Posts tonen met het label sacrament. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sacrament. Alle posts tonen

vrijdag 18 september 2015

Boekbespreking: The Zero Marginal Cost Society (3): de fractal van Gods koninkrijk

Wat we volgens Rifkin zien doorheen de ontwikkeling van de mensheid (van steentijdstammen tot derde industriële revolutie) is dat de inherente sociale natuur van de mens steeds meer zichtbaar wordt en steeds meer dat 'anders' is in zich sluit. En deze ontwikkeling richting de Homo empathicus wordt niet bereikt door enkele individuen, is niet afhankelijk van onze eigen inzet. Het lijkt een ontwikkeling te zijn die zichzelf voortbrengt: nieuwe innovaties in communicatie, vervoer en energie leiden tot een nieuw bewustzijn bij de mens, en dat gaat leiden tot nieuwe innovaties. Het is niet van elkaar te scheiden: er is ontwikkeling op alle terreinen en die dragen allemaal aan elkaar bij. Het betekent ook dat het niet te stoppen is. Het is niet voor niets dat juist in deze tijd de Chaostheorie in opmars is, want deze lijkt dit proces prima te beschrijven.

Chaostheorie beschrijft hoe uit een chaotisch systeem bij een heel kleine verstoring al heel complexe patronen kunnen ontstaan, schijnbaar spontaan, zoals fractals. Dit blijkt op veel terreinen te gelden: het weer bijvoorbeeld. Maar ook bij de aanleg van organen in het lichaam. De werkelijkheid lijkt een fractalstructuur te hebben. Martin Brasier past het principe in Darwin's Lost World toe op de evolutie. Het ontstaan van leven kan namelijk worden beschouwd als het effect van een chaotisch systeem dat zoekt naar een equilibrium. Hierbij ontstaat toenemende complexiteit (een fractal). Dit geldt voor de vorming van een cel (veel complexer kan een structuur niet zijn) uit het chaotische chemische systeem van de 'oersoep'. De opkomst van meercellig leven was op gelijke wijze het effect van het complexe systeem van eencellig leven dat in een crisistoestand terechtkwam en een nieuwe evenwicht zocht. Dat evenwicht is nu, na bijna 600 miljoen jaar, nog steeds niet bereikt en de opkomst van mensen en het ontstaan van bewustzijn zijn steeds complexere uitingen van het naar evenwicht zoekende systeem: steeds verdere vertakkingen van de fractal.
Welke richting deze ontwikkeling van chaotische systemen uitgaat wordt bepaald door een 'strange attractor' - zoals de route die een lawine volgt, wordt bepaald door de valleien in een berghelling. Onder de chaos van onze wereld schuilt dus een principe, de 'strange attractor' dat als vanzelf' het menselijke bewustzijn voortbrengt. En dit bewustzijn ontwikkelt zich, zoals we zagen, nog steeds, naar steeds meer samenwerking en empathie! Mensen kunnen dit met hun bewuste handelen misschien tijdelijk tegenhouden, maar ze kunnen het niet stoppen. Wij behoren namelijk tot het systeem zelf, en niet tot de 'strange attractor' onder het systeem!

Zo zien we dus dat zonder dat het een bewuste keuze is, de beschikbaarheid van nieuwe technologie nu al bij jongere generaties leidt tot een andere manier van leven. Waarbij delen vanzelfsprekend is, toegang tot wat nodig is een recht, en iedereen er bij moet kunnen horen. Mijn jonge nichtje groeit op in een heel andere wereld dan ik, zonder dat een enkel persoon heeft gekozen dat die wereld er moet komen. De komst van de nieuwe wereld is een gegeven, inherent aan de 'strange attractor' onder onze wereld.
Ik zie hier een connectie met de sacramentele manier van naar de wereld kijken (versus de transactionele manier) en de manier waarop Jezus spreekt over het koninkrijk van God: een realiteit die al aanwezig is, maar nog zichtbaar aan het worden is. Als gist dat deeg doortrekt, en het hele deeg verandert, of als zaad in de akker. Wat als de 'strange attractor' die de schepping naar een steeds hoger organisatieniveau brengt en mensen naar een steeds hoger niveau van empathie, niets anders is dan de aanwezigheid van God, dan zijn koninkijk? Wat als wij er niet voor verantwoordelijk zijn, maar zijn aanwezigheid in de chaos uiteindelijk de nieuwe wereld daaruit voort laat komen? Wat als alles wat wij om ons heen zien opbloeien aan samenwerking en aan liefde uitingen zijn van dit proces, de eerste tekenen van wat nog gaat komen? Wat als God ooit alles zal zijn en in allen, en dat er dan geen tempel meer zal zijn, en geen handel, maar dat het Lam het licht van de mens zal zijn? Wat als deze aanwezigheid van God onder alle dingen, die door de geschiedenis heen leven brengt uit de dood, en complexiteit uit chaos, volmaakt is zichtbaar geworden in de dood en opstanding van Jezus, en nu al gedeeltelijk zichtbaar wordt in ons eigen leven, elke keer als we ervoor kiezen betekenis te creëren of elkaar lief te hebben?

Natuurlijk zullen er christenen zijn die deze manier van naar de wereld kijken te positief vinden, die erop wijzen dat volgens de bijbel alles slechter zal worden, eindigend in een apocalyps, waarna alles in vuur zal vergaan. De op dit moment standaard toekomstverwachting van de evangelische kerk is voortgekomen uit de Vergadering van Gelovigen, een van de kerken die opkwam tegelijk met het ontstaan van het kapitalisme. En die dus door hetzelfde escalerende 'wij-zij'-denken, het schaarstedenken, wordt gekenmerkt. Ik schreef hierover in mijn essay over de laatste Hunger Games-film.
De realiteit is echter dat dit niet de enig mogelijke interpretatie is van de schriften. Het is ook mogelijk aan te nemen dat de woorden van Jezus in Mattheus 24 en de beschrijvingen uit Openbaring bedoeld waren voor de gelovigen in die tijd, die hun eigen apocalyptische ervaringen zouden hebben: de val van Jeruzalem, en de christenvervolgingen in het Romeinse rijk. Zij kregen de aanmoediging hoop te houden, te blijven strijden tegen het oude wereldsysteem en te hopen op de toekomst die zou komen. Dezelfde aansporingen kunnen wij goed gebruiken in onze strijd. Niet tegen vlees en bloed, maar tegen overheden en machten in de hemelse gewesten: de mensonterende geest achter het kapitalisme en het fundamentalisme. Tegelijk zeggen de christenen die op deze andere manier de bijbel uitleggen dat we in de tijd leven van de regering van Christus ('het millennium'), waarin het koninkrijk (zij het onder tegenstand) steeds duidelijker zichtbaar wordt. Het is niet tegen te houden. En als het volledig zichtbaar is, de nieuwe wereld is gearriveerd, zal de Koning zelf komen en zullen wij hem tegemoet gaan om hem binnen te halen.
Ook deze uitleg is geen moderne inventie, maar heeft goede papieren in de geschiedenis van de kerk. Zou het dan kunnen zijn dat de nieuwe initiatieven die we om ons heen zien verschijnen, de komst van een empathische cultuur, niet een rijk van de antichrist is waar we weer bang voor hoeven zijn, maar juist een uiting van de komst van de koning, een teken dat zijn terugkeer nabij is? En zou het kunnen dat we de komst van deze nieuwe wereld niet kunnen tegenhouden, maar dat de uitnodiging is om eraan bij te dragen? Ook het koninkrijk van God wordt realiteit met of zonder ons, maar Jezus nodigt ons uit om ervoor open te staan 'als een kind', en het in ons leven al zichtbaar te laten worden. Dan worden we een korreltje in de fractal, een steen in de tempel die nu wordt gebouwd.
Ik schreef al eerder op mijn blog over deze dingen onder de titel 'Het spel verlaten'. En nu pas, tijdens het schrijven van deze wel heel uitgebreide boekbespreking, realiseer ik me dat die serie erover ging dat ik afscheid nam van de oude structuren gebaseerd op angst en het onder controle houden van mensen. Dat spel wilde ik niet meer meespelen. Maar pas nu zie ik de contouren opdoemen van het alternatief, en wat een fantastisch visioen is het! Dit is het waard om voor te leven! Je moet eerst het oude systeem verlaten, voor je oog kunt krijgen voor het nieuwe! Over wat dit betekent voor de kerk, zullen we met elkaar nog moeten nadenken. Het zal waarschijnlijk, net als in de nieuwe economie, gaan over samenwerking, netwerken, delen en toegang hebben tot. Ik ben benieuwd wat er op dat gebied allemaal gaat ontstaan.

Rifkin geeft in zijn boek allerlei inspirerende voorbeelden van de 'collaborative commons', de nieuwe manieren van samenwerken en van delen die voor de komende generaties steeds vanzelfsprekender worden. Ikzelf zoek al naar foto's op Morguefile en naar inspirerende kunst op Deviantart. Mijn vrouw luistert muziek en kijkt video's op Youtube. Mensen boeken geen hotelkamers meer, maar logeren bij anderen via couchsurfing en AirBnB, en ze delen auto's met elkaar via Greenwheels. En elke dag staan er in de krantjes artikelen over de opkomst van robots, het belang van empathie, en nieuwe ideeen op het internet, zoals Kickstarterprojecten en andere vormen van crowdfunding. Rifkin schrijft over nieuwe vormen van landbouw, waarbij mensen zich aansluiten bij coorperaties en samen inkopen gaan doen. Ze investeren samen in een boerderij en krijgen er groente voor terug. Een ander mooi initiatief dat hij beschrijft is een systeem waarbij moeders kinderkleding uitwisselen. In plaats van om de paar maanden nieuwe kleren te kopen (heel verkwistend), doen ze de oude kleren in een zak die ze opsturen. En ze krijgen een zak met kleding in een grotere maat terug. Het systeem werkt zo dat mensen ervoor beloond worden als ze niet versleten kleding opsturen. Prachtig om te lezen!
Dit soort verhalen leiden ertoe dat ik voor het eerst in lange tijd hoop heb voor de toekomst. Eindelijk kan ik er naar vooruitzien echt tot bloei te komen, in plaats van slechts te overleven. En het boek onthulde ook dat in mij een verborgen radicaal schuilt. Want ik geloof werkelijk in de uitgangspunten achter deze nieuwe economie. We zijn bedoeld om met elkaar te delen van onze overvloed (zoals in de tuin van Eden). En ook zijn muziek, ideeen en verhalen geen producten die op de markt verkocht kunnen worden, maar moet ieder mens er toegang toe kunnen hebben. De menselijke geest mag niet door het kapitalisme worden omheind. Een muzikant, en ook een schrijver, wil ook dat mensen kunnen delen in zijn/haar muziek, verhalen, ideeën. Aan de andere kant zal een samenleving die leeft op basis van overvloed mensen willen vrijstellen om muziek, verhalen en ideeen te genereren. Daarvoor zullen ze de muzikanten, schrijvers en denkers willen ondersteunen, maar op andere manieren. Dit zie je al in de wereld van de 'open source software', waar men bijvoorbeeld instructieboeken koopt, zodat de programmeurs nog meer gratis software kunnen maken. Zo zal het uiteindelijk voor een schrijver ook gaan. Nu zitten we nog tussen systemen in, en dus zal voorlopig nog voor boeken van mij betaald moeten worden, maar ik ga ook zoeken naar andere manieren om zoveel mogelijk mensen goede verhalen te laten lezen. Deze blog is daar eigenlijk al een voorbeeld van, met gratis gedichten, filmbesprekingen en essays! Ik ben al deel van de nieuwe wereld, zonder dat ik er bewust voor heb gekozen. Precies zoals het is met het Koninkrijk van God.

Rifkin zelf houdt zich aan de principes in zijn boek: 'The Zero Marginal Cost Society' is gratis te lezen op PDF

zaterdag 20 juni 2015

Het spel verlaten (3): Het grootste privilege

Mijn vrouw heeft een heel andere opvoeding gehad dan ik. Zo is ze niet in een evangelische kerk opgegroeid. Dat zorgde ervoor dat ze sommige kanten van mij niet goed begreep. Want zij ziet mij als een sympathieke, leuke man, die enorm veel voor haar over heeft, altijd een luisterend oor heeft, goede ideeën heeft, heel creatief is, veel weet over diverse onderwerpen, gepassioneerd is op heel veel terreinen, anderen in hun waarde laat en die werkelijk goed is. Terwijl ik voortdurend worstel met het gevoel dat ik tekortschiet, dat ik te weinig doe voor God, dat ik zondig of pervers ben. Ik leg mezelf en alles wat ik doe of denk op een weegschaaltje, en ben steeds bezorgd dat het misschien niet goed zou zijn. Een grote bron van stress in mijn leven, en voor haar onbegrijpelijk. Tot ze deze blog van Samantha Field las over de kenmerken van een fundamentalistische kerk: “Fundamentalists rely almost exclusively on shame as their motivation for ethics and morality. In Christian fundamentalist theology, humans are incapable of truly responding to positive motivators like trust or love. According to them, each of us is a lowly worm that must be brutalized into compliance. This springs from the belief that we’re basically all a hair’s breadth away from being a child molester.”

