Posts tonen met het label eeuwigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eeuwigheid. Alle posts tonen

dinsdag 9 augustus 2016

Gedicht: Castlefest 2016

Castlefest 2016

Ik had me aangesloten 
-en ook mijn vrouw- bij de stoet
van mooi geklede mensen 
(ridders, elfjes, kinderen)
onder een dak van bomen
naar de poort. Nervositeit
verdween al snel. Slechts één stap
en binnen was ik. Vertrouwd
de klank van harpen, lieren,
gelach, wapengekletter.
Kramen met rijp vlees, cider,
zoete wijn en overal
verhalen. Was echt een jaar
voorbij sinds de laatste keer
dat ik hier liep? Het voelde
niet zo, de tijd verdwenen
als een droom, nog flarden slechts,
twee dagen -maanden terug- 
veel echter, alsof dit feest
is waar ik thuis kan komen,
mijn cape mij hier juist onthult.
Geen vlucht! Dat is de wereld
van prestatie, nuttigheid,
en oordeel. Hier kan ik zijn
zonder te verdwijnen 
en toch mezelf vergeten:
het gevoel van eeuwigheid.

vrijdag 18 december 2015

Nog een voorpublicatie van 'De loser die wint ...'

De boodschap van christenen staat in onze maatschappij niet bekend als een mooi verhaal, laat staan als het mooiste verhaal aller tijden. En om eerlijk te zijn schuif ook ik in de kerkbanken vaak ongemakkelijk heen en weer. Wat ik regelmatig hoor is dat ik vaker moet bidden en evangeliseren, of meer missionair moet zijn. Dat ik moet strijden tegen bepaalde gewoontes. Dat God mij alleen geneest of voorspoedig maakt, als ik daar niet aan twijfel. Over schoonheid heb ik daarentegen nog nooit een preek gehoord. Dat ik mag verlangen naar avontuur en naar oprechte relaties komt nauwelijks aan de orde. John Eldredge verzucht: ‘Het plan van de vijand is om al het leven, de schoonheid en het avontuur, uit het evangelie te laten wegsijpelen en christenen te begraven onder verplichtingen, waardoor niemand er nog aandachtiger naar wil kijken. Het evangelie is onaantrekkelijk geworden!’
Dit is niet een tekortkoming van het goede nieuws zelf. Het probleem zit hem in de manier waarop wij het nieuws in kwestie zo vaak vertellen. We maken van het Verhaal van de Werkelijkheid een verhaal dat om onszelf draait, een verhaal over macht. En daardoor maken we het saai. Onze op onszelf gerichte clichés ontnemen het al zijn schokkende wendingen en overweldigende dramatiek. Auteur Dorothy Sayers had hier geen goed woord voor over: ‘Een eerlijke schrijver zou zich ervoor schamen als hij een kleuterverhaaltje zo zou behandelen als jullie, goede christelijke mensen, het grootste drama in de geschiedenis behandelen. Niet omwille van zijn geloof, maar vanwege zijn roeping.’
Ik geloof dat het verhaal van de Bijbel wel degelijk voldoet aan het criterium van schoonheid. Om te beginnen stellen christenen de Verteller van het Verhaal soms te klein voor. God wordt in onze verhalen een wezen iets boven ons niveau, met wie wij zouden kunnen onderhandelen, die wij op onze hand kunnen krijgen met onze inspanning, of die we zijn gemoedsrust kunnen ontnemen door ongehoorzaam te zijn. Iemand die wordt bepaald door ons verhaal. Maar zo'n beeld doet tekort aan de God van de Bijbel. Het verhaal draait namelijk om hem. ‘De goden van de volken zijn minder dan niets,’ zingt David, ‘maar de Heer: hij heeft de hemel gemaakt’ (1 Kronieken 16:26). ‘In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; de eilanden weegt hij als zandkorrels’ (Jesaja 40:15). God kan ‘de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten’ (Job 38:18).
Deze God is volgens gelovigen de hoogste werkelijkheid. Als hij zich voorstelt, zegt hij eenvoudig: ‘Ik ben.’ Dat wil zeggen: God bestaat. Als enige bestaat hij zonder ergens aan ontsprongen te zijn, zonder iets nodig te hebben, zonder ooit op te houden te bestaan. Hij is het bestaan zelf. En daarmee is hij de bron van al het bestaan. Hij is de enige over wie geen verhaal wordt verteld, want hij is de Verteller van alle verhalen. ‘Hij bestaat voor alles en alles bestaat in hem’, zegt Paulus (Kolossenzen 1:17). En: ‘Er is slechts een God, de Vader, uit wie alles is ontstaan, en een Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven’ (1 Korintiërs 8:6). Er is geen bestaan mogelijk onafhankelijk van de Schepper. Ons bestaan is afgeleid van dat van hem. Hij is het die ‘aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt’ (Handelingen 17:25).
Over deze God zegt de Bijbel dat hij liefde is (1 Johannes 4:8,16) Niet dat hij liefheeft, maar dat hij liefde is! C.S. Lewis zei het zo: ‘We weten dat wat voorbij het bestaan ligt, niet simpel een wetmatigheid is, maar een verwekkende liefde, een liefde die werd opgewekt, en de liefde tussen deze twee.’ Bestaan en liefde zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Iemands identiteit wordt immers gevormd door zijn relaties. Dat geldt voor mensen, maar ook voor God. 'Ik ben' is niet alleen; hij is Vader, Zoon en Geest, drie personen die elk met volle overgave de twee anderen liefhebben en volledige en onvoorwaardelijke liefde van hen terug ontvangen. In deze voortdurende interactie, in deze 'dans' zoals sommige theologen deze omschrijven, ligt de goddelijke eenheid.
De drie personen van de Drie-eenheid geven zichzelf ongedwongen en uit vrije wil aan elkaar, zonder iets terug te verwachten of een rekening bij te houden. Maar tegelijk zijn Vader, Zoon en Geest individuen die zichzelf volledig accepteren. Ze hebben de anderen niet nodig om hun zelfbeeld op te krikken. Ze kunnen – het klinkt bijna oneerbiedig – met zichzelf alleen zijn. Juist daardoor zijn ze vrij om lief te hebben. Elkaar, maar ook ons. Dat God in zijn drie personen volledig zeker is van zijn eigenwaarde en betekenis, garandeert dat hij ons niet zal manipuleren of controleren. Hij heeft niet onze aanbidding nodig om te beseffen dat hij glorieus is. Hij heeft niet onze dienstbaarheid nodig om te weten dat hij autoriteit heeft. Hij heeft niet onze aandacht nodig om zichzelf geliefd te voelen. Juist omdat hij ons niet nodig heeft, kan hij ons liefhebben. Gods relaties met de wereld, met ons, en in zichzelf zijn volkomen vrij.
En de God van de Bijbel is niet alleen Liefde, Hij is Waarheid. Hij is Schoonheid. Hij is immers per definitie helemaal zichzelf. En dus is hij de bron van alle waarheid, schoonheid en liefde. Niets of niemand anders kan ooit werkelijk ons verlangen vervullen, onze behoefte aan een realiteit buiten ons, die waar is, die mooi is en kenbaar. De Drie-eenheid geeft ons leven betekenis. In hem leven, bewegen wij en zijn wij (Handelingen 17:28). ‘God bevat al de goden en meer’, schrijft Peter Kreeft daarom. ‘Alles wat de menselijke geest zich heeft voorgesteld, al dat het menselijke hart ooit heeft verlangd. Vreugde borrelt op en vloeit over in het hart van God, de kern van de werkelijkheid [...] Dit is de vreugde die ons hart doet breken van liefde en verlangen, elke keer als we haar proeven in menselijke liefde, of de schaduwen ervan zien in de schoonheid van de natuur, of de verre echo’s ervan horen in goede muziek.’
Het is waar dat we een gat in onze ziel hebben, waar alleen God in past als een puzzelstuk. Daarom is het goed nieuws dat God bestaat. Dit is het evangelie ‘over de majesteit van de gelukzalige God’ (1 Timoteüs 1:11). Hij is zelf de boodschap. Ons hart komt – zo zei Augustinus het – tot rust als het rust vindt in hem.

Hij is er en hij spreekt
Het Verhaal van de Werkelijkheid, het goede nieuws, wordt in de Bijbel ook wel aangeduid als het ‘koninkrijk van God’ (Marcus 1:15). Een koninkrijk is niets anders dan het gebied waar de wil van de koning wordt uitgevoerd. Hij hoeft maar te zeggen dat er iets moet gebeuren, en het vindt plaats. Hij is degene die het verhaal vertelt waarnaar het rijk zich vormt. Net zo is het koninkrijk van God de plek waar Gods wil gebeurt, waar wat hij zegt wordt uitgevoerd. Zijn woord heeft de hoogste autoriteit. Er vindt niks plaats, als hij er niet het bevel toe geeft.
Dat begint bij de schepping, waar God tot zijn roept wat nog niet bestond. De Bijbel begint dus niet met een staat van perfectie. Het eerste vers van Genesis vertelt dat de aarde in het begin nog woest en ledig is, en de duisternis over de vloed zweeft. Het doek is leeg, de verf zit nog in de tube, de stapel A4-tjes is nog onbeschreven. Vervolgens gaat God aan het werk. Het was niet voldoende dat de Schepper bij zichzelf nadacht over sterrenstelsels, neutrino’s en bacteriën; het was niet voldoende dat hij de ringen van Saturnus en de voelsprieten van de snuitkever voor zijn geestesoog voorbij zag trekken. De schepping was geen puur mentale activiteit, iets wat zich alleen in Gods geest afspeelde. Zoals het een kunstenaar betaamt, bracht hij wat binnen in hem was naar buiten. En dat deed hij door te spreken.
Spreken is ook voor ons een scheppende daad. Gedachten worden via de stembanden omgezet in concrete luchttrillingen. Wat iemand zegt, kan dus niet meer ongedaan worden gemaakt. Dat geldt voor mensen, maar ook voor God: ‘De Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort’ (Romeinen 9:28). Op het moment van de schepping begon God met het vertellen van zijn verhaal. Hij liet weten wat hij waardevol vindt, wat voor hem betekenis heeft. Hij benoemde alles wat hij in zijn verbeelding voor zich zag. ‘Toen Adam de dieren namen gaf, deelde hij in de woordenmagie van God’, stelt Peter Kreeft. ‘Want dit was niet slechts het opplakken van een ‘label’, dit was schepping. God had het heelal geschapen, eenvoudig door het te benoemen [...] Het is in woorden en taal dat de dingen voor het eerst tot aanzijn komen en bestaan.’
Door te spreken maakt God datgene waaraan hij denkt, concrete werkelijkheid. Wat hij betekenis geeft, ontvangt door zijn woord een werkelijk bestaan. ‘Hij sprak en het was er, hij gebood en het stond er’ (Psalm 33:9). Sterker nog: het voortbestaan van de schepping is voor altijd afhankelijk van het voortdurende spreken van God: ‘Hij onderhoudt alle dingen door het woord van zijn kracht’ (Hebreeën 1:3). God ‘beveelt de sneeuw: ‘Val op de aarde’, hij zegt tegen de regenvloed: ‘Stort neer met al je kracht […]’ Of het nu is om de aarde te straffen of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren’ (Job 37:6,13). Van oerknal tot herschepping bestaat het universum alleen omdat God het zegt. Alles wat is, ontleent zijn betekenis, zijn bestaan, zijn leven, aan het woord van God. Er is niets dat daar buiten valt, er is geen andere bron van leven of van betekenis.
C.S. Lewis concludeert: ‘Is er voorzienigheid, dan is alles voorzien en dan is elke voorzienigheid een bijzondere voorzienigheid ‘ [...] Ieder mens afzonderlijk is een doel. Misschien ook elk dier. Misschien zelfs elk deeltje van de materie. De loop der gebeurtenissen wordt niet als een staat geregeerd, maar geschapen als een kunstwerk, waarin elk wezen zijn bijdrage levert en waarin alles wat bestaat zowel middel is als doel.’ Daarom is de aankondiging van het koninkrijk van God ook zulk goed nieuws, voor alle mensen, voor de hele schepping. God vertelt immers het verhaal en hij zal het altijd blijven vertellen. Zijn wil gebeurt, ‘op aarde zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). En dat is op geen enkele manier ongedaan te maken door onze beslissingen, of onze verhalen.
Dit is het ‘eeuwig evangelie’ dat bekend moet worden gemaakt aan de mensen op de aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal (Openbaring 14:6,7).

