Posts tonen met het label overspannenheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overspannenheid. Alle posts tonen

maandag 15 februari 2016

Gedicht: Racen



Racen

Ik blijf staan hijgen, uitgeput,
mijn handen op mijn knieën.
Zij steekt, hart ratelt, mijn keel prikt,
maar hier is geen water. Je roept
me toe dat ik weer verder moet
op zere voeten, moet geven
wat ik nog aan kracht bezit,
die niet voor mezelf gebruiken
maar voor de finish gaan. Dichtbij
zou die nu zijn. Maar dat heb je
duizend keer gezegd. Een leugen
was het steeds, nooit kon ik rusten,
rondkijken waar ik mij bevond
tussen de bergen, zelf kiezen
voor een pad en dan maar kijken
waar dat voert. Wat is er voor mij
achter de eindstreep weggelegd?
Voor jou voldoening, je hebt mij
afdoende opgejaagd. Maar ik ben
opgebrand. Ja, anderen die
rennen met plezier, want dit is
waarvan zij houden. Mijn vreugde
ligt hier niet. Dus ik laat ze mij
voorbijgaan. Dan maar geen beker.
Ik les mijn dorst liever direct
knielend bij de bergbeek koel.

donderdag 18 juni 2015

Het spel verlaten (1): het perfecte systeem?

Ik ben volwassen genoeg om het te kunnen toegeven als ik het bij het verkeerde eind had. En dat ik mijn mening heb moeten herzien. Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn recensie van de film Tron Legacy, die ik schreef in februari 2011. Daarin was ik ten eerste negatief over de film zelf, en suggereerde dat hij geen lang leven zou hebben in de verbeelding van mensen (maar wie op Deviantart kijkt, ziet dat het elegante design van de wereld veel tekenaars heeft geïnspireerd en dat nog steeds doet, en zelf blijf ik de film eigenlijk ook goed vinden) en was ik ten tweede negatief over de door mij vermoedde boodschap achter de film – die volgens mij te veel uitging van een Boedhistische ontkenning van het zelf. Interviews met acteur Jeff Bridges onderstreepten deze interpretatie. Maar toen ik de film laatst opnieuw zag samen met mijn vrouw, realiseerde ik me dat de filmmakers subtieler waren dan ik had gedacht, en dat hoewel er een gnostische, wereld ontkennende interpretatie mogelijk is (waarbij Clu de demiurg is), dit zeker niet de enige uitleg is. Zelfs de rol van de ISO’s (spontaan ontstane levensvormen in de computerwereld) werd me duidelijk, waar ik in mijn bespreking daar nog vraagtekens bij had. En het hing allemaal samen met het onderscheid tussen een transactioneel en een sacramenteel wereldbeeld.

Toen ik ’s avonds uit mijn werk kwam, voordat mijn vrouw en ik de film gingen kijken, liet ik me met een zucht vallen in mijn luie stoel. Na twee weken vakantie was ik weer op kantoor begonnen, maar direct ook weer met omstandigheden geconfronteerd die stress bij mij veroorzaakten. Ik was nu juist met vakantie geweest om te ontspannen, aangezien ik in maart op de grens van een overspannenheid had gezeten. En aangezien ik al eerder overspannen ben geweest, heb ik er erg veel voor over om dat niet opnieuw te hoeven meemaken. Want wat de situatie op mijn werk ook is, het is het niet waard mijn gezondheid, mentaal en lichamelijk, om te verspelen. Dus verklaarde ik dat ik een manier moest vinden om me niet meer verantwoordelijk te voelen voor wat me zo’n stress opleverde, dat ik sommige dingen gewoon zou loslaten waar het eigenlijk om werk van een ander ging, en dat ik een manier moest vinden om als ik me toch aan zaken ergerde, die dingen naast me neer te leggen en te genieten van wat er wel belangrijk en waardevol is in het leven. En het hielp, want ’s nachts sliep ik prima, ondanks de frustraties van op kantoor.
Maar werk is niet de enige stressfactor in mijn leven, geloof kan er ook wat van. Geen verrassing voor de lezer van mijn boeken, mijn gedichten of mijn blogberichten: ik heb moeite met de boodschap die door veel kerken gebracht wordt. Het opgroeien in een fundamentalistische kerk (ik ga steeds helderder zien dat het eigenlijk een sekte was) gaf me een beeld van God mee als van een boze, veeleisende werkgever, die perfectie van me eiste (ook al was hij gedwongen me in dienst te houden, omdat Jezus voor mij betaald had). Een beeld van mezelf als een zondaar, te allen tijde slecht, tot niets goeds in staat (en al helemaal niet tot het voldoen aan Gods ideaalbeeld, maar toch moest ik dat wel blijven proberen). En een beeld van het christelijke leven als bestaande uit hard werken, Bijbelstudie, evangelisatie (wie ik niet wist te overtuigen, ging naar de hel. Het hing van mij af!). We moesten onze tijd uitkopen – en dat betekende geestelijke activiteiten verrichten in plaats van het lezen of muziek luisteren voor ons plezier. We mochten toch al niet doen wat voor ons natuurlijk voelde, want onze ‘natuurlijke talenten’ waren voor God van geen waarde, alleen wat de Heilige Geest in ons tot stand bracht, zou ook stand houden. Het is nog een wonder dat ik niet eerder overspannen werd!
Ook toen ik deze kerk verlaten had, en een evangelische kerk bezocht, kwam ik echter dit soort gedachten tegen, vaak in een verdunde, maar niet minder schadelijke vorm. Het idee dat de kerk de wereld moest veranderen, bijvoorbeeld (en dat ik daarom aan programma’s zou moeten meewerken of mijn gaven zou moeten inzetten). Het idee dat God van me hield zoals ik was, maar teveel om me zo te laten (en dat ik dus toch mijn best moest doen om beter te leven en jawel, perfect te zijn). Het idee dat ik me blij en dankbaar moest voelen (ook al voelde ik me vooral moe en schuldig) of dat ik in een jonge aarde en een volledig uitgestippelde eindtijd moest geloven om een echte christen te zijn. Of in theorieën over Israël. Het idee dat het in het geloof toch draaide om mijn eigen verantwoordelijkheid, en dat ik een mislukkeling was als ik tekort schoot. De boodschap van genade was vooral bedoeld voor mensen die nog niet tot geloof waren gekomen, want het evangelie hoorde ik in onze kerkdiensten maar heel weinig.
Ik zag natuurlijk de preken door de interpretatiebril die ik in mijn opvoeding had meegekregen, dat zal ik eerlijk toegeven. Dat verklaart waarom ik ook in de Anglicaanse kerk nog wel eens op mijn stoel heen en weer zit te schuiven bij sommige boodschappen. En waarom ik in piekerbuien schiet bij het volgen van sommige christelijke twitteraars. Want ik voel me in religieus opzicht schuldig als ik me bijvoorbeeld niet ga inzetten voor bootvluchtelingen, net zo als dat ik niet genoeg stille tijd houd. (Terwijl veel anderen zich dan weer niet druk maken om het uitsterven van diersoorten, om maar wat te noemen). Ik ben altijd verbaasd als sommige activistische christenen op twitter opeens aangeven dat ze een voetbalwedstrijd kijken, omdat ik me schuldig voel dat ik graag films kijk en niet tegelijk christelijk werk kan doen.
En het is niet eens zo dat ik iets heb tegen opvang van vluchtelingen, of bestrijding van mensenhandel. Natuurlijk niet! Maar met mijn motivatie is wel wat mis: ik geloof dat ik waardeloos ben, dat God me afwijst, dat ik niet mag bestaan, als ik faal, als ik niet hard genoeg werk, als ik niet presteer. En dit leidt tot symptomen van stress als slaapproblemen, hyperventilatie, eczeem en overgewicht. En dat is het me niet waard. Dat is me zelfs mijn eeuwige behoud niet waard: want dat moet ik toch maar op geloof aannemen. Ik ga niet zoals St. Rosa van Lima mijn gezicht met peper en loog bewerken en laten opzwellen omdat ik bang ben dat mensen mij anders mooi zouden vinden, of een kroon van zilver dragen met punten aan de binnenkant om me aan Jezus te herinneren. Of zoals een legende wil, met loog gorgelen omdat mensen haar om haar stem complimenteerden. Ze stierf heel jong door wat ze zichzelf aandeed (bijvoorbeeld heel weinig slapen). En dat heb ik er niet voor over. Maar door mijn fundamentalistische opvoeding is het niet makkelijk aan oproepen en stimulerend bedoelde aansporingen te ontsnappen.
Dus wat ik tegen mijn vrouw zei, was dat ik niet meer zou luisteren. Een oproep dat ik niet mag zijn zoals ik ben, dat ik meer zou moeten doen (of vooral: andere dingen), dat ik een bepaalde leerstelling moet aannemen zonder bewijs of mensen met een ander geloof of andere geaardheid moet afwijzen, ga ik voortaan links laten liggen. En dat zonder me te verdedigen, zonder in discussie te gaan, zonder mijn argumenten aan een ander ter beoordeling voor te leggen. Ik ga geen verantwoording afleggen voor mijn keuzes en ik laat me niet corrigeren - niet door op zichzelf terug cirkelende redeneringen. Ik kan mezelf en wat ik doe en denk niet veranderen. Niet voor een ander in elk geval, en zelfs niet voor God, zoals hij door anderen verkondigd wordt. Ik weiger nog langer het spel mee te spelen, ik weiger mezelf en mijn inspanningen te zien als belangrijk in het einddoel van de kerk. Ik kan mezelf niet meer tot een rol reduceren.
Dit zal door veel mensen niet begrepen worden. Ze zullen me een slecht christen vinden. Een afvallige. En me daarover een schuldgevoel willen aanpraten, zodat ik me weer voor hun visie ga inzetten. Maar dat is dan maar zo. Ik wil me namelijk ook niets meer aantrekken van de mening van mensen over mijn (gebrek aan) spiritualiteit. Ik weet van mezelf dat ik nooit een atheïst zou kunnen zijn. Ik geloof in God. Ik kan niet zonder. Maar ik ga er niet meer over discussiëren. Als dat me voor sommige mensen in de categorie van niet-gelovigen plaatst, is dat hun eigen zaak. Een ieder zij voor zijn eigen geweten ten volle overtuigd, niet waar? Ik kan het gewoon niet meer toelaten, ook maar de ruimte in mijn denken over te laten dat zij gelijk zouden hebben en dat Gods acceptatie van mij (en dus mijn bestaan) ook maar in enige mate voorwaardelijk zou kunnen zijn, dat ik er iets voor zou moeten doen in welke vorm en hoe weinig dan ook. Dan behoor ik maar niet tot de ‘in crowd’ – ik kan me het ook niet veroorloven me daar druk om te maken, omdat het ook zou lijden tot vergelijken en daardoor stress en overspannenheid.

