Posts tonen met het label atheisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label atheisme. Alle posts tonen

donderdag 18 juni 2015

Het spel verlaten (1): het perfecte systeem?

Ik ben volwassen genoeg om het te kunnen toegeven als ik het bij het verkeerde eind had. En dat ik mijn mening heb moeten herzien. Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn recensie van de film Tron Legacy, die ik schreef in februari 2011. Daarin was ik ten eerste negatief over de film zelf, en suggereerde dat hij geen lang leven zou hebben in de verbeelding van mensen (maar wie op Deviantart kijkt, ziet dat het elegante design van de wereld veel tekenaars heeft geïnspireerd en dat nog steeds doet, en zelf blijf ik de film eigenlijk ook goed vinden) en was ik ten tweede negatief over de door mij vermoedde boodschap achter de film – die volgens mij te veel uitging van een Boedhistische ontkenning van het zelf. Interviews met acteur Jeff Bridges onderstreepten deze interpretatie. Maar toen ik de film laatst opnieuw zag samen met mijn vrouw, realiseerde ik me dat de filmmakers subtieler waren dan ik had gedacht, en dat hoewel er een gnostische, wereld ontkennende interpretatie mogelijk is (waarbij Clu de demiurg is), dit zeker niet de enige uitleg is. Zelfs de rol van de ISO’s (spontaan ontstane levensvormen in de computerwereld) werd me duidelijk, waar ik in mijn bespreking daar nog vraagtekens bij had. En het hing allemaal samen met het onderscheid tussen een transactioneel en een sacramenteel wereldbeeld.

Toen ik ’s avonds uit mijn werk kwam, voordat mijn vrouw en ik de film gingen kijken, liet ik me met een zucht vallen in mijn luie stoel. Na twee weken vakantie was ik weer op kantoor begonnen, maar direct ook weer met omstandigheden geconfronteerd die stress bij mij veroorzaakten. Ik was nu juist met vakantie geweest om te ontspannen, aangezien ik in maart op de grens van een overspannenheid had gezeten. En aangezien ik al eerder overspannen ben geweest, heb ik er erg veel voor over om dat niet opnieuw te hoeven meemaken. Want wat de situatie op mijn werk ook is, het is het niet waard mijn gezondheid, mentaal en lichamelijk, om te verspelen. Dus verklaarde ik dat ik een manier moest vinden om me niet meer verantwoordelijk te voelen voor wat me zo’n stress opleverde, dat ik sommige dingen gewoon zou loslaten waar het eigenlijk om werk van een ander ging, en dat ik een manier moest vinden om als ik me toch aan zaken ergerde, die dingen naast me neer te leggen en te genieten van wat er wel belangrijk en waardevol is in het leven. En het hielp, want ’s nachts sliep ik prima, ondanks de frustraties van op kantoor.
Maar werk is niet de enige stressfactor in mijn leven, geloof kan er ook wat van. Geen verrassing voor de lezer van mijn boeken, mijn gedichten of mijn blogberichten: ik heb moeite met de boodschap die door veel kerken gebracht wordt. Het opgroeien in een fundamentalistische kerk (ik ga steeds helderder zien dat het eigenlijk een sekte was) gaf me een beeld van God mee als van een boze, veeleisende werkgever, die perfectie van me eiste (ook al was hij gedwongen me in dienst te houden, omdat Jezus voor mij betaald had). Een beeld van mezelf als een zondaar, te allen tijde slecht, tot niets goeds in staat (en al helemaal niet tot het voldoen aan Gods ideaalbeeld, maar toch moest ik dat wel blijven proberen). En een beeld van het christelijke leven als bestaande uit hard werken, Bijbelstudie, evangelisatie (wie ik niet wist te overtuigen, ging naar de hel. Het hing van mij af!). We moesten onze tijd uitkopen – en dat betekende geestelijke activiteiten verrichten in plaats van het lezen of muziek luisteren voor ons plezier. We mochten toch al niet doen wat voor ons natuurlijk voelde, want onze ‘natuurlijke talenten’ waren voor God van geen waarde, alleen wat de Heilige Geest in ons tot stand bracht, zou ook stand houden. Het is nog een wonder dat ik niet eerder overspannen werd!
Ook toen ik deze kerk verlaten had, en een evangelische kerk bezocht, kwam ik echter dit soort gedachten tegen, vaak in een verdunde, maar niet minder schadelijke vorm. Het idee dat de kerk de wereld moest veranderen, bijvoorbeeld (en dat ik daarom aan programma’s zou moeten meewerken of mijn gaven zou moeten inzetten). Het idee dat God van me hield zoals ik was, maar teveel om me zo te laten (en dat ik dus toch mijn best moest doen om beter te leven en jawel, perfect te zijn). Het idee dat ik me blij en dankbaar moest voelen (ook al voelde ik me vooral moe en schuldig) of dat ik in een jonge aarde en een volledig uitgestippelde eindtijd moest geloven om een echte christen te zijn. Of in theorieën over Israël. Het idee dat het in het geloof toch draaide om mijn eigen verantwoordelijkheid, en dat ik een mislukkeling was als ik tekort schoot. De boodschap van genade was vooral bedoeld voor mensen die nog niet tot geloof waren gekomen, want het evangelie hoorde ik in onze kerkdiensten maar heel weinig.
Ik zag natuurlijk de preken door de interpretatiebril die ik in mijn opvoeding had meegekregen, dat zal ik eerlijk toegeven. Dat verklaart waarom ik ook in de Anglicaanse kerk nog wel eens op mijn stoel heen en weer zit te schuiven bij sommige boodschappen. En waarom ik in piekerbuien schiet bij het volgen van sommige christelijke twitteraars. Want ik voel me in religieus opzicht schuldig als ik me bijvoorbeeld niet ga inzetten voor bootvluchtelingen, net zo als dat ik niet genoeg stille tijd houd. (Terwijl veel anderen zich dan weer niet druk maken om het uitsterven van diersoorten, om maar wat te noemen). Ik ben altijd verbaasd als sommige activistische christenen op twitter opeens aangeven dat ze een voetbalwedstrijd kijken, omdat ik me schuldig voel dat ik graag films kijk en niet tegelijk christelijk werk kan doen.
En het is niet eens zo dat ik iets heb tegen opvang van vluchtelingen, of bestrijding van mensenhandel. Natuurlijk niet! Maar met mijn motivatie is wel wat mis: ik geloof dat ik waardeloos ben, dat God me afwijst, dat ik niet mag bestaan, als ik faal, als ik niet hard genoeg werk, als ik niet presteer. En dit leidt tot symptomen van stress als slaapproblemen, hyperventilatie, eczeem en overgewicht. En dat is het me niet waard. Dat is me zelfs mijn eeuwige behoud niet waard: want dat moet ik toch maar op geloof aannemen. Ik ga niet zoals St. Rosa van Lima mijn gezicht met peper en loog bewerken en laten opzwellen omdat ik bang ben dat mensen mij anders mooi zouden vinden, of een kroon van zilver dragen met punten aan de binnenkant om me aan Jezus te herinneren. Of zoals een legende wil, met loog gorgelen omdat mensen haar om haar stem complimenteerden. Ze stierf heel jong door wat ze zichzelf aandeed (bijvoorbeeld heel weinig slapen). En dat heb ik er niet voor over. Maar door mijn fundamentalistische opvoeding is het niet makkelijk aan oproepen en stimulerend bedoelde aansporingen te ontsnappen.
Dus wat ik tegen mijn vrouw zei, was dat ik niet meer zou luisteren. Een oproep dat ik niet mag zijn zoals ik ben, dat ik meer zou moeten doen (of vooral: andere dingen), dat ik een bepaalde leerstelling moet aannemen zonder bewijs of mensen met een ander geloof of andere geaardheid moet afwijzen, ga ik voortaan links laten liggen. En dat zonder me te verdedigen, zonder in discussie te gaan, zonder mijn argumenten aan een ander ter beoordeling voor te leggen. Ik ga geen verantwoording afleggen voor mijn keuzes en ik laat me niet corrigeren - niet door op zichzelf terug cirkelende redeneringen. Ik kan mezelf en wat ik doe en denk niet veranderen. Niet voor een ander in elk geval, en zelfs niet voor God, zoals hij door anderen verkondigd wordt. Ik weiger nog langer het spel mee te spelen, ik weiger mezelf en mijn inspanningen te zien als belangrijk in het einddoel van de kerk. Ik kan mezelf niet meer tot een rol reduceren.
Dit zal door veel mensen niet begrepen worden. Ze zullen me een slecht christen vinden. Een afvallige. En me daarover een schuldgevoel willen aanpraten, zodat ik me weer voor hun visie ga inzetten. Maar dat is dan maar zo. Ik wil me namelijk ook niets meer aantrekken van de mening van mensen over mijn (gebrek aan) spiritualiteit. Ik weet van mezelf dat ik nooit een atheïst zou kunnen zijn. Ik geloof in God. Ik kan niet zonder. Maar ik ga er niet meer over discussiëren. Als dat me voor sommige mensen in de categorie van niet-gelovigen plaatst, is dat hun eigen zaak. Een ieder zij voor zijn eigen geweten ten volle overtuigd, niet waar? Ik kan het gewoon niet meer toelaten, ook maar de ruimte in mijn denken over te laten dat zij gelijk zouden hebben en dat Gods acceptatie van mij (en dus mijn bestaan) ook maar in enige mate voorwaardelijk zou kunnen zijn, dat ik er iets voor zou moeten doen in welke vorm en hoe weinig dan ook. Dan behoor ik maar niet tot de ‘in crowd’ – ik kan me het ook niet veroorloven me daar druk om te maken, omdat het ook zou lijden tot vergelijken en daardoor stress en overspannenheid.

We hadden al eerder afgesproken dat we Tron Legacy die avond zouden kijken, en wie schetst mijn verbazing? Dit was ook het thema van deze film. Het voelde voor mij als een bevestiging van mijn voornemen. In deze film was de jonge computerprogrammeur Flynn in zijn enthousiasme begonnen met het ontwerpen van een nieuwe wereld: hij had een droom van een toekomstige werkelijkheid en wilde die nu naar de realiteit overbrengen. Dat kon hij niet alleen, dus hij vormde een nieuwe entiteit. Clu – een kopie van zichzelf. Deze gaf hij een opdracht mee: schep de perfecte wereld. En met die opdracht ging Clu aan de gang. Hij kon niet anders. Maar twintig jaar later was Clu de alleenheerser geworden van de computerwereld. Wie niet aan zijn ideaalbeeld voldeed (niet perfect was) werd vernietigd, werd opgeofferd in de spelen, of werd naar zijn beeld gevormd tot strijder (om elders perfectie te brengen). Een totalitaire samenleving was ontstaan, en alle factoren die de controle van Clu bedreigden werden nu opgespoord en uitgeroeid. En Flynn was een doelwit geworden. Via Flynn zou zijn controlerende evenbeeld Clu ook de menselijke wereld kunnen bereiken en die overheersen. En elke actie die Flynn ondernam, deed het net van zijn tegenstander zich alleen maar om hem sluiten. Clu bepaalde namelijk de regels in het systeem dat hij geschapen had, niet Flynn. Dus elke poging om het systeem te bestrijden, zou het systeem alleen maar sterker maken.
Dat was waarom Flynn ervoor had gekozen niet meer mee te spelen: de enige winnende zet was te weigeren te spelen. Als hij niets deed, was het systeem aan zichzelf overgeleverd, en zou het zichzelf uiteindelijk uitdoven. Want het doel (perfectie) was onbereikbaar: dat was wat Flynn had ingezien. Menselijke inspanning (en de inspanning van door de mens naar hun beeld geschapen systemen) kan geen perfectie tot stand brengen, want de mens is niet perfect. En wij leggen onze eigen imperfectie in onze systemen. Maar, zegt Flynn uiteindelijk tegen Clu, wat als het niet de bedoeling is dat wij de perfectie tot stand brengen? Wat als de perfectie zich al onder handbereik bevindt? Wat als het enige dat wij hoeven doen, is de perfectie te ontvangen – en dat we daarvoor dus niks hoeven doen? Clu had in zijn systeem ruimte kunnen maken voor de perfectie om in te verschijnen, maar dat weigerde hij. Dat wij niks voor perfectie kunnen doen, bedreigde zijn identiteit. Net zo kunnen veel religieuze instituten en kerken de vrijheid van Gods sacramentele aanwezigheid niet accepteren, omdat het hun hele reden tot bestaan lijkt omver te stoten. En dus zit er voor hen niks anders op dan te verdwijnen. Op zijn minst om uit de weg te gaan.
Ik zag dit deze kijkronde niet langer als wereldmijding, of in zichzelf gekeerd zijn. Deze film suggereert namelijk niet dat liefde voor anderen en de wereld buiten jezelf zinloos is. Wat de film wel suggereert, is dat het zinloos is op systemen te vertrouwen. Daarmee verlies je alleen maar je zelf, in plaats van haar te vinden.

