegen andere supporters te vechten). In deze film krijgt de hoofdpersoon zelfs letterlijk te horen: ‘I have created you. I am your God.’ Duidelijker kun je het niet krijgen. Systemen worden tot afgoden als we onze identiteit eraan ontlenen. Als we dat doen, winnen we misschien de veiligheid van het systeem, we winnen de wereld, maar we raken onze ziel kwijt.

Maar waarom kunnen dit soort instituten zoveel macht over mensen uitoefenen? Als ze zo slecht zijn, werpen we ze toch omver? Maar dat gebeurde niet met Nazi-Duitsland, dat gebeurt niet met bedrijven en het gebeurt niet met kerken. Vaak groeien ze zelfs. Want het systeem neemt niet alleen iets weg, het geeft er natuurlijk ook iets voor terug. In deze film zien we dat terug bij Victoria, de partner van hoofdpersoon Jack. En ook hier zie ik sterke parallellen met religieuze systemen. Zo wordt Victoria een beloning in de toekomst voorgehouden. Als ze goed presteert, zal de missieleiding met haar een drankje drinken op Titan. Ze moet nu volhouden, om zo meteen te kunnen genieten. De belofte van toekomstige beloning is gekoppeld aan straf voor het niet effectief zijn. Beloning en straf zijn externe motivatoren, die mensen niet werkelijk veranderen, maar ze in feite hun vrijheid en identiteit afnemen. Dit is te zien bij Victoria die elke dag strak volhoudt dat ze in een paradijs leeft (‘another day in paradise’), in een poging zichzelf te overtuigen, zelfs als de realiteit anders is - ze wil immers niet de toekomstige beloning mislopen. Die beloning is er alleen voor hen, omdat ze zo goed functioneren. Dat maakt hen bijzonder. Het systeem heeft de wereld onderverdeeld in de ‘goeien’ en de ‘vijanden’. Over deze vijanden weet Victoria niets, behalve dat het systeem heeft gezegd dat ze een bedreiging zijn voor haar beloning. En dus hoeft ze ze ook niet te leren kennen, maar kan ze tevreden zijn met ze te bestrijden.
Hieraan gekoppeld is een angst voor ‘verontreiniging’. Niets van het aardoppervlak mag haar wereldje binnenkomen. Zelfs als Jack een bloem voor haar meeneemt, kan Victoria niets anders doen dan die weggooien. Het leidt af van hun effectiviteit. Ik meen dat ik niet overdreven cynisch ben, als ik hierbij moet denken aan de ‘verontreinigingsleer’ die we kenden in de kerk waarin in opgroeide, waar we bang waren om onrein te worden als we bijvoorbeeld in een andere kerk aan het avondmaal zaten. We ontleenden daaraan onze identiteit. Zo geldt het ook voor Victoria. Let op: ze draagt het symbool van het systeem op haar kleren, als was het een religieus symbool zoals een kruis. Ze identificeert zich met het systeem. Maar haar identiteit staat in dienst van het systeem - ze heeft de identiteit van een effectieve werker, en dus is ze voortdurend aan het werk voor het instituut. Ze heeft allerlei taken. Er is geen moment om te rusten, te ontspannen. Dat is prettig, want zo hoeft ze geen confronterende vragen onder ogen te zien.
Die vragen wil ze niet onder ogen zien. “The questions I ask, she doesn't,” verzucht Jack. “The things I wonder about, she won't.”