We hadden al eerder afgesproken dat we Tron Legacy die avond zouden kijken, en wie schetst mijn verbazing? Dit was ook het thema van deze film. Het voelde voor mij als een bevestiging van mijn voornemen. In deze film was de jonge computerprogrammeur Flynn in zijn enthousiasme begonnen met het ontwerpen van een nieuwe wereld: hij had een droom van een toekomstige werkelijkheid en wilde die nu naar de realiteit overbrengen. Dat kon hij niet alleen, dus hij vormde een nieuwe entiteit. Clu – een kopie van zichzelf. Deze gaf hij een opdracht mee: schep de perfecte wereld. En met die opdracht ging Clu aan de gang. Hij kon niet anders. Maar twintig jaar later was Clu de alleenheerser geworden van de computerwereld. Wie niet aan zijn ideaalbeeld voldeed (niet perfect was) werd vernietigd, werd opgeofferd in de spelen, of werd naar zijn beeld gevormd tot strijder (om elders perfectie te brengen). Een totalitaire samenleving was ontstaan, en alle factoren die de controle van Clu bedreigden werden nu opgespoord en uitgeroeid. En Flynn was een doelwit geworden. Via Flynn zou zijn controlerende evenbeeld Clu ook de menselijke wereld kunnen bereiken en die overheersen. En elke actie die Flynn ondernam, deed het net van zijn tegenstander zich alleen maar om hem sluiten. Clu bepaalde namelijk de regels in het systeem dat hij geschapen had, niet Flynn. Dus elke poging om het systeem te bestrijden, zou het systeem alleen maar sterker maken.
Dat was waarom Flynn ervoor had gekozen niet meer mee te spelen: de enige winnende zet was te weigeren te spelen. Als hij niets deed, was het systeem aan zichzelf overgeleverd, en zou het zichzelf uiteindelijk uitdoven. Want het doel (perfectie) was onbereikbaar: dat was wat Flynn had ingezien. Menselijke inspanning (en de inspanning van door de mens naar hun beeld geschapen systemen) kan geen perfectie tot stand brengen, want de mens is niet perfect. En wij leggen onze eigen imperfectie in onze systemen. Maar, zegt Flynn uiteindelijk tegen Clu, wat als het niet de bedoeling is dat wij de perfectie tot stand brengen? Wat als de perfectie zich al onder handbereik bevindt? Wat als het enige dat wij hoeven doen, is de perfectie te ontvangen – en dat we daarvoor dus niks hoeven doen? Clu had in zijn systeem ruimte kunnen maken voor de perfectie om in te verschijnen, maar dat weigerde hij. Dat wij niks voor perfectie kunnen doen, bedreigde zijn identiteit. Net zo kunnen veel religieuze instituten en kerken de vrijheid van Gods sacramentele aanwezigheid niet accepteren, omdat het hun hele reden tot bestaan lijkt omver te stoten. En dus zit er voor hen niks anders op dan te verdwijnen. Op zijn minst om uit de weg te gaan.
Ik zag dit deze kijkronde niet langer als wereldmijding, of in zichzelf gekeerd zijn. Deze film suggereert namelijk niet dat liefde voor anderen en de wereld buiten jezelf zinloos is. Wat de film wel suggereert, is dat het zinloos is op systemen te vertrouwen. Daarmee verlies je alleen maar je zelf, in plaats van haar te vinden.

Wordt vervolgd …

zaterdag 30 mei 2015

Filmbespreking: Twee toekomstperspectieven (1): Project T

Zoals je ziet als je naar mijn profiel hiernaast kijkt, schrijf ik niet alleen maar gedichten en filmbesprekingen, maar onder andere ook science fiction-verhalen. De laatste tijd vooral korte verhalen. Dit voorjaar deed ik mee met de verhalenwedstrijd van Trek Sagae, en daar won ik met mijn verhaal ‘De Valstrik’ de eerste plek. Een bemoediging om door te gaan. Ik hoop begin volgend jaar een bundel korte SF-verhalen uit te brengen. Maar eerst verschijnt dit najaar ‘Hoe je zwakheid leven brengt … Als God je verhaal vertelt’. Daar ben ik natuurlijk heel enthousiast over! Later zal ik er op mijn blog meer over schrijven. In dit en het volgende blogbericht gaat het om mijn SF-verhalen. Toen ik tiener was schreef ik mijn eerste korte verhalen, en eigenlijk ben ik ze in de tussentijd altijd blijven schrijven tussen de grotere projecten door. Sinds vorig jaar heb ik er prioriteit aan gegeven, en in een jaar tijd heb ik ongeveer achttien korte verhalen geschreven. De ideeën zijn echter nog lang niet uitgeput, dus ik schrijf gewoon lekker verder.
De verhalen die ik schrijf, hebben verschillende thema’s. Veel gaan over bijzondere levensvormen, aangezien ik gefascineerd ben door biologie en bijzondere ecosystemen. Een deel van de verhalen speelt zich af op andere werelden, wanneer de mens de technologie heeft ontwikkeld daar naartoe te reizen. De toekomst die ze beschrijven is behoorlijk positief, met ruimteschepen, robots en bijkans onsterfelijkheid binnen handbereik. Andere verhalen zijn minder positief en spelen zich af op onze Aarde, nadat de mens door milieuverontreiniging, broeikaseffect, het uitroeien van diersoorten en van andere mensen, zijn omgeving zowat onleefbaar heeft gemaakt.
Het zijn de twee toekomstperspectieven die altijd al terug te vinden zijn geweest in het genre: dat van de utopie (de wereld waarin iedereen gelukkig is, en alle problemen kunnen worden opgelost), en dat van de dystopie (de slechtst denkbare wereld, waarin de menselijke waardigheid, en zelfs zijn voortbestaan onmogelijk lijkt). Dat schrijvers en filmmakers steeds verhalen produceren uit beide categorieën illustreert onze ambivalentie als mensen ten opzichte van onze eigen toekomst - de eeuwige strijd tussen optimisme en pessimisme.
In elk geval illustreert de tweedeling in mijn eigen oeuvre mijn eigen ambivalentie. En ik schrijf om eerlijk te zijn meer dystopieen dan utopieen. Optimisme is niet echt een van mijn kenmerkende eigenschappen. Elk bericht over het uitsterven van weer een diersoort doet mij huiveren. Dat speelt natuurlijk mee met hoe ik de hierna te bespreken films beoordeel. Van ongenuanceerd optimisme word ik altijd wat wantrouwig, aangezien ik mezelf niet pessimistisch vind, maar realistisch.
Aan de andere kant kan ik wel stuiteren van enthousiasme bij wetenschappelijke ontdekkingen, gedaan in het laboratorium, bij opgravingen, op expedities in de diepzee of met robots op Mars. Als er een sonde op een komeet landt, volg ik het nieuws daarover aandachtig. Stemmen als dat er niet in ruimtevaart geïnvesteerd mag worden, omdat we alles nodig hebben om het leed van mensen te verlichten, maken me nogal onrustig. Want ze suggereren dat het verzamelen van kennis over ons heelal niet waardevol is, tenzij ze nuttig is. Dit vind ik pas echt een pessimistische visie. Enthousiasme en het zoeken van kennis om de kennis is iets moois, maar aan de andere kant: het is niet waardevrij. Het conflict tussen de twee stromingen binnen de sciencefiction zegt dus iets over conflicterende waarden die nu spelen in de maatschappij.

De afgelopen maand was de strijd terug te zien op het scherm van de bioscoop. Er was een dystopische film, met een bijna onbewoonbaar, woestijnachtig toekomstlandschap. Daarover later meer. Iets uitzonderlijker was een utopische film, die beoogde dystopische verhalen te ontmoedigen en opriep een positiever toekomstbeeld te verkondigen. Een van ontdekkingen, van inspiratie en van vooruitgang. Dit was Disneyfilm Project T (een film die in het buitenland is uitgebracht als Tomorrowland, maar die naam in Nederland niet mocht dragen vanwege een muziekfestival).
Deze laatste film was inhoudelijk het meest interessant van de twee, maar niet de beste. Wat voor de film pleit, is zijn ambitie: een origineel verhaal vertellen, met als hoofdpersonen een intelligente tiener, een robot en een kluizenaar. Zonder romantisch plot. En met een scene waarbij onder de Eiffeltoren een Steampunk-raket schuilgaat, die toegang biedt tot een andere wereld. Waar vindt je dat elders nog? De kracht van de film zit hem in enkele heel goed uitgedachte en weergegeven scenes. Regisseur Brad Bird liet in zijn eerdere (teken)films al zien fantastische actiescenes te kunnen verzinnen, en doet dat hier ook. Een gevecht in een SF/geekwinkel (waarbij een tegenstander wordt uitgeschakeld met een bliepende R2D2), de belegering van een huis door een stel robots, een rondleiding door een futuristische wereld, het is adembenemend in beeld gebracht. Voeg daarbij een prima acterende George Clooney, en een dosis humor, en je krijgt een uniek resultaat. Helaas was de actiescene aan het slot veel minder inspirerend, en waren er een paar erg prekerige passages. Hugh Laurie loopt heen en weer als een ‘motivational speaker’, maar wist mij niet te overtuigen. Ik denk dat de film bij mij daarom niet bereikte wat hij beoogde te bereiken. Maar ik zal hem zeker nog vaker kijken, al was het voor de oorspronkelijke ideeën. 