Wordt vervolgd …

maandag 26 maart 2012

Links: Kwallen, striptekenaars op een onbewoond eiland, Hunger Games en verlangen als godsbewijs

Dit is een van de meest bijzondere plekken op Aarde - een meer op Palau bevolkt door kwallen, die niet prikken.

Over bijzondere plekken gesproken: filmmaker en ontdekkingsreiziger James Cameron keerde gisteren terug van de diepste plek op aarde, Challenger Deep in de Marianantrog!

Leuk voor de stripliefhebbers: striptekenaars op een onbewoond eiland!

De trailer voor een animatiefilm die nog niet gemaakt is: My family and the wolf. Een mooie verbeelding van de zomermaanden door de ogen van een kind, en een mysterieuze verschijning ...

De evolutie van veren blijkt een ingewikkelde geschiedenis, want al voor de dinosauriers waren er reptielen met veerachtige structuren, die wellicht zelfs werden gebruikt om te zweven!

Ik ga morgen naar de film The Hunger Games. Waarschijnlijk ga ik daar wel een recensie over schrijven, daar lijkt het me wel een geschikte film voor. Ondertussen las ik op Christianity Today een paar fascinerende artikelen over deze film. De eerste kijkt naar de trend van apocalyptische jeugdboeken en -films. En wat die over de mens zeggen, met name over onze neigingen tot controle en geweld. "We like The Hunger Games because we want to identify with the rebellion. If we look closely, though, we are often more likely to find ourselves, however unintentionally, siding with the Capitol. We turn a blind eye to suffering, allowing the rest of the world to meet our every need and desire, though it costs them their lives. We sit in air-conditioned luxury, practicing Twitter activism, while people around the world (and in our neighborhoods) starve." De tweede zie in een van de karakters een beeld van Jezus, die op een mooie manier hoop en leven brengt aan een hoofdpersoon.

Een interessant artikel over de rol van het verlangen in het kiezen om te geloven. Heel vaak hebben christenen in hun geloofsverdediging gekozen voor een rationele aanpak, en gebruik gemaakt van logische argumenten. Maar hoe vaak maken wij mensen nou keuzes omwille van logische redenen? We kiezen voor wat we willen - de vraag is dus: willen we geloven? Volgens dit artikel zijn er verschillende verlangens van de mens die door het christelijk geloof worden vervuld: het verlangen naar veiligheid en betekenis, het verlangen naar onsterfelijkheid, het verlangen naar rechtvaardigheid, en het verlangen naar 'awe', naar schoonheid: "Throughout our lives, we have experiences of joy and awe that are “not enough.”  They somehow point us beyond themselves to a more ultimate experience.  C.S. Lewis wrote of “a desire for something that has never actually happened." However enjoyable our earthly experiences are, we’re never fully satisfied. We yearn for something more—something beyond.”

The Christian Monist kijkt verder naar zijn redenen om in God te geloven. Hij vertelt eerst dat zijn bekering anders verliep dan hij zijn toehoorders ooit wilde laten geloven in zijn getuigenissen. Geen wonderverhalen, geen tekenen. Nee, hij was op zoek naar een techniek om meer zelfvertrouwen te kweken en had het advies gekregen positieve bijbelteksten te memoriseren ... Maar toch was er meer: "Finally I came to the issue of consciousness, or more precisely self-consciousness.  Like an explorer ten miles in an narrow, dark cavern, the thought of self-consciousness was like a huge room full of light and amazing rock formations ... I'm here . . . inside this body. I would pinch myself hard and I knew that I felt it. While it was reasonable that every human on earth could be a protein and calcium based robot . . . I knew that I was not. It had a self-awareness that exceeds the possibly of complex circuitry ... you then know that an impersonal universe cannot give rise to the personal no matter if you had a billion to the billionth power of years to evolve."

vrijdag 23 maart 2012

Links: Titanic, Blood and Chrome, de hemel als tuin en kerkverlating

Volgende maand is het een eeuw geleden dat de Titanic zonk. Op deze prachtige hoge resolutie-afbeeldingen is het wrak in zijn volle (vergane) glorie te bewonderen.

Ik ben nogal fan van de TV-serie Battlestar Galactica. Het vierde seizoen heb ik bijna helemaal afgekeken. Hoewel het ondertussen wel duidelijk begint te worden hoe de geschiedenis van dit universum in elkaar steekt, wordt er toch een serie over gemaakt: Blood and Chrome. Ik ben wat cynisch over de verhaaltechnische mogelijkheden (welke verrassingen zijn er mogelijk?), maar ik moet toegeven: de trailer ziet er gaaf uit!

Er komt een nieuwe verfilming van klassieker 1984 - waarvan de boodschap de laatste jaren niet minder actueel is geworden.

Goed nieuws voor fantasyliefhebbers (zoals schrijver dezes): het kijken van fantasyfilms (en het lezen van fantasyboeken) zoals de Harry Potter-boeken stompt kinderen niet af, maar stimuleert juist hun creativiteit en verbeelding. Dit is nu wetenschappelijk aangetoond! Zoals een van de onderzoekers zegt: "Magical thinking enables children to create fantastic imaginary worlds, and in this way enhances children’s capacity to view the world and act upon it from multiple perspectives. The results suggested that books and videos about magic might serve to expand children’s imagination and help them to think more creatively."

De atheist in deze video heeft het goed begrepen: 'Non-violence was kind of Jesus his trademark." (Daarom dat ik ook geloof dat zwakheid de kern is van het Grote Verhaal).

Wim de Bruin vergelijkt het komende koninkrijk met een tuin - "Ik stel me zo voor dat het Nieuwe Jeruzalem een plek is waar tuinman de hoogste plek is die je op de maatschappelijke ladder kunt bereiken. Met je vingers in de grond, bezig met al met moois dat in de Schepping opgesloten ligt. Zonder je handen open te halen aan dorens en distels." Dit heeft grote gevolgen voor het leven nu: "Hoe meer ik uitzie naar de tuinstad waar onze tuin bevloeid wordt door het levende water dat onder de troon van God vandaan komt, met een levenskracht die zelfs van de dode zee een visrijk water weet te maken (Ezech. 47), hoe meer ik moeite krijg met activiteiten die de zee van nu visarm maken, plastic soep in de oceaan, uitgeputte gronden in de tropen voor ons veevoer, overbemeste gronden in Nederland... Er is geen betere motivatie om verantwoord te produceren en consumeren dan het uitzien naar de toekomst van God." Amen!

Rachel Held Evans somt eerlijk vijftien redenen op waarom ze uit de kerk is weggegaan. Niet helemaal dezelfde als de mijne, maar toch herkenbaar. Ze heeft ook vijftien redenen waarom ze weer naar de kerk (wellicht in een andere vorm) wil terugkeren. Vooral de laatste spreekt me aan.

Voormalig Amerikaans president Carter heeft interessante gedachten over de bijbel, waar ik me voor een groot deel in kan vinden. Zijn conclusie? Het gaat niet om het volgen van een dogma, maar om het doen wat Jezus deed: je identificeren met de zwakke en verbrokene. "The example that I set in my private life is to emulate what Christ did as he faced people who were despised like the lepers or the Samaritans. He reached out to them, he reached out to poor people, he reached out to people that were not Jews and treated them equally. The more despised and the more in need they were, the more he emphasized that we should go to and share with them our talent our ability, our wealth, our influence. Those are the things that guide my life and when I find a verse in the Bible that contradicts those things that I just described to you, I put into practice the things that I derive from my faith in Christ."

dinsdag 20 maart 2012

Links: Dr. Horrible, trailers, aangeboren geloof, Jezus als directeur en kerk als organisatie

Woohoo, een vervolg op Dr. Horrible's Sing Along Blog!

Een nieuwe trailer voor Snow White and the Huntsman, waarin het sprookje een deel van zijn duistere lading terugkrijgt. Deze trailer voor Prometheus is ook wel heel spannend. Een beetje eng, maar ik denk dat ik hem toch maar ga kijken - dat ik erna niet kan slapen neem ik maar voor lief.

Dit filmpje speelt zich af in een omgeving waar ik vroeger veel over fantaseerde (en die als locatie diende in meerdere van mijn verhalen): een door de natuur overwoekerde stad. Prachtig in beeld gebracht.

Interessante gedachten op wetenschapswebsite New Scientist: "Children are born primed to see god at work all around them and don't need to be indoctrinated to believe in him ... Religion is deeply etched in human nature and cannot be dismissed as a product of ignorance, indoctrination or stupidity. Until secularists recognise that, they are fighting a losing battle."

John Shore wordt gevraagd waarom hij gelooft. Hij antwoordt dat het geloof in Jezus voor hem 'werkt'. Hij suggereert dat geloof context geeft: het is een verhaal dat betekenis geeft aan onze omgeving en onszelf. En als mensen kunnen we niet anders dan onszelf deze verhalen vertellen. "To be alive is to actively and constantly choose a belief system; no one, no matter how “free” they may think their mind is, exists outside of such a system. The human mind must, and will, establish patterns—which is to say contexts—for virtually everything of which it can conceive. The Muslim’s belief system/life context is Islam. For Jews, it’s Judaism; for Buddhists, Buddhism; for atheists, it’s nothing beyond that for which there is empirical evidence, and so on. By the very nature of our design we all filter the world, and our experience within it, through a belief system founded upon what we believe to be true, right, and good." De zoektocht is naar het beste verhaal, en dat is het verhaal dat het meest lijkt op het Verhaal dat deze werkelijkheid IS.

Op Internetmonk een hilarisch satirisch artikel dat beschrijft hoe de relatie tussen Jezus en zijn discipelen zou zijn geweest als hij had geleken op de kerkleiders van tegenwoordig. Het hele stuk is de moeite waard, hier is een citaat: "Jesus ended this first staff meeting with a prayer. “Father, help us change the world. There are people out there who are hurting, wounded and in need of you. Guide our ministry so we can impact the world with your good news. I pray that people come to our service this week. That you’d be preparing their hearts, even now, to come to our new building. I pray that they would become tithing disciples who give to us so we can fulfill the ministry you have given to us. May you expand our territory so we can impact this evil culture for you.” Ouch ...

Een interview van Skye Jethani met Jim Gilmore. De laatste schreef een boek over manieren om bedrijven te laten groeien - maar merkte dat deze methode ook door kerken wordt toegepast. Maar kerken zijn geen bedrijven! "The church is to stand apart from the marketplace. The church is not a business; she should sell no economic offerings. In an age when more and more of life is being commodified — we are going beyond just the buying and selling of goods and services and now charging for life experiences and personal transformations — the church needs to refrain from participating in this activity. Just because experiences and transformations “sounds like what we do,” as one pastor once told me, that is not a reason to abandon the very limited role for the organized church as prescribed in scripture. The church should not number itself among other worldly enterprises, performing roles properly assigned to other institutions. Instead, the church should be the place where individuals are equipped for when they go forth in their daily pursuits." Hij raadt mensen bovendien aan Kingdom, Grace, Judgement van Robert Farrar Capon te lezen - wat ik ook van harte kan aanbevelen. Het commentaar van Luther op Galaten, dat hij ook aanbeveelt, ligt al bij mij in de kast op lezing te wachten.