Wat maakt Jack verschillend? De film speelt met het idee van herinneringen die genetisch worden doorgegeven. Zo werken onze genen natuurlijk niet. Maar op een andere manier worden wel ‘herinneringen’ doorgegeven, namelijk via de kunst, via literatuur. En ook dat gebeurt in deze film. De herinneringen wekken verlangen op bij Jack. Een verlangen naar schoonheid, naar waarheid en naar intimiteit. Naar een menselijk leven. Een bestaan dat meer is dan het dienen van het systeem. Een bestaan dat om meer draait dan een toekomstige beloning. Een bestaan dat echt is. Verlangen is een interne motivatie, en eigenlijk de enige motivatie die ons vrijheid kan brengen. Als Jack dit verlangen gaat volgen, komt hij allereerst in conflict met zichzelf (in deze film zelfs letterlijk). Zijn identiteit was namelijk verweven met het systeem, het systeem had macht over hem. En hij moet dus worstelen met dat deel van zichzelf dat nog wel gelooft in de beloning die het systeem hem voorhoudt, en de dreiging van straf door het systeem als hij niet meer effectief is. Dit is de worsteling tussen de geest en het vlees, waar Paulus over spreekt in Galaten 5 ‘Want deze twee staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt’. Maar zelfs als Jack zichzelf heeft overwonnen (als hij is gestorven aan zichzelf), wil het systeem hem niet zomaar laten gaan. Als hij werkelijk vrij wil zijn, zal hij zich aan de wereld van het systeem moeten onttrekken. Nog een bijbelse verwijzing: zoals Jezus volgens Hebreeen ‘buiten de legerplaats’ ging om gekruisigd te worden. Jacks vrijheid en identiteit en het bestaan van het systeem zijn onverenigbaar. Een van de twee zal eraan moeten geloven. Om vrij te worden, moet Jack dus bereid zijn te sterven. Zo dramatisch is het voor ons vaak niet, maar het voelt wel als een stukje sterven als je het systeem achter laat en je identiteit als deel van het systeem afzweert. Het voelt als sterven om toe te geven wat je gedaan hebt als deel van het systeem, om aan anderen te belijden dat je hen pijn hebt gedaan door de meningen van het systeem over hen te verkondigen, om vergeving te vragen. Je moet bereid zijn af te gaan in de ogen van anderen. Om op te staan tegen de mensen die anderen kwaad willen doen, om hardop te schreeuwen dat de keizer geen kleren aan heeft. Dit vraagt moed, maar het is noodzakelijk. Wie werkelijk wil leven, moet bereid zijn te sterven. (Ook dit is iets wat Jezus al zei).
Dit thema wordt in de film verwoord door een citaat uit The Lays of Ancient Rome van de dichter Macauley: ‘How can man die better: than facing fearful odds, for the ashes of his fathers, and the temples of his Gods?’ Er is een ander boek dat in deze film duidelijk in beeld komt, en dat is het boek A Tale of Two Cities van Charles Dickens. Volgens mij is dat niet toevallig! Want waar gaat dit boek over? Over een systeem dat mensen hun vrijheid en hun leven ontneemt! En over iemand die bereid is te sterven, zodat iemand die heel erg op hem lijkt kan leven (de parallellen zijn wel heel duidelijk). Ik denk dat Jack hem na zou zeggen: ‘It’s a far better thing that I do, than I have ever done, It’s a far better rest that I go to, than I have ever known’.
En wat gebeurt er na deze dood (sterven aan de wereld, zoals de bijbel het noemt)? Welnu, daarop volgt de opstanding. Een leven buiten het systeem, in een wereld die gebaseerd is op schoonheid, waarheid en intimiteit. Deze film bevat daarvan een prachtig beeld, dat bij meerdere kijkers naar ik heb begrepen de tranen in de ogen bracht. Ik moest bij de paradijselijke beelden (inclusief nieuw leven) denken aan Openbaringen, dat over het nieuwe Jeruzalem zegt dat daar geen tempel meer zal zijn! (De tempel is het beeld van religieuze systemen - Jezus heeft die hun macht ontnomen, bij zijn dood, toen het gordijn voor het (lege!) heilige der heiligen van boven naar beneden scheurde. Nu zijn ze er nog wel, maar hun lege hart is blootgelegd en ooit zullen ze helemaal verdwijnen). Ook de Zon en de Maan zullen er niet meer zijn (ook dit zijn in de bijbel net als de sterren beelden van machthebbers en systemen). Het Lam zelf is hun licht, zegt de bijbel. Een lam oefent geen macht uit. Een lam is geen systeem dat anderen kan gebruiken voor zijn eigen doeleinden.
God toont zich naar ons niet als een tempel, niet als een zon, maar als een lam. God is namelijk geen systeem, geen kerk, geen organisatie. Hij wil ons niet gebruiken voor zijn eigen doeleinden. God is relatie. God is liefde. En hij nodigt ons uit om daar deel aan te hebben. Als we daaraan onze identiteit ontlenen, door ons door hem te laten liefhebben en zelf onze naasten lief te hebben, worden we pas helemaal onszelf. Waar systemen ons onze ziel ontroven, worden we allen zo werkelijk bezield. Tot deze conclusie komt ook de film: ‘If there is a soul, it is made from the love we share.'

vrijdag 28 december 2012

Filmbespreking: The Prince of Egypt

Op eerste kerstavond keken we dit jaar geen kerstfilm (ik heb eerder deze week al eens uitgelegd dat ik daar niet zo veel mee opheb), maar een paasfilm. We keken The Prince of Egypt, de tekenfilm over het leven van Mozes die in 1997 in de bioscoop draaide. Het is een van de films die ik al vele malen heb gezien, maar ook nog vele malen zal kijken. Dat niet alleen vanwege de prachtige animatie, hoewel die wel meespeelt.  Van sommige scenes, zoals de instortende steigers in het begin, is nu wel te zien dat die duidelijk met de computer zijn gemaakt. Maar de wat gestileerde beelden van het oude Egypte zijn indrukwekkend, net als de reis van Mozes door de woestijn. De karakters zijn niet zo sterk gestileerd als in sommige Disneyfilms, waardoor sommige meer cartooneske figuren (de schapen of de priesters Huy en Hotep) een beetje uit de toon lijken te vallen. Uit kinderbijbels overbekende beelden zoals de splitsing van de Rode Zee krijgen een nieuwe luister (vooral door de schaduwbeelden van vissen op de waterwanden). Heel indrukwekkend is de 2D-scene waarin de hoofdfiguur de wandaden van zijn vader ontdekt. De muziek in de film is een andere factor - de meeste liederen zijn heel sterk. Van het aangrijpende ‘Deliver us’ helemaal aan het begint, tot het duet tussen Mozes en Farao Ramses, en het van hoop sprekende ‘When you believe’. En dan noem ik nog niet eens ‘Look at yourself through heaven’s eyes’ - een lied dat mij vaak in gedachten komt: ik moet mijn zelfbeeld niet baseren op mijn eigen oordelen over wat belangrijk is, maar accepteren hoe God over mij denkt. En ten slotte vind ik het verhaal sterk. Het is natuurlijk ook een klassieker. Maar in deze film zijn er uit buiten bijbelse gegevens interessante elementen in gebracht. Het is duidelijk gebaseerd op dezelfde bronnen als de oudere klassieker ‘The Ten Commandments’ - die noemt een boek met de titel ‘The Prince of Egypt’ als inspiratie. En Ramses in The Prince of Egypt lijkt te zijn vormgegeven als Yul Brynner (ze zijn allebei kaal). Maar waar in The Ten Commandments Mozes en Ramses elkaar van het begin af niet mogen, beginnen ze in The Prince of Egypt als vrienden. Dat maakt hun conflict des te aangrijpender en maakt nog duidelijker dat hun verschil een ideologisch verschil is en niet alleen een verschil van karakter. Ook is Zipporah in de tekenfilm wat sterker en levenslustiger dan in de oude film. Maar waarom ik de film vooral waardeer, is dat hij me eraan herinnert hoe belangrijk God vrijheid vindt.