Tiener Casey heeft het zwaar op school. Iedere docent vertelt hoe erg het in de wereld is, hoe groot de risico’s zijn. Maar op haar vraag hoe we het kunnen oplossen, heeft niemand een antwoord. En thuis is het niet beter. Haar vader -technicus bij NASA- staat op het punt ontslagen te worden, en haar droom om ooit de sterren te bezoeken, lijkt nooit te zullen uitkomen. Op een dag vindt ze een mysterieus speldje dat haar lijkt te transporteren naar een andere wereld, vol jetpacks, hologrammen en zwevende treinen. En ruimteschepen. Het waren maar beelden, maar nu wil ze niets liever dan die wereld echt betreden. Het spoort leidt, via een SF/geek-winkel, een bijna-aanrijding en een ontmoeting met robotmeisje Athena, naar het gebarricadeerde huis van Frank Walker, dat vol staat met technieken die nog niet uitgevonden zouden moeten zijn. En met een klok die aan het aftellen is. Kennelijk gaat er over twee maanden iets ergs gebeuren. Frank kan Casey echter niet naar de andere wereld brengen, want de toegang ernaar toe is al decennia lang afgesloten. Ene gouverneur Nix heeft besloten onze aarde in de steek te laten …

Het centrale thema van de film is het welbekende oude verhaal van de twee honden. In je hart wonen twee honden, een witte en een zwarte, die met elkaar vechten. Wie van de twee wint er? Degene die je het meest te eten geeft. Casey refereert er meerdere malen aan in de loop van de film. Ik kreeg het zelf vaak genoeg te horen in mijn christelijke opvoeding. Dan had het betrekking op mijn oude natuur (het vlees) en mijn nieuwe natuur (in Christus). Ik moest, door uit de bijbel te lezen, te bidden en naar de kerk te gaan, de hond van mijn nieuwe natuur voeden. Dan zou die mijn slechte natuur verslaan. Maar als ik, door het kijken van films, het lezen van stripboeken of het omgaan met verkeerde mensen de hond van mijn oude natuur voedde, zou die uiteindelijk de overhand krijgen.
In mijn bespreking van ‘Beasts of the Southern Wild’ heb ik uitgelegd dat deze wel heel erg simpele voorstelling van het geestelijke leven uiteindelijk voor mij heel slechte gevolgen had. Ik werd er gestrest van, overspannen, omdat ze de verantwoordelijkheid helemaal bij mij neerlegde. Als ik toevallig de zwarte hond een enkel hapje eten meer gaf, zou die de witte verslaan, en dat was dan mijn schuld geweest. Ik kon nergens van genieten, maar moest altijd afvragen welke hond ik voedde, en ik kon natuurlijk niks anders doen dan die activiteiten die de witte zouden ondersteunen. Het verhaaltje had ertoe geleid dat ik mezelf zag als in tweeën gesplitst en de strijd die ik in mijn binnenste voerde maakte me volledig uitgeput. Ik denk dat er uiteindelijk alleen maar verliezers waren.
In de film wordt de metafoor op grotere schaal toegepast: het idee is dat ons vertellen van pessimistische verhalen een ‘self fulfilling prophecy’ is, omdat we voor de toekomst die in die verhalen wordt getoond, nu zelf niets hoeven te veranderen. Door ons te voeden met verhalen over ingestorte samenlevingen, vernietigde ecosystemen, en verdwenen menselijke waardigheid, zouden we gaan geloven dat dit een onafwendbare toekomst is, en dat we die toch niet kunnen tegenhouden. We zouden passief worden. De film vraagt waar de toekomstbeelden gebleven zijn uit de SF-verhalen van de jaren vijftig en zestig (de film opent niet voor niets met beelden van de Wereldtentoonstelling uit 1964), de ‘gouden eeuw’ voor de SF, met verhalen van Clarke, Asimov en Heinlein, waarin tieners nog een raket konden bouwen in hun achtertuin, jetpacks door de lucht zoefden en zowel de lichtsnelheid als de tijd geen beperking waren voor de avonturiers van de toekomst. De toekomst van bijvoorbeeld de eerste Star Trek-serie. Hoe komt het dat we ondertussen dik in het derde millennium zitten, maar nog steeds geen jetpacks kunnen vliegen?
Nou, doordat verhalen nooit echt de toekomst kunnen voorspellen, die misschien anders is, maar niet noodzakelijk slechter (de ruimteschepen in die verhalen bevatten bijvoorbeeld geen computers, en wie had ooit de iPhone kunnen verzinnen?), en omdat die utopie nooit werkelijk bestond. Omdat niet gespot kan worden met de natuurwetten, en ook niet met de menselijke natuur. In 1963 had de wereld nota bene nog aan de rand van de nucleaire afgrond gestaan tijdens de Cubacrisis! Daarover wordt niet gerept in de film. Het leek misschien toen mensen op de maan landden, dat alles mogelijk zou zijn, maar de techniek bleek een tweesnijdend zwaard. De meeste problemen waar we tegenwoordig mee kampen zijn aan dezelfde innovaties te wijten: zure regen, het gat in de ozonlaag, antibioticaresistentie, ziektes die hele monoculturen van gewassen treffen, watertekorten en zeespiegelstijging, atomaire wapens en cyberterrorisme, ze zijn mogelijk gemaakt door dezelfde ontwikkelingen die werden toegejuicht in de verhalen.

Dat vooruitgang mogelijk is zonder dat het iets kost, of zonder ooit tegen beperkingen op te lopen, is de mythe van deze tijd. De mythe van de maakbaarheid, die achter het verhaal van de twee honden schuilt. De maakbaarheid van de individuele mens (als je maar 'nee' zegt tegen eten wordt je vanzelf slank), en de maakbaarheid van de wereld (als we maar optimistisch genoeg zijn, komt alles goed). En een mythe die nogal verweven was met de verheerlijking van wetenschap in de SF verhalen van vroeger. De andere wereld in deze film werd gesticht door de groep ‘Plus Ultra’, die wetenschappers, kunstenaars en andere creatievelingen bij elkaar wilde brengen om ‘alles te kunnen maken wat ze maar wilden’. Daarvoor hadden ze een plek nodig zonder ‘politiek, bureaucratie en hebzucht’. Hilarisch! Ze dachten aan de menselijke natuur te kunnen ontsnappen, maar ongeacht naar welke wereld ze zouden vluchten, ze zouden altijd een politiek hebben, geschreven en ongeschreven regels, en ook hebzucht. Het idee dat wetenschappers en kunstenaars daar niet over zouden hoeven nadenken, maakt ze alleen maar blind voor die aspecten van hun eigen hart.
En juist zij hebben die relativering eigenlijk nodig. In contact te staan met de menselijke samenleving, met de voeten in de Aarde staan. Anders zouden ze zo een tweede ‘atoombom’ kunnen creeren, in naam van de vooruitgang, of hun eigen ego. Want er zit een bepaalde ik-gerichtheid achter. Niet alleen bij de oprichters van deze andere wereld, maar ook bij de hoofdpersonen zelf. Frank vindt het als jongetje maar wat gaaf om zichzelf in een spiegelend gebouw te zien vliegen met zijn jetpack. Hij steekt zelfs zijn duim op naar zijn spiegelbeeld. En Casey is wel heel trots dat zijn volgens robotmeisje Athena een score van wel 73 heeft gehaald op een bepaalde schaal. Niks mis met trots zijn op je prestaties, maar je moet oppassen om je daar niet door te laten verblinden. Dat je (vanwege je talent) iets kunt, wil niet zeggen dat je het ook moet doen.

De oplossing voor de wereldproblematiek ligt in deze film in de handen van Casey, die de andere wereld weer in zijn glorie wil herstellen, weer wil laten functioneren, zodat uiteindelijk alle uitvindingen en ontdekkingen van daaruit weer naar de onze zullen zullen stromen. Ze heeft uit onze wereld, haar intrek genomen in die andere wereld, de organisatie van 'Plus Ultra’ nieuw leven ingeblazen, en als ze nu maar hard genoeg werkt aan het voeden van de ‘witte hond’, zal alles goed komen. Nogal een grote last om op je schouders te dragen, zelfs als je een optimist van nature bent. Want wat als de vernieuwing niet zo makkelijk gaat, wat als er onverhoopt toch rampen optreden en het onheil zich niet laat afwenden? Dan heeft zij gefaald, dan is het haar schuld, dan was zij kennelijk niet optimistisch genoeg.
Ik geloof in het diepst van mijn hart dat het verhaal van die twee honden een fabeltje is, en dat het niet ons harde werken, onze inspanning, ons optimisme is dat de wereld zal redden, de SF-verhalen van de jaren ’50 en ’60 ten spijt. En ironisch genoeg is het een van de dystopische verhalen die in deze film op de hak worden genomen (kijk de filmaffiches maar voorbijkomen in de film), die volgens mij een veel hoopgevender beeld van de toekomst geeft. Daarover meer in mijn volgende blogbericht, dat morgen of overmorgen online komt!