Bestel het boek bijvoorbeeld bij Bol.com of koop het bij je (christelijke) boekwinkel!

maandag 21 november 2011

Terug naar de basis (13): het mooiste einde

Of een verhaal een goed verhaal is, hangt in grote mate af van het einde. De dialogen kunnen nog zo goed zijn, de actie spannend, de karakters realistisch - als het einde niet ‘klopt’ stelt dat allemaal weinig voor. Dan loopt de filmkijker teleurgesteld de bioscoop uit, en legt de lezer teleurgesteld zijn boek weg. In het einde van een verhaal komen de lijnen in het plot tot hun conclusie, het mysterie wordt opgelost, het kwaad wordt bestraft, het complot wordt ongedaan gemaakt, de geliefden vallen elkaar in de armen. De spanning die in het plot is opgebouwd - waar de dialogen, de actie en de karakters deel van uitmaken - wordt opgelost. En vaak op een verrassende manier, die de lezer of kijker niet had kunnen voorspellen. Dit wordt ‘denouement’ genoemd. Dan Allender schrijft in To Be Told: ‘Denouement is the rest that comes when all the disparate plot lines of a story, gnarled and taut, have been untied, and an order comes has come about that brings a new moment of shalom ...
Een goed verhaal kan niet zonder denouement. Als ik een verhaal schrijf, verzin ik daarom eerst het einde. Sterker nog, het eerste idee dat ik heb voor een verhaal, is vaak de ontknoping. Het enige dat ik dan nog hoef te verzinnen is hoe ik die ontknoping inleidt. Als ik schrijf werk ik toe naar dat moment dat ik mijn eerste idee kan uitwerken, als mijn karakters op het punt zijn dat ik ze eindelijk kan laten meemaken wat mijn oorspronkelijke bedoeling voor ze was. Ik vind dat eigenlijk een van de leukste momenten van het schrijven - ik kijk er echt naar uit. Het is leuk om ook echt te kunnen opschrijven wat je altijd al van plan was. Een goed einde maakt een verhaal niet alleen de moeite waard om te lezen, maar ook om te schrijven.

Dat geldt natuurlijk ook voor de verhalen waar wij in leven: ons persoonlijke verhaal, het verhaal van Jezus, en het Verhaal van de Werkelijkheid. Eerder in deze serie beschreef ik dat deze drie verhalen eigenlijk een enkel geheel vormen. Zoals bij de wiskundige figuur van de fractal kun je op verschillende niveau’s kijken, en toch dezelfde vorm herkennen. De Bijbel zegt bijvoorbeeld dat de Goddelijke Volheid in Jezus aanwezig was (Kolossenzen 1:19). Het Grote Verhaal kwam volledig tot expressie in hem, wie Hem zag had de Vader gezien. Maar de Bijbel zegt ook dat Jezus in ons aanwezig is. Zijn verhaal komt tot expressie in ons, het is zijn leven in ons dat ons verandert en ons vrucht doet dragen. En andersom: de Bijbel zegt dat wij samen het lichaam van Christus zijn - dat wij Jezus zichtbaar maken in de wereld, dat wij zijn handen en voeten zijn. Dat door ons heen zijn bedoeling werkelijkheid wordt. En een stap hoger: dat door Jezus’ dood en opstanding het Koninkrijk van God verschijnt, dat zijn leven het begin is van de verwerkelijking van Gods Verhaal, dat alle dingen zijn in Hem, door Hem en tot Hem. Kortom - het is een en hetzelfde verhaal. En ook dit verhaal staat of valt met het einde.
Wat het einde is van Gods verhaal, blijkt uit de verhalen die Jezus daar over vertelt: het is de volledige verschijning van Gods koninkrijk - waarin alle mensen en alle dingen van God hun ware naam ontvangen, en uitleven welke betekenis ze van God hebben gekregen. Het is de tijd van de wederoprichting van alle dingen, de vernieuwing waar de profeten al over spraken, waarbij alles zijn oorspronkelijke plek terugkrijgt. De plek waartoe het bedoeld was als schepsel, namelijk een positie als geliefde van God. Scheppen is immers liefhebben, en bestaan is geliefd zijn door God. En God heeft alles en iedereen op een unieke manier lief. Daaraan ontlenen wij onze identiteit. En omdat Gods liefde eeuwig is, zal ook onze identiteit eeuwig zijn. We zullen zijn geliefden zijn, voor eeuwig en altijd. Elke smet die op ons lag, elke leugen waardoor we Gods liefde betwijfelden, elke vorm van haat en zelfzucht waarmee we ons eigen verhaal centraal stelden, zal oplossen als sneeuw voor de zon. Alleen het ware, het echte zal overblijven. Voor de namaakglorie van alternatieve verhalen zal geen plek zijn. Het is niet afhankelijk van onze inspanning of onze prestaties. God zal alles zijn en in allen.
Deze kosmische overwinning van de waarheid op de leugen, van het licht op de duisternis, van glorie door zwakheid heen, wordt zichtbaar in het verhaal van Jezus. Zijn opstanding is - in een enkel persoon, op een enkele plek in de wereld, in een specifieke tijd - een expressie van het einde van het verhaal dat in God al ‘ja en amen’ is. Hij onderging de gevolgen van het kwaad tot het uiterste, en accepteerde de vernedering tot in de dood. Maar op dat duisterste moment werd hij gered door de God in wie hij vertrouwde. Op het punt waar hij zelf niets meer kon bijdragen aan zijn toekomst, waar hij geen enkele invloed meer kon uitoefenen, waarbij alleen verval en afbraak nog mogelijk waren, blies God hem nieuw leven in. Hij had tijdens zijn leven afgezien van het gebruik van zijn macht ten gunste van zichzelf, hij zag daar ook in de dood van af. Hij stond niet uit het graf op door eigen kracht, zoals we bij ons in de kerk wel eens zongen (‘Daar juicht een toon, daar klinkt een stem ...’), maar door de kracht van God. Hij kon het nieuwe leven alleen maar als geschenk ontvangen.
En het einde van Jezus’ verhaal, zijn opstanding en verheerlijking, blijkt vervolgens ook het einde te zijn van onze levensverhalen. Als we toegeven dat wij dood zijn in onze overtredingen en misdaden, als we erkennen dat we uit eigen kracht niets kunnen bijdragen aan de voltooiing van Gods bedoeling in de wereld, zullen we met Jezus uit de dood opstaan. Volgens de kerkvaders roofde Jezus de hel leeg. Doordat Jezus mens werd, en zich met ons identificeerde, tot in de dood, werden wij voor eens en altijd met hem verbonden. Hij nam onze levensverhalen op in het zijne. En wat God voor Hem deed door hem nieuw leven te geven, doet God ook voor ons. We worden hersteld. We worden wie God al voor de eeuwigheid had gezegd dat we zouden zijn. We leven, ook al sterven we. We bevinden ons nu nog voor het einde van het verhaal, en de donkerste dalen, de zwaarste strijd en de moeilijkste beproeving moeten misschien nog komen. Maar omdat het Verhaal van Jezus nu ook ons verhaal is geworden, weten we waar we naar uit kunnen kijken. Dit is de belofte van de opstanding, de zekerheid dat ons verhaal niet eindigt in een tragedie, maar in een ‘eucatastrofe’ - een plotselinge wending ten goede, die niet door ons tot stand kon worden gebracht. En soms zien we al hier en nu glimpjes van dat ‘happy end’. Alles waar we nu van genieten, elk voorbeeld van schoonheid, intimiteit en avontuur dat nu op ons pad komt, is een voorproefje van de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden.

Ook voor ons geldt echter dat wij het einde van het verhaal alleen als geschenk kunnen ontvangen. Het hangt niet van ons af. Het ‘happy end’ komt er - daar kunnen wij niets aan veranderen. Het is namelijk niet ons verhaal, maar Gods verhaal. God speelt geen rol in ons verhaal. Hij is er zelfs niet de regisseur van. Wij zijn opgenomen in het verhaal van God. Hij is de held, hij behaalt de overwinning. Wij zijn bijrolspelers. Wij zijn de geliefde van de held, die zich alleen maar hoeft te laten redden. Die niet anders kan dan haar hand uitsteken en zich uit het moeras te laten trekken. Die niet zelf de vijand hoeft te verslaan, maar aan het eind zich opgelucht in de armen van haar redder kan storten. En met hem de zonsopgang tegemoet kan rijden, zonder zich ooit nog zorgen te maken over haar levensonderhoud en haar veiligheid. Ons leven is ten diepste een liefdesverhaal. Zoals G.K. Chesterton zegt: ‘Romance is the deepest thing in life; romance is deeper even than reality’. Wij zullen door de held worden gered. Hij zal ons het hof maken, ons voor zich winnen. Hij achtervolgt ons, ook als wij hem afwijzen. Hij geeft alles wat hij heeft, zelfs zijn eigen leven, om ons te overtuigen van zijn liefde. Hij bekleedt ons met de witte klederen van de gerechtigheid, als we alleen nog maar gescheurde vodden droegen. En hij neemt ons mee naar het huis van zijn vader, met de vele woningen, dat hij voor ons heeft toebereid. En ze leefden nog lang en gelukkig. Niet alleen wij kijken naar dit gelukkige einde uit - de hele schepping is als in barensweeen, terwijl ze uitkijkt naar de openbaring van de kinderen van God in al hun vrijheid en luister. De Vader, de Zoon en de Geest begeren vurig om het paasmaal te delen met hun geliefden. De held zelf verlangt naar de bruiloft aan het eind van de tijd, het huwelijk van het lam. Het einde van het verhaal wordt, zoals dat van de beste verhalen, gekenmerkt door de vreugde van de bruidegom. Aan dit glorieuze feest zal nooit meer een einde komen. Het zal zo mooi zijn dat het al onze verhalen, hoe grimmig ook, uiteindelijk de moeite van het leven waard maakt.

Er is voor ons dus niets om bang voor te zijn. Ik las vroeger wel eens zogenaamde evangelisatietraktaatjes waarin werd betoogd dat wij uiteindelijk de film van ons leven te zien zouden krijgen. Dan zou tot in detail zichtbaar worden op welke punten we tekortschoten, waar we toegaven aan verleiding, op welke punten we niet Gods plan voor ons leven vervulden. Alle fouten, alle schijnheiligheid zou openbaar worden gemaakt. En niet alleen voor ons, de film zou publiekelijk worden vertoond. Onze diepste zwarte geheimen zouden voor iedereen bloot komen te liggen. De gedachte erachter was dat we nu dus ons best moesten doen om goed te leven, zodat we ons in de eeuwigheid niet zouden hoeven schamen. Maar tegen de tijd dat ik die foldertjes las, was ik me al genoeg bewust van mijn tekortkomingen, om te weten dat mijn verhaal een teleurstellende vertoning zou worden. Ik zou mijn handen voor mijn ogen moeten slaan en zou de hele eeuwigheid lang niemand meer onder ogen durven komen. Als het verhaal van mijn leven van mij afhangt, is het een tragedie.
Maar de schrijvers van dit evangelisatiemateriaal hadden het bij het verkeerde eind. De film die in de eeuwigheid vertoond zal worden is niet die van ons leven. Het gaat niet om ons verhaal. Wat op het hemelse bioscoopscherm te zien zal zijn, is het Verhaal van de Held. Het is het verhaal van Christus, die grote, epische romance, waar onze verhalen stuk voor stuk in zijn opgenomen. En dat verandert de zaak. Want van dat verhaal weten we dat het goed afloopt. We weten dat het een glorieus einde heeft, dat alle losse draden op een bevredigende manier bij elkaar brengt, en dat de held en zijn geliefde bij elkaar brengt in een bruiloft. En onze verhalen, ongeacht onze fouten, onze tekortkomingen, onze schaamte, zullen aan dat gelukkige einde bijdragen. Hoe dan ook. Ons falen zal alleen maar het succes van de held indrukwekkender maken. Ons ongeduld zal alleen maar laten zien hoe geduldig de hoofdpersoon is. Ons verraad illustreert alleen maar hoe vergevingsgezind de bruidegom is. Onze zwakheid biedt onze redder alleen de gelegenheid zijn zorgzaamheid te laten zien. En onze ontrouw stelt de vergevingsgezindheid van Jezus alleen maar in een sterker daglicht.
Ik moet denken aan de verfilming van The Fellowship of the Ring, die deze winter tien jaar geleden uitkwam. In de film bezwijkt Boromir voor de verleiding van de ene ring. Maar het verraad van Boromir maakt de film niet slechter. Dat komt omdat Boromir niet de held is. De toekomstige koning Aragorn is de held. En waar het verhaal om draait is dat hij Boromir vergeving schenkt, in een van de prachtigste scenes uit de trilogie. Het verraad van Boromir laat het karakter van Aragorn nog beter uitkomen. Sterker nog, zonder deze duistere episode zou het een veel oppervlakkigere film zijn geweest. Het einde, dat moment van vergeving, geeft het falen van de bijrolspeler een heel andere betekenis. Wat eens slecht, duister en beschamend leek, werd een bron van glorie. Hetzelfde geldt voor onze levens. Het einde van het Verhaal van Jezus, de heilige romance, is wat onze levens betekenis geeft. Het is niet ons falen, onze zwakheid, onze mislukking, dat de betekenis van ons leven bepaalt. Gelukkig niet. Wij zijn niet de held. Jezus is de held. De film die tot in eeuwigheid getoond zal worden, is de zijne. Dat betekent niet alleen dat wij ons dan niet zullen hoeven schamen, nergens voor, het betekent dat wij ons nu ook al niet hoeven schamen. Onze betekenis wordt ons nu al, op dit moment, gegeven door het Grote Verhaal waarin we leven. Het Verhaal van God. Dus kunnen we met Paulus zeggen: “Ik laat mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt. Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk” (2 Korintiers 12:9,10).