Het is makkelijk te vergeten in een maatschappij waarin religie (in elk geval buiten de voordeur) wordt gelijkgesteld met overheersing, veroordeling en hypocrisie, waarin kerken bekend staan om hun afwijzing van andersdenkenden en anders geaarden, meer om waar ze ‘tegen’ zijn dan waar ze ‘voor’ zijn, en waarin schrijvers tientallen boeken nodig hebben om hun eigen geschiedenis met geestelijke manipulatie te verwerken, maar de grondslag van het Joodse en het Christelijke geloof ligt in een daad van bevrijding. Het gaat in beide om vrijheid. Laat dat woord eens tot je door dringen, en realiseer je hoe groot het contrast is met wat mensen van deze religies hebben gemaakt.
Wij vieren in Nederland nog steeds ‘bevrijdingsdag’ - het moment waarin een einde kwam aan vijf jaar van Duitse bezetting. Niet langer hoefden mensen onder te duiken omdat ze Jood, homo of anderszins ongewenst waren. Niet langer hoefden mensen bang te zijn dat ze geliefden of hun fietsen en andere bezittingen zomaar konden kwijtraken. Niet langer hoefden verenigingen en organisaties zich aan te passen aan het Duitse model, en mensen uit te sluiten. Niet langer hoefden mensen hun meningen voor zich te houden. Niet langer regeerden er mensen over Nederland en over Nederlanders voor wie de Nederlanders niet zelf hadden gekozen. Ze waren vrij. Vrij om hun eigen godsdienst te kiezen. Vrij om volgens hun eigen geweten te handelen. Vrij om hun mening te uiten. Vrij om in de pers te schrijven. Vrij om hun eigen regering te kiezen. Vrij om zichzelf te zijn. Geen wonder dat er op dat moment overal in Nederland werd feestgevierd. En nog steeds.
Een vergelijkbare ‘bevrijdingsdag’ is de basis van het Jodendom en het Christendom. De omstandigheden van Israël in Egypte waren echter nog erger dan die van Nederland onder Duits regime. Het volk Israël leefde in slavernij. Het werkte voor de Farao’s, die leefden voor hun eigen glorie, die hun eigen rijk wilden uitbreiden. Farao’s die zichzelf zagen als goden en hun identiteit dus hadden gekoppeld aan hun macht (een illustratie hoe ‘kleine verhalen’ leiden tot afgodendienst). De Israëlieten moesten zich inzetten voor het vergroten van de positie van de Farao. Wie zich verzette, werd gedood. Wie niet productief meer was, moest verdwijnen. Werd er geprotesteerd, dan verschaften de opzichters geen stro mee, en moesten de slaven dat ‘s nachts op het land verzamelen. En toen het volk te groot dreigde te worden, aarzelden de onderdrukkers niet de pasgeboren jongetjes in de Nijl te werpen. Dit was een genocide. Een volkerenmoord waar de Egyptenaren zich niet schuldig over voelden. ‘Het zijn toch maar slaven’, zeggen zowel de Farao als Ramses in The Prince of Egypt. Deze zin moet bij de kijker een rilling over de rug laten lopen. De Israëlieten waren geen mensen meer, maar slaven. En deze situatie duurde niet maar vijf jaar, maar hield honderden jaren stand.
God maakte echter duidelijk niet op de hand te zijn van slavendrijvers. Hij wilde niet dat de ene mens over de andere zou heersen, en hem of haar zijn waarde als individu zou ontnemen. Hij accepteerde niet dat mensen door de kleine verhaaltjes van anderen alleen nog maar waarde hadden om hun bijdrage aan dat verhaal, hun functie, en niet als onafhankelijk individu. En om dat duidelijk te maken kwam hij in actie tegen Egypte. Hij aarzelde niet al zijn kracht in te zetten om het volk Israël te bevrijden. Zo erg vond God het bestaan van slavernij dat hij zelfs de onschuldige kinderen van Egypte trof. Hij was bereid zo’n hoge prijs te betalen (dat het een hoge prijs is maakt de reactie van Mozes in de tekenfilm duidelijk - maar hij maakt ook duidelijk dat het de koppigheid van de Farao is waarmee deze dit over zichzelf uitroept). Dit zegt mijns inziens niet iets over de wreedheid van God, maar vooral over de slechtheid van slavernij. Dat mensen onvrij zijn is kennelijk nog erger voor God dan dat ze sterven. Deze kinderen zouden immers bij Hem zijn, terwijl de slaven al de jaren van hun leven levend dood waren. En uiteindelijk verlieten de Israëlieten dan Egypte. Ze kregen hun vrijheid terug. Dit was de reden voor een feest dat tot nu toe nog gevierd wordt: Pasen!