Richard Beck op Experimental Theology pleit voor een herwaardering van het boek Prediker - een bijbelboek dat vaak wordt neergezet als neerslachtig, of somber, en waar de uitleg aan wordt gegeven als zou het een beschrijving zijn van het leven van een ongelovige, of iemand zonder God. Ik besefte echter na mijn eigen overspannenheid dat Prediker nu juist het leven beschrijft van een gelovige, die inziet dat al zijn menselijke inspanningen om betekenis te vinden zinloos zijn en dat hij vrij is om te genieten van het leven dat hij leidt en goed te doen. "I'd like to suggest that Ecclesiastes is a great treatise on exorcism. Perhaps the most powerful exorcist text in the bible. Many think Ecclesiastes is depressing. Only if you're demon possessed! For the great task of Ecclesiastes is to expose the dynamic at work behind service to the powers, the pursuit of meaning and self-esteem through the cultural hero system. Who is Oz, the force behind the curtain pulling the levers of achievement, reputation, significance, and self-esteem? What Ecclesiastes shows us, in pulling back the curtain, is that death is the force in the background driving the show."  Uiteindelijk beschrijft Prediker een positief beeld van het leven waaruit deze machten zijn uitgedreven. "The vision of the person who as stepped away from idolatry, who has been exorcised of the spirituality of the principalities and powers. Non-anxious. Peaceful, internally and externally. Relaxed in the face of death. Not lured into crazy self-esteem projects. And thus non-rivalrous and non-violent. Joyful for the day and simple graces. Doing good work. Not too righteous, holding religion at a distance. But not undisciplined and foolish. A good friend. A good family member. Spending the day doing good. Basically, following the example of the Great Exorcist himself."

vrijdag 16 maart 2012

Links: Interessante manen, nieuwe mensen, grote ogen, afwassen, beloning werkt averechts

Een kaart van de VS in de stijl van de kaarten uit The Lord of the Rings.

De manen in ons zonnestelsel zijn heel interessant!

Interessante informatie over zoogdieren die in de tijd van de dinosaurussen heel succesvol waren - dit kwam door hun speciale tanden!

Over uitgestorven dieren gesproken: dit is misschien wel het meest gewelddadige fossiel dat ooit gevonden is: een vis stierf bij het eten van een vliegend reptiel, dat juist een vis had gegeten ... En wat te denken van een nieuwe fossiele mensensoort, die tot waarschijnlijk 11000 jaar geleden leefde in China, tegelijk met de moderne mens?

En de reuzenpijlinktvissen hebben de grootste ogen van het (tegenwoordige) dierenrijk - die zijn ge-evolueerd om te kunnen ontsnappen aan potvissen!

Een nieuwe stripboekverfilming, nu van Y: The Last Man - over een toekomst waarbij door een mysterieuze ziekte alle mannen (zowel van mensen als dieren) sterven, op één na.

Richard Beck van Experimental Theology wilde zich gaan houden aan een kloosterritme, maar dat had onvermoedde consequenties: "I eventually dropped my pursuit of a structured prayer time. I'm now using that time to do the dishes. Not that I've given up on prayer, it just remains an irregular practice. For God has called me, through the grace and power of the Holy Spirit, to do the dishes rather than to prayer."

Op Mockingbird wordt een interessant experiment beschreven dat aantoont dat het niet de mooiste carriere is om betaald te worden voor wat je graag doet. Want als je dat wat je eerst voor het plezier deed gaat doen om beloond te worden, verlies je het plezier dat je erin had. Dit blijkt uit een experiment gedaan bij kinderen. Er werd gekeken welke kinderen graag tekenden of kleurden. Die werden vervolgens in groepen verdeeld. De ene groep kreeg van te voren te horen dat ze beloond zouden worden voor hun tekeningen, de tweede groep werd achteraf beloond maar kreeg dat niet van te voren te horen, en de derde groep werd niet beloond. De laatste twee groepen tekenden even vaak en even enthousiast, maar de kinderen uit de eerste groep tekenden minder en waren er ook minder in geinteresseerd. De motivatie van buitenaf (straf/beloning) blijkt dus het averechtse effect te hebben (precies wat ik vaker heb betoogd op mijn blog). "You are driven at the fundamental level in most everything you choose to do by either intrinsic or extrinsic goals ...Extrinsic rewards can steal your narrative …if you are offered a reward to do something you love and then agree, you will later question whether you continue to do it for love or for the reward." Dit heeft ook religieuze consequenties, want het laat zien dat Paulus gelijk had toen hij betoogde dat de wet die straf en beloning uitdeelde, tot de dood leidde: "When works become a matter of righteousness, (and they almost always do), the works themselves suffer, as do the people doing them." De blog waar dit experiment op werd beschreven, met de interessante titel 'You are not so smart' is interessant om te lezen. Bijvoorbeeld dit stuk dat laat zien hoe we ons onbewust aan een groep conformeren en andere groepen automatisch gaan zien als de vijand. Of dit stuk dat laat zien dat of we seksueel door iemand worden aangetrokken, afhangt van de activiteiten die we samen doen. De opwinding van een spannende situatie blijkt tot aantrekking te leiden. Wij worden niet door onze ratio gedreven, in plaats daarvan verzinnen we verhalen om ons gedrag achteraf te motiveren. "Self-perception theory says you observe your own behavior and then, after the fact, make up a story to explain it. That story is sometimes close to the truth, and sometimes it is just something nice that makes you feel better about being a person." Het evangelie van Jezus is niet een nieuw verhaal dat we onszelf moeten vertellen om ons te motiveren. Het evangelie roept ons op onze zelf-rechtvaardigende verhalen waarmee we onszelf betekenis geven op te geven, los te laten. In plaats van verhalen over onszelf te vertellen (onze groep is goed, de ander is fout - om een voorbeeld te noemen), worden we uitgenodigd om God een verhaal over ons te vertellen. En dat verhaal is er niet een van straf en beloning, maar een aankondiging dat we al alle waarde en betekenis hebben die we zouden kunnen wensen, omdat Hij van ons houdt, zonder dat we er iets voor hoeven doen of zijn. In dat opzicht mogen we worden als kinderen en alleen zo kunnen we Gods koninkrijk ontvangen.

Wat Richard Beck schrijft op Experimental Theology sluit hier op aan, maar dan heeft hij het niet over de verhalen die we onszelf vertellen als persoon om onze daden betekenis te geven, maar de verhalen die we onszelf vertellen als cultuur: "The cultural god--Christian, Muslim, Buddhist, Jewish, etc.--tends to support and affirm the values of the culture imbuing the cultural values with eternity. But in truth the cultural worldview is really driving the show. "God" is just the metaphysical rubber stamp. At root, our "way of life" is the real god. Power in its various manifestations is our true god, our true religion. This is why political discourse is so heated. There's a reason why many people think President Obama is the literal Anti-Christ. Politics--the grasping at power--is our religion." Het religieuze verhaal wordt gebruikt om de culture gewoonte goed te praten. Dit artikel is wat ingewikkeld, maar de moeite waard. Het verheldert volgens mij tendenzen die ik bij mezelf waarneem. "Most Christians are pursuing self-esteem and meaning in exactly the same way as everyone else within the culture. Which is to say, so what if Christians think there is a God out there taking care of them now and after death? What really matters, spiritually speaking, is how American Christians just look like Americans in how they live." En zijn conclusie: "If we hold to a view of God that is idolatrous then that view of God has to die if we are to love others. But the deeper trick is in renouncing the way the death-denying culture insists that I construct my identity and self-esteem." We moeten afstand doen van de verhalen (persoonlijk of cultureel) waar we onze eigenwaarde aan ontlenen en God zijn verhaal over ons laten vertellen.

De worsteling met de culturele verhalen geldt niet alleen voor gelovigen, maar voor alle mensen. The Christian Monist gaat door met zijn eerlijke verdediging van zijn geloof, waarbij hij zijn vooringenomenheid toegeeft. Volgens hem houden ook atheisten zichzelf voor de gek doordat ze het universum betekenis toekennen die het zonder God eigenlijk niet kan hebben. "We, as humans, intrinsically scream of a longing for meaning. For us to be the product of a meaningless universe is an inconsistency. Francis Schaeffer described it as an evolutionary (speaking of the evolution of the human brain to the point of desiring meaning) failure. It would be like a fish in a water world, where there are no free gases, evolving lungs. It would totally inconsistent with their universe. So, if we humans, by chance, evolved the sense of wanting meaning, but living in a universe where there are none . . . well, there would be no greater hellish nightmare."

zaterdag 29 oktober 2011

Terug naar de basis (8): de overwinning van de 'underdog'

Ik las op de middelbare school ooit Het Transgalactisch Liftershandboek van de Engelse auteur Douglas Adams. Je bent geen science fiction liefhebber of anderszins ‘geeky’ aangelegde boekenwurm, als je dit boek en zijn vervolgen niet minstens een keer van voor naar achteren hebt verslonden. Er staat immers in grote letters: ‘Geen paniek’ op de voorkant. Als dat niet uitnodigt tot lezen ... Het is bovendien tot de nok gevuld met heerlijke, absurde humor, die niet alleen de conventies van het Science Fiction genre op de hak neemt, maar ook ons Westerse leven heerlijk parodieert. Als je om jezelf wilt lachen, is dit boek een goed beginpunt. De voornaamste kracht van het boek is namelijk in mijn ogen, dat het laat zien wat voor bizarre wezens mensen zijn - ze denken dat ze speciaal of bijzonder zijn, maar ze leven in een universum dat -op zijn best zinloos is, op zijn slechtst totaal onbegrijpelijk. De hoogmoed van de mens in het zicht van de uitgestrektheid van de oneindige ruimte van de mens wordt pijnlijk scherp inzichtelijk gemaakt, al direct in de eerste alinea’s: “Far out in the uncharted backwaters of the unfashionable end of the Western Spiral Arm of the Galaxy lies a small unregarded yellow sun. Orbiting this at a distance of roughly ninety-two million miles is an utterly insignificant little blue-green planet whose ape-descended life forms are so amazingly primitive that they still think digital watches are a pretty neat idea.
De auteur was een overtuigd atheist, en trok zijn standpunt in het boek tot de uiterste consequenties door. Als je alleen maar uitgaat van het bestaan van de materie, van elektronen, neutronen en protonen, blijkt het leven uiteindelijk zinloos te zijn. Als je gedachten niet ‘geestelijk’ zijn, maar het gevolg van materiele processen in je hersenen, dan kun je uiteindelijk van niets meer zeker zijn. Je kunt niet zeker zijn dat wat je denkt betrekking heeft op de werkelijkheid. In het boek wordt een computer gevraagd naar het antwoord op ‘Het leven, het heelal en de rest’. Na acht miljoen jaar komen de volksvertegenwoordigers het antwoord aan de computer vragen. De computer houdt de boot af. “Jullie willen het niet weten,” houdt hij vol, “Jullie willen het echt niet weten…” Maar uiteindelijk laat het apparaat zich overhalen. Het antwoord op het leven, het heelal en de rest blijkt te zijn: “Tweeënveertig.” Maar wat de vraag is waar dit het antwoord op is kan de computer niet vertellen. De avonturen van de hoofdpersonen lopen op niets uit. Heldendom brengt niets tot stand. Echte, opofferende liefde is niet mogelijk. Schoonheid is betekenisloos en verdwijnt zonder iets achter te laten.
Er komt in het boek een robot voor, Marvin, die voortdurend depressief is. De suggestie is dat hij degene is die de natuur van het universum werkelijk doorziet. Aan het eind van het boek praat de robot met de computer van een ruimteschip. “I explained my view of the Universe to it”, zegt hij. Een ander karakter vraagt wat er toen gebeurde. Marvin’s antwoord: “It committed suicide.” Het Transgalactisch Liftershandboek doet me denken aan de woorden van Paulus in 1 Korintiers 15:32: “Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we’.”