Is dit niet het beste einde dat mogelijk is? Is dit niet een slot om naar uit te kijken? Is dit niet een verhaal om in te willen leven? In het laatste deel van deze serie wil ik terugkomen op het thema van het verlangen.

dinsdag 19 januari 2010

Filmbespreking: 9

Nee, niet Nine, de filmmusical met Daniel Day Lewis, maar 9. En nee, ook niet District 9, alhoewel die met zijn apocalyptische beelden al wel een beetje in de buurt komt. Deze film heet gewoon 9. Alle drie films uit 2009 trouwens. Zouden we dit jaar films met het getal 10 voorgeschoteld krijgen? Het is maar een vraag ...
Terug naar het onderwerp van dit bericht. De film 9. Dit moet wel een van de meest bizarre films zijn die ik ooit gezien heb. En so wie so de meest bizarre animatiefilm. Ja, nog bizarrer (is dat een goed woord?) dan Wall-E. Die was al behoorlijk bizar. Maar die komt in de buurt. Beide gaan over een wereld zonder mensen, en beiden stellen de vraag welke vorm het leven aanneemt als de mens verdwenen is.
Maar terwijl Wall-E een mogelijke voortzetting zou kunnen zijn van onze eigen toekomst, door de satirische lens van een tekenfilm heen, is 9 iets heel anders. Het is de toekomst van een parallelle geschiedenis, een waarin een uitvinder rond de tijd van de tweede wereldoorlog een kunstmatige intelligentie schiep, die vervolgens werd gebruikt voor minder vredelievende doeleinden. Nerds noemen dit ook wel 'dieselpunk', naar analogie van het net iets minder geeky, of net iets meer bekende 'steampunk'. Bij de laatste wordt uitgegaan van een hoogontwikkelde technologie gebaseerd op stoomkracht, de eerste stelt een futuristische technologie voor gebaseerd op benzine. De regisseur gebruikte ergens de term 'stitchpunk' en dat slaat op een ander element van het verhaal: de hoofdpersonen, poppen gemaakt van stof, tot leven gewekt door de technieken uit de alchemie (net als de kunstmatige intelligentie trouwens, die dus helemaal niet kunstmatig is, maar een kopie van een menselijke intelligentie). Een hele andere laag in het verhaal. Maar van deze alternatieve beschaving, gebaseerd op de technieken van de benzinemotor en de alchemie, is op het moment dat deze film zich afspeelt niets meer over. Helemaal niets. Zelfs geen gedevolueerde vetzakken in een ruimteschip ver weg. De Aarde is levenloos. Er zijn zelfs geen bacteriën meer. (Waardoor dit de enige animatiefilm is die ik ken waar onverteerde lijken in voorkomen. In wat we de meest verontrustende scene in een animatiefilm ooit is zelfs een moeder met haar kind ... ik heb nog even teruggespoeld om te controleren of het geen pop was). Deze levenloze wereld is opnieuw overgeleverd aan de ongerichte machten van het weer: wind, regen, kou, hitte, pure erosie. Als de elementen vrij spel krijgen, zal alles uiteindelijk afslijten tot een grijze of bruine zandvlakte.

Maar de mens heeft zich niet bij zijn lot neergelegd, en regeert als het ware over de dood heen. Een briljante wetenschapper (de schepper van het kunstmatige brein) heeft negen zakkenpoppen voorzien van delen van zijn geest. Hen heeft hij losgelaten in een in oorlog verwikkelde wereld. Hun missie: het voortbestaan van menselijkheid. Opnieuw niet de fysieke menselijkheid (met armen, benen en zo voorts), maar de geestelijke menselijkheid. Het menselijke karakter. De negen poppen vinden zich tegenover een andere overlevende van de grote wereldbrand: het intellect (ik zeg het hier expres op deze manier). En er volgt een strijd om de erfenis van de mensheid. Wie be-erft de aarde? De koude, berekenende machine, die bereid is dodelijke macht uit te oefenen om zijn voortbestaan zeker te stellen, die bereid is ander leven te vernietigen zolang hij zelf in controle blijft? Of de nederige, kleine poppen, die op zoek zijn naar schoonheid, die op zoek zijn naar waarheid, en die op zoek zijn naar echte relaties? Wezens die uiteindelijk bereid zijn hun eigen leven op te offeren voor de ander? Dum dum dum ....

Oke, het mag duidelijk zijn wie de eindoverwinning behaalt, maar de weg daarnaar toe is bezaaid met hindernissen, niet in het minst in de vorm van enkele creatief ontworpen, werkelijk enge monsters. Dit is geen film voor kleine kinderen! Het brein bouwt combinaties van skeletonderdelen (een in grote hoeveelheden aanwezige grondstof) en alles at hij ook maar kan vinden. Vooral de 'slang' is een geval van 'brrrr ...'. En in een wereld vol resten van oorlog ontspinnen zich werkelijk spannende actiescenes. Onder andere op een oud vliegtuig dat in een kathedraal is gevlogen. Mooi.
Helaas is de rest van het verhaal, ondanks het briljante uitgangspunt, niet het beste dat ooit verfilmd is. De karakters blijven niet erg uitgewerkt. Dat is misschien een van de punten van het verhaal, maar de zwakke dialogen (vooral kretologie) weerhouden je ervan een band te vormen met de hoofdpersonen. Ze ontstijgen niet het cliche. Het eind van het verhaal is ook warrig, en opeens lijkt er iets als een daadwerkelijk aanwezige en waarneembare 'geest' te bestaan. Ik kan deze film vooral aanbevelen voor de 'visuals'. Voor het verhaal houdt Wall-E toch mijn voorkeur.

Toch is er het een en ander in deze film om over na te denken. Natuurlijk het thema, dat aansluit bij een bericht dat ik eerder deze week plaatste, namelijk: hoe kun je doorgaan met leven in het zicht van de ultieme tragedie, het einde van de mensheid. Dit is een belangrijke vraag, nog belangrijker dan ik in mijn stukje suggereerde, want we worden allemaal geconfronteerd met het einde, namelijk het einde van ons leven. Dat staat honderd procent vast. Als we dat weten, waarvoor kiezen we dan?
Deze film lijkt, net als ik, te suggereren dat het waard is om ook in het zicht van het einde van de mensheid, vast te houden aan wat ons menselijk maakt. Namelijk: het kunnen waarnemen van schoonheid, het kennen van de waarheid, en intieme relaties. Deze dingen, de ziel van de mens zo je wilt, zijn zo belangrijk dat ze de apocalyps moeten overleven. Als deze er niet meer zijn, is het leven na de ondergang werkelijk zinloos. Dan kunnen er nog wel mensen zijn, maar als die hun menselijkheid hebben verloren in de strijd om te overleven, is er geen werkelijke betekenis meer. Als alleen de koude, berekenende macht van de machine er is, is er geen hoop. Wat ons menselijk maakt is niet het pure intellect, in dienst van de drang te overleven, want dat hebben dieren ook. Wat ons werkelijk mens maakt, is onze keuze ons op te offeren voor anderen, om lief te hebben met het woord en de daad, en te vechten voor het goede, het ware en het mooie.

De film bevat een vrij duidelijke aanval op de georganiseerde religie in de persoon van zakpop '1', die zelfs als een bisschop is aangekleed. Hij is reactionair, veroordeeld '9' omdat die vragen stelt en de status quo verwerpt, hij is gericht op veiligheid, en probeert anderen door angst (en manipulatie) onder controle te houden (vooral om zelf ook veilig te blijven). Wie mijn berichten heeft gelezen weet dat ik kritiek op georganiseerde religie niet verkeerd vind (omdat die namelijk vaak gekleurd wordt door precies die menselijke macht/angst/overlevingsdrift/controle die ons onvrij maakt). Maar het voelt in dit soort films vaak alsof gelovigen als zodanig bekritiseerd worden, waarschijnlijk omdat de vormen van de kerk worden gebruikt om 'religie' op te roepen. Maar het zijn niet de vormen die religieus zijn, maar de manier waarop ze gebruikt worden. Er is wel een mooi moment waarop het karakter '1' een keuze maakt die hem in een ander licht stelt.

De film eindigt met hoop. We zien een mannelijke pop, een vrouwelijke pop en twee kinderlijke poppen. Een soort kerngezin, een Adam en Eva van een nieuwe generatie. "Wat doen we nu?" vraagt er een. "De wereld is nu van ons", zegt de ander. We kunnen hem zelf gaan vormgeven. Veel echo's van de scheppingsopdracht in genesis 2 als je het mij vraagt (waar God eigenlijk tegen de mens zegt: de wereld is van jou. Zorg er goed voor!). En dus ook een vooruitwijzing naar het nieuwe begin van Gods koninkrijk, waarin God ons opnieuw een creatief volmacht zal geven, om als koningen over de schepping te heersen en haar glorie voor altijd te blijven vermeerderen!

zaterdag 16 januari 2010

De basis van mijn vertrouwen


Een positief kritische lezer schreef mij over mijn stukje gisteren ('Het leven is nu') dat het wel erg stichtelijk was. Hij wees vooral op de slotzin ('Wat er na de dood volgt, daar mogen we op hopen. En wie op God hoopt, wordt niet teleurgesteld.') en merkte op dat het nu juist een kwaliteit van een hoop is dat je teleurgesteld kunt worden. Mijn conclusie is dus veel te makkelijk.
Ik neem zulke opmerkingen serieus, vooral omdat ik 'eerlijk' in het leven wil staan. Dat wil zeggen, ik wil, uitgaande van mijn overtuigingen, een echt mens zijn, en me rekenschap geven van mijn ervaringen en die van andere mensen. Ik wil niet mijn kop in het zand steken, of mijn geloof gebruiken om te manipuleren (mezelf of anderen). Maar ik zal de eerste zijn die toegeeft dat ik dat niet perfect doe, en dat ik nogal eens val in de valkuil van de Johan van vijftien jaar terug, die een bijbeltekst aanhaalde en aannam dat daarmee genoeg gezegd was. Het slot van mijn vorige stukje was ook zoiets. Ik sneed als het ware een bocht af. Maar zo werkt het natuurlijk niet.
De betekenis van de bijbel en hoe ik daarmee omga, is een onderwerp voor een ander bericht op deze blog. Nu wil ik graag ingaan op het onderwerp hoop. En hoe je daar zeker van kunt zijn.

Ik kom eerst nog eens terug op het filmpje van de vallende meteoriet. Hij kwam tot leven in de bovenste laag van de dampkring. Hij genoot van het vallen. Tot hij de zee opmerkte. Hij probeerde zijn lot af te wenden, maar ontdekte al snel dat het niet ging. Uiteindelijk verzoende hij zich ermee dat zijn bestaan eindig was en genoot hij van de tijd die hem nog restte. In de laatste beelden zien we hem wegzinken.
Maar: het slot van het verhaal sluit niet uit dat er zoiets is als een hemel voor meteorieten. Het sluit ook niet uit dat aan het eind van de tijd het heelal vernieuwd zal worden en deze levensvorm of intelligentie het bestaan zal krijgen dat bij hem past. In een baan om een planeet bijvoorbeeld. Dit is prima mogelijk. Het punt is alleen dat het binnen de grenzen van dit verhaal niet zichtbaar kan worden gemaakt, en dat de meteoriet er niet van afwist. Net zo is zoiets als de hemel, of beter het herstel van Gods koninkrijk, niet theoretisch onmogelijk. Als er een God is, kan Hij hiervoor zorgen. Maar deze opties onttrekken zich aan wat wij met onze vijf zintuigen kunnen waarnemen. Wij zien alleen materie en energie, wij zien dat het universum afkoelt, wij zien dat onze lichamen vervallen, en wij hebben nog niemand uit de dood zien terugkomen. Maar dat wij iets niet kunnen waarnemen betekent niet dat het er is. Dat wij alleen het fysieke universum kunnen zien, wil niet zeggen dat er geen niet-fysieke werkelijkheid is.
Het enige dat de meteoriet kon doen was hopen dat er zijn leven niet eindig was. Hij kon er niet zeker van zijn. Net zo hebben mensen sinds ze intelligent werden gehoopt dat er een leven was na de dood. Een van de eerste tekenen van intelligent gedrag bij mensen is dat ze doden begraven (vaak met gebruiksvoorwerpen erbij). Deze hoop is diep geworteld in het menselijk ras. De Egyptenaren zwoegden tientallen jaren aan de pyramides, martelaren gingen naar de leeuwen, en chinese keizers maakten complete legers van terracotta. De behoefte/hoop/verlangen om niet als persoon te eindigen, maar te blijven bestaan, hoort bij wie we zijn als mensen. Maar we kunnen er niet zeker van zijn. Al die rituelen blijven een gok.

En ook ik kan niet objectief zeker zijn dat het herstel van alle dingen zal plaatsvinden. Ik kan niet wetenschappelijk aantonen dat het universum vernieuwd zal worden. Ik heb geen bewijs dat ik uit de dood zal opstaan. Dat kan ook helemaal niet.
Maar waarom houd ik er dan wel aan vast? De eerste reden heeft ermee te maken dat het ook niet te ontkrachten is dat zoiets zal gebeuren. Het is met de wetenschap (die er a priori van uitgaat dat alleen fysieke krachten effecten veroorzaken) niet aan te tonen dat niet fysieke krachten niet bestaan. Geloven in een eeuwig leven is dus niet a-rationeel (maar boven-rationeel, zoals ik ooit iemand het heb horen omschrijven).
De tweede reden draait om vertrouwen. Dat is namelijk wat geloof is. Hetzelfde Griekse woord staat voor beide. Geloof is dus niet een soort irrationele aanname van intellectuele leerstellingen of dogma's. Een vastklampen aan een leer waar je geen bewijs voor hebt. Een jezelf voor de gek houden. Het is een vertrouwen. En je kunt alleen vertrouwen op iets of iemand die betrouwbaar is.
Laat ik een ander voorbeeld nemen. Stel: ik kom terecht in een waterput, en alleen door te watertrappelen kan ik mijn hoofd boven water houden. Ik kan er echter niet uitkomen, en zie mezelf al verdrinken. Iemand moet mij redden. Dan komt een vriend voorbij. Hij hoort mij, kijkt naar beneden, en roept: "Hou vol, ik ga een touw halen, dan kom ik je redden!" Opeens heb ik hoop. Natuurlijk, die hoop zou beschaamd kunnen worden. Ik kan niet volledig zeker weten dat ik gered zal worden. Die vriend kan thuiskomen, mij vergeten en een krantje gaan lezen. Hij kan iets heel anders doen. Maar ik geloof dat hij doet wat hij heeft beloofd, omdat ik hem ken en weet dat hij betrouwbaar is. Dus hoewel een wetenschapper zou kunnen zeggen: 'Waarom ben je nou zo hoopvol? Je weet toch niet of hij daadwerkelijk terug zal komen?', blijf ik naar hem uitkijken, omdat ik zeker ben dat hij er aankomt. "Geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt", zegt Paulus in Romeinen. Dat lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig (zekerheid? hoop?), maar de kern ligt in het geloof, oftewel: vertrouwen. De zekerheid is niet gebaseerd in een vage, niet rationeel te bewijzen hoop, maar in het vertrouwen op God.

Nu kun je de redenering doortrekken. Want hoe kun je vertrouwen op een God die je niet kunt zien en die je niet kunt bewijzen? Laat ik het voorbeeld van zojuist dan ook maar doortrekken. Ik ben aan het watertrappelen in de put en mijn vriend komt langs. Hij ziet mij watertrappelen en hij zegt: "Ik ben zelf niet sterk genoeg om je te redden. Maar ik ken iemand die dat wel kan. Hij zal alles laten vallen waar hij mee bezig is om je eruit te trekken. Vertrouw me." En hij pakt zijn mobiele telefoon en belt de persoon in kwestie. Heb ik nu ook reden om hoopvol te zijn? Volgens de cynicus waarschijnlijk nog minder, want ik ken zelf die persoon niet die mijn vriend belt. Hoe kan ik weten dat die mij zal willen redden? Maar, het cruciale is hier dat ik mijn vriend wel ken. Als ik hem vertrouw, vertrouw ik zijn oordeel over de derde persoon, en vertrouw ik erop dat hij mij inderdaad komt redden. Ik ben er zeker van, hoewel ik objectief natuurlijk niet zeker kan zijn. Ik geloof.
Hierin ligt hem de kern. Want welke reden heb ik om op God te vertrouwen? Ik heb er meerdere. Die hebben mij zelf overtuigd. Ik geloof dat ik in mijn leven Gods leiding heb ervaren, en dat ik bemoedigende woorden van hem gehoord heb (ook op momenten dat mijn eigen gedachten erg negatief waren). (Een cynicus kan dit natuurlijk aan psychologische redenen toeschrijven. Dat is nu juist het punt!) Ik heb dingen meegemaakt in het leven van anderen die ik aan God toeschrijf, toevalligheden die net iets te toevallig waren. (Hoewel een cynicus kan zeggen dat dit nu juist toeval is!). Ik merk in mezelf verlangens naar schoonheid, gerechtigheid en intimiteit die volgens mij door God in mij gelegd zijn (hoewel een cynicus vast evolutionaire redenen voor deze dingen kan aangeven). Ik zie schoonheid en orde in de schepping, en ben onder de indruk van het 'antropisch principe' (hoewel een cynicus op toeval zal wijzen, en niet onterecht). Ik ben onder de indruk van de bijbel, de verhalen daarin, de consistentie van de boodschap (hoewel een cynicus zal wijzen op innerlijke tegenspraak, en conflicten met archeologische bronnen). In de verhalen over Jezus zie ik iemand die ik niet zomaar kan verklaren, die dingen zegt die mij te boven gaan, die ik wil navolgen (verzonnen, volgens de cynici, hoewel dat moeilijk lijkt te zijn. Het gaat om vier verhalen, kort na de gebeurtenissen geschreven). En ik ben overtuigd door de argumenten voor zijn opstanding uit de dood (meerdere cynici zijn door het beschikbare materiaal overtuigd geraakt dat het graf wel degelijk leeg was, en andere verklaringen (diefstal, Jezus was niet dood) zijn niet hard te maken. Het is geen bewijs, maar de aanwijzingen zijn m.i. wel sterk). En al deze dingen zijn als de vrienden die mij vertellen dat iemand mij komt redden. Op basis van deze aanwijzingen vertrouw ik op een God die Liefde is, die onvoorwaardelijk van mij houdt, en 'plannen van vrede met mij heeft, en niet van onheil' (Jeremia 29, ja ik blijf stichtelijk bezig). 
Scherp gesteld: ik vertrouw op God, omdat ik een relatie heb met Jezus, die ik heb leren kennen door de bijbel. Wat de bijbel over Jezus zegt, en wat Jezus in de bijbel zegt, heeft indruk op mij gemaakt, en ik ben ervan overtuigd dat wat Hij zegt waar is. Dat hij dus nu bestaat en nu bij mij is. En ik heb daar ook meermalen iets van ervaren. Ik heb ervaren dat Hij van me houdt, ook als ik niet van mezelf kan houden. Dus kies ik ervoor om op hem te vertrouwen. Om een relatie met Hem aan te gaan. Om Hem als echt te ervaren. Op basis van die concrete relatie kon ik zeggen dat wie op God vertrouwt niet teleurgesteld wordt. In Romeinen 5 schrijft Paulus: 'De hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest'. Ik geloof dat God van mij houdt, dat heb ik ook ervaren, en ik kies ervoor om keuzes te maken die daarmee in overeenstemming zijn. Om te hopen en God, andere mensen en mezelf lief te hebben.
Vertrouwen is een keuze. Misschien heeft God er daarom voor gezorgd dat we hem niet kunnen bewijzen. Omdat hij wil dat we voor hem kiezen.

'Toevallig' las ik vanochtend in de bijbel het hoofdstuk 1 Petrus 1, en dat zei een aantal dingen die ik in dit stukje wilde zeggen. Het gaat namelijk ook juist over een 'onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt', maar die we nu niet kunnen zien. Op dit moment moeten we allerlei beproevingen verduren, we zitten nog in de waterput ('zo kan de echtheid blijken van uw geloof'). 'U hebt Christus lief zonder hem ooit gezien te hebben', schrijft Petrus. 'En zonder hem nu te zien gelooft u in hem.' (Dat komt wel heel erg overeen met mijn stuk hierboven. Eerlijk waar, ik wilde dat gisteren schrijven, maar kon niet, omdat er iemand spontaan op bezoek kwam. En vandaag las ik dit. Echt waar!) Petrus roept zijn lezers op: 'vestig al uw hoop op de genade die u ontvangen zult wanneer Jezus Christus zich openbaart' en hij zegt hen keuzes te maken die in overeenstemming zijn met dat geloof: 'Leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals hij die u geroepen heeft heilig is.' En waar moeten ze dat geloof op baseren volgens Petrus? Op Jezus, die 'aan het eind van de tijd is verschenen omwille van u'. Hij zegt: 'Door hem gelooft u in God ... zodat uw geloof tevens hoop is op God.' De persoon van Jezus is de basis waarop deze mensen in God geloven, en waarop hun hoop op de toekomst is gebaseerd. Jezus is als het ware de vriend die bij de put komt staan en ons verzekert dat zijn vader ons zal redden. Die verzekering is goed nieuws, en dat is wat Christenen het evangelie noemen. Daarom zijn we volgens Petrus ook wedergeboren 'uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende woord ... dit woord is het evangelie (het goede nieuws) dat u verkondigd is.'

Deze hoop maakt ons leven nu erg belangrijk. Petrus zegt dat de gelovigen omdat ze op deze waarheid vertrouwen 'oprecht van uw broeders en zusters [kunnen] houden. Heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief!'. Het mooie van dit evangelie is namelijk dat het eeuwige leven nu al begint. Van moment tot moment leef ik in de realiteit van Gods liefde. En mag ik de keuzes maken die daarmee in overeenstemming zijn. Op dit moment mag ik al op de manier gaan leven die God voor mij bedoeld heeft. Dat was waarom Luther kon zeggen: 'Als ik wist dat Jezus morgen terugkwam, zou ik vandaag nog een boom planten.' Want bomen  planten, herstellen, liefhebben, feest vieren, genieten, relaties aangaan, waarheid naspeuren, gerechtigheid nastreven, iemand helpen, het zijn allemaal dingen die horen bij de eeuwigheid.
Dat is misschien wat stichtelijk allemaal, maar ik kies ervoor mijn leven hierop te baseren. En dat geeft mij een 'onuitsprekelijke, hemelse vreugde' (zoals Petrus het verwoordt).

donderdag 14 januari 2010

Boekbespreking: Eeuwigheid

Als tiener zag ik in de bibliotheek deze boeken van Greg Bear al staan: Eon en Eeuwigheid. (Dat kan kloppen, want ze zijn gepubliceerd in 1987 en 1988). Hoewel ik een fan was van sciencefiction en de verhalen van Clarke en Asimov verslond, waagde ik me nooit aan deze boeken. De uitleg op de achterkant sprak me niet aan. Het schetste een onsamenhangende inhoud, over een meteoriet, die uit de toekomst zou komen, die van binnen groter was dan van buiten, en waar de hoofdpersonen vreemde beschavingen zouden aantreffen. Ik had het idee dat er van interessante karakters en een wetenschappelijk verantwoord plot niet veel te verwachten zou zijn en koos altijd voor een boek waarvan ik wel kon inzien dat het me zou boeien.
Gelukkig kwam ik vorig jaar het eerste boek tegen in een tweedehands boekwinkel. En ik besloot toch eens te kijken welk boek ik altijd voorbij was gelopen. Het bleek een groots verhaal, met boeiende karakters en een plot dat nog wijdser was dan de achterflaptekst deed vermoeden. En nu heb ik deel twee gelezen (met dank aan een van mijn volgers). Ook een sciencefictionboek dat mij wist te boeien. Vol grote ideeën (parallelle universa, opslag en vermenging van persoonlijkheden, het einde van het universum, dood en leven na de dood et cetera). Maar ook met karakters met wie ik kon meeleven, en een aangrijpende conclusie. Die werd helaas voor mijn gevoel wel wat afgeraffeld. Een aantal plotontwikkelingen verdienden een uitgebreidere behandeling. Dus was ik aan het eind een beetje teleurgesteld. Maar wel tevreden dat ik het boek gelezen heb.

Hoe leg ik nu uit waar het over gaat? Laat ik beginnen bij het eerste deel. Dat speelt in 2005 en Rusland en de Verenigde Staten bevinden zich op het randje van een vernietigende oorlog. Plotseling verschijnt in een baan om de Aarde uit het niets een enorme asteroïde. Expedities naar het voorwerp ontdekken verschillende kamers die in het rotsblok zijn uitgehouwen. Sommige kamers bevatten exotische steden, andere vreemde landschappen en weer andere bizarre technologie. De laatste kamer is het vreemdst. Die heeft namelijk geen einde. Inderdaad, hoewel de asteroïde er van buiten beperkt uitziet, is hij van binnen onbeperkt. De gang, verlicht door een bizarre buis in het middel, strekt zich duizenden, miljoenen kilometers ver uit. Het wordt nog vreemder als onderzoekers in een bibliotheek ontdekken dat de asteroïde afkomstig is uit de toekomst. Hij is door mensen gebouwd, jaren na een vernietigende atoomoorlog, en deze mensen schijnen de 'weg', zoals de gang wordt genoemd, te zijn in gereisd. En inderdaad, de oorlog breekt ook uit in deze realiteit. Een paar van de wetenschappers, Garry Lanier, Patricia Vasquez (van wie in de bibliotheken beschreven staat dat zij de wiskunde ontwikkelde waarop de weg is gebaseerd) en de rus Pavel Mirski (die de 'distelpluis' (de naam die de toekomstmensen aan de asteroïde gaven) is komen binnenvallen), gaan op zoek naar de mensen in de weg. Ze vinden een stad met een uiterst hoog ontwikkelde beschaving, de Hexamon geheten. Mensen hebben hier het eeuwige leven, maar sommigen spenderen dat volledig in computeropslag. Gegevens worden vrij uitgewisseld, men kan beelden en meningen projecteren en er lijkt geen tekort aan grondstoffen. Via poorten in de weg handelen de mensen met buitenaardse beschavingen. Maar er zijn ook buitenaardse rassen die vijandelijker zijn, de Jarts, van wie niemand weet hoe ze eruit zien. En deze hoge beschaving kent zijn eigen innerlijke verdeeldheid, tussen de progressieven, die hun lichaam het liefst zouden achterlaten, en de conservatieven, die zo veel mogelijk mens willen blijven. Uiteindelijk komt het tot een splitsing. De progressieven gaan door naar het einde van de weg. Pavel Mirski gaat met hen mee. De conservatieven gaan terug naar de Aarde om te helpen met de wederopbouw, samen met Garry Lanier, de diplomaat Olmy en degene die de weg gebouwd heeft: Konrad Korzenowsky. Patricia Vasques wil via een poort in de weg terug naar een parallele Aarde waar geen oorlog is uitgebroken. Haar berekeningen waren echter niet helemaal correct ...

Eeuwigheid begint veertig jaar na de gebeurtenissen in Eon. Geholpen door de hulpbronnen en de technieken van de beschaving uit de toekomst is het herstel van de Aarde begonnen. Garry Lanier is oud geworden. Hij heeft de verjongings en reincarnatietechniek van de distelpluismensen geweigerd, omdat niet iedereen op Aarde daar toegang toe heeft. Hij heeft zich verzoend met zijn dood. Zijn vrouw Karen niet en dat leidt tot spanning in hun huwelijk. Wat daaraan bijdraagt is de onmogelijke terugkeer van Pavel Mirski. Het blijkt dat hij uit de verre toekomst komt, waar geestelijke machten, ontwikkeld uit menselijke en buitenaardse intelligenties, proberen de geschiedenis van het heelal goed af te sluiten. De weg, een menselijke uitvinding, vormt echter een verstorende factor, die een goed uiteinde onmogelijk maakt. Als avatar van de goden vraagt Mirski de mensheid de weg te sluiten.
Ondertussen is er onrust ontstaan binnen de beschaving van de Hexamon. Er is een belangrijke fractie die pleit voor heropening van de weg, en hernieuwde handel met de buitenaardse beschavingen. Konrad Korzenowsky is hierover innerlijk verdeeld. Een deel van hem ziet heropening van de weg als schadelijk voor de Aarde en de Hexamon. Een deel van hem wil graag terugkeren. Ondertussen doet Olmy een verbijsterende ontdekking. In een kamer in de wand van de asteroïde is de geest van een Jart opgeslagen. Omdat heropening van de weg zou leiden tot hernieuwd contact met deze mysterieuze buitenaardsen, besluit hij de geest op te laden in een van zijn extra geheugens. Dat blijkt niet zonder gevaar en al snel moet Olmy vechten om de controle te houden over zijn gedachten.
In een heel andere wereld heeft Rhita Vaskayza een opdracht gekregen van haar grootmoeder Patrika: zoek naar een opening naar de weg. Op deze Aarde heeft de geschiedenis echter een andere loop genomen. Alexander de Grote is niet op jonge leeftijd omgekomen, maar heeft zijn wereldrijk in stand weten te houden. En al drieduizend jaar is het grote Griekse rijk de belangrijkste macht op de wereld. Rhita moet zich staande houden in een door mannen beheerste wereld. Terwijl de macht van koningin Cleopatra (de zoveelste) wordt bedreigd door facties in haar rijk, organiseert Rhita een expeditie naar wat in onze wereld Rusland heet. De instrumenten die ze van haar grootmoeder toevertrouwd heeft gekregen suggereren daar de aanwezigheid van een poort. Maar ze twijfelt. De weg wordt immers niet alleen gebruikt door mensen ...
Al deze verhaallijnen komen uiteindelijk bij elkaar in een (letterlijk) explosief einde.

Eeuwigheid is de titel van dit verhaal. Dat lijkt ironisch. Want eigenlijk gaan bijna alle verhaallijnen over de tijdelijkheid. De tijdelijkheid van een mensenleven. Het valt kunstmatig te rekken. Er zijn verjongingsmedicijnen. De identiteit van mensen kan elektronisch worden opgeslagen. Maar uiteindelijk eindigt het. Dat is iets waarmee Lanier in het reine probeert te komen, als hij merkt dat zijn lichaam aftakelt en zijn naderende einde leidt tot spanning met zijn vrouw en zijn vrienden. Ook tijdelijk is de distelpluis met de weg. De mensheid dacht dat het een eindeloze bron van handel en energie zou zijn, maar het kan niet blijven duren. De reikwijdte van de menselijke beschaving wordt hardhandig ingeperkt. Zelfs hele werelden zijn tijdelijk. Gaia, de wereld van Rhita, nauwelijks in het technologische tijdperk beland, komt in contact met de hoogontwikkelde, agressieve Jarts. Dat loopt niet goed af. En het heelal zelf ontsnapt niet aan de tijdelijkheid. Het gaat de goden aan het einde erom het zo goed mogelijk af te ronden.
Dit is natuurlijk het wetenschappelijke gezichtspunt: aan alles komt een einde. En uit andere verhalen van Greg Bear meen ik te mogen afleiden dat hij een overtuigd atheist is, die aan dat wetenschappelijke gezichtspunt autoriteit verleent. We zijn op onszelf, lijkt hij te willen zeggen, en we kunnen als mensen veel bereiken, maar uiteindelijk loopt het af. Veel van de verhalen van Bear worden gekenmerkt door cataclysmische ontwikkelingen en ontzaglijke rampscenario's. (Vaak heel boeiend om te lezen natuurlijk). Maar ook een overtuigde atheïst als Bear lijkt zich toch niet met zo'n somber lot te kunnen verzoenen. Ergens blijft knagen het verlangen om eeuwig te blijven voortbestaan. Het kan toch niet zo zijn dat onze hersencellen stoppen met vuren en dat onze unieke persoonlijkheid voor altijd verloren gaat?
En dus wordt er gezocht naar 'loopholes', mogelijkheden om te ontsnappen aan het onafwendbare. Als God er niet is, moeten er andere manieren zijn om de eeuwigheid te verkrijgen (ah, daar komt de titel misschien vandaan!). In dit verhaal blijkt een vorm van eeuwig leven te bestaan, als alle informatie uit dit heelal wordt doorgegeven aan het volgende. En zelfs Garry Lanier wil daar deel van uitmaken. Ook Patricia en haar kleindochter komen terecht in hun ideale bestaan. En Korzenowsky's grootste wens gaat in vervulling.
Ik moet er om glimlachen. Zelfs harde sciencefictionschrijvers blijven de behoefte houden aan hoop. Ze blijven de dood zien als iets waarmee ze zich niet kunnen verzoenen. En ze blijven zoeken naar manieren om ook daarna te blijven leven. Ze zijn dus ook maar mensen!

vrijdag 8 januari 2010

Hemel en hel 6 (slot): Wat nu?


Zoals jullie hebben gemerkt is de toekomst die God voor ons bestemd heeft, een onderwerp dat mij hevig interesseert. Anders schrijf ik er ook geen zes behoorlijk lange stukken over op mijn blog. En het laatste hoofdstuk van mijn boek Indrukwekkende Vrijheid zal ook geheel aan dit onderwerp gewijd zijn. Ik doe mijn best hier geen gras voor mijn eigen voeten weg te maaien en beloof dat mijn boek deze dingen op een heel andere manier behandelt (hoewel een deel van de strekking van mijn betoog hetzelfde zal zijn. Ik ben natuurlijk niet in een paar maanden compleet van inzicht veranderd).

Ik moet zeggen dat het hoofdstuk over de toekomst van Gods koninkrijk het deel van het boek was waar ik het meest naar uitkeek om het te schrijven. Ik geloof namelijk dat dit thema uitermate belangrijk is voor ons leven als christen, en dat het in de kerk vaak onderbelicht blijft. Ik geloof niet dat het mogelijk is teveel naar deze hoopvolle bestemming uit te zien. Als je weet dat je bent aangenomen voor je droombaan wil je bijvoorbeeld ook graag beginnen. Of als je een huis hebt gekocht dat helemaal overeenkomt met je verlangens, dan blijf je ook niet langer dan nodig in je flatje driehoog achter.
Natuurlijk kunnen we een verkeerd beeld hebben van de hemel (en de relatie ervan met ons leven nu), waardoor onze verwachting van de toekomst betekent dat we ons uit deze wereld terugtrekken en aardse activiteiten minderwaardig gaan vinden. "Deez' aards woestijn is mij vaak min", zongen we bij ons in de kerk. We leefden nu in een woestijn en wat we hier deden had geen enkele waarde voor de eeuwigheid (de aarde zou toch vergaan in vuur). Alleen 'wat gedaan werd voor Jezus', vooral bidden, bijbelstudie en evangelisatie, had echte betekenis. We zouden voor onze inspanningen worden beloond (hoewel we die beloning ook weer zouden moeten afstaan). De hemel is in dit geval vaak die geestelijke bestaansvorm, totaal gescheiden van dit leven, waar mensen als 'zielen' voor Gods troon zullen zijn. In essentie zullen we daar allemaal hetzelfde doen, en eigenlijk dus hetzelfde zijn. En we moeten er tevreden mee zijn dat we dat dan het liefste willen (hoezeer we nu ook naar iets anders verlangen). We moeten dan uitkijken naar iets dat ons geen vreugde oplevert.
En tegelijk maken we onszelf en anderen bang voor de hel, die ons wacht als we niet geloven. We mogen dan niet echt naar de hemel verlangen, naar de hel willen we in elk geval niet. Onze overtuigingstechnieken gericht op onszelf en anderen zijn gebaseerd op angst. Als je niet precies het juiste gelooft, en de juiste gebeden uitspreekt, wordt je voor eeuwig gestraft! Zoals ik eerder heb gezegd, is angst een krachtige motivator, maar wel een die ons onze vrijheid ontneemt. En Jezus is juist gekomen om ons te bevrijden van de angst voor de dood!

Maar wat ik nu vaak meemaak is dat deze beelden van hemel en hel niet leiden tot een overtrokken verwachting zoals in mijn eerdere kerk, maar eerder tot apathie. Ja, we willen er uiteindelijk wel naartoe als we doodgaan, maar echt verlangen ernaar doen we niet. We hopen eerder dat het nog even duurt. We willen hier nog te veel dingen doen en meemaken en we zijn er kennelijk van overtuigd dat de toekomst die God heeft niet beter is dan wat we hier kunnen beleven. Ik nam vorig jaar afscheid van een vriendin en zei (half voor de grap): 'Tot volgende week, en als Jezus terugkomt misschien nog wel eerder!' En zei antwoordde: 'Nou, ik hoop dat het nog even duurt!' Ik was ondanks alles geschokt. Wat denken we over God en zijn regering, als we eigenlijk hopen dat die nog uitblijft? Kennelijk zijn we er niet van overtuigd dat als God wil gebeurt op de Aarde, in ons leven, zoals in de hemel, dat dit het beste is wat ons kan overkomen. Kennelijk geloven we niet dat God werkelijk goed is. Dat hij een saaie, eentonige, onpersoonlijke toekomst voor ons heeft, en dat we moeten zorgen dat we nu genieten, omdat we dat in de eeuwigheid niet kunnen.
Ik hoop dat deze serie artikelen heeft laten zien dat onze traditionele beelden van hemel en hel dramatisch tekortschieten. Het totale herstel van hemel en aarde onder Jezus' koningsschap is het beste wat ons kan overkomen! Alleen dan komt deze wereld, en komen wij als individuen, volledig tot ons recht. Alleen dan zijn wij zoals God ons bedoeld heeft. Dit is een toekomst om naar uit te kijken, om deel van te willen uitmaken. Al het goede dat we hier meemaken, alles dat werkelijk ons hart aanraakt, wat ons verlangen aanspreekt, elke vorm van waarheid, schoonheid en intimiteit (geloof, hoop en liefde), is maar een voorproefje van wat God voor ons heeft voorbereid. Het mag ons laten verlangen naar wat nog komen gaat!
Ik had ooit op bijbelkring een avond voorbereid over de hemel. Een van de kringleiders zei iets als: "Jij kijkt uit naar de hemel omdat je nog vrijgezel bent." Ik was 'flabbergasted'. Wat had dat ermee te maken? Omdat ik iets tekortkwam in dit leven (en ik weet ondertussen heel goed dat een relatie niet de hemel op aarde is) zou ik me naar de hemel uitstrekken? Het is eerder andersom! Als ik een relatie had en genoot van de intimiteit van het huwelijk, zou ik juist verwachten dat het me meer naar de toekomst deed uitzien. Want het huwelijk is maar een vage afspiegeling van de relatie met God waarvoor we bedoeld zijn. De gemeente is de bruid van Christus, zegt Openbaringen. We zijn bestemd voor onbeschrijfelijke glorie, we zullen God en elkaar kennen zoals we zelf gekend zijn. We weten niet wat we zullen zijn, schrijft Johannes in 1 Johannes. Maar een ding weten we: we zullen aan Hem, aan Jezus, gelijk zijn! Ook ons verlangen naar intimiteit, naar liefde, naar extase, zal volledig vervuld worden en alleen volledig vervuld worden in het koninkrijk dat komt. Hoe goed je relatie of je huwelijk op aarde ook is, het komt niet eens in de buurt van wat God ons wil geven. Jezus zegt dat er geen huwelijk meer zal zijn in het koninkrijk dat komt. Ten eerste zegt hij dat nadat de Sadduceeen de opstanding uit de doden belachelijk hadden proberen te maken. Ten tweede zegt hij dat niet om te beweren dat het goede van het huwelijk in de hemel voorbij zal zijn gegaan. Andersom: het zal zijn opgeslokt door iets dat nog veel beter is! Misschien kunnen we ons er nu nog geen voorstelling van maken, maar hee, dat is de betekenis van geloof: vertrouwen in iets dat er nog niet is, in je hart weten dat God iets voor ons in petto heeft dat werkelijk goed is!

En deze hoop, deze verwachting, mogen we ons leven laten vormgeven. Dit vooruitzicht mag onze woorden en daden kleuren. Het mag de motivatie worden voor onze keuzes. Want, zegt Jezus, waar je schat is, daar zal je hart zijn. De hemel is geen beloning die ons wordt voorgehouden om dingen te doen die we eigenlijk helemaal niet willen. Het staat niet los van ons leven nu. Nee, Gods koninkrijk is de vervulling van onze wandel met Jezus die we op dit moment hebben.
C.S. Lewis zegt dat God ons niet motiveert zoals ouders die hun kinderen geld beloven voor goede raportcijfers (wat in feite een vorm van manipulatie is). "The proper rewards are not simply tacked on to the activity for which they are given, but are the activity itself in consummation." Hij vergelijkt het met het leren van een vreemde taal. In zijn voorbeeld latijn, maar je kunt ook Engels nemen. Wat je mag motiveren om zo'n taal eigen te maken is niet een gulden voor een rapportcijfer, maar het vooruitzicht om uiteindelijk boeken in die taal te kunnen lezen, om te genieten van de poezie uit die cultuur, om je de gedachten van wetenschappers en filosofen eigen te kunnen maken. Het leren van een taal is misschien hard werk als je nog niet goed kunt lezen (rijtjes stampen, grammatica leren, proefwerken maken), maar als je eenmaal een boek leest dat je daarvoor niet kon lezen, blijkt het al die moeite waard te zijn geweest. Ik had het zelf toen ik The War of the Worlds van H.G. Wells las op de middelbare school. Er ging een wereld voor me open. Engels lezen ging in het begin nog moeilijk, maar ik was gemotiveerd om er een woordenboek bij te houden en op te zoeken wat ik niet begreep. Maar uiteindelijk las ik Engels bijna net zo makkelijk als Nederlands, en nu lees ik eigenlijk liever in het Engels. Ik kan nu zeggen dat het volgen van al die lessen op de middelbare school de moeite waard was.
Net zo moeten we niet anderen liefhebben, gerechtigheid nastreven, schoonheid creëren, goed zijn voor de schepping, omdat we een beloning verwachten. We mogen al die dingen doen omdat ze deel zijn van Gods Koninkrijk. Dit is wat we in de eeuwigheid zullen doen, waaruit ons leven zal bestaan, en daarom mogn we er nu al naar streven! Jezus zegt 'wie klopt zal worden opengedaan en wie zoekt zal vinden'. Als wij het koninkrijk van God nu al zoeken, mogen we er zeker van zijn dat we het zullen krijgen. Opnieuw in de woorden van Lewis: “Heaven offers nothing that the mercenary soul can desire. It is safe to tell the pure in heart that they shall see God, for only the pure in heart want to." Het leven dat we in eeuwigheid zullen leiden, is het beste leven dat we nu kunnen leiden. Laten we dat ook doen, terwijl we uitzien naar de volledige vervulling die op ons wacht. Dat is pas echte motivatie!

Tegelijk hoeven we onszelf en anderen niet bang te maken voor de hel. Het is geen plaats van straf, zoals we hebben gezien. Het is wat overblijft voor mensen die alleen voor zichzelf blijven kiezen. Als mensen een bepaalde waarheid aannemen, omdat ze bang zijn voor de hel, kiezen ze nog steeds voor hun eigen belang! Jakobus zegt dat ook de demonen in Gods bestaan geloven. Dat redt ze niet, omdat ze puur zelfzuchtig zijn. In plaats daarvan mogen we mensen vertellen dat Gods regering werkelijk God is. Dat in de relatie met God we als mensen volledig tot ons recht komen. Dat we werkelijke waarheid, schoonheid en intimiteit ervaren wanneer we deel uitmaken van zijn koninkrijk. En (opnieuw Lewis) dat: "If we will not learn to eat the only food that the universe grows...then we must starve eternally."
Zoals het koninkrijk van God de vervulling is van het leven dat we nu leiden, de bloem die uit de knop tevoorschijn komt, de korenaar uit de graankorrel, zo is de duisternis buiten Gods koninkrijk de vervulling van het leven dat mensen leiden zonder God. Het is een consequentie. Mensen krijgen uiteindelijk wat ze boven alles zoeken. Als dat God is, krijgen ze God en de aarde daarbij (opnieuw iets dat Lewis zegt, het wordt bijna saai ...). Als ze alleen zichzelf zoeken, worden ze uiteindelijk aan zichzelf overgelaten, en daardoor verliezen ze alles. Dat mogen we onszelf en anderen voorhouden: wat de gevolgen van onze keuzes zijn. Dat was het evangelie dat Jezus bracht: "Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. En al het andere krijgt u bovendien."

Zo goed is onze toekomst. Zo goed is onze God. Hun goedheid is niet van elkaar te onderscheiden.

dinsdag 5 januari 2010

Hemel en hel 5: de grens van Gods liefde


De beschrijving die vaak wordt gegeven van de hemel, met witte wolken, engelenvleugels,  een harp, en een poort waardoor je binnen moet komen, is een middeleeuwse mythe, maar komt niet overeen met de hoop die de bijbel beschrijft voor wie op God vertrouwt. De bijbel spreekt wel over de troonzaal van God (waar in Openbaringen de oudsten en de engelen God lof brengen), maar dat is niet onze eeuwige woonplaats. De toekomst die de bijbel beschrijft is de komst van het Koninkrijk van God, en het daarbij horende herstel van onze werkelijkheid. Alles wat niet aan de wil van God gehoorzaamt, zal als door vuur vergaan, zegt de bijbel, en een vernieuwde hemel en een vernieuwde aarde zullen overblijven ('waar gerechtigheid heerst'). In deze wereld zullen wij leven in vernieuwde lichamen, we zullen er als koningen heersen en genieten van al het goede van de bedoeling van God.
Daarmee samenhangend is het algemeen aanvaarde beeld van de hel misschien ook niet helemaal bijbels. Een plek van vlammen, waar rode duiveltjes met drietanden de zondaars martelen, komt niet voor in de bijbel. Sterker nog, als er wordt gesproken over de hel, is dat juist een plek die is gemaakt voor de duivel en zijn engelen (en niet in eerste instantie voor de mensen). Deze plek wordt ook de tweede dood genoemd. Jezus gebruikt in zijn gelijkenissen soms beelden uit de Joodse traditie, over een plek waar mensen door vlammen pijn lijden (de rijke man en de arme lazarus). Maar de boodschap daarvan ging niet over de theologie van hemel en hel, maar over het verschil tussen armen en rijken. Beelden uit andere gelijkenissen helpen wel. Daarbij beschrijft Jezus de buitenste duisternis ('waar geween is en tandengeknars') waar degenen terechtkomen die niet bij het bruiloftsfeest binnenkomen. Het is wat overblijft buiten het koninkrijk van God, dat alomvattend zal zijn, en dat is niet veel. Er is geen licht buiten Gods koninkrijk, geen betekenis, geen vrijheid, geen persoonlijkheid, geen leven. Het is de tweede dood.

Dit is een van die leerstellingen die lijkt in te gaan tegen onze moderne gevoeligheden. Kun je blijven volhouden dat er mensen voor altijd verloren gaan? Is het niet veel aardiger als blijkt dat uiteindelijk iedereen gered wordt? Het kan niet zo zijn dat ook maar iemand zo'n lot verdient ... Maar zoals ik al schreef, is ons beeld van wat rechtvaardigheid en liefde is wellicht vervormd door onze zelfzuchtige instelling.(Aan de andere kant willen sommige gelovigen veel te graag dat mensen (vooral degenen die anders denken dan zij) naar de hel gaan, denk aan de 'God hates fags'-kerk in de VS. Ook zij doen aan 'wishful thinking'.)

Er zijn twee vragen die we op dit vlak moeten beantwoorden. Ten eerste: is God rechtvaardig als hij iemand voor altijd naar de hel stuurt? Mensen zijn namelijk beperkte wezens (we zijn niet almachtig) en dus zijn onze overtredingen ook beperkt. Een onbeperkte straf staat daarmee buiten verhouding. Mijn antwoord daarop is dat we God niet moeten zien als een rechter die straffen uitdeelt. We moeten de gevolgen van onze opstand tegen God zien als een onafwendbare consequentie: wie zichzelf tot God maakt, wie kiest voor controle of passiviteit, keert zijn rug naar God toe en bevindt zich buiten het koninkrijk van God. Volgens de bijbel is voor afgodendienst, hebzucht en andere vormen van controle geen plaats in het koninkrijk van God. En wat je buiten het koninkrijk van God ervaart, is de dood. Als God de enige echte bron van leven is, en wij snijden ons daar door onze daden vanaf (bijvoorbeeld door andere mensen pijn te doen, of op andere manieren te beschadigen), dan verschrompelen en verdorren we. Wie zichzelf tot God maakt (bijvoorbeeld door alleen te leven voor de bevrediging van zijn eigen verlangens), wordt zelf het centrum van zijn universum. Maar daar zijn wij mensen veel te klein voor en dus raken we ingeperkt, bekrompen, verstikt. Dat zien we al in dit leven, bijvoorbeeld in verslavingen. We denken dat het ons recht is zelf onze behoeften te bevredigen, maar daarmee verliezen we onze vrijheid.
Het goede nieuws is dat het werk van Jezus voor ons allemaal de gevolgen van de zonde heeft opgeheven. We zijn allemaal ingesloten in zijn dood en opstanding. Daarmee is het Koninkrijk van God voor ons allemaal beschikbaar gekomen. In ons leven kan de wil van God gebeuren. We kunnen de vrijheid van de kinderen van God ontvangen. Niemand hoeft buiten het feest te blijven, sterker nog, iedereen heeft er vrij toegang toe! Maar we moeten dat geschenk wel willen accepteren. Het vereist van ons een keuze.

Dit hangt samen met de tweede vraag die we moeten beantwoorden, namelijk of een God die liefde is (niet alleen maar die liefheeft, maar die in zijn diepste relationele wezen Liefde is) mensen naar de hel zou kunnen laten gaan. Het argument wordt bijvoorbeeld hier aangevoerd: omdat God liefde is, en al zijn keuzes en al zijn handelingen dus noodzakelijk in overeenstemming moeten zijn met zijn liefde, zal Hij er uiteindelijk voor zorgen dat ieder mens in de hemel terechtkomt.
Dit klinkt heel overtuigend. Ik ben er zeker van overtuigd dat we erop kunnen vertrouwen dat al Gods keuzes voortkomen uit zijn liefde. Wat hij doet is altijd volmaakt liefdevol. Dat is ook de enige reden dat we op Hem kunnen vertrouwen. Hij is niet onvoorspelbaar, hij zal niet boos tegen ons uitvallen, hij mishandelt ons niet. Hij is goed. Sterker nog, als we dat ten diepste geloven, onze hoop erop vestigen dat God van ons houdt, zijn we gered! Dat is namelijk wat het betekent op God te vertrouwen.
Maar Gods liefde betekent tegelijkertijd dat Hij mensen niet ergens toe zal dwingen wat ze niet willen. Hij zal onze persoonlijkheid niet overmeesteren. Hij zal ons niet van onze vrijheid beroven. Als hij mensen die consequent tegen hem blijven kiezen, zou veranderen zodat ze wel voor hem zouden kiezen, zouden ze niet meer zichzelf zijn. Dan zouden ze niet meer de mensen zijn die Hij liefheeft. Dan zouden het feitelijk robots zijn geworden. En God zou dan iemand zijn als 'Big Brother' in 1984: de macht die met geweld de weerstand van Winston breekt, zodat hij uiteindelijk 'Big Brother' liefheeft. Maar het is ook duidelijk dat Winston niet meer de moedige man was van daarvoor.
Wat de grenzen van Gods liefde zijn wordt door Jezus weergegeven in de gelijkenis van de verloren zoon. Ik heb het nu niet over de jongste zoon, die bij de varkens zat. Hij keerde namelijk van die varkens terug naar de vader, die al met open armen op hem stond te wachten. Hij accepteerde het feit dat de vader onvoorwaardelijk van hem hield en liet zich op het feest ter zijner ere verwelkomen. Ik heb het over de oudste zoon. Hij blijft buiten het feest. De vader zoekt hem op en vraagt hem waarom hij niet binnen wil komen. "Ik heb altijd voor u gewerkt, maar u hebt me net eens een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren", klaagt hij. De vader antwoordt: "Al het mijne is het uwe!" De zegen van de vader was al voor hem, als hij het maar wilde accepteren. De oudste zoon wilde echter beloond worden voor zijn harde werken. Hij wilde het zelf verdienen. Hij wilde niet een onvoorwaardelijk geschenk krijgen, hij wilde zelf de controle houden. En dus, uit zijn eigen keuze, bleef hij buiten het feest. Het verhaal zegt niet hoe het afloopt, maar er is ook geen aanwijzing dat deze man op zijn keuze terugkomt.
Interessant genoeg (en daar snijdt dit verhaal in het vlees van te religieuze mensen, zoals ik) is het hier dus niet de 'goede' zoon die het feest binnenkomt, niet degene die zo hard zijn best doet, die nooit uit de band springt, die recht heeft op de hemel. Het is de nietsnut, die het geld van zijn vader verkwistte bij de hoeren en later bij de onreine dieren zat, die zomaar binnen mag komen. Omdat hij zich door de vader liet liefhebben. Omdat hij zijn trots opzij zette, zijn controle en oordeel liet varen, en zich liet omarmen.
Dat God liefde is, betekent dat hij mensen altijd de vrijheid zal laten te kiezen, voor of tegen hem. En hij zal die keuze respecteren, ook al betekent het dat iemand voor altijd buiten de vreugde van het koninkrijk blijft.

Zoals vaker weet C.S. Lewis het  weer beter te zeggen in Mere Christianity: "I would pay any price to be able to say truthfully 'All will be saved'. But my reason retorts, 'Without their will, or with it'? In fact, God has paid the price, and herein lies the real problem: so much mercy, yet still there is hell. God can't condone evil, forgiving the wilfully unrepentant. Lost souls have their wish - to live wholly in the Self, and to make the best of what they find there. And what they finds there is hell ... Does the ultimate loss of a soul mean the defeat of Omnipotence? In a sense, yes. The damned are successful rebels to the end, enslaved within the horrible freedom they have demanded. The doors of hell are locked on the inside. In the long run, objectors to the doctrine of hell must answer this question: What are you asking God to do? To wipe out their past sins, and at all costs to give them a fresh start, smoothing every difficulty, and offering every miraculous help? But he has done so - in the life and death of his Son. To forgive them? They will not be forgiven. To leave them alone? Alas, that is what he does."

In de volgende (nu echt de laatste) aflevering wil ik nagaan hoe onze verwachting van de goede toekomst van God ons leven nu kan beinvloeden.

zondag 3 januari 2010

Hemel en hel 4: de reikwijdte van de verlossing


Wat is Gods bedoeling met ons? Dat is misschien wel de belangrijkste vraag die we ons als mensen kunnen stellen. Het bepaalt namelijk ons leven. In het vorige deel van deze serie beschreef ik wat volgens mij volgens de bijbel onze eindbestemming is. Niet een hemels bestaan zonder relatie met de Aarde, bestemd voor mensen die bepaalde dogma's aanvaard hebben. En niet een hel volgens middeleeuwse beelden, met duiveltjes die de ongelovigen straffen. In plaats daarvan wil God aansturen op het herstel van zijn schepping, die hij liefheeft, tot haar oorspronkelijke bedoeling. En in die nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen wij leven, als opgestane mensen, helemaal onszelf. We zullen regeren als koningen met God in zijn grote koninkrijk. En aan dat rijk zal geen einde komen. Dit is iets waar we naar uit kunnen zien.

Voor deze toekomst hoeven wij zelf niets te doen. Het is niet iets dat wij tot stand moeten brengen. De bijbel belooft dat dit eeuwige koninkrijk door God tot stand zal worden gebracht. Zoals het bekende gebed van het 'Onze Vader' het aanduidt: het zal ZIJN wil zijn die gebeurt, op de Aarde, zoals in de hemel. De vernieuwing die komt, wordt door de bijbel aangeduid als een nieuwe scheppingsdaad van God. Op dat moment maakt Jezus alle dingen nieuw. Het is een creatieve daad van de Schepper. Wellicht zal hij ons een rol geven in de herstelwerkzaamheden (zoals we ook nu een taak hebben om de schepping tot ontplooiing te brengen), maar ook dan zal Hij het zijn die door ons heen werkt. En trouwens, alleen God zou de natuurwet van de entropie, het onvermijdelijke verval van energie en matierie, de afkoeling van het heelal, tot stilstaan kunnen brengen. Alleen Hij kan licht maken in het duisternis.
Maar Jezus maakt niet allemaal nieuwe dingen. Het is onze wereld die wordt hersteld. En de reparatie vindt plaats doordat God zelf in zijn Schepping is binnengekomen. God is mens geworden. Hij heeft onder ons gewoond. In de persoon van Jezus identificeerde God zich met ons in onze gevallen, verworden staat. Maar hij identificeerde zich ook met de schepping, die door de zonde aan de vergankelijkheid onderworpen is. Hij sloot zich uit eigen keuze bij onze materiele werkelijkheid aan. Zozeer zelfs dat hij zich identificeerde met ons in de dood. Om even heel metafysisch en speculatief te worden: Jezus onderging niet alleen de scheiding van God die het gevolg was van onze opstand (de geestelijke dood), hij onderging ook de ultieme gevolgen van de entropie: de dood van ons fysieke lichaam doordat onze cellen tot stilstand komen, en de hittedood van het universum doordat alle atomen tot stilstand komen. Wij, elke individuele mens, en misschien zelfs elk afzonderlijk atoom, waren in de persoon van Jezus ingesloten toen hij de dood onderging.
En wij, elk individueel persoon, en elk afzonderlijk atoom, waren in de persoon van Jezus ingesloten toen hij uit de dood opstond, toen hij het graf verliet, en een nieuw, volmaakt lichaam kreeg. Het herstel tot een eeuwige heerlijkheid van de mens Jezus Christus op paaszondag werd het herstel tot eeuwige heerlijkheid van ons en van de schepping. Dit wonder van God strekt zich uit tot alles wat er is. In Miracles vergelijkt C.S. Lewis Jezus beeldend met een parelduiker. Hij daalt af in de diepten van de zee, waar alles kleurloos is, ook de parel, en verliest daardoor zelf alle kleur. Maar dan stijgt hij weer op naar het licht, met de parel bij zich. En die krijgt dan kleur. Zo neemt Christus ons met zich mee in zijn nieuwe leven. Wat op dat moment waar was voor hem, geldt ook voor ons. In hem hebben wij een nieuw leven gekregen: een geschenk van God! Het is nu nog niet zichtbaar, maar het wordt wel werkelijkheid. Dat is Gods belofte en daar kunnen we op vertrouwen. Jezus is in zijn opstanding volgens de bijbel 'de eersteling'. Hij is de eerste kiem die boven de grond komt, maar na hem volgt de hele akker!
(Kijk voor een mooi beeld hiervan de videoclip van U2's Window in the sky: 'The stone has been moved. The grave is now a groove. All debts are removed.')
Het lege graf (dat historisch goed gedocumenteerd is), is dus voor christenen de reden voor hun hoop, de basis voor hun geloof. Paulus zegt in 1 Korinthiërs 15 dat als Jezus niet uit de dood zou zijn opgestaan, ons geloof zinloos zou zijn. Als Jezus niet was opgestaan, zou het betekenen dat ons herstel geen werkelijkheid is geworden. Dan zouden we nog 'in onze zonden' zijn en aan onszelf overgeleverd. Alleen omdat Jezus is opgestaan kunnen we werkelijk uitzien naar een goede toekomst, die God voor ons heeft klaargemaakt en waar hij ons in zal laten delen. We kunnen er zelf niets voor doen (we kunnen zelf de entropie niet tegenhouden), maar we mogen erop vertrouwen dat God de belofte van Jezus' dood en opstanding werkelijkheid zal maken.
Hierin bevindt zich de kern van het evangelie: Het herstel dat hoort bij Gods regering, is nu voor iedereen toegankelijk. Kom erbij!

Voor wie is deze belofte? Voor wie geldt het herstel van Gods koninkrijk? Voor wie ging Jezus naar het kruis? Voor wie is hij uit de dood opgestaan?
Ik schreef het al: voor alles en iedereen. Er was niemand die niet in Hem besloten was toen hij afdaalde in de dood, en er was niemand die hij niet met zich meenam toen hij het graf verliet. De bijbel is duidelijk over het universele karakter van Jezus' werk. Jezus wordt genoemd: het lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt. En ergens anders staat dat Jezus is gestorven voor onze zonden, "en niet voor onze zonden alleen, maar voor die van de gehele wereld" (1 Johannes 2:2). Er is geen ontsnappen aan: alle zonden zijn door hem al weggenomen, zonder dat er ook maar iemand om vergeving gevraagd had. Ze zijn al verdwenen in zijn dood. Door zijn bloed aan het kruis heeft God "alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel" (Kolossenzen 1:20). Niets is van zijn verlossingswerk uitgezonderd. Jezus heeft "zichzelf gegeven als losgeld voor allen", stelt Paulus (1 Timoteus 2:6). En ook het herstel dat werkelijkheid werd door Jezus opstanding was universeel: het geldt voor de hele schepping. Zoals de zonde van de eerste mens ertoe heeft geleid dat iedereen werd veroordeeld, leidt het werk van Jezus ertoe "dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven" (Romeinen 5:18). "Wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen", beloofde Jezus (Johannes 12:32). God was voornemens om met Christus opstanding de voltooiing van de tijd te verwezenlijken "en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder een enkel hoofd bijeen te brengen, onder Christus" (Efeze 1:10).
Dit is sinds Jezus opstanding de basisrealiteit voor ieder mens en voor alles in de schepping. Ik hoorde laatst een spreker in een podcast zeggen: "De hele schepping bevindt zich binnen de liefdevolle omhelsing van God." In het Engels: "You are within the bear hug of God." Dit is de toestand waar we ons in bevinden. De vraag is of we dat willen accepteren. Of we willen aanvaarden dat God alles al voor ons gedaan heeft en dat wij er niets meer aan kunnen toevoegen. Of we willen ophouden zelf voor God te spelen, onszelf en anderen te controleren, om in plaats daarvan eenvoudig op Hem te vertrouwen. Of we onze eigen projecten, onze afgoden, onze verslavingen willen loslaten en onze open handen in geloof willen uitstrekken naar boven. Willen we onze ogen openen voor wat Jezus voor ons gedaan heeft. Voor de waarheid?
God verlangt ernaar dat “alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen” (1 Timoteus 2:4). Als het aan Hem ligt wordt het herstel dat in de kiemvorm ligt opgesloten in Jezus werkelijkheid voor alles en iedereen. Maar wij moeten ervoor kiezen om dat vrije aanbod te aanvaarden.

In de volgende (op een na laatste) aflevering meer over dat kiezen: want kan er nog sprake zijn van een hel als de verlossing en het herstel universeel zijn? En als God alleen uit liefde handelt, kan hij dan niet iedereen forceren de juiste keuze te maken?

donderdag 31 december 2009

Hemel en hel 3: Er is hoop!


Na een kort intermezzo vervolgen we deze serie over Gods uiteindelijke bedoeling met elke individuele mens. Een belangrijk onderwerp, zo niet het meest belangrijke onderwerp dat er is! En het heeft invloed op elk aspect van ons leven. Wat heeft God voor mij in petto, en was is in het licht daarvan mijn verantwoordelijkheid? In mijn eerste artikel betoogde ik dat wat wij 'goed' vinden gekleurd is door onze zelfzuchtige neigingen ('goed' wordt al snel iets dat ons 'goed uitkomt'). Dus hebben we aanwijzingen buiten onszelf nodig om antwoorden te vinden. In mijn tweede bijdrage gaf ik drie voorbeelden waaruit we kunnen afleiden dat God uiteindelijk het goede met ons voorheeft, maar van ons wel vraagt daarvoor te kiezen. Deze suggesties waren echter nog steeds subjectief van aard. In dit stuk wil ik kijken naar twee objectievere bronnen voor ons vertrouwen in de toekomst.

De vierde aanwijzing die ons iets zegt over Gods intenties is de bijbel. Er zijn heel wat redenen om te geloven in de historische betrouwbaarheid van in elk geval de vier evangeliën (zie daarvoor bijvoorbeeld het boek Hete Hangijzers. Ja, het is reclame, maar hee, het is mijn blog, toch?). Als we die accepteren, moeten we de claims van de bijbel serieus gaan nemen, namelijk dat het God zelf was die de schrijvers ervan inspireerde en dat wat er in dit boek staat 'gebruikt kan worden om onderricht t geven, om dwalingen en fouten te weerleggen en om op te voeden tot een deugdzaam leven' (2 Timotheus 3:16). Let op: dat wil niet zeggen dat de bijbel gebruikt kan worden om er wetenschappelijke theorieën op te baseren, al helemaal niet op natuurwetenschappelijk terrein. Het wil wel zeggen dat we het karakter van God en van zijn bedoelingen te weten kunnen komen door kennis te nemen van zijn woorden. Het blijft onze eigen keuze om dat te geloven, maar de bijbel is in elk geval iets dat buiten onszelf staat. En het boek zegt genoeg dingen die ingaan tegen onze egocentrische gewoontes en gedachtes. Lees de bergrede maar eens. Je kunt herkennen dat het goed is wat Jezus daar zegt, maar het is niet makkelijk!
Bijbeluitleggers wijzen er soms op dat de bijbel relatief heel weinig zegt over de hemel (maar meer over de hel, voegen ze er dan soms aan toe, met de beschuldiging dat sommige christenen deze leerstelling niet meer serieus nemen). Dat is misschien wel zo, maar de bijbel zegt wel degelijk heel veel over de uiteindelijke bedoeling van God met de mensheid. En wat voor veel mensen (ook voor christenen, helaas) als een verrassing zal komen: de hemel heeft daar weinig mee te maken!

Ik merk dat veel mensen het idee hebben dat gelovigen na hun dood door de bijna spreekwoordelijke tunnel worden weggevoerd naar een of ander vaag onstoffelijk paradijs, de woonplaats van God. Cartoons geven dit weer met witte wolken, engelenvleugels en harpen. De suggestie wordt gewekt van een puur geestelijk bestaan, bijna onpersoonlijk, dat weinig met ons leven nu, ons menszijn, te maken heeft. We geloven officieel wel in de opstanding van het lichaam, maar in de praktijk verwachten we een stoffeloze toekomst. En ook ik had nog steeds die vage beelden van een bestaan 'daarboven in de hemel', ontdekte ik vorig jaar bij het lezen van het geweldige boek Surprised by Hope, van de Engelse theoloog en bisschop N.T. Wright. Als ik een boek bij jullie mag aanbevelen over dit onderwerp, dan is het deze! Of lees zijn artikel in Christianity Today. Daarin legt Wright uit dat niet de hemel volgens de bijbel onze uiteindelijke bestemming is, maar de nieuwe hemel (als in 'hemelkoepel') en nieuwe aarde die de profeten al beloven.
Bij het lezen van het bijbelboek Handelingen viel het me op dat Paulus als hij terecht staat, beweert dat hij wordt berecht 'omdat ik hoop op de vervulling van de belofte die God aan onze voorouders heeft gedaan' (26:6). De toekomstverwachting van Israel dus. Maar die had niets te maken met het een of andere lichaamloze voortbestaan na de dood. De Joden hadden niet eens het concept van de hemel, hooguit dat van een schimmenrijk, of dodenrijk, van waaruit God niet kon worden geprezen. Nee, de hoop van Gods volk, de belofte van de wet en de profeten, was 'de verwachting dat de doden zullen opstaan!' (Handelingen 23:6). En nog meer: 'De tijd waarover God van oudsher bij monde van zijn heilige profeten heeft gesproken en waarin alles zal worden hersteld' (Handelingen 3:21). Het is dat van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde 'waar gerechtigheid woont' (2 Petrus 3:13).
De profeten beschrijven een tijd dat God het koningschap over de Aarde weer op zich zal nemen. Dat zal een tijd zijn van herstel. In de eerste plaats van Israel, dat eindelijk rust krijgt, maar via hen ook van alle volken, die in hun bestemming zullen komen. De Aarde zal weer tot bloei komen. De natuur zal vrij zijn van de vergankelijkheid die haar nu nog in haar greep houdt. De leeuw zal grazen naast het lam, het rund zal liggen naast de beer, en een kleine jongen zal ze wijden. Er zal een feest worden aangericht, met vette wijnen en goed vlees. De sluier zal van de ogen van de mensen worden verwijderd. De woestijn zal bloeien als een roos. De verlamde zal dansen, de blinde zal zien, de eunuch zal een naam vestigen die onvergankelijk is. De heerlijkheid van God zal de aarde overdekken, zoals de wateren de zee vervullen. En de glans van dat rijk zal zich uitbreiden tot de verste verten van het heelal. Het is een plek waar de zwaarden en speren zullen worden omgesmeed tot snoeischaren, waar het juk dat onderdrukt zal zijn verbroken en waar niemand een ander meer de wet zal opleggen, omdat de wet van God in ieders hart geschreven zal staan. En op deze nieuwe wereld, die beschreven staat in Jesaja (daar komen de meeste verwijzingen hierboven vandaan) en eigenlijk alle andere profeten, zullen wij leven in herstelde lichamen. We zullen uit de dood opstaan, en we zullen dan werkelijk zijn zoals God ons had bedoeld. We zullen concreet zijn, we zullen kunnen ademen, werken, liefhebben, zegenen. We zullen elkaar kennen en herkennen, zoals we zelf door God gekend zijn. We zullen avonturen kunnen beleven, relaties met elkaar aangaan, en schoonheid en kunst creëren tot in de eeuwigheid. We zullen verantwoordelijkheid hebben. Als koningen heersen, zegt de bijbel. En we zullen dat alles doen in de aanwezigheid van de Schepper.
Geen wonder dat er in de bijbel weinig over de hemel staat. Wij gaan niet omhoog naar de hemel, de hemel daalt neer naar de Aarde. God woont weer onder de mensenkinderen. Hij wandelt weer met ons, zoals hij dat deed in het Paradijs van Eden. Zijn bedoeling wordt werkelijkheid.

Maar zonde, onrecht, liefdeloosheid, zelfzucht, afgodendienst: dat alles zal in deze nieuwe wereld niet binnen kunnen komen. Het zal er buiten moeten blijven. Daarom bevatten alle profetieën van het Oude Testament strenge waarschuwingen. Degenen die doorgingen anderen te onderdrukken, die de armen uitbuitten en de vreemdelingen negeerden, die de weduwen en wezen links lieten liggen en consequent doorgingen met het volgen van materiële goden zullen het herstel aan hun neus voorbij zien gaan. Wie God blijft afwijzen, wordt uiteindelijk door Hem afgewezen. En ook het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat wie deze dingen blijft doen geen deel kan hebben aan het koninkrijk van God. Als het herstel van alle dingen dat komt zo concreet en helder is, zijn de gevolgen van onze keuze tegen God dat ook. De bijbel predikt niet zomaar een vaag geloof dat het uiteindelijk wel goed komt, met iedereen die een beetje goed leeft. Nee, het belooft een glorierijke werkelijkheid en nodigt iedereen uit daar bewust voor te kiezen.

Deze beloftes worden bevestigd en verhelderd in de persoon van Jezus Christus. De bijbel is een boek dat door mensen is opgeschreven. Het is een boek naast allerlei andere boeken met dezelfde claim het woord van God te zijn (hoewel ik geloof dat de bijbel uitzonderlijk goede papieren heeft!). Het is dus feilbaar. Communicatie via een boek is toch al niet zaligmakend. Hoe veel ik hier ook op deze blog schrijf, je zult me alleen goed leren kennen door met mij als persoon op te trekken, met me te praten, samen te eten, samen koffie te drinken en samen te werken aan een groot project. We zijn niet geestelijke wezens die elkaar leren kennen door intellectuele informatie uit te wisselen. We zijn vlees en bloed, we verzamelen persoonlijke kennis door elkaar aan te raken, door onze hand op die van iemand anders te leggen, door lichamelijk, vleselijk contact. En dat is waarom God mens werd. Waarom hij een gedaante van vlees en bloed heeft aangenomen. Dat is de reden van de incarnatie (waar het woord carnos - vlees in zit). De liefdevolle persoon van Jezus is de vijfde en de meest overtuigende aanwijzing van Gods goede bedoelingen.

De mens Jezus Christus is God tastbaar gemaakt. 'In Hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld' (Hebreeën 1:3). Wie mij gezien heeft, zegt Jezus, heeft de Vader gezien (Johannes 14). Dat wil zeggen dat we zien wat de bedoeling van God met ons is, door te kijken naar het leven van Jezus. Aan het begin van zijn officiële bediening citeerde Hij Jesaja, om aan te geven waarvoor hij was gekomen: "De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen, heeft Hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hu zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen' (Lucas 4:18). Daar wordt je blij van! En Hij deed het nog ook. In Hem was het koninkrijk van God, zijn goede regering, werkelijkheid geworden. Dat was wat hij zei tegen de discipelen van Johannes de Doper: "Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt" (Lukas 7:22,23). Ook dat laatste gedeelte is significant. Maar eerst wat daarvoor staat. Onder Jezus' invloed werden de zaken omgekeerd. De laatsten, het uitschot van de maatschappij, de bedelaars, verlamden en melaatsen, werden genezen, in ere hersteld. Zij kregen hun gezondheid terug. Zondaars, hoeren en heulers met de romeinen, werden niet afgewezen, maar kregen respect. Hij was een vriend van tollenaars en zondaars (vers 34) Jezus toonde hen zijn liefde en op hun beurt brachten zij hulde aan God en zijn gerechtigheid (Lukas 7:29). Het zijn dus niet de mensen met een 'goed leven', de mooien en de rijken, de morele mensen, die recht hebben op Gods geschenk (zoals wij geneigd zijn te denken). Juist degenen die niet perfect waren, die het zelf niet konden verdienen, hadden vrijuit toegang tot Gods genade en deelden in de rijke zegening van Gods goedheid die Jezus zichtbaar maakte. Het herstel dat Hij tot stand zou brengen door zijn dood en opstanding was bedoeld voor iedereen. Ook voor degenen die wij zouden afwijzen als gefaalde personen, zonder wilskracht, slachtoffers en zwakkelingen. Voor pedofielen, racisten, drugsverslaafden, alcoholisten, overspannen mensen, workaholics, tienermoeders: voor iedereen die bereid is Gods belofte in geloof te aanvaarden en zich door Hem te laten herstellen. En gelukkig is het ook voor wetticisten, voor religieuzen en voor brave lieden. Als ze hun handen maar willen openen.

Hetzelfde hoofdstuk zegt echter ook dat er mensen zijn die aanstoot nemen aan Jezus' aanbod. Dat waren de religieuze mensen van die tijd, de Farizeeen en wetgeleerden die het plan van God verwierpen (Lukas 7:30). Zij meenden dat ze zelf door hun goede leven recht hadden verkregen op Gods acceptatie en dat ze een betere behandeling verdienden dan de zondaars en zieken die Jezus schijnbaar voortrok. Ze wilden niet delen in het herstel dat God hen vrij wilde geven, maar wilden het zelf bewerken. Ze waren trots op hun eigen prestaties, en vanuit hun hoogmoed probeerden ze ook hun omgeving te controleren. Ze legden anderen het juk van hun eigen regels op. "Jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel", zegt Jezus. "Jullie gaan er zelf niet binnen, maar laten ook degenen die er willen binnengaan niet toe" (Matteus 23:14). Daarom zouden de hoeren en tollenaars voor hen het koninkrijk van God binnengaan.
Deze waarschuwing is net zo krachtig als die van de profeten. Wie er niet voor wil kiezen zijn trots aan de kant te schuiven en met open handen het geschenk van God te ontvangen, wie niet van zijn troon wil afkomen, blijft buiten de deur van het koninkrijk staan. Het is zijn eigen keuze.

En wat blijft er over buiten het koninkrijk van God? Niet veel. Jezus spreekt over duisternis. En vergelijkt het met de afvalstapel buiten de stad waar altijd brandjes woedden. (De bijbel kent dus geen hel waar duiveltjes met hooivorken zondaars straffen. Geen plek van martelingen. Geen Guantanomo Bay dat door God is ingesteld om mensen eeuwig in gevangen te houden). Nee, het is waar men terecht komt als men niet in de stad van God wil thuishoren. Het is een plek waar het leven tot stilstand komt. Waar geen groei meer mogelijk is, geen ontdekkingen worden gedaan, geen echte relaties meer worden aangegaan, waar geen schoonheid kan worden gemaakt of kan worden bewonderd. Het is wat de bijbel de tweede dood noemt. Dit is het oordeel van God waar ook de profeten over spraken.
En het schept verantwoordelijkheid. Wil je erop vertrouwen dat Hij zijn beloften nakomt, of wil je alleen op jezelf en je eigen prestaties bouwen? Wil je delen in Gods goede bedoelingen of wil je daarbuiten blijven?

In het volgende deel van deze serie wil ik laten zien hoe verstrekkend het herstel is dat God door het werk van Jezus tot stand heeft gebracht. Het geldt voor de hele schepping en voor ieder mens. Maar je moet het kado wel willen aannemen.