Ik denk niet dat Bevrijdingsdag over 3000 jaar nog gevierd wordt, maar deze gebeurtenis was zo belangrijk dat het de grondslag werd voor de nationale identiteit en de religie van het Joodse volk. Zij kenden hun God voortaan in zijn rol als Bevrijder. In de hele bijbel wordt Egypte gebruikt als beeld van overheersing, van macht en controle. En steeds wordt de uittocht als beeld gebruikt van wat God doet: hij maakt mensen vrij. En ook Christenen claimen dit deel van de geschiedenis als basis voor hun geloof. Al bij Jezus’ geboorte werd hij aangekondigd als bevrijder. Het laatste avondmaal dat Jezus viert, is het traditionele paasmaal. Zijn dood en opstanding vielen samen met de herdenking van de slacht van het paaslam en de uittocht uit Egypte. De boodschap van de bijbel is dat het werk van Jezus een herhaling was van deze gebeurtenissen. Maar niet alleen een herhaling. De vervulling! Jezus deed niets anders dan wat God meer dan duizend jaar daarvoor had gedaan. Maar wat God deed voor Israël, deed Jezus voor alle mensen. En waar God zijn volk alleen bevrijdde van de materiële overheersing door een macht van buitenaf, bevrijdde Jezus de mensheid van hun innerlijke gebondenheid, de onvrijheid die hen in de greep hield van oordelen en dus van begeerte en dood. Waar de Israëlieten om aan Egypte te ontsnappen over de bodem van de zee moesten trekken, moeten de mensen nu zich vereenzelvigen met de zwakheid van Jezus tot in de dood, om met Hem te worden opgewekt en voortaan te leven in een nieuw verhaal. Het grootste verhaal dat denkbaar is.  Het Ware Verhaal, dat leidt tot schoonheid, waarheid en relaties, een land overvloeiend van melk en honing.
Dat er een verdergaande bevrijding nodig was, wordt ook duidelijk uit het bijbelse verhaal over de uittocht uit Egypte. Want het is nogal opvallend dat zodra het volk is bevrijd er al wordt gemord. De Israëlieten verlangen terug naar Egypte omdat ze er uien en vlees te eten hadden. En onderaan de Sinaï, in het zicht van de wolk, kiezen ze ervoor afgoden te vereren en vergrijpen ze zich aan elkaar. Ze zijn zelf dus ook in de greep van allerlei kleine verhaaltjes. Ze zoeken hun identiteit in afgoden. Ze offeren andere mensen op aan hun eigen begeerte. Dit wordt weer duidelijker weergegeven in The Ten Commandments, waar de corrupte Dathan het volk aanzet tot rebellie. In zekere zin waren de Israëlieten na hun bevrijding nog steeds slaaf. Niet langer van de Egyptenaren, maar van de zonde (en interessant genoeg van de religieuze zonde - ze kozen voor het kleine verhaal van de religie en werden daardoor onvrij). Deze onvrijheid vindt God even erg als de uitwendige onvrijheid. En omdat God een bevrijder is, wil hij zijn volk ook bevrijden van hun zonde. Maar dat gaat niet door vertoon van macht. Dat gaat niet door wonderen en tekenen. Dat zijn uiterlijke verschijnselen, het is beïnvloeding van buitenaf. Dat kan nooit werkelijk de interne motivatie van mensen veranderen. Het kan hen er hooguit door angst en beloning toe brengen om hun gedrag aan te passen. Maar het maakt niet dat ze naar een ander leven gaan verlangen. Daarvoor is een innerlijke verandering nodig - en die kan niet plaatsvinden door geweld.
Ook de wet faalt daarin, omdat de wet met zijn beloften en straffen een uitwendige maatregel is. Aan de Sinaï moet God wel zijn wet geven om in het nieuwe volk Israel in elk geval een deel vrijheid te garanderen. Hij laat vastleggen dat mensen een God moeten dienen, en geen afgoden, en dat ze elkaar als waardevolle individuen moeten behandelen en niet alleen als gebruiksvoorwerpen. De tien geboden kun je zien als een heel vroege versie van de Universele Mensenrechten. Deze regels waren, op straffe van steniging, de duizend jaren na de uittocht uit Egypte de garantie dat Israël niet zelf een nieuw Egypte zou worden. In het Oude Testament was de ‘wet’ dus de basis voor vrijheid. Dit punt wordt meerdere malen gemaakt in The Ten Commandments. Deze film werd niet lang na de Tweede Wereldoorlog gemaakt, en dat conflict resoneert in deze film. Meer dan God zelf lijkt in deze film de ‘wet’ nodig te zijn om individuen in vrijheid te laten leven. De wet die stelt dat ieder mens (voor de wet) gelijk is.