Vorige week keek ik nog een keer de verfilming die in 2005 van dit boek is gemaakt: The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy. Het is geen goede film, hoewel er onderhoudende stukjes in zitten. En de mooie, aansprekende momenten in de film zijn juist gebeurtenissen die niet in het boek voorkomen. Die zelfs niet in overeenstemming zijn met de sfeer van het boek. In de film wordt de Aarde bijvoorbeeld vernietigd, net als in het boek, maar later in een prachtige scene hersteld. De natuur wordt weer tot leven gebracht. Deze beelden waren werkelijk mooi, ze bevestigden de waarde die de schepping heeft, terwijl het boek deze juist relativeerde. In de film ontdekt de hoofdpersoon dat hij helemaal niet geeft om de vraag van het leven, het heelal en de rest, maar dat er voor hem in het oog van de dood maar een vraag telt: “Is zij de ware? En het antwoord is: Ja! Helemaal ja!” In het boek is van zo’n romantisch sentiment geen sprake. De hoofdpersoon doorloopt in de film een traditionele heldenreis - waarin hij zijn zwakheden overwint en uiteindelijk verandert in een doorgewinterde ‘lifter’. Terwijl in het boek hij niet werkelijk verandert en in het laatste deel ten slotte met de Aarde ten onder gaat.
Wat mij aansprak in de film waren glimpen van het Grote Verhaal, momenten waarop echte betekenis, echte liefde, echte schoonheid zichtbaar werden, en niet alleen maar absurde humor over de zinloosheid van het leven. Als het een goede verfilming was geweest, waren deze echte liefde, echte schoonheid, en echte avontuurlijkheid wel achterwege gelaten. Een goede regisseur had recht gedaan aan de visie van de auteur en een compromisloos atheïstisch meesterwerk afgeleverd. Maar een slechte regisseur luistert vooral naar de producers. De film moet immers geld opleveren en dus moet hij voldoen aan wat het publiek verwacht. Hij moet aanknopingspunten bevatten, momenten waarin de kijkers zich herkennen, en een einde dat ze met een goed gevoel achterlaat. Een slechte regisseur maakt een populistisch werk.
Ik moest denken aan wat ik las in het boek Heretics van mijn favoriete auteur Chesterton: “Good literature may tell us the mind of one man; but bad literature may tell us the mind of many men. A good novel tells us the truth about its hero; but a bad novel tells us the truth about its author ... it tells us the truth about its readers ... men’s basic assumptions and everlasting energies are to be found in penny dreadfuls and halfpenny novelettes ... from bad literature a man might learn to govern empires and look over the map of mankind.” In de lectuur, niet in de literatuur, wordt zichtbaar wat het gros van de mensheid bezighoudt, de grootste gemene deler, zeg maar. Het Verhaal van de Werkelijkheid steekt zijn kop op, juist daar waar mensen niet proberen een goed verhaal te vertellen. Daar waar het niet gaat om het ego van de verteller, maar om de lezer, de kijker. De vormen van het menselijke hart worden in de pulpfictie openbaar, dat wil zeggen: het beeld van de Schepper naar wiens beeld wij geschapen zijn.
Ik denk dat dit vanaf het begin van de tijd een kenmerk is geweest van de mythologie: de eerste verhalenvertellers vertelden niet wat ze zelf wilden vertellen, maar wat hun publiek wilde horen. De eerste mythes waren geen kunst met een grote K, geen individuele meesterwerken die maar een keer gemaakt konden worden, die nooit meer konden worden herhaald. Het waren verhalen die waren gevormd doordat ze duizenden malen werden verteld. Ze waren geschaafd door elke lach van een toehoorder, elke biggelende traan, elke zucht van opluchting bij het einde ervan. Ze berustten ook niet op de manipulatie van de vertelmanier. Elke opsmuk was ervan afgesleten, doordat de verhalen niet alleen duizenden malen aan een verschillend publiek werden verteld, maar bovendien door duizenden verschillende vertellers. Het ging dus niet om de vorm, maar om de inhoud van wat er verteld. Hoe minder het ego van de schrijver of van het publiek het verhaal vormt, hoe meer het gaat om wat ons mensen maakt. En hoe meer het gaat lijken op het Grote Verhaal. Ik geloof dat dit is waarom in de populaire films en boeken zo veel overeenkomsten zijn te vinden met het evangelie. George MacDonald, een leermeester van C.S. Lewis, Tolkien en ook Chesterton, zei het zo: ‘Terwijl Gods werk niet meer kan betekenen dan Hij bedoelde, moet dat van de mens wel meer betekenen dan hij bedoelde. Een mens kan heel goed zelf een waarheid ontdekken in wat hij schreef, want hij had te maken met zaken die voortkwamen uit gedachten hoger dan de zijne.’

Een van de glimpen van het Grote Verhaal die we opvangen in de volksverhalen is het thema van de zwakte, wat het hoofdelement is in het Verhaal van Gods Koninkrijk. Chesterton legt het uit: ‘The strong old literature is all in praise of the weak ... When men were tough and raw, when they lived amid hard knocks and hard laws, when they knew what fighting really was, they had only two kinds of songs. The first was a rejoicing that the weak had conquered the strong, the second a lamentation that the strong had, for once in a way, conquered the weak ... in the coarsest ballads of the greenwood men are admired most when they defy, not only the king, but what is more to the point, the hero” (Heretics). De sympathie van de oude volksverhalen ligt bij de underdog. Het is de jongste zoon, de zwakke, de nietswaardige, die uiteindelijk de schat krijgt en de prinses trouwt. En de underdog is de met zichzelf ingenomen sterke niet de baas door hem in een gevecht te verslaan, niet door hem met zijn eigen middelen (wapens, macht) het onderspit te laten delven. Hij wint door de ander te slim af te zijn, door zijn eigen kracht en wapens tegen hem te keren, door hem in zijn eigen kuil te laten vallen.
Dit is het uitgangspunt van talloze sprookjes en vertellingen. En van moderne films en verhalen. In fantasyverhalen is het altijd de varkenshoeder, de stalknecht, de jongen in de kast onder de trap of de hobbit die uiteindelijk de afloop van de strijd bepaalt. In films is het de blonde jongen op een achterafplaneet met twee zonnen, de voortdurend dronken piratenkapitein, de arme tekenaar die een plaatsje op Titanic heeft bemachtigd, de verlamde soldaat die zijn broer vervangt op Pandora, of de leeuwenwelp die buiten het koninkrijk opgroeit, die uiteindelijk de slechterik verslaat en het recht herstelt. Ook in de film The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy is het uiteindelijk de sullige Arthur die het verloop van het verhaal bepaalt, en uiteindelijk zorgt dat de Aarde hersteld wordt.

En de overwinning van de zwakke, de verhoging van de onaanzienlijke, de uiteindelijke rechtvaardiging van de nederige, is de rode draad die door de hele bijbel heen loopt. Je ziet het thema terug in de wetgeving van het volk Israel, waar het volk van God werd voorgehouden extra zorg te besteden aan de vreemdeling, de wees en de weduwe. Slaven moesten goed worden behandeld. Op jubeljaren moesten ze zelfs vrij worden gelaten. Mensen die een dodelijk ongeluk hadden veroorzaakt moesten een vrijplaats hebben. Wie zichzelf niet kon verdedigen, moest worden verdedigd. En de profeten wijzen er keer op keer op dat de grote fout van Israel is, dat ze wel hun religieuze plichten vervullen, maar niet opkomen voor de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. “Is dit niet het vasten dat ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden en ieder juk breken?” vraagt God. “Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen?” (Jesaja 58:6,7). God staat aan de kant van de nederigen. “In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven” (57:15).
Niet alleen moesten Gods mensen omzien naar de nederigen, ze moesten zelf ook een nederige houding betrachten: “Er is jou mens, gezegd, wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God” (Micha 9:8). Zolang de Israelieten op hun eigen kracht en hun wapenen vertrouwden ging het ze slecht. Maar als ze in de put raken, als hun pogingen om hun eigen geluk te creëren mislukten, als ze zwak en teleurgesteld waren, gaf God hen de belofte: “Ik genees hen van hun ontrouw, mijn hart gaat naar hen uit. Mijn toorn heb ik laten varen. Ik zal voor Israel zijn als de dauw. Het zal bloeien als een lelie, wortelen als een ceder op de Libanon ... dan zegt Efraim: ‘Wat heb ik nog met afgoden te maken? Ik wil zijn liefde beantwoorden, mijn oog op hem richten. Dan ben ik als een cipres, altijd groen. Het zijn uw vruchten die ik draag’.” (Hosea 14:5-9).
De wetgevers en de profeten zijn op dit punt eensgezind. Ze kunnen ook niet iets anders prediken, want dit is het Verhaal van Israel zelf. Het verhaal van Israel is het ultieme ‘underdog’-verhaal. Op alle momenten. Het begint bij Abraham, die een zwervend bestaan leidt in een andere cultuur, geen kinderen heeft, en zelf een loser is die bereid is zelfs zijn vrouw te verloochenen om zijn leven te behouden. Jakob is de jongste van twee zoons, die bereid is verraad te plegen om zichzelf te verhogen (tot meerdere keren toe). Jozef wordt door zijn (oudere!) broers naar Egypte verkocht, en komt uiteindelijk terecht in de gevangenis. Jakob en zijn zonen vertrekken naar Egypte, waar ze een minderheid zijn, en waar ze al snel onderdrukt worden en als slaven worden ingezet. Mozes vluchtte voor de Farao, werkte veertig jaar als herder, en wilde als stotteraar niet terug om het volk te bevrijden. Bij die bevrijding speelde de militaire macht van Israel geen enkele rol - de Israelieten zelf waren vooral bang toen het leger van Farao achter hen aankwam. Het is allerminst een succesverhaal. Mozes zegt het zo: “Het is niet omdat u talrijker was dan de andere volken dat hij u lief kreeg en uitkoos - u was het kleinste van allemaal!” (Deuteronomium 7:7). Om uiteindelijk te ontsnappen moeten ze door het water heen - in de bijbel een teken van de dood. Om te leven moesten de Israelieten tot het diepste punt afdalen dat mogelijk is. Ze moesten zichzelf identificeren met het watergraf. Het moest volledig duidelijk zijn dat ze zichzelf niet konden redden. Ze moesten sterven.
Maar God wekte hen tot leven. God bracht hen aan de andere kant van de rode zee weer uit het water omhoog. Hij gaf hen water en voedsel. “Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze - zoals u met eigen ogen de Heer uw God, in Egypte hebt zien doen?” (Deuteronomium 4:34). Alle zegeningen die het volk kreeg waren afkomstig van God. God was het die hen het land liet innemen. God zal het ook zijn die het volk Israel uiteindelijk herstelt, en in vrede laat leven. Het is allemaal zijn inspanning, niet die van het volk. ‘Daarom heeft hij u opgedragen de sabbat te houden’, zegt Mozes (Deuteronomium 5:15).
De belangrijkste feestdag voor de Israelieten was niet een dag waarop ze van alles voor God moesten doen, waarop ze allerlei rituelen moesten houden of hard moesten werken, het was een dag waarop ze moesten rusten. Een dag waarop ze zich een keer niet moesten inspannen, waarop ze een keer niet moesten rennen en draven. Ze eerden God door zichzelf eraan te herinneren dat hun zegen, hun geluk, niet van hun eigen harde werken afkomstig was, maar van God. Hun identiteit was niet in hun religieuze inspanning, maar in hun ontspanning. In het besef dat het niet van hen afhing, maar van God, hun bevrijder. Op de Sabbat vierden ze dat niet de sterke overwint, maar de zwakke.

