Posts tonen met het label religie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label religie. Alle posts tonen

dinsdag 22 november 2016

'De Krakenvorst' - The making of ... (3 en slot): Een pauze van elf jaar

Ik weet niet meer heel nauwkeurig wanneer ik het idee kreeg een fantasyroman te schrijven. Ik denk dat het voorjaar 2001 moet zijn geweest. Ik weet wel dat ik op 7 juli 2001 begon het plot van mijn verhaal in wording op papier te zetten. In een groot notitieblok werkte ik mijn ideeën uit. Eerst de drie verhaallijnen apart (ik wist al dat er drie hoofdpersonen zouden zijn, en dat het twee boeken zouden worden). Vervolgens in twee kolommen, om een idee te krijgen hoe de verschillende lijnen naast elkaar zouden lopen en waar ze elkaar zouden kruisen. Steeds kreeg ik er ideeën bij en er moesten in de kantlijn aantekeningen worden bijgekrabbeld. De voorlopige titel van het boek was toen nog 'De koning en de kraak'.
Het duurde nog even voor ik daadwerkelijk begon te schrijven. Ik moest namelijk eerst nog een boekje schrijven dat in juni 2002 zou worden uitgegeven door de christelijke uitgevers als actieboek voor de Maand van het spannende boek. Zomer 2001 was namelijk mijn debuutroman, de SF-thriller 'Neptunus', uitgegeven bij Kok Voorhoeve, en aangezien zij aan de beurt waren om het actieboekje te verzorgen, vroegen ze mij. Dit werd 'Het Wrak'. Eigenlijk direct nadat ik dat had afgeschreven begon ik na een tijd van werkloosheid aan mijn baan bij het Pharmaceutisch Weekblad als wetenschappelijk redacteur. Een flinke overgang. Gelukkig werkte ik maar drie dagen in de week, en kon ik de rest van de tijd inzetten voor het schrijven. Vol goede moed begon ik aan het manuscript. Ik deed ondertussen mee aan een schrijfopleiding van Script+ in Amsterdam (betaald door mijn uitgever!). Voor een van de lessen stuurde ik de inleiding en het eerste hoofdstuk naar de andere schrijvers toe. Ik kreeg er veel complimenten voor. Vooral vanwege de beklemmende sfeer van de religieuze omgeving, die ik volgens hen heel overtuigend had neergezet.

Toen ik drie hoofdstukken had, stuurde ik het manuscript in wording op naar Kok. Het viel niet zo in goede aarde. Onder andere omdat het leek alsof ik kritiek had op de kerk (nou ja, dat was ook zo), en de door mij geciteerde teksten uit 'heilige boeken' konden worden opgevat als parodie op de bijbel. Mijn redacteur vroeg me of ik niet een contemporaine thriller kon schrijven, in de trant van 'Het Wrak' - dat zou waarschijnlijk goed verkopen. Een tijd lang probeerde ik aan dat verzoek te voldoen, maar er kwam niet echt een goed idee. Ik probeerde verder te schrijven aan 'De Krakenvorst', maar in het begin van het vierde hoofdstuk stokte het. Ik moest beginnen aan een nieuwe paragraaf, maar ik had geen enkel idee hoe ik die moest schrijven. De woorden kwamen gewoon niet.
De jaren daarna dacht ik dat ik mijn verbeelding helemaal kwijt was. Ja, ik begon nog een ander boek te schrijven, maar ook daarmee kwam ik niet verder dan een paar hoofdstukken. Ik schreef een paar korte verhalen, maar slechts een of twee per jaar. Ik had gewoon geen ideeën. Als anderen me vroegen om eens naar een verhaalidee te kijken, borrelde de inspiratie als vanouds, maar als ik iets voor mezelf wilde beginnen bleef de bron droog. In plaats van me bezig te houden met fictie, richtte ik me op het schrijven van filmbesprekingen en theologische essays. Ik schreef twee non-fictie boeken: 'Indrukwekkende Vrijheid', dat verscheen in 2010, en 'De loser die wint', die vorig jaar uitkwam. Maar het schrijven van non-fictie had nooit echt mijn hart. Ik had het alleen nodig om over deze onderwerpen te denken en te schrijven, omdat ik was opgegroeid in een streng religieuze omgeving, waar hobby's als minderwaardig werden gezien, kunst en verbeelding werden gewantrouwd en mijn liefde voor boeken en verhalen al snel een verslaving leken die me van God zouden afleiden. Ook al had ik die kerk verlaten toen ik begin twintig was, de leerstellingen hadden zich in me vastgehaakt, en waren maar moeilijk los te krijgen. Vooral omdat mijn ouders ook niet heel bemoedigend leken ten aanzien van mijn schrijven. En die kritiek, stress op het werk, en de daaruit volgende piekergedachten dempten mijn creativiteit en maakten me depressief.
Er gebeurde in de tussentijd van alles. Ik verhuisde naar Delft, waar ik op mezelf ging wonen. Ik richtte meerdere aquariums in. Werd ontslagen en kwam te werken bij het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Bezocht fantasyfestivals. Waar ik in gesprek kwam met uitgevers, maar niet durfde zeggen dat ik zelf al boeken op mijn naam had staan. Ik leerde Bianca kennen, en vroeg haar ten huwelijk. Maar schrijven lukte me niet.

In 2012 werd ik echter tot twee keer toe ziek. Ernstig ziek. Wondroos. Een heftige infectie aan mijn been, dat rood werd en opzwol, en waarbij ik bijna veertig graden koorts had. Over de eerste ziekteperiode heb ik in een eerder blogbericht geschreven. Ik was behoorlijk hersteld, maar ik moest nu toch echt beter voor mijn eczeem gaan zorgen. De stress op mijn werk nam echter niet af, ik bleef slecht slapen, en voor mijn eczeem zorgen lukte me niet. Het eczeem speelde weer op, en opeens, in september, werd ik opnieuw ziek. Ik weet nog dat ik met Bianca zat in het park bij De Delftse Hout, genietend van koffie met gebak bij café Knus. Ik voelde opeens spierpijn opzetten en werd flauw. Ik ging naar het toilet. Toen ik terugkwam zag ik enorm bleek, kon ik geen hap meer nemen, en schrok mijn verloofde zich een hoedje. Hoe we met de bus thuis terug kwamen, weet ik niet. Mijn ouders kwamen me uiteindelijk ophalen en brachten me langs de huisartsenpost in het ziekenhuis en daar werd de diagnose gesteld: opnieuw wondroos. Ik kreeg antibiotica en lag twee dagen lang op bed beroerd te wezen.
Later, terwijl ik aan het herstellen was, suggereerden mijn ouders dat ik wat aan de stress in mijn leven moest gaan doen. Ja, duh ... Het idee van mijn vader was: misschien moet je wat minder willen schrijven. Slecht idee. Maar opeens realiseerde ik me waar een groot deel van de stress vandaan kwam. Ik wilde namelijk niet te veel schrijven, maar te weinig. En vooral verhalen. Ik voelde me slecht, omdat ik niet dat deed wat ik het liefst wilde doen: verhalen schrijven. Bovendien confronteerde de ernst van mijn ziekte me met mijn sterfelijkheid - vroeger overleden mensen aan wondroos. Ik vroeg mezelf af waar ik het meest spijt van zou hebben als ik zou komen te overlijden. Het antwoord kwam meteen: ik zou er spijt van hebben dat ik niet meer verhalen zou hebben geschreven.
Maar die 'writers block' dan, de barrière die ik voelde, elke keer als ik achter de computer ging zitten? Zou die me niet tegenhouden? Het toeval wilde dat ik niet lang ervoor een citaat had gelezen van Neil Gaiman. Hij beweerde dat er momenten waren dat hij bij het schrijven in de 'flow' zat en de woorden uit zijn pen stroomden. Er waren ook momenten dat het niet zo makkelijk ging, dat hij bij elk woord worstelde, en om elke zin moest strijden. Maar als hij later zijn verhaal terug las, kon hij geen enkel verschil zien tussen de passages waarbij hij in de 'flow' had gezeten en die waarbij het moeilijk was gegaan. De conclusie voor mij? Ik moest gewoon gaan schrijven!
Eerst schreef ik vier korte SF-verhalen. Toen besloot ik om verder te gaan met 'De Krakenvorst', want dat idee had me de tussenliggende elf jaar niet losgelaten. En toen ik er eenmaal aan ging zitten, kwam de inspiratie ook. Ik hoefde alleen te beginnen met schrijven, en mijn verbeelding vulde de gaten aan. De passage waar ik de vorige keer gestrand was, kostte me nu, elf jaar laten, geen enkele moeite. En in een jaar tijd had ik twee boeken afgeschreven ... Boeken waar ik heel erg trots op ben.

Waarom er zo'n pauze in moest zitten? Ik weet het niet. Ik denk zelf dat ik de levenservaring miste om de boeken te kunnen schrijven. Ik weet wel dat ze beter zijn geworden dan ze zouden zijn geweest als ik ze had geschreven toen ik vijfentwintig was. Wat ik ook weet is dat ik nooit meer zo'n pauze ga laten vallen. Ik ga gewoon zitten om te schrijven, of ik nu in de 'flow' ben, of niet. De inspiratie volgt wel. En schrijven is gewoon wat ik moet doen.

De Krakenvorst, boek 1: Keruga verschijnt begin december. Zet het in je agenda en bestel tegen die tijd een exemplaar via bijvoorbeeld Bol.com, of de website van Macc. Wil je weten wat je ervan kunt verwachten? Volgende week plaats ik op mijn blog een voorproefje ...

donderdag 31 maart 2016

Gedicht: Tweesprong

Tweesprong

Het was een grote keuze,
dacht ik, links of rechts te gaan. 
Het ene pad leek makkelijk
maar liep dood; het andere
-smal, rotsachtig- was de weg
naar huis. Maar het scherpe grind
stak mijn voeten, de netels
brandden onbeschermde huid
en mijn reisgenoten lachten,
duwden me neer. Ik bleef het
proberen, tot ik bezweek
en wel opzij moest gaan. Ik stond
op stevige grond, ik zag
om mij dezelfde bergen,
voelde dezelfde wind en
de zon was nog even fel.
Ook dit pad is steil, klimmen
kost nog steeds veel moeite.
Maar ik word niet opgejaagd,
word niet beschimpt als ik val
of achterblijf. En voor mij
zie ik geen afgrond gapen,
maar slechts het vertrouwde licht 
dat aan de start me was beloofd.

vrijdag 25 september 2015

Gedicht: Gods verantwoordelijkheid

Gods verantwoordelijkheid

Ik had niet gevraagd om dit zogenaamd geschenk.
Wist nergens van, niet van schoonheid en niet
van haat. Was onzelfzuchtig in mijn niet-bestaan. 
Rustte in niet verantwoordelijk zijn. Mijn pad
op de bestemming aangekomen doordat
ik nooit vertrok. Maar dit mocht van u niet blijven.
U duwde mij de wereld in. Naakt landde ik
in vijandschap, moest vechten om te overleven,
zoeken naar het goede op de tast. Alleen,
want hoe ik riep, u leek mij nooit te horen, leek
zelfs niet te bestaan. Toch vertelden mensen dat 
ik zou worden afgerekend op mijn houden van
slechts te raden regels, betwiste rituelen
waarmee ik nooit had ingestemd en faalde ik
dan was het oordeel pijn tot in de eeuwigheid.
U was niet goed, toch moest ik u wel zo noemen.
Ik leed. Toen zag ik u begraven in de grond
een deel van mij in uw etterende wonden, 
de prijs betaald zodat ik u zou vergeven
en deel zou zijn van u. Het leven won finaal
de strijd en ik rees met u op. Het hele land
kreeg kleur en zelfs wie in de hel was afgedwaald
bracht u terug. De aanklacht ongedaan gemaakt
nam ik uw gave aan in jonge dankbaarheid.
 
Dit artikel dat ik afgelopen woensdag las, overtuigde mij dat God uiteindelijk iedereen zal redden. Of dat hij niet werkelijk goed is, en in dat geval: waarom zou ik in Hem geloven? Het is eigenlijk heel eenvoudig: als God uit vrije keuze het heelal en elk van ons heeft gemaakt, is hij uiteindelijk verantwoordelijk voor hoe het met ons afloopt, en niet wij.

donderdag 18 juni 2015

Het spel verlaten (1): het perfecte systeem?