Maar de geschiedenis van Israël laat zien dat de wet niet voldoende is (de geschiedenis van de wereld na de Tweede Wereldoorlog toont dit trouwens ook aan). En daarom kijken de profeten uit naar een nieuw verbond. Een verbond waarbij God zijn wet in de harten van zijn kinderen zou schrijven. De wet zou niet langer iets zijn buiten de mensen, gegrift op tafelen van steen, maar een realiteit binnen de mensen, geschreven op tafelen van vlees. Voortaan zouden de mensen uit zichzelf de wet houden. Omdat de wet kan worden samengevat in de geboden ‘Heb God lief boven alles en de naaste als jezelf’, betekent dit dat voortaan de mensen zouden liefhebben. God, zichzelf en elkaar. In mijn boek ‘Indrukwekkende Vrijheid’ heb ik al betoogd dat dit de basis is voor werkelijke vrijheid. Wie liefheeft, heeft de wet vervuld, zeggen meerdere schrijvers in het Nieuwe Testament. Maar liefde kan niet van buitenaf worden afgedwongen. Het is het gevolg van een innerlijke verandering. Zoals het oude verbond, met zijn wet van buitenaf, volgde op een bevrijding van uitwendige omstandigheden, volgt het nieuwe verbond, met zijn wet in het binnenste, op een bevrijding van het menselijke hart.
Ik heb zelf het idee dat The Prince of Egypt vooruit grijpt op dit tweede verbond - door niet de Joden in opstand te laten komen, en geen nadruk te leggen op de wetgeving. Mozes is in deze film zelfs een Christusfiguur die zelf ook lijdt onder het laatste oordeel van God over Egypte. Maar dit plaatje is niet compleet. Want de bevrijding van het menselijke hart is niet tot stand gebracht door Mozes, maar is door Jezus bewerkstelligd op Pasen. Jezus gebruikt zelf geen geweld, maar wordt het slachtoffer van geweld. Dit keer betaalt God niet een vreselijke prijs om zijn volk te bevrijden, maar Hij neemt alle kosten van de slavernij van de mensheid op zich. Hij heft niet zijn hand op in toorn (zoals God deed tegen Egypte), maar keert zijn andere wang toe en laat zijn hand vastnagelen in het kruis. Waar God als de dood tekeerging in Egypte, verslaat Hij nu juist de dood van binnenuit. God is nu zelf het lam, zodat niemand meer hoeft te sterven. Hij identificeert zich met de slaven, en neemt hen met zich mee uit de slavernij naar de vrijheid. Het Egypte van de zelfzucht (de kern van alle kleine verhalen) is verslagen, Christus is overwinnaar. Dit is het Grote Verhaal. Als wij daarin gaan leven, verandert ons hart, verandert onze motivatie. Dan willen we liefhebben, God en de naaste. Niet omdat het moet, maar omdat we het verlangen. Daarom zijn we niet onder het eerste verbond, waarbij de wet nodig was als garantie voor de vrijheid, maar onder het tweede verbond, dat van de genade. Niet het oordeel van God over wat goed en slecht is, maar zijn grote liefde is nu ons leidende principe. We hoeven niet meer bang te zijn. Nergens voor. Zelfs niet voor de dood. Dus hebben we onze kleine verhaaltjes niet meer nodig. Dit is het grote verschil tussen Jezus en Mozes: “Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en waarheid is door Jezus Christus geworden” (Johannes 1:17).

Dit is een prachtige boodschap. Een bevrijdende boodschap. Letterlijk. God is onze bevrijder. Maar daar waar de Israëlieten terug verlangden naar de vleespotten van Egypte, verlangen christenen nogal eens terug naar het leven onder het eerste verbond. Het leven onder de wet. Vertrouwen in de liefde van God, wordt nogal eens vervangen door nieuwe (eventueel ongeschreven) regels. Veel zondagen in de kerk staan niet in het teken van het Evangelie, vaak wordt het avondmaal niet elke zondag gevierd (wat toch ons nieuwe ‘paasfeest’ is en we zouden moeten voeren ‘zo vaak we samenkomen’), en in plaats daarvan praten we over het houden van stille tijd, hoe we moeten leven, hoe we ons moeten inzetten, en hoe slecht zonde is. We noemen ons niet ‘wettisch’, maar we focussen wel op de buitenkant, in plaats van elkaar steeds weer te herinneren aan de onvoorwaardelijke liefde van God, die ons heeft bevrijdt en ons van binnenuit verandert. Het Grote Verhaal wordt genoemd in het voorbijgaan, maar we praten vaker over de kleine verhalen van kerkdiensten, evenementen en manieren om ‘doelgericht’ te leven.
Het bijbelboek Hebreeën waarschuwt hiertegen. Het waarschuwt dat mensen die hebben geproefd van het Grote Verhaal, die de vrijheid hebben gesmaakt, en dan toch kiezen voor het leven onder de wet, het kleine verhaal, niet opnieuw bevrijdt kunnen worden. De schrijver verwijst hierbij niet voor niets naar de aanwezigheid van God op de Sinaï en de Israëlieten die ondanks ze de lichtende wolk met eigen ogen hadden gezien, toch naar Egypte wilden terugkeren. Als zelfs het zien van Gods glorie je niet van je liefde voor Egypte afbrengt, zal niets je naar het beloofde land kunnen laten verlangen. Als je zelfs door het zien van het offer van Jezus, zijn dood en opstanding, niet gaat verlangen naar het leven in de genade, zal niets je daartoe kunnen brengen. Dat is de betekenis van die woorden die mij vroeger zulke angst aanjoegen. Niet dat ik als ik aan het bestaan van God twijfel nooit meer naar de hemel zou kunnen gaan. God zal mij immers altijd accepteren. Zijn liefde wankelt nooit. Maar het betekent dat als ik de genade verwerp als basis voor mijn leven, God niet nog een middel achter de hand heeft om mij te overtuigen. Het is zijn liefde of niets. Als zijn liefde niet genoeg is, zal niets genoeg zijn. Dit is een ernstige zaak. Geen wonder dat Paulus in Galaten nogal ernstig ingaat tegen dwaalleraars die probeerden de gelovigen weer te laten gehoorzamen aan de oude machten van de wet. Uit het tweede verbond kun je niet terug naar het eerste.