“Zo gaat het bij jou ook”, zei ze. “Je denkt dat je maar een verkeerde keuze hoeft te maken, en je trekt al plunderend en verkrachtend door Delft, of zinkt weg in een poel van verderf en verslaving.” Zij maakt zich hier helemaal geen zorgen om, want volgens haar ben ik gewoon niet zo. Net zo lachten studievrienden om me toen ik zei dat ik misschien geen playstation moest kopen, omdat ik er wel eens verslaafd aan kon raken. Zij kenden me beter dan ik mezelf kende. Het punt is: ik mag niet over mezelf denken dat ik een goed mens ben. Ik moet mezelf zien als iemand die ten allen tijde onrein is, in wie niets goeds schuilt. Mijn hart is arglistig, is wat ik heb meegekregen. Als een kind een koekje steelt, laat hij daarmee al zien de straf van God te verdienen (eeuwige pijniging), want God is heilig, en kan zelfs het kleinste onrecht niet verdragen. Dus inderdaad: of ik nu een enkele zonde doe of volledig pervers ben, het maakt niet uit: ik ben het oordeel waard. Ik liep laatst naar het station in Delft en kwam voorbij een straatevangelist. Bij hem stond een auto, met posters en stickers, die uitdroegen dat ik voor Jezus moest kiezen. Er stond ook een lijst bij voor wie die boodschap bestemd was: ‘Moordenaars, overspeligen, dieven, …’ Ik heb de lijst niet eens helemaal gelezen. De boodschap was duidelijk. Ik kon wel van mezelf denken dat ik een goed iemand ben, voor God hoor ik thuis in deze categorie van verderfelijke mensen. En alles wat ik doe, evenzo. Wat ik zelf wil, de verlangens die uit mezelf opkomen, zijn ‘het vlees’. Ik moet eraan sterven, en alleen doen wat God wil dat ik doe, zogenoemde geestelijke activiteiten. Bijvoorbeeld liefde kon niet uit mezelf opkomen, dat moest God geven. Dus geloofde ik echt dat mensen buiten de kerk, bijvoorbeeld mijn studievrienden, elkaar niet echt konden liefhebben. Dat ze om volledig zelfzuchtige redenen bij elkaar bleven en elkaar trouw waren. Want alleen christenen konden echt liefhebben …
Net zo voor mijn talenten, mijn passies, waar ik goed in ben en wat ik graag doe. Dat zijn ‘natuurlijke gaven’, en dus in de kerk en voor God waardeloos. In het oordeel zullen ze door het vuur vergaan. Alleen de ‘geestelijke gaven’, die de Heilige Geest op bovennatuurlijke wijze schenkt, hebben voor God waarde. Ik moest als de dood zijn voor trots, want dat was de oorspronkelijke zonde. Als ik iets heel leuk vond, of blij was dat ik iets gepresteerd had, zou het dus tussen mezelf en God in komen te staan. Zo stopte artiest Keith Green met piano spelen, omdat hij het idee had dat hij het te graag deed! En dat was voor ons een voorbeeld van radicaliteit. Dus hield ik op een gegeven moment op met schrijven. En met het lezen van spannende boeken. Ik moest immers mezelf steeds afvragen of ik het boek ook zou lezen als Jezus over mijn schouder zou meekijken. Wat als Jezus op dit moment zou terugkomen? Wat zou hij dan van je denken als hij je zo aantreft? Koppel daaraan mijn Godsbeeld van een overgevoelige, in boosheid exploderende God, en het is duidelijk waar mijn worsteling vandaan komt.
De kerk heeft me niet geleerd dat ik met vertrouwen in het leven kan staan. Ik zou wellicht nooit hebben geblaakt van zelfvertrouwen, want mezelf bevragen hoort een beetje bij mijn persoonlijkheid, maar ik zou wel mezelf meer kunnen hebben geaccepteerd. Mijn fouten hebben kunnen relativeren en kunnen glimlachen om mijn onzekerheden. Ik zou met moed en zonder mezelf bij voorbaat te verbergen met andere mensen hebben kunnen omgaan. Ik zou me niet hebben geschaamd voor mijn passie en mijn schrijven met meer mensen hebben gedeeld. Maar dat kon niet, want de kerk leerde dat ik aan mezelf moest twijfelen. Ik sprak hier laatst over met vrienden en die zeiden dat dit niet alleen mijn ervaring was. Ook zij hadden dit meegekregen: de kerk had hen niet bevestigd in hun waarde als mens en als individu, maar ze geleerd zichzelf en hun eigen behoeften als waardeloos en zinloos te zien. En ook zij ervoeren daarvan nog steeds de gevolgen. Het was ook een van de redenen dat ze de evangelische kerk hadden verlaten, aangezien die hetzelfde wantrouwen vaak overdraagt.
De boodschap van de kerk voegde zich in mijn geval bij andere ervaringen in mijn vroege jeugd. Met name een boze ouderfiguur, die kon exploderen bij kleine vergissingen of momenten van falen, en waar ik heel angstig van werd. Iemand die zich bovendien niet met mij wilde associëren omdat ik uit mijn onzekerheid anderen niet durfde aankijken. Dat brak mijn gevoel van eigenwaarde behoorlijk af. Net als het pesten op de middelbare school en op christelijke zomerkampen. Dat de jongens boos waren als ik in hun team was met volleybal, omdat ze dan zouden verliezen, was nog het minste. Het achternazitten, de namen, me tegen de muur duwen en onder de tafels, dat was pijnlijk. Ik was anders en dus was ik geen respect waard.

Dit alles is natuurlijk niet bevorderlijk om als mens en individu tot bloei te komen. We hebben tegenwoordig in onze maatschappij veel oog voor het privilege van bepaalde groepen in onze maatschappij. Zo hebben nog steeds mannen voordelen boven vrouwen - gemiddeld schijnen vrouwen bijvoorbeeld minder te verdienen voor hetzelfde werk, en we zijn ook bereid minder te betalen voor wat we ‘vrouwenberoepen’ noemen (zorg en onderwijs: terwijl die heel belangrijk zijn!). Wie als man geboren wordt, heeft dus een privilege. Ik denk dat het belangrijk is ons hiervan bewust te zijn, zodat we de kloof kunnen proberen te dichten. Denk ook aan het privilege van autochtone, blanke Nederlanders. Puur het hebben van een bepaalde huidskleur kan je een groot voordeel geven in het leven, dat je vaak niet eens merkt, omdat alles vanzelf gaat. Terwijl iemand met een donkere huidskleur in dezelfde levensfasen tegen vooroordelen aanloopt, niet makkelijk vertrouwd wordt, en niet dezelfde kansen krijgt. Ook hiervan wil ik me als blanke man bewust zijn en zien dat het voor sommigen niet eerlijk is, zodat ik niet zelf eraan bijdraag. Maar toen ik het hierover had met mijn vrouw, kwamen we tot de conclusie dat het grootste privilege toebehoort aan mensen die als kind in een liefdevol gezin zijn opgegroeid. Al zijn ze vrouw, homo of allochtoon: als ze thuis hebben meegekregen dat ze inherent betekenisvol en liefde waard zijn, dat hun keuzes respect verdienen, en dat ze in staat zijn tegenslag te overwinnen om een goed leven te leiden, kunnen ze de nadelen die ze vanuit hun geslacht, geaardheid of afkomst ondervinden overwinnen. Ze kunnen het beste maken van hun situatie, en laten zich door tegenwind niet ervan weerhouden te genieten en lief te hebben. Maar ook al ben je man, hetero en blank, als je door kritische, boze ouders bent opgevoed, bent gepest, of in de kerk te horen hebt gekregen dat je niets waard bent, dan kun je nog zoveel onzichtbare voordelen hebben, je zult toch vaak falen, je zult struikelen. Je loopt de race met een verzwikte enkel, kritiek komt diep in je ziel binnen, je ziet de kansen niet die voor je liggen, je durft geen risico’s te nemen, je wordt boos en vervreemdt anderen van je en je ontwikkelt gezondheidsklachten.
Maar onze maatschappij heeft nauwelijks oog voor dit privilege. Want (net als bij de andere privileges - mannen, hetero’s en blanken willen vaak niet toegeven dat hun leven makkelijker loopt omdat ze man, hetero en blank zijn) willen we geloven dat ons succes het gevolg is van onze eigen inspanning. We willen geloven dat we het alleen aan ons eigen harde werken, onze eigen wilskracht te danken hebben dat we een leuke baan, lieve kinderen en een slank lichaam hebben. En wie dat niet heeft, heeft het aan zichzelf en zijn gebrek aan wilskracht te wijten. Het is waarom discriminatie van dikke mensen nog steeds niet taboe is.
Laatst was in het nieuws dat een derde van alle artsen in staat wil zijn medische hulp te weigeren aan mensen met een ongezonde levensstijl. Wie rookt, te zwaar is of geen conditie heeft, had maar harder moeten werken. Nu mag hij in elk geval voortaan niet meer genieten van het leven, en zich geen verzetje meer gunnen. Alsof er geen onderliggende redenen zijn waarom mensen naar een sigaret of naar eten grijpen, alsof stress in zichzelf niet dik maakt en depressie de zin in sport niet onderuit haalt. Alsof het niet moeilijk is gezond te eten als je weinig geld hebt, omdat ongezond eten nu eenmaal goedkoop en makkelijk is. Nee, maar de gezonde, gelukkige mensen moeten vooral niet het idee krijgen dat het slechts ‘geluk’ is dat ze zo zijn, dat als ze in een ander gezin waren opgegroeid ze net zo ongezond of onsuccesvol zouden zijn, dat ze er geen recht op zouden hebben. De waarheid is dat ze tot een geprivilegieerde groep behoren, namelijk van de mensen die met liefde en geloof in zichzelf zijn opgevoed. Niet iedereen deelt dat privilege.

In Tron Legacy wordt Sam opgezocht door een oude vriend van zijn vader, Alan Bradley. Sam heeft veel geld, omdat zijn vader eigenaar was van een groot bedrijf en hij nu de aandelen heeft. Maar Alan merkt op dat hij woont in een omgebouwde scheepscontainer. Hij is niet getrouwd, heeft geen vriendin, maar alleen een hond. Hij heeft zijn opleiding niet afgemaakt. Hij doet eens per jaar een inbraak in ‘zijn’ bedrijf en haalt stunts uit om het management te pesten, maar bemoeit zich verder niet met de koers ervan. Hij zoekt de kick van de adrenaline, maar negeert het feit dat hij onder de blauwe plekken zit. En hij heeft geen plannen voor de toekomst. Sam suggereert dat Alan beter maar weer kan gaan, en ze elkaar voor de vorm over een paar jaar wel weer een keer kunnen ontmoeten.
Maar Alan heeft een troef achter de hand. Een boodschap die van Sams vader zou kunnen zijn. En dat zet het verhaal in gang. Sam komt terecht bij zijn vader, die hij al twintig jaar niet heeft gezien. Maar eerst lijkt Kevin Flynn hem te negeren (in de snelle computerwereld is voor Kevin Flynn nog veel meer tijd voorbijgegaan, is de suggestie), en voor Sam is dat een zware klap. Vooral als ook zijn vader teleurgesteld lijkt in hem en in wat hij van zijn leven gemaakt heeft. Dus probeert hij zich alsnog aan zijn vader te bewijzen. Dat loopt echter verkeerd, hij doet namelijk precies wat vijand Clu verwachtte dat hij zou doen, en brengt alles in gevaar. Maar Kevin Flynn komt en redt hem. “Waarom?”, wil Sam weten. “Terwijl ik alles in gevaar bracht?” Kevin legt een hand op Sams schouder: “You are my son.” En daarmee is alles gezegd. En daarmee weet Sam ook dat hoe zijn leven ook gelopen is, welke kansen hij ook heeft laten schieten, welke vergissingen hij ook heeft gemaakt, hij nooit de liefde van zijn vader kan verspelen. Zijn vader houdt van hem. En is bereid dat te laten zien, ook al kost het hem veel. Het kan niet verklaard worden door Sams gedrag, en Sam hoeft er niks voor terug te doen. Want hij is Kevins zoon.
Aan het einde van de film (dit zal voor niemand een ‘spoiler’ zijn, denk ik), is er in Sam wat veranderd. Ook al ziet hij zijn vader niet meer, hij weet nu van zichzelf dat hij liefde waard is en betekenis vol is voor zijn vader, en hij is zichzelf nu ook gaan zien. Hij wil meer verantwoordelijkheid nemen, zijn positie in het familiebedrijf gaan innemen, en relaties aangaan met andere mensen. Een hele verandering! En dat alleen omdat zijn vader hem liet weten van hem te houden. Zelfs al zou hij falen, of weer terugvallen, hij weet dat hij die liefde nooit kan verspelen. En dus durft hij te leven.

Ik zie hierin een reflectie van het goede nieuws. Kwam Jezus niet juist naar de minder-geprivilegieerden van de Aarde, de herders (uitgestotenen), de buitenlanders (tovenaars), de hoeren, tollenaars, melaatsen, kinderen, de overspelige vrouw en de blinde aan de kant van de weg, om ze te zeggen dat het koninkrijk was gekomen, ook voor hen? Dat God in hen welbehagen had? Dat de ‘armen van Geest’ nu gelukzalig waren? Dat de laatsten de eersten zouden zijn? Dat God van hen houdt, zonder enige voorwaarde, en hen uit de dood (hun leven was vaak al een levende dood) zou laten opstaan, zonder dat het hen iets zou kosten? Was dat niet waarom Jezus zich aan het kruis liet oprichten, om allen tot zich te trekken? Onze opmerkingen als ‘God houdt van je, maar hij houdt te veel van je om je zo te laten’, en ‘God houdt van je en hij heeft een plan met je leven’ zijn opmerkingen voor geprivilegieerden. Waarom kan de boodschap niet gewoon zijn: ‘God houdt van je.’ Daaruit komt immers alles voort! Dat doet ons rechtop lopen en geeft ons de moed het leven in de ogen te kijken. Dat wordt de bron van levend water die in ons binnenste opborrelt. Dat is wat uiteindelijk ook in onze handel en wandel zichtbaar zal gaan worden. En elke preek die ermee in strijd is, elke tweet die ons de boodschap geeft dat we niet goed genoeg zijn, of meer moeten presteren, moeten we als gif verwerpen. “Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel - vervloekt is hij!” (Galaten 1:8).