(wordt vervolgd)

woensdag 22 april 2015

Gedicht: 'The hound of heaven'

'The hound of heaven'

Ik rende jaren lang zo snel
als mijn benen konden. Vluchtte
dwars door niet vergevend land.
Mijn longen brandden. Ogen prikten
van het zweet. Een speer doorstak
mijn zijde, maar ik gaf niet op,
negeerde blaren, krampen, dorst,
door de angst gedreven. Achter mij
meende ik te horen u, hijgend
als een panter, met prooi spelend.
Genietend van de jacht wist u
mij bij te houden, waar ik ook ging
door ravijnen of door dalen.
Dus ik mocht niet meer vertragen,
niet meer struikelen, niet rusten,
rondom me kijken, ademhalen,
of u zou mij grijpen, mij straffen
voor nalatigheid. Mij verlaten. 
Maar ik faalde, viel als dood 
ter aarde, kon niet meer presteren,
alleen nog wachten op mijn lot. 
Maar dat bleef uit. Ik keek voorzichtig op.
Ik zag niets achter mij dan leegte,
hoorde de echo. Ik was het zelf
die mij had opgejaagd. Mijn brul
had mij doen schrikken. Ik wou
mezelf ontlopen. U was nooit
in het geweld te vinden. Uw stem
klonk niet zo luid. Pas toen het stil werd
kon ik u verstaan. En het was goed.

maandag 30 maart 2015

Gedicht: Er is een andere oever

Er is een andere oever

Er is een andere oever
ook al zie ik die nu niet,
moet ik door de mist laveren
zonder baken. Varen tegen
rijen huizenhoge golven in.

Het glas beslaat. De kompasnaald
tolt voortdurend. Duizelig
word ik ervan. Het zeil wappert
en ik maak ergens water.
Ik hoor de pompen protesteren.

Toch keer ik niet om. Mijn thuis heeft mij
niets meer te bieden, dan ketens
om mijn benen. Mijn rug belast
met wat vreemden wensen en ik
mag daarin niet verdwijnen.

Maar de zee rolt dag en nacht wild
onder mij, berooft mij van mijn rust.
Ook mijn bezit ging overboord.
Mijn handen kleven aan het wiel
door wrede angst geknecht.

Er is een andere oever.

vrijdag 28 februari 2014

Gedicht: Offers

Offers

Wanneer is het genoeg?
Ik heb mijn tas al leeg geschud
boven de put. Die gaapt nog steeds:
een tandeloze mond. Vraagt mij
om meer. Meer geld, meer tijd.
Mijn toewijding verzadigt niet.
Wat heb ik dan nog over? Mijn vlees:
bleek, na lange nachten woelen
aan koorts ten prooi gevallen.
Het vuur dat ik ging afbetalen
heeft nu toch het laatste woord.
Maar zijn ogen blijven dwingen,
zijn vinger uitgestrekt. Geen begrip
voor lege beurs of stervend hart.
De machine, die moet draaien,
en voor mij tien anderen.
Dus ik snijd mezelf en voed de macht
met vreugde, met verlangen,
tot slechts leegte overblijft. Zwart,
door niets meer op te vullen.
Is het dan eindelijk genoeg?

dinsdag 23 juli 2013

Gedicht: Bethel

Bethel

 

Het stof is neergedaald
De strijd besloten
Ik sta alleen, mijn wapens
Liggen nutteloos opzij
Met wie ik vocht
Is niet te onderscheiden
Opgelost, als nevel
In de middagzon.
Wie heeft gezien hoe ik
Mijn bloed verspilde?
Mijn laatste krachten schonk
Voor een verscheurde vlag
En ingestorte burcht?
De hemel blijft gesloten
Geen lauwerkrans
Wordt mij toegeworpen.
Ik krijg geen ereplaats.
Geen prijs.
Mijn offer was vergeefs.
 
Nu kan ik helder zien
De horizon is open
Gras en zonlicht overal.
De schaduw is mijn bed
Ik drink uit waterstromen
Eet brood des levens
Tot ik ben voldaan.
Mijn hand vindt zelf zijn werk
Vlecht bloemenkransen, laat ze
Achter voor wie volgt.
Strooit verkwistend rond
Van wat ik raap. Ik zwerf
maar zonder te verdwalen.
Ben zelf het huis, de olie
Druipt van mijn gelaat.
De hemel is als glas
Ik zie voorbij de sterren
Een lach.
En ik ga rustig slapen.
 

zondag 3 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 1: willen, moeten en behoren

Een tijdje geleden ontmoette ik een oude vriend. Ik heb op mijn blog eerder over hem geschreven in mijn serie ‘Blast from the Past’. Daar schreef ik over de periode toen ik studeerde en net twintig was. Ik las toen elke dag uit de bijbel (vijf hoofdstukken), memoriseerde bijbelteksten (heb ik nog vaak plezier van, moet ik toegeven), las bijbelstudieboeken, bad elke dag minstens een half uur, probeerde mezelf nieuw testamentisch Grieks aan te leren, en bezocht alle bijeenkomsten van de kerk waar ik toen bij hoorde. Mijn vriend deed hetzelfde. Dat was ook waardoor we elkaar vonden op een bijbelstudiekamp georganiseerd vanuit ons kerkgenootschap. We waren allebei serieuze, toegewijde christenen en we bemoedigden elkaar om God enthousiast te dienen. Zodra we allebei een e-mailadres hadden begonnen we bovendien aan een uitgebreide elektronische correspondentie. Mijn vriend heeft al onze berichten uitgeprint en heeft een hele stapel thuis liggen.
Maar, zoals ik ook in die eerdere serie schreef, in het vierde jaar van mijn studie, toen ik bezig was met mijn afstudeerstage, werd ik overspannen. Ik sliep nauwelijks meer, werd acht keer per nacht wakker, en werd daardoor (natuurlijk) vermoeid en prikkelbaar. Wat ik ook probeerde, ik kon niet ontspannen. Tot een docente van mijn opleiding me suggereerde dat ik, als ik thuis kwam, nu eens niet moest doen wat ik had gepland, dat ik van mezelf moest doen, maar dat ik deed wat ik wilde. Dat was een revolutionair concept voor me! Wat ik eigenlijk direct besefte was dat alle religieuze activiteiten die ik deed niet werden gemotiveerd door verlangen, maar dat ik ze deed (en zo hard) uit een gevoel van verplichting. Ik dacht dat ik een slecht christen zou zijn als ik het niet deed, dat ik dan tekort zou schieten. Ik voelde me schuldig als ik mijn doelen niet haalde. Ik zette mezelf onder druk, door niet te doen wat ik eigenlijk wilde, en mijn tijd vol te plannen met wat ik geloofde dat ik moest. Dat kon natuurlijk niet goed gaan. Ik realiseerde me toen dat ik eigenlijk wilde schrijven. En begon aan mijn boek Neptunus (dat binnenkort opnieuw wordt uitgegeven! Houd deze plek in de gaten! - een beetje reclame voor mezelf mag wel op mijn eigen blog, toch). Ik heb toen een paar jaar lang niet gebeden en niet uit de bijbel gelezen, en geen christelijke boeken gelezen. Dat was heerlijk. Mijn vriend ging daar echter wel mee door. En dat leidde tot spanning in onze relatie. Want ik geloofde dat hij alles deed uit dezelfde motieven als ik. Dat ook hij alleen werd gedreven door gevoelens van schuldgevoel, schaamte en verplichting. Dat hij mij daarom aanmoedigde om te blijven bijbellezen. (Aan de andere kant dacht hij dat ik werd gedreven door dezelfde motieven als hij: dat ik werkelijk graag bijbelstudie deed, en dat mijn passie om te bidden uit mijn hart kwam, zoals bij hem). Dit leidde ertoe dat ik onze relatie verbrak. Het heeft jaren geduurd voor ik hem daarvoor om vergeving vroeg - die hij gelukkig verleende. Ik begreep toen dat al die activiteiten bij hem niet voortkwamen uit plicht, maar dat hij zich er echt graag mee bezighield (en nu dertien jaar later nog steeds graag mee bezighoudt!). Zijn motivatie was oprecht, terwijl die van mij uit schuldgevoel en schaamte voortkwam. Ik was namelijk veel liever bezig met verhalen, met boeken, met fantasie en verbeelding. Dat was wat mij motiveerde.

Toen ik na de ontmoeting met mijn vriend sprak met mijn verloofde, zei ik: “Hij is echt zoals St. John Rivers.” -En daar hebben we de connectie met deze boekbespreking. Ik had namelijk net het boek Jane Eyre van Charlotte Bronte gelezen. Dit is een van de favoriete boeken van mijn verloofde, en het is bovendien nog eens een klassieker (ik meen ergens gelezen te hebben dat ook C.S. Lewis fan was van de Bronte-boeken). Het boek gaat over  weesmeisje Jane Eyre, die gouvernante wordt van een meisje, Adele, in een kasteel. Dan komt de heer de huizes thuis van zijn reis. Deze Mr. Rochester is onconventioneel eerlijk, gepassioneerd en behandelt Jane als gelijke. En hij is gecharmeerd van haar eerlijkheid en stelligheid. Jane krijgt gevoelens voor hem, maar mr. Rochester lijkt te willen trouwen met een adellijke dame. Ze kan het dan ook nauwelijks geloven als hij opeens haar ten huwelijk vraagt. Maar als ze getweeën in de kapel staan, wordt de plechtigheid onderbroken. Een advocaat heeft bewijs dat het huwelijk tussen Rochester en Jane Eyre ongeldig zou maken ...
Over de literaire kwaliteiten van het boek zal ik het hieronder niet uitgebreid hebben. Het is niet voor niets een klassieker. Charlotte Bronte schrijft heel invoelend vanuit het perspectief van Jane. Het wordt een werkelijk persoon voor de lezers, met niet alleen goede, maar ook minder positieve eigenschappen. Dit is bijvoorbeeld eindelijk een romantisch boek waarin de heldin niet bijzonder knap of aantrekkelijk is. De man in haar leven trouwens ook niet. Verder is het boek voor de tijd waarin het werd geschreven behoorlijk feministisch. Jane’s betoog dat vrouwen een zelfde innerlijke leven hebben als mannen en net als mannen hun eigen leven willen leiden, lijkt voor ons wellicht vanzelfsprekend, maar was dat in de negentiende eeuw absoluut niet. Het verhaal bevat enkele gothische elementen die er zelfs een thrillersfeertje aan zouden kunnen geven, maar het wordt niet als horror behandelt. Aan het eind sluipt er een voor moderne lezers magisch realistisch tintje in, als twee karakters elkaar over een afstand van tientallen mijlen naar elkaar horen roepen. Maar dat is niet wat bij blijft. Wat bij blijft is het karakter van Jane Eyre, en het gevoel haar echt te kennen. Iemand die je graag in je kennissenkring zou hebben, al was het maar om haar verbeelding - ze maakt zelfs fantasy-illustraties.

Van een van de karakters in het boek dacht mijn verloofde aanvankelijk dat die leek op mij zoals ik voor mijn overspannenheid was, omdat hij zich ook onder druk zette om de Heer te dienen, zo ver dat hij zelfs een relatie weigerde met iemand die op hem verliefd was (en van wie hij ook hield), zodat hij zendeling kon worden in India. Ze dacht dat dit bij St. John Rivers ook voortkwam uit schuldgevoel en verplichting. Maar toen ik het boek las, realiseerde ik me dat het anders was. De passie van St. John Rivers was namelijk oprecht. Hij wilde echt de Heer dienen. Het was zijn natuur. Zoals Jane Eyre over hem zegt: “I saw he was of the material from which nature hews her heroes - Christian and Pagan- her lawgivers, her statesmen, her conquerors: a steadfast bulwark for great interests to rest upon ... This parlour iss not his sphere. The Himalayan ridge or Caffre bush, even the plague-curses Guinea Coast swamp would suit him better. Well may he eschew the calm of domestic life; it is not his element: there his faculties stagnate. It is in scenes of strife and danger - where courage is proved, and energy exercised, and fortitude tasked-that he will speak and move, the leader and superior. A merry child would have the adventage of him on this hearth. He is right to choose a missionary’s career- I see it now.” Zo was het verlangen om bijbelstudie te doen en te bidden van mijn vriend ook altijd oprecht was geweest. Het hoorde bij hem.
Ik herkende mezelf echter eerder in Jane Eyre - op wie het betreffende karakter inpraat dat zij ook zendelinge moet worden (hij schrijft aan haar dezelfde motivatie toe als hij zelf heeft). En St. John Rivers wil dat ze haar leven achterlaat om voor de Heer te lijden. “Remember, we are bid to work while it is day - warned that ‘the night cometh when no man shall work’  Remember the fate of Dives, who had his good things in this life. God give you strength to choose that better part which shall not be taken from you!” Omdat hij zendeling wil worden, denkt hij dat dit het plan van God met allen is. En Jane is er gevoelig voor. Zoals iemand tegen haar zegt: “St. John would urge you to impossibilities; with him there would be no permission to rest during the hot hours; and unfortunately, I have noticed, whatever he exacts, you force yourself to perform.” En het zou voor Jane slecht aflopen, want het is niet haar ware natuur. Zij heeft een meer verbeeldingsvolle geest - ze is in haar hart een kunstenares, die prachtige fantasievolle tekeningen maakt. Daar verlangt ze naar. Jane zegt daarom: “As his wife-at his side always, and always restrained, and always checked - forced to keep the fire of my nature continually low, to compel it to burn inwardly and never utter a cry, though the imprisoned flame consumed vital after vital - THIS would be unendurable ... If he would marry me, he would kill me. He is killing me now.’ Gedwongen worden haar ware natuur te onderdrukken om religieus gedrag te vertonen dat ze eigenlijk niet wil, zou haar dood worden. Ze zou er overspannen van worden, is wat ik haar hoor zeggen. Ze kan zichzelf niet op die manier ontkennen zonder eraan te bezwijken. Daarom weigert ze met St. John mee te gaan naar India.
Maar het interessante in het boek is natuurlijk dat een paar hoofdstukken eerder Jane ogenschijnlijk zichzelf en haar passie wel ontkende, namelijk door weg te rennen bij Mr. Rochester, de liefde van haar leven, de man van wie ze meer dan alles hield. Ze kon haar hart met hem delen (zoals ze dat niet kon met St. John). Ze kon alles tegen hem zeggen. En hij had haar gezegd dat hij ook van haar hield. Hij had haar ten huwelijk gevraagd. Hij had zelfs een prachtige trouwjurk voor haar gekocht. Hij was bereid de kloof van rijkdom en afkomst te overbruggen voor haar: een edelman die zich wil binden aan een gouvernante. Jane wist heel zeker dat Mr. Rochester haar gelukkig zou maken. Mr. Rochester is namelijk een heel andere man dan St. John. Gepassioneerd. Misschien zelfs te gepassioneerd. Hij leeft namelijk niet voor een hoger ideaal, zoals St. John, maar alleen voor zichzelf. “Since happiness is irrevocably denied me, I have a right to get pleasure out of life: and I WILL get it, cost what it may.” Hij leeft niet uit zijn hoofd (zoals St. John), maar uit zijn buik (waar Jane uit haar hart leeft, zoals ik in het volgende deel van deze bespreking zal laten zien). Mr. Rochester leeft voor wat hij verlangt. Maar net als St. John wil ook hij Jane iets opleggen, namelijk dat zij net als hij haar verlangen klakkeloos volgt, dat ze toegeeft aan haar verliefdheid, en in feite zijn maîtresse wordt. Hij wil dat ze geen belang hecht aan de huwelijksbelofte, dat ze alles maar laat schieten om zich aan hem te binden. Hij wil dat ze haar lust volgt. Haar ‘vlees’ in de termen van de bijbel. Waar St. John vond dat Jane op hem behoorde te lijken, vindt Mr. Rochester dat Jane op hem behoort te lijken. En in beide situaties gaat Jane er bijna aan onderdoor.

Ik las met mijn verloofde laatst in het interessante boek When I Say No, I Feel Guilty (Als Ik Nee Zeg, Voel Ik Mij Schuldig) van Manuel J. Smith een paragraaf die de situatie van Jane verduidelijkt (en ook mijn eigen situatie). Het gaat om het verschil tussen ‘moeten’ en ‘behoren’. Hij schrijft: ‘I often ask people to phrase their internal conflict in any of these three categories: ‘I want to’, ‘I have to’ or ‘I should’. The I WANT category is straightforward i.e. I WANT to have steak for dinner three times a week, I WANT to go to the movies instead of watching TV, or I WANT to spend the rest of my life living on the beach in Tahiti. From these wants, certain I HAVE TO’s or contingencies follow. The I HAVE TO’s are compromises that you work out within yourself and with other people. If I WANT steak three times a week, I HAVE TO get the money to afford to eat steak three times a week. If I have to get this money (and I also want to stay out of jail), I HAVE TO work at a job that pays enough money so I can afford steak three times a week (or some other compromise that works). If I WANT TO go to the movies tonight, I HAVE TO forgo watching my favorite TV-program. If I WANT TO spend my life lounging on the beach of Tahiti, I will HAVE TO get used to ‘tropical lunch’ (whatever you can mooch). All these contingencies on what you do because you want certain things are quite simple: you simply decide if the I WANTS are worth the I HAVE TO’s. Many people, however, cofuse the I HAVE TO’s with the I SHOULD’s and muddy the clear water of their thinking. SHOULDS as a rule of thumb, can be categorised as manipulative structure used to get you to do wahtever someone else wants, or arbitrary structure you have imposed upon yourself to deal with your own insecurity concerning what you ‘can or cannot’ do. For instance: I SHOULD work because everybody SHOULD be productive, not just because I want meat on the table three nights a week. I SHOULD get out in the evening because I SHOULDN’T watch TV all the time. I SHOULDN’T want to go to Tahiti, because no one SHOULD be a beach bum. Whenever you hear yourself or someone else say ‘should’, extend your antimanipulative antennae up as far as possible and listen carefully. In all likelyhood, some message will follow that says: ‘You are not your own judge’.

Als ik kijk naar mijn eigen leven en de reden dat ik overspannen ben geworden, realiseer ik me dat ik leefde op basis van ‘behoren’. En dat slurpte mijn energie weg. En nog steeds hoor ik veel boodschappen die me zeggen dat ik dingen ‘behoor’. Die komen voort uit de maatschappij (je ‘behoort’ een goede baan te hebben, je ‘behoort’ naar de sportschool te gaan), maar helaas ook uit de kerk. De meeste boodschappen over het christelijke leven die worden gebracht in de kerk, zijn in mijn ervaring ‘behorens’. Ik ‘behoor’ meer te bidden,  ik ‘behoor’ meer te geven, ik ‘behoor’ de leiders te gehoorzamen. Anders ben ik geen goed christen, anders hoor ik er niet bij, anders stel ik God en andere mensen teleur, anders ... Mede als gevolg van mijn overspannenheid lukt het me niet goed deze ‘behorens’ buiten me te houden en ik krijg er stress van. Dat is niet gezond. Ik heb vaker geschreven op mijn blog over de verschillen tussen motivatie van buitenaf, en van binnenuit. Motivatie van buitenaf (gebaseerd op de principes van beloning en straf) ontneemt me uiteindelijk mijn vrijheid, en maakt me minder mezelf. Bovendien kan ik het uiteindelijk niet volhouden.
Ik verander alleen als ik wordt gemotiveerd van binnenuit. Als mijn verlangen verandert. Als mijn ‘Ik WIL’ verandert. Want dan ga ik zien dat daarbij een ‘Ik MOET’ hoort!
Toen ik op de middelbare school heel graag met een survivalkamp naar de Ardennen meewilde, besefte ik dat ik moest trainen. En dat heb ik toen een hele tijd gedaan. En toen ik besefte dat ik niet langer vrijgezel wilde blijven, realiseerde ik dat ik initiatief moest nemen om vrouwen aan te spreken, ook al voelde dat spannend. Ik geloof dat het zo ook geldt op het gebied van het christelijk geloof, maar daarover zal ik meer schrijven in het tweede deel van deze bespreking. Ik zal laten zien hoe Jane Eyre vanuit haar zelfrespect in staat is om ‘nee’ te zeggen tegen de ‘behorens’ die haar worden opgelegd door St. John Rivers en Mr. Rochester, en waar dat zelfrespect vandaan komt, namelijk: de liefde van God, die de angst uitdrijft en ons weerbaar maakt tegen manipulatie.

zondag 4 maart 2012

Liefde van buiten, liefde van binnen 1

The plot thickens’ - zo klinkt het wel eens in detective- of spionageverhalen. De held vindt een aanwijzing die opeens een heel scala aan gebeurtenissen in een ander licht stelt, de boosaardige machtswellusteling aan het roer van een misdaadorganisatie zet zijn snode plannen in werking, twee vreemdelingen blijken aan elkaar verwant te zijn. Wie veel films kijkt, weet vast wel wat ik bedoel: het moment vlak voor de laatste acte, het ogenblik dat het duidelijk wordt dat de ontknoping eraan komt, als de verschillende verhaallijnen elkaar opeens beginnen te kruisen en je als kijker of lezer een vaag idee begint te krijgen van de afloop die de verteller op het oog heeft. Het heeft er misschien nooit hopelozer uitgezien voor de hoofdpersoon, maar je weet dat er een omkeer gaat komen. Je ziet het eerste licht van het ‘happy end’ al glooien aan de horizon.
In mijn eigen leven ken ik ook zulke momenten. Momenten dat ik een lijn begin te ontwaren in wat mij overkomt, momenten dat mijn gedachten over verschillende onderwerpen als puzzelstukken in elkaar beginnen te vallen, momenten dat opmerkingen en commentaren van anderen eindelijk tot me door beginnen te dringen. Het zijn momenten dat ik me plotseling realiseer dat er een nieuw hoofdstuk in mijn leven gaat aanbreken. Momenten dat ik merk dat er verandering in de lucht zit. En zelfs al zou ik me vergissen in mijn interpretatie van mijn leven, dan ben ik in elk geval naar die verandering gaan verlangen. En volgens mij is het precies dat wat verandering mogelijk maakt.
Dit is zo’n periode waarin voor mij een paar dingen samen vallen. Omdat ik er nog middenin zit, is het nog moeilijk de precieze contouren van deze ‘plottwist’ te omschrijven. Bovendien is een publieke internetsite niet de meest geschikte plek om zo open over jezelf te publiceren, maar omdat ik ook gevolgen voorzie voor de continuïteit van deze blog, wil ik jullie toch laten delen in de grote lijnen van deze omwenteling.

De verhaallijnen die ik nu in mijn leven ontwaar, zijn natuurlijk al langer geleden in gang gezet, maar ik werd me er drie weken geleden pas echt van bewust. Op een maandagavond begin februari was ik in Utrecht aanwezig bij een heel interessante bijeenkomst. Ik mag daar verder van de organisatie niets over zeggen dus over het onderwerp en de aanwezigen heb ik het niet in dit bericht. Voor mij lag het succes van deze avond ook niet in de plenaire discussie (hoe boeiend die ook was), maar in een gesprek dat ik had met een van de aanwezigen. Hoe het gebeurde, weet ik niet meer precies, maar onze conversatie werd al snel behoorlijk persoonlijk. Ik vertelde over mijn ervaringen met de kerk, over het opgroeien in een strenge geloofsgemeenschap, waar ik de regels en eisen ook nog eens heel serieus opnam, en hoe ik overspannen werd van het doen van bijbelstudie. Ik vertelde ook over de moeite die ik heb met het bezoeken van de evangelische kerk: hoe ik mezelf steeds schuldig en veroordeeld voel omdat ik niet genoeg presteer en niet hard genoeg werk.
Mijn gesprekspartner herkende veel uit mijn verhaal. Hij had zelf ook jarenlang geworsteld met schuldgevoelens en schaamte. Hij wist (net als ik) met het verstand dat God van hem hield, en dat hij door genade gered was. Maar het was lang geen realiteit van binnen. Hij moest het steeds tegen zichzelf zeggen, van buitenaf, maar diep in zijn hart geloofde hij het niet werkelijk. Tot hij vorig jaar opeens een doorbraak meemaakte. Hij was op een grote christelijke bijeenkomst. Ironisch genoeg juist een van die bijeenkomsten waar (volgens mij) vaak verplichtende boodschappen worden gebracht (vooral rond de collectes). Zo dacht de ander er ook over, maar hij was gevraagd er een presentatie te geven, en omdat het hem geld en klandizie opleverde, had hij ingestemd. Een paar minuten voor hij het podium opging, drong opeens het besef dat hij door God geliefd was bij hem binnen. En nu niet alleen rationeel, van de buitenkant, maar van binnen, in zijn hart. Hij kon er niet aan twijfelen. De tranen liepen over zijn wangen (wat niet helemaal het juiste moment was, omdat hij even daarna moest optreden). Hij zei dat deze ervaring hem blijvend had veranderd. Dat de liefde van God voor hem niet meer iets was waar hij aan twijfelde, maar iets waar hij zeker van was.

Zijn woorden raakten me. In de eerste plaats omdat ik me opnieuw realiseerde dat ik inderdaad in mijn hart niet werkelijk accepteer dat God onvoorwaardelijk van mij houdt. Oh, ja, ik zeg het wel. Ik ben er rationeel ook van overtuigd. Ik kan het ook verdedigen met tal van argumenten. Maar diep van binnen geloof ik het niet. Als iemand tegen me zegt dat God van mij houdt, zal ik dankbaar ‘ja’ knikken. Maar die woorden dringen niet diep tot me door. Ze stuiten namelijk op een stem die zegt dat het niet mogelijk is. Het evangelie kan niet zo goed zijn. God kan niet zomaar van mij houden. Ik moet er zelf iets voor doen. Ik moet beter zijn dan ik nu ben, productiever, geestelijker, zuiverder. Ik moet ... (het woord ‘moeten’ is nooit ver te zoeken in mijn gedachten). Die overtuiging in mij, dat God niet van mij kan houden zoals ik ben, zorgt voor een betonnen schil om mijn hart, die alle boodschappen over Gods liefde effectief tegenhoudt.
En vaak ben ik me er niet eens van bewust, totdat iemand me erop wijst, zoals mijn gesprekspartner die avond. Omdat ik met mijn verstand geloof in de genade en ervan overtuigd ben dat God van me houdt zoals ik ben, zie ik het niet bij mezelf als ik mezelf toch weer verplichtingen opleg en vindt dat ik mezelf moet veranderen. Een paar maanden geleden schreef ik een brief aan mezelf op deze blog met de boodschap dat ik mocht leren mezelf te zijn: heel mooi en ik sta er ook echt achter. Maar in deze brief aan mezelf had ik het erover dat ik worstelde met passiviteit, en dat ik wel tot het eind van mijn leven met de zonde van passiviteit zou blijven worstelen. Ik liet de blog lezen aan een goede vriend. Die vond het een goed, maar lang stuk. Hij had alleen een opmerking over die passiviteit. Volgens hem was ik immers niet passief. Als ik in een museum rondliep, of in een boekwinkel, was ik verre van passief. Of als ik enthousiast vertelde over een film of een idee. Ik ben alleen niet zo geïnteresseerd in het huishouden, dus heb ik nooit veel zin om me daartoe te zetten. Maar dat betekent niet dat ik passief ben.
Sterker nog: mijn valkuil is eerder dat ik te veel doe. Ik heb het namelijk vorig jaar al van mensen gehoord dat ze verbaasd waren over mijn volle agenda en mijn vele afspraken (en dat voor een introvert: ook al zou ik liever alleen zijn, ik vind dat ik een volle agenda moet hebben. Over moeten gesproken ...). Maar ook de afgelopen maanden hebben mensen hun verbazing uitgesproken over hoeveel ik schrijf op mijn blog (ik vind het nog steeds te weinig), over hoeveel ik lees (nog niet eens een boek per week!) en hoeveel ik onderneem. Maar toch: voor mij voelt het nooit alsof ik genoeg doe! Dat gevoel heeft dus niks te maken met de realiteit van mijn leven. Ik denk dat ik er eerder voor mag kiezen wat vaker te rusten, dan nog meer activiteiten te ondernemen. Ik werk eerder te veel dan te weinig.

Hoewel ik me dus vaak niet bewust ben van die innerlijke stem van het moeten, beïnvloedt hij nog steeds mijn gedrag, en ook mijn schrijven. Begin vorig jaar had ik al een gesprek met iemand die mijn boek gelezen had, en die (volgens mij terecht), concludeerde dat ik nog probeerde mezelf te overtuigen. Ik schreef wel heel mooi over vrijheid, maar niet met de werkelijke overtuiging dat het waar was wat ik schreef. Mede daarom had ik er ook zoveel woorden voor nodig, en herhaalde ik steeds dezelfde punten. De laatste maanden op mijn blog heb ik heel veel geschreven over de zwakheid van de menselijke wil, de moeite die we hebben om onszelf te veranderen, en mijn worsteling met de eisen en verwachtingen van de evangelische kerk. In blogbericht na blogbericht hamer ik op dit punt. Maar de passie er achter komt voor een deel uit een ongezonde bron, namelijk dat ik van binnen nog steeds geloof dat ik mezelf moet veranderen, dat ik aan mezelf moet werken, dat ik niet goed genoeg ben zoals ik ben.
In de Verenigde Staten waren er een paar televisiedominees die heel hard tekeer gingen tegen homoseksualiteit. Meerdere van hen werden uiteindelijk zelf betrapt met een gigolo, of bleken er een homoseksuele relatie op na te houden. Daaruit blijkt het principe dat je het hardst afzet tegen hetgene waar jezelf problemen mee hebt. Waar je het meest tegen ageert, is waar je het meest mee worstelt. Als ik me dus fanatiek blijf afzetten tegen wetticisme, is dat niet omdat ik vrij ben, maar omdat ik van binnen nog wettisch ben. Als ik er keer op keer op hamer dat er niets ‘moet’, is dat omdat ik zelf nog zo veel ‘moet’. Ik kan het niet los laten, lijkt het, hoewel ik het punt al lang gemaakt heb. Wat ik schrijf is dus ‘gekleurd’ door mijn achtergrond, maar omdat ik zelf niet bewust ben van die achtergrond, ervaar ik het als een aanval als ik kritiek krijg. Terwijl er inderdaad heel wat te nuanceren is in mijn betogen! Er is ook een andere kant aan het verhaal. Ik heb de wijsheid niet in pacht. Dat kan ik echter niet accepteren vanwege die gevoeligheid die er achter schuilt. Van mijn blogberichten hangt dus voor mezelf veel af. Terwijl ik zeg dat ik mijn identiteit niet moet laten afhangen van wat ik doe, en ook niet van wat ik schrijf, doe ik dat wel, en zijn mijn blogberichten voor mij een bron van mijn identiteit. Zoals Paulus het zegt: “Ik ellendig mens, wie kan mijn verlossen uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?” (Romeinen 7).

In het vervolg op dit bericht probeer ik de andere kant van dit verhaal weer te geven - de hoop die ik heb op verandering.

vrijdag 3 februari 2012

Liefde verandert mensen 1: Wat niet werkt ...

Een van de belangrijke vragen die aan de grondslag liggen van religie is hoe mensen hun gedrag kunnen veranderen. Oh, gelovigen zullen zeggen dat het hen in de eerste instantie om God gaat, maar de praktijk is anders. In de praktijk gaat het bij het geloven om een andere manier van leven. De boodschap van de godsdiensten zoals we die horen is een morele: dit is wat mensen moeten doen om goed te zijn, dit is wat mensen moeten laten om acceptabel te zijn. Van het loslaten van de begeerte in het boedhisme, tot het houden aan allerlei taboes in animistische religies, van de tien geboden en de reinheidswetten in het jodendom, tot de vijf zuilen van de Islam. Godsdiensten prediken een ideaal. En het christelijk geloof is hiervan niet uitgezonderd. Het is bijna een gevleugeld gezegde, dat het christendom er vooral om bekend staat wat je allemaal niet meer mag als je tot geloof bent gekomen. En tegelijk moet er voortaan van alles. Bezoek maar een een gemiddelde evangelische kerkdienst. De preek zal vaker gaan over iets dat je meer zou moeten doen, of iets dat je minder zou moeten doen, over het morele en religieuze ideaalbeeld, dan over Gods genade en zijn liefde, zoals die in Jezus is geopenbaard.
Maar ik schrijf dit blogbericht niet om daar nog weer een keer op in te gaan. Waar ik dit keer op wil wijzen is de verkeerde aanname die aan deze morele boodschap ten grondslag ligt. Die aanname is in feite een heel moderne aanname, namelijk die van de maakbaarheid van de mens. Het is een heel ‘positief’ mensbeeld (‘positief’ tussen aanhalingstekens, omdat het geen correct mensbeeld is) - namelijk dat mensen controle hebben over hun gedrag, dat al hun keuzes vrij zijn, en dat als ze maar zouden willen, ze tot alles in staat zijn. Mijn moeder zei het vroeger wel eens, als een van ons zei: “Ik kan het niet”: “Ik wil niet, daarom kan ik niet.” Het is de gedachte achter de Amerikaanse droom: dat elke krantenjongen als hij het maar echt wilde, kon uitgroeien tot miljonair. De mens kan doen wat hij wil. Hij kan voldoen aan elke verwachting van hemzelf, anderen en de maatschappij. Evangelische christenen geloven dat ook: mensen kunnen een godsvruchtig leven leiden, als ze het maar willen. Ze kunnen zichzelf ertoe zetten om te bidden, bijbellezen, naar de dienst komen, geld geven, evangeliseren. Ze kunnen verleidingen weerstaan (vooral die op seksueel gebied). En dat allemaal terwijl ze ook nog eens voldoen aan alle verwachtingen van de maatschappij van tegenwoordig - want onze samenleving heeft haar eigen idealen: geen overgewicht, goede baan, leuke kinderen, geen haar onder je oksels en ga zo maar door. Gelovigen kunnen (net als moderne mensen) hun eigen gedrag managen - wat gebracht wordt is een boodschap van ‘zondemanagement’.

Het mensbeeld dat aan deze prediking ten grondslag ligt blijkt echter niet te kloppen volgens wetenschappers. Een goed leven leiden en het weerstaan van verleidingen, is niet een kwestie van ‘gewoon de keuze maken het koekje te laten staan’, ‘gewoon de computer niet aanzetten’, ‘gewoon elke week twee keer naar de sportschool’. Het is dus ook niet een kwestie van ‘gewoon elke dag je bijbel lezen’, ‘gewoon vaker evangeliseren’, of ‘gewoon niet naar verkeerde beelden kijken’. De mens blijkt niet zoveel controle te hebben over het eigen gedrag als mensen denken. Kijk maar eens naar het recente onderzoek naar verlangens, waarover ik las in een Bericht op Sciencedaily. Daarbij werden 205 volwassenen voorzien van apparaatjes waarop ze dagelijks moesten aangeven waarnaar ze verlangden. In totaal werden 7.827 momenten van verlangen gemeld. Wat bleek? Het onderzoek bevestigde de eerdere studies naar ‘ego-depletion’- het uitgeput raken van de wilskracht- waar ik ook al eens naar verwezen heb. Want hoe vaker mensen een verleiding hadden weerstaan, en hoe korter dat geleden was, hoe minder succes ze hadden bij het weerstaan van een volgende verleiding, ongeacht op welk gebied. Dus als iemand de verleiding om op Facebook te kijken had weerstaan, vond hij het daarna moeilijker om niet een swirl te eten op het station. Gedurende de dag neemt onze wilskracht af, en dus zullen onze pogingen om onszelf onder controle te houden vaker falen (Wat kan verklaren waarom zoveel mensen ‘s avonds laat naar porno kijken, of gaan snacken).
'Ego depletion' zorgt er niet alleen voor dat je verleidingen niet kunt weerstaan, maar ook dat je goede intenties niet kunt uitvoeren. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat van alle nieuwe leden van sportscholen een op de acht zich in januari opgeeft, en in veel fitnesscentra is het in de eerste weken van het jaar 30 tot 50 procent drukker vergeleken met de rest van het jaar. Iedereen weet dat beweging gezond is, en neemt zich dus voor te gaan sporten. Maar de meeste van deze nieuwe enthousiastelingen zien in April geen sportschool meer van binnen - tegen juni houdt nog maar minder dan 40 procent zich aan zijn of haar goede voornemens- het is ze niet gelukt vol te houden. Ikzelf begin er maar niet eens aan. Maar veel andere mensen zijn optimistischer over hun wilskracht. Ze denken onterecht dat zij het zullen volhouden als ze er eenmaal voor hebben gekozen. In een wetenschappelijk onderzoek kregen nieuwe leden van een sportschool de keuze tussen twee mogelijkheden: 10 dollar per bezoek aan het fitnesscentrum, of 70 dollar voor een maandabonnement. De meesten kozen het maandabonnement, om vervolgens maar vier keer per maand te gaan sporten. Daardoor betaalden ze 70 procent meer per sessie dan wanneer ze voor de eerste optie hadden gekozen. Ze dachten van te voren dat ze vaker in de sportzaal zouden staan te zweten. Een van de oorzaken is ‘hyperbolic discounting’ - het eenvoudige gegeven dat we als mensen meer aandacht geven aan geluk op de korte termijn dan gevolgen op de lange termijn. Als mensen de keuze krijgen tussen een kleine beloning binnen een dag, en een grotere beloning binnen een jaar, kiezen ze vaker de eerste. Dat verklaart waarom mensen het sporten altijd tot morgen blijven uitstellen - voor vandaag vinden we dat uurtje uitrusten op de bank veel aantrekkelijker. Maar ook de ‘ego-depletion’ - het opraken van onze wilskracht speelt een rol. Gaan sporten betekent niet alleen dat je er tijd voor moet vrijmaken. Je moet er ook wilskracht aan besteden, en voor mensen die van bewegen geen gewoonte hebben gemaakt, kost het behoorlijk wat van die beperkte voorraad.
Wat het nog moeilijker maakt om verleiding te weerstaan (of een goed voornemen vol te houden) is dat ons lichaam ons niet waarschuwt voor het opraken van onze voorraad wilskracht. Er is geen eenduidig of helder gevoel dat als alarmsignaal kan dienen dat je je wilskracht moet bijvullen. Het is zelfs andersom: als onze wilskracht uitgeput raakt, beleven we alles veel intenser (inclusief onze verlangens). Een laag niveau van wilskracht lijkt de volumeknop van onze ervaringen omhoog te draaien. Zo blijkt uit het eerste onderzoek dat mensen van wie de wilskracht is uitgeput omdat ze bijvoorbeeld geen koekjes mochten eten, meer geëmotioneerd raakten bij het kijken van een gevoelige film, en dat ze koud water als pijnlijker ervoeren tijdens een onderdompelingstest. Hun verlangens om een cadeautje open te maken, of koekjes te blijven eten was ook toegenomen. Dus hoe lager onze wilskracht, hoe sterker we de verlangens voelen! Hoe meer we de verleiding proberen te weerstaan, hoe groter de kans dat we daar uiteindelijk in falen. Als we snoepen (of in evangelisch christelijke termen: zondigen) is dat dus geen moreel falen, maar is onze energie gewoon op - we zijn te moe om tegen onze verlangens in te gaan, goed of slecht.

Dit komt overeen met wat Paulus zegt in Romeinen 7 - een gedeelte dat zijn tijd ver vooruit is, omdat de apostel precies beschrijft wat de hierboven genoemde onderzoekers nu te weten zijn gekomen. In Romeinen 6 heeft hij uitgelegd waarom christenen niet moeten zondigen. Dat leidt namelijk tot de dood. In plaats daarvan moeten ze rechtvaardigheid nastreven, want dat leidt tot leven. So far, so good. We weten allemaal het ideaalbeeld. Het christelijke ideaalbeeld (goed gedrag, niet zondigen) en het ideaalbeeld van de moderne samenleving (huisje, boompje, beestje, gezond eten, sporten et cetera). We weten ook waarom we er aan moeten voldoen. We hebben voldoende gehoord hoe slecht zonde voor ons is, en we begrijpen ook waarom bijbellezen goed voor ons zou zijn en waarom we voor de armen zouden moeten zorgen zoals Jezus ons opdraagt. Net zoals we weten waarom lichaamsbeweging gezond is, waarom overgewicht ongezond is, waarom roken zo slecht is en acht uur slaap per dag goed.
Het probleem zit hem echt niet in onze kennis - zoals Paulus zegt: “De wet is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12). Voor het gemak negeer ik maar even het feit dat veel van deze opgelegde idealen totaal niet realistisch zijn. Niet de idealen uit de maatschappij - zie de ophef over de beeldbewerking van foto’s in tijdschriften, en de weigering om interviews met oude, dikke of lelijke mensen te plaatsen, zie de opmars van plastische chirurgie. Er moet bovendien zoveel dat het nooit in de beschikbare tijd zou passen! En ook niet de idealen uit de evangelische kerk: in zijn boek Classic Christianity noemt Bob George  het ideaal dat wordt gepresenteerd de ‘phantom christian’ - niemand kan alles dat van een gelovige gevraagd wordt: taken in de kerk, meerdere uren bidden per dag, zich inzetten voor goede doelen et cetera et cetera. Het past gewoon niet in 24 uur.
Het punt is dat we niet in staat zijn om in overeenstemming met onze kennis te handelen. Zo moet in de Verenigde Staten in fastfoodrestaurant bij gerechten het aantal calorieën vermeld staan. Het idee is dat mensen dan minder gaan eten. Dit blijkt niet het geval te zijn. Sterker nog, als mensen iets gezonds eten, krijgen ze uiteindelijk meer calorieën binnen, omdat ze denken dat ze dan ook wel dat ijsje of die frisdrank kunnen nemen. Dit is ook wat Paulus concludeert: “Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik ... innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft” (Romeinen 7:19-23). Let wel: Paulus spreekt in de tegenwoordige tijd. Hij is christen, en hij wil ook heel graag doen wat goed is, en laten wat slecht is. Hij kan het alleen niet. Zijn wilskracht schiet tekort, hij lijdt aan ‘ego depletion’.

Dat mensen zichzelf niet kunnen veranderen, dat ze slechte gewoontes niet kunnen opgeven, en dat ze niet zelf kunnen doen wat goed voor ze is, is een impopulaire gedachte. Onze wereld hangt nog steeds aan het ‘progressiedenken’, dat ooit werd ingegeven door een interpretatie van de evolutietheorie (overigens foutief: er is in de evolutie geen sprake van progressie - de huidige bacterieen zijn net zo goed het resultaat van al die miljarden jaren ontwikkeling als wij). Als moderne mensen denken dat we onszelf kunnen verbeteren. Volgens de Mockingbirdblog was dit de reden dat Sigmund Freud verguisd werd: hij beweerde dat de mens beheerst werd door negatieve impulsen. “Freud’s ideas are rejected today because they imply that the human animal is ineradicably flawed ...Freud’s unforgivable sin was in locating the source of human disorder within human beings themselves. The painful conflicts in which humans have been entangled throughout their history and pre-history do not come only from oppression, poverty, inequality or lack of education. They originate in permanent flaws of the human animal.
Maar ook moderne evangelische christenen hebben weerstand tegen dit idee - dat merkte ik toen ik nog op bijbelkring zat en het over dit soort onderwerpen had (wat ik terugkreeg was altijd dat het aan mij lag en ik zelf op een andere manier naar preken moest luisteren) en in de reacties op mijn blogberichten over dit thema. Evangelische christenen geloven in een ‘theology of glory’ - een theologie van succes, van groei, van verbetering. Maar deze theologie wordt niet alleen tegengesproken door de wetenschap, maar ook door de bijbel, onder andere in Romeinen. De hervormers zaten veel dichter bij de waarheid - vooral iemand als Luther, die spreekt over de ‘gebondenheid van de wil’ - precies wat Paulus beschrijft, en wat het onderzoek over ‘ego depletion’ aantoont. Hij was voorstander van een ‘theology of the cross’ - een theologie van het toegeven van zwakheid, van falen, van armoede en lijden. En van afhankelijkheid van God voor rechtvaardiging en heiligmaking. Dit is een theologie die een aanstoot is voor de wereldse mensen van de moderne maatschappij, en voor de religieuze mensen van de kerkelijke systemen. En misschien daarom juist goed nieuws (vergelijk 1 Korintiers 1:22,23). Ik hoop dat evangelische christenen hun uitgangspunten eens onder de loep gaan nemen - want de tactiek die ze nu gebruiken om het gedrag van mensen te veranderen is gedoemd te falen.

Zowel de moderne mens, als de evangelische kerk, realiseert zich namelijk dat we uit onszelf niet gaan voldoen aan het ons voor ogen gestelde ideaalbeeld. Maar omdat ze geloven dat we dat wel moeten kunnen, zoeken ze technieken om dat doel te bereiken. Zo weten we dat sporten gezond is, maar we doen het niet. Dus onderzoekt men hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen blijven sporten. Uit een studie uit 2009 blijkt bijvoorbeeld dat mensen vaker blijven sporten als ze daarvoor beloond worden met geld. Als je een keer gaat sporten, merk je niet direct dat je je daardoor fitter voelt of dat je slanker wordt. Maar als je na het sporten geld krijgt, heb je direct resultaat. Beloning hield mij ook op de been toen ik terwijl ik op de middelbare school zat mezelf probeerde te motiveren om hard te lopen - mijn stripboekencollectie groeide in die jaren snel! Aan de andere kant: wie gaat jou betalen voor het sporten? Meestal moet je er zelf behoorlijk wat voor neerleggen! De andere manier om mensen te motiveren is door ze te straffen. Zo hebben een paar studenten van Harvard een programma gestart onder de naam ‘Gym Pact’. Als je de fitness overslaat heb je een contract met jezelf overtreden, is hun redenatie, dus moet je straf krijgen voor je nalatigheid. Dus het ‘Gym Pact’ programma haalt minstens 5 dollar van je credit card als je niet je doel haalt in de week. Dit blijkt mensen te kunnen motiveren te blijven sporten.
Beloning en straf zijn beide externe motivatietechnieken. Christenen gebruiken ze ook. Als je goed leeft, is God blij met je, en wordt je erkend door de kerk. Als je slecht leeft, moet je je schuldig voelen. Schuldgevoel is een krachtig motivatiemiddel en wordt daarom nogal eens opgewekt in religies. Ik weet dat ik het vaak gebruikte. En ook dat ik me maar wat trots voelde als ik uit de bijbel las of drie keer per week naar de kerk ging (beloning).
Ik denk echter dat externe motivatiemiddelen gedoemd zijn te falen. Ze blijven immers een beroep doen op je eigen wilskracht om een doel te halen. En dus raakt de wilskracht nog steeds uitgeput. Je bent dus wel aan het sporten, omdat er anders geld van je rekening wordt afgeschreven, maar ben je dan nog wel in staat om gezond te eten (als daar niet ook een straf op staat)? Of om een boze opmerking tegen een gezinslid in te slikken, of om de verleiding om te sjoemelen met het invullen van een formulier te weerstaan? Dit geldt ook voor de evangelische motivatiemiddelen. Ik werd niet voor niets overspannen - het geloof dat God van mij hield als ik goed leefde en mijn schuldgevoel als ik faalde, bleken me niet te beschermen tegen algehele uitputting. De batterij raakte leeg.
Nu wordt er in de artikelen over wilskracht gesteld dat we onze wilskracht kunnen trainen als een spier. En sommige evangelische christenen wijzen op de geestelijke disciplines. Maar het punt is: zelfs het gaan beginnen met het trainen van je wilskracht, doet een beroep op je wilskracht! Het je gaan houden aan disciplines doet een beroep op je discipline! Is dat niet ironisch? Wie weinig wilskracht heeft, zal nooit meer gaan ontwikkelen, ook al wil hij dat wel. Hij zal het trainen ervan niet volhouden (zoals hij ook het sporten niet volhoudt, ondanks zijn goede intenties). Paulus omschrijft deze crisis dramatisch: “Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?” (Romeinen 7:24).
Ik geloof dat het tijd is voor een nieuwe theologie in de evangelische kerk. Een theologie die niet draait om een moraal, maar om een persoon: God! Een theologie die niet gebaseerd is op externe motivatie, straf en beloning, maar op liefde.