zondag 2 september 2012

Filmbespreking: Elizabeth

We worden als mensen nogal eens ingeperkt door onze ervaring. We kennen de wereld om ons heen. Onze stad, de marktkraampjes, de volle trein op weg naar kantoor. Die ervaren we als werkelijkheid, die heeft voor ons substantie. En van de mensen die we dagelijks zien, hebben we het gevoel dat we ze kennen. We kunnen onszelf op hen projecteren, en ons voorstellen dat ze dezelfde gedachten koesteren, dat ze dezelfde verlangens hebben, dat ze angstig zijn en liefhebben zoals wij dat doen. We ervaren ze als ademende, levende personen en gaan zo met ze om. Maar het wordt anders als we van mensen gescheiden zijn, of het nu is door een fysieke afstand, of door tijd. We lezen over een andere cultuur, bijvoorbeeld die van Japan of van de Inuit, en over hun voor ons aparte gebruiken en hun bevreemdende cultuur. Maar kennis over mensen is niet hetzelfde als het kennen van mensen. De Japanners of de Inuit blijven voor ons abstract. Het zijn eenheden, geen mensen. Een encyclopedie of een volkenkundig museum helpt ons niet over hen te denken als mensen zoals wij, die liefhebben, verdriet hebben, ambitieus zijn of juist niet. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis. We kunnen lezen over de middeleeuwen, de volksverhuizingen, de kathedralenbouwers, de epidemieën en de koningen, maar die kennis is onpersoonlijk. Al snel denken we dat mensen in die tijd dommer waren, minder ver ontwikkeld, simpele zielen of onschuldiger. Het is moeilijk over ze te denken als echte, levende, ademende mensen zoals wij. Het blijft een ‘ver van mijn bed show’.
Om de kloof van de abstractie te overbruggen hebben we iets anders nodig dan feiten. Het kan alleen door de mensen echt te ontmoeten. Door op reis te gaan naar een andere cultuur en twee weken bij Indiers te logeren bijvoorbeeld - daardoor krijgen de mensen op dat subcontinent een gezicht. Ze worden individuen, persoonlijkheden. Maar dat is niet altijd mogelijk, vooral niet als de afstand er een is in de tijd. Dan is fictie de aangewezen oplossing. Verhalen laten ons meeleven met individuele mensen, laten ons delen in hun pijn, vreugde en moed, laten ons voelen waarom eer nu zo belangrijk voor hen is, of waarom ze minder geven om welvaart dan wij. Een verhaal stelt ons in staat om ons door middel van de verbeelding te verplaatsen in de schoenen van een ander, en daardoor tegelijkertijd de ander te zien als een mens zoals wij. Dit is een belangrijke functie van fictie. Deskundigen spreken over de ‘theory of mind’ - de wetenschap dat een ander zichzelf als persoon ervaart, net zoals jij dat doet. Het is bekend uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen die verhalen lezen, sterker scoren op testen over de ‘theory of mind’ en ook empathischer zijn. Ze zijn ook eerder geneigd om anderen te helpen. Je zou kunnen zeggen dat verhalen ons menselijk maken, of anders gezegd: dat verhalen ons helpen om anderen te zien als mensen.
Dit verklaart waarom historische films mij zo aanspreken. Op een bepaald moment tijdens het kijken realiseer ik me dat deze mensen, met hun worstelingen, hun verlangen en hun twijfel, werkelijk hebben bestaan, bijna vijfhonderd jaar geleden. En andersom, dat de mensen van 1500 jaar geleden waarover ik lees in de geschiedenisboeken geen pionnen waren of robots die een koers volgden die voor hen was vastgelegd (de koers die de geschiedenis nu eenmaal moest lopen om te leiden tot onze tijd), maar dat ze individuen waren die hun eigen ideeën navolgden, met andere concurreerden, en teleurstelling ervoeren of juist grote vreugde. Hoewel de geschiedenis voor mij lijkt vast te staan, was de toekomst voor hen open. Dit ervoer ik bijvoorbeeld bij het kijken van de al wat oudere film Elizabeth.

De film speelt zich af in het Engeland van de zestiende eeuw. Net als elders in Europa heeft de reformatie diepe voren getrokken. De film begint met de levende verbranding van drie protestantse ketters. De katholieke koningin Mary Tudor wordt echter opgevolgd door de protestantse Elizabeth. Een levenslustige jonge vrouw, die verliefd is op een sympathieke edelman Sir Robert Dudley. Het ziet er echter naar uit dat haar regering van korte duur zal zijn. Het land is arm en er dreigt oorlog, bijvoorbeeld met bloody Mary, de koningin van Schotland. De katholieke bisschoppen zijn niet blij met haar ideeën over de gewetensvrijheid van individuen en de Paus dringt zelfs aan op een gewelddadige oplossing. De graaf van Norfolk, een van de belangrijkste edelen, aast ondertussen zelf op de troon. De enige manier om haar positie te behouden, is te trouwen. Of met de Franse Graaf van Anjou (die op zijn minst flamboyant is te noemen), of met de Spaanse koning. Haar advisieur William Cecil houdt haar voor dat haar lichaam nu niet meer van zichzelf is, maar van de staat. Ze is een vrouw in een mannenwereld en wordt daar ook regelmatig aan herinnerd. Ondertussen hoopt Sir Robert haar te kunnen blijven zien. De enige die werkelijk haar belangen op het oog lijkt te hebben is Sir Francis Walsingham, die als haar lijfwacht op een doortastende manier afrekent met bedreigingen van binnen en buiten het hof. Uiteindelijk moet de jonge koningin een groot offer brengen om haar land voor onheil te behoeden.