Wordt vervolgd …

vrijdag 19 juni 2015

Het spel verlaten (2): de chaos van de liefde

Bij het herzien van mijn mening over de film Tron Legacy, bedacht ik me dat het onderscheid tussen een transactioneel wereldbeeld en een sacramenteel wereldbeeld voor een goed interpretatiekader kon zorgen. Ik heb hier vaker over geschreven, zelfs in het verband van me niet meer met het christelijke systeem te willen associëren. Aan het begin van de film gelooft Flynn nog in het transactionele wereldbeeld. Hij gaat ervan uit dat hij door wat hij doet (zijn inspanningen) iets fundamenteels kan veranderen in de werkelijkheid, waardoor die perfectie gaat vertonen. Dit is de houding die uiteindelijk wordt belichaamd in Clu. Die manier van denken zit er bij ons diep ingebakken. Onze hele economie is erop gebaseerd, onze hele maatschappij rust op het idee dat we alles kunnen kopen. Gezondheid, geluk, succes, heiligheid en spiritualiteit. Als we maar genoeg betalen in geld, tijd, zelfkastijding of geloof, hebben we hier recht op. En wie deze dingen niet bezit, heeft dat aan zichzelf te wijten. Die heeft niet genoeg betaald. En mag daarom als minderwaardig worden behandeld (kijk maar hoe over mensen met overgewicht wordt gesproken, als hadden ze minder wilskracht en waren ze daarom moreel minder hoogstaand). Veel systemen vertonen uit hun natuur dit principe, aangezien ze een ‘bounded set’ vormen (zie mijn eerdere essay waar ik naar linkte). Ik geloof bovendien dat dit een kenmerk is van menselijke systemen, omdat het een menselijke constructie is, die wij op onze wereld projecteren.
Want de werkelijkheid is volgens mij niet transactioneel, maar sacramenteel. De perfectie waar Flynn naar streefde, was er al! Hij hoefde niet gekocht of gemaakt te worden. Hij hoefde alleen maar zichtbaar te worden. Net zo is betekenis niet iets dat wij kunnen genereren (niet de betekenis van anderen en niet die van ons eigen leven). We hebben allemaal al een ongedeelde betekenis, alleen al omdat we bestaan. Gods liefde hoeven we niet te verdienen, en onze acceptatie door hem niet terug te betalen, want de liefde van God is al realiteit, onafhankelijk van ons. We hoeven alleen maar onze ogen te openen, om te zien hoe die liefde in de werkelijkheid om ons heen zichtbaar wordt. Leven kan niet door mensen worden gemaakt, het kan niet worden gesynthetiseerd. Het is er of het is er niet. En het schiet vanzelf op, zelfs uit de dorre bodem van de woestijn, als de juiste omstandigheden er zijn. Als de natuur zijn gang gaat, en de regen valt, verandert de zandvlakte in een bloemenzee.
Dit is het verschil tussen techniek (een menselijke, transactionele activiteit om onze handelingen in resultaten om te zetten) en natuur. De natuur is sacramenteel. De eikel maakt zichzelf niet door zijn inspanning tot een eikenboom, maar in de eikenboom wordt zichtbaar wat al vanaf het begin in de eikel opgesloten lag. Wat verborgen was, wordt openbaar. De natuur is daarom voor mensen zo belangrijk, juist omdat ze er alleen maar is en niet kan worden gebouwd of gemaakt.
De Paus heeft hierover een encycliek geschreven, om ons te herinneren “that the living world provides not only material goods and tangible services, but is also essential to other aspects of our wellbeing.” In The Guardian schrijft een journalist daarom: “When we are close to nature, we sometimes find ourselves, as Christians put it, surprised by joy: “A happiness with an overtone of something more, which we might term an elevated or, indeed, a spiritual quality.” Het niet blootstellen aan deze blijdschap leidt juist tot onze hyperconsumptie, onze transactionele wereld: "Could the hyperconsumption that both religious and secular environmentalists lament be a response to ecological boredom: the void that a loss of contact with the natural world leaves in our psyches?” Wat wij nodig hebben, hoeven we niet te kopen of te verdienen, het is er al.

Dit is wat Flynn ontdekte in de film. In mijn recensie gaf ik aan niet te snappen wat de rol was van de ISO’s – de intelligente wezens, zowel naief als wijs, die verschenen in de wereld die Flynn en Clu aan het bouwen waren. Maar nu begrijp ik het beter. Deze ISO’s waren uitingen van een sacramentele werkelijkheid. Want is persoonlijkheid, identiteit, betekenis, niet ook al werkelijkheid? In elk geval kunnen wij zelf er niets voor doen: we hebben het al ontvangen, gewoon omdat we bestonden. En zo verschijnen ze ook in deze nieuwe wereld: in de ISO’s wordt zichtbaar wat al waar is. Dat is volgens mij waarom Flynn zo enthousiast roept dat ze alles zullen veranderen: religie, geneeskunde, wetenschap! Het sacramentele wereldbeeld zet de boel inderdaad op zijn kop! Het idee dat Jezus’ komst naar de wereld en zijn lijdensweg geen transactie waren, waarmee iets tot stand werd gebracht, geen koop of rechtspraak, maar dat in zijn leven en zijn dood en opstanding zichtbaar werd wat altijd al waar was geweest, is –in de woorden van Flynn-: ‘Radical, man!’ Dat Gods liefde onvoorwaardelijk is, en dat hij dat wat dood is levend maakt, zonder dat het daarvoor iets anders hoeft te doen dan dood te zijn, dat is werkelijk goed nieuws. Dit is wat in het sacrament van Jezus’ dood en opstanding zichtbaar werd, en wat zichtbaar is in het brood en de wijn en in de doop (de sacramenten).
God heeft in mensen een welbehagen. Punt. Systemen dragen daar niet aan bij. Sterker nog: systemen zijn geneigd of een slaatje te slaan uit de sacramenten, en te gaan reguleren wie er toegang toe heeft, of ze zelf te bestrijden en te verbieden. Want ze bedreigen de schijnperfectie die ze door hun inspanningen en offers hebben weten te creëren. Daarom kan Clu de ISO’s niet verdragen, aangezien ze zijn project ontmaskeren. Ze maken zijn systeem irrelevant. En in plaats van nederig een plek te bouwen waar de ISO’s kunnen leven en zich kunnen laten zien, bestrijdt hij ze tot er geen meer over is. Zijn volgelingen moeten namelijk blijven geloven dat wat ze nodig hebben alleen bij hem gekocht kan worden (de spelen, de legers, et cetera).

Flynn heeft zich uit de wereld van Clu teruggetrokken (‘buiten de legerplaats’ in Bijbelse termen). Hij weet namelijk dat hij niet een nieuw systeem kan gaan bouwen, om dat van Clu te bestrijden. Dat zou namelijk hetzelfde effect hebben: de ondergang van de ISO’s. Transactionele systemen kunnen sacramentele werkelijkheid niet zichtbaar maken. Dit is ook waarom Jezus noch de religieuze machten van zijn tijd, noch de politieke machten, met hun eigen wapenen op hun eigen terrein bestreed. Hij liet ze hun gang met hen gaan, wetend dat ze zichzelf daarmee zouden ontmaskeren als de kale machtswellustelingen die ze zijn. Maar Jezus’ zelfovergave was niet iets passiefs. Hij sloot zichzelf niet af voor de werkelijkheid. Hij ontkende zichzelf niet. Er is iets actiefs aan Jezus’ gevangenneming en kruisiging. Hij is geen slachtoffer. Hij was namelijk zelf naar Jeruzalem gegaan, ook al was hij gewaarschuwd dat de Farizeeën tegen hem samenzweerden. Hij zei tegen Judas dat hij moest doen wat hij doen moest. Hij zei tegen God de vader: “laat niet mijn wil, maar de uwe geschieden.” Hij nam een actieve rol in. Waarom? Vanwege de vreugde die voor hem lag, zegt Hebreeën. En in Johannes staat dat “Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan” (13:1). Het was de liefde die hem drong. Zijn handelen was niet transactioneel, maar sacramenteel. En daardoor ontwrichtte zijn actie het systeem dat de waarheid verborgen hield, het schiep de ruimte van de spontaniteit waarin de liefde zichtbaar kon worden, waarin een Romeins soldaat kon zeggen: ‘Waarlijk, deze man was een zoon Gods.’ De gevolgen van deze uit zich zelf gevende, niets terug verwachtende liefde zijn organisch, chaotisch. Ze scheppen de Aarde om, zodat er iets uit kan groeien en vrucht dragen, iets waarin de liefde zelf opnieuw zichtbaar wordt, dat dus zelf ook sacramenteel is.
Daarom is Flynn ook niet boos als hij in actie heeft moeten komen om zijn zoon Sam te helpen. Een beetje chaos in de geordende wereld van Clu vormt alleen maar vruchtbare grond voor het spontane van de liefde. En bovendien was zijn ingrijpen niet bedoeld om het systeem van Clu te bestrijden, of om een alternatief systeem op te richten. Het diende er alleen maar toe om Sam te redden. Het had geen hoger doel. Kortom: het kwam voort uit liefde. Flynn had niet nagedacht over de gevolgen. Niet de gevolgen voor de heerschappij van Clu, en niet die voor zijn eigen veiligheid (hij heeft zelfs een groot offer gebracht, want hij is zijn identiteitsschijf kwijtgeraakt). Het was het allemaal waard, omdat hij van Sam houdt. In zijn handelen werd zijn liefde voor Sam zichtbaar, niet meer en niet minder. Hij had niet anders gekund, omdat hij van Sam houdt. Sam is zijn zoon. Punt. Discussie gesloten. En deze zelfde liefde leidt tot het einde van de film, waarbij niet alleen Sam naar onze wereld terugkeert, maar ook de ISO (een uiting van de sacramentele wereld), het geschenk dat Flynn altijd al zichtbaar had willen maken voor de rest van de mensheid, maar waar Clu tot nu toe een stokje voor had gestoken. Liefde maakt het mogelijk.

En ook dit zag ik pas dit keer duidelijk, namelijk dat deze film uiteindelijk niet het ‘niet handelen’ verheerlijkt. De film pleit niet voor inactiviteit. De film pleit voor liefde. De film pleit ervoor niet te handelen om een perfecte wereld te creëren, of op een andere manier met een systeem een spirituele toestand te willen bereiken. De film pleit ervoor niet om eindtoestanden te geven, maar te handelen uit liefde. Liefde voor de wereld om je heen, liefde voor mensen, liefde voor de sacramentele werkelijkheid. De film pleit ervoor om zelf een sacrament te worden, om in je leven, in je daden en je woorden, je liefde zichtbaar te laten worden. Om je liefde vrucht te laten dragen. Want dan zijn je woorden en je daden niet transactioneel (niet bedoeld om een reactie bij de ander tot stand te brengen, of de ander voor je karretje te spannen), maar zijn ze sacramenten: maken ze zichtbaar wat van het begin af aan al waar is geweest.
Dit is de enige gezonde motivatie van het menselijke handelen. Nee, daar willen de systeembouwers niet graag aan. Want we kunnen de liefde niet afdwingen, we kunnen de liefde niet controleren. We kunnen er niet de meetlat naast leggen, of haar belonen. We kunnen er geen systeem van maken. Als de liefde er niet is, kunnen we er niet  voor kiezen haar op te wekken. We kunnen hooguit omstandigheden zoeken waarin de liefde vrij is om zichtbaar te worden, en haar vervolgens haar gang laten gaan. Omdat God ons eerst heeft liefgehad, en dat in Jezus heeft laten zien, zullen we onszelf gaan liefhebben. En vervolgens zullen we de mensen en de wereld gaan zien zoals God ze ziet, en ze gaan liefhebben zoals God ze liefheeft. Moeten en werken hebben er niets mee te maken, we zullen ernaar verlangen ze tot bloei te laten komen, hun schoonheid zichtbaar te maken. Ons eigen belang, onze eigen verhaaltjes, zullen daarbij uit het zicht verdwijnen. We hebben geen bijbedoelingen, ook niet om ons ‘geestelijk of spiritueel’ te kunnen voelen. Daarom zullen we ons, zoals de schapen in de gelijkenis in Mattheus 25, verbazen over wat de liefde in ons voortbrengt: de vrucht van de Geest. Liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Volgens mij is dit ten diepste een bijbelse boodschap. Kijk wat 1 Korinthe 13 zegt: “Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.” Uiteindelijk blijft alleen de liefde over. En dat is genoeg.

wordt vervolgd …

donderdag 18 juni 2015

Het spel verlaten (1): het perfecte systeem?

Ik ben volwassen genoeg om het te kunnen toegeven als ik het bij het verkeerde eind had. En dat ik mijn mening heb moeten herzien. Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn recensie van de film Tron Legacy, die ik schreef in februari 2011. Daarin was ik ten eerste negatief over de film zelf, en suggereerde dat hij geen lang leven zou hebben in de verbeelding van mensen (maar wie op Deviantart kijkt, ziet dat het elegante design van de wereld veel tekenaars heeft geïnspireerd en dat nog steeds doet, en zelf blijf ik de film eigenlijk ook goed vinden) en was ik ten tweede negatief over de door mij vermoedde boodschap achter de film – die volgens mij te veel uitging van een Boedhistische ontkenning van het zelf. Interviews met acteur Jeff Bridges onderstreepten deze interpretatie. Maar toen ik de film laatst opnieuw zag samen met mijn vrouw, realiseerde ik me dat de filmmakers subtieler waren dan ik had gedacht, en dat hoewel er een gnostische, wereld ontkennende interpretatie mogelijk is (waarbij Clu de demiurg is), dit zeker niet de enige uitleg is. Zelfs de rol van de ISO’s (spontaan ontstane levensvormen in de computerwereld) werd me duidelijk, waar ik in mijn bespreking daar nog vraagtekens bij had. En het hing allemaal samen met het onderscheid tussen een transactioneel en een sacramenteel wereldbeeld.