Op deze manier komt in zowel de mythes van de mensheid, als in de daadwerkelijke opgeschreven geschiedenis het Grote Verhaal tot expressie, het koninkrijk van God. Deze gebeurtenissen zijn geen ingrijpen van God van bovenaf, als een vissenliefhebber die opeens zijn hand in een vissenkom steekt. Het is niet een verhaal dat vreemd is aan onze wereld. Wat zichtbaar wordt is het Verhaal van de Werkelijkheid zelf, het Verhaal dat God vertelt. Het is wat altijd al waar is in het hele universum. Het Koninkrijk van God is al realiteit.
Robert Farrar Capon beschrijft dit op onnavolgbare wijze in zijn boek Kingdom, Grace, Judgement. “Let me posit God not as a divine tailor in heaven sending down an interventionist needle from time to time but as a divine iceberg present under all of time. On that analogy, one tenth of his presence to history will be visible above the surface of its waters, and nine tenths will be invisible below the surface, but his presence out of sight will be just as much a part of history as his presence in broad daylight. The divine acts in history are not just occasional interventions of a reality that wasn’t present before; they are precisely acted parables - sacraments, if you will, real presences - of a reality that was there all along ... Better yet, the WHOLE of the mystery that underlies creation is present every time one of those sacramental outcroppings of the mystery occurs. It is not, for example, that the mystery of the Creation occurs only at the beginning, to be superseded later on by the mystery of the Passover and then by the mystery of the Cross, the mystery of the Resurrection, and the mystery of the Judgement at the End. It is that those several manifestations are outcroppings of a single, age-long mystery of Creation-Call-Passover-Redemption-Resurrection-Judgment that is fully present in every one fo the. Just as each upthrusting of the iceberg is one and the same iceberg in a visible aspect, so each upthrusting of the mystery is a visible aspect of one and the same mystery.”
De geschiedenis van het volk Israel, de roeping van Abraham, de uittocht uit Egypte, de strijd van David, het zijn allemaal uitingen van hetzelfde Grote Verhaal, en de waarheid van het hele verhaal is in al die gebeurtenissen aanwezig. Er is echter maar een gebeurtenis waarbij het Verhaal van de Werkelijkheid volledig zichtbaar werd, waarin het Woord vlees werd. Dat is het leven van Jezus, de Echte Mythe.

maandag 17 oktober 2011

Boekbespreking: Patience with God (1): weg van de valse zekerheid

Vorige week was ik toevallig in de Slegte in Utrecht. Het zal waarschijnlijk geen van mijn reguliere lezers verrassen als ik zeg dat ik graag in die winkel kom. Ik kan er uren doorbrengen, bladerend en lezend. Ik verzamel eerst een arm vol boeken, bedenk dan dat ik toch geen tijd heb om ze allemaal te lezen, en zet ze dan weer terug, tot ik er een of twee over heb. Dit keer sloeg ik mijn slag bij de afdeling met theologische boeken. Een commentaar op Galaten van Maarten Luther en een boek van Frank Schaeffer.
‘Wie?’, denken de meesten van jullie nu. (Of: 'Spelt hij zijn naam wel goed?') Frank Schaeffer is niet heel erg bekend (in christelijk Nederland helemaal niet). Hij heeft enkele romans geschreven en een autobiografie, maar die ben ik nooit in de boekwinkel tegengekomen. Dat is anders voor zijn vader. Zijn vader is namelijk de in christelijke kringen behoorlijk bekende Francis Schaeffer. Hij is de oprichter van L’Abri, een internationale organisatie met leefgemeenschappen waar (vooral jonge) mensen vraagstukken over het leven en het geloof kunnen bestuderen. Hij hield zich later in zijn leven in de Verenigde Staten bezig met politiek, en was een van de grondleggers van ‘christelijk rechts’, vooral omdat hij vragen rond abortus en euthanasie aansneed. Verder heeft hij boeken geschreven waarin hij het christelijk geloof verdedigde. Hij analyseerde de Westerse cultuur, op basis van zowel recente filosofen als moderne kunstenaars en zette daar tegenover het wereldbeeld van de bijbel. In de periode voor mijn overspannenheid verslond ik zijn boeken. Ik noemde Schaeffer in een adem met C.S. Lewis: beiden gaven intellectuele argumenten om vast te houden aan de waarheid van het christelijke geloof. Tot de boeken van Schaeffer behoren titels als: Hij is er en Hij spreekt, De God die Leeft, Leven door de Geest, Hoe zouden wij dan Leven et cetera ... Er staat er nog steeds een rijtje van bij mij in de kast, en ik haal ze ook nog af en toe met instemming aan in boeken en artikelen.

Jarenlang woonden Francis Schaeffer en zijn vrouw en kinderen in Zwitserland, bij een boerendorpje in de buurt. Ze stichtten er de eerste L’Abri-gemeenschap en probeerden tegelijk de mensen uit de omgeving te bekeren. Hun kinderen werden meegesleept door het religieuze enthousiasme, zo ook Frank. Hij leerde al jong om zelf ook te evangeliseren, om bijbelteksten aan te halen, om met mensen te bidden. Het was de bedoeling dat hij het werk van zijn vader zou voortzetten en in dat kader maakte hij filmopnames, stelde hij schilderijen ten toon en verscheen hij op televisie. Zo vader, zo zoon.
Maar er ging iets mis  wat betreft zijn beoogde carrière. Frank voelde zich namelijk steeds ongemakkelijker bij zijn rol. Hij realiseerde zich dat het dat ook was: een rol. Hij wist precies wat hij moest doen en zeggen om als ‘christelijk’ over te komen, maar hij was voor zijn gevoel niet ‘echt’. En hij realiseerde zich dat veel van wat hij deed en zei als christelijk leider in de schijnwerpers gebaseerd was op het beschermen van het eigen gelijk, en het afwijzen en veroordelen van andersdenkenden. Hij zegde de Evangelisch christelijke wereld vaarwel. In plaats daarvan begon hij romans te schrijven (waarin hij zijn ervaringen als kind van een bekend prediker meenam). Hij verliet de kerk waar hij in opgegroeid was. Maar hoewel hij zijn zekerheid had verloren, was hij het geloof niet kwijtgeraakt. Frank vond een geestelijk thuis bij de Grieks Orthodoxe kerk.
Toen hij zijn autobiografie schreef - Crazy for God - waarin hij onder andere de minder plezierige kanten van zijn ouders en de eerste L’Abri-gemeenschap belichtte, kreeg hij kritiek van twee kanten. Van de fundamentalistische gelovigen uit de Evangelische wereld, die hem ervan beschuldigden God te hebben verraden en zijn erfgoed te hebben verkwanseld, en van de zogenoemde ‘Nieuwe Atheisten’, die niet begrepen waarom hij niet een stap verder ging en totaal afscheid nam van het geloof. Dit was voor hem reden om een nieuw boek te schrijven: Patience with God. Hij zegt zelf in het voorwoord: “This is a book for those of us who have faith in God in the same way we might have the flu, less a choice than a state of being. In spite of doubt, in spite of feeling wounded by past religious contagion, in spite of our declared agnosticism or even atheism, in spite of the sorts of idiots like me, who are attracted to or, more accurately, bred to religion and run around defending and/or criticizing it.

Zoals gezegd kwam ik dit boek tegen bij de Slegte. Omdat ik de naam van Schaeffer herkende en op internet had gelezen hoe hij zich had afgezet tegen het geloof van zijn ouders, pakte ik het uit de kast. Toen ik op de achterflap las dat Schaeffer moe was van waarheidsclaims die rieken naar valse zekerheid, raakte ik nog sterker gefascineerd. Vooral over het alternatief dat hij voorstelde, dat overeenkomt met de manier waarop het leven geleefd wordt, wat niet het geval is bij de manier waarop er in fundamentalistische evangelische kring over geloof wordt gepraat. Hij noemt het de kerk van ‘Hoopvolle Onzekerheid’.
Ik herken namelijk veel van mijn eigen geloofsreis in die van Frank Schaeffer. Net als hij groeide ik op in een behoorlijke strenge, evangelische gemeenschap. En net als hij nam ik wat ik daar leerde serieus. Ik wilde een ‘sprekende broeder’ worden (zoals we ‘voorgangers’ noemden in de Vergadering van Gelovigen), een soort van Willem Ouweneel, en daarom deed ik erg veel bijbelstudie, leerde ik bijbelteksten uit het hoofd, bad ik elke dag, en probeerde ik te evangeliseren.
Maar al die activiteit, het harde werken, in combinatie met een verkeerde studiekeuze, leidde ertoe dat ik overspannen werd. Het kaartenhuis stortte in. Mijn zekerheid was verdwenen. Ik ben nog een tijd wel naar een evangelische kerk gegaan, maar heb me altijd ongemakkelijk gevoeld bij de meeste preken, en de manier van kerkzijn, om dezelfde reden als Schaeffer: valse zekerheid. Volgens mij komt daar een wettische, veroordelende instelling uit voort. De druppel die de emmer deed overlopen kwam op een gebedsavond voorafgaande aan de tweede kamer-verkiezingen. Een dametje bad die avond een gebed waarbij God werd gevraagd zijn zegen niet van Nederland weg te nemen, want Nederland zou keuzes maken die tegen God ingingen. De gelijkstelling van ‘christelijke keuzes maken’ en als land gezegend worden deed me huiveren. De implicatie is dat landen waar het slecht gaat, wat betreft natuurrampen of een slechte economie, dus niet goed of christelijk zijn. En dat wij heel erg ons best moeten doen om wel goed te zijn, anders zouden ons dezelfde rampen treffen. Dat ‘wij zijn goed, zij zijn fout’-denken is de basis voor veroordeling. Het is ook niet in overeenstemming met de bijbel, waar God zegt dat hij het doet regenen over de goeden en de slechten, en waar Prediker zegt dat tijd en toeval allen treffen. Maar wat mij die avond vooral trof was dat iedereen die er aanwezig was braaf ‘Amen’ zei op dit gebed. We zongen zelfs een lied dat stelde dat we als land Gods genade te gretig hadden aangenomen. Ik werd er verdrietig van: met dit geloof kan ik me niet meer identificeren.
Zowel mijn intellectuele zekerheid van het geloof, als mijn gevoel erbij, zijn tegenwoordig grotendeels verdwenen. Vorig jaar noemde ik me op mijn blog ‘nauwelijks gelovig’ - en dat klopt nog steeds. Ik zie heel veel redenen om niet te geloven - niet in het minst het gedrag van andere christenen. Aan de andere kant kan ik het geloof niet loslaten. Het is nu eenmaal een deel van me. Maar ik zoek naar manieren om dat geloof uit te leven. Laat ik het hier maar eerlijk toegeven: ik identificeer me niet meer met de evangelische kerk - hoewel ik nog wel naar een evangelische gemeente ga, omdat ik daar mensen ken. Maar mijn theologie past er niet meer bij. Aan de andere kant kan ik ook weinig met de ‘nieuwe atheïsten’ - die bijvoorbeeld door Swaab (daar heb je hem weer) instemmend worden aangehaald - die alle godsdienst naar de vuilnisbak verwijzen, het menselijke ras van zijn betekenis ontdoen, en het individu reduceren tot een verzameling atomen en moleculen die er is om genen door te geven aan de volgende generatie. Ik verlang naar betekenis. Ik kan niet niet geloven.
Dat was precies het dilemma waarin volgens de tekst op de achterflap ook Frank Schaeffer zich lange tijd bevond, dus nam ik het boek mee naar huis. Wellicht kon ik iets leren van iemand op dezelfde reis als ik.

Deze bijdrage is behalve een boekbespreking ook een persoonlijke ontboezeming geworden. Vandaar dat ik hem in tweeën heb geknipt. In het volgende deel meer over de conclusies van Frank Schaeffer met betrekking tot zijn evangelische verleden en hoe die overeenkomen (of niet) met waar ik ben op mijn zoektocht naar wat het betekent christen te zijn.

maandag 26 september 2011

Boekbespreking: Wij zijn ons brein

“Door dit boek te lezen kom je er achter waarom je bent zoals je bent”, staat er op de achterkant van Wij zijn ons brein, het populaire boek van professor Dick Swaab. Dat is een claim die het boek niet waar kan maken. In elk geval niet het boek dat het beoogt te zijn: een samenvatting van de bekende wetenschappelijke gegevens over de werking van onze hersenen. Zo’n boek kan volgens mij de ‘waarom’-vraag niet beantwoorden, maar alleen de ‘hoe’-vraag. Dus kun je door het lezen van dit boek erachter komen ‘hoe’ je functioneert, ‘hoe’ je karakter tot stand komt en ‘hoe’ de wil in je hersenen wordt bepaald. En op al deze gebieden en meer is het een uitstekend boek, dat in voor leken begrijpelijke taal uitlegt wat er allemaal bekend is over dat ingewikkelde orgaan in onze schedel.
Swaab verwijst naar wetenschappelijke studies die hij en zijn collega’s hebben uitgevoerd op ter beschikking van de wetenschap gestelde hersenen en met hersenscanners. Hij haalt statistische verbanden aan, zoals die zijn aangetoond in onderzoek bij de kinderen die in Nederland in de oorlogswinter zijn geboren. Hij beschrijft wat er gebeurt als bij mensen de hersenschors wordt geprikkeld, en wat er gebeurt bij ziekten als hersentumoren en epilepsie. En hij vertelt anekdotes uit zijn lange carrière als hersenonderzoeker, die meer dan eens kritiek kreeg uit de maatschappij, omdat hij vooringenomen conclusies ter discussie durfde stellen.
Voor zover ik het kon beoordelen is er met Swaabs wetenschappelijke argumentatie niets mis - veel van zijn feiten had ik ook al elders gelezen, in mijn studieboeken of in nieuwsberichten op sciencedaily.com. Maar Swaab weet al die informatie tot een geheel te smeden. Ik heb er veel van kunnen leren. Heel interessant vond ik de eerste hoofdstukken, die uitleggen hoe de ontwikkeling van de hersenen in de baarmoeder door allerlei factoren wordt beinvloed, en hoe hersenafwijkingen bij het kind kunnen leiden tot problemen bij de bevalling. Ook boeiend waren de gegevens over de aanleg van geslacht en seksuele voorkeur in de hersenen, en het ‘amputatie-syndroom’ (waarbij mensen menen dat hun been niet bij hun lichaam hoort, en dus pas gelukkig zijn als het is weggehaald). De waargenomen feiten lijken er op te wijzen dat sekse en seksuele voorkeur inderdaad al bij de geboorte in de hersenen zijn vastgelegd, en dat het kan voorkomen dat een man hersenstructuren heeft waardoor hij zich in zijn identiteit als vrouw ervaart. Het staat mensen dus niet vrij hun seksuele voorkeur en identiteit te kiezen. Dat geldt zelfs voor pedofilie - het is niet iemands eigen verantwoordelijkheid dat hij hier aanleg voor heeft, en dit moet dus geen reden zijn voor uitsluiting en veroordeling. Wel blijft het iemands verantwoordelijkheid hoe hij ermee omgaat, zoals met alles. Ik denk dat christenen en kerken deze hoofdstukken zouden moeten lezen, en eens goed zouden moeten nadenken over hun theologie, hun pastorale zorg en het beleid ten aanzien van mensen met een andere geaardheid, of het verlangen zich om te laten bouwen. In elk geval moeten we ophouden mensen zich schuldig te laten voelen voor iets dat hen bij de geboorte is meegegeven.
Dit geldt ook meer in het algemeen voor de gegevens over de persoonlijkheid en de wil. Veel daarvan is vastgelegd, of we geneigd zijn veel te eten, of dat we neigen naar agressie, of naar misdadig gedrag. Zelfs of we moreel handelen blijkt door onze prefrontale schors te worden gereguleerd. Bij een bepaalde magnetische stimulatie van deze schors blijken zelfs morele mensen opeens hun empathie te verliezen. Dit suggereert dat onze wil minder vrij is dan we denken, en onze verantwoordelijkheid een stuk kleiner. Het blijkt inderdaad soms zo te zijn dat we er niets aan konden doen en dat het gewoon gebeurde. Ook hier denk ik dat we als christenen (niet de Calvinisten onder ons, maar wel de behoorlijk arminianistische evangelicalen) onze theologie en pastorale zorg nog eens onder de loep moeten houden. Ik pleit er niet voor om onze eigen verantwoordelijkheid opeens weg te redeneren. Maar ik pleit wel voor een radicale nadruk op genade. Juist omdat onze wil gebonden is (om een term uit de Lutherse theologie te gebruiken) en we onszelf niet kunnen veranderen (Romeinen 7: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam dat beheerst wordt door de dood’), zijn we afhankelijk van Gods genade, en de wetenschap dat we geliefd zijn onafhankelijk van ons al dan niet morele gedrag.
Ik was ook geboeid door de beschreven onderzoeken naar religieuze ervaringen en Bijna Dood Ervaringen. Het blijkt dat het prikkelen van bepaalde hersengebieden leidt tot het ervaren van religieuze extase: gevoelens van vrede, de nabijheid van God et cetera. En prikkeling van of zuurstoftekort in andere hersengebieden geven ervaringen zoals die voorkomen bij Bijna Dood Ervaringen: het gevoel van uit het lichaam getreden te zijn, het zien van een tunnel met een licht aan het einde, en de heldere herinneringen ‘alsof het leven aan je voorbijtrekt’. Deze observaties bewijzen natuurlijk niet dat niemand ooit werkelijk contact heeft gehad met God, of dat niemand ooit een glimp heeft opgevangen van het eeuwige leven. Maar het ontneemt deze fenomenen de kracht om door bijvoorbeeld charismatische predikers te worden gebruikt om mensen te manipuleren. Ze hebben namelijk geen bewijskracht. Zelfs de extatische ervaringen in bijvoorbeeld een pinksterkerk -zoals het ‘vallen in de geest’ - zijn niet noodzakelijk bovennatuurlijk, maar blijken ook te kunnen worden opgeroepen door suggestie. Het boek geeft argumenten om ons niet door dit soort ervaringen te laten meeslepen, maar steeds een solide basis te zoeken van ons geloof en handelen.

Het boek wekt dus de indruk een objectieve, verklarende beschrijving te zijn van de werking van de hersenen, maar -blijkt al uit de tekst op de achterkant- het doet ook uitspraken van een meer levensbeschouwelijke aard, uitspraken over de betekenis van al die informatie over het ‘hoe’ van onze hersenen. En Swaab doet het voorkomen alsof zijn conclusies over het ‘waarom’ -dat er geen leven is na de dood, dat de vrije wil niet bestaat, dat religie een geevolueerd fenomeen is, en dat spiritualiteit niet meer is dan een uiting van een hersenfunctie - net zo wetenschappelijk zijn als zijn beschrijving van de werking van een frontale kwab of het geheugen.
Het is makkelijk een verklaring van een fenomeen - hoe het gebeurt - te verwarren met de betekenis ervan - waarom het gebeurt. De ‘hoe’-vragen kun je beantwoorden met behulp van de wetenschappelijke methode. Je doet waarnemingen, stelt een hypothese op, test die met behulp van experimenten, en trekt een (voorlopige) conclusie. Je hebt de werkelijkheid beschreven in zoverre die voor de zintuigen toegankelijk is. Dat is de beperking van de wetenschappelijke methode: die beperkt zich per definitie tot wat meetbaar is: materie en energie, atomen en moleculen. Als je de wetenschap daar per definitie toe beperkt, is het niet verbazingwekkend dat God niet voorkomt in de resultaten van de wetenschap, en het bovennatuurlijke ook niet. Dat hoort ook niet. Juist het feit dat het niet gaat om het ‘natuurlijke’ maakt dat deze fenomenen zich buiten bereik van de wetenschap bevinden. Maar dat je deze dingen (per definitie) niet waarneemt met de wetenschappelijke methode, betekent niet dat ze niet bestaan. Swaab komt tot de conclusie dat God niet bestaat en vrije wil een illusie is, niet omdat zijn onderzoek tot deze slotsom leidt, maar omdat hij er van te voren al van uitging dat God niet bestaat en alles slechts te herleiden is tot materie, ook het menselijk bewustzijn. Hij zal voor deze visie goede argumenten hebben - en ik gun hem het recht deze visie aan te hangen - maar, hij kan dit niet bewijzen op basis van de wetenschap. Hij doet wel alsof, en zet daar mogelijk lezers mee op het verkeerde been, maar hier spelen aannames en ideeen op een heel ander niveau, zoals ik laatst schreef: op het niveau van het verlangen, de beelden die professor Swaab van God en religie koestert (niet heel erg positief, blijkens dit boek). Hij is vooringenomen, net zo vooringenomen als de anders dan hem denkende wetenschappers die hij in het boek aanvalt om hun door hem veronderstelde vooringenomenheid.

De uitspraken uit dit boek op het niveau van betekenis, die ik hierboven al aanhaalde, zijn voor mij onbevredigend. Swaab besteedt een of twee regels aan een evolutionaire verklaring van het menselijke verlangen naar schoonheid en onze liefde voor kunst en muziek. Maar schoonheid is (mijns inziens) juist gekoppeld aan betekenis. Iets is mooi omdat het zichzelf is, omdat het betekenis heeft. Schoonheid raakt ons in ons diepste wezen, dat kun je niet zomaar in een zinnetje als betekenisloos wegzetten. Hetzelfde geldt voor het menselijke verlangen naar intimiteit. Ja, de voortplanting van de mens is behoorlijk geregeld door middel van geurstoffen, visuele signalen en hormonen. Dat begrijp ik heus wel. Maar we verlangen niet alleen naar seks. We verlangen er ook naar gekend te worden. Niet als lichaam, maar als mens. We verlangen ernaar serieus te worden genomen als persoon, ons hart met anderen te delen, anderen te kennen. We verlangen naar betekenisvolle relaties, niet naar contacten die alleen maar een evolutionair bepaald doel dienen, namelijk de cohesie van de groep. En we verlangen ernaar dat wat we doen (en laten) betekenis heeft, dat het zin heeft, dat het overeenkomt met wat goed en waar is. We willen niet in de tredmolen van slapen, eten en werken opgesloten zitten, we willen een afdruk achterlaten op de wereld. We willen niet alleen maar werken omdat onze samenleving daar nu eenmaal toe geëvolueerd is. We verlangen ernaar dat ons leven ertoe doet.
Ik had het hier laatst over met mijn vriendin, en die zei (terecht) zoiets als: “Maar iedereen gelooft dat toch al? Mensen gaan ervan uit dat relaties echt zijn, dat mensen betekenis hebben, dat wat ze doen belangrijk is.” Ze had gelijk. Mensen als Swaab keren zich tegen de ervaring van bijna alle mensen in de hele (bekende) menselijke geschiedenis. Ze ontnemen de mens datgene wat de mens nu juist menselijk maakt: de betekenis, die de mens altijd als vanzelfsprekend heeft aangenomen. Maar daarmee zeggen ze eigenlijk van zichzelf dat ze betekenisloos zijn, dat hun woorden geen werkelijke waarheid kunnen overdragen, dat hun eigen relaties slechts door de evolutie ingeslepen voortplantingsgedragingen zijn. Chesterton (een van mijn favoriete schrijvers) beweert dat dichters niet gek worden, (hoewel ze soms al gek zijn, ze worden het in elk geval niet van het dichten zelf), maar schaakspelers wel. Dichters zijn namelijk vaak mystici, ze hebben oog voor betekenis, voor iets buiten zichzelf, terwijl de schaakspeler zich uiteindelijk gevangen ziet in de beperkte wereld van zijn eigen logica, en zijn eigen menselijkheid wegredeneert. Op een gespreksavond over dit boek zei iemand dat professor Swaab in TV-uitzendingen somber overkwam. Wat hij over zichzelf gelooft, is ook erg somber. Hij is het willoze slachtoffer van zijn eigen genen, volledig gedetermineerd, zonder vrije wil, zonder betekenis. Ik zou er in elk geval zelf wel somber van worden.

Let wel, ik geloof niet dat Swaab door zijn onderzoek tot de conclusie had kunnen komen dat de menselijke ziel wel bestaat, dat er een geestelijke wereld is, dat spirituele ervaringen echt zijn, of dat er een God is. Die dingen kun je per definitie niet met de wetenschappelijke methode bewijzen, zei ik al. Christenen denken dat soms wel te kunnen. Dat geldt bijvoorbeeld voor creationisten, die menen wetenschappelijk te kunnen bewijzen dat de Aarde en het leven 6000 jaar geleden door God op een bovennatuurlijke wijze gemaakt zijn. Vaak wijzen ze dan op fenomenen en processen waar nog geen aannemelijke wetenschappelijke verklaring voor is. Bijvoorbeeld de overgang van reptiel naar vogel of van vis naar amfibie. “Dat moet dus wel het werk van God zijn”, is dan de conclusie. Maar dan wordt er opeens een overgangsvorm opgegraven, of een hele serie van overgangsvormen. De leemte in de wetenschappelijke verklaring is opgevuld. God is niet meer nodig. De christen trekt zich terug naar een ander nog onverklaard fenomeen: het ontstaan van leven uit levenloze materie. Maar wetenschappers zoeken ondertussen naarstig naar verklaringen voor deze overgang, en doen daar ook al interessante ontdekkingen over. De christen wordt nerveus, want er blijft zo wel weinig terrein over voor het handelen van God ...
Deze manier van denken over wetenschap en God wordt ook wel genoemd: ‘De God van de gaten’ - een God die er alleen is om te verklaren wat nog niet verklaarbaar is. Maar ik geloof niet in een God van de gaten. In een bespreking van de film Angels and Demons heb ik al eens uitgelegd waarom niet. Als God er is, is hij namelijk net zo goed actief in de processen die we kunnen verklaren als die we niet kunnen verklaren. Hij is namelijk de grond van alles, draagt alle dingen door het woord van zijn kracht. Zelfs dat wat we als beperkte mensen ‘toeval’ noemen (zoals het ontstaan van mutaties waar in de evolutie selectie op plaatsvindt, of het samenkomen van moleculen tot een protocel) is voor een christen niets anders dan het handelen van God. Daarom kan ik dus zeggen dat ik evolutionist ben - dat ik de kosmologische theorieen accepteer als aannemelijke uitleg over het ontstaan van sterren en planeten en de biologische evolutietheorie accepteer als een overtuigende verklaring van het ontstaan van het leven en de mens - en tegelijk dat ik in de Schepping geloof. Want de door de wetenschap verklaarde processen van evolutie zijn nu juist de manier waarop God heeft gekozen te handelen in de werkelijkheid. De evolutietheorie verklaart alleen het ‘hoe’, maar niet het ‘waarom’.
Waarom ga ik in een bespreking van een boek over de hersenen nou in op de evolutie? Omdat ik, net zoals ik niet geloof als een ‘god van de gaten’ wat betreft het ontstaan van het heelal of het leven, niet geloof in een ‘geest van de gaten’ in de hersenen. Dat wil zeggen: ook wat betreft de hersenen en de menselijke geest geldt niet dat met een verklaring van het ‘hoe’ ook de vraag naar het ‘waarom’ is beantwoord. Ik heb lang wel in een soort van ‘geest van de gaten’ geloofd. De menselijke ziel was naar mijn mening niet te herleiden tot een plek in de hersenen. Maar in de colleges hersenanatomie bleek dat heel veel van wat ik geloofde dat mij persoon maakte, prima in de hersenen gelokaliseerd kon worden. Geheugen zit daar, emotie zit daar, beweging zit hier, empathie daar, spraak hier, moreel gedrag en persoonlijkheid daar. Het gebied wat overbleef voor de menselijke geest werd steeds kleiner, en ik werd steeds wanhopiger. Ik heb lang geworsteld met het 'mind-body'-probleem.
Tot eindelijk het besef tot me doordrong dat het feit dat de werking van de hersenen wetenschappelijk verklaard kon worden, niet betekende dat wat die hersenen deden niet betekenisvol was. Je kunt precies bepaalde geluidsgolven meten die door iemands stembanden worden opgewekt, laten zien hoe ze op je trommelvlies vallen en bepalen welke elektrische signalen aan je hersenen worden doorgegeven. Je hebt het ‘hoe’ in kaart gebracht. Maar hoewel je het fysieke fenomeen wetenschappelijk kunt beschrijven, doet het niets af aan de betekenis van de woorden van je vriend of vriendin. Dus dat er bij mijn ervaren van emoties hersencellen en neurotransmitters betrokken zijn (en dat bij verstoringen daarvan (bijvoorbeeld door te weinig licht) mijn emoties verstoord kunnen raken) doet niets af aan de betekenis van die emoties. Die wordt niet bepaald door het ‘hoe’, maar door het ‘waarom’.

We hoeven niet bang te zijn voor verklaringen van het functioneren van onze hersenen. Ik geloof zelfs dat alles wat ik denk of voel te herleiden is tot de activiteiten van mijn neuronen - ik geloof niet in een geest of ziel die op enige wijze bovennatuurlijk is. Voor mij geen dualisme. Ik ben, zoals Swaab aangeeft, in zekere zin gelijk te stellen aan mijn brein. (Ik denk dat deze visie in overeenstemming is met de bijbel, die de nadruk legt op de eenheid van de mens. Daar waar gesproken wordt over de mens als ‘geest, ziel en lichaam’ gaat het juist om de hele mens - deze passages kunnen niet dienen als basis voor een antropologie van de mens als een wezen dat uit gescheiden onderdelen bestaat. En ik zie bevestiging in wat de bijbel leert over het leven na de dood. De hoop die in de bijbel gegeven wordt is niet het voortbestaan van een onstoffelijke ziel in een niet materiele hemel, maar juist de opstanding van het lichaam. De hele mens wordt levend gemaakt - kennelijk zijn we niet compleet zonder ons lichaam, onze hersenen. Ik heb hier onder andere meer over geschreven in mijn boek Indrukwekkende Vrijheid).
Dat ik mijn brein ben, wil echter niet zeggen dat ik geen betekenisvol persoon ben, die geen betekenisvolle relaties kan aangaan, met andere mensen of met God. Ik heb betekenis. Die kan ik niet meten met de wetenschappelijke methode. Die betekenis wordt me namelijk gegeven, door het verhaal waar ik in leef (Zie voor meer daarover mijn drie artikelen hier: 1, 2, 3). De vraag naar het ‘waarom’ wordt voor mij door God beantwoord (en voor anderen is het antwoord naar het waarom gebaseerd op een andere levensbeschouwing, zoals Swaab zijn betekenis laat bepalen door zijn materialistische uitgangspunt). En omdat God mij betekenisvol vindt, van mij houdt, hoef ik niet bang te zijn die betekenis kwijt te raken door welke wetenschappelijke verklaring dan ook. Dus ik kan dit boek lezen en ervan leren hoe mijn hersenen werken en hoe bepaalde elementen van mijn gedrag te verklaren zijn. En ik kan genieten van de kennis en ervaring van een briljant wetenschapper als Swaab. Maar voor de vraag waarom ik ben zoals ik ben, moet ik het antwoord in andere bronnen zoeken.

zondag 25 september 2011

Terug naar de basis (1): Is het wel echt?

Kort nadat de tweede film uit de Matrix-serie - The Matrix Revolutions- in de bioscoop draaide, had ik een discussie met een van mijn vrienden, die ik me nog goed kan herinneren. We hadden het over een van de filosofische ideeen die aan deze sciencefictionfilm ten grondslag lagen, namelijk dat van de ‘brains in a vat’. Namelijk: wat als de wereld die we om ons heen zien niet ‘echt’ is, wat als we niet werkelijk op een stoel zitten in de coffee company, en we niet werkelijk het warme licht van de herfstzon op onze huid voelen, of de wat afgekoelde koffie langs ons gehemelte voelen glijden? Wat als we in plaats daarvan deel zijn van een groot experiment van een wetenschapper, die onze hersenen in een vat met vloeistof heeft gehangen, en ze via de zenuwen voedt met gesimuleerde informatie? Wat als onze oogzenuwen worden geprikkeld zodat we een illusie zien van de buitenwereld, en hetzelfde met onze reuk/smaak/gehoor- en tastzenuwen? Zouden we hier op de een of andere manier achter kunnen komen? En zou de onzekerheid over het al dan niet echt zijn van de wereld een verschil maken voor hoe we leven?
Ik argumenteerde nogal emotioneel dat ik wel volkomen zeker wilde zijn dat de wereld waarin ik leef echt is, en dat de mensen met wie ik omga echt zijn. Ik betoogde dat -mocht de wereld om mij heen een illusie blijken te zijn- mijn geloof geen betekenis had, en ik geen reden had om als gelovige te leven. Mijn vriend stond er wat anders in: hij meende dat de vraag of de wereld om je heen echt en concreet was, niet zo belangrijk is. Want of de wereld nu werkelijkheid is, of een illusie, waar het om gaat is dat je op een bepaalde manier wilt handelen of niet handelen. Je zou nog steeds achter je keuzes staan, ook als de wereld waarin je handelt niet zou blijken te bestaan. Kortom, je leeft op een bepaalde manier omdat je daar van binnen naar verlangt, niet omdat de wereld buiten je jou daartoe dwingt.
Ik heb de jaren erna vaak aan deze discussie teruggedacht. Het was namelijk niet alleen maar een abstract gesprek naar aanleiding van een film, maar het raakte aan de diepe vraag naar de reden waarom ik geloof. Daarom dat ik toen ook zo fel reageerde. Geloof ik in God en het goede nieuws omdat ik in mijn verstand ervan overtuigd ben van een waarheid van buiten mij? Geloof ik dat ik mezelf en anderen moet liefhebben omdat de wereld buiten mij bepaalde gevoelens in mij opwekt? Die vragen zijn en blijven voor mij actueel - waar baseer ik mijn leven op? Als ik iets niet wil, is het mezelf voor de gek houden, en alleen geloven omdat ik bang ben om gestraft te worden als ik het niet doe, of om mezelf beter te kunnen voelen dan anderen. Ik wil ook niet geloven als psychologisch overlevingsmechanisme waarmee ik me afsluit voor de zinloosheid van de realiteit. En ik wil ook niet blijven vasthouden aan het geloof van mijn ouders omdat mijn hersenen in mijn vroege jeugd nu eenmaal zo geprogrammeerd zijn door de religieuze gemeenschap waar ik in opgroeide. Ik ben op zoek naar echtheid: een basis voor mijn geloof die niet zomaar aan het wankelen kan worden gebracht door een discussie over The Matrix Revolutions.