Deze film had makkelijk in het lijstje van mooie films kunnen staan dat ik laatst op mijn blog plaatste. De aankleding van de film is prachtig, met fantastische kostuums en imposante decors. Er speelt ook een heel scala goede acteurs in mee. Van Richard Attenborough (zelf ook regisseur, en broer van David), tot Joseph Fiennes (die later Luther speelde), Geoffrey Rush (zoals altijd briljant) en Christopher Eccleston (gepast dreigend en doortastend, in 2003 Dr. Who.). Emily Mortimer (uit Lars and the Real Girl) is een van de dienstmeisjes van de koningin, en zelfs de latere James Bond Daniel Craig heeft een rolletje. Cate Blanchett is een stralende koningin Elizabeth (deze rol is duidelijk een voorloper van Galadriel), maar een die ook haar doortastendheid overtuigend weet te brengen. Misschien toont de film niet de lelijke kant van de middeleeuwen wat betreft scheve tanden, pest en luizen, maar ketterverbrandingen, martelingen en de gevolgen van de oorlog worden wel in beeld gebracht. Aan het eind van de film wordt er een samenzwering ontmaskerd, maar hoe die precies in elkaar zat was me niet heel duidelijk, en ook niet wat de rol van Sir Robert nu precies was. Ik heb ook begrepen dat de film de volgorde van gebeurtenissen hier en daar omdraait en zich wat vrijheid veroorlooft in de ontmoetingen van de koningin. Dat maakt de film niet minder. Om op abstract niveau te weten wat precies gebeurde kun je vinden op Wikipedia. Om je een beeld te vormen van wat een vrouw van vlees en bloed moet doen en laten op de troon van Engeland in de zestiende eeuw, kijk je deze film.

Tijdens het kijken van de film dacht ik een paar keer: hee, dit soort situaties ken ik uit A Game of Thrones en de vervolgen daarvan. Een strijd om de troonopvolging, verschillende huizen van edelen met conflicterende belangen, diplomatiek inzetten van huwelijken en relaties, en bloederig verraad. Ik verwijs daarom graag naar mijn bespreking van A Game of Thrones. Daarin schreef ik: “Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis.” Onze heldenverhalen, waar wij betekenis aan ontlenen, leiden ertoe dat wijzelf onvrij zijn, en dat wij anderen hun vrijheid ontnemen (hun heldenverhaal bedreigt het onze immers). Ik citeer Richard Beck: “This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.” Ditzelfde principe wordt ook op een krachtige wijze in beeld gebracht in deze film. In A Game of Thrones lees je over de gevolgen van de menselijke machtsuitoefening op de zwakken en de machtelozen. Deze film toont de vernietigende effecten ervan op de individuele mens en zijn persoonlijkheid.
Eerst wordt Elizabeth in beeld gebracht als een levendige jonge vrouw. Ze bevindt zich in een idyllische, bijna paradijselijke situatie, waar ze danst met haar geliefde Sir Robert. Ze heeft hoop op een werkelijke relatie met de man met wie ze houdt. (De keren dat deze karakters dansen hebben een symbolisch karakter, denk ik. Ze worden namelijk steeds ongemakkelijker door de film heen). Bovendien is ze werkelijk overtuigd gelovige. Zelfs als ze gevangen wordt genomen en bedreigd wordt, houdt ze vast aan haar protestantse overtuigingen. Wanneer haar zus haar vraagt Engeland katholiek te houden, antwoordt ze dat ze zal handelen zoals haar geweten haar ingeeft. Wanneer ze hoort dat ze koningin wordt, reageert ze met oprechte dankbaarheid aan God. Ze is iemand die kan liefhebben, God en een ander individu. En ze probeert ook zo te regeren, uit het hart, niet uit kille berekening. Maar als koningin bevindt ze zich op een positie waar dat niet is vol te houden. Er wordt van haar verwacht dat ze de positie van Engeland beschermt en verstevigt. Er wordt van haar verwacht dat ze macht uitoefent ten dienste van de staat. Daarvoor moet ze trouwen met iemand die haar maar een of twee keer per jaar zou zien (de koning van Spanje) of met iemand die zich graag als vrouw verkleedt (de Franse Anjou). Haar liefde voor Robert is ondergeschikt aan het verhaal van Engeland. En anderen verwachten dat ze macht uitoefent ten dienste van de kerk, katholiek of protestant. Ze bespeelt de edelen prima, wijst hen op hun hypocrisie, maar het verhaal van de macht krijgt uiteindelijk de overhand. De religieuze machten zijn bereid de toevlucht te nemen tot moord om hun positie te beschermen. En Elizabeth kan hen alleen met de wapenen van de macht bestrijden, en moet daarbij ingaan tegen haar geweten. Ze moet de machiavellistische Walsingham de vrije hand geven om de katholieke samenzweerders te doden. En ze moet de toevlucht nemen tot de subversie van religieuze beeldtaal om haar plek op de troon te behouden. Ze wordt zelf een religieus figuur, om mensen ervan te weerhouden op grond van hun religie tegen Engeland te kiezen. Op dat moment, zegt ze, is ze getrouwd met Engeland. Ze heeft haar lange haren afgeknipt, heeft haar gezicht wit gemaakt, en draagt een witte jurk. Haar levenslustige persoonlijkheid is gesublimeerd, haar liefde voor Robert is weggedrukt. Ze is nu een belichaming van een ideaal, een abstractie, in plaats van een persoon. Ze is haar positie. Dat is wat macht doet met mensen. Dat is de betekenis van het gezegde dat macht corrumpeert, en dat absolute macht absoluut corrumpeert.

De ironie is natuurlijk dat haar beslissing om de maagdelijke koningin te worden succes oplevert voor Engeland. Dat gaat een gouden eeuw in, met ongekende welvaart, succesvolle expansie in de wereld en een Anglicaanse kerk die de staat niet meer bedreigde. Het verhaal van Engeland eindigt met een overwinning. Maar een ‘happy end’ is het volgens mij niet. Want het verhaal van Engeland is niet het Verhaal van de Werkelijkheid. Het is niet het Ware Verhaal. Het is een klein verhaal, en degene die van Engeland zijn eigen verhaal maakt, die zijn leven laat draaien om het succes van Engeland, dient eigenlijk een afgod. Hoe mooi en succesvol Engeland ook is, het is het niet waard dat ook maar een mens zijn of haar geweten dicht schroeit om het te redden. Het is het niet waard dat een mens er een ander mens voor ombrengt, of dat iemand haar eigen liefde ervoor ontkent. Christenen geloven dat ze in een groter verhaal leven. In HET grote verhaal. Daarom zijn ze wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hoewel ze leven als burgers van het Romeinse rijk, vereren ze de keizer daarvan niet als God, en worden ze liever uitgestoten dan hun eigen geweten geweld aan te doen. Wie oprecht wil leven in het grote verhaal kan niet tegelijk het wereldsysteem blijven dienen. Niemand kan twee heren dienen, zei Jezus al.
Maar ook de kerk kan het verhaal van iemands leven worden. En ook de kerk blijkt dan een te klein verhaal. Wie zijn leven laat draaien om het succes van een kerk, om het ledenaantal of zelfs het voortbestaan, dienst eigenlijk een afgod. In dit verhaal wordt de katholieke kerk als voorbeeld opgevoerd, maar het geldt eigenlijk ook voor protestante kerken, pinksterkerken en huiskerken (en zelfs voor het idee van kerkloos christen-zijn). Als je leven daarom gaat draaien, en je in naam van de kerk andere mensen pijn doet, uitsluit of veroordeelt, leef je niet langer in het Grote Verhaal. Dan leef je in een verhaal dat geen leven kan brengen. Dat alleen maar tot de dood leidt, voor jou en voor anderen. Walsingham (die zelf niet gelooft, maar denkt dat in het heelal niets anders is dan de mens en diens gedachten), heeft het verschil scherp door. Hij zegt tegen een katholieke priester: “Is your God such a worldly god that he must play at politics in the filth of conspiracy? Is he not divine?” Hij zag in dat deze man niet God diende, maar een god met een kleine ‘g’: de kerk.

Elizabeth besluit het spel mee te spelen. Ze dient Engeland. Ze houdt zich aan de religieuze verhalen van mensen. En ze draagt daarvan de pijnlijke gevolgen. Was er iets anders mogelijk? Ik weet het niet. Wij kunnen ons ook niet uit de wereld terugtrekken. We moeten ook gewoon ons werk doen, onze hypotheek betalen. We zijn deel van allerlei systemen. Maar aan de andere kant zijn we geen burgers maar ‘bijwoners’, vreemdelingen. Ons ware vaderland is het Koninkrijk van God. Ergens in die dubbelheid ligt de waarheid. Als we ons werkelijk geliefd weten, als we ons realiseren dat we leven in het Verhaal dat God vertelt, als onze betekenis rust op Jezus’ dood en opstanding, dan kunnen we de verhalen van Engeland, van de kerk, van onze carrière of onze financiën zien voor wat ze werkelijk zijn: kleine verhalen, gedoemde projecten, vaten die geen water houden. We kunnen ze relativeren. We worden dan niet langer geregeerd door deze verhalen, maar zijn vrij om er voor te kiezen iets te doen dat goed is voor Engeland, of om dat te weigeren. We zijn vrij om te kiezen bij een kerk te horen, maar ook vrij om er weg te gaan als ons geweten dat vraagt. We zijn vrij om anderen als waardevolle individuen te behandelen, in plaats van ze te martelen. We zijn vrij om te leven en lief te hebben, in plaats van ons aan een ideaal te onderwerpen. Ik breng dit niet altijd in praktijk, maar ik verlang er wel naar. Ik wil niet eindigen als Elizabeth. Als gevoelloos standbeeld, in plaats van een geliefd mens.