Toen ik ’s avonds uit mijn werk kwam, voordat mijn vrouw en ik de film gingen kijken, liet ik me met een zucht vallen in mijn luie stoel. Na twee weken vakantie was ik weer op kantoor begonnen, maar direct ook weer met omstandigheden geconfronteerd die stress bij mij veroorzaakten. Ik was nu juist met vakantie geweest om te ontspannen, aangezien ik in maart op de grens van een overspannenheid had gezeten. En aangezien ik al eerder overspannen ben geweest, heb ik er erg veel voor over om dat niet opnieuw te hoeven meemaken. Want wat de situatie op mijn werk ook is, het is het niet waard mijn gezondheid, mentaal en lichamelijk, om te verspelen. Dus verklaarde ik dat ik een manier moest vinden om me niet meer verantwoordelijk te voelen voor wat me zo’n stress opleverde, dat ik sommige dingen gewoon zou loslaten waar het eigenlijk om werk van een ander ging, en dat ik een manier moest vinden om als ik me toch aan zaken ergerde, die dingen naast me neer te leggen en te genieten van wat er wel belangrijk en waardevol is in het leven. En het hielp, want ’s nachts sliep ik prima, ondanks de frustraties van op kantoor.
Maar werk is niet de enige stressfactor in mijn leven, geloof kan er ook wat van. Geen verrassing voor de lezer van mijn boeken, mijn gedichten of mijn blogberichten: ik heb moeite met de boodschap die door veel kerken gebracht wordt. Het opgroeien in een fundamentalistische kerk (ik ga steeds helderder zien dat het eigenlijk een sekte was) gaf me een beeld van God mee als van een boze, veeleisende werkgever, die perfectie van me eiste (ook al was hij gedwongen me in dienst te houden, omdat Jezus voor mij betaald had). Een beeld van mezelf als een zondaar, te allen tijde slecht, tot niets goeds in staat (en al helemaal niet tot het voldoen aan Gods ideaalbeeld, maar toch moest ik dat wel blijven proberen). En een beeld van het christelijke leven als bestaande uit hard werken, Bijbelstudie, evangelisatie (wie ik niet wist te overtuigen, ging naar de hel. Het hing van mij af!). We moesten onze tijd uitkopen – en dat betekende geestelijke activiteiten verrichten in plaats van het lezen of muziek luisteren voor ons plezier. We mochten toch al niet doen wat voor ons natuurlijk voelde, want onze ‘natuurlijke talenten’ waren voor God van geen waarde, alleen wat de Heilige Geest in ons tot stand bracht, zou ook stand houden. Het is nog een wonder dat ik niet eerder overspannen werd!
Ook toen ik deze kerk verlaten had, en een evangelische kerk bezocht, kwam ik echter dit soort gedachten tegen, vaak in een verdunde, maar niet minder schadelijke vorm. Het idee dat de kerk de wereld moest veranderen, bijvoorbeeld (en dat ik daarom aan programma’s zou moeten meewerken of mijn gaven zou moeten inzetten). Het idee dat God van me hield zoals ik was, maar teveel om me zo te laten (en dat ik dus toch mijn best moest doen om beter te leven en jawel, perfect te zijn). Het idee dat ik me blij en dankbaar moest voelen (ook al voelde ik me vooral moe en schuldig) of dat ik in een jonge aarde en een volledig uitgestippelde eindtijd moest geloven om een echte christen te zijn. Of in theorieën over Israël. Het idee dat het in het geloof toch draaide om mijn eigen verantwoordelijkheid, en dat ik een mislukkeling was als ik tekort schoot. De boodschap van genade was vooral bedoeld voor mensen die nog niet tot geloof waren gekomen, want het evangelie hoorde ik in onze kerkdiensten maar heel weinig.
Ik zag natuurlijk de preken door de interpretatiebril die ik in mijn opvoeding had meegekregen, dat zal ik eerlijk toegeven. Dat verklaart waarom ik ook in de Anglicaanse kerk nog wel eens op mijn stoel heen en weer zit te schuiven bij sommige boodschappen. En waarom ik in piekerbuien schiet bij het volgen van sommige christelijke twitteraars. Want ik voel me in religieus opzicht schuldig als ik me bijvoorbeeld niet ga inzetten voor bootvluchtelingen, net zo als dat ik niet genoeg stille tijd houd. (Terwijl veel anderen zich dan weer niet druk maken om het uitsterven van diersoorten, om maar wat te noemen). Ik ben altijd verbaasd als sommige activistische christenen op twitter opeens aangeven dat ze een voetbalwedstrijd kijken, omdat ik me schuldig voel dat ik graag films kijk en niet tegelijk christelijk werk kan doen.
En het is niet eens zo dat ik iets heb tegen opvang van vluchtelingen, of bestrijding van mensenhandel. Natuurlijk niet! Maar met mijn motivatie is wel wat mis: ik geloof dat ik waardeloos ben, dat God me afwijst, dat ik niet mag bestaan, als ik faal, als ik niet hard genoeg werk, als ik niet presteer. En dit leidt tot symptomen van stress als slaapproblemen, hyperventilatie, eczeem en overgewicht. En dat is het me niet waard. Dat is me zelfs mijn eeuwige behoud niet waard: want dat moet ik toch maar op geloof aannemen. Ik ga niet zoals St. Rosa van Lima mijn gezicht met peper en loog bewerken en laten opzwellen omdat ik bang ben dat mensen mij anders mooi zouden vinden, of een kroon van zilver dragen met punten aan de binnenkant om me aan Jezus te herinneren. Of zoals een legende wil, met loog gorgelen omdat mensen haar om haar stem complimenteerden. Ze stierf heel jong door wat ze zichzelf aandeed (bijvoorbeeld heel weinig slapen). En dat heb ik er niet voor over. Maar door mijn fundamentalistische opvoeding is het niet makkelijk aan oproepen en stimulerend bedoelde aansporingen te ontsnappen.
Dus wat ik tegen mijn vrouw zei, was dat ik niet meer zou luisteren. Een oproep dat ik niet mag zijn zoals ik ben, dat ik meer zou moeten doen (of vooral: andere dingen), dat ik een bepaalde leerstelling moet aannemen zonder bewijs of mensen met een ander geloof of andere geaardheid moet afwijzen, ga ik voortaan links laten liggen. En dat zonder me te verdedigen, zonder in discussie te gaan, zonder mijn argumenten aan een ander ter beoordeling voor te leggen. Ik ga geen verantwoording afleggen voor mijn keuzes en ik laat me niet corrigeren - niet door op zichzelf terug cirkelende redeneringen. Ik kan mezelf en wat ik doe en denk niet veranderen. Niet voor een ander in elk geval, en zelfs niet voor God, zoals hij door anderen verkondigd wordt. Ik weiger nog langer het spel mee te spelen, ik weiger mezelf en mijn inspanningen te zien als belangrijk in het einddoel van de kerk. Ik kan mezelf niet meer tot een rol reduceren.
Dit zal door veel mensen niet begrepen worden. Ze zullen me een slecht christen vinden. Een afvallige. En me daarover een schuldgevoel willen aanpraten, zodat ik me weer voor hun visie ga inzetten. Maar dat is dan maar zo. Ik wil me namelijk ook niets meer aantrekken van de mening van mensen over mijn (gebrek aan) spiritualiteit. Ik weet van mezelf dat ik nooit een atheïst zou kunnen zijn. Ik geloof in God. Ik kan niet zonder. Maar ik ga er niet meer over discussiëren. Als dat me voor sommige mensen in de categorie van niet-gelovigen plaatst, is dat hun eigen zaak. Een ieder zij voor zijn eigen geweten ten volle overtuigd, niet waar? Ik kan het gewoon niet meer toelaten, ook maar de ruimte in mijn denken over te laten dat zij gelijk zouden hebben en dat Gods acceptatie van mij (en dus mijn bestaan) ook maar in enige mate voorwaardelijk zou kunnen zijn, dat ik er iets voor zou moeten doen in welke vorm en hoe weinig dan ook. Dan behoor ik maar niet tot de ‘in crowd’ – ik kan me het ook niet veroorloven me daar druk om te maken, omdat het ook zou lijden tot vergelijken en daardoor stress en overspannenheid.

We hadden al eerder afgesproken dat we Tron Legacy die avond zouden kijken, en wie schetst mijn verbazing? Dit was ook het thema van deze film. Het voelde voor mij als een bevestiging van mijn voornemen. In deze film was de jonge computerprogrammeur Flynn in zijn enthousiasme begonnen met het ontwerpen van een nieuwe wereld: hij had een droom van een toekomstige werkelijkheid en wilde die nu naar de realiteit overbrengen. Dat kon hij niet alleen, dus hij vormde een nieuwe entiteit. Clu – een kopie van zichzelf. Deze gaf hij een opdracht mee: schep de perfecte wereld. En met die opdracht ging Clu aan de gang. Hij kon niet anders. Maar twintig jaar later was Clu de alleenheerser geworden van de computerwereld. Wie niet aan zijn ideaalbeeld voldeed (niet perfect was) werd vernietigd, werd opgeofferd in de spelen, of werd naar zijn beeld gevormd tot strijder (om elders perfectie te brengen). Een totalitaire samenleving was ontstaan, en alle factoren die de controle van Clu bedreigden werden nu opgespoord en uitgeroeid. En Flynn was een doelwit geworden. Via Flynn zou zijn controlerende evenbeeld Clu ook de menselijke wereld kunnen bereiken en die overheersen. En elke actie die Flynn ondernam, deed het net van zijn tegenstander zich alleen maar om hem sluiten. Clu bepaalde namelijk de regels in het systeem dat hij geschapen had, niet Flynn. Dus elke poging om het systeem te bestrijden, zou het systeem alleen maar sterker maken.
Dat was waarom Flynn ervoor had gekozen niet meer mee te spelen: de enige winnende zet was te weigeren te spelen. Als hij niets deed, was het systeem aan zichzelf overgeleverd, en zou het zichzelf uiteindelijk uitdoven. Want het doel (perfectie) was onbereikbaar: dat was wat Flynn had ingezien. Menselijke inspanning (en de inspanning van door de mens naar hun beeld geschapen systemen) kan geen perfectie tot stand brengen, want de mens is niet perfect. En wij leggen onze eigen imperfectie in onze systemen. Maar, zegt Flynn uiteindelijk tegen Clu, wat als het niet de bedoeling is dat wij de perfectie tot stand brengen? Wat als de perfectie zich al onder handbereik bevindt? Wat als het enige dat wij hoeven doen, is de perfectie te ontvangen – en dat we daarvoor dus niks hoeven doen? Clu had in zijn systeem ruimte kunnen maken voor de perfectie om in te verschijnen, maar dat weigerde hij. Dat wij niks voor perfectie kunnen doen, bedreigde zijn identiteit. Net zo kunnen veel religieuze instituten en kerken de vrijheid van Gods sacramentele aanwezigheid niet accepteren, omdat het hun hele reden tot bestaan lijkt omver te stoten. En dus zit er voor hen niks anders op dan te verdwijnen. Op zijn minst om uit de weg te gaan.
Ik zag dit deze kijkronde niet langer als wereldmijding, of in zichzelf gekeerd zijn. Deze film suggereert namelijk niet dat liefde voor anderen en de wereld buiten jezelf zinloos is. Wat de film wel suggereert, is dat het zinloos is op systemen te vertrouwen. Daarmee verlies je alleen maar je zelf, in plaats van haar te vinden.

Wordt vervolgd …

dinsdag 24 maart 2015

Filmbespreking: Insurgent

Ik ben een liefhebber van de huidige tienerfilms. Veel andere films in het actie/SF genre, waar ik van houd, zijn tegenwoordig of wat cynisch, of nemen geen moreel standpunt in. Maar in de tienerfilms worden nog wel morele vragen gesteld naar wat ons mensen maakt, hoeveel we over moeten hebben voor onze vrijheid, wat onze rol is ten opzichte van onze naasten, en hoe we met onszelf kunnen omgaan als we moeilijke beslissingen hebben gemaakt. Ik houd van die vragen. De Hunger Games-serie is er een mooi voorbeeld van, maar ik vond Divergent ook heel goed. Daarom dat ik er een uitgebreide recensie over heb geschreven. Van het weekeinde zag ik het vervolg in de bioscoop: Insurgent. Er stond een andere regisseur aan het roer en dat was (volgens mij) te merken. Ik vond het verhaal minder verrassend, en ook wat minder diep. Wel waren de acteurs goed, met onder andere Kate Winslet als verrassend kille slechterik. En de beelden van het futuristische Chicago waren prachtig: techniek en verval, prima in beeld gebracht. Ook in droomscènes waarin alles uiteen lijkt te vallen. Heel overtuigend. En er waren een paar verrassingen in het slot van de film die ik niet had zien aankomen, wat verfrissend is. Maar, zoals ik zei: niet zo sterk als het eerste deel.

Het verhaal gaat over Tris, die in de vorige film een zogenoemde 'Divergent' bleek te zijn. Iemand die niet kan worden ingedeeld in een van de vijf groepen waarin deze samenleving is onderverdeeld. Om haar vrijheid te behouden heeft ze in de vorige film een paar gruwelijke dingen moeten doen. En ze heeft het idee dat ze verantwoordelijk is voor de dood van haar ouders, en een jongen die ze in zelfverdediging heeft doodgeschoten. Samen met haar broer en 'Four', haar vriend, schuilt ze bij de 'Amity'-groep. Deze vriendschappelijke mensen verbouwen graan en groente. Ze eten samen in een hoge zaal, die wat architectuur betreft op een kerkgebouw lijkt. Die associatie lijkt me bewust tot stand gebracht. De leidster van deze fractie heeft ook de beminnelijke uitstraling van een geestelijke. En de leden van de groep groeten elkaar bij elke gelegenheid zoals sommige gelovigen elkaar groeten. Eerst dacht ik dat dit niet oprecht was, maar later blijkt juist de boodschap van de leidster van deze gemeenschap centraal te staan in de film. Haar woorden tegen Tris blijken cruciaal. Ze spreekt die woorden uit, omdat blijkt dat Tris moeite heeft met zichzelf. Als in een daad van boetedoening snijdt ze haar haren af. Maar ook dat is niet genoeg. Ze sluit zich af voor haar broer en voor haar vriend, en laat niemand meer dichterbij komen. Want ze gelooft dat mensen haar zouden haten als ze zouden weten wat ze heeft gedaan. Ze haat er zichzelf om.
Maar ze is niet de enige die problemen heeft met zichzelf. Haar broer blijkt niet in staat haar te beschermen als ze worden aangevallen. Hij staat machteloos. En hij kan het niet eens tegen haar zeggen. Hij kan het niet van zichzelf toegeven. Dan is het makkelijker om haar te verlaten, om zijn oude allianties op te zoeken, om de schaamte (het centrale thema van de film) te ontlopen in dogmatische zekerheid. Zelfs 'Four', de vriend van Tris, ook Divergent, of 'Afwijkend', schaamt zich voor zijn verleden. Een verleden dat wel heel persoonlijk wordt, in de vorm van zijn moeder. Zij blijkt de leidster te zijn van de 'fractielozen', degenen die door de samenleving zijn uitgekotst. Zijn woede en schaamte om haar zorgen dat hij haar aanbod van een bondgenootschap direct afwijst. Met haar kan hij immers niet samenwerken. Alles liever dan dat. Maar dat instinct leidt tot keuzes die zijn vriendin Tris, en hemzelf, in gevaar brengen.

