Posts tonen met het label misbruik. Alle posts tonen
Posts tonen met het label misbruik. Alle posts tonen

maandag 22 juni 2015

Het spel verlaten (5 en slot): Verantwoordelijke volwassenen

Ik had nooit gedacht dat ik nog eens vijf essays van meer dan tweeduizend woorden elk zou schrijven naar aanleiding van Tron Legacy, maar de film bleek voor mij een mooie kapstok voor ideeën die al langer in mijn gedachten rond slingerden. Zoals bij elke filmbespreking kan ik niet zeggen of de filmmakers deze uitleg letterlijk voor ogen hadden bij het opnemen en monteren. Maar dat is (zoals ik betoogde) niet doorslaggevend. George MacDonald heeft ooit gezegd dat terwijl Gods werk niet meer kan betekenen dan Hij bedoelde, dat van de mens wel meer moet betekenen dan hij bedoelde. “Een mens kan heel goed zelf een waarheid ontdekken in wat hij schreef, want hij had te maken met zaken die voortkwamen uit gedachten hoger dan de zijne.” In het verhaal wordt voor mij iets van de waarheid onder alle dingen zichtbaar, mijn verlangen wordt erdoor opgewekt, en dat is mijns inziens wat telt.
Het laatste beeld uit deze film dat ik wil aanstippen komt uit het einde van het verhaal. Ik had al aangestipt dat Sam aan het eind van het verhaal zijn volwassen verantwoordelijkheid op zich neemt. Hij durft initiatieven te gaan nemen, zich te bemoeien met zijn erfdeel, en een relatie met een vrouw aan te gaan. Hij is niet langer een recalcitrant kind, dat afhankelijk is van de goedkeuring van zijn vader, die helaas is uitgebleven, maar hij kan op eigen benen staan. Hij is zeker van zijn eigen waarde. Daarom is aan het einde van de film zijn vader ook niet bij hem. Maar hij draagt om zijn hals wel een ketting, met daaraan een USB-stick. Ook al ziet en spreekt hij zijn vader niet meer, hij hoeft alleen maar naar die stick te kijken om aan zijn vader herinnerd te worden. Sterker nog: die stick bevat een kopie van de computerwereld die zijn vader gemaakt heeft. Het is een symbolische herinnering en tegelijk de wereld zelf! Zolang Sam de USB-stick ziet en kan aanraken, kan hij niet twijfelen aan wat hij heeft meegemaakt, en wat zijn vader hem vertelde. Het is echt, en dat blijkt uit de stick, hoe klein het apparaatje ook lijkt en hoe levenloos het er van buiten ook uitziet. Het is het enige dat Sam nodig heeft om zijn leven als volwassen man te gaan leiden.

De bijbel suggereert dat God wil dat we volwassenen zijn. De profeten in het Oude Testament suggereren dat God Israël deed opgroeien tot volwassene, maar teleurgesteld was dat het volk zich als kind bleef gedragen. Het Nieuwe Testament zegt dat we tot ‘volle wasdom’ moeten komen. En in Hebreeën merkt Paulus op dat het niet de bedoeling is dat we melk moeten blijven drinken, maar vast voedsel moeten aankunnen. In de kerk worden gelovigen echter vaak kinderen gehouden. Een ‘kinderlijk geloof’ wordt opgehemeld boven zelf nadenken, vragen stellen, een eigen mening vormen.
In werkelijkheid is dit niet anders dan een systeem van controle, dat ook gebruikt wordt in gezinnen waar sprake is van misbruiksituaties. Ik had het hier laatst met iemand over, die in zo’n gezin is opgegroeid, met ouders die voortdurend over haar grenzen heen kwamen. Ze vertelde dat haar ouders haar bewust in het stadium van ‘magisch denken’ van een kind hielden. Ze maakten haar wijs dat als zij slechte of boze gedachten had, dat er dan slechte dingen zouden gebeuren. Ze vertelden haar dat ze over alle gedachten eerlijk moest zijn, omdat mensen toch wel aan haar konden zien wat ze dacht. Ze moest alle vragen beantwoorden, en mocht niet naderhand van idee veranderen. Ze voelde zich dus gedwongen ook als volwassene al haar ideeën en gedachten te openbaren en iedereen er over te laten oordelen. En ze voelde zich diep schuldig bij een slechte gedachte, omdat ze bang was dat die noodzakelijk ook waarheid zou worden. Bovendien kon ze die ideeën niet corrigeren, omdat ze niet mocht vertrouwen op gezond verstand of de wetