Posts tonen met het label evangelie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label evangelie. Alle posts tonen

vrijdag 18 december 2015

Nog een voorpublicatie van 'De loser die wint ...'

De boodschap van christenen staat in onze maatschappij niet bekend als een mooi verhaal, laat staan als het mooiste verhaal aller tijden. En om eerlijk te zijn schuif ook ik in de kerkbanken vaak ongemakkelijk heen en weer. Wat ik regelmatig hoor is dat ik vaker moet bidden en evangeliseren, of meer missionair moet zijn. Dat ik moet strijden tegen bepaalde gewoontes. Dat God mij alleen geneest of voorspoedig maakt, als ik daar niet aan twijfel. Over schoonheid heb ik daarentegen nog nooit een preek gehoord. Dat ik mag verlangen naar avontuur en naar oprechte relaties komt nauwelijks aan de orde. John Eldredge verzucht: ‘Het plan van de vijand is om al het leven, de schoonheid en het avontuur, uit het evangelie te laten wegsijpelen en christenen te begraven onder verplichtingen, waardoor niemand er nog aandachtiger naar wil kijken. Het evangelie is onaantrekkelijk geworden!’
Dit is niet een tekortkoming van het goede nieuws zelf. Het probleem zit hem in de manier waarop wij het nieuws in kwestie zo vaak vertellen. We maken van het Verhaal van de Werkelijkheid een verhaal dat om onszelf draait, een verhaal over macht. En daardoor maken we het saai. Onze op onszelf gerichte clichés ontnemen het al zijn schokkende wendingen en overweldigende dramatiek. Auteur Dorothy Sayers had hier geen goed woord voor over: ‘Een eerlijke schrijver zou zich ervoor schamen als hij een kleuterverhaaltje zo zou behandelen als jullie, goede christelijke mensen, het grootste drama in de geschiedenis behandelen. Niet omwille van zijn geloof, maar vanwege zijn roeping.’
Ik geloof dat het verhaal van de Bijbel wel degelijk voldoet aan het criterium van schoonheid. Om te beginnen stellen christenen de Verteller van het Verhaal soms te klein voor. God wordt in onze verhalen een wezen iets boven ons niveau, met wie wij zouden kunnen onderhandelen, die wij op onze hand kunnen krijgen met onze inspanning, of die we zijn gemoedsrust kunnen ontnemen door ongehoorzaam te zijn. Iemand die wordt bepaald door ons verhaal. Maar zo'n beeld doet tekort aan de God van de Bijbel. Het verhaal draait namelijk om hem. ‘De goden van de volken zijn minder dan niets,’ zingt David, ‘maar de Heer: hij heeft de hemel gemaakt’ (1 Kronieken 16:26). ‘In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; de eilanden weegt hij als zandkorrels’ (Jesaja 40:15). God kan ‘de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten’ (Job 38:18).
Deze God is volgens gelovigen de hoogste werkelijkheid. Als hij zich voorstelt, zegt hij eenvoudig: ‘Ik ben.’ Dat wil zeggen: God bestaat. Als enige bestaat hij zonder ergens aan ontsprongen te zijn, zonder iets nodig te hebben, zonder ooit op te houden te bestaan. Hij is het bestaan zelf. En daarmee is hij de bron van al het bestaan. Hij is de enige over wie geen verhaal wordt verteld, want hij is de Verteller van alle verhalen. ‘Hij bestaat voor alles en alles bestaat in hem’, zegt Paulus (Kolossenzen 1:17). En: ‘Er is slechts een God, de Vader, uit wie alles is ontstaan, en een Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven’ (1 Korintiërs 8:6). Er is geen bestaan mogelijk onafhankelijk van de Schepper. Ons bestaan is afgeleid van dat van hem. Hij is het die ‘aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt’ (Handelingen 17:25).
Over deze God zegt de Bijbel dat hij liefde is (1 Johannes 4:8,16) Niet dat hij liefheeft, maar dat hij liefde is! C.S. Lewis zei het zo: ‘We weten dat wat voorbij het bestaan ligt, niet simpel een wetmatigheid is, maar een verwekkende liefde, een liefde die werd opgewekt, en de liefde tussen deze twee.’ Bestaan en liefde zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Iemands identiteit wordt immers gevormd door zijn relaties. Dat geldt voor mensen, maar ook voor God. 'Ik ben' is niet alleen; hij is Vader, Zoon en Geest, drie personen die elk met volle overgave de twee anderen liefhebben en volledige en onvoorwaardelijke liefde van hen terug ontvangen. In deze voortdurende interactie, in deze 'dans' zoals sommige theologen deze omschrijven, ligt de goddelijke eenheid.
De drie personen van de Drie-eenheid geven zichzelf ongedwongen en uit vrije wil aan elkaar, zonder iets terug te verwachten of een rekening bij te houden. Maar tegelijk zijn Vader, Zoon en Geest individuen die zichzelf volledig accepteren. Ze hebben de anderen niet nodig om hun zelfbeeld op te krikken. Ze kunnen – het klinkt bijna oneerbiedig – met zichzelf alleen zijn. Juist daardoor zijn ze vrij om lief te hebben. Elkaar, maar ook ons. Dat God in zijn drie personen volledig zeker is van zijn eigenwaarde en betekenis, garandeert dat hij ons niet zal manipuleren of controleren. Hij heeft niet onze aanbidding nodig om te beseffen dat hij glorieus is. Hij heeft niet onze dienstbaarheid nodig om te weten dat hij autoriteit heeft. Hij heeft niet onze aandacht nodig om zichzelf geliefd te voelen. Juist omdat hij ons niet nodig heeft, kan hij ons liefhebben. Gods relaties met de wereld, met ons, en in zichzelf zijn volkomen vrij.
En de God van de Bijbel is niet alleen Liefde, Hij is Waarheid. Hij is Schoonheid. Hij is immers per definitie helemaal zichzelf. En dus is hij de bron van alle waarheid, schoonheid en liefde. Niets of niemand anders kan ooit werkelijk ons verlangen vervullen, onze behoefte aan een realiteit buiten ons, die waar is, die mooi is en kenbaar. De Drie-eenheid geeft ons leven betekenis. In hem leven, bewegen wij en zijn wij (Handelingen 17:28). ‘God bevat al de goden en meer’, schrijft Peter Kreeft daarom. ‘Alles wat de menselijke geest zich heeft voorgesteld, al dat het menselijke hart ooit heeft verlangd. Vreugde borrelt op en vloeit over in het hart van God, de kern van de werkelijkheid [...] Dit is de vreugde die ons hart doet breken van liefde en verlangen, elke keer als we haar proeven in menselijke liefde, of de schaduwen ervan zien in de schoonheid van de natuur, of de verre echo’s ervan horen in goede muziek.’
Het is waar dat we een gat in onze ziel hebben, waar alleen God in past als een puzzelstuk. Daarom is het goed nieuws dat God bestaat. Dit is het evangelie ‘over de majesteit van de gelukzalige God’ (1 Timoteüs 1:11). Hij is zelf de boodschap. Ons hart komt – zo zei Augustinus het – tot rust als het rust vindt in hem.

Hij is er en hij spreekt
Het Verhaal van de Werkelijkheid, het goede nieuws, wordt in de Bijbel ook wel aangeduid als het ‘koninkrijk van God’ (Marcus 1:15). Een koninkrijk is niets anders dan het gebied waar de wil van de koning wordt uitgevoerd. Hij hoeft maar te zeggen dat er iets moet gebeuren, en het vindt plaats. Hij is degene die het verhaal vertelt waarnaar het rijk zich vormt. Net zo is het koninkrijk van God de plek waar Gods wil gebeurt, waar wat hij zegt wordt uitgevoerd. Zijn woord heeft de hoogste autoriteit. Er vindt niks plaats, als hij er niet het bevel toe geeft.
Dat begint bij de schepping, waar God tot zijn roept wat nog niet bestond. De Bijbel begint dus niet met een staat van perfectie. Het eerste vers van Genesis vertelt dat de aarde in het begin nog woest en ledig is, en de duisternis over de vloed zweeft. Het doek is leeg, de verf zit nog in de tube, de stapel A4-tjes is nog onbeschreven. Vervolgens gaat God aan het werk. Het was niet voldoende dat de Schepper bij zichzelf nadacht over sterrenstelsels, neutrino’s en bacteriën; het was niet voldoende dat hij de ringen van Saturnus en de voelsprieten van de snuitkever voor zijn geestesoog voorbij zag trekken. De schepping was geen puur mentale activiteit, iets wat zich alleen in Gods geest afspeelde. Zoals het een kunstenaar betaamt, bracht hij wat binnen in hem was naar buiten. En dat deed hij door te spreken.
Spreken is ook voor ons een scheppende daad. Gedachten worden via de stembanden omgezet in concrete luchttrillingen. Wat iemand zegt, kan dus niet meer ongedaan worden gemaakt. Dat geldt voor mensen, maar ook voor God: ‘De Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort’ (Romeinen 9:28). Op het moment van de schepping begon God met het vertellen van zijn verhaal. Hij liet weten wat hij waardevol vindt, wat voor hem betekenis heeft. Hij benoemde alles wat hij in zijn verbeelding voor zich zag. ‘Toen Adam de dieren namen gaf, deelde hij in de woordenmagie van God’, stelt Peter Kreeft. ‘Want dit was niet slechts het opplakken van een ‘label’, dit was schepping. God had het heelal geschapen, eenvoudig door het te benoemen [...] Het is in woorden en taal dat de dingen voor het eerst tot aanzijn komen en bestaan.’
Door te spreken maakt God datgene waaraan hij denkt, concrete werkelijkheid. Wat hij betekenis geeft, ontvangt door zijn woord een werkelijk bestaan. ‘Hij sprak en het was er, hij gebood en het stond er’ (Psalm 33:9). Sterker nog: het voortbestaan van de schepping is voor altijd afhankelijk van het voortdurende spreken van God: ‘Hij onderhoudt alle dingen door het woord van zijn kracht’ (Hebreeën 1:3). God ‘beveelt de sneeuw: ‘Val op de aarde’, hij zegt tegen de regenvloed: ‘Stort neer met al je kracht […]’ Of het nu is om de aarde te straffen of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren’ (Job 37:6,13). Van oerknal tot herschepping bestaat het universum alleen omdat God het zegt. Alles wat is, ontleent zijn betekenis, zijn bestaan, zijn leven, aan het woord van God. Er is niets dat daar buiten valt, er is geen andere bron van leven of van betekenis.
C.S. Lewis concludeert: ‘Is er voorzienigheid, dan is alles voorzien en dan is elke voorzienigheid een bijzondere voorzienigheid ‘ [...] Ieder mens afzonderlijk is een doel. Misschien ook elk dier. Misschien zelfs elk deeltje van de materie. De loop der gebeurtenissen wordt niet als een staat geregeerd, maar geschapen als een kunstwerk, waarin elk wezen zijn bijdrage levert en waarin alles wat bestaat zowel middel is als doel.’ Daarom is de aankondiging van het koninkrijk van God ook zulk goed nieuws, voor alle mensen, voor de hele schepping. God vertelt immers het verhaal en hij zal het altijd blijven vertellen. Zijn wil gebeurt, ‘op aarde zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). En dat is op geen enkele manier ongedaan te maken door onze beslissingen, of onze verhalen.
Dit is het ‘eeuwig evangelie’ dat bekend moet worden gemaakt aan de mensen op de aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal (Openbaring 14:6,7).

Bestel het boek bijvoorbeeld bij Bol.com of koop het bij je (christelijke) boekwinkel!

zondag 14 juni 2015

Gedicht: Kalverstraat

Kalverstraat

Hij staat op de Kalverstraat:
een lange man en mager,
vaal bruin haar, met in zijn hand
een kleine bijbel in leer
gebonden. De vertaling
kan ik niet zien. Hij roept ons
toe ons te bekeren nu 
het nog kan. Want wie gelooft
die wordt gered. Hij weet niet
wie voorbijloopt, een zee van
zondaars zonder gezichten
moordenaars, wellustigen,
ongezien het oordeel waard.
groot en klein. Maar ze slippen 
door het net, als ze herhalen
zijn lege woorden. Hun God
anoniem zoals zij zijn
achter de kale waarheid.
Wie ziet wie wordt weerspiegeld
in de winkelruiten? Wie
kent hun namen, hun verhaal?
Wie luistert zonder oordeel,
schenkt een blik, een glimlach maar?
Niet de man en niet zijn God.
En ik loop door, mijn blik omlaag,
weet niet meer wat ik geloof.

dinsdag 3 december 2013

Over de drempel (5): de boodschap van de omhelzing

Ik herinner me nog goed een 25+ weekeinde van de EO, met als onderwerp de Heilige Geest. Een van de sprekers liet de zaal vier minuten naar God luisteren. Ik was nog wat onzeker, maar probeerde met mijn hart te ontvangen. Na een poosje kreeg ik het gevoel dat de Vader me wilde omarmen. Ik kon het echter niet geloven, waarschijnlijk was het mijn verbeelding. Ondanks mijn zenuwen liep ik naar voren om gebed te vragen. Alle leden van het nazorgteam waren bezet, behalve de spreker, die net van het podium kwam. Hij bad voor me en aan het eind zei hij: “Ik heb het idee dat God wil dat ik je een ‘hug’ geef.” En hij sloeg zijn armen om me heen en drukte me tegen zich aan.

Er zijn meerdere manieren om God te leren kennen. Niet het kennen van intellectuele zekerheden, maar het kennen in de zin waarin het woord in bijbelse tijden werd gebruikt (toen het woord ook voor geslachtsgemeenschap werd toegepast). Het relationele kennen. Dat zijn de bijbel (goed uitgelegd, dus theologie), de traditie, de natuur in haar schoonheid (hoewel die ‘rood van tand en klauw’ is), en het suizen van de zachte koelte waarin Elia de Heer ontmoette. De stem van God in ons hart, in ons binnenste. Ik geloof namelijk dat God met ons in contact staat, zich aan ons openbaart. Niet alleen via de heilige schrift, maar ook op een meer directe manier. Hij is er en Hij spreekt. Tot de een op de ene manier, tot de ander op de andere manier. Ik ken iemand die de Heer ontmoet tijdens het zingen van muziek, anderen ervaren zijn aanwezigheid tijdens het bidden, of in de kerkdienst. Sommigen bij het kijken van films. Anderen bij het ‘journaling’ - het biddend schrijven. Ik als ik over straat loop en in mijn gedachten met God spreek.
Ik zal nooit claimen dat de gedachten die dan in mij opkomen absoluut waar zijn (per slot van rekening is het onderbewuste van mensen tot veel in staat, ook tot het oproepen van Bijbelteksten en positieve bemoedigingen). Maar ik heb ook vaak meegemaakt dat de stem dingen tegen me zei die ik op dat moment niet voelde, of die op een bijna wonderlijke manier werden bevestigd door anderen. Ik ben die stem gaan vertrouwen. En die stem spreekt tot mij met liefde. De stem verzekert mij dat ik door God geliefd ben, dat hij blij met mij is, dat hij trots is op wat ik doe, dat ik niet bang voor hem hoef te zijn, ook niet als ik een paar weken niet met Hem gepraat heb. Hij brengt mij Bijbelteksten in de geest (dit jaar vooral de tekst: ‘Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijn, en ik zal u rust geven.’) Hij bevestigt mij. Hij geeft me leiding. En soms geeft hij beelden: dit voorjaar in de Anglicaanse kerk had ik de ervaring dat ik Jezus met liefdevolle ogen in mijn ogen zag kijken. Degene die tot mij spreekt heeft een bepaald karakter, en dat heb ik leren kennen. Het is namelijk sinds mijn kindertijd hetzelfde.

Een van de dingen die ik me de laatste maanden heb gerealiseerd, is dat ik niet in een theologie of een uitleg van de bijbel kan geloven die in strijd is met het karakter van God zoals hij zich al mijn hele leven aan mij openbaart. Zelfs niet als de stem van God in mijn binnenste maar een voortbrengsel zou zijn van mijn onderbewuste. Want ik kan niet handelen tegen mijn diepste overtuiging in zonder daaraan onderdoor te gaan. Het is zoals Frodo tegen Sam zegt aan het eind van de Lord of the Rings-serie: ‘You cannot always be torn in two.’ Te lang heb ik in een kerk gezeten waar van het podium uitspraken over God werden gedaan die tegen zijn karakter (door mij ervaren) in gingen: dat hij niet van mij zou houden zoals ik was, dat ik meer moest bidden en bijbellezen, dat ik bang moest zijn te kort te schieten. Te lang heb ik leerstellingen aangehangen die me bang voor Hem maakten, alsof Hij niet kon wachten me alsnog te straffen, terwijl Hij me juist probeert te overtuigen dat ik veilig bij hem was. Te lang heb ik gebeden geaccepteerd die suggereerden dat ik een ‘geest van onreinheid en verslaving’ had, terwijl Hij me juist wilde omhelzen. Ik heb geleerd dat schoonheid niet waardevol is, dat lezen een verslaving is, dat ik alles (mijn verlangens en mijn dromen) zou moeten opofferen. Dat Hij zo weinig om me gaf dat ik in de hemel veranderd zou worden zodat ik van zingen zou houden, of dat ik zelfs niet langer ‘man’ zou zijn maar onzijdig. Ik heb geprobeerd die leringen in evenwicht te houden met de woorden die ik van God ontving, maar dat had alleen maar als effect dat ik aan de woorden van de Heer ging twijfelen, dat ik er niet naar handelde, dat ik niet durfde mezelf te accepteren, zoals God mij accepteerde.
De laatste twee jaar heb ik een relatie met een hele lieve vrouw (nu ook daadwerkelijk mijn vrouw), die mij accepteert. En dat was (en is) een bizarre ervaring. Ze vindt het prima als ik soms geen antwoord weet, of als ik verward of moe ben, of zelfs chagrijnig. Ze houdt van mij als ik een afspraak vergeet, of me erger aan andere mensen. Ze accepteert dat ik van schrijven en lezen houdt, en van aquariums, en accepteert dat ik introvert ben. Ze accepteert me meer dan ik mezelf accepteer. Ik mag bij haar mezelf zijn, zonder dat ik aan mezelf hoef te werken, of mezelf hoef te veranderen. Ik ben genoeg. Dat is een bijzondere en helende ervaring. Eindelijk kan ik de teugels een klein beetje laten vieren en opgelucht ademhalen. Maar opnieuw geldt hier: als mijn vrouw al zo van mij kan houden, mij (met mijn goede en slechte eigenschappen) kan accepteren, waarom zou God dat niet kunnen? Waarom zou hij niet gewoon blij met mij kunnen zijn? Zoals ik ben? We kennen allemaal het mantra: ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten.’ Maar lees hem eens goed: hier staat dat God misschien in abstracte zin van je houdt, maar je nog steeds niet accepteert. Je bent nog steeds niet goed genoeg. Brennan Manning vormt deze zin zo om: ‘God houdt van je zoals je bent, niet zoals je zou moeten zijn.’

En de ironie is natuurlijk dat deze liefde me dus wel verandert. Omdat mijn vrouw mij zo onvoorwaardelijk accepteert, wil ik ook haar accepteren en stimuleren meer zichzelf te worden, wil ik voor haar koken ook als we dat niet hebben afgesproken, omdat ik van haar hou, en doe ik mijn best om niet al te vaak te mopperen, of cynisch te zijn. Zo is het natuurlijk met Gods acceptatie ook. De verloren zoon uit de gelijkenis zal ook zijn veranderd. Maar niet omdat hij moest veranderen! De vader omhelsde hem toen hij nog naar varkens stonk. ‘God houdt van je zoals je bent, en daarom blijf je niet dezelfde’. Alleen al het idee dat God werkelijk van me zou houden zonder dat ik bang voor hem hoef te zijn, vult me met dankbaarheid, doet me aanbiddingsliedjes zingen en laat me met een andere blik naar mijn medemensen kijken. En doet me lange blogberichten schrijven. En geeft me het verlangen te bidden en naar hem te luisteren.
Liefde wakkert het verlangen aan. Omdat God mij, de echte Johan, omhelst en accepteert, komt het verlangen uit mijn werkelijke binnenste. Deze verlangens zijn deel van mij, niet van buiten opgelegd, en ernaar leven voelt ‘vanzelf’. Ik ben zo geprogrammeerd om te handelen uit schuldgevoel en verplichting, dat ik er van schrik als ik opeens uit mezelf zin heb om te bidden, of dat ik uit mezelf graag naar de kerk wil, en niet uit discipline. Ik ben zo gewend aan de stok, dat ik verbaasd ben als die uitblijft. Dit ongedwongen verlangen is de manier waarop ik vrucht ga dragen. Jezus zei het al in Johannes 15: de manier om vrucht te dragen is door in Hem te blijven. Ergens anders zegt hij dat we in zijn liefde moeten blijven (v9). Als we dat doen, komt de vrucht vanzelf. Dat is dan niet meer iets waar we voor werken (gedreven door een verlangen naar beloning of angst voor straf), maar iets dat voor ons net zo vanzelfsprekend is als ademhalen of een favoriete hobby. Of knuffelen (om bij het voorbeeld van het huwelijk te blijven). Liefde geeft de toestemming om mezelf te zijn en wekt daardoor verlangen op.
Ik realiseerde me dit toen we een paar weken geleden in de kerk Galaten 5 lazen, over de werken van het vlees, en de vruchten van de Geest. Ik boog naar mijn vrouw toe en zei (zacht, natuurlijk) tegen haar: ‘De werken van het vlees zijn allemaal voorbeelden van respectloos zijn, naar jezelf en vooral naar anderen. Iemand die de vrucht van de geest voortbrengt, zal echter respectvol zijn’. Dat was een inzicht dat me (heel even) stil maakte. De ‘werken’ van het vlees zijn allemaal dingen die je actief moet ondernemen. Ze eisen een keuze, en wel de keuze om zonder respect te handelen. De vrucht van de Geest bestaat uit eigenschappen -geen handelingen- en dus niet om daden die je kunt verrichten. Je kunt blij doen, maar je kunt jezelf niet blij maken. Je kunt de vrucht van de Geest niet afdwingen. Je kunt er alleen naar verlangen. God kan, door zijn liefde, het verlangen in je opwekken om ook liefdevol te zijn. Van Gods liefde wordt je blij. Gods liefde neemt de behoefte aan agressie weg en maakt dat je behoeftes niet direct hoeven te worden bevredigd. Als God van je houdt, ga je anderen vriendelijker behandelen. Je wilt anderen helpen en goed doen, en blijft naast mensen staan in tijden van tegenspoed. Je wordt niet snel meer boos als je zekerheid is geworteld in de woorden van God. En je hebt geen verslavingen meer nodig als de leegte in je hart wordt gevuld door de omhelzing van je eeuwige Vader. De respectloze werken van het vlees zijn nu minder aantrekkelijk. En je gaat anderen behandelen zoals God jou behandelt: als waardevolle, unieke individuen, die een eeuwige betekenis hebben. Hoe dit leven er uitziet beschrijft Jezus in zijn bekende bergrede. Dit is het leven van het koninkrijk van God, het leven dat in Hem is geopenbaard, het leven dat onlosmakelijk verbonden is aan Gods onvoorwaardelijke liefde.

Als Jacobus waarschuwt dat een geloof dat geen vrucht voortbrengt, dood is, doelt hij op het hierboven beschreven proces. Mijn geloof in de kerk waar ik opgroeide was dood (en dat van veel anderen in die kerk ook, want ik zag weinig liefde, om van blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing nog maar te zwijgen). Het veranderde mij niet werkelijk, omdat het mij motiveerde door angst (en beloning. Maar de beloning was vooral het gevrijwaard blijven van straf. De hemel werd niet echt aanlokkelijk voorgesteld). Ik was bang dat God boos op mij zou worden, bang dat ik tekort zou schieten, en dus deed ik hard mijn best om te bidden en de bijbel te lezen. En omdat ik van huis uit een goede discipline heb, lukte dat ook. Vervolgens voelde ik me trots op mijn religieuze succes en mijn Bijbelkennis. Ik vond dat anderen ook zo moesten leven. Ondertussen voelde ik me diep schuldig over wie ik was. Ik verlangde namelijk nog steeds naar het lezen van verhalen (en nog meer naar het schrijven ervan), naar schoonheid, naar (ja, echt) seks. Dat kon natuurlijk niet. Ik kon mezelf niet accepteren. En als ik al ontevreden was over mezelf, dan God helemaal. Ik moest immers volmaakt zijn, zoals mijn hemelse vader volmaakt was. En elke zonde die ik deed droeg bij aan de pijn van Jezus aan het kruis. De tijd was bovendien kort.
Oh, mensen zeiden wel eens dat ik mezelf moest leren zien, zoals God mij zag. Maar ik wist dat God ten diepste boos op mij was, en mij en mijn verlangens moest afwijzen en straffen, als Jezus niet tussenbeide was gekomen. Dus deed ik nog meer mijn best. Het was een spiraal naar beneden die ermee eindigde dat ik diep, diep overspannen raakte. Maar ik ben ervan overtuigd dat als ik niet zo stressgevoelig was, ik was geëindigd als de broeders op de voorste rij, die zich heel geestelijk voelden, maar er geen been in zagen mensen uit te sluiten uit de gemeenschap, mensen zwart te maken, met de armen over elkaar te zitten uit protest tegen nieuwe liederen, en een kerkscheuring te veroorzaken. Dat is volgens mij een werk van het vlees. Geen vrucht van de geest. Het is een teken van disrespect, van het niet waardevol vinden van mensen die anders geloven, of niet geloven (waarom zou je? God houdt niet werkelijk van ze, zolang ze niet veranderen of de juiste dingen gaan geloven.) Volgens mij was dit zowel voor mij, als voor de broeders in de kerk, een dood geloof.

De weg naar een leven dat vrucht draagt, loopt via de radicale liefde van God en dus via radicale zelfaanvaarding. Dat is het pad waar ik mezelf nu op bevind. Ik bedoel niet dat ik daarmee mijn slechte kanten goedpraat, of geloof dat ik zomaar levende kittens mag villen of mijn huwelijksbeloften mag breken. Goed blijft goed, slecht blijft slecht. Moraal blijft eeuwig. Gods liefde voor mij geeft mij, zoals ik al zei, juist het verlangen om goed te zijn en te doen, om te groeien in zijn beeld. Maar mijn goedheid of slechtheid heeft niks te maken met de mate waarin ik door God aanvaard ben, de mate waarin God van mij houdt en mij accepteert. Als God over David kon zeggen dat hij een man naar zijn hart was (met al zijn vrouwen en bijvrouwen, en de kwestie van Batseba), dan zegt hij dat ook van mij. Dat ik zijn oogappel ben en dat Hij gedurig weder aan mij denken moet (Jeremia 31:20). Dat is wat Jezus heeft laten zien. Greg Boyd noemt kerstmis in een van zijn preken ‘the bearhug from the manger’. De hele wereld bevindt zich al vanaf de eeuwigheid in de omhelzing van God, is wat Jezus laat zien. En hij is niet van plan om ons ooit nog te laten gaan. Zelfs niet als we tegen hem aanschoppen, hem beledigen, hem pijn doen. Die pijn accepteert hij namelijk net zo goed. Het kruis is daar ontegenzeggelijk het beeld van. Hij accepteert zelfs een gruweldood als misdadiger, zonder te reageren met straf. Dan accepteert Hij onze opstandigheid ook. Maar dat betekent dat ik mezelf ook op deze manier mag accepteren. Zonder voorwaarden. Met mijn onvolkomenheden. Ook als ik niet perfect ben (voor een perfectionist als ik is dat moeilijk).
Ik schreef een paar jaar geleden op mijn blog over een openbaring die ik had bij het lezen van Kind aan Huis van Brennan Manning, toen tot me doordrong dat als God mij al zo tegen zich aandrukte zodat ik zijn hartslag kon horen, zonder me te veroordelen, als God bij voorbaat tegen me zegt dat ik zijn geliefde zoon ben in wie Hij welbehagen heeft, dat ik mezelf dan ook niet moest afwijzen, ook niet om mijn (in mijn ogen) tekortkomingen. 'Alles, groot klein, belangrijk, onbelangrijk, veraf en dichtbij, heeft zijn plaats, zijn betekenis en zijn waarde. Door onze vereniging met Hem gaat niets verloren, raakt niets kwijt. Er is nooit een moment dat geen eeuwigheidswaarde kent, geen handeling staat op zichzelf, geen liefde blijft vruchteloos, geen gebed blijft onopgemerkt. 'Wij weten nu, dat God ALLE dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben' (Romeinen 8:28). Al die teleurstellende, waarneembare, of verborgen gebeurtenissen, ziektes, misverstanden, zondes, zelfs die van onszelf) zullen de uiteindelijk vervulling van ons leven dat in Christus verborgen is in God, niet verhinderen.' Dat lukte niet van het ene op het andere moment, en ik heb het er nog steeds moeilijk mee, maar het is wel de weg waar ik me sindsdien op bevind. Het maakt me vrijer. Het maakt me productiever. Het maakt me liefdevoller en begripsvoller. Het maakt dat ik de stem van God die in mijn hart tot me spreekt, eindelijk kan geloven. Dat ik me door hem kan laten omhelzen. Of althans, een beetje. Ik ben op de weg, maar ik ben nog niet aangekomen.

Eerder schreef ik over ditzelfde thema een blogbericht onder de titel ‘Ongelofelijk simpel’, dat nog wat verdieping biedt. Zo eenvoudig is het!

zondag 1 december 2013

Over de drempel (3): het voorbeeld van de ijsberg

Het verschil tussen de transactionele en de sacramentele blik op de werkelijkheid wordt door Robert Farrar Capon op de volgende manier inzichtelijk gemaakt: volgens hem zien wij God vaak als een kleermaker, die af en toe met zijn naald in de stof van de geschiedenis prikt. Op het moment van de schepping, van de uittocht uit Egypte, van Jezus’ leven en zijn dood en opstanding. Dat waren momenten dat God handelde en de koers van de gebeurtenissen veranderde, waarop dus bepaalde transacties plaatsvonden tussen onze natuur en Gods bovennatuur. Maar verder is God van ons gescheiden en verloopt de geschiedenis onafhankelijk van Hem. Maar een sacramentele visie ziet God als de werkelijkheid ‘onder’ de werkelijkheid, als de waarheid onder de geschiedenis. Dat wil zeggen dat zijn liefde en herstel de koers van alle gebeurtenissen bepalen, zodat uiteindelijk zijn koninkrijk verschijnt. En dit is nu al waar. Zijn liefde is de 'diepere magie' zoals Lewis het noemde. En op sommige momenten wordt deze realiteit al zichtbaar zichtbaar. God is als het ware de ijsberg die zich bevindt onder alle tijd en eeuwigheid, en die ondersteunt en voortdrijft. De schepping, de uittocht uit Egypte, Jezus’ leven, dood en opstanding, zijn niets anders dan de punten van de ijsberg die op sommige plekken boven het water uitsteken. Aan die punten kun je zien wat zich onder water bevindt.
De goddelijke daden in de geschiedenis zijn niet slechts de zeldzame interventies van een werkelijkheid die daarvoor niet aanwezig was”, zegt Capon in zijn boek Kingdom, Grace, Judgment. “Ze zijn eigenlijk uitgespeelde gelijkenissen -sacramenten, zo je wilt, ‘werkelijke aanwezigheid’- van een realiteit die er altijd al was, maar onzichtbaar ... Het totaal van het mysterie dat aan de schepping ten grondslag ligt, is aanwezig op elk moment dat deze sacramentale verschijningen van het mysterie plaatsvinden ... Precies zoals elke punt van de ijsberg die boven de golven uitsteekt, het zichtbare deel is van een en dezelfde ijsberg, zo is elke doorbraak van het mysterie in onze werkelijkheid een zichtbaar aspect van een en hetzelfde mysterie.”
En dat mysterie is dat God degene is die uit liefde schept. Dat we allemaal door God geliefd zijn, en dat we als we dood zijn door hem uit het graf zullen worden opgewekt. Ja, dat de hele schepping (die immers aan het eind van de tijd tot niets zal afkoelen) uiteindelijk zal worden vernieuwd. Het is een mysterie, omdat we niet kunnen uitleggen hoe dat gebeurt. Het is namelijk geen transactie, niet iets mechanisch, niet iets waar wij iets aan kunnen bijdragen. Het is zelfs niet tot stand gebracht door Jezus’ dood en opwekking. Jezus’ dood en opwekking zijn er het beeld van, een teken. Zoals je ziet dat het lente wordt als je de eerste krokussen ziet, zoals je weet dat het oogsttijd wordt als je de eerste rijpe aren kunt plukken, of als de eerste appel van de boom valt. Op die manier is Jezus de eersteling van hen die ontslapen zijn, de eerste oogst van de doden die zullen worden opgewekt. (Kolossenzen 1:18) Het herstel van alle dingen begint bij hem. Maar ook eindigt het in hem. Hij omvat alle dingen. Hij heeft de leegte genomen en die gevuld. Alles is in hem, door hem en tot hem geschapen. “Hij bestaat voorafgaande aan alles en alles bestaat in hem” (v17). En in hem is alles verlost. “Alles op aarde en alles in de hemel.” (v20). Zo groot is zijn verlossingswerk, zijn vernieuwingswerk. Het is letterlijk kosmisch, want het bevat het hele heelal. Maar tegelijk was het klein: te zien aan het kruis, waar Jezus stierf, om drie dagen later uit de dood te worden opgewekt. Daarom kan van hem gezegd worden dat hij het lam is, dat is geslacht, sedert de grondlegging van de wereld (vgl. Openbaringen 13:8 NBG). Zijn dood en opstanding waren een punt van de ijsberg, die boven water uitstak. Kleiner dan de ijsberg zelf (een enkel mensenleven), maar toch onmiskenbaar deel van de ijsberg. Hetzelfde materiaal. Zelfs dezelfde vorm, dezelfde glinstering. Dezelfde waarheid. Wie de punt van de ijsberg heeft gezien, weet hoe de ijsberg is. Jezus zei het: wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Heeft gezien dat God van eeuwigheid af al schept uit het niets. De onzichtbare man had even een hoedje op, zodat we hem konden waarnemen.

Laten we de metafoor van hierboven nu nog wat verder doortrekken: een punt van een ijsberg heeft zelf ook uitstulpingen, zelf ook punten en pieken. Als je van dichterbij kijkt zie je zelfs op deze punten onregelmatigheden. Toch bestaan de onregelmatigheden en de pieken ook uit ijs. Ze glinsteren. Ze hebben scherpe kanten. Je bent afgedaald naar een kleiner schaal - je kijkt naar decimeters in plaats van meters, maar je kijkt naar dezelfde ijsberg. Zo is het ook met de werkelijkheid. Want het mysterie van leegte en schepping, van dood en opstanding, speelt zich ook af op het niveau van ons leven. Dezelfde God die Jezus uit de dood opwekte, geeft ook ons eeuwig leven. Waar wij zwak zijn, is hij sterk. Als wij sterven, doet hij ons opstaan. Wat geldt voor de schepping als geheel, wat gold voor Jezus tweeduizend jaar geleden, dat geldt nu ook voor ons. Dit is het mysterie van het evangelie, van het goede nieuws dat de engelen al brachten toen Jezus werd geboren. We zijn deel van dezelfde ijsberg.
In een eerder blogbericht heb ik de beeldspraak van de fractal gebruikt. Je kunt op internet veel afbeeldingen vinden van fractals. Kort gezegd komt het hierop neer: in een fractal wordt steeds dezelfde vorm herhaald. Je ziet een groot silhouet, omgeven door kleinere silhouetten. Maar als je goed kijkt, hebben die dezelfde vorm als het grote silhouet, en ze worden zelf ook weer door nog kleinere silhouetten omgeven. En die zijn ook weer van dezelfde vorm. En worden ook weer door kleinere omgeven. En zo door. Tot in het oneindige. Als je het plaatje onder de microscoop zou bekijken zou je nog steeds dezelfde vormen tegenkomen. Als je vervolgens weer uit zou zoomen, zou je opmerken dat het grote silhouet eigenlijk is opgebouwd uit de kleinere silhouetten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat we leven in een fractalwerkelijkheid. Kijk naar de natuur: overal zie je dat grotere vormen zijn opgebouwd uit kleinere, en die uit nog weer kleinere eenheden, en die uit nog weer kleinere, tot aan cellen en celorganellen toe. Het makkelijkst is dit te zien bij varenbladeren, of vertakt koraal, of in onze nieren. Maar het blijkt dat ook bijvoorbeeld de vorm van bergen met fractalformules te beschrijven is, en dus is het niet zo vreemd als ook ijsbergen eigenlijk fractals zijn: grote vormen, waarin kleinere vormen herhaald worden.
Volgens mij kun je deze beeldspraak toepassen op het evangelie. Het is een fractalwaarheid. De waarheid van schepping uit het niets, de creatie van leven uit liefde, die de grondslag is van onze werkelijkheid, wordt zichtbaar op het niveau van Jezus’ leven, zijn dood en opstanding. God die mens werd, die zich met ons identificeerde en net als ons dood ging, maar door liefde werd opgewekt. Op een niveau lager geldt deze waarheid dus voor ons, een niveau dieper in de fractalafbeelding: zoals Jezus stierf en opstond, sterven wij en staan wij op. Wij zijn het lichaam van Christus, de cellen die dood gingen en levend werden. Dezelfde waarheid is waar voor ons.

Maar de fractal heeft nog een dieper niveau, bijna microscopisch. Dat zijn de sacramenten. Ja, de naam zegt het al. De sacramenten zijn tekenen waarin op het niveau van materie (water, brood en wijn, maar ook de kerk die tegelijk het lichaam van Christus is) zichtbaar wordt wat waar is op het niveau van ons eigen leven, wat waar was voor Jezus in zijn dood en opstanding, en wat waar is op het allerhoogste niveau: de natuur van God, de Opstanding en het Leven. En zoals het ijskorreltje op de ijsberg bestaat uit ijs, en dus deel is van het grote geheel, zo is Jezus aanwezig in brood en wijn, en zo worden door de doop echt zonden afgespoeld.
Dat betekent echter niet dat het transacties zijn. Ik denk dat dit de vergissing is die ten grondslag ligt aan veel discussie over de sacramenten. Toen mijn vrouw en ik trouwden, zagen we het niet als een transactie. Onze liefde voor elkaar en de manier waarop we met elkaar omgingen veranderde niet door de ceremonie. Maar toch wilden we wel trouwen. We zouden niet minder van elkaar hebben gehouden als we niet waren getrouwd (en ons zou een hoop georganiseer gespaard zijn gebleven). Maar we wilden onze liefde zichtbaar maken. Zodat ook wij op dat ene moment konden terugkijken en weten dat onze liefde voor elkaar werkelijkheid is! Onze liefde is er niet van afhankelijk, maar toch konden we niet zonder.
Net zo brengen doop en avondmaal brengen zelf helemaal niets tot stand. Ze maken ons niet rechtvaardiger dan we al zijn. Ze maken ons niet heiliger en ze maken ook niet dat God meer van ons houdt of ons meer accepteert. Ze hebben geen magische kracht. Ze veranderen niets. Maar aan de andere kant zijn het niet slechts symbolen. Ze dienen niet om ons te laten terugdenken aan het verleden, of aan Jezus’ dood en opstanding, als veredelde geheugensteuntjes. Het hadden niet even goed andere symbolen kunnen zijn. Jezus zegt wel degelijk: ‘dit is mijn lichaam’ en ‘dit is mijn bloed’. En eerder had hij gezegd dat mensen om behouden te worden zijn lichaam moesten eten en zijn bloed moesten drinken (zie Johannes 6). Dat betekende niet dat hij kannibalisme promootte. Hij bedoelde (meen ik) dat in mensen hetzelfde moest gebeuren als met hem, namelijk dat ze moesten sterven en door God moesten worden opgewekt uit de dood. De waarheid die in hem werkzaam was  tijdens zijn leven, dood en opstanding, (dezelfde Macht, zie Efeze 1:20) moest ook werkelijkheid worden in onze levens.
Maar het feit dat de Romeinen de eerste christenen beschuldigden van kannibalisme is niet alleen maar een interessant historisch feitje. Het suggereert wel degelijk iets van de ernst van de sacramenten. Ze zijn niet ‘maar symbolen’, maar ze zijn tekenen. Tekenen van de waarheid. Wie zich laat dopen deelt dus in iets dat waar is, namelijk in Jezus’ dood en opstanding. Dat dit net zo waar is als je je niet laat dopen, doet niets af aan het teken. Net zo wie deelt in brood en wijn. Je bent net zo zeer deel van Jezus’ dood en opstanding als je niet aanzit aan het avondmaal. Wie aanzit, ervaart dus iets dat sowieso al waar is voor hem. Zonder dat hij of zij er iets voor hoeft te doen of te laten. Daarom dat het zobelangrijk is het avondmaal te ontvangen. Iedereen mag naar voren komen, jong en oud, man of vrouw, zondaar of heilige.
In de Anglicaanse kerk steken mensen hun linker hand op. De hand die niet handelt. De zwakke hand. Om duidelijk te maken dat ze niet op hun eigen kracht vertrouwen. De priester (zelf al een sacrament!) reikt het brood aan en zegt: ‘Het lichaam van Christus’. En degene die aanzit, antwoordt alleen: ‘Amen’. Want het is waar, of je nu dankbaar bent of niet. En dat is het enige. Ik ken kerken waarin mensen knielen bij een kruis waarop het avondmaal is uitgestald en zelf nemen van het brood dat daarop ligt. Dat maakt van het avondmaal iets transactioneels, in plaats van een sacrament. Juist het feit dat je ontvangt, zonder er iets voor te hoeven doen, maakt het een teken. De Anglicaanse kerk is op meer punten sacramenteel. Ook in de lezing van het woord. Men gelooft dat het woord zelf werkzaam is in mensen (een sacrament is), daarom dat de gemeente gaat staan als uit de evangeliën wordt voorgelezen. We ontvangen. We weten dat we niet zelf aan de waarheid kunnen bijdragen, ook niet door Bijbelstudie. We kunnen alleen open staan voor wat God van eeuwigheid af al in de schepping aan het doen is. Ik ben er blij mee.
Ik voel me niet een beter christen omdat ik aan het avondmaal aanzit. Het avondmaal in zichzelf doet niets. Het is geen transactie. God houdt niet meer van me omdat ik aanzit. Maar ik weet wel dat ik elke zondag naar de kerk wil gaan om deel te nemen aan het avondmaal. Omdat ik het nodig heb aan de waarheid herinnerd te worden. Ik moet mijn blik richten op de ijspunten om me heen, om me weer te realiseren dat er een ijsberg onder water is, die mij draagt en ondersteunt. Dat te realiseren is tegelijk het enige wat ik hoef te doen. En dat maakt dat ik mezelf kan accepteren, dat ik van andere mensen kan houden, en dat ik kan leven op de manier die past bij het nieuwe leven van de opstanding. Niet omdat ik het zelf doe, maar omdat ik vertrouw op God, die het van het eerste moment van de schepping al doet voor en in mij.

vrijdag 7 juni 2013

Weg van de kerk (2): Nu anglicaans?

Een paar punten waarom ik zo enthousiast ben over de anglicaanse kerk (in willekeurige volgorde).

- De aandacht voor schrijvers en filosofen in de dienst (citaten van Tolkien, Lewis en Kierkegaard, maar ook Peanuts). Het is een kerk waar ruimte is voor intellect en creativiteit.
- Een paar van mijn favoriete schrijvers zijn anglicaans. N.T. Wright, John Stott, C.S. Lewis, Adrian Plass, Alistair McGrath - om er een paar te noemen. Maar vlak voordat ik voor het eerst naar de anglicaanse kerk ging, las ik een boek van Brenee Brown over schaamte en kwetsbaarheid. Ik ontdekte dat zij ook een anglicaanse kerk bezocht. De wetenschap dat iemand uit deze kerk zo over kwetsbaarheid kon schrijven, maakte dat ik er ook meer vertrouwen in kreeg. Verder ontdekte ik dat een van de filmrecensenten die ik volg (van de One Minute Reviews) een anglicaanse voorganger is. In zo’n gezelschap voel ik me wel thuis! Zo wie zo komen de meeste andere schrijvers die ik graag lees uit een liturgische, sacramentele kerk (katholiek, orthodox, presbyteriaans, episcopaal-luthers): J.R.R. Tolkien, G.K Chesterton, Peter Kreeft, George McDonald, John C. Wright, Gene Wolfe, Brennan Manning en Madeleine L’Engle, maar ook iemand als Robert Farrar Capon.
- Ik hoef in deze kerk niet volmaakt te zijn. Sterker nog, men gaat ervan uit dat ik niet volmaakt ben. De dienst begint met een collectieve schuldbelijdenis, waarna de vergeving van God wordt uitgesproken. Wat ik benoem als ‘het verhaal van de zwakheid’, wordt hier beleefd.
- Het sacramentele denken (dat ook aansluit bij ‘het verhaal van de zwakheid’, dat ervan uitgaat dat God het is die in ons werkt, die ons uit de dood opwekt). Dit uit zich in het feit dat wekelijks het avondmaal wordt gevierd, en dat het avondmaal niet wordt gezien als alleen een symbool dat ons helpt terugdenken aan het offer van Jezus, maar als werkelijk representatief voor het offer van Christus. Delen in het avondmaal is op een reële manier het ontvangen van het lichaam en het bloed van Christus, en bewerkt daarom ook de verandering van de verlossing. Maar dat is niet het enige waardoor God werkt. God werkt ook door de schrift heen! Het woord wordt gelezen, niet zodat wij ermee aan de slag kunnen gaan, maar zodat het Woord (met hoofdletter) door het woord in ons kan werken. Daarom gaat men er ook bij staan. Zo zijn er meer punten waarbij het duidelijk is dat het er niet om gaat wat wij voor God kunnen of moeten doen, maar om het ontvangen wat God voor ons heeft gedaan en nog steeds doet.
- Mooi is daarom steeds de houding van het ontvangen. Bijvoorbeeld bij het deelnemen aan het avondmaal. Het raakt me echt om dat weer elke week te kunnen doen. En niet door (zoals bij de evangelische kerk die ik bezocht) bij een kruis te knielen en zelf brood en wijn te pakken, maar door brood en wijn te ontvangen. Het raakt me dat ik alleen mijn handen hoef te openen en dat het brood erin wordt gelegd met de woorden ‘Het lichaam van Christus’. En ik hoef alleen maar ‘Amen’ te zeggen. Geen ‘dank je wel’, want het gaat niet om degene die het brood geeft, maar alleen ‘amen’ - ‘zo is het’. De verlossing is iets dat Christus geeft, waar ik alleen maar mijn handen voor hoef te openen. Ik hoef het niet zelf te doen. En dat wordt in deze vorm heel duidelijk.
- Ik vind de liederen mooi. Ze draaien niet om onze reactie op het evangelie (zoals veel van de opwekkingsliederen). Ze uiten niet dat ikzelf blij of dankbaar ben, of enthousiast, of gelovig. Ze gaan over het werk van God, het werk van Christus, het werk van de Heilige Geest. Ze gaan over het goede nieuws. En ik kan ze zingen hoe ik mij ook voel! Ik kan ze zingen als belijdenis van de waarheid. Niet over mijn eigen gevoel (want dat is vaak niet zo zoals het in evangelische liederen wordt beschreven), maar de waarheid over Christus.
- Dit geldt voor de liturgie in het algemeen. Die bestaat voor grote delen (waar het niet gaat om het ‘ontvangen’) uit het samen met alle heiligen uitspreken van de waarheid, bijvoorbeeld in de geloofsbelijdenis, of in de lofprijzing. Elke zondag opnieuw spreek ik uit wat ik geloof. Dat Jezus is gestorven, dat hij is opgestaan, dat hij aan de rechterhand van de vader zit. Ik spreek uit dat God naar ons toe alleen maar genadig is. Ik spreek uit dat ik uitzie naar de opstanding en de wereld die komt (elke zondag minstens twee keer!).
- Wat ik vroeger dacht over liturgie, dat het door de herhaling een ‘vormpje’ wordt, dat niet echt meer zou worden beleefd door de mensen, wordt hier wel ontkracht. Ik let steeds op op de voorgangers. Maar die spreken de woorden elke keer uit vol overtuiging. Prachtig! Het zijn voor hen geen ‘dode’ maar ‘levende’ waarheden. Ze spreken over een realiteit waar ze volledig achter staan. Hier is geen woord vrijzinnigheid bij.
- Tegelijkertijd geloof ik dat waarheden juist door herhaling werkelijk deel van ons gaan uitmaken. Ze zijn nog niet tot je doorgedrongen als je ze een keer hebt gehoord en hebt beaamd. Intellectuele instemming is niet voldoende. Ze moeten landen in je hart en je leven gaan bepalen. Hier is het niet voldoende een keer het evangelie te horen, het evangelie moet steeds opnieuw worden ontvangen. Daarom zijn rituelen zo belangrijk!
- Het diverse gezelschap: de aanbidding is hier daadwerkelijk ‘uit elk geslacht en stam en volk en natie’. Engelsen, Amerikanen en Nederlanders zitten naast Indiers en mensen uit Afrika. En bovendien hebben we vrouwelijke voorgangers en sprekers. Hier wordt in praktijk gebracht dat er in Christus geen onderscheid is tussen man en vrouw, slaaf en vrije, jood en griek.
- Ik hoor elke zondag twee tot drie schriftgedeeltes (waarvan een uit een van de evangelien), die ik trouw meelees, en ik zing een van de psalmen mee, en daarnaast is een groot deel van de liturgie geciteerd uit de bijbel. Het mooie is dat er een kerkelijk jaar wordt gevolgd, waardoor door het jaar een groot deel van de bijbel aan bod komt, en de belangrijke momenten van het geloof allemaal aandacht krijgen!
- Verder is er bijna elke zondag gebed, voor de kerk, voor zieken, voor zendelingen. En eens per maand is er de mogelijkheid gebed te ontvangen voor genezing en heelheid. Veel mensen maken hier gebruik van, wat mooi is om te zien. Dat herinnert me eraan dat Leanne Payne, en Lin Button (die in Nederland conferenties verzorgt over innerlijke genezing), ook uit de Anglicaanse kerk afkomstig zijn. En Martin Tensen die deze conferenties organiseert bezoekt ook een anglicaanse kerk. Genezing en herstel wordt in deze kerk serieus genomen!
- Ook in de preken hoor ik het evangelie. Tot nu toe werd in elke preek expliciet verteld dat Jezus is gestorven en opgestaan. En in bijna elke preek werd de nadruk gelegd op de liefde van God voor elk van ons. Afgelopen zondag nog stelde de leider van de dienst dat het allemaal draaide om Jezus, dat hij degene is waar het om gaat in het christelijk geloof. En de spreekster legde er de nadruk op dat God ieder van ons liefheeft, niet als deel van een collectief, maar als individu, zoals we zijn. Het is de boodschap die langzaam bij me komt binnendruppelen. Dit is een plek waar ik kan leren het eindelijk te geloven, dat ik de geliefde van God ben.
- De hele drie-eenheid komt aan de orde in de diensten. God de Vader, de Zoon en ook de Heilige Geest. Ze hebben alle drie een belangrijke plek. En, een punt dat mijn verloofde inbracht: aan alle aspecten van God wordt aandacht besteed - God als Vader, maar ook God als Koning, of als Rechter. Er is ruimte voor ontzag, maar ook voor intimiteit. Dat evenwicht is mooi!
- De nadruk op schoonheid en mysterie, in de symbolen, maar ook in het mooie kerkgebouw, met een prachtige tuin, vlak bij de Scheveningse bosjes, in het prachtige gebrandschilderde raam, maar ook in de muziek! Het orgel speelt onder andere muziek van Bach. Er is een koor dat prachtig zingt. Soms zijn er andere instrumenten (viool, piano). Muziek (ook zonder tekst) wordt als belangrijk gezien. Schoonheid is voor mij een belangrijk thema. Schoonheid communiceert iets over de natuur van God, zonder dat het uitgelegd hoeft te worden. Ik merk dat dit een plek is waar dat herkend en gewaardeerd wordt. Geen wonder dat veel kunstenaars uit sacramentele, liturgische tradities komen. Ik sprak laatst met een kennis die ik ooit op het Flevofestival heb ontmoet waar ze een workshop tekstschrijven gaf. Ze blijkt voorgangster te zijn in een presbyteriaanse kerk. En ook zij gaf aan dat de ruimte voor schoonheid en mysterie daar heel belangrijk is. God werkt in mysterieuze wegen, die niet altijd voor ons in woorden te vatten zijn. En dat moeten we ook niet altijd proberen.
- De vriendelijkheid van de mensen. Dit kan misschien aan de Engelse volksaard liggen, maar er zijn veel mensen in deze kerk met een heel rustige, vriendelijke natuur. Bianca en ik werden direct verwelkomd, men vroeg geïnteresseerd naar ons en onze interesses, en de volgende keer werden we herkend. Zonder dat er direct druk op ons werd gelegd. Dit voelde heel verwelkomend. En ik geloof dat het minstens voor een deel voortkomt uit de theologie van deze kerk, en wat ze geloven over de liefde van God, die naar ons toe alleen maar genade is.
- De oproepen voor vrijwilligers komen bovendien niet manipulerend over, eerder uitnodigend (misschien kan ik me ook eens inzetten) en de collecte wordt niet aangekondigd. Soms heb ik niet eens door dat het al zover is. Ik voel me nergens toe gedwongen.
- Mooi onderdeel van de dienst: elkaar de zegen van God toewensen. De mensen om je heen de hand schudden, in de ogen kijken, en de zegen van God toewensen. Prachtig. Mijn verloofde zei dat ze dat vroeger ook het mooiste onderdeel vond van de katholieke kerk.

Bij deze opsomming zal ik sommige mooie dingen nog vergeten zijn, maar het is denk ik genoeg om te snappen waarom mijn verloofde en ik na vijf diensten nog steeds enthousiast zijn. We hebben een geestelijk thuis gevonden. Geen wonder dat ik dus nog even in de ‘cage phase’ zit. Uiteindelijk zal ik ook wel punten zien die een beetje ‘schuren’ (er is altijd wel wat), en ik zal me daar niet door van mijn stuk proberen te laten brengen, maar ik vermoed dat die niet zullen opwegen tegen wat ik hierboven opsomde. In elk geval heb ik er zin in komende zondag weer te gaan!

Aandachtige lezers van mijn blog hebben vast herkend dat wat mijn aanspreekt in de anglicaanse kerk aansluit bij wat ik de afgelopen jaren op mijn blog heb geschreven over mijn worsteling met de (evangelische) kerk en mijn zoektocht naar God en zijn genade. In een volgend bericht wil ik terugkijken op die zoektocht en een paar van mijn eerdere blogberichten citeren die licht werpen op mijn reis!

zondag 6 januari 2013

Filmbespreking: Star Wars IV, V en VI

Al jaren heb ik op nieuwjaarsdag een vaste traditie: de badjasdag. Ik weet niet meer zo goed hoe ik ooit op het idee ben gekomen. Als je vrijgezel bent, en niet de eerste dag van het jaar wil doorbrengen met familie, is er weinig reden je aan te kleden en de deur uit te gaan. Bovendien houd ik erg van oliebollen en appelflappen (waardoor ik  graag een excuus vind ze meer te eten dan alleen op oudejaarsavond). Ten slotte neem ik in de loop van het jaar eigenlijk geen tijd meerdere films achter elkaar te kijken - daarvoor zitten weekeindes te vol met sociale verplichtingen (en er moet ook af en toe geschreven worden). Maar het is wel erg leuk om bijvoorbeeld een filmtrilogie op een dag helemaal te zien. Dan zit je pas echt goed in het verhaal. Al deze factoren kwamen bij elkaar en sindsdien breng ik 1 januari door op de bank in mijn badjas en kijk ik films (maar pas nadat ik mijn traditionele nieuwjaarsbericht heb geschreven voor mijn blog). Ik heb een keer de drie Lord of the Rings-films gekeken (extended editions - het werd bijna later dan oudejaarsavond zelf), keek de Matrix-trilogie en keek vorig jaar zelfs zes losse films. Dit keer vierde mijn verloofde badjasdag met me mee. Ik kan wel verklappen dat ook zij het een groot succes vond, en deze traditie in de toekomst graag in ere wil houden. Ben ik een gelukkig man of niet? Ahem ...
De keuze viel dit jaar op de eerste drie Star Wars-films, episodes IV, V en VI. Mijn verloofde had die namelijk nog niet gezien, ze had er alleen over gehoord. Daarnaast kijken we sinds kort DVD’s van The Big Bang Theory, en wilde ze beter begrijpen waar  de hoofdpersonen over praten. Regelmatig is dat Star Wars. Tijd voor een verdergaande introductie in de cultuur van SF-fans. “Never underestimate the power of the ‘geek’-side.”
Omdat ze gewoonlijk meer verdiept is in negentiende eeuwse literatuur (ze is een fan van Dickens), en kostuumdrama’s, vroeg ik me af of ze deze filmserie niet zou wegzetten als oppervlakkig vermaak. Maar ik hoefde niet bezorgd te zijn. Ik kan verklappen dat ze de films ademloos uitkeek en er achteraf heel enthousiast over was. Ze genoot van de fantasie in vooral de eerste en de derde film, wat betreft de diversiteit van buitenaardse rassen en interessante fantasiedieren (de biodiversiteit op met name Tatooine is behoorlijk hoog). Ze was ook verbaasd over de kwaliteit van de ‘special effects’ - we keken de special editions waar sommige computereffecten aan zijn toegevoegd, maar ook de originele beelden van bijvoorbeeld de Imperial Walkers uit The Empire Strikes Back, de niet-digitale Yoda, en de ‘Rankor’ uit Return of the Jedi vond ze heel indrukwekkend. Maar ze waardeerde ook de acteurs. Hoewel ze gewoonlijk niet een fan is van Harrison Ford vond ze Han Solo een gaaf karakter, en vooral zijn interactie met de pittige, niet van de tongriem gesneden prinses Leia. Ook het spel van Alec Guiness vond ze mooi. Verder was ze verrassend onder de indruk van het plot. Ze vond de ontwikkeling van Luke en hoe hij omgaat met zijn familie-erfgoed mooi weergegeven, ze vond de trainingssessies op de planeet Dagobah fascinerend, en was verbaasd door het onafgeronde einde van deel V. De confrontatie die de trilogie afsluit volgde ze ademloos. En ze sprak haar waardering uit over de terughoudendheid waarmee de schrijvers een karakter als Obi-Wan Kenobi later in het verhaal lieten terugkomen.
En ik moest haar gelijk geven - waar ik van onder de indruk was nu ik voor het eerst alle drie de films achter elkaar zag, was hoe krachtig dit verhaal eigenlijk is. Cultuurliefhebbers die geneigd zijn het Star Wars-fenomeen te negeren, hebben misschien gelijk wat betreft de episodes I, II en III (daar nemen de ‘special effects’ de eerste plaats in, en delven het verhaal en de karakters het onderspit - ik vind ze gaaf vanwege de fantasievolle buitenaardse ecosystemen, ruimteschepen en kostuums, maar wordt niet echt geraakt door de belevenissen van de hoofdpersonen). Episodes IV, V en VI hebben echter terecht de status van klassiekers. Ze eindigen vaak hoog in enquêtes naar de favoriete films van kijkers en dat is helemaal verdiend. Net als The Lord of the Rings fungeren ze op een wezenlijke manier als moderne mythologie (niet voor niets vullen mensen bij bevolkingsonderzoeken naar religie soms in dat ze ‘Jedi’ zijn). In mijn bespreking van The Life of Pi suggereerde ik al dat dit komt omdat producent (en regisseur van deel IV) George Lucas zich baseerde op het werk van Joseph Campbell over mythologie. Hij liet zelfs een vroege versie van het script aan deze auteur lezen, om van hem te horen of hij de ‘grote gemene delers’ van de menselijke verhalen op een goede manier had verwerkt. En als er iets waars schuilt in het werk van Campbell, en dat geloof ik wel, had hij daardoor een verhaal in handen dat resoneerde met de diepe beelden en verlangens van mensen van over de hele wereld. Maar ook een verhaal dat de connecties van deze mythes met de Ware Mythe op een bijzondere manier laten zien ...

Het verhaal van de Star Wars-films speelt zich zoals bekend af lang geleden, in een melkwegstelsel heel, heel ver weg. Het is een melkwegstelsel waar vele rassen intelligente wezens leven. Duizenden jaren eerder hebben die zich verenigd in een melkwegstelselgrote federatie van planeten. De vrede in dit rijk werd bewaard door de zogenoemde ‘Jedi’. Deze ridders hadden de toegang tot een bijzondere kracht, die elk levend ding in het universum verbindt. Ze gebruikten hun kracht om goed te doen, kennis te verzamelen en onrecht te bestrijden.
Aan deze periode kwam een einde door de kloonoorlogen. De Jedi zijn uitgeroeid. En de federatie is geen democratie meer, maar wordt geregeerd door een keizer. Een keizer met een eigen mysterieuze macht. Zijn rechterhand is de laatste van de Jedi, Darth Vader, een man in een zwart masker die op zoek is naar de schuilplaats van de enig overgebleven rebellen. Hij entert nu een diplomatiek schip. Aan boord is prinses Leia. Ze is echter niet alleen lid van de koninklijke familie van Alderaan, maar ook een leidster van de opstandelingen. Vlak voor ze wordt gevangengenomen, verstopt ze in een robot een mysterieus document. De robot ontsnapt met een metgezel naar de dichtstbijzijnde planeet: Tatooine, een droge bol zand waar het uitschot van het melkwegstelsel zich verzamelt. Geen opbeurende omgeving.
Een van de bewoners van deze planeet is de jonge Luke Skywalker. Hij wil niets liever dan zijn vrienden achternagaan, die zich hebben aangesloten bij de verzetsbeweging. Maar zijn oom wil dat hij nog een seizoen blijft helpen op de vochtboerderij. Luke kan niet anders dan zich bij dat besluit neerleggen. Op een dag vindt hij echter bij een verkoop van robots twee bijzondere exemplaren. Een daarvan herbergt een verrassing. Een boodschap voor een mysterieuze Obi-Wan Kenobi. Op Tatooine woont geen Obi-Wan, maar wel een zekere Ben Kenobi en Luke gaat naar hem op zoek. Misschien gaat het namelijk om dezelfde persoon. En de prinses die de boodschap heeft gestuurd is wel heel knap ...
Het is het begin van een groot avontuur, waarbij Luke zal ontdekken dat hij niet is wie hij altijd dacht te zijn, waarin hij geconfronteerd zal worden met de absolute macht van het kwaad, maar ook een waarin hij vriendschappen zal sluiten die zijn leven zullen veranderen. Moge de kracht met hem zijn.

Over de spirituele en mythologische achtergronden van Star Wars zijn al talloze essays en boeken geschreven, ook vanuit christelijke optiek. Ik zal in de volgende duizend woorden daarvan niet een totaalplaatje kunnen schetsen en mijn inzichten zijn ook sterk gebaseerd op deze artikelen die ik al jaren heb gelezen en gesprekken over deze films met vrienden. Wat ik denk, is dat het Grote Verhaal, het verhaal van de liefde van Jezus en zijn dood en opstanding, niet zichtbaar wordt in The Force en de religie van de ‘Jedi’, maar juist in de manier waarop hoofdpersoon Luke Skywalker tegen deze religie ingaat. En omdat hij daardoor van binnenuit de religie transformeert, kun je hem zeker zien als een Jezus-figuur. Mocht je de films nog niet gezien hebben en het niet waarderen te weten hoe ze aflopen, dan kun je het beste stoppen met lezen, want ik zal de conclusie van het verhaal gaan bespreken.
Ik keek deze films nu met de episodes I, II en III in mijn achterhoofd. In deze films wordt een profetie gedaan dat iemand zal komen om evenwicht te brengen in de Force. De Jedi zien hun kracht namelijk wanen, en in het hart van het keizerrijk groeit de invloed van de Sith, degenen die de donkere kant van de Force gebruiken. Het vermoeden is dat de jonge Anakin Skywalker (ja, dezelfde naam achternaam als Luke) degene is die deze profetie in vervulling moet brengen. Hij wordt daarom getraind, onder andere door Obi-Wan Kenobi en Yoda. Maar Anakin is een gepassioneerd man, met een grote liefde voor zijn moeder, en voor zijn vrouw. Dit wordt echter niet gewaardeerd door de Jedi. Die leren namelijk dat emoties mensen op het spoor van de donkere kant kunnen zetten. Zoals Yoda zegt: Angst, haat en lijden leiden tot de donkere kant. Maar deze kunnen weer voortkomen uit hechting en liefde. Een Jedi mag zich daarom aan niemand binden en moet zijn emoties onder controle houden. Anakin moet zijn huwelijk dan ook geheimhouden. En dan gebeurt er inderdaad iets ergs. En Anakin krijgt van de leider van de Sith een aanlokkelijk aanbod: namelijk dat hij de kennis zou kunnen verkrijgen om de dood ongedaan te maken. Anakin verlangde altijd al naar de macht om te voorkomen dat zijn geliefden zouden lijden, en neemt dit aanbod aan. Maar zijn verlangen naar macht corrumpeert hem. Het leidt ertoe dat hij zijn geliefden kwijtraakt. Voortaan leeft hij alleen uit woede en haat. Hij neemt de identiteit aan van Darth Vader.
In de tweede trilogie (die wel later is gemaakt, maar de nummering suggereert dat George Lucas de verhaallijn van de episodes I, II, en III al in zijn hoofd had zitten) wordt de zoon van Anakin, Luke, onder de hoede genomen door dezelfde Obi-Wan Kenobi en door Yoda. Al snel blijkt dat zij hem leugens hebben wijsgemaakt - onder andere over de identiteit van zijn vader. Ja, ze beargumenteren dat het niet werkelijk liegen was, maar dat het waar was ‘vanuit een zeker perspectief’, maar eerlijk waren ze in elk geval niet. Ze waren namelijk bang dat Luke als hij de waarheid zou kennen, zich zou hechten aan de kwade Darth Vader. Vervolgens waarschuwen ze Luke voor zijn connectie met zijn vrienden, met Han Solo en prinses Leia. Hij heeft namelijk een visioen gehad waarin zij veel pijn lijden. Maar zijn onderwijzers vinden dat hij dat moet negeren en zijn opleiding moet afmaken. Luke luistert niet naar hen, maar komt zijn vrienden ten hulp. Ten slotte zeggen Obi-Wan en Yoda dat het lot van het universum ervan afhangt dat hij de confrontatie moet aangaan met Darth Vader en hem moet doden. Want als hij Darth Vader niet doodt, is alles verloren. Maar ook dat doet Luke niet. Hij legt de leerstellingen van de Jedi naast zich neer. De Jedi zijn dan wel de ‘goeden’, maar ze geloven in macht als het intrument om vrede te bewerkstelligen. Maar Luke doet dat niet. In plaats daarvan handelt hij uit liefde.
Hij zoekt zijn vader op en laat zich door hem gevangennemen, omdat hij gelooft dat hij de man kan redden. En in plaats van te strijden en Darth Vader te doden, laat hij liever zichzelf doden. Weerloos (‘als een lam dat ter slachting geleid wordt’) ondergaat hij de bliksems van de boosaardige keizer. Waar zijn vader koos voor het pad van de macht, in de hoop daarmee zelfs de dood te overwinnen, kiest Luke voor de dood, om daarmee niet in de verleiding van de macht te vallen. En die keuze blijkt transformatie te bewerkstelligen! Dit blijkt een offer dat werkelijk het hart van mensen kan veranderen. Macht werkt immers van buitenaf en corrumpeert, liefde verandert mensen van binnenuit. Anakin Skywalker, die geloofde dat hij helemaal in de macht was van de keizer en altijd het pas van de donkere zijde zou moeten bewandelen, kiest voor het pad van de liefde. Het offer van Luke stelt hem in staat ook te kiezen voor opoffering. Waar hij eerst boven alles probeerde de dood te overwinnen en daardoor de liefde verloor, handelt hij nu uit liefde, zelfs als het tot de dood zou lijden. En daardoor vervult hij inderdaad de profetie van vroeger en brengt hij balans in de kracht.
Aan het einde van het verhaal zijn er geen Sith meer (je zou hen kunnen zien als ‘losbandigen’, die zonder moreel besef hun macht voor zichzelf inzetten) en ook geen Jedi (die meer gezien kunnen worden als Farizeeen, of wettische mensen, die hun macht inzetten voor moreel goede dingen zoals vrede, maar zonder liefde). Over is alleen Luke. Wonder boven wonder ontsnapt hij aan de vernietiging van de Deathstar (het ultieme symbool van machtsmisbruik). Er begint voor hem als het ware een nieuw leven. En hij staat aan de basis van een nieuwe Jedi-orde, die niet gebaseerd is op macht (of het nu wordt gebruikt voor het eigen genot of voor de vrede in het melkwegstelsel), maar op compassie en liefde, voor vrienden, maar zelfs voor iemand als Darth Vader. En als opofferende liefde zelfs iemand als Darth Vader kan redden, dan kan liefde iedereen redden. Niet voor niets wordt overal in het heelal feest gevierd. Er is een nieuw tijdperk aangebroken ‘waar gerechtigheid heerst’.

De connecties met het goede nieuws dat de bijbel vertelt over Jezus lijken me duidelijk. Jezus kende de hele waarheid over ons en onze gebrokenheid maar liet zich daar niet door afschrikken. Hij was bewogen met liefde en medelijden over ons, en schakelde niet zijn emoties uit. En hij koos ervoor niet de macht te gebruiken om ons te veranderen, maar juist van machtsgebruik af te zien en ons te veranderen door zijn liefde, die zo ver ging dat hij stierf. Hij bad zelfs voor degenen die hem kruisigden (die in dienst waren van de boze machten van (ha!) het keizerrijk en de religie, de keizer en de Jedi) dat de Vader hen zou vergeven omdat ze niet wisten wat ze deden. En hij vertrouwde in de scheppende macht van God, die hem toen hij volledig machteloos was, in de greep van de dood, nieuw leven gaf. Zijn opofferende liefde heeft de harten van mensen veranderd en geleid tot een nieuwe gemeenschap van individuen, die erom bekend staan dat ze elkaar liefhebben. Mensen die net als hij vertrouwen in de Kracht van God, die ook hen leven zal geven, ook als hun liefde hen aan de grens van hun kunnen brengt. Dat is het goede nieuws. Van de bijbel en van Star Wars.

dinsdag 18 december 2012

Filmbespreking: Wreck-it Ralph

Ik heb het er niet veel over op mijn blog, maar behalve met mijn aquariums, boeken, strips, films en schrijven (allemaal naast goede gesprekken bij de koffie en natuurlijk de dagelijkse werkzaamheden), houd ik mij ook bezig met computerspellen. In de jaren ’80 speelde ik spelletjes op de MSX van mijn ouders (ik heb goede herinneringen aan River Raid), en keek mee als mijn broertjes speelden (zij waren er veel beter in dan ik). Later keek ik mee met de avonturen van mijn jongste broer in Oblivion en Half-Life 2. Uiteindelijk kocht ik een Playstation 2 en genoot van racespellen, een gaaf snowboardspel en coole Star Wars spellen. Met de Playstation 3 deden gave oorlogsspellen hun intrede, de spannende avonturen van Nathan Drake in drie Uncharted-delen, en de geweldige spellen Mass Effect 2 en 3.
Ik zal niet van mezelf zeggen dat ik een ‘gamer’ ben - daarvoor maak ik er te weinig tijd voor vrij - maar ik vind het een fijne manier om af en toe te ontspannen. En de laatste tijd gaan mijn ogen ook open voor de fascinerende manier waarop spellen een verhaal kunnen vertellen. De Mass Effect-spellen stellen de speler voortdurend voor ethische en persoonlijke dilemma’s, en je keuzes hebben daadwerkelijk effect op de verhaallijn. Ik moest het spel zelfs af en toe stil zetten om na te denken over onderwerpen als de waarde van een denkend individu, of er verschil is tussen mensen en computers als ze allebei intelligent zijn, en wat de overwinning in een oorlog waard is. Ik merk dat ik om mijn karakter en haar tegenspelers ben gaan geven en graag de juiste keuzes wil maken. Een spel dat dit voor elkaar krijgt, heeft in mij een fan.
Er zijn de laatste jaren ook heel wat films gemaakt gebaseerd op computerspellen. Met wisselend succes. Dit vanwege de natuur van een computerspel. Het kijken naar een verhaal op het scherm is namelijk heel wat anders dan het spelen van een spel. Alsof je meekijkt met iemand die zit te spelen. Het kan onderhoudend zijn, maar het is niet hetzelfde als zelf achter de knoppen zitten. Bovendien maakt de dynamiek van het spel het echt meeleven met het karakter als persoon niet makkelijk. Als je gewond raakt of dood gaat, kom je namelijk direct weer tot leven. Je hebt maar een paar minuten spel gemist, die je gewoon opnieuw doet. Zelfs bij verhalende spellen wil je natuurlijk weten wat er gaat gebeuren, maar echt bezorgd over je hoofdpersoon ben je niet. Werkelijk verplaatsen in zijn of haar angst is niet makkelijk (ook Mass Effect moet het daarbij hebben van de atmosferische, emotionele gesprekken tussen de actie door - niet van de actie zelf, daarbij gaat het alleen om schieten, niet om dramatisch meeleven). In sommige recensies wordt de actie in een film als The Hobbit weggezet als de actie van een computerspel - het ziet er dramatisch uit, maar er staat niets op het spel. Als het karakter uit de film niet dieper is dan het personage uit het spel, wordt je identificeren met hem of haar moeilijk.
Spellenmakers zoeken naar nieuwe concepten om dit probleem te omzeilen, en spelers net zo met een spelpersonage te laten meeleven als met de hoofdpersoon van een goed boek. Filmmakers kiezen een andere aanpak: ze maken films, niet op basis van een specifiek spel, maar op basis van het idee van het computerspel. De films gaan over het concept van het spelen zelf: het behalen van doelen (de eerste plaats, een medaille), het verkrijgen van ‘power ups’, de tegenstanders en hoe je die verslaat, en wat je bent als je niet aan de competitie meedoet. Een mooi voorbeeld is Scott Pilgrim vs. The World (lees mijn recensie). En nu is er Wreck-it Ralph, een animatiefilm van studie Disney, die voor karakters uit computerspellen doet wat Toy Story deed voor speelgoed. Voor iedereen die van computerspellen houdt, die geinteresseerd is in het concept van spellen en de kracht van goede verhalen, en voor iedereen die kickt op prachtige animatie, is dit een absolute aanrader. Oh, en voor wie houdt van snoepgoed ...

In het computerspel Fix-it Felix jr. heeft Ralph de rol van de slechterik. Elke dag, als kinderen het spellenparadij binnenkomen en een kwartje inwerpen, moet hij de flat beklimmen van zijn spelgenoten en die vernielen. Held Fix-it Felix jr. komt de schade dan weer herstellen.  Hij wordt op handen gedragen, Ralph wordt van het dak gegooid. De held woont in het penthouse, Ralph op de vuilnisbelt. Als hij ook nog eens niet wordt uitgenodigd voor het dertigjarig jubileum van het spel, is de maat voor Ralph vol. Hij moet en zal een medaille vinden, zodat ook hij in de flat wordt toegelaten. Daarvoor dringt hij via het centrale station van de spellenwereld binnen in een ander computerspel, de gewelddadige ‘first person shooter’ Hero’s Duty. Ralph verkrijgt inderdaad een medaille, maar raakt die kwijt als hij per ongeluk in een ander spel terechtkomt, het suikerzoete racespel Sugar Rush. Daar richt hij niet alleen zelf schade aan terwijl hij probeert zijn medaille terug te vinden. Hij introduceert ook nog eens een insectachtig monster uit Hero’s Duty, dat zich in het verborgene als een computervirus begint te vermenigvuldigen. Ondertussen functioneert Fix-it Felix jr. zonder de slechterik niet meer naar behoren. Kinderen in het spellenparadijs raken teleurgesteld, en het spel dreigt te worden afgesloten. Ralphs verlangen naar respect dreigt op deze manier het einde te worden van ten minste twee spellen. Felix zelf besluit daarom naar zijn tegenstander op zoek te gaan. Hij ontdekt dat Ralph betrokken is bij de poging van een computerstoring, een zogenoemde ‘glitch’, om de koning van Sugar Rush van zijn troon te verdrijven ...

Het leek een belachelijk idee voor een animatiefilm - hoe kun je nu een verhaal vertellen over de karakters in een computerspel? Die spelen zelf toch ook al een rol in een verhaal? Maar datzelfde zullen mensen ook hebben gedacht over Toy Story. En ook in die film lukte het aan speelgoed beweegredenen mee te geven die pasten bij speelgoed en bovendien ook nog eens aanleiding waren voor een goed verhaal. En ook de makers van Wreck-it Ralph is het gelukt. Dit is gewoon een heel goede animatiefilm. En niet alleen voor gamers. Ja, inderdaad, wie ook maar een beetje bekend is met computerspellen vindt hier hilarische verwijzingen, bijvoorbeeld in de openingsscène waarbij schurken uit onder andere Mario en Pac-Man bij elkaar komen. Ook het centraal station van het spellenparadijs is een feest van herkenning - al was het maar de verwijzing naar Pong. En Frogger. En Q-bert.
Ook hilarisch is hoe elke spelwereld is weergegeven. In de wereld van Wreck-it Ralph bewegen karakters schokkerig, als in het spel, en valt modder op de grond in een blokjespatroon, zoals de karakters in grove pixels op het scherm zijn weergegeven. Hero’s Duty is ‘high definition’ - een parodie op spellen als Halo, met verwijzingen naar de Alien-films. De wereld van Sugar Rush is dan weer helemaal opgebouwd uit snoepgoed - met bomen van zuurstokken, rivieren van chocolade, en een vulkaan van cola en mentos (hilarisch!). Dit alles is ongelofelijk goed weergegeven - het zag er uit alsof je het zo kon opeten! Let ook op de manier waarop de treinen vanuit het centraal station in elke spelwereld een eigen vorm aannemen. De film is gewoon heel mooi - ik kijk ernaar uit hem vaker te zien. En ik kon in dit geval ook de 3D zeer waarderen, bijvoorbeeld in de rijk verbeelde racescenes.
Maar vooral is deze film gewoon erg goed geschreven. Fascinerende wendingen in het verhaal, eerder geïntroduceerde elementen die op een verrassende manier terug blijken te keren, een fantasievol gebruik van de eigenschappen van de verschillende werelden (en van de kenmerken van computerspellen, inclusief ‘mini games’, ‘bonus levels’ en ‘end bosses’), en karakters met wie je kunt meeleven ook al zijn het spelpersonages. Zelfs de romance werkt. Er is duidelijk goed over nagedacht. Geen onderdeel is overbodig, maar toch is het plot niet makkelijk te raden. Ook de ‘end credits’ zijn hilarisch -vooral voor computerspelliefhebbers- die moet je zeker uitkijken!

Dit is het verhaal van een slechterik, een ‘bad guy’. Maar dat wil niet zeggen dat hij een slechte jongen is. Hij is ook geen slechterik. Hij speelt alleen de rol van slechterik. De gemeenschap waar hij deel van is, bestaat zodat kinderen het spel Fix-it Felix jr. kunnen spelen. En om dat mogelijk te maken, moet iemand elke dag de flat vernielen. Zoals er in onze wereld mensen moeten zijn die vuilins ophalen, treinstations schoonmaken, bekeuringen uitschrijven en belasting innen. Zonder hen, en zonder Ralph, zou de maatschappij niet functioneren en zouden de bewoners van de flat hun luxueuze leventje niet kunnen leiden. Maar omdat Ralph de rol van slechterik speelt, zijn mensen hem gaan behandelen als slechterik. Hij is uitschot geworden. Hij krijgt geen respect. En dat knaagt aan hem. Want zoals alle mensen verlangt Ralph ernaar om door anderen gewaardeerd te worden. Hij denkt dat hij die waardering nooit zal krijgen om wie hij zelf is. Daarom zoekt hij naar iets wat hij kan doen om gerespecteerd te worden. Fix-it Felix wordt op de schouders getild als hij een medaille krijgt. Dus denkt Ralph dat men hem hetzelfde zal behandelen als hijzelf met een medaille aan komt zetten. Hij zoekt zijn vervulling in iets buiten zichzelf.
Het is wat John Eldredge ‘the poser’ noemt - onze manier waarop we doen alsof. We zoeken onze betekenis in onze mannelijkheid, in onze intelligentie, in onze successen, maar eigenlijk doen we alsof. We houden de buitenwereld een beeld voor, een imago, maar in werkelijkheid zijn we niet zo. We zijn diep van binnen niet macho, we voelen ons stom, en we twijfelen aan ons kunnen. Daarom kan het respect dat we voor ons ‘valse zelf’ ontvangen, ons niet definitief beter over onszelf laten denken. Het biedt hooguit tijdelijk soelaas. Maar onze diepe onzekerheid wordt niet gestild, en dus moeten we nog harder werken aan het beeld dat we projecteren. Ons imago moet steeds groter worden. Tot het bouwwerk uiteindelijk instort, tot mensen zien wie we werkelijk zijn, en onze hoop om gewaardeerd te worden verloren raakt. Voor we op dit punt komen hebben we doordat we zo hard aan ons ‘valse zelf’’ werkten de mensen om ons heen en onze omgeving al onherstelbare schade toegebracht. We hebben ze namelijk niet als mensen behandeld, maar als middelen die bijdroegen aan ons imago. We hebben ze gebruikt, en ze afgestoten als ze geen nut meer voor ons hadden. Bovendien hebben we ze nooit ons eigen diepe zelf toevertrouwd, dus zelfs als we een relatie met ze hadden, was die nep, geposeerd. Dus als onze ‘valse zelf’ instort, storten ook onze relaties in. We blijven met niets over. Dit overkomt Ralph ook in de film. Hij zit in een lege flat te wachten tot de stroom wordt afgesloten. Hij heeft de medaille gevonden, maar hij heeft niet gevonden wat hij werkelijk zocht.
Een ander karakter in de film wordt ook als uitschot behandeld door de personages in haar spel. Dit keer niet vanwege haar rol, maar omdat ze een ‘glitch’ zou zijn, een storing in het programma. Ze is natuurlijk helemaal geen ‘glitch’, hoewel ze er wel een heeft. Maar heel vaak worden mensen die anders zijn dan anderen, gedefinieerd door datgene wat hen anders maakt. Ben je goed in leren? Dan wordt je een ‘stuud’. Dat is nu je identiteit. Dat je ook andere dingen kunt, en misschien veel humor hebt, wordt door je klasgenoten niet meer gezien. Heb je een lichamelijke afwijking? Dan zien mensen alleen maar de afwijking. Ze behandelen je als zieke, als gehandicapte, en niet meer als individu dat het waard is te kennen om wie hij zelf is. De film Les Intouchables gaf hiervan recent ook een mooi voorbeeld. Hoor je psychologisch niet tot de middenmoot, dan krijg je al vanaf de basisschool een ‘label’ opgeplakt en geld je vanaf dat moment als ‘een ADHD-er’, ‘een Asperger’, ‘een borderliner’. Dat waarin je mogelijk voor problemen kunt zorgen voor anderen wordt wie je bent. Dat je een eigen persoon bent met eigen voorkeuren en overtuigingen wordt niet meer gewaardeerd. Misschien willen mensen je zelfs afzonderen van de maatschappij, je buitensluiten, je inperken. En net als het karakter uit deze film wil je tegen elke prijs wel worden geaccepteerd. Dus probeer je - ook al is je racemobiel krakkemikkig en moet je hem zelf met pedalen aandrijven - aan de race mee te doen. Als je wint, dan ben je iemand. Maar ook dit karakter loopt tegen een muur aan. De omstandigheden zijn te groot, haar tegenstanders te sterk. Ze ziet haar hele wereld om haar heen vergaan.

Pas als de ‘poser’ is ontmaskerd, kan iemand zijn of haar identiteit vinden. Een identiteit die niet is gebaseerd op prestaties. Die niet is gebaseerd op doen alsof. John Eldredge schrijft dat mensen die identiteit moeten ontvangen. (Let op, ik schrijf hier in bedekte termen over het einde van de film.) Ralph ontvangt uiteindelijk zijn identiteit van een ander. Iemand ziet in hem een held. En hij besluit in overeenstemming daarmee te handelen. Ook al ziet niemand hem, ook al delft hij er zelf het onderspit door. Hij hoeft niet meer de ‘good guy’ te zijn. Hij hoeft niet meer in een penthouse te wonen. Hij hoeft zichzelf niet te bewijzen. Hij handelt uit liefde voor een ander. En dat maakt hem tot wie hij is.
Het andere karakter, de ‘glitch’, maakt ook zoiets door, als tegen alle verwachting in haar lot wordt omgedraaid. Door een ander. En dan blijkt dat ze geen ‘glitch’ in het programma is, maar dat ze een belangrijke rol speelt in het spel, ondanks haar ‘glitch’. De ‘glitch’ wordt van een zwakheid zelfs een kracht, zoals onze unieke individualiteit (die door anderen soms niet begrepen wordt), bijdraagt aan onze glorie, de indruk die we maken op de wereld.
En Fix-it Felix zelf leert door zijn reis compassie te hebben met Wreck-it Ralph doordat hij meemaakt wat Ralph al dertig jaar meemaakt, en neemt het voortaan voor hem op in zijn spel. Niet omdat Ralph de wereld gered zou hebben (hij heeft veel mensen bang gemaakt en schade veroorzaakt), maar omdat hij ziet dat Ralph een mens is zoals hij, en dus waard om met respect te worden behandeld.

Maar het verhaal is volgens mij niet helemaal compleet. Ralph moet nog steeds de ‘bad guy’ spelen. Hij wordt nog steeds elke dag van het dak gegooid. Hij koppelt daaraan niet meer zijn identiteit of zijn gevoel van eigenwaarde, maar het gebeurt nog wel. De film maakt een verbinding met de bijeenkomsten van de Anonieme Alcoholisten (zie mijn bericht over Finding Nemo), waar een van de basisuitgangspunten is dat mensen zichzelf niet kunnen veranderen. Je bent een verslaafde. Dat kun je zelf niet oplossen. Zolang je dat wel blijft proberen, zul je steeds weer terugvallen, want die pogingen zijn gebaseerd op ontkenning. Op doen alsof. Het is een pose. Echte doorbraak komt pas als je stopt met je pogingen je identiteit te veranderen.
Maar de oorspronkelijke AA was gebaseerd op christelijke uitgangspunten, en spreekt over een hogere macht die de verslaafde wel kan herstellen en veranderen. De hoop van de bijbel ligt niet alleen in acceptatie, maar in vernieuwing. Wij zullen allemaal worden veranderd, zoals Paulus in 1 Korintiers zegt. We zijn niet gedoemd om de ‘bad guy’ te blijven. We zullen niet ziek blijven. We zullen niet altijd verslaafd zijn. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. God maakt alle dingen nieuw! (Niet: God maakt allemaal nieuwe dingen. - iets waar John Eldredge me op heeft gewezen). Transformatie is een belangrijk thema in de bijbel en geeft hoop. Ik vind scenes van transformatie in films dan ook vaak heel ontroerend.
Een karakter in deze film krijgt de gelegenheid tot transformatie. Van een zwerfster wordt ze een prinses. Maar ze verwerpt deze verandering en wil van haar spel zelfs een ‘constitutionele democratie’ maken. In een sprookje! C.S. Lewis zou daar wel wat tegen in te brengen hebben: we zijn als westerse mensen vergeten dat de glorie en heerlijkheid die past bij het koningschap wel degelijk betekenis heeft en niet zomaar terzijde moet worden gelegd. Dat dit karakter zo makkelijk deze eer verwerpt is een heel ‘moderne’ twist in een sprookjesverhaal, maar ondermijnt de hoopvolle boodschap van de sprookjes. Namelijk dat de weesjongen niet gedoemd is weesjongen te blijven, maar ooit koning zal worden, dat de melaatse genezen zal worden, dat de lamme zal dansen en dat de zondaar geheiligd zal worden. Dat is pas echt goed nieuws.

Een speciale vermelding tot slot voor het korte filmpje Paper Man, dat wordt afgespeeld voor de hoofdfilm. Ik ga hier verder in mijn bespreking niet op in, maar dit is een mooi en ontroerend verhaaltje over liefde op het eerste gezicht. Geanimeerd in drie dimensies terwijl het toch een tekenfilm lijkt. In stemmig bijna-zwart-wit. Ik hoop dat er meer films in deze stijl gemaakt gaan worden! Dit filmpje is in zichzelf al bijna de toegangsprijs waard.

dinsdag 6 maart 2012

Liefde van buiten, liefde van binnen 2

In mijn vorige bericht schreef ik hoe ik ermee werd geconfronteerd dat ik nog zoveel ‘moet’ van mezelf en hoe die ongezonde gedrevenheid in me er niet alleen voor zorgt dat de liefde van God niet tot me doordringt, maar ook nog eens van mijn schrijven over vrijheid een ‘moeten’ maakt. Het ziet er somber uit voor de held. Maar dan neemt het verhaal een wending.
Dit keer was het om te beginnen een situatie met familie. Een opmerking van een naast familielid deed me beseffen dat ik nog steeds hoopte door deze persoon in mijn identiteit bevestigd te worden. Het verlangen naar een positief woord, naar instemming met mijn keuzes en daden, vormde nog steeds een belangrijke drijfveer in mijn leven. Een deel van het ‘moeten’ dat ik mezelf opleg, is hierop terug te voeren. Maar nu realiseerde ik me helder en definitief dat ik de bevestiging waar ik naar verlangde nooit van deze persoon zou ontvangen. De ander zou nooit kunnen zeggen dat ik goed ben zoals ik ben, en zou nooit goedkeuring uitspreken over die dingen die voor mij belangrijk zijn (lezen, films, schrijven, verbeelding, relationeel kerk zijn). Ik heb geen reden om te verwachten dat de persoon in kwestie ooit zal veranderen. Maar als ik toch nooit bevestigd zal worden door dit familielid, kan ik ook ophouden me in te spannen om bevestiging te krijgen. Ik kan gewoon mijn leven leiden, en doen wat ik belangrijk vindt, zonder me druk te maken over wat de ander ervan vindt, want die is er toch niet tevreden mee.
Ongeveer gelijktijdig was er een situatie op mijn werk, die me weer confronteerde met negatieve gedachten over mezelf en waardoor ik chagrijnig op kantoor zat (ik zal vast niet de enige zijn die dat soort dingen meemaakt). Hoewel ik merkte dat ik me er minder door in de put liet brengen dan vroeger het geval zou zijn geweest, moest ik toch bij mezelf te rade gaan waar mijn prioriteiten lagen. Want door de situatie op het werk werd ik er weer eens mee geconfronteerd dat ik mezelf buiten kantoortijd ook wel veel druk opleg. En veel ervan onnodig, omdat het voortkomt uit het afzetten tegen die innerlijke stem van het ‘moeten’. (Gelukkig bleek de situatie deze week niet zo ernstig te zijn als ik vreesde, en was ik vandaag zelfs vrolijk op kantoor!)

Waar het persoonlijke verhaal van mijn gesprekspartner drie weken geleden mij confronteerde met mijn innerlijke gebrokenheid, gaf het mij echter ook de hoop dat ook bij mij zo’n diepe innerlijke verandering kan optreden. Ook mijn hart kan aangeraakt worden. Het idee van het ‘moeten’ kan ook bij mij eindelijk zijn greep op mijn leven verliezen. Ook ik kan volledig overtuigd raken van de liefde van God. Nu niet als een boodschap van buitenaf, die schraapt aan het beton van mijn dove intellect, maar als een waarheid van binnenuit, die als gist in het deeg mijn hele leven doortrekt en tot uiting komt in al mijn woorden en daden. Ik heb dat zelf nog niet zo ervaren, maar ik realiseerde (voor het eerst) dat ik geloofde dat het mogelijk was. Dat ik werkelijk geloofde dat die stemmen tot zwijgen gebracht kunnen worden. En dat ik daarnaar verlangde. Dat ik ernaar verlangde om eindelijk zonder het ‘moeten’ te leven - in ‘effortless freedom’ (zoals een Amerikaanse vriendin het omschreef).
Deze innerlijke verandering is er echter niet een die ik met mijn inspanningen tot stand kan brengen. Dat is nu juist wat ik in al die artikelen van de afgelopen maanden betoogde: dat het niet van mijn wilskracht afhangt. (Maar dat ik er zo veel over schreef, met het idee mezelf te kunnen overtuigen, was weer een daad van mijn wilskracht en dus een illusie). Zoals mijn gesprekspartner er door overvallen werd, zo zal ik er ook door worden verrast. Ik kan het namelijk niet zelf bewerken, het is een openbaring van God. Het is iets dat God in mij doet. Het is ZIJN liefde die in mijn hart zal worden uitgestort door de Heilige Geest.
Ik geloof dat God niet van mij vraagt dat ik mij in allerlei bochten wring om door Hem geliefd te worden. Ik geloof dat Hij alleen van mij vraagt dat ik me voor Hem openstel. Zoals met zijn koninkrijk verlangt hij ernaar dat ik me voor Hem openstel, als een kind. Hij wil dat ik ophoud mijn handen gesloten te houden rondom mijn eigen ‘moeten’, mijn eigen ‘heldenverhaal’. Hij wil dat ik dat loslaat, dat ik ‘sterf’ aan dat moeten, in de hoop op zijn opstandingskracht, het scheppende woord van zijn liefde, dat mij een nieuwe identiteit kan geven. Dit gaat -vermoed ik nu- dieper dan ik tot nu toe vermoed heb. Het is werkelijk een soort sterven, want het omvat zelfs het opgeven van de hoop dat ik iets kan bijdragen aan mijn eigen verandering en omkering. Ik moet zelf het idee opgeven dat ik door het preken tegen mezelf, het voortdurend schrijven van nieuwe blogs, mijzelf kan veranderen (ironisch genoeg precies wat ik betoog: dat ik mezelf niet kan veranderen). Wat God vraagt is dat alles los te laten. Het is werkelijk een vorm van overgave.
Maar ik geloof dat God zo groot is dat hij leven kan brengen uit de dood. En dat maakt deze zelf-overgave niet alleen heel moeilijk (ik vind het niet voor niets zo moeilijk niets te ‘moeten’, zelfs niet niet te moeten prediken tegen mezelf), maar tegelijk ook heel makkelijk, heel rustgevend. Iemand wees me dit weekeinde opnieuw op de tekst uit Micha 4:4: “Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt, want de HEER van de hemelse machten heeft gesproken." Ik heb hier op mijn blog al eens over geschreven , maar ik was het eigenlijk al weer een beetje vergeten (zo overtuigend is de stem van het ‘moeten’ kennelijk). Het is blijkens deze bijbeltekst Gods bedoeling dat ik rust ervaar. In Gods eeuwige koninkrijk hoef ik me niet uit te sloven tot ik van vermoeidheid neerval (wat de stem in mijn binnenste me wel laat doen), maar mag ik rustig in de schaduw zitten met een boek, zonder bang te zijn dat iemand me roept om te gaan werken. Pas als ik in die rust ben ingegaan, als ik ervaar wat Jezus zegt - “Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven” (Matteus 11) - kan ik tot mijn vervulling komen. Dan ben ik namelijk vrij om te doen wat mijn hand vindt om te doen, om vrucht te dragen - de vrucht die God in mijn tot stand brengt.

Wat zijn van deze overwegingen de praktische consequenties? Niet op volgorde van belangrijkheid, maar op de volgorde waarin ze nu in mijn hoofd opkomen: ik wil me niet meer zo afzetten tegen de evangelische kerk. Nee, ik ben het niet eens met alles wat in dat systeem gebeurt, en ik denk dat er negatieve patronen aan te wijzen zijn (patronen die het moeten versterken). Maar het is niet mijn taak mensen te overtuigen uit de kerk weg te gaan. Ik kan mensen daar niet van overtuigen. Dat leidt alleen maar tot ongezonde onenigheid. Bovendien komt mijn bekeringsdrang voort uit de ongezonde basis van tegen mezelf te moeten preken. Ik kan alleen maar mijn verhaal vertellen en dat getuigenis zijn werk laten doen. Degenen die graag en met plezier op zondag naar een dienst gaan, moeten zeker blijven gaan! Kennelijk levert het ze iets goeds en waardevols op. Ikzelf merk op zondagochtend echter geen enkele neiging meer om naar de dienst te gaan. Er is geen enkele hersencel meer die me in beweging probeert te zetten, geen spoortje schuldgevoel of verplichting meer.
Wat ik daarentegen wel verlang, is om deel te zijn van een groep mensen die samen zoeken naar de liefde van de Heer. De huiskerk in Almere, waar ik nu steeds vaker kom, is zo’n groep. Deze mensen geloven heel diep dat God van hen houdt, en ze houden ook van elkaar. Daar wil ik graag bijhoren. Per slot van rekening leren we de liefde van God kennen uit de liefde die we voor elkaar hebben. Het is dan ook mijn bedoeling om me in de loop van 2013 ook werkelijk bij deze groep te kunnen aansluiten.

Ten tweede wil ik inderdaad een stap terugdoen. Ik wil minder ‘moeten’. Ik wil meer open ruimte in mijn leven brengen - ruimte om te leven, om te genieten, om mezelf te zijn. Daarbij hoort dat ik minder zal bloggen. Ik merk namelijk dat ik niet aan twee schrijfprojecten tegelijk kan werken. Mijn blog voelt nu toch een beetje aan als een verplichting die ik mezelf heb opgelegd. En ik merk dat ik eigenlijk graag mijn verhalenbundel wil afmaken. En ik wil mijn serie blogberichten van eind vorig jaar ('Terug naar de basis') tot een boek gaan bewerken. Daar ligt op dit moment mijn verlangen. Dat wil zeggen dat de frequentie van nieuwe berichten op mijn blog zal dalen. Ik ga nog een aantal stukken die ik een paar jaar geleden op een andere website zette, herpubliceren. Maar daarna wil ik voorlopig alleen maximaal eens per week en misschien wel minder vaak een filmbespreking plaatsen (en ik zal elke week wat foto’s online zetten, en wat links).
Ik zoek daarnaast naar manieren om mijn sociale media gebruik terug te dringen, omdat ik merk dat dit ook voor meer onrust in mijn leven zorgt. Twitter is leuk, maar leidt ook af en rust, goede gesprekken en een goed boek op z’n tijd zijn veel rustgevender dan het steeds ‘checken’ van nieuwe berichtjes. Die rust heb ik nodig, en ik merk dat ik daar bewust voor moet kiezen om die te krijgen. Beter: ik WIL daar voor kiezen.

Ten derde hoop ik een deel van mijn tijd ook werkelijk te gebruiken om de rust op te zoeken. Zo heb ik de afgelopen tijd een paar keer mijn fotocamera weer meegenomen naar kantoor om in de lunchpauze te fotograferen. En dat was voor mij werkelijk ontspannend. Ik merk bovendien dat ik als ik me toelaat om echt zo te ontspannen, weer ga verlangen naar de stem van God, dat ik weer tot hem begin te spreken en weer naar hem begin te luisteren. Weliswaar nog aarzelend, maar niet alleen groeit het verlangen, alleen in de rust groeit de ruimte die God kan vullen. Ik kan niets doen om mezelf te veranderen - zelfs niet door blogs aan mezelf te schrijven. Ik kan alleen de gelegenheden creeeren voor God om mij te veranderen, en vervolgens op Hem wachten. God kan immers niet spreken als ik niet luister, of liever, hij spreekt wel, maar hij kan praten als Brugman, omdat het toch niet tot me doordringt. Hij gebruikt immers - ontdekte Elia - het geluid als het suizen van een zachte koelte, niet de storm, de aardbeving of het vuur. In de rust ben ik soms stil genoeg en aandachtig genoeg om Hem te horen. Dan ben ik open voor dat moment dat Hij zijn liefde diep in mijn hart laat doordringen. Dan wordt de liefde van God een keer niet een waarheid die ik steeds van buitenaf tegen mezelf moet prediken, maar een zekerheid van binnen waaraan ik nooit meer zal twijfelen. En als dat niet gebeurt, is het misschien juist de worsteling om me steeds op nieuw over te geven en steeds opnieuw de rust te zoeken waarin ik niets moet, waardoor God mij verandert. In elk geval verlang ik ernaar, en dat is het enige dat nodig is.