Ik ben volwassen genoeg om het te kunnen toegeven als ik het bij het verkeerde eind had. En dat ik mijn mening heb moeten herzien. Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn recensie van de film Tron Legacy, die ik schreef in februari 2011. Daarin was ik ten eerste negatief over de film zelf, en suggereerde dat hij geen lang leven zou hebben in de verbeelding van mensen (maar wie op Deviantart kijkt, ziet dat het elegante design van de wereld veel tekenaars heeft geïnspireerd en dat nog steeds doet, en zelf blijf ik de film eigenlijk ook goed vinden) en was ik ten tweede negatief over de door mij vermoedde boodschap achter de film – die volgens mij te veel uitging van een Boedhistische ontkenning van het zelf. Interviews met acteur Jeff Bridges onderstreepten deze interpretatie. Maar toen ik de film laatst opnieuw zag samen met mijn vrouw, realiseerde ik me dat de filmmakers subtieler waren dan ik had gedacht, en dat hoewel er een gnostische, wereld ontkennende interpretatie mogelijk is (waarbij Clu de demiurg is), dit zeker niet de enige uitleg is. Zelfs de rol van de ISO’s (spontaan ontstane levensvormen in de computerwereld) werd me duidelijk, waar ik in mijn bespreking daar nog vraagtekens bij had. En het hing allemaal samen met het onderscheid tussen een transactioneel en een sacramenteel wereldbeeld.

Toen ik ’s avonds uit mijn werk kwam, voordat mijn vrouw en ik de film gingen kijken, liet ik me met een zucht vallen in mijn luie stoel. Na twee weken vakantie was ik weer op kantoor begonnen, maar direct ook weer met omstandigheden geconfronteerd die stress bij mij veroorzaakten. Ik was nu juist met vakantie geweest om te ontspannen, aangezien ik in maart op de grens van een overspannenheid had gezeten. En aangezien ik al eerder overspannen ben geweest, heb ik er erg veel voor over om dat niet opnieuw te hoeven meemaken. Want wat de situatie op mijn werk ook is, het is het niet waard mijn gezondheid, mentaal en lichamelijk, om te verspelen. Dus verklaarde ik dat ik een manier moest vinden om me niet meer verantwoordelijk te voelen voor wat me zo’n stress opleverde, dat ik sommige dingen gewoon zou loslaten waar het eigenlijk om werk van een ander ging, en dat ik een manier moest vinden om als ik me toch aan zaken ergerde, die dingen naast me neer te leggen en te genieten van wat er wel belangrijk en waardevol is in het leven. En het hielp, want ’s nachts sliep ik prima, ondanks de frustraties van op kantoor.
Maar werk is niet de enige stressfactor in mijn leven, geloof kan er ook wat van. Geen verrassing voor de lezer van mijn boeken, mijn gedichten of mijn blogberichten: ik heb moeite met de boodschap die door veel kerken gebracht wordt. Het opgroeien in een fundamentalistische kerk (ik ga steeds helderder zien dat het eigenlijk een sekte was) gaf me een beeld van God mee als van een boze, veeleisende werkgever, die perfectie van me eiste (ook al was hij gedwongen me in dienst te houden, omdat Jezus voor mij betaald had). Een beeld van mezelf als een zondaar, te allen tijde slecht, tot niets goeds in staat (en al helemaal niet tot het voldoen aan Gods ideaalbeeld, maar toch moest ik dat wel blijven proberen). En een beeld van het christelijke leven als bestaande uit hard werken, Bijbelstudie, evangelisatie (wie ik niet wist te overtuigen, ging naar de hel. Het hing van mij af!). We moesten onze tijd uitkopen – en dat betekende geestelijke activiteiten verrichten in plaats van het lezen of muziek luisteren voor ons plezier. We mochten toch al niet doen wat voor ons natuurlijk voelde, want onze ‘natuurlijke talenten’ waren voor God van geen waarde, alleen wat de Heilige Geest in ons tot stand bracht, zou ook stand houden. Het is nog een wonder dat ik niet eerder overspannen werd!
Ook toen ik deze kerk verlaten had, en een evangelische kerk bezocht, kwam ik echter dit soort gedachten tegen, vaak in een verdunde, maar niet minder schadelijke vorm. Het idee dat de kerk de wereld moest veranderen, bijvoorbeeld (en dat ik daarom aan programma’s zou moeten meewerken of mijn gaven zou moeten inzetten). Het idee dat God van me hield zoals ik was, maar teveel om me zo te laten (en dat ik dus toch mijn best moest doen om beter te leven en jawel, perfect te zijn). Het idee dat ik me blij en dankbaar moest voelen (ook al voelde ik me vooral moe en schuldig) of dat ik in een jonge aarde en een volledig uitgestippelde eindtijd moest geloven om een echte christen te zijn. Of in theorieën over Israël. Het idee dat het in het geloof toch draaide om mijn eigen verantwoordelijkheid, en dat ik een mislukkeling was als ik tekort schoot. De boodschap van genade was vooral bedoeld voor mensen die nog niet tot geloof waren gekomen, want het evangelie hoorde ik in onze kerkdiensten maar heel weinig.
Ik zag natuurlijk de preken door de interpretatiebril die ik in mijn opvoeding had meegekregen, dat zal ik eerlijk toegeven. Dat verklaart waarom ik ook in de Anglicaanse kerk nog wel eens op mijn stoel heen en weer zit te schuiven bij sommige boodschappen. En waarom ik in piekerbuien schiet bij het volgen van sommige christelijke twitteraars. Want ik voel me in religieus opzicht schuldig als ik me bijvoorbeeld niet ga inzetten voor bootvluchtelingen, net zo als dat ik niet genoeg stille tijd houd. (Terwijl veel anderen zich dan weer niet druk maken om het uitsterven van diersoorten, om maar wat te noemen). Ik ben altijd verbaasd als sommige activistische christenen op twitter opeens aangeven dat ze een voetbalwedstrijd kijken, omdat ik me schuldig voel dat ik graag films kijk en niet tegelijk christelijk werk kan doen.
En het is niet eens zo dat ik iets heb tegen opvang van vluchtelingen, of bestrijding van mensenhandel. Natuurlijk niet! Maar met mijn motivatie is wel wat mis: ik geloof dat ik waardeloos ben, dat God me afwijst, dat ik niet mag bestaan, als ik faal, als ik niet hard genoeg werk, als ik niet presteer. En dit leidt tot symptomen van stress als slaapproblemen, hyperventilatie, eczeem en overgewicht. En dat is het me niet waard. Dat is me zelfs mijn eeuwige behoud niet waard: want dat moet ik toch maar op geloof aannemen. Ik ga niet zoals St. Rosa van Lima mijn gezicht met peper en loog bewerken en laten opzwellen omdat ik bang ben dat mensen mij anders mooi zouden vinden, of een kroon van zilver dragen met punten aan de binnenkant om me aan Jezus te herinneren. Of zoals een legende wil, met loog gorgelen omdat mensen haar om haar stem complimenteerden. Ze stierf heel jong door wat ze zichzelf aandeed (bijvoorbeeld heel weinig slapen). En dat heb ik er niet voor over. Maar door mijn fundamentalistische opvoeding is het niet makkelijk aan oproepen en stimulerend bedoelde aansporingen te ontsnappen.
Dus wat ik tegen mijn vrouw zei, was dat ik niet meer zou luisteren. Een oproep dat ik niet mag zijn zoals ik ben, dat ik meer zou moeten doen (of vooral: andere dingen), dat ik een bepaalde leerstelling moet aannemen zonder bewijs of mensen met een ander geloof of andere geaardheid moet afwijzen, ga ik voortaan links laten liggen. En dat zonder me te verdedigen, zonder in discussie te gaan, zonder mijn argumenten aan een ander ter beoordeling voor te leggen. Ik ga geen verantwoording afleggen voor mijn keuzes en ik laat me niet corrigeren - niet door op zichzelf terug cirkelende redeneringen. Ik kan mezelf en wat ik doe en denk niet veranderen. Niet voor een ander in elk geval, en zelfs niet voor God, zoals hij door anderen verkondigd wordt. Ik weiger nog langer het spel mee te spelen, ik weiger mezelf en mijn inspanningen te zien als belangrijk in het einddoel van de kerk. Ik kan mezelf niet meer tot een rol reduceren.
Dit zal door veel mensen niet begrepen worden. Ze zullen me een slecht christen vinden. Een afvallige. En me daarover een schuldgevoel willen aanpraten, zodat ik me weer voor hun visie ga inzetten. Maar dat is dan maar zo. Ik wil me namelijk ook niets meer aantrekken van de mening van mensen over mijn (gebrek aan) spiritualiteit. Ik weet van mezelf dat ik nooit een atheïst zou kunnen zijn. Ik geloof in God. Ik kan niet zonder. Maar ik ga er niet meer over discussiëren. Als dat me voor sommige mensen in de categorie van niet-gelovigen plaatst, is dat hun eigen zaak. Een ieder zij voor zijn eigen geweten ten volle overtuigd, niet waar? Ik kan het gewoon niet meer toelaten, ook maar de ruimte in mijn denken over te laten dat zij gelijk zouden hebben en dat Gods acceptatie van mij (en dus mijn bestaan) ook maar in enige mate voorwaardelijk zou kunnen zijn, dat ik er iets voor zou moeten doen in welke vorm en hoe weinig dan ook. Dan behoor ik maar niet tot de ‘in crowd’ – ik kan me het ook niet veroorloven me daar druk om te maken, omdat het ook zou lijden tot vergelijken en daardoor stress en overspannenheid.

We hadden al eerder afgesproken dat we Tron Legacy die avond zouden kijken, en wie schetst mijn verbazing? Dit was ook het thema van deze film. Het voelde voor mij als een bevestiging van mijn voornemen. In deze film was de jonge computerprogrammeur Flynn in zijn enthousiasme begonnen met het ontwerpen van een nieuwe wereld: hij had een droom van een toekomstige werkelijkheid en wilde die nu naar de realiteit overbrengen. Dat kon hij niet alleen, dus hij vormde een nieuwe entiteit. Clu – een kopie van zichzelf. Deze gaf hij een opdracht mee: schep de perfecte wereld. En met die opdracht ging Clu aan de gang. Hij kon niet anders. Maar twintig jaar later was Clu de alleenheerser geworden van de computerwereld. Wie niet aan zijn ideaalbeeld voldeed (niet perfect was) werd vernietigd, werd opgeofferd in de spelen, of werd naar zijn beeld gevormd tot strijder (om elders perfectie te brengen). Een totalitaire samenleving was ontstaan, en alle factoren die de controle van Clu bedreigden werden nu opgespoord en uitgeroeid. En Flynn was een doelwit geworden. Via Flynn zou zijn controlerende evenbeeld Clu ook de menselijke wereld kunnen bereiken en die overheersen. En elke actie die Flynn ondernam, deed het net van zijn tegenstander zich alleen maar om hem sluiten. Clu bepaalde namelijk de regels in het systeem dat hij geschapen had, niet Flynn. Dus elke poging om het systeem te bestrijden, zou het systeem alleen maar sterker maken.
Dat was waarom Flynn ervoor had gekozen niet meer mee te spelen: de enige winnende zet was te weigeren te spelen. Als hij niets deed, was het systeem aan zichzelf overgeleverd, en zou het zichzelf uiteindelijk uitdoven. Want het doel (perfectie) was onbereikbaar: dat was wat Flynn had ingezien. Menselijke inspanning (en de inspanning van door de mens naar hun beeld geschapen systemen) kan geen perfectie tot stand brengen, want de mens is niet perfect. En wij leggen onze eigen imperfectie in onze systemen. Maar, zegt Flynn uiteindelijk tegen Clu, wat als het niet de bedoeling is dat wij de perfectie tot stand brengen? Wat als de perfectie zich al onder handbereik bevindt? Wat als het enige dat wij hoeven doen, is de perfectie te ontvangen – en dat we daarvoor dus niks hoeven doen? Clu had in zijn systeem ruimte kunnen maken voor de perfectie om in te verschijnen, maar dat weigerde hij. Dat wij niks voor perfectie kunnen doen, bedreigde zijn identiteit. Net zo kunnen veel religieuze instituten en kerken de vrijheid van Gods sacramentele aanwezigheid niet accepteren, omdat het hun hele reden tot bestaan lijkt omver te stoten. En dus zit er voor hen niks anders op dan te verdwijnen. Op zijn minst om uit de weg te gaan.
Ik zag dit deze kijkronde niet langer als wereldmijding, of in zichzelf gekeerd zijn. Deze film suggereert namelijk niet dat liefde voor anderen en de wereld buiten jezelf zinloos is. Wat de film wel suggereert, is dat het zinloos is op systemen te vertrouwen. Daarmee verlies je alleen maar je zelf, in plaats van haar te vinden.

Wordt vervolgd …

woensdag 12 maart 2014

Het heilige evenwicht (5 en slot): Het einde van de reis

Voor wie mijn nerveuze blogberichten over de kerk in het verleden wel eens heeft gelezen, zal deze bekentenis niet als een verrassing komen. Ik lijd aan het ‘Post Traumatic Church syndrome’. Nee, dit is geen officiële diagnose. Nee, het staat niet in de DSM IV, of welk nummer het boek ondertussen ook heeft. Maar het is wel echt. Ik las erover in een stuk op het internet. “There is a spiritual condition that is even more real and more dangerous than the disease that robbed me of my physical health for many years: Post-Traumatic Church Syndrome. PTCS presents as a severe, negative -almost allergic- reaction to inflexible doctrine, outright abuse of spiritual power, dogma and (often) praise bands and preachers. Internal symptoms include but are not limited to: withdrawal from all things religious, failure to believe in anything, depression, anxiety, anger, grief, loss of identity, despair, moral confusion, and, most notably, the loss of desire/inability to darken the door of a place of worship. The physical symptoms of PTCS -which may or may not be present- include: cold sweats, hives, nausea, vomiting, sexual dysfunction, sleep disturbance, rashes, heart palpitations, increased blood pressure — oh, to heck with it. The symptoms are as varied as the people who suffer them.”
Ja, dat beschrijft wel mijn symptomen. Ik ben jarenlang niet naar de kerk gegaan, en als ik naar de kerk ging, zat ik op mijn stoel angstig heen en weer te schuiven, omdat ik me schuldig voelde, en omdat mijn zelfbeeld afbrokkelde. Vaak had ik de hele zondag nodig om me er weer van te overtuigen dat ik geen slecht mens was, dat ik niet hoefde veranderen, dat God van me hield. Ik kon niet met regelmaat bidden, of bijbellezen. En inderdaad: ik had stressverschijnselen: eczeem, slapeloosheid, nervositeit. 
Wat is de oorzaak? “We crash into religion when we go looking for God. And the crashing has left us with spiritual whiplash, broken bones, bruises, welts and lacerations. It has left us feeling alone and scared and suffering. It has left us with a boatload of internal and external symptoms the persons of spiritual authority tell us are all in our heads and would go away if we just had more faith. Don’t believe them.” Er zijn veel mensen die problemen hebben met de kerk, en ze willen allemaal hetzelfde: ze verlangen naar God zonder door dogma’s te worden ingeperkt of aan geestelijk misbruikt te worden onderworpen. Helaas is er geen standaard recept te geven tegen deze aandoening. “Each journey back to spiritual health is as unique as the person taking it.
Voor mij was de weg naar genezing erg lang, en het betekende onder andere dat ik de evangelische kerk verliet en me aansloot bij de Anglicaanse kerk (waar mijn vrouw en ik onlangs belijdenis hebben gedaan (confirmation).). Ik ervaar de aanwezigheid van Christus in de diensten, en ontmoet Hem in het avondmaal. Elke keer als ik kniel en neem van het brood en de beker, landt het weer een beetje dieper dat zijn liefde niet van mij afhankelijk is, dat ik er niets voor hoef te doen, zelfs niet geloven, maar dat ik het alleen hoef te ontvangen. Maar tegelijk weet ik dat ik ook in de Anglicaanse kerk niet in een perfecte gemeenschap ben beland, moet ik me nog steeds wapenen tegen sommige boodschappen en zal ik me waarschijnlijk nooit intensief met de kerk of met kerkpolitiek bemoeien. Daarvoor ben ik iets te veel beschadigd.
Er zijn echter mensen die vinden dat ik me niet moet aanstellen. Die vinden dat ‘post traumatisch kerk syndroom’ een excuus is om je af te zetten tegen mensen die het allemaal goed bedoelen, en je verantwoordelijkheid te ontlopen. Iedereen die worstelt met een geestelijk probleem zal hiermee te maken hebben. Heb je last van winterdepressie, dan krijg je ook te horen dat je gewoon een paar kaarsjes moet aansteken, want dat is gezellig. Let wel, ik geloof niet dat het verstandig is als ik me veel aantrek van wat iemand tegen iemand anders gezegd heeft over mij, op basis van wat die ander weer tegen die derde vertelde. Daar zitten namelijk teveel lagen communicatie tussen. Ik houd het dus niet tegen deze derde persoon, maar wil het wel gebruiken als voorbeeld aan de start van dit bericht. Mijn broer, die ook wel eens worstelt met zijn houding ten opzichte van de kerk, had met een van zijn vrienden gepraat, onder andere over het feit dat ik bij de evangelische kerk was weggegaan. Die ander had gezegd dat ik een keer moest ophouden met vluchten. Ik had eigenlijk in de evangelische kerk moeten blijven, en moeten proberen die van binnenuit te veranderen. Nu had ik de makkelijkste weg gekozen, door weg te gaan. Ai. Toen mijn broer me dit vertelde, voelde ik het vertrouwde schuldgevoel al bijna weer terugkeren. Had ik moeten blijven? Was het mijn verantwoordelijkheid geweest de kerk van binnenuit te veranderen?

Maar voor ik door deze opmerkingen in een negatieve spiraal terecht kwam, ging het licht bij mij branden. Het was namelijk helemaal niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben helemaal niet verantwoordelijk voor de kerk, en al helemaal niet voor de evangelische kerk. Ten eerste is de Anglicaanse kerk net zo goed een kerk als de evangelische kerk - ik ben geen verrader omdat ik van kerk ben veranderd. Ik ga zelfs vaker naar de kerk dan ik de laatste jaren deed toen ik officieel bij de evangelische kerk hoorde. Bovendien kunnen andere mensen dan ik ook leren van de Anglicaanse kerk. De bronnen die mij hebben geholpen in mijn groeiproces, waardoor mijn denken is veranderd, zijn voor iedereen beschikbaar. Mensen hebben mij dus niet nodig. En dan nog: ik geloof helemaal niet dat ik mensen kan veranderen, laat staan een kerk. Je kunt niet mensen veranderen als die niet veranderd willen worden. En als mensen zelf al willen veranderen, zullen ze dat ook. En dan vinden ze ook de mensen en bronnen die daarbij helpen. ‘When the pupil is ready, the teacher will come.’ Ik ben niet de messias van wie het lot van de kerk afhangt. Dat zou ook een veel te zwaar gewicht zijn om te dragen. Het is nog altijd Jezus die zijn kerk bouwt, niet ik. En die kerk is breder dan de ‘evangelische kerk’. Het gebouw en de naam doen er niet toe. Net zo is het met het lot van de wereld. Ja, ik weet dat het klimaat naar de pleuris gaat, ik lees over het uitsterven van soorten, ik lees over milieuvervuiling, en over onrecht en oorlogen. Maar ik kan de wereld niet veranderen. Ik gebruik nog steeds soms in plastic verpakte producten, en koop goedkope kleren. En ik kan het me niet veroorloven me daar al te schuldig om te voelen. Ik kan het lot van de wereld namelijk niet op mijn schouders nemen. Het enige dat ik kan, en dus ook het enige dat ik hoef te doen, is leven als een geliefd kind van God (‘Het God lief en doe wat je wilt'). Dat betekent dat ik gedichten schrijf, filmbesprekingen, blogberichten. Dat ik verhalen schrijf, en stripverhalen teken, dat ik naar de film ga en daarover napraat met vrienden, dat ik luister naar anderen, dat ik mijn werk doe op kantoor, en lees in boeken en tijdschriften, en fotografeer. Het betekent dat ik in twitter links plaats over uitsterven van diersoorten en de kap van het regenwoud, en daar aandacht voor vraag, het betekent ook dat ik soms geld naar goede doelen overmaak, en dat ik als ik tijd en energie heb biologisch probeer te eten, of afval probeer te scheiden. En het betekent dat ik, als het me lukt, op zondag naar de kerk ga. En God kan door al die dingen heen werken. Als God mij nodig heeft om de kerk te veranderen, of de wereld, kan hij daar mijn blog voor gebruiken, of mijn boeken, of mijn overgemaakte geld. Het staat hem helemaal vrij. Ik kan niet bepalen hoe hij wil werken. Dat is aan Hem.
Ik hoef bovendien niet te produceren om een goed zelfbeeld te ontwikkelen, ik hoef niet een gepubliceerd schrijver te zijn om mezelf waardevol te vinden. Ik hoef niet te werken om ertoe te doen, of aan een bepaalde maatstaf voldoen. Dat is het denken dat bij de zondeval de wereld is ingekomen. Ik ben al waardevol, voor ik ook maar iets gedaan heb. Ik denk terug aan een inzicht dat ik een paar jaar geleden voor het eerst had, maar dat nu pas echt realiteit voor me aan het worden is. Toen God over Jezus zei: ‘Dit is mijn geliefde zoon, in wie ik welbehagen heb’, had Jezus nog niks gedaan. Hij had niks gepresteerd. Hij had zelfs nog niet de verzoeking in de woestijn doorstaan. Niks. En toch had God al welbehagen in hem. En zo kijkt God ook naar ons. Hij heeft ons al lief. Hij heeft ons lief sinds de grondlegging van de wereld. We hoeven niks te doen om dat waar te maken. Anders gezegd: hij wil met ons geassocieerd worden. Met ons zoals we zijn. We hoeven niet aan een ideaalbeeld te voldoen voor we daarvoor goed genoeg zijn.
Ik kan dus bijvoorbeeld verhalen van G.R.R. Martin lezen, die veel beter schrijft dan ik, zonder me erdoor te laten intimideren. Ik schrijf zoals ik schrijf, en dat is ook waardevol. Als iemand mijn verhalen wil uitgeven, dan is dat mooi, en het is mooi als anderen ze willen lezen, maar het zegt niks over mijn betekenis. Dat betekent dat ik de avonturen verzinnen die ik zelf wil verzinnen. Ik mag een stripverhaal tekenen dat alleen door mij en mijn vrouw wordt gelezen. Ik hoef ook niet met regelmaat te bloggen. Ik hoef mezelf niet te verantwoorden, of anderen ergens van te overtuigen. Dat betekent bijvoorbeeld dat dit wel eens mijn laatste blogserie zou kunnen zijn. Waarschijnlijk niet - het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en over een paar maanden is er weer iets nieuws waar ik over heb nagedacht en dat ik graag wil delen, zo goed ken ik mezelf ook weer. Maar ik hoef in principe niet te bloggen. En als ik wel blog, hoef ik me er niet op voor te laten staan, net als W.H. Auden in het geheim mensen hielp, zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. Als er boeken van mij gepubliceerd worden, hoef ik daar niet mensen mee om de oren te slaan. Ik hoef geen airs te krijgen als ik mag spreken op een C.S. Lewis-studiedag. Het maakt me allemaal niet beter dan anderen. Ik kan nu eenmaal schrijven en denk graag na over C.S. Lewis (onder andere). Maar ook daar mag ik voor uitkomen. Valse bescheidenheid is ook niet nodig. Als iemand mij complimenteert voor mijn striptekeningen (zoals laatst gebeurde), mag ik dat gewoon ontvangen. Dit is de vrijheid waar ik naar verlangde. Ik mag creatief zijn, ik mag goed doen, ik mag verlangen, allemaal zonder mezelf nog langer te wantrouwen.

Het zal voor sommigen misschien te makkelijk klinken. Je kunt toch niet zomaar doen wat je wilt? Je kunt toch niet zomaar anderen pijn gaan doen of kwetsen, of belachelijk maken? Nee, natuurlijk niet! Zulke vragen kreeg Paulus ook. “Zouden wij zondigen opdat de genade toeneme?” Zijn antwoord is: “Volstrekt niet!” En dat is ook mijn antwoord. Het is overigens ook wetenschappelijk aangetoond. “It's important to identify specific lifestyle choices, habits, and character traits that you should happily accept while also being objective about things you might want to work on improving. Finding the sweet spot between self-acceptance vs. self-improvement requires being honest and compassionate about who you are, while simultaneously acknowledging that nobody's perfect and we can always improve ourselves."
Grenzen blijven belangrijk. Niet voor onze acceptatie door God. Maar omdat we mensen zijn en we zijn geschapen om te voldoen aan het beeld van God. Omdat we dood waren, en van God het geschenk van het leven hebben gekregen. Omdat we onszelf zien als geliefde kinderen van God. En dat alles heeft gevolgen. Het heeft bijvoorbeeld als gevolg dat ik mezelf en anderen zie als individuen die respect waard zijn, die een identiteit hebben die ertoe doet, en die ik niet mag behandelen als machines. Het heeft als gevolg dat ik schoonheid zie als iets dat beschermd moet worden, en dat ik relaties serieus neem, dat ik ga staan voor de waarheid, en dat ik streef naar wat goed is. Zoals Paulus schrijft in Filippenzen: “Schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient.” (Filippenzen 4:8). Deze houdingen zijn niet van elkaar te scheiden. In dezelfde brief waarin Johannes stelt dat de liefde de angst uitdrijft, zegt hij: ‘Wie niet liefheeft, kent God niet.’ (1 Johannes 4:8). Dat is net zo radicaal! Maar het een kan niet zonder het andere. De verbinding ligt in wat Johannes vervolgens zegt: “Wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad.” (v19). Dat is de crux. Daar gaat het om.
Als we ontdekken dat God met ons geassocieerd wil worden, dat hij in ons welbehagen heeft, zullen we naar onszelf kijken met compassie, hoeveel er ook mis met ons is, hoeveel pijn en zonde we ook met onszelf meedragen. We zullen ons weer met onszelf willen associëren, ook als we niet volmaakt zijn, en grenzen willen aangeven om ons te beschermen tegen misbruik. En tegelijk zullen we anderen met respect gaan behandelen, omdat we weten dat God ook met hen geassocieerd wil worden, en in hen ook welbehagen heeft. Gods liefde wekt onze liefde op, voor onszelf, en voor de wereld en de mensen om ons heen. En daardoor wordt Zijn Koninkrijk realiteit. Niet door onze prestaties, niet door onze projecten, niet door alles waar we onszelf toe moeten zetten, niet door ons ego. Liefde is het antwoord. Liefde is het einde van de reis. En God is liefde. Hij is dus het einde van de reis, het einde van mijn reis. Daar verlang ik naar.

zaterdag 8 maart 2014

Het heilige evenwicht (2): Het is ook nooit goed!

Mijn vrouw en ik zagen in 2012 in de bioscoop opnames van het toneelstuk Frankenstein, geregisseerd door Danny Boyle, met Sherlock-acteur Benedict Cumberbatch in de hoofdrol als het monster (in een andere uitvoering, die we ook zagen, speelde hij dr. Frankenstein zelf, en speelde Johnny Lee Miller het monster. De laatste speelt Sherlock Holmes in de Amerikaanse serie Elementary. Maar dat allemaal terzijde). In het toneelstuk gaat dr. Frankenstein trouwen met zijn jeugdliefde. Hij heeft echter een geheim. Maar hij zal het zijn vrouw pas vertellen als ze getrouwd zijn! Na de plechtigheid, op hun huwelijksnacht komt het hoge woord eruit: Frankenstein heeft een levend wezen gecreëerd, maar is zijn belofte aan zijn schepsel, namelijk om hem een vrouw te maken, niet nagekomen. En nu heeft het wezen wraak gezworen. Als ze dat van te voren had geweten ...
Ook ik had een geheim dat ik pas na mijn huwelijk met mijn vrouw deelde. Nou ja, ze wist er wel van. Ik had haar namelijk verteld dat ik als tiener avonturenverhalen had geschreven. Ze was daar ook wel nieuwsgierig naar, maar ik had geaarzeld ze aan haar te laten lezen. Dat was voor als we samenwoonden, had ik besloten. Dus vorige maand was het zo ver en nam ze de ‘Avonturen van Joost, Cliff en Yoko’ ter hand. Zeven verhalen, getypt op een elektrische typemachine, over twee biologen en hun Japanse vriendin, die in allerlei gevaarlijke situaties verzeild raken. Zo komen ze dinosauriërs tegen, een witte haai, olifantenstropers en mensen uit de toekomst.
Ik was best zenuwachtig. Misschien vond ze het wel helemaal niets. Misschien vond ze ze kinderachtig. Maar niets van dat alles gebeurde. Mijn vrouw bleek zelfs enthousiast. Volgens haar waren de verhalen duidelijk van een getalenteerde jongen. Ik was volgens haar wel beter gaan schrijven door de tijd, en had wat meer inzicht gekregen in de psychologie van mijn karakters. Maar er was ook iets verloren gegaan. Ze had in mijn verhalen een Johan ontmoet die ze nog niet kende. Mijn oude verhalen hadden volgens haar een levendigheid die mijn recentere boeken misten. De hoofdpersonen stortten zich bijvoorbeeld in het avontuur. Maar terwijl ze in levensgevaar waren, verwonderden ze zich nog over bijzondere dieren en planten om hen heen. Ze hadden bovendien oog voor het andere geslacht - mijn hoofdpersonen zagen hoe aantrekkelijk de ander was. Ze durfden te handelen uit hun overtuiging. En ze herkende mij er in, mijn voorliefdes, mijn enthousiasme, mijn passie. Er was volgens haar niets in mijn verhalen waar ik me voor hoefde schamen.
Ik vertelde haar dat de verhalen inderdaad hoorden bij de ‘echte Johan’. Ik heb een verlangen naar avontuur, naar bijzondere omgevingen, bijzondere dieren, het beschermen van schoonheid en het doen wat goed is. En net als mijn hoofdpersonen was ik onder de indruk van sterke, zelfbewuste, avontuurlijke vrouwen. Dat is wat bij mij naar buiten komt als ik mezelf ben. Maar ik had inderdaad niet zo durven schrijven. Ik mocht namelijk niet zo zijn, zoals ik in het vorige deel van deze serie al schreef.
Al jaren las ik boeken over de liefde van God. Ik luisterde naar God tijdens het bidden. Anderen hadden woorden voor me over Gods liefde. Ik wist met mijn verstand wel dat ik geliefd was, zoals ik ben, maar ik kon mezelf niet de toestemming geven ook daadwerkelijk gewoon te zijn, gewoon te leven. Als mezelf. Als Johan.

In dezelfde week dat mijn vrouw las in ‘De avonturen van Joost, Cliff en Yoko’, las ik een heel ander boek. Het boek ‘Toxic Parents’. Dat is een heftig boek, zoals je je misschien kunt voorstellen! Het kwam ook behoorlijk dichtbij. De schrijfster van het boek waarschuwt ervoor familieleden te snel te vergeven. Dat is anders dan je in veel christelijke boeken leest. Ze zag er geen kwaad in om af te zien van wraak. Dat kan heel gezond zijn. Maar volgens haar was het niet gezond om te snel je boosheid te laten varen, en te doen alsof de relatie met de ander weer hersteld is. Om te herstellen van misbruik is het voelen van de boosheid om wat je is aangedaan namelijk essentieel. De boosheid helpt je te identificeren waar je grenzen liggen, wanneer die worden overschreden en hoe graag je wilt voorkomen dat het nog eens gebeurt. Boosheid geeft de kracht om anderen de waarheid te zeggen. En het is de weg naar verdriet, verdriet om wat je is aangedaan, wat ook noodzakelijk is voor heling. Wie te snel vergeeft, loopt het risico de daden van de ander te bagatelliseren, en de gevolgen ervan uit het zicht te schuiven en te verbergen, zonder dat ermee is afgerekend. Soms zeg je dat je de ander vergeeft (vooral als die er om vraagt) nog voordat je zelf hebt beseft hoeveel pijn de daden van de ander je deden, en vooral welke boodschap je erdoor hebt meegekregen, en welke gevolgen ze voor je hebben gehad. En daardoor kunnen de effecten gewoon blijven doorgaan in je leven.
Dat besefte ik in elk geval wat betreft mijn verleden.
Een belangrijk iemand in mijn jeugd heeft me namelijk veel pijn gedaan. Deze persoon werd bijvoorbeeld snel boos, en begon te schreeuwen, als ik met lage cijfers thuis kwam van school. Ik was ook erg bang. Toen ik een keer een uurtje moest nablijven op school (door iets wat niet mijn schuld was: mijn klasgenoten hadden gezegd dat de bel was gegaan, en ik had hen geloofd), was ik zo overstuur dat ik dreigde met zelfmoord. Ik denk niet dat ik van plan was echt zelfmoord te plegen, maar als een tiener dat gaat roepen, is er toch iets ernstig mis. Deze persoon was bovendien heel kritisch. Ik heb een keer een verhaal dat ik had geschreven (over Joost en Cliff) laten lezen en dat werd afgedaan met ‘Wat een onzin’. Ik liep wel eens voorovergebogen, en kreeg dan een porrende vinger in mijn rug. ‘Wat moeten mensen wel niet van mij denken, als jij zo voorovergebogen loopt’, was de boodschap. Dat extra schaamte me niet zou helpen om rechtop te gaan lopen was kennelijk niet vanzelfsprekend. Dit gebeurde vele keren.
Maar het ergste gebeurde nadat deze persoon met mij mee was gegaan om een aquariumpomp te kopen. Ik was toen zestien, bijna zeventien. Ik keek de verkoper in de winkel niet aan. Daar was degene die me begeleidde niet blij mee. Ik kreeg een forse scheldkanonnade over me heen. ‘Als je nooit iemand aankijkt, zul je niet je mondelinge examens halen, zul je niet kunnen afstuderen, zul je geen baan vinden, zul je geen vrouw vinden’. Dat werd naar me geroepen. En toen: ‘Ik wil niet met je geassocieerd worden.’ Hard, pijnlijk. Zo ging het maar door, tot ik thuis huilend onder mijn bed lag. En toen riep deze persoon tegen me dat ik nu ook het filter moest installeren. Ik mocht niet huilen. Ik weet dit allemaal nog letterlijk, omdat ik het de dag nadat het gebeurde heb opgeschreven in de vorm van een kort verhaaltje. Het raakte me diep. Samen met een andere geschreeuwde opmerking van dezelfde persoon toen ik jaren later met mijn broers praatte over de Matrix-films: ‘Ik wil niet dat je mijn kinderen meesleurt in het verderf’. Alsof ik -omdat ik van films houd- niet tot die kinderen behoorde! Het hakte er bij mij diep in.
De persoon in kwestie heeft me al om vergeving gevraagd, en ik heb keer op keer gezegd dat ik vergeef, maar onze relatie blijft verstoord. Vooral omdat ik te snel heb vergeven en mijn boosheid dus geen kans heb gegeven om ruimte voor mezelf te claimen. Om te zeggen: ik accepteer niet dat dit over me gezegd wordt. En het heeft me ervan weerhouden het patroon te ontdekken in mijn leven dat het gevolg was van dit verbaal misbruik. De boodschap die ik meekreeg, was namelijk dat de echte Johan niet iemand was met wie deze persoon geassocieerd wilde worden. En dus dat ik moest veranderen, moest voldoen aan een bepaald ideaalbeeld (hoge cijfers, studeren, actief in de kerk, maatschappelijk acceptabel) voor deze situatie zou kunnen veranderen. Ik kreeg daarbij ook nog eens te horen dat ik zou moeten veranderen voordat een vrouw met mij geassocieerd zou willen worden. Ik zou mijn aquariums moeten wegdoen, ik zou mijn hobby’s moeten reduceren tot een vrij kwartiertje, et cetera. Geen wonder dat ik zo lang vrijgezel blijf. Voeg erbij dat mijn leeftijdsgenoten in de brugklas en ook daarna ook niet met mij geassocieerd wilden worden -ik werd namelijk gepest- en het is duidelijk dat de boodschap dat ik niet mezelf mocht zijn, er uiteindelijk bij mij diep in zat.

Wat echter minstens zo ernstig was als de woorden van deze persoon, was hoe de boodschap overeenkwam met wat ik hoorde in de kerk. De redacteur met wie ik laatst praatte over mijn volgende boek noemde de gemeente waarin ik opgroeide een sekte. Zo ver zou ik niet per se willen gaan, maar sekte-achtige kwaliteiten had deze gemeenschap wel.
En de boodschap die ik daar kreeg was dat God ook niet met mij geassocieerd wilde worden. Dat kon hij niet. Ik was zondig, hij was heilig. Hij moest dus vanuit zijn natuur wel boos op mij zijn. Hij moest mij straffen. Hij kon niet anders. Ik was immers niet volmaakt. Wanneer ik ook meer een keer een leugentje om bestwil verteld had, verdiende ik al de toorn van God. Als ik een keer een snoepje had gestolen, of boos op een klasgenoot was geweest, dan moest ik eigenlijk al naar de hel. Als ik een keer een vrouw aantrekkelijk vond, dan was het beter dat ik een arm afhakte of een oog uitrukte. Ik kon het bij God gewoon niet goed doen. Als nakomeling van Adam was ik inherent besmet met het kwaad. En dat had alles in mij doortrokken. Er was per definitie niets goeds in mij, werd in de kerk geleerd. Mijn natuurlijke verlangens en talenten zaten God alleen maar in de weg. Als God me al gaven gaf, moesten het bovennatuurlijke gaven zijn. Ik mocht daarom niet trots zijn. Als ik al iets voor elkaar bracht, was het God die door mij heen werkte, niet ikzelf. In mij, dat is in mijn vlees, kon immers niets goeds zijn. Ik -de persoon Johan- moest dus verdwijnen.
Nu leerden we dat Jezus gelukkig voor ons mensen bij God tussenbeide was gekomen. Aan het kruis onderging hij de straf die wij verdiend hadden. Hij ging tussen zijn boze vader en ons in staan, en kreeg de klappen. We leerden dat we als het ware waren ‘bedekt’ met zijn bloed. Als God nu naar ons keek, zag hij Jezus, die volmaakt was, en niet ons. En zo konden we dan toch naar de hemel. Maar o wee als we ooit onder de bescherming van Jezus’ bloed vandaan zouden komen! Dan zou God direct weer zijn bliksems op mij moeten laten neerkomen. Hij kon mij immers nog steeds niet als mezelf in zijn aanwezigheid verdragen. Dus bleef ik bang voor God en probeerde ik door hard te werken en mezelf onder druk te zetten de echte Johan op wie God zo boos was te onderdrukken en te leven als de ‘geestelijke mens’ die God zo graag zag, een ideaalbeeld. Als ik daar iets van afweek, werd ik weer boos op mezelf (omdat God ook boos op me zou worden).
En zelfs dat leven als geestelijk mens kon ik niet goed doen, want ik merkte bij mezelf de neiging om trots te worden. En dat was in zichzelf weer een zonde. Ik snap nu achteraf niet waarom ik bleef geloven. Ja, ik wilde niet naar de hel, maar de hemel was nou niet echt een aanlokkelijk perspectief. De eeuwigheid doorbrengen met een God die je haatte als je jezelf was? Of die je zo veranderde dat je niet meer jezelf was, maar een ‘geestelijk mens’ die niets liever wilde dan lofliederen zingen? Het klinkt als de hel. Ik weet van mezelf dat ik de boodschappen van de kerk door een gekleurde bril heb waargenomen, maar laatst sprak ik met een vriend uit die periode. En hij vertelde dat hij dezelfde boodschap had meegekregen. En ook dat hij nog steeds veel moeite had om te geloven dat God goed is. En ik heb de afgelopen de kans gehad om te spreken in kerken die uit deze beweging zijn voortgekomen, en steeds komen er wel mensen naar me toe die zich in dit verhaal herkennen. Bovendien hoor ik dezelfde boodschappen in licht afgezwakte vorm terug in de evangelische kerk. ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten.’ Kortom, hij houdt niet van me zoals ik ben. Hij wil niet met me geassocieerd worden. En ‘Een man moet voor zijn vrouw niet alleen zijn verlangens opofferen, maar ook zijn dromen’ - je kunt maar beter ophouden jezelf te willen zijn. Voeg je bij het programma, alleen dan kan God zich met je associëren.
Maar over de boodschappen in de evangelische kerk heb ik in andere berichten wel genoeg geschreven. De kern was in elk geval voor mij dat God niet met mij geassocieerd wilde worden.

Het moge duidelijk zijn - de combinatie van deze twee boodschappen, thuis en in de kerk, maakte dat ik mezelf ging wantrouwen. De ware Johan, de Johan die enthousiast was, die hield van boeken, van schrijven, van aquariums, die soms onzeker was en onhandig, die het liefst nieuwe werelden wilde verkennen, dat was iemand met wie belangrijke mensen in mijn leven niet geassocieerd wilden worden. Dat was iemand met wie zelfs God niet geassocieerd wilde worden. Er moest dus wel iets verkeerds aan hem zijn. Daar ging ik dus naar zoeken. Ik kon immers niet van mij of van mijn verlangens concluderen dat ze goed konden zijn. De conclusie moest per definitie zijn dat ik slecht was. Dat stond bij voorbaat vast. Dus vond ik altijd wel nieuwe manieren om mezelf te veroordelen, en mezelf te blijven zien als vuil, zondig of gewoon tekortschietend.
Tegelijk moest ik zorgen dat ik iemand werd met wie deze mensen en met wie God wel geassocieerd wilden worden. Het korte verhaaltje dat ik schreef na de uitbarsting van de belangrijke persoon in mijn leven besloot ik met de uitspraak dat ik mijn hart hard zou maken. Ik zou nooit meer huilen, maar mezelf diep wegstoppen. En dat deed ik. Ik stopte mezelf steeds dieper weg, liet steeds meer van mezelf achter: mijn verhalen, mijn lezen, mijn passie. Ik leefde voor het halen van hoge cijfers, voor het slagen in mijn studie en voor het bereiken van een status als geestelijke broeder, die in de samenkomst kon voorgaan en bijbelstudies kon geven. Met zo iemand, maatschappelijk en geestelijk succesvol, zouden mensen en God zich misschien wel willen associëren.
Het is eigenlijk pijnlijk om het hier zo op te schrijven. Maar dat verdriet is nu juist belangrijk om te komen tot heling. In het volgende bericht meer over het pad naar genezing.

vrijdag 7 maart 2014

Het heilige evenwicht (1): Het eeuwige moeten

Geoffrey Chaucer, een van de bekendste vijftiende eeuwse schrijvers, heeft zijn Canterbury Tales nooit afgeschreven. Mijn vrouw is nu het werk van Chaucer aan het lezen, en vertelt mij al weken over zijn verhalen. Soms plat, soms diepgaand, maar altijd met scherp geobserveerde karakters, en veel humor. Chaucer hield edelen, ridders, herbergiers en soldaten een spiegel voor, waarin zij hun eigen gebreken en kleingeestigheden herkenden. Deze weerspiegeling is zo universeel, dat de verhalen ook nu nog worden gelezen en verfilmd. En Chaucer schreef gewoon mooi, met een enorme woordenschat. Het Engels dat hij gebruikt is iets te moeilijk voor mij, maar mijn vrouw smult er van. Laatst liet ze mij een gedeelte lezen, het stuk waarmee de Canterbury Tales eindigen. In die paar paragrafen trekt Chaucer al zijn werken terug. Ze waren frivool en platvloers, zegt hij, en brachten mensen niet tot Christus. Hij hoopt vergeven te worden voor het schrijven van de verhalen. Maar een paar van zijn stukken (onder andere een heiligenleven) blijft hij erkennen als van hem.
Dit is de in wat moderner Engels vertaalde tekst: “Now pray I to them all that listen to this little treatise or read it, that if there be any thing in it that pleases them, that thereof they thank our Lord Jesus Christ, from whom proceeds all wit and all goodness. And if there be any thing that displeases them, I pray them also that they blame it on the fault of my lack of wit and not to my will, that would much prefer to have said better if I had had cunning. For our book says, "All that is written is written for our doctrine," and that is my intent. Wherefore I beseech you meekly, for the mercy of God, that you pray for me that Christ have mercy on me and forgive me my sins; and namely of my translations and compositions of worldly vanities, the as is the book of Troilus; the book also of Fame; the book of the XXV. Ladies; the book of the Duchesse; the book of Saint Valentines day of the Parliament of Birds; the tales of Canterbury, those that tend toward sin; the book of the Lion; and many another book, if they were in my remembrance, and many a song and many a lecherous lyric, that Christ for his great mercy forgive me the sin. But of the translation of Boethius's Consolation of Philosophy, and other books of legends of saints, and homilies, and morality, and devotion, that thank I our Lord Jesus Christ and his blissful Mother, and all the saints of heaven, beseeching them that they from henceforth unto my life's end send me grace to bewail my sins and to study to the salvation of my soul, and grant me grace of true penitence, confession and satisfaction to do in this present life, through the benign grace of him that is king of kings and priest over all priests, that bought us with the precious blood of his heart, so that I may be one of them at the day of doom that shall be saved.”
Het schijnt dat Chaucer tot zijn dood niets meer heeft geschreven. Deze passage wordt daarom door Engelse literatuuurcritici beschouwd als een van de meest tragische uit de geschiedenis. Het schijnt dat wetenschappers er nog steeds over discussiëren waarom Chaucer zijn eigen werken aan de kant schoof en stopte met schrijven.

Voor mij is dat geen vraag. En de passage is voor mij om een andere reden tragisch, namelijk omdat hij me aan mijn eigen verleden doet denken. Ik dacht namelijk ook dat mijn liefde voor verhalen en mijn passie voor het schrijven me van God weg hielden en dat ik er dus mee moest stoppen. Er was nog niets van mij uitgegeven, dus heb ik nooit officieel werken van mezelf teruggetrokken, maar ik heb wel een verhaal waar ik aan werkte in de prullenbak gegooid, ‘De Groene Toren’ mijn eerste serieuze SF-roman. Iets waar ik nu nog spijt van heb.
Ergens tijdens mijn eindexamenjaar koos ik namelijk ‘echt’ voor God. We leerden namelijk in onze kerk dat als we in de kerk opgroeiden we ook nog eens zelf echt voor God moesten kiezen. Dat deed ik. Maar daar hoorden dingen bij. Een klasgenoot herinnerde me daar aan. ‘Als jij echt een christen bent’, zei ze, ‘zou je wel meer bijbel lezen.’ En die opmerking was het zetje dat ik nodig had. Het steentje ging rollen en werd al snel een landverschuiving. Ik begon bijbelstudieboeken te lezen. Niet af en toe eentje tussendoor, maar gepland, ingedeeld in mijn vrije tijd. Ik vond dat ik geen spannende boeken meer mocht lezen. Ik merkte namelijk dat ik boeken van Alistair MacLean uit de bibliotheek wilde halen, maar als ik dat zo graag wilde, dan zou het wel een verslaving zijn. Ik las in jongerentijdschriften dat alles waar je enthousiaster over was dan God een verslaving was. Dus borg ik mijn stripverhalen weg, en verbood ik het mezelf om naar films te kijken. Als ik een James Bond-film zag, wilde ik namelijk zelf ook autoachtervolgingen verzinnen. “Denk jij dat een hele dag niet christelijke romans lezen verkeerd is? En zo nee, waarom niet?” vroeg een vriend mij. “Is het te passen in teksten als: we moeten onze tijd uitkopen (Ef 6)?” Ik schreef ook niet langer verhalen, stopte ze weg in mappen in mijn kast. Gelukkig was ik niet zo ver heen dat ik ze allemaal weggooide!
Alleen wat geestelijk was, was waardevol. Ik las daarom elke dag vijf hoofdstukken uit de bijbel, memoriseerde dagelijks bijbelverzen, bezocht trouw alle bijeenkomsten van de studentenvereniging en alle samenkomsten van de kerk. Ik evangeliseerde trouw op de zaterdagmorgen en vond dat ik folders mee moest nemen naar de universiteit om vrienden te evangeliseren. Tegelijk werd ik heel kritisch op andere gelovigen, die niet zo fanatiek waren als ik. Ze luisterden bijvoorbeeld naar housemuziek, of droegen als man een oorbel. Dat was van de duivel, of in elk geval zou het zo niet horen. Op bijbelstudiekringen ging ik daar dan ook fel tegen tekeer. Ikzelf worstelde ondertussen met mijn ‘boezemzonde’ - ik keek in de tijdschriftenwinkel X-menstripboekjes in (vanwege het verhaal en vanwege de daarin getekende vrouwen). Ik werd dagenlang verteerd door schuldgevoel en schaamte als ik in overtreding was geweest. Zoals een huisgenoot in die periode tegen me zei: “Een streng geweten en een grote verbeelding zijn geen goede combinatie.” Deze situatie heeft zo’n vier jaar geduurd. Toen ontwikkelde ik slaapproblemen, en werd ik voor de eerste keer overspannen.

Een docent suggereerde me dat ik niet langer zou doen wat ik van mezelf moest doen, maar dat ik zou doen wat ik graag wilde doen. Ik wist wel wat ik wilde: ik wilde schrijven. In die periode schreef ik Neptunus, Het Wrak en De Derde Macht en die zijn zelfs uitgegeven!
Maar het was niet meer als daarvoor. Ik kon mezelf namelijk nooit echt de vrijheid gunnen om te doen wat ik wilde. Want ik kon fantaseren, schrijven en verlangen in het algemeen niet als goed zien. Gelovige vrienden zeiden dat mijn schrijven wel eens mijn roeping zou kunnen zijn. Ik kon het niet accepteren. Hoe kon mijn schrijven voor God belangrijk zijn? Zelfs op een fantasybeurs kon ik niet zeggen dat ik schrijver ben, maar mompelde ik wat en draaide ik me om. Ik mocht het niet van mezelf claimen. Verder wilde ik graag film kijken, maar ook daarin legde ik mezelf beperkingen op (maar een film per week. En sommige films die mij erg aanspraken, mocht ik van mezelf niet kijken, omdat ze misschien slecht waren). Ik ging weer bidden en bijbellezen, en las ook al snel weer christelijke boeken. Ik mocht niet de SF-verhalen lezen die ik het liefst wilde, maar moest ze al snel weer afwisselen met ‘stichtelijke boeken’. Ik maakte er bovendien een punt van dat ik niet ‘doorsloeg’ op mijn interessegebieden. Ik mocht mijn verlangen niet volgen tot zijn logische conclusie. Als ik met mensen op fantasyfestivals of boekenbeursen liep, verontschuldigde ik me voor mijn uitroepen van enthousiasme, ik zwakte het af. Ik las op internetforums over mensen met meerdere aquariums in huis, en was dan altijd jaloers, toch vond ik niet dat ik er meer dan twee mocht hebben. Ook op andere gebieden drukte ik mijn verlangen altijd de kop in. Ik wist namelijk zeker dat er iets mis met mij was, dat mijn verlangen zoals ik dat ervoer verkeerd was. Ik liep rond met een diep, donker geheim in mij, wat niemand ooit mocht weten. En ik controleerde al mijn uitingen niet een, maar twee of drie maal om te zien of ze wel door de beugel konden. Niets kon spontaan zijn.
En nog steeds dwong ik mezelf dingen te doen die wel goed zouden zijn. Als het geen bijbelstudieboeken waren, dan waren het literaire klassiekers. Op mijn blog had iemand opgemerkt dat ik wel veel recente boeken noemde, en of ik niet ook klassiekers moest lezen (“want ook Lewis roept op tot het lezen van oude boeken.”). Dus ging ik negentiende eeuwse literatuur lezen. Sommige boeken waren echt goed, andere voelden voor mij als werk. Toch vond ik dat ik door moest gaan. Ik mocht immers niet af gaan op wat ik zelf wilde. Dus ploeterde ik weken door ‘War and Peace’ van Tolstoy, tot mijn vrouw vond dat ik wel heel chagrijnig uit mijn werk thuiskwam. Ook het schrijven van mijn blog was een moeten geworden, en ik voelde druk om in het weekeinde te werken aan stukken en bijvoorbeeld filmbesprekingen. Een ander voorbeeld was het diëten. Ik overtuigde mezelf ervan dat ik moest afvallen en hield me aan een heel strak regime (het oermensdieet). Ik zette mezelf onder druk. Ik moest dus nog steeds presteren van mezelf. Meerdere reageerders op mijn blog wezen er regelmatig op dat ik wel veel ‘moest’ van mezelf. Zelfs in stukken over genade, wist ik steeds weer bewoordingen te vinden die een naar mezelf toe verplichtend karakter hadden. Ik besprak onlangs bijvoorbeeld de opzet van mijn nieuwe boek ‘Wat als God je verhaal vertelt’ met de redacteur. Die merkte op dat ik wel heel vaak betoogde dat je pas naar iets kon verlangen als het betekenis had. Volgens hem kwam bij de meeste mensen verlangen spontaan bij hen op, zonder dat ze het moesten verantwoorden. Mijn vrouw legde de link en het kwam binnen als een klap: zoveel jaren na mijn overspannenheid moest ik mijn verlangens en mijn keuzes nog steeds naar mezelf toe verantwoorden!
Ik reageerde daarom ook overgevoelig op andere mensen die mij probeerden te vertellen dat ik dingen moest doen of laten. Bijvoorbeeld als ik op kantoor kritiek kreeg op mijn werk. Dat kon mij in een heftige negatieve spiraal doen belanden, en zelfs tot wanhoop drijven. Ik probeerde immers uit alle macht mijn werk goed te doen, omdat mijn zelfbeeld ervan af hing. Als ik het niet goed deed, suggereerde het voor mij dat ikzelf als persoon tekort schoot. En dan waren er de evangelische christenen die stelden dat ik stille tijd moest houden, of missionaire christenen die suggereerden dat ik hun werk moest gaan doen. Krantenberichten over hoe ik mezelf moest verkopen op het werk, hoe ik carrière moest maken, of hoe ik eruit moest zien. Zelfs mensen op twitter of facebook die vertelden op welke momenten ik eigenlijk berichten moest plaatsen of hoe ik als schrijver mezelf moest verkopen. Het stond hun natuurlijk vrij al deze dingen zelf te doen en hun enthousiasme te delen, maar ik vatte het persoonlijk op. Want hun claims waren voor mij altijd belangrijker dan wat ik zelf wilde en droegen dus de connotatie mee dat ik eigenlijk zoals zij moest zijn en dat ik zoals ik ben tekort schoot.
Voor mijn werk heb ik een keer meegedaan aan een persoonlijkheidstest. Ik scoorde op veel punten best redelijk, behalve op het onderdeel ‘zelfvertrouwen’. Op dat punt haalde ik de allerlaagste score die mogelijk was. Een ‘1’. En eigenlijk wist ik dat ook wel van mezelf. Ik was al jaren bewust van een negatief zelfbeeld, maar dat probleem is niet op basis van wilskracht op te lossen. Daarmee kun je niet omgaan door jezelf onder druk te zetten. Ik had in de jaren daarna dus ook niet het idee dat die score ooit werkelijk zou veranderen.
Op deze manier worstelen met jezelf is natuurlijk heel erg vermoeiend. Het zal je niet verbazen dat ik eigenlijk sinds mijn overspannenheid voortdurend met (winter)depressie en slaapproblemen heb geworsteld. Een nacht waarin ik maar twee keer wakker werd, was meestal een goede nacht en er waren hele periodes waarin ik acht keer per nacht ontwaakte, en moe wakker werd ‘s ochtends. Ik slikte eigenlijk bijna elke dag wel paracetamol tegen de hoofdpijn, worstelde met ‘de man met de hamer’ en mijn gezondheid ging zienderogen achteruit. Ik kreeg eczeem, die verergerde, en ik ontwikkelde in 2012 uiteindelijk tot twee keer toe wondroos, waardoor ik met extreme koorts op bed kwam te liggen. Het was een negatieve spiraal. Mijn vrouw heeft wel gezegd dat ze heel bezorgd over me was op de langere termijn. Ik wist echter niet hoe ik ooit uit deze vicieuze cirkel zou kunnen breken.

En ondertussen keek ik met nostalgie terug op mijn tijd op de middelbare school. Dat was eigenlijk helemaal niet zo’n beste tijd: ik werd gepest, was deel van een strenge kerk en er gebeurden andere dingen die me pijn deden. Toch was ik enthousiast over de verhalen die ik schreef, hoe ik op de fiets zat plotontwikkelingen te bedenken. Hoe ik stripverhalen tekende, puur voor mijn eigen plezier, alleen of samen met mijn broer. Hoe ik hele verhalen uitspeelde, en avonturen beleefde met de lego (ik ben nog enthousiast over voertuigen die ik bouwde). Ik mocht helemaal doorslaan van mezelf: in mijn aquariumhobby, in het schrijven, in het lezen. Ik was helemaal mezelf.
Mijn vrouw vindt het leuk om me enthousiast te horen over het verleden, maar ze zou graag willen dat ik ‘nostalgisch’ praat over dingen die ik nu doe. Dat ik ook eens kan zeggen: ‘vorig jaar, toen ik zo lekker onbezorgd met mijn stripverhaal bezig kon zijn’. In plaats van steeds te werken aan zaken die ik mezelf heb opgelegd (zelfs als dat bloggen is). Ze zei laatst bovendien dat ze sinds we elkaar kennen, nog nooit heeft meegemaakt dat ik een dag niets heb gedaan. Volgens haar ben ik altijd aan het werk, ook als ik niet op mijn werk zit. Ik heb altijd gedacht dat ik eigenlijk passief ben, en dat ik mezelf alleen tot daden aan kan zetten door mezelf te dwingen. Dat ik mezelf ertoe moest zetten nuttige dingen te doen, en dat ik voor God moest produceren. Maar dat is dus wel heel erg vermoeiend (en ik reageer ook jaloers als ik op twitter lees van full time christenen die oproepen tot missionair werk, en zich dan gunnen om elke voetbalwedstrijd te kijken. Alsof je tijd zou kunnen hebben om je te ontspannen als je aan al die dingen ‘moet’ werken. Vooral naast je werk). Die reactie is natuurlijk niet rationeel, maar komt voort uit mijn gebrokenheid.
Wat ik me de laatste jaren steeds beter realiseer is dat mijn stress niet voorkomt uit het te veel werken. Ik kan namelijk heel veel. Er zit in mij een motor die me tot creativiteit aanzet, en mijn enthousiasme over verhalen, aquariums, schoonheid en intimiteit raakt niet uitgeput. Nee, ik ben gestrest omdat ik mijn energie kwijt ben aan het onderdrukken van mezelf. Ik probeer uit alle macht mijn enthousiasme en verlangens in te dammen, ik duw met al mijn kracht op het deksel van de put, en probeer te voorkomen dat de ‘echte Johan’ zich uit. Om overspannen te worden hoef je niet te veel te doen, het is genoeg het verkeerde te doen. En eigenlijk ben ik sinds mijn eerste overspannenheid in meer of mindere mate het verkeerde blijven doen, omdat ik niet werkelijk durfde geloven wat God al van het begin tegen me zei: dat ik onvoorwaardelijk geliefd ben, dat ik zijn geliefde zoon ben in wie hij welbehagen heeft, en dat ik dat al was voordat ik ook maar iets had gepresteerd of nagelaten.

De laatste weken is er iets veranderd, waardoor ik eigenlijk voor het eerst deze vrijheid ervaar. Ik ervaar een rust en ruimte in mijn gedachten die ik sinds mijn tienertijd eigenlijk niet meer heb meegemaakt. En ik voel me vrij om te creëren en te scheppen, zoals ik dat lang niet heb gemerkt. De reden voor deze verandering zijn enkele ontdekkingen die ik gedaan heb over mezelf, mijn jeugd, en wat ik over God ben gaan geloven, namelijk dat zijn liefde sacramenteel is en niet transactioneel. In de volgende berichten van deze serie hoop ik deze ontdekkingen met jullie te delen.

vrijdag 28 februari 2014

Gedicht: Offers

Offers

Wanneer is het genoeg?
Ik heb mijn tas al leeg geschud
boven de put. Die gaapt nog steeds:
een tandeloze mond. Vraagt mij
om meer. Meer geld, meer tijd.
Mijn toewijding verzadigt niet.
Wat heb ik dan nog over? Mijn vlees:
bleek, na lange nachten woelen
aan koorts ten prooi gevallen.
Het vuur dat ik ging afbetalen
heeft nu toch het laatste woord.
Maar zijn ogen blijven dwingen,
zijn vinger uitgestrekt. Geen begrip
voor lege beurs of stervend hart.
De machine, die moet draaien,
en voor mij tien anderen.
Dus ik snijd mezelf en voed de macht
met vreugde, met verlangen,
tot slechts leegte overblijft. Zwart,
door niets meer op te vullen.
Is het dan eindelijk genoeg?

maandag 16 september 2013

Gedicht: Valse herders

Valse herders

Ik ben te vaak geslagen
in uw naam. De stok
kwam telkens neer als ik
mij roerde, strafte mij
voor individualiteit.
Als ik mijn werk deed, kreeg ik
eten, water als ik lachte.
Ruw werd ik in de mal gedrukt
die uit uw woord was afgeleid.

Mijn meesters droegen uw gezicht
als masker, geloofwaardig.
Zo leerde ik het vrezen,
pijn te verwachten
als ik u zie, maar niet
het laten blijken,
doen alsof ik heilig ben,
terwijl ik sidder in het donker
waar mijn ziel zich heeft verstopt.

Als u roept moet ik wel komen
- staart tussen de benen.
U spreekt, stelt mij gerust.
Maar ik hoor hun stem
opnieuw. Ook zo begaan
met mijn eeuwig heil.
Dat was waarom ze mij dreven,
geen rust gunden. En nu
bent u voor mij verpest.

U zult mij moeten trainen.
Ik kan zelf niet het patroon
doorbreken, u scheiden van
het aangeleerde beeld.
Ik ben te bang voor fouten
wil niet weer dood
liggen blijven. Veroordeelt
u mij dus niet, maar til mij op.
Weest u mijn goede herder.

donderdag 8 augustus 2013

Filmbespreking: Kingdom of Heaven

2005 was het jaar van Liam Neeson. In dat jaar speelde hij drie mentorfiguren in wel heel uiteenlopende films. En in alle drie de films stierf hij (al dan niet permanent). In Batman Begins was hij Ducard, die Bruce Wayne onder zijn hoede nam. In Narnia ontfermde hij zich als de stem van Aslan over de kinderen Pevensie. En in Kingdom of Heaven is hij kruisvader Godfrey die Balian aanneemt als zoon en hem leert zwaardvechten. De acteur is ook wel heel erg geschikt voor dit soort rollen. Hij beschikt over een serieuze overtuigingskracht, gekoppeld aan een duidelijke bewogenheid. Dat maakt hem geloofwaardig. Helaas is Orlando Bloom wat minder op zijn plek als ridder. Er is iets vlaks in zijn gezichtsuitdrukking, waardoor het niet altijd makkelijk is met hem mee te leven. Pas aan het eind van de film komt hij voor mijn gevoel meer tot leven. Gelukkig is hij omgeven door een groep fantastische acteurs, die de leemte opvullen, van de mooie Eva Green tot Edward Norton als de lepreuze koning Baldwin achter een zilveren masker. Ook Jeremy Irons heeft een prachtrol. Daarnaast zijn er de mooie omgevingen om naar te kijken - de film gaat van Frankrijk in de twaalfde eeuw naar Messina, door naar het beloofde land. En het voelt alsof je er als kijker echt bent, met een geloofwaardige middeleeuwse aankleding. De regisseur heeft een goed oog voor lichtval, vaak in mooie bundels. De oorlogsscenes zijn (net als in de andere historische film van Riddley Scott, Gladiator) prachtig in beeld gebracht, met in het slot een belegering die je op het puntje van je stoel doet zitten. Ik kijk zelf graag de ‘Director’s Cut’ van de film, omdat die een completer beeld geeft van de ontwikkelingen in het verhaal.

De film vertelt het verhaal van de jonge smid Balian. Hij krijgt de kans om met kruisvaarder Godfrey mee te gaan naar het beloofde land. Die kans grijpt hij met beide handen aan, want hij heeft juist zijn vrouw verloren, en heeft tot overmaat van ramp een misdaad begaan. Hij hoopt vergeving te kunnen vinden. Godfrey overlijdt aan een verwonding, maar niet voordat hij Balian tot ridder heeft geslagen en hem de heerschappij over Ibelin heeft overgedragen. Bovendien heeft hij Balian laten beloven de koning van Jeruzalem te dienen. Eenmaal in Jeruzalem ontdekt Balian dat die belofte niet zo makkelijk is na te komen. Jeruzalem is een smeltkroes van culturen waar de spanning te snijden is. De tempeliers sturen aan op oorlog, en de koning kan steeds maar net voorkomen dat strijdheer Saladin vanuit Damascus het land binnenvalt met zijn leger van 200.000 man. En de prinses Sybilla heeft een oogje op Balian. De jonge man vindt in Jeruzalem geen antwoord op zijn vraag aan God, maar wordt in plaats daarvan op de proef gesteld als hij de enige is die de inwoners van de stad kan redden van totale vernietiging.

Het is jammer dat er niet meer ridderfilms worden gemaakt, want het is een fascinerende periode van de geschiedenis. De botsing van beschavingen in het Midden-Oosten, de macht van de kerk botsend met individuele gewetens, het gevecht om menselijke waardigheid in een harde omgeving van ziekte en dood. Deze film toont de rauwe kantjes van de middeleeuwen, maar laat ook zien dat de mensen toen gewoon mensen waren, niet anders dan wij, met vaak dezelfde beslommeringen. En de kruistochten lenen zich erg goed voor een commentaar op religieuze conflicten van onze tijd, die zich nog steeds centreren rond dezelfde landen, het hart van de wereld, de oorsprong van de drie wereldgodsdiensten. Wie heeft er het meeste recht op het heilige land? Misschien geen van drieeen. Misschien wel alle drie. Want als alle drie net zo hard roepen dat hun overtuiging de enige ware is en alle andere gelovigen ketters die ter dood kunnen worden gebracht, wat maakt ze dan verschillend? Niet de mate waarin ze van hun gelijk overtuigd zijn. Fanatisme kan de strijd om de waarheid niet beslechten. Maar misschien draait het in het geloof niet om de ‘waarheid’. Misschien hoeven gelovigen uit de drie godsdiensten elkaar niet te bestrijden, maar kunnen ze samenkomen om wat hen en ieder mens bindt: de gouden regel, namelijk om anderen lief te hebben, de zwakken te beschermen en op te komen voor weduwen en wezen. Jakobus schreef al dat dit de ware godsdienst is.
Riddley Scott identificeert zich in interviews als agnost. Dat wil zeggen dat hij niet weet of God bestaat of niet - maar hij staat er in elk geval voor open. Aan de andere kant claimt hij dus ook geen religieuze zekerheid. Dat zorgt ervoor dat hij met een open blik naar de verschillende religies kan kijken, zonder een bril die hem gunstig stemt ten opzichte van de ene godsdienst, maar vijandig ten opzichte van de andere. Hij is immers agnostisch voor alle godsdiensten en hun goden. Dus worden in deze film de moslims niet als monsters afgeschilderd. Er is respect voor hun geloof. Ze worden getoond bij het bidden, en meerdere van hun aanvoerders blijken zelf ook respectvolle mannen, met bewogenheid, ook voor hun christelijke vijanden. Maar deze weergave is niet eenzijdig. Er zijn ook fanatieke moslims, die niets liever willen dan oorlog en de herovering van Jeruzalem. Dat is namelijk de wil van Allah, zeggen ze.
Maar hetzelfde zeggen de christenen die op oorlog aansturen. Deus Vult, God wil het, roepen de kruisvaarders, vlak voordat ze dood en verderf zaaien onder de moslims. Als christen draait mijn hart zich daarbij om. Maar het zijn niet alleen de ridders die dit roepen, ook de priesters, net zo fanatiek als de moslimfanatici. Een heiden doden is geen zonde, roept er een herhaaldelijk, het is de weg naar de hemel. Geen wonder dat de vrede van Jeruzalem zo fragiel is. Maar Scott is (zeker in de ‘directors cut’) niet alleen maar negatief over christenen. Al in het begin komt een bisschop voor die waarschuwt dat de wetten niet altijd zo ernstig moeten worden toegepast, en dat in naam van Christus veel gebeurt dat Christus zelf niet zou hebben goedgekeurd. Ook een Hospitaalridder die met Balian optrekt herhaalt dat. Hij houdt Balian voor dat hij Jezus niet moet gelijkstellen met zijn volgelingen. Ik moest denken aan het bekende citaat van Gandhi, die zei ‘I like your Christ, I do not like your christians’. Ik denk dat de regisseur dit citaat zou naspreken - hij heeft duidelijk respect voor Christus, die geweldloosheid predikte, en scheidt dit van de religie die in zijn naam is opgesprongen en volken uitroeit. Religie als machtsinstrument (wat het vaak wordt) wordt hier in zijn ontluistering ten toon gespreid. Wat mensen van hun geloof maken, zodra ze het zien als de bron van hun identiteit als onderscheiden van andere mensen (als volk, maar ook als individu), is een afgod, of ze nu Christenen zijn of Moslims. Dit geldt nu ook voor ons en onze kerken!

Maar er is een alternatief. Een betere wereld, die de koning van Jeruzalem en Saladin samen tot stand hebben weten te brengen. Een wereld waarin Jood, Christen en Moslim samen leven. Waar de machteloze een baron wordt en de machthebber een dienstknecht. Waar rechtvaardigheid heerst. Een plek waar mensen niet hun identiteit ontlenen aan wat ze geloven, maar aan hun liefde voor anderen. Dit is wat volgens ridder Godfrey te vinden is aan het einde van de kruistocht. Een omgekeerde wereld. Het koninkrijk van de hemel. Ik moest hierbij denken aan ‘The Kingdom of Summer’ uit de Arthur-verhalen van Stephen Lawhead. Ook dat werd voortdurend bedreigd en was uiteindelijk slechts een kort bestaan beschoren - want laten we eerlijk zijn: hoe lang kan het paradijs in onze wereld blijven bestaan? Maar hoe kort het ook bestond, toch was het waardevol, omdat het een profetie was. Als dit nu al, tijdelijk, tussen mensen mogelijk is, dan zal het ooit eens de hele Aarde kunnen bedekken, als de wateren de zee. Dat voorspelden de profeten, en hun profetie toont opvallende overeenkomsten met hoe het rijk van Jeruzalem wordt beschreven. Het is deze wereld waar ook Jezus over sprak in zijn gelijkenissen over het koninkrijk (waar de titel van de film ook vandaan komt!).
En het koninkrijk van Jeruzalem kan alleen bestaan op basis van de regels van het koninkrijk die Jezus in zijn bergrede uiteenzette. Het is een koninkrijk van het geweten, aldus Balian. Werkelijke godsdienst bevindt zich in het hoofd en in het hart, zegt de hospitaalridder. Hij glimlacht als Balian zegt de stem van God niet gehoord te hebben, en niet langer in God te geloven. Het gaat om juiste actie, zegt hij. Opkomen voor de weerloze, het verdedigen van de zwakke, goed te doen aan ieder. Zoals verwoord in de riddereed. Daarin is God aanwezig. Scott ontkent niet het bestaan van God (er is een interessante discussie over de brandende braamstruik van Mozes, die eindigt met een mysterie). Maar het belangrijkst is niet de vraag of God bestaat, maar of wij liefhebben. Dit is ook wat Jezus het belangrijkst vindt (de belangrijkste regels uit de wet zijn volgens hem God lief te hebben boven alles en de naaste (elke naaste, ook die uit andere godsdiensten) als jezelf). Een godsdienst die er niet toe leidt dat je jouw naaste respecteert en liefhebt, is geen ware dienst van God. Hij geeft meer om liefde dan om dogma. Lees de eerste brief van Johannes maar eens. Wie liefheeft, wat hij verder ook gelooft of niet gelooft, is uit God. Wie niet liefheeft, welke dogma’s hij ook mag aanhangen, is niet uit God. Balian omarmt dit radicale principe uiteindelijk. Zijn drijfveer is de wereld een betere plek te maken.

Zo goed zijn mensen echter helemaal niet! Balian is niet anders dan die mannen die op oorlog uitsturen. We kunnen niet uit onszelf goed doen. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt immers door ons eigen hart, aldus Solchenytzin. En dat weet ook Balian. De film begint er immers mee dat hij een afschuwelijke misdaad pleegt. Hoe kan dan de hoop van het koninkrijk der hemelen op zijn schouders rusten? Hoe kan hij leren liefhebben, niet alleen zijn vrienden, maar ook zijn vijanden? We kunnen onszelf niet redden, niet door religieuze plichtsbetrachting, maar ook niet door lief te hebben. We hebben immers nooit genoeg lief om aan de maatstaf van Gods perfectie te voldoen. Als we moeten liefhebben om daar onze redding mee te verdienen, zijn we gedoemd tot het oordeel. We zijn immers zelf ook schuldig. Balian weet dat. Er zijn soldaten achter hem aangestuurd en zij hebben het recht hem mee te nemen. En in dit dilemma ligt het hart van de film, en om deze reden is de rol van Liam Neeson hoewel klein, cruciaal. Want hoewel de soldaten het recht hadden Balian te nemen, had Godfrey datzelfde recht. En de vader nam het op voor zijn zoon, hoewel die het niet verdiend had.
In prachtige beelden ontfermt de vader zich over zijn zoon, spreekt vertrouwen in hem uit, en geeft hem een nieuwe identiteit. Hij slaat hem tot ridder. “Sta op als ridder!”, zegt hij. Deze nieuwe identiteit ontvangt Balian nog voordat hij iets heldhaftigs heeft gedaan, nog voor hij heeft laten zien dat hij in staat is anderen lief te hebben. Het is een verklaring over hem, die waar is, wat hij vervolgens ook doet. Zijn vader houdt van hem en noemt hem een ridder. Alles wat Balian vervolgens doet in de film, is gebaseerd op zijn nieuwe identiteit. Het thema wordt tegen het eind van de film herhaalt, als Balian zelf een groep strijders ridders maakt. Iemand vraagt aan hem: “Denk je echt dat een man die je een ridder maakt, daardoor een betere strijder wordt?” Balians antwoord is: “Ja!” En de kersverse ridders stralen (waarmee ze zijn woorden bewijzen). Een van hen is iemand die Balian van thuis kende, een grafdelver. Maar, zegt Balian: hij is niet meer de man die hij ooit was, zoals Balian dat ook niet meer is. Ze hebben een nieuwe identiteit in het koninkrijk der hemelen. En die nieuwe identiteit stelt hen in staat om Jeruzalem te verdedigen.
En dit is uiteindelijk de boodschap van het christelijk geloof. God vraagt geen onderwerping, zoals in de Islam. Hij spreekt onvoorwaardelijke aanvaarding uit, wat we ook hebben misdreven of ooit zullen misdrijven, zoals Godfrey (op aanraden van de Hospitaalridder) Balian onvoorwaardelijk aanvaardt. Dit heeft hij laten zien door tot ons te komen, mens te worden en zijn armen te spreiden aan het kruis (Godfrey sterft aan een wond in zijn zij, opgelopen toen hij Balian wilde redden). En vervolgens laat hij ons vrij om te kiezen (wat Sybilla aangeeft). Kiezen voor het pad dat leidt tot oorlog en vernietiging, van anderen en uiteindelijk van onszelf (zoals de fanatici aan beide zijden van het conflict), of kiezen voor het pad van de liefde voor ieder mens, het pad van zelfopoffering.  Balian moet zelf kiezen om Godfrey te volgen en in zijn ware identiteit te gaan leven. Net zo roept Jezus ons op om hem te volgen. Dezelfde eerste brief van Johannes die ik hierboven aanhaalde stelt dat we zeker kunnen zijn van onze identiteit: “Ziet welk een liefde de vader ons gegeven heeft dat wij kinderen van God genoemd zouden worden. En wij zijn het ook.” Omdat wij geliefde kinderen van God zijn, kunnen wij liefhebben “omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”. En als wij liefhebben wordt, hoe tijdelijk en hoe fragiel ook, het koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar.

maandag 30 januari 2012

Religie, relatie of liefde?

Een paar weken geleden deed er een video de ronde op internet met een soort gedicht op een beat - ‘spoken word’ noemen de mensen die op de hoogte zijn van moderne cultuur dit fenomeen. De titel was: ‘Why I hate religion, but love Jesus’. Ik zag hem overal voorbijkomen, op Twitter, op Facebook. Het kan bijna niet anders of lezers van mijn blog hebben deze beelden ook gezien. En ik las er ook nog eens talloze commentaren op. Van mensen die het met de maker eens waren, maar ook veel van mensen die het niet met hem eens waren.
Wees gerust, ik ga niet nog een analyse van deze ‘spoken words’-uitvoering publiceren. Ik was het met veel uit de video eens, al had ik wel graag een vermelding gezien van Jezus’ opstanding en niet alleen van Jezus’ dood. Maar ik werd wel aan het nadenken gezet door de discussie er omheen. Het filmpje werd regelmatig doorgestuurd en ge-‘liked’ door mensen die ik ken uit de kerk. Mensen die ook heel enthousiast zijn over het kerksysteem, en die het heel belangrijk vinden dat je daaraan meewerkt en een taak uitvoert en genoeg bidt en uit de bijbel leest. Ik vond dat ironisch. Wat deze artiest beweerde, was dat ‘Religion says do, Jesus says done’. En zij knikten daarbij. Om vervolgens in de kerk in preek na preek te horen dat je eigenlijk meer moet bidden, uit de bijbel lezen, evangeliseren et cetera. En daar ook bij te knikken. Volgens mij is er hier sprake van een begripsverwarring. Om uit een van mijn favoriete films, The Princess Bride, te citeren: “You keep using that word. I don’t think it means what you think it means ...
Ik zie de boodschap zoals die in de evangelische kerk wordt gepredikt, als in essentie religieus. De kern lijkt te zijn dat wij door onze activiteiten controle kunnen uitoefenen over onze relatie met God en dus over God zelf. Als wij niet bidden of naar de kerk gaan, gaat het slecht tussen ons en God en dus uiteindelijk met ons. Als wij wel bidden en naar de kerk gaan, zal God ons zegenen en zal het dus goed met ons gaan. Deze activiteiten verwacht God toch wel van zijn volgelingen om ze tot ‘goed christen’ te kunnen bestempelen. Maar mijn kennissen definiëren religie anders. Ze geloven immers dat ze gered zijn door genade. Wat ze doen in de kerk zouden ze dus niet als religie omschrijven. Nee, ze zouden zeggen dat het gaat om een relatie. Christendom is geen religie, maar een relatie. En, wordt er dan aan toegevoegd, aan een relatie moet je werken. En daar komen al die activiteiten weer om de hoek kijken. Maar de schijnbare relatie krijgt zo wel een heel religieus karakter!
Dit valse onderscheid werd ook opgemerkt door veel criticasters van het betreffende filmpje, vooral van degenen uit de meer traditionele kerken. Volgens hen was de artiest niet vernieuwend, maar een doodgewone evangelicaal, die net als zovelen voor hem het mantra ‘relatie, geen religie’ herhaalde. En ze toonden, volgens mij overtuigend, aan dat dit een valse tegenstelling is. Ze lieten zien hoe mensen niet aan religie kunnen ontsnappen en hoe ook alles wat evangelicalen waarderen (dogma’s, de bijbel, kerkgebouwen) is ontstaan uit religieuze systemen. Ze suggereerden dat de evangelischen alleen oude religieuze gewoontes door nieuwe hadden vervangen. Ze wezen op het belang van rituelen en symbolen voor de menselijke zingeving (zit ook wat in, natuurlijk), en op de waarde van een religieuze gemeenschap. Hun conclusie was dat religie (zoals zij dat definieerden) zo slecht nog niet was, en dat het meedoen in tradities en het houden van gebruiken hoorde bij het volgen van God. Ze losten de versmelting van religie en relatie op door de kant van de religie te kiezen.
Ik kies er daarentegen voor om ‘relatie’ los te laten.

En ik slaak een zucht van opluchting. Je las het goed: als ‘relatie’ en ‘religie’ als beschrijvingen van onze verhouding tot God eigenlijk niet van elkaar te scheiden zijn, laat ik ze allebei varen. Gods doel is namelijk niet om een relatie met ons te hebben. Laat het even tot je doordringen. Is het niet bevrijdend? De verhouding tussen God en ons is eenzijdig. Hij houdt van ons. Hij hoeft daarvoor niets in ruil, niet ons religieuze plichtsbetrachting, maar ook niet onze pogingen te werken aan een relatie met Hem. Hij houdt van ons, zoals we zijn, om wie we zijn. Punt. Niets kan dat veranderen. Het enige dat hij verlangt, zoals ook ieder mens verlangt die iemand liefheeft, is dat de ander ook hem liefheeft, dat wij van Hem gaan houden. Maar dat is op geen enkele manier een voorwaarde die hij stelt aan zijn liefde, of een vereiste waar hij ons op afrekent. God heeft zijn liefde jegens ons bewezen, doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren (Romeinen 5).
Dit is het goede nieuws. De boodschap dat God ‘een relatie’ met ons wil is dat niet. Want een relatie schept verantwoordelijkheid. Een relatie moet worden onderhouden. Zo wordt de boodschap ook vaak gebracht. Je moet naar God luisteren door de bijbel te lezen, je moet regelmatig met hem praten. Je moet stille tijd houden - als je een relatie hebt, breng je immers ook veel tijd met elkaar door? God verwacht van je dat je jouw relatie met hem prioriteit geeft. Dus zetten we weer bijbelleesroosters op en bidden we volgens een schema. Het probleem is echter dat deze relatie met God vaak heel eenzijdig lijkt. De inspanning lijkt vooral van onze kant te komen. Daar mogen we natuurlijk niet over klagen, want Jezus heeft ons gered, maar het is wel frustrerend. Heb je wel eens een telefoongesprek geprobeerd te voeren waarbij de persoon aan de andere kant van de lijn stil bleef? Als je dat elke week, of elke dag zou moeten doen, zou je het snel als verplichting of last aan ervaren. En zelfs als je wel Gods aanwezigheid ervaart, is het mijn ervaring dat die beleving snel verdwijnt als je het bidden of bijbellezen gaat doen op basis van discipline, of van verplichting, omdat het ‘moet’. De motivatie wordt onherroepelijk religieus. En heeft niets meer te maken met liefde.

Op de Mockingbird-blog las ik laatst een interview met twee televisiemakers, een man en een vrouw (ik linkte er ook naar in een eerder bericht). Zij werkten nauw met elkaar samen, ze spraken elkaar elke dag via SMS. “Sometimes I think it’s the most successful love affair either of us will ever have”, zegt een van hen. Toch zeggen ze dat ze geen relatie met elkaar hebben. De verklaring van de man: “It would be colder, because we’ve both treated our romantic relationships in a cold way. Carrie and I are more romantic than any other romantic relationship I’ve ever had—that sense of anticipation about seeing the other person, the secret bond. But things don’t become obligatory. I’m not thinking, I’m doing this because you’re my girlfriend; I’m just thinking, I love Carrie.
Daarin ligt de hele kern van het probleem. Want van de liefde blijft weinig over als je dingen voor de ander gaat doen ‘omdat die horen bij een relatie’. Als je bloemen meebrengt op Valentijnsdag ‘omdat mensen in een relatie dat voor elkaar moeten doen’ (een van de redenen dat ik een hekel heb aan Valentijnsdag). Als je tijd met de ander doorbrengt ‘omdat het van je verwacht wordt als partner’. Als je een klusje voor de ander uitvoert ‘omdat hij of zij anders teleurgesteld zal zijn’. Als je knuffelt, ‘omdat verliefde stelletjes dat doen’. De liefde van mensen is niet volmaakt, dus soms zullen we in een relatie bepaalde dingen doen omdat we een relatie hebben - zo kunnen we misschien een dip in ons gevoelsleven, of een piekerbui overbruggen. Maar als dat alles is, kun je beter als stel uit elkaar gaan. Als het goed is WIL je namelijk bloemen (of iets anders dat je partner waardeert) meebrengen, omdat je vindt dat de ander dat waard is. Je WILT tijd met de ander doorbrengen, omdat je het leuk vindt naar hem of haar te luisteren en je eigen ideeen met hem of haar te delen. Je WILT een klusje voor de ander doen, niet om de ander niet teleur te stellen, maar om hem of haar te helpen! Je WILT knuffelen, omdat je de ander mooi of lief vindt. Kortom: je doet wat je doet omdat de ander is wie hij of zij is. Nergens anders om. Je komt in actie omdat je van de ander houdt - wat wil zeggen dat je er niet eens over hoeft na te denken - het is gewoon wat je doet als je liefhebt!

Zo is het ook tussen ons en God. We hoeven van hem niets te doen omdat het nu eenmaal hoort bij een relatie tussen een mens en God. We zijn niet verplicht te bidden of uit de bijbel te lezen. God houdt niet meer van ons als we vaker stille tijd doen, en hij gaat ons ook niet minder zegenen als we de kerkdienst verzuimen. God wil ons hart, niet onze gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is immers iets dat wij kunnen controleren. Mensen zijn er goed in. We willen precies horen wat we wel en niet moeten doen in de relatie. Het liefst willen we een contract opstellen (‘Wat vindt je ervan als ik je drie keer per week bel? Zou twee keer per week ook goed zijn? Ik zal precies zo vaak e-mailen als jij! Ik stuur je elke maand een bos bloemen, maar dan moet jij mijn was voor me doen.’). We zijn er ook goed in onszelf en anderen op dergelijke eisenpakketten af te rekenen. Voor wat hoort wat, tenslotte. Maar God wil niet in onze menselijke contracten betrokken worden. “Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen.” (Amos 5:21-23). Duidelijke taal. Zelfs al had God zelf gezegd dat zijn volk moest offeren, als ze het deden uit plicht had het voor hem niets te betekenen. Waar hij naar verlangt is dat zijn kinderen van Hem houden om wie Hij is.
Dit wordt heel mooi weergegeven in het beeldende boek The Divine Romance van Gene Edwards. Hij beschrijft daarin hoe God verlangt naar een partner, een bruid die bij hem past, die Hem liefheeft zoals Hij haar liefheeft. Adam is een beeld van Christus, en Adam wilde niet alleen zijn. Zo wil ook Christus dat iemand Hem liefheeft. Niet iemand die religieuze plichten voor hem vervult, niet iemand die zich uit angst voor hem inspant, maar iemand die zo onder de indruk is van Hem dat het als vanzelf haar leven gaat vervullen. Edwards laat het God zeggen: “I did not require of you, your wealth nor coins of glod. What need have I of these? I did not ask of you that you serve me. Do I, the mighty one, need to be waited upon? Neither did I ask of you, your worship nor your prayers nor even your obedienc. I have asked but this of you, that you love me ... love me ... love me.”

God heeft ons lief. Punt. En hoe meer we dat gaan beseffen, hoe meer we Hem zullen liefhebben. En dan zullen we steeds vaker aan Hem gaan denken. Dan zullen we zoeken naar beelden en woorden van Hem, in de bijbel natuurlijk, maar ook in muziek, in verhalen, in films, in andere mensen. We zullen over Hem praten, zoals verliefde mensen niet kunnen zwijgen over hun partner. We zullen zijn aanwezigheid opzoeken, gewoon omdat we het fijn vinden bij Hem te zijn. We zullen andere mensen willen ontmoeten die Hem ook kennen, om te horen waarom zij Hem zo bijzonder vinden. We zullen gaan doen wat Hij belangrijk vindt, omdat Hij het zo belangrijk vindt. En dat alles zal voor ons niet als plicht voelen. Het zal juist een vreugde voor ons zijn. We zullen niets liever willen. Want we zullen boven alle dingen naar Hem verlangen. En uit ons verlangen komt ons handelen voort, in plaats van uit plicht. Zowel de activiteiten van de relatie, als de vormen van de religie, zullen dus geen inspanning zijn, maar vrucht, zoals ik vaker heb betoogd (en zo komt ook aan die schijnbare tegenstelling tussen deze twee een eind).
Als we deze vruchten niet zien in ons leven, moeten we onszelf niet verplichten om ‘aan de relatie met God te werken’. We moeten niet uit schuldgevoel taken op ons nemen, bidden omdat het hoort, of naar de kerk gaan omdat we bang zijn dat God anders teleurgesteld in ons zal zijn. God eist al die dingen helemaal niet van ons. Hij verbindt er geen consequenties aan. We hoeven niet bang te zijn dat Hij ooit minder van ons zal gaan houden. Wat een opluchting! Wat we wel kunnen doen, als we dat willen, is ons openstellen voor zijn liefde. We kunnen luisteren naar wat andere mensen over Hem zeggen. We kunnen zijn woord lezen met de vraag wat dat zegt over zijn liefde. We kunnen zijn aanwezigheid zoeken en Hem vragen zijn liefde aan ons te laten zien. We kunnen ons verlangen uitspreken dat we meer van Hem willen kennen. En hoe meer we van Hem ontdekken, hoe meer we zijn liefde leren kennen, hoe groter onze liefde voor Hem gaat worden.

Ikzelf had al een paar weken lang niet uit de bijbel gelezen, omdat het als een plicht voelde. Toen besefte ik opeens dat God het ook niet wil dat ik dit uit plichtsgevoel doe. Hij eist van mij helemaal niets. En het lijkt misschien paradoxaal, maar prompt had ik weer zin om uit de bijbel te lezen. Niet omdat het moest, maar omdat ik graag meer wilde leren over God en zijn liefde voor mij, zoals Hij heeft laten zien in Christus. Ik dacht er niet bij dat ik daardoor een beter christen zou zijn, of een betere relatie met God zou hebben. Ook al zou ik niet uit de bijbel hebben gelezen, de liefde van God voor mij zou niet minder zijn geworden. Het is waar: de liefde van God maakt ons werkelijk vrij.