Kortom, een film over schaamte. Een thema dat mij ook bezighoudt. Helaas had ik direct na het kijken van de film geen tijd voor het schrijven van een bespreking. Ik was bijna van plan de kans maar te laten schieten. Toen las ik echter via een link op twitter een blogbericht over schaamte. Het is een behoorlijk sterk verwoorde aanklacht tegen de kerk. De schrijver heeft gesproken met een therapeut en ontdekt welke boodschappen aan de grondslag liggen van zijn schaamte en schuldgevoelens. "All the rows and columns of my heart are filled with memories and messages saying over and over and over again: Because you are not perfect, you deserve punishment instead of love." Met zijn verstand probeert hij zichzelf ervan te overtuigen dat hij fouten zou mogen maken, maar zijn hart wil het niet geloven. Daarvoor zitten die boodschappen te diep geworteld. Hij is er namelijk mee opgegroeid. Want waar heeft hij deze boodschappen opgepikt? In de kerk. "Let me guess - you needed to tell me how bad I was before I knew I needed to be saved. You needed to convince me I was worthy of death before the offer of life would seem like a good deal. Sure, whatever. Do you realize that in doing so you partnered with the voice of Satan himself, until I can no longer distinguish between the two of you because you’re saying the same damn thing?"
Ik herken dit helemaal, omdat ik dezelfde worsteling ken - lezers van mijn blog zullen dat uit eerdere berichten herinneren. Dit is ook mijn strijd. Ik eis heel veel van mezelf, negeer de grenzen van mijn lichaam, ben vaak boos op mezelf, en durf niet te erkennen dat ik positieve eigenschappen heb of dat anderen positief over mij zouden kunnen denken. Ik ben perfectionistisch en tegelijk heel kritisch naar mezelf (geen goede combinatie). Ik bevind me vaak op de grens van overspannenheid, misschien zelfs er overheen. En deze ideeën over mezelf laten zich niet makkelijk ontwortelen. Ze hangen namelijk samen met de diepe overtuigingen die ik heb geïnternaliseerd in mijn jeugd, namelijk dat alle 'positieve' eigenschappen aan mij niet konden zorgen dat God van mij hield. Ze waren als 'kaf' en ik kon en mocht me er niet op laten voorstaan. Mijn natuurlijke talenten waren precies dat: 'natuurlijk' en daarmee minderwaardig: ze zouden in het vuur verbranden bij het oordeel. Er was in de mens niets goeds, dat werd keer op keer herhaald. En dus ook niet in mij. God moest dus wel boos op mij zijn. Mij straffen. Want zelfs de geringste overtreding (als een kind bijvoorbeeld een snoepje zou stelen) was als een klap in het gezicht van God en zijn gerechtigheid eiste daarvoor in ruil een eeuwige bestraffing. Kortom: elke imperfectie was het oordeel waard. God kon niet anders dan mij in toorn aanzien. En ja, een maas in de wet had mij weten te redden: als ik enkele leerstellingen uit de bijbel voor waar hield, zou God als hij naar mij keek niet langer mij zien (mijn zonden en mijn goede eigenschappen), maar Christus. Zo zou hij voor de gek worden gehouden en kon ik toch in de hemel komen en niet in de hel. God hield dus niet van mij, maar alleen van Christus. Als God mij zou zien, zonder dat ik 'in Christus' was, moest hij mij uit zijn woede straffen. Dus ik moest me er heel erg van bewust zijn hoe slecht ik was en dus hoe dankbaar ik Jezus moest zijn voor zijn offer (waar we elke zondag aan werden herinnerd, met beelden van bloed en kruisiging en dood). En ik moest heel erg mijn best doen om op Jezus te lijken, om perfect te zijn, de perfecte christen, als om het nog een beetje 'de moeite waard' te maken. Dus: ik moest net zo boos en kritisch op mezelf zijn als God, en de lat van mijn volmaaktheid ook nog eens net zo hoog hebben liggen. Als ik een onvolkomenheid zag bij mezelf, of geen zin had om bijbel te lezen, beschuldigde ik mezelf. Ik klaagde mezelf aan, zoals ik geloofde dat God (of de wet van God) mij aanklaagde (ik schakelde de stem van mijn overactieve geweten ook gelijk met de Heilige Geest). En ik strafte mijzelf met schaamte en naar binnen gekeerde woede, ik verteerde mezelf met zelfhaat, omdat ik geloofde dat God die fouten en onvolmaaktheden van mij haatte. Of: ze zou haten als hij niet door Jezus voor de gek werd gehouden. Maar dat was voor mij hetzelfde. Ja, hierdoor raakte ik flink verknipt. Ik vind het zelfs moeilijk te geloven dat mijn vrouw werkelijk van mij kan houden, dat ze positieve dingen in mij ziet, want ik mag die van mezelf nog steeds niet accepteren (want: 'kaf').
Wat echter als een emmer verfrissend koud water over mij heen kwam bij het lezen van dit blogbericht, was het besef dat deze aanklagende, perfectionistische boodschap, die mij aanzette tot zelfhaat, niet van God afkomstig is, maar van de duivel. Hij is de aanklager van de broeders, 'die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God.' (Openbaring 12:10). Hij is de tegenstander. Niet God! Ik had het kunnen weten. Uit de bijbel weet ik immers dat hij zich voordoet 'als een engel des lichts' (2 korinthe 11:14). Hij neemt de vorm aan van een betrouwbare boodschapper van God, als de stem van God zelf. Hij doet zich voor als het Lam. Maar hij is een leeuw die rondgaat, zoekend wie hij zal verslinden. (1 Petrus 5:8). Een stem die aanklaagt, die veroordeelt, die me zegt dat ik straf verdien in plaats van liefde, is de stem van de Aanklager. Van de Satan zelf. Ik twijfel een beetje over de letterlijke uitleg van de bijbelteksten over de duivel: ik vind ze nogal vaag en weet niet of voor een goed begrip van het evangelie een geloof in letterlijke demonen nodig is. Wat wel duidelijk is, is dat de Satan een symbool is voor de antigoddelijke boodschappen. Boodschappen die worden gebracht door de kerk: die daarmee werkelijk satanisch is geworden, hoewel ze beweert namens God te spreken. En boodschappen die ik zelf tegen mezelf uitspreek. De duivel is de stem in mij die mij veroordeelt, die mij schaamte aanpraat. Hij lijkt zo geloofwaardig, omdat hij zo op mij lijkt, maar hij is 'demonisch'. Want hij houdt me weg van de liefde die van God is (lees 1 Johannes maar). Is dat niet de aanklager, dat spiegelbeeld van mij dat me hardop uitlacht en roept: 'Je zult nooit liefde waard zijn! Niemand wil met je geassocieerd worden! Je bent niet volmaakt!'? De vijand, dat ben ik! 
En dit wordt op een prachtige wijze geïllustreerd in Insurgent. Want Tris krijgt de opdracht simulaties te doorlopen om een belangrijk artefact te openen. Elke simulatie test een belangrijke waarde: moed, intelligentie, onbaatzuchtigheid, eerlijkheid. Ze blijkt over al die kenmerken te beschikken. Maar de laatste is het moeilijkste. De laatste is 'amity', vriendschap. Even lijkt het in de simulatie alsof het de schurk van het verhaal is die haar uitdaagt, die haar boos wil maken, die haar ertoe wil verleiden te haten. Maar nee: de werkelijke tegenstander in deze simulatie is zij zelf. Haar andere zelf snauwt naar haar: 'Ik ben alles wat je haat. Ik ben wat andere mensen over jou denken. Degene die verantwoordelijk was voor de dood van haar moeder, degene die een vriend neerschoot. Mensen zijn bang van je, mensen haten je.' Ze wordt aangeklaagd: het zijn allemaal zaken die ze over zichzelf gelooft. En de verleiding is groot om zichzelf te haten, om zichzelf aan te vallen. Om met zichzelf te vechten (zoals iedereen doet met schaamte, schuldgevoel, depressie). Maar uiteindelijk doet ze het niet. In plaats daarvan blijft ze staan, met haar armen langs haar lichaam, en zegt tegen zichzelf: 'Ik vergeef je'. En dat is het einde van de aanklager. Dat kan de aanklager niet verwerken. Haar tegenstander verdwijnt en ze is vrij. 

Wat een geweldig beeld vind ik dat. Ja, deze radicale zelfacceptatie, het uitspreken van vergeving over jezelf, je eigen vriend zijn, is de enige remedie tegen de aanklager. Niet langer jezelf bestrijden, ook al zijn je fouten en onvolkomenheden reeel, maar jezelf aanvaarden 'warts and all'. Om tegen jezelf te zeggen: je bent geliefd, ook al ben je onvolmaakt. En is dat niet wat de komst van Jezus, en zijn dood en opstanding, ons wilden zeggen? Dat we geliefd zijn, ook al zijn we onvolmaakt? Dat ook als we God zelf kruisigen, dat onze plek als zijn geliefde kinderen niet uitwist? Dit is wat het kruis van Christus wilde tonen: dat we ons allemaal al bevinden in de omhelzing van de vader. Dat we waardevol zijn en kostbaar. En dat we onszelf dus ook zo mogen zien. 
Dit betekent ook dat we God vergeven. Dat lijkt een raar woord, maar wat ik bedoel is dat we hem vrijspreken van de woorden van de aanklager. Dat we die niet meer aan hem toerekenen. Dat we hem zichzelf laten zijn. Dat we niet in de kramp blijven zitten van angst of boosheid jegens hem, maar dat we de aanklager laten waar God hem heeft gelaten: aan het kruis. Daar is volgens Kolossenzen immers de schuldbrief die tegen ons getuigde door zijn inzettingen en die onze tegenstander is genageld, en de overheden en de machten ontwapend. Jezus' kruis en opstanding zijn ook Gods uitnodiging aan ons om de vijandschap te laten varen en zoals de jongste zoon in de gelijkenis naar huis te komen. 
En de kerk dan, die ook zo vaak, te vaak, de rol van aanklager speelt? Moeten we die ook vergeven? Ja: uiteindelijk is de gemeenschap der heiligen, die samenkomt rond de zichtbare tekenen van Gods liefde, de sacramenten, belangrijk voor ons geloofsleven. Ik heb ook zelf gemerkt dat ik mijn antipathie moest loslaten en weer bereid moest zijn de kerk de kerk te laten zijn. Maar vergeven is niet hetzelfde als vrijspreken. Vergeven is niet hetzelfde als de ander vrij laten je te beschadigen. En waar de kerk de woorden van de aanklager spreekt, moeten we die aan de kaak stellen, en deze gemeenschap zelfs verlaten. Want deze woorden zijn demonisch. En ik moet me zo ver mogelijk weg houden van het demonische. Voor mij betekent dat wegblijven uit evangelische kerken. In mijn ervaring prediken veel evangelische kerken nog steeds de boodschap dat ik niet aanvaardbaar ben zoals ik ben, en dat ik oordeel verdien als ik tekortschiet. Of dat ik pas echt een goed christen ben als ik bid, evangeliseer, of tienden geef. Die boodschap wordt opgeleukt met een band op het podium en powerpointpresentaties, maar voor wie nadenkt over wat hij hoort of ziet heeft hij hetzelfde effect. Zelfs in de Anglicaanse kerk, waar de sacramenten van brood en wijn centraal staan en het goede nieuws steeds opnieuw klinkt in de liturgie ('God, whose nature it is always to be mercifull'), klinken soms woorden van de aanklager. Maar gelukkig zo zelden dat het me lukt ze naast me neer te leggen.

Als Tris uit de simulatie komt, blijkt de strijd nog niet voorbij. Er blijken nog steeds machten die de boodschap van liefde (ook voor 'Divergents'/afwijkenden) willen begraven. De reis gaat verder. Dat geldt ook voor mij en voor de schrijver van bovengenoemd blogbericht: "I believe in God is love, somewhere in my mind. I almost believe that I am loved. Someday soon there will be room in my heart to actually let that good news sink in."

dinsdag 24 juni 2014

Gedicht: Blinddoek

Werkelijkheid

Ik leefde in een wereld zwart,
hoorde niets, zelfs geen gefluister.
Mijn dikke vingers gleden van
elk voorwerp af. Ik was alleen,
overgeleverd aan mijzelf.

Ik wist van kleuren, van muziek,
uit mijn kindertijd, herinnerde
zacht fluweel dat ik beroerde,
een blije lach. Dat was voorbij.
Ik had verleiding weggedaan.

Ik moest werken, betalen voor
elke adem, de voedselbrij,
mocht al blij zijn dat ik leefde,
verder niet klagen, gehoorzaam
doen waarvoor ik was aangeschaft.

Tot op een dag handen streken
over mijn gezicht. De blinddoek
werd verwijderd. Uit mijn oren
vielen dikke proppen. Handschoen
werd door tere huid vervangen.

Overweldigend. De waarheid
bood zich aan mijn zintuigen aan,
vulde leegtes die ik niet kende.
Wat was de prijs? Ik kreeg
geen antwoord dan een brede lach.

dinsdag 27 mei 2014

Het sacrament en de omheining (2 en slot): de vrijheid van het koninkrijk

De term uit de managementtheorie die de sacramentele visie beschrijft, als het tegenovergestelde van een transactionele visie, is de ‘centered set’. Dit las ik erover: “A centered set has no boundaries to keep people out, but it does have something compelling at the center which pulls people in. Involvement in the set is not based on who has made it through the gate and is now inside the fence, but rather is based on the proximity to the center, and the direction they are moving. Those who are closest to the center will be the most involved with each other. And no matter how far someone pulls back, at no point do they ever stop ‘belonging’ for there is no outer boundary that can be crossed.” Als je het zou uittekenen zou je een punt hebben in het centrum en stippen die zich daar naartoe bewegen en stippen die zich daar vandaan bewegen. Er zijn geen zwarte stippen, geen rode stippen, het enige verschil is welke kant ze zich op bewegen. Een deel van de stippen komt bij elkaar rond de punt in het centrum, en daar ontstaat herkenning en gemeenschap. Deze gemeenschap wordt echter bepaald door het centrum, niet door grenzen met buiten; door de gedeelde fascinatie, niet door de verschillen met de ‘ander’. 
In plaats van schapen op een weiland, gescheiden door rechte sloten, is hier veel meer het oosterse beeld van de herder van toepassing. De herder om wie de schapen zich hebben verzameld, zonder dat ze in een bepaald gebied binnen hekken verblijven. Toch dwalen ze niet af, want ze volgen de herder. Hij is het die de kudde bij elkaar houdt. Het is natuurlijk geen wonder dat Jezus voor deze metafoor koos, door zichzelf te beschrijven als de goede herder. Toegepast op het christelijk geloof, kun je volgens mij stellen dat Jezus en zijn dood en opstanding de punt in het centrum zijn, het sacrament waarin de eeuwige liefde van God voor eens en altijd zichtbaar wordt, voor iedereen. Dit wordt onder andere weer zichtbaar in wat wij de sacramenten noemen: doop, brood en beker. (Een zijspoor, maar ik ben blij dat deze centraal staan in de kerk die ik nu bezoek). Jezus zei als dat hij zou worden opgericht als een teken, als de slang in de woestijn die door Mozes werd opgericht, en dat iedereen die naar hem zou kijken eeuwig leven zou ontvangen. Hij staat in het centrum. En er is niks dat buiten zijn invloedssfeer valt: kruis en opstanding zijn waar in de hele schepping. Zelfs in de hel. Het is als met een lamp, die is ook van elke afstand zichtbaar (en Jezus is het grootste licht dat mogelijk is, zichtbaar vanaf de grenzen van het heelal). Het is dus zoals Robert Farrar Capon regelmatig opmerkt: er zijn geen niet vergeven mensen. Zelfs de hel bevat alleen vergeven mensen. Iedereen hoort erbij.

Maar, zoals het plaatje suggereert, er zijn mensen die in de richting van het centrum bewegen, soms zigzaggend, soms met omwegen, en soms weer teruggaand naar de verte, en mensen die van het centrum, van het teken vandaan bewegen. En welke richting mensen op bewegen is wel ergens aan te herkennen. Niet aan een grens, niet aan een regel. Niet aan een wet. Niet aan een leerstelling.  Niet aan wat ze geloofden. Immers, de demonen geloofden ook in God, zegt Jakobus, maar zij sidderen. Wanneer Jezus het heeft over de manier waarop mensen zijn discipelen zouden herkennen, heeft hij het over de liefde. ‘Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, indien u liefde hebt onder elkaar’ (Johannes 13:35). In 1 Johannes werkt de apostel dit verder uit en nog algemener. Hij zegt zelfs: ‘Ieder die liefheeft, kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet’ (1 Johannes 4:8).
Iedereen is geliefd (deze liefde sluit elke rol van angst uit, voor ieder mens). En wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad. Het kan echter zijn dat mensen zichzelf meer liefhebben dan God. C.S. Lewis geeft hier heel veel voorbeelden van in zijn boek ‘De Grote Scheiding’ (mijn favoriete boek!). Er zijn mensen die zo bang zijn dat ze hun grenzen moeten opgeven dat ze hun ogen sluiten voor de opgerichte slang, voor het sacrament, voor de liefde. Ze zijn als de dwergen in Lewis’ ‘De Laatste Strijd’ - die weigerden het nieuwe Narnia te zien en bleven volhouden dat ze zich in een stal bevonden. ‘De dwergen voor de dwergen’, hielden ze vol. Zo sloten ze zichzelf op in de hel. Niet omdat God aan een ‘bounded set’ vasthield, maar omdat ze zelf aan een ‘bounded set’ vasthielden. Het was hun eigen drang om te oordelen, die tot hun oordeel leidde. Maar wie wel liefheeft, wie de ogen durft te openen, gaat door ‘Higher up and farther in!’, steeds dieper de realiteit van Gods wereld binnen.
Een andere manier om over deze dingen te spreken is in termen van het koninkrijk van God. Jezus heeft het er vaak over. Dat koninkrijk is niet gelijk te stellen aan een instituut of organisatie. Ook niet met de kerk. Het koninkrijk van God is in Jezus’ eigen woorden als een stad op een berg, of een lamp - van overal zichtbaar. Menselijke grenzen plaatsen die alleen maar in het duister. Meer het koninkrijk is ook verborgen. Het is niet verstopt op een enkele locatie. Het bevindt zich ‘in plain sight’, maar zo dat je er makkelijk overheen kijkt. Het is namelijk verborgen onder heel de schepping, als zaad in de akker. Maar het groeit en draagt vrucht. Hoe? Doordat mensen zich voor het koninkrijk openstellen ‘als een kind’. Doordat ze in de wijnrank blijven. Dan brengt hun leven de vruchten voort die bij het koninkrijk horen. Maar de mensen die zich hebben opengesteld voor het koninkrijk en die zich ervoor afsluiten zijn niet zomaar van elkaar te scheiden. Volgens Jezus groeien koren en onkruid op dezelfde akker samen op, tot naar hun vrucht wordt gekeken. Ook over het koninkrijk van God kan beter worden gesproken als een ‘gerichtheid’. Overal waar individuen of groepen of organisaties gericht zijn op de wil van God, zich openstellen voor Gods bedoeling en aanwezigheid, komt het koninkrijk van God tot expressie. Als een sacrament.

De eerste christenen herkenden dat het in het geloven gaat om een gerichtheid, om een richting. Daarom spraken zij over het ‘volgen van de weg’. Ze kwamen samen met andere ‘volgers van de weg’. Niet omdat ze zich wilden onderscheiden, maar omdat ze in elkaar herkenden wat ze zelf zagen, namelijk dat God zich in Christus als liefde had geopenbaard. Ze hadden geen andere naam nodig. Geen label om hun identiteit aan te ontlenen. De christenen hebben zichzelf geen ‘christenen’ genoemd. Dat deden de mensen van buiten. De ‘ongelovigen’, degenen die zich niet naar het centrum toe bewogen, die deze mensen maar raar vonden, met hun nadruk op de menselijkheid van vrouwen en slaven en buitenlanders, met hun liefdesmalen en opoffering. Het zijn de mensen die vasthouden aan een ‘bounded set’, die zich vasthouden aan grenzen, die namen willen geven, die willen definiëren, die makkelijk willen oordelen over ‘binnen’ of ‘buiten’. Jezus zelf waarschuwde dat zijn volgelingen zich geen meester of vader moesten noemen, niet bezig zijn met groepen en macht, maar dat ze elkaar in nederigheid moesten dienen, als slaven. Daar hoort niet bij te discussiëren over wie binnen en buiten is, wie onze dienst waard is en wie niet, wie onrein is en niet (Petrus moest dit leren door een visioen over onreine dieren, waarbij God zei dat hij wat God rein had verklaard niet onrein mocht noemen. En door Jezus opstanding was de hele schepping rein verklaard. De zonden van de wereld waren weggenomen). Jezus’ leerlingen mochten alles onderzoeken en dat behouden dat goed was, dat hen dichter bij de liefde bracht. Ze mochten omgaan met alle mensen, hen serieus nemen als persoon, hen leren kennen als individu en niet als bekeringsobject. Vervolgens konden ze vertellen over zichzelf en hoe zij in Jezus eeuwig leven hadden gevonden. Ze mochten ook de hand van God zien in de schepping en in de kunst van anderen, want elke waarheid is Gods waarheid, alle schoonheid is Gods schoonheid, en elke liefde reflecteert Gods liefde. Dus kan ik over God en zijn liefde leren in elk eerlijk verteld verhaal, elk goed gesprek, elke wolkenlucht, en ga zo maar door. De werkelijkheid is Christus, zei Paulus ergens. De werkelijkheid is sacramenteel.
De verdeling tussen degenen die in de richting van het centrum bewegen en die er vandaan bewegen, gaat dwars door elke menselijke grens heen. Wij hebben strepen op de grond getekend, arbitraire lijnen. Sommige lijnen zijn nuttiger dan andere: zo kan het zinvol zijn in sociologisch opzicht om aan te geven met wie je je identificeert, en kan het in een gesprek helpen om informatie over te dragen. Net zo zal ik zeggen dat ik naar de Anglicaanse kerk ga (en soms zelfs dat ik anglicaan ben), maar ik kan daar niet mijn identiteit aan ontlenen. Als ik dat wel doe, ben ik verkeerd bezig. Laat ons oog alleen gericht zijn op Christus, zegt Hebreeën, de opperste leidsman en voleinder des geloofs. Laat ons oog niet gericht zijn op de grenzen. De grenzen blijven arbitrair. Op de akker van God staan zowel aren als onkruid. Op de blog waarop ik reageerde, werd geantwoord dat ik me niet zomaar kon onttrekken aan de ‘vervelende christenen’, aan degenen die homo’s uitsluiten, of fantasyboeken ‘occult’ vinden, of vinden dat ik in de kerk geen hoed op mag hebben. Mijn antwoord is dat die naam ‘christenen’ arbitrair is. Deze mensen onderschrijven misschien dezelfde geloofsbelijdenis en dat maakt ze misschien christen, maar we bewegen ons elk naar een ander centrum. De God en de Jezus in wie ik geloofde in de fundamentalistische kerk waar ik opgroeide, waren niet dezelfde als de God en de Jezus in wie ik nu geloof. De een was boos op me, en kon niet werkelijk van mij houden zonder mij mijn persoonlijkheid af te nemen. Die liet iedereen die niet in de juiste regels geloofde in de hel belanden, en ontving alleen hen die aan de voorwaarden voldeden in zijn aanwezigheid (transactionele visie). De ander houdt van me en heeft dat in Jezus kruis en opstanding voor eens en altijd laten zien (sacramentele visie). En wat hij heeft laten zien geldt voor alle mensen, ongeacht wat ze precies geloven, welke regels ze houden of wat dan ook. Het kan me niet schelen of ik daarmee volgens andere christenen wel of niet binnen de grenzen hoor (dat doe ik voor velen toch al niet omdat ik naar fantasyfestivals ga, in evolutie geloof, en niet vasthoud aan de onfeilbaarheid van de bijbel). Voor mij is dit de heuvel om op te sterven - in de (misschien wel historische) woorden van Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders.’

Ikzelf ervaar om bovengenoemde redenen meer gemeenschap met mensen die ook willen liefhebben (zoals mijn atheïstische vriend die trouw zorgt voor zijn vriendin in een rolstoel, of mijn studiegenoten die voor elkaar klaarstaan als de een een miskraam krijgt, of de ander zijn ouders kwijtraakt), dan met heel wat christenen, die, om maar een voorbeeld te noemen, met de armen over elkaar zitten vooraan in de kerk omdat er in hun ogen te nieuwerwetse liederen worden gezongen. Ik weet dat God ook van hen houdt, zoals hij van iedereen houdt. Maar ik bespeur in hun gedrag geen liefde, of alleen als iets heel abstracts. Ik zie ze daarom niet als ‘meer mijn broeders en zusters’ dan mijn atheïstische vriend, of mijn studievrienden, of de zwerver op de hoek van de straat. En ik wil ook niet aan mijn status als ‘christen’ zelf het idee ontlenen dat ik beter zou zijn dan zij. Ik ben me ervan bewust dat het bovenstaande lijkt alsof ik een nieuwe grens leg, en mezelf zie als aan de ‘goede kant’. Dat is niet zo - ik ben me sterk bewust van mijn tekortkomingen. Ik heb nog niet lief zoals Christus liefhad, en of zij staan of vallen, dat gaat alleen hun eigen Heer aan (Romeinen 14). Ook voor mij geldt: oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt.
Om deze redenen praat ik liever over Jezus’ dood en opstanding en Gods onvoorwaardelijke liefde, dan over mijn identiteit en of ik tot een bepaalde groep behoor. Ik praat liever over het sacrament dan over de arbitraire grens.

maandag 26 mei 2014

Het sacrament en de omheining (1): de beperking van de 'bounded set'

Ik heb de afgelopen week een nieuwe manier gevonden om het verschil tussen een transactionele visie op het geloof en een sacramentele visie te beschrijven. Een manier die in elk geval voor mij nog helderder maakt hoe belangrijk het is dit onderscheid te maken. En hoe radicaal de gevolgen zijn als je van een transactionele beleving overstapt op een sacramentele. Daarom dat ik er na meerdere series toch nog een keer op mijn blog op terugkom.

Het begon allemaal met de vraag die ik kreeg, om naar aanleiding van een tweet van mij op de blog van iemand anders te reageren. Zo gaat het op de sociale media. In het betreffende blogbericht (voor mijn reacties zie onderaan) gaf de auteur aan zich niet meer christen te willen noemen, in verband met alle negatieve associaties die met deze naam verbonden blijken. Het lijkt erop alsof de georganiseerde religie al het goede uit de boodschap van Jezus onzichtbaar heeft gemaakt, en datgene wat kwaad was in de menselijke natuur een excuus heeft gegeven om zich nog duidelijker te tonen. Daarom noemde deze blogger zichzelf liever ‘volgeling van Jezus’. In elk geval tot deze naam ook door associaties zou zijn vergiftigd. Ik had heel veel sympathie voor zijn standpunt. Maar ik wil het graag nog een stap verder doorvoeren.
Want waarom zou ik überhaupt mezelf een ‘label’ willen toekennen? Waarom zou ik mijn identiteit ontlenen aan het woord ‘christen’? Ik heb hier al eerder over geschreven in de beginjaren van deze blog, toen schrijfster Anne Rice een paar jaar na haar bekering tot het katholicisme weer afstand deed van de naam ‘christen’. Ze bleef wel in Jezus geloven, maar kon wat ze de kerk zag doen niet met hem associëren. Ik betoogde toen ook al dat we door het onderverdelen van de wereld in ‘christelijk’ en ‘niet christelijk’ onszelf afscheiden van veel wat goed is, en onze ogen sluiten voor iets wat eigenlijk slecht is. Want we consumeren gedachteloos het flauwe, onrealistische verhaal alleen omdat marketeers ‘christelijk’ op de verpakking hebben gezet - terwijl we bang zijn voor creatieve, kunstige verhalen, muziek en kunstwerken, alleen omdat de makers geen ‘christen’ zijn. Terwijl deze vaak meer waarheid, schoonheid en liefde bevatten dan de clichématige productie van christenen. Net zo moeten we de mensen die zich ‘christen’ noemen in onze armen sluiten als onze broeders en zusters. Zelfs als ze anderen belasteren, anderen veroordelen, anderen buiten sluiten. Want ze geloven immers, en ze zullen het dus wel goed bedoelen. En de mensen buiten de groep ‘christenen’ zien we heel snel vooral als bekeringsobjecten, als projecten, of als ‘zondaar’ en niet als unieke, waardevolle individuen die onze liefde waard zijn. We geloven zelfs niet dat God van hen houdt zoals ze zijn. Ze moeten eerst ‘christen’ worden om er echt helemaal bij te horen. Dat is waar we ‘labels’ voor gebruiken, om makkelijk te kunnen oordelen over iets dat helemaal niet makkelijk is.
Dit is natuurlijk een automatisme voor ons, mensen, iets dat bij ons hoort sinds we aten van de boom van de ‘kennis van goed en kwaad’. Volgens Greg Boyd, in navolging van Bonhoeffer, staat het eten van deze boom voor het zich toe-eigenen van het oordeel - van het zelf willen indelen van mensen in ‘goed’ of ‘kwaad’. Van het aanbrengen van scheiding. We doen het voortdurend, elke dag, elk moment van ons leven. Dat wil echter niet zeggen dat het goed is. Voor de ander of voor ons. Niet voor niets horen we in de bijbel pas nadat dit heeft plaatsgevonden, over een ‘grens’ tussen het paradijs en de wereld daarbuiten en wordt de mens daarover getransporteerd, naar ‘buiten’, in plaats van ‘binnen’.

Deze manier van denken heet ook wel een ‘bounded set’. Volgens een van de beschrijvingen op internet is ‘a bounded set ... where we create a boundary, a theological border, and separate those who are inside the fence from those who are out. It is an ‘us’ versus ‘them’ mentality, where everyone on the inside is accepted, loved, and welcomed, while those outside the fence are kept away until they can change their beliefs and behaviors to fit the entry requirements.’ Als je het zou moeten uittekenen, zou je een vierkant op het papier zetten, met daarbinnen de zwarte stippen, en daar buiten de rode stippen. Het onderscheid tussen de zwarte en de rode stippen is heel duidelijk, en wordt bepaald door de vraag aan welke kant van de lijn ze zich bevinden. Een andere metafoor om dat duidelijk te maken is de manier waarop wij tegenwoordig schapen houden, namelijk op een weiland. Kijk maar eens naar buiten als je met de trein rijdt. Je ziet een aantal schapen op een stukje land, afgescheiden door sloten of hekken. Welke schapen horen bij de kudde wordt aangegeven door het terrein waar ze zich op bevinden. Schapen buiten het terrein, aan de andere kant van de sloot, horen niet bij de groep. De schapen aan de juiste kant van de sloot wel. En de scheiding is natuurlijk zo gemaakt dat een schaap die niet kan overbruggen, of hij zou wel heel ver moeten kunnen springen.
Degene op wie ik reageerde onder het betreffende blogbericht zag in mijn opinie het christendom, de groep die zich ‘christen’ noemt, als een ‘bounded set’. Namelijk, zodra mensen de juiste leerstellingen geloven horen ze tot de groep en zijn ze automatisch mijn ‘broeders en zusters’, tegen wie ik me niet meer mag afzetten. Ze bevinden zich binnen de lijnen. Als iemand het zondaarsgebed bidt, komt hij er vanzelf bij. En als mensen zich buiten de lijnen bevinden, zijn ze anders dan ik, en moet ik me van hen afscheiden. Ik moet de groep waar ik toe hoor (de ‘christenen’) tegen hen verdedigen.
Ik herken hierin de manier van denken die ik in eerdere blogberichten aangaf als ‘transactioneel’. In het transactionele denken vond er op het moment van Jezus’ dood en opstanding een transactie plaats. Doordat Jezus iets deed bewerkte hij een verandering in Gods houding ten opzichte van ons. God was eerst toornig ten opzichte van ons, en kon ons niet in zijn aanwezigheid accepteren, en nu opeens is zijn boosheid verdwenen, en houdt hij van ons. Of Jezus’ offer bewerkte een verandering in ons, maakte ons van gore zondaars in brave lieden, die God in zijn aanwezigheid kon tolereren. Hoe het ook zij in dit scenario kan Gods liefde niet onvoorwaardelijk zijn. Hij kan niet gewoon van mensen houden. Er moet altijd iets veranderen. In navolging hiervan wordt het geloof van mensen ook ‘transactioneel’. De daad van het geloven, het accepteren van bepaalde leerstellingen, de mentale truc waarmee we onszelf ervan overtuigen dat we ergens zeker van zijn, bewerkt volgens ons een transactie. Daardoor gaan we de grens over, zodat het offer van Jezus op ons van toepassing wordt, en we behoren tot de groep mensen van wie God houdt. Of we doen goede werken, geven onze tienden, bekeren anderen, en zorgen er daarmee voor dat God blij met ons is, en ons goede gaven gaat geven. En ondertussen kunnen we onszelf beter vinden dan de mensen die deze transactie niet hebben uitgevoerd. We vereisen ook van andere mensen een transactie. Vriendschappen worden functioneel. We moeten er namelijk wel iets aan hebben. We worden economisch. Voor wat hoort wat.

Als ik de bijbel goed lees, is daarin echter minder sprake van een ‘bounded set’ dan sommige mensen denken. Zelfs in het oude testament, voordat Jezus’ dood en opstanding de inclusie van de hele wereld in de liefde van God zichtbaar maakten, waarschuwen de profeten de Israëlieten ervoor geen valse zekerheid te ontlenen aan het feit dat ze (letterlijk) ‘binnen de grenzen’ leven. Ze hadden de neiging daar hun identiteit aan te ontlenen, en koningen te willen, en oorlog te willen voeren, maar volgens de profeten ging het om gehoorzaamheid, het zorgen voor armen en vreemdelingen (hen opnemen in de eigen omgeving), om gerechtigheid. God was namelijk niet alleen de God van Israel, maar de God van alle mensen. Daarom bekommerde God zich over Naaman die melaats was, hoewel hij geen Israëliet was, en om de stad Nineve in Jona, hoewel dat volk de vijand was van Israël. Jezus en Paulus zeggen dat de wet en profeten zijn samen te vatten als ‘heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf’. En Paulus ontmantelt in Romeinen het idee dat de Joden ‘beter’ zijn - negatief geformuleerd: ze maken dezelfde fouten. Positief is zijn bewering dat mensen die de wet houden, zonder de wet te kennen, er juist wel bijhoren - de wet staat in hun hart geschreven.
Jezus zelf lijkt zich ook niet echt om grenzen druk te maken. Hij geneest de zoon van de Syro-fenecische vrouw, de knecht van de Romeinse centurion en ga zo maar door. De Samaritaanse vrouw bij de put maakt hij duidelijk dat het niet gaat om de plek waar je aanbidt, maar of je aanbidt in geest en waarheid. De discipelen zijn degenen die vasthouden aan een ‘bounded set’, die vuur willen laten neerdalen op dorpen, en die mensen willen tegenhouden die rondtrekken en in Jezus’ naam wonderen doen. Maar Jezus zegt dan: ‘Wie niet tegen mij is, is voor mij’ (lukas 9:50). Jezus zegt dat hij iedereen tot zich zal trekken als hij aan het kruis verhoogd is. Hij zegt dat hij nog andere schapen heeft, die niet van deze kudde zijn. Zijn schapen zijn degenen die zijn stem horen en hem volgen. Niet degenen die binnen de grens van een instituut of geloofsbelijdenis blijven. Jezus gaat om met tollenaars (die buiten de grens vielen omdat ze heulden met de bezetter), met melaatsen (die buiten de grens vielen vanwege hun rituele onreinheid), met prostituees en dronkaards, met allen die met hem wilden omgaan. De Farizeeën waren degenen die vasthielden aan grenzen om anderen te beoordelen en tegen hen is Jezus wel heel erg kritisch. Hij wijst hen terecht dat ze anderen tegenhouden als ze het koninkrijk van God willen binnengaan, en zelf er ook niet in willen binnenkomen. Ze zullen erover verbaasd staan wie hen allemaal zal voorgaan, allemaal mensen die buiten de door hem gedefinieerde grenzen vielen. Jezus gooit het net veel wijder (blijkt ook uit zijn gelijkenissen). Hij zegt dat God de hele wereld liefheeft. En dat hij als het lam van God de zonden van de wereld wegneemt. Niet alleen van de christenen. En Paulus zegt ook dat allen hebben gezondigd en dat allen om niet worden gerechtvaardigd. Het kruis van Christus en het lege graf zijn hiervan de sacramenten. Ze vormen het zichtbare teken van een onzichtbare realiteit, namelijk de onvoorwaardelijke vergeving en aanvaarding van ieder mens. Er is dus geen grens. Iedereen hoort erbij, wat God betreft.
Dit noemde ik in eerdere berichten een ‘sacramentele visie’, de visie dat Jezus’ werk zichtbaar maakt wat altijd en voor eeuwig al realiteit is en dat diezelfde realiteit zichtbaar wordt in ons en onze levens. Dat wij dus geen transactie hoeven teweegbrengen, maar dat we gaan leven uit wat altijd al waar was over ons.

Wordt vervolgd ...

vrijdag 17 januari 2014

Het sacrament en jij (5 en slot): Geloven is jezelf worden

In een eerdere serie op mijn blog schreef ik over het bezoek van mijn Amerikaanse vriend Bryan aan Nederland en hoe we elkaar in Amsterdam ontmoetten. We raakten aan de praat en herkenden veel in elkaars verhaal. Zo vertelde hij dat hij Doctor Who-fan was. Maar daar gaat deze serie niet over. Een van de overeenkomsten tussen ons was dat we allebei een tijd lang onze gevoelens en verlangens, uitingen van ons lichaam, hadden afgewezen. Mede daardoor (en waarschijnlijk doordat we allebei intellectuele mensen zijn) ervoeren we afstand ten aanzien van ons lichaam, alsof we als een marionettenspeler boven ons lichaam zweven en er niet werkelijk mee in contact staan. Mijn vriend had leren inzien dat ‘mens zijn’ betekent ‘lichaam zijn’ en had besloten te proberen meer in contact te komen met zijn lichaam. Dat deed hij onder andere door te koken en door bier te maken. Niet in eerste instantie door recepten te volgen, maar door zelf met de ingrediënten bezig te gaan. Zelf bij het kneden te voelen wanneer het deeg de juiste consistentie had, zelf te voelen wanneer het genoeg gerezen was, zelf te proeven of hij het juiste mengsel te pakken had. Experimenteren en vervolgens ervaren wat de gevolgen zijn - de sensaties van zijn zintuigen te leren ervaren als goed en waardevol. En zo weer af te dalen in zijn lichaam, en dat weer te bewonen. Om, als het ware ‘vlees te worden’ of te incarneren in zijn eigen lichaam.

Spreken over incarnatie als het gaat om onze relatie met ons lichaam is in dit geval niet vreemd. Te vaak hebben we als christenen geloofd in een dualistisch beeld van ons lichaam, recentelijk vooral in navolging van Descartes, waarbij de ziel inderdaad werd gezien als een entiteit los van het lichaam, die dat bestuurde als een soort poppenspeler. Volgens Descartes vond de interactie tussen de immateriële, onstoffelijke ziel en het lichaam plaats via de pijnappelklier. Andere denkers zeiden later dat de interactie plaatsvond via de hersenen. Als delen van de hersenen beschadigd raakten zou de ziel zich niet meer volledig kunnen uiten (bijvoorbeeld in het geval van een aangeboren afwijking als Down), maar de ziel zelf zou daardoor niet zijn aangetast. De ziel bleef immers gescheiden van de materie. De hersenen waren gebrekkig materieel, en de ziel zou niet kunnen wachten om die achter te kunnen laten.
Zelfs denkers als N.T. Wright spreken over de geest van de mens als ‘software’ die loopt op ‘hardware’. Ze bevestigen het belang van het lichaam (software heeft hardware nodig om te functioneren), en verklaren het leven na de dood door te stellen dat God onze ‘software’ op zijn eigen ‘hardware’ laat lopen. Maar in feite houden ze nog steeds een scheiding in stand. En atheïstische wetenschappers als Dick Swaab doen hetzelfde, door het immateriële te ontkennen. Ze zeggen wat wij onze hersenen zijn, en dat wat wij beschouwen als keuzevrijheid, persoonlijkheid of bewustzijn alleen maar bijverschijnselen zijn van natuurkundige of biologische processen in de hersenen.
Allemaal gaan ze uit van een gescheiden zijn van geest en lichaam.

Maar kijk naar de incarnatie, de vleeswording van Jezus. Jezus was God en mens tegelijk, maar zijn goddelijke en zijn menselijke kant konden niet van elkaar worden gescheiden. Zijn goddelijke kant hing niet als een marionettenspeler boven zijn menselijke lichaam. Zijn goddelijke natuur was ook geen software die liep op zijn menselijke hardware.
De geloofsbelijdenissen suggereren dat Jezus volledig, 100 procent, God was, en volledig, 100 procent, mens. De mens Jezus is God. Dat wil zeggen dat de ene eigenschap van Jezus dus tegelijk volledig goddelijk was, en tegelijk volledig menselijk. Anders gezegd: wie Jezus zag in zijn goddelijke glorie (bijvoorbeeld bij de verheerlijking op de berg, in zijn berispen van de storm, in zijn grote vergevingsgezindheid), zag hoe God mensen bedoeld had. Dit is waarvoor wij zijn geschapen. ‘Wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik’, zei Jezus (Johannes 14:12). Maar andersom: wie Jezus’ menselijkheid zag, zag daarin de natuur van God. Bijvoorbeeld in het feit dat hij huilde bij het graf van Lazarus, in zijn woede op de Farizeeën, maar ook in zijn aanraken van melaatsen. ‘Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’, zegt Jezus, en dat dus letterlijk (v9). Hoe Jezus was in zijn menselijkheid, is hoe God in zijn eeuwigheid is.
In het lichaam van Jezus is God dus werkelijk zichtbaar, hoewel het lichaam niet ophoudt materie te zijn. Dus kan de kerk leren dat in het brood en de wijn van het avondmaal het lichaam en het bloed van Jezus werkelijk zichtbaar zijn, hoewel ze niet ophouden brood en wijn te zijn. Dit moet je niet dood analyseren (op welk moment wordt het brood dan metafysisch lichaam?). Het is een kenmerk van het sacramentele karakter van brood en wijn, dat er iets werkelijks in zichtbaar wordt, hoewel het materieel is. En zo is het ook met ons. We zijn een enkel geheel. Er zweeft boven ons geen immateriële geest. En al helemaal niet een geest die bij de bevruchting uit de hemel op ons is neergekomen en na de dood daarnaar weer teruggaat.
Ook over de menselijke natuur hebben speculaties als ‘op welk moment na de bevruchting krijgt het lichaam een geest’ geen enkele zin. Wij zijn ons lichaam. Daarin heeft Swaab gelijk. Ontleed ons en je komt geen los onderdeel tegen. Het gaat om meer dan onze hersenen. Onze andere organen, hormonen en spijsvertering, onze huid, onze zintuigen, zelfs de bacteriën in onze darmen, doen allemaal mee. Tegelijkertijd geldt: ons lichaam is ons. Mijn lichaam is mij. Mijn lichaam maakt de persoon ‘Johan’ zichtbaar. In mijn verlangens, in mijn keuzes, in mijn relaties. Ik ben niet te reduceren tot mijn lichaam, ik ben niet ‘maar een lichaam’, mijn lichaam is een sacrament, waarin de persoon zichtbaar wordt ‘die God heeft geschapen als zijn evenbeeld’ (Jakobus 3:9).
We zijn naar Gods beeld geschapen in het feit dat we personen zijn, die tot werkelijke creativiteit in staat zijn, die waarheid kunnen nastreven en vinden, en die vrije relaties met anderen kunnen aangaan. En dat wordt zichtbaar in onze lichamelijkheid. Niet volmaakt - het bijbelverhaal suggereert dat deze werkelijkheid is onderworpen aan invloeden van een transactionele aard, waardoor ze ‘als in barensweeen zucht en lijdt’ (Romeinen 8:22). Dit geldt ook voor ons lichaam. We worden tegengewerkt in onze uiting van onze glorie als geschapen wezen, maar eens zullen de vrijheid en luister van Gods kinderen volkomen worden geopenbaard, eens komt de verlossing van ons sterfelijk bestaan (v23). Daar kijken we naar uit, in deze hoop zij we gered (v24). Maar dat onze vleeswording niet volmaakt is, wil niet zeggen dat ze niet relevant is. Als Jezus een sacrament is, zijn wij, kortom, zelf ook een sacrament. Ik denk dat dit bevestigd wordt door de opstanding van Jezus, en de belofte dat wij net als hij zullen opstaan uit de dood. En het feit dat bij geen van de opwekkingen (die van het dochtertje van Jairus, of die van Lazarus) de suggestie wordt gewekt dat de persoon ‘terugkeerde uit de hemel’. De persoon was dood. Hij (of zij) werd weer levend en werd vanaf dat moment weer sacrament.

Dit inzien, leidt ertoe dat we ons lichaam op een andere manier gaan bekijken. Ons lichaam met alles wat daarbij hoort, want juist het lichamelijke is sacrament van wie we zijn. Dat is: het lichaam zoals dat door miljoenen jaren evolutie is gevormd, inclusief de verschillen tussen man en vrouw, onze seksualiteit, onze sociale structuren, onze taalvaardigheid. Om een voorbeeld te geven van de manier waarop we met dit uitgangspunt anders kunnen gaan denken over wie we zijn, wijs ik terug naar de discussie op de blog van Richard Beck of feministen wel hoge hakken konden dragen, of dat het feit dat mannen visueel zijn ingesteld inherent slecht is. Wat hij suggereert is dit: “The visual bias in male sexual arousal is an adaptive feature of the brain. A feature adaptively intertwined with the female gaze. I'm tentatively suggesting that the gazes, being adaptive features of the brain, are morally neutral, adaptations that are similar to why we find sugar sweet. We generally think of incarnational theology as being about embodiment. If so, an incarnational approach to being "sexy" will recognize and enjoy the evolutionary and biological aspects influencing both the male and female gaze. Males and females have been gazing at each other and finding each other sexy for millions of years. And there is a creational goodness in how these erotic feelings spontaneously emerge within us. How you catch my eye. How that gesture melts my heart. And, being humans, we've reveled in all the ways we can creatively and artistically enhance those feelings. From love songs to diamond rings to, well, to high heels. We become chefs to enhance the pleasures of taste. We do the similar things to enhance the pleasures of sexual attraction and arousal. One of many bodily goods that both genders enjoy, from the taste of good coffee to the pleasure of a symphony. The male and female gaze is embodied pleasure.” Het is een uiting van wie wij zijn, van ons diepste zelf. Net als creativiteit dat is. Wie kan zeggen waar in de hersenen creatieve ideeën vandaan komen? Toch (dat merk ik althans zelf) horen mijn creatieve ideeën diep bij mij, zijn ze niet van mijzelf te scheiden. Een ander zou niet dezelfde creatieve ideeën hebben als ik.
Deze verlangens, creativiteit en seksueel, komen uit mijn diepste hart voort. Ikzelf wordt erin zichtbaar. Ze zijn een sacrament. Als ik goed en liefdevol ben, zal dat in deze uitingen te zien zijn. Als mijn gerichtheid transactioneel is, op mijzelf gericht, zal dat in deze uitingen te zien zijn. De gerichtheid wordt erin zichtbaar. Maar ze zijn zelfs meer dan dat. Mijn creativiteit als mens, als geschapen wezen, is een sacrament van de creativiteit van God, het maakt zichtbaar hoeveel mogelijkheden God ziet en hoeveel nieuwe schoonheid hij tevoorschijn kan brengen. ‘Zie ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten’ (Jesaja 43:9). En: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft’ (1 Korintiers 2:9). Hetzelfde geldt voor onze seksualiteit, het plezier dat de man en de vrouw in elkaar hebben, initiatief en overgave, het is een beeld van God in zijn liefde voor ons, een sacrament van het goddelijke plezier in zijn relaties, van het plezier van de Bruid met de bruidegom. ‘Dit mysterie is groot - en ik betrek het op Christus en zijn kerk’ (Efeze 5:32). Dit is waar wij voor bedoeld zijn, om ‘beelddragers van God’ te zijn, om zijn liefde en passie zichtbaar te maken en te openbaren. ‘God heeft ons gemaakt om een relatie met Hem te hebben en zijn gelijkenis in alle gebieden van ons leven tot uitdrukking te laten komen’, stellen Jerram Barrs en Ranald Macaulay. ‘Met ons lichaam, ons verstand, onze emoties en onze wil.’ (Geloven is weer mens worden).

De kern van de zonde is dat dit beeld niet meer zichtbaar wordt. Dat in onze uitingen, onze verlangens, creativiteit en seksualiteit, niet meer de oprechte, opofferende sacramentele liefde van God zichtbaar is, maar dat in ons lichaam onze transactionele natuur zichtbaar wordt, onze gerichtheid om onszelf en anderen te kopen en te verkopen, om mensen (onszelf incluis) te reduceren tot ‘alleen maar lichamen’, om te vragen ‘What’s in it for me’.
Als dat is wat zichtbaar is, tonen we niet het beeld van God, zoals we bedoeld waren, maar het beeld van de duivel, de gepersonifieerde transactionaliteit. “As a heterosexual man--the product of a long, long evolutionary history--I don't know how to look at my wife and not find her sexy”, schrijft Richard Beck op zijn blog experimental theology. “And I love how she, joyously, creatively, and artistically, surprises my gaze. I love the way my wife dresses. Does her hair. The whole thing. And yet, if I start to demand that she dresses a certain way. If I start to privilege my gaze--if anyone, in any sort of romantic context, heterosexual or otherwise, starts to privilege their gaze--we begin in that instance to conflate our gaze with power. When we begin to lord over our partners to indulge our visual appetites we are back to oppression.”
Wat is de oplossing voor dit dilemma? Een antwoord dat Richard Beck geeft is dat we offers moeten brengen. We moeten bereid zijn om af te zien van de vervulling van ons verlangen, als die afhankelijk is van iets dat anderen niet willen geven. De ander moet belangrijker voor ons zijn, en diens integriteit, dan onze eigen begeerte. Anders zijn we immers transactioneel. Anders zijn we 'entitled'. Dus we moeten offers brengen. Niet eisen, maar vragen en ‘nee’ kunnen accepteren. Het belang van de ander boven dat van onszelf stellen. Maar dit soort denken zou terug kunnen vallen in een afwijzen van onze verlangens en onze seksualiteit. Als we immers bereid moeten zijn er van af te zien, als we het moeten opofferen, kunnen we de verlangens immers maar beter helemaal opzij schuiven. Dan kunnen we ze maar beter als slecht bestempelen en onderdrukken. Dan weten we immers zeker dat we niet over een grens gaan, dat we het goed doen. En dan is het maar een kleine stap om te gaan geloven dat we door de offers die we brengen, aangenamer worden voor God. Dat hij wel heel blij met ons is als we zoveel voor de ander en voor hem over hebben. Dan zijn we terug bij het transactionele. Dit kan echter niet de oplossing zijn.
Gelukkig is er een derde weg, beweert Richard Beck, en daarvoor grijpt hij terug op de oosters orthodoxe theologie. “The object of love isn't the sacrifice of the gaze but the divinization of the gaze. No doubt, mortification may be a part of this process. But the goal isn't to repress and sacrifice the biological and erotic aspects of love but to have our bodies taken up and transformed by the love of God.” Dit is de oplossing. Niet het opgeven van het verlangen, maar de vrijheid van het verlangen. Als wij zijn gegrepen door de onvoorwaardelijke liefde van God, als we werkelijk zijn gaan geloven dat hij van ons houdt zoals we zijn, zoveel dat hij daar alles voor over had aan het kruis. Als we die liefde toelaten en accepteren, ons ervoor open stellen. Als we onszelf zien als geliefde kinderen van God, dan gaat dat in ons doorwerken. Dan verandert die wetenschap onze verlangens. Als inkt in een bloem wordt het zichtbaar in onze keuzes, en in onze relaties.

Het openstellen voor de liefde van God zal ertoe leiden dat we onszelf, compleet, zien als waardevol en betekenisvol. Dit is een proces van zelfaanvaarding. Geen afwijzing van delen van mezelf, maar mezelf accepteren. Dit is wie ik ben, en ik ben door God geliefd. Ik bedoel hier niet mee een goedpraten van de zondige, transactionele kanten van mijn verlangens en mijn keuzes. Die zijn nooit goed, omdat ze mijzelf, de ander en de wereld beschadigen. En God accepteert die ook niet. Liefde is volgens 1 Korintiers 13 immers niet blij met de ongerechtigheid. Maar dat is gerichtheid, niet kern. Het ik dat gericht is op zelfverrijking, of ‘voor wat hoort wat’, is door God geaccepteerd. Volledig. Ook als het op zichzelf gericht is. Maar die acceptatie ervaren, die tot je laten doordringen, daarin gaan leven, verandert je gerichtheid. Als je jezelf echt onvoorwaardelijk gaat accepteren, zoals God dat doet, ga je ook anderen zien in datzelfde licht: als belangrijk, waardevol, betekenisvol. Je ziet ze niet meer als bijfiguren in jouw verhaal. Je ziet ze als belangrijk in Gods verhaal. ‘Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld’ (2 Korintiers 5:16). Je gaat hen ook liefhebben, zoals God hen liefheeft.
Dit is volgens mij wat de bijbel bedoelt met de uitspraak: ‘Voor wie rein zijn, is alles rein’ (Titus 1:15). En: ‘Ieder die in Hem blijft, zondigt niet’ (1 Johannes 3:6)
En op deze manier werkt Gods liefde door, via ons. Want wij worden voor anderen een sacrament van Gods liefde, in ons wordt Gods acceptatie zichtbaar. Zodat anderen die kunnen accepteren, en zichzelf kunnen gaan zien als waardevol en betekenisvol, als sacramenten. En zo breidt de vernieuwing zich uit als een olievlek, of althans, zo zou het kunnen gaan. Het transactionele wereldbeeld, gebaseerd op de leugen dat we Gods acceptatie moeten verdienen, viert hoogtij. In onze wereld, in ons. Daarom dat wij met de schepping zuchten in afwachting van de ‘verlossing van ons sterfelijk bestaan’ (Romeinen 8:23). Wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is (1 Johannes 3:2). Wat in de toekomst volledig openbaar wordt, is nu echter in het verborgene al wel werkelijkheid. We zijn al nieuwe mensen! Daarom: ‘Ieder die dit vol vertrouwen van hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is’ (1 Johannes 3:3).

Ik vind dit hele principe prachtig in beeld gebracht in de recente Disneyfilm Frozen (die ik op mijn blog eerder ook heb besproken). In dat verhaal is koningin Elsa bang dat wat uit haar voortkomt niet goed is. Ze heeft er mensen mee beschadigt en probeert haar gave nu te onderdrukken. Ze accepteert zichzelf niet. En als haar gave door haar muur van bescherming heenbreekt, doet ze anderen pijn. Zelfs haar eigen zus. De enige manier die ze kan vinden om anderen geen pijn te doen, is door zich te isoleren. Helemaal alleen op een berg. Het heeft de vorm van vrijheid (geen regels), maar ze is niet vrij. Hoe ze zich ook aan het keurslijf ontvochten heeft, ze blijft van binnen overtuigd dat ze anderen pijn zal doen, en dat iets dat echt bij haar hoort gevaarlijk is en blijft.
Tot iemand zich voor haar opoffert. Iemand die ze eerst had afgewezen, die ze pijn had gedaan, die ze van zich had afgestoten. Zonder er twee keer over na te denken springt die persoon tussenbeide. Ze vraagt: ‘Waarom doe je zoiets?’. De ander antwoordt: ‘Uit liefde’. en dat verandert het hart van koningin Elsa. Het is haar hart dat bevroren was, en het is haar hart dat moet ontdooien. En als haar hart ontdooid is, kan ze niet alleen maar bevriezen, dan kan ze zelf ook de wereld om haar heen ontdooien. Ze kan nog steeds volledig zichzelf zijn, maar uit haar komen goede dingen voort, geen slechte. Een betere parabel voor het evangelie is volgens mij niet mogelijk.