Het feit is echter dat de fundamenten waar ik mijn geloof altijd op baseerde, niet zo stabiel waren als ik dacht dat ze waren. Lang baseerde ik mijn overtuiging bijvoorbeeld op intellectuele argumenten. Het menselijk intellect kon wetenschappelijk bewijzen dat de Aarde en het heelal in zes dagen geschapen waren, en dat de mens een geest had, en dat bijbel volledig betrouwbaar was, en ga zo maar door. Ik zag het geloof in die periode ook als een serie leerstellingen waar ik het mee eens moest zijn. Het ging erom dat ik met mijn verstand overtuigd was van het al dan niet kloppen van dogma’s - van heel algemene tot steeds specifiekere. Zo kon ik op basis van verstandelijke argumenten beredeneren dat mijn visie op de eindtijd, de kerk, de doop en het luisteren naar rockmuziek de juiste was, en dat anderen op dat gebied onvergeeflijk fout zaten (als ze goed zouden nadenken, zouden ze immers hetzelfde geloven als ik).
Maar in de loop van de jaren ontdekte ik dat de onderbouwing van de meeste van mijn standpunten tekortschoot. Ik ontdekte dat de gegevens van onderzoek op heel veel gebieden wezen op een lange ontstaansgeschiedenis van het heelal en het leven, en dat wetenschappers geen enkel bewijs hadden gevonden voor het onafhankelijk bestaan van een geest of een ziel. Ook bleek de bijbel een ingewikkelder document dan ik dacht, en was het niet zomaar inzichtelijk waarom je dat voor waar zou moeten aannemen. En ook mijn argumenten op die andere kleinere gebieden bleken minder hout te snijden dan ik meende - ik moest op heel veel terreinen toegeven dat ik eigenlijk niet wist wat het antwoord was (als dat er al was). Verstandelijke argumenten van buiten mij bleken geen stevige basis voor mijn overtuiging.  Zelfs de argumenten voor de opstanding van Jezus (die behoorlijk goed onderbouwd kan worden) zijn niet doorslaggevend - ze suggereren dat er iets bijzonders is gebeurd op de derde dag, en ik geloof dat de opstanding van Jezus de beste verklaring is voor de feiten, maar wie dat niet wil aannemen, wordt daar door de feiten niet toe gedwongen. We leven nu immers tweeduizend jaar later en zijn er niet zelf getuige van geweest. Daarom gebruik ik bewust het woord ‘geloof’. Ik kan met mijn intellect dus niets bewijzen. Ik kan hooguit laten zien dat het niet irrationeel is te geloven, dat wie door Jezus’ boodschap gegrepen is zijn of haar verstand niet hoeft uit te schakelen. Dit suggereert tevens dat het bij geloven niet gaat om het intellectueel instemmen met bepaalde dogma’s of leerstellingen. Het gaat niet om het al dan niet verstandelijk overtuigd zijn van het bestaan van God. God zal geen mensen afwijzen omdat ze niet tot precies de juiste conclusie hebben getrokken, en overtuigd waren van de foute theorie A in plaats van de goede theorie B. We krijgen in de eeuwigheid geen meerkeuzetest voorgeschoteld om te bepalen of we binnen mogen in het Koninkrijk.

Een ander fundament waar mensen hun geloof op kunnen baseren is de emotie van een religieuze ervaring. We voelen dat er meer is tussen hemel en aarde, we voelen ons warm van binnen tijdens een kerkdienst, we zijn enthousiast van een begaafde prediker, we zoeken naar genezingen en wondertekenen. Maar ook de (religieuze) emotie is geen basis om op te bouwen. Ten eerste omdat prikkeling van bepaalde hersengebieden religieuze gevoelens kan opwekken - daar is God niet per se voor nodig. Een gevoel of ervaring bewijst dus niet dat God bestaat. Bovendien kunnen gevoelens en ervaringen door factoren van buitenaf makkelijk worden beïnvloed. Om een voorbeeld te geven: ik heb last van seasonal affective disorder, oftewel: winterdepressie. Daar kwam ik acht jaar geleden achter, maar ik leed er natuurlijk al langer aan. In de zomer had ik vaak een fijn gevoel als ik ging bidden, ik merkte dat ik contact had met God, was me bewust van zijn aanwezigheid, en genoot ervan om op mijn knieën te gaan. Maar in de winter, als het donker was, leek de hemel van koper. Er kwam geen enkele reactie op mijn bidden, ik voelde er niets bij, en ik kreeg alleen maar schuldgevoelens omdat ik kennelijk tekortschoot. Bidden en bijbellezen waren een last.
Mijn gevoelens waren (geloof ik nu) geen goede indicatie voor het bestaan van God, de aan- of afwezigheid ervan bewees niets. Het kan hooguit ondersteunend zijn als ik inderdaad ervaar dat het echt is wat ik geloof. Ik heb bijzondere ervaringen meegemaakt, waarvan ik geloof dat God er de bron van is, maar ook hier zeg ik bewust ‘ik geloof’. Wie niet wil geloven kan alternatieve verklaringen geven voor mijn verhalen. Geloven is daarom ook niet gelijk te stellen met het ervaren van bepaalde ‘voorgeschreven’ emoties - of het nu de tranen zijn van zondebesef (dat depressieve mensen vaker zullen hebben: ik had in de winter last van ernstige schuldwanen, terwijl ik me in de zomer kiplekker voelde), of enthousiasme en blijdschap tijdens een aanbiddingsdienst in kerken uit de pinksterkringen. Het gaat er niet om of je bepaalde ervaringen hebt, zoals het in tongen spreken, of ‘aangeraakt worden’. We worden als Jezus terugkomt op Aarde niet afgerekend op wat we hebben ervaren, of we wel blij genoeg waren met het evangelie, of ons genoeg schuldig hebben gevoeld over ons falen.

En toch - ook als ik twijfel aan mijn redenen om te geloven, en mijn gevoel lijkt uitgeschakeld - kan ik mijn geloof niet opgeven. Ik geloof niet op basis van intellectuele argumenten van buiten mij, en niet door emoties die door ervaringen van buiten mij worden opgewekt. De basis van mijn geloof ligt ergens anders, in mijn diepste motieven. Ik kan zelfs niet zeggen dat het geloof voor mij een keuze is - het is niet zo vrij: ik kan niet niet geloven, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik heb het geprobeerd, maar het gaat niet. Laat ik een ander voorbeeld geven - wat persoonlijker. Ik heb sinds kort een vriendin. En als iemand die wel eens aan introspectie doet, kijk ik wel eens naar binnen om te achterhalen waarom ik een relatie met haar ben aangegaan. Is dat op basis van intellectuele argumenten? Nee zeg, ik ben geen verstandsrelatie aangegaan. Maar gelukkig bevestigt mijn verstand wel de keuze die ik gemaakt heb. Is het geweest op basis van een plezierige emotie? Die was er wel, maar mijn emoties wisselen al als ik een keer mijn lunch oversla of slecht geslapen heb. Maar mijn emotie bevestigt wel dat ik een goede keus gemaakt heb. Maar zelfs als ik het oppervlakkig niet voel, weet ik in mijn hart dat ik voor mijn vriendin wil gaan. De keuze om ook als ik een keer in een dipje zit omdat het donker is buiten, voor mijn vriendin te gaan, komt voort uit de diepte van mijn hart, uit mijn verlangen. Ik wil voor haar kiezen, dus ik kan niet meer zomaar tegen haar kiezen. Liefde is gebaseerd op verlangen.
En zo wordt ook mijn keuze om in God te geloven, of van God te houden, ingegeven door het feit dat ik naar God verlang. Ik wil leven in een wereld die door God gemaakt is, en waarin schoonheid, intimiteit en gerechtigheid betekenis hebben. Ik wil leven in een werkelijkheid waarin mijn keuzes betekenis hebben en niet maar illusies zijn die mijn hersenen me voorhouden. Ik wil leven in een wereld waarin ik mezelf kan zien als waardevol, omdat God van me houdt, en ik andere mensen kan liefhebben, omdat God ook van hen houdt. Ik wil leven in een wereld waar niet alles ten gronde gaat aan het verval, maar waar alle dingen zullen worden hersteld, een wereld waar de hoop regeert. Ik wil leven in de realiteit van een drie-eenheid van Vader, Zoon en Geest, die elkaar onvoorwaardelijk liefhebben en alle dingen in hun gemeenschap willen opnemen. Daar wil ik deel van uitmaken, oftewel: daarnaar verlang ik. En omdat ik dat verlang, staat het mij niet meer vrij om niet te geloven. “Hier sta ik, ik kan niet anders.”

Ik ben er ook van overtuigd dat de reden dat veel mensen niet geloven, niet ligt aan het feit dat ze intellectueel niet overtuigd zijn, of dat ze het niet voelen, maar aan het feit dat ze niet geloven dat God goed is. Dat Hij werkelijk Liefde is, en dat de komst van zijn koninkrijk het beste is dat de wereld kan overkomen. Kijk maar wat er gebeurt in het geval van een ziekte of natuurramp: ook mensen die zeggen niet in God te geloven, steken hun vuist naar de hemel en roepen: “Hoe kan God dit toelaten?” Hun beeld van God - de oude man in de hemel die ons niet tegen lijden kan beschermen - of de boze wetgever, die ze in de kerk hebben leren kennen - maakt dat ze niet naar God verlangen, en dus niet in Hem geloven.
En de gelovigen die zo de nadruk leggen op intellectuele argumenten, die verhitte discussies voeren over het creationisme, die boos worden als je het niet met hen eens bent over de eindtijd? En de gelovigen die hameren op gevoelens, die iemand die niet in tongen spreekt geen ware christen vinden, en denken dat ze altijd blij zouden moeten zijn? Waarom zijn zij zo afhankelijk van de bewijzen van buiten zichzelf? Misschien schiet hun beeld van God tekort, zijn ze niet ten diepste overtuigd dat God goed is en te vertrouwen is, en dat de komst van zijn koninkrijk het beste is dat kan gebeuren. Misschien hebben ze die andere argumenten nodig om hun wankelende geloof in stand te houden, omdat iets in hen niet naar God verlangt. Jezus zei zelf al: “Zalig zij, die niet zien, en toch geloven.”
Andersom: als ik zelf van mijn geloof af zou vallen, zou mijn verlangen moeten veranderen. Dan zou iemand mij moeten overtuigen - niet dat God niet bestaat, daarvoor ken ik wel argumenten genoeg - maar dat zijn bestaan niet goed zou zijn, dat Hij niet goed zou zijn. Ik kies namelijk om te geloven en om te leven op de manier die daarbij hoort, niet omdat ik er rationeel of emotioneel van overtuigd ben, maar omdat ik ervan overtuigd ben dat dit de mooiste, de beste, meest betekenisvolle manier is om te leven. Ik verlang naar dit visioen van de werkelijkheid. En dus zal ik blijven geloven, ongeacht of ik het kan bewijzen of niet. Ik moet vaak denken aan de woorden van de ‘marshwiggle’ Puddleglum uit The Silver Chair van C.S. Lewis (die ik in een eerder bericht ook heb aangehaald): “Suppose we have only dreamed, or made up, all those things-trees and grass and sun and moon and stars and Aslan himself. Suppose we have. Then all I can say is that, in that case, the made-up things seem a good deal more important than the real ones. That's why I'm going to stand by the play world. I'm on Aslan's side even if there isn't any Aslan to lead it. I'm going to live as like a Narnian as I can even if there isn't any Narnia.” Hij verlangde naar Narnia, en zou daarnaar blijven zoeken - ongeacht of hij intellectueel of emotioneel overtuigd was dat Narnia echt bestond. Want Narnia was veel beter dan de donkere, sombere wereld van de heks waar hij in terecht was gekomen.

Ik had laatst weer een gesprek met de vriend met wie ik over The Matrix had gediscussieerd, en ik heb hem gezegd dat hij toch gelijk had. Dat ik niet honderd procent zeker kon weten of de wereld om mij heen echt was, of dat ik toch niet in een illusie leefde, verhinderde me niet om in God te geloven en daaruit te leven. Zelfs als niets echt zou blijken te zijn, zou ik toch achter mijn keuzes kunnen blijven staan. Zelfs al zou er uiteindelijk geen God blijken te zijn, zelfs al ben ik alleen een verzameling moleculen, of hersencellen, met alleen maar de illusie van een vrije wil, zelfs al ben ik opgehangen in een vat en is alles wat ik waarneem een simulatie - dan ben ik blij dat ik heb geleefd uit mijn diepste verlangen.  Zelfs al zou ik dood gaan en zou dat inderdaad het einde zijn, dan zou ik geen spijt hebben (per definitie natuurlijk niet, want er zou geen ik meer zijn dat spijt zou kunnen hebben) dat ik tijdens mijn leven geloofde in het koninkrijk van God en de opstanding, want dat geloof heeft me hoop gegeven, heeft me geinspireerd om te veranderen, en deed me andere mensen liefhebben als betekenisvolle individuen. Ik ben ervan overtuigd dat dit de beste manier is om te leven, ook als het niet waar zou blijken te zijn. De basis om te geloven ligt dus in je verlangen. Ik geloof dat Jezus daarom tijdens zijn leven mensen ook niet overtuigde hem te volgen door middel van intellectuele argumenten, of door op hun gevoelens te spelen, maar door ze te laten verlangen naar zijn koninkrijk. Daarover schrijf ik meer in het volgende deel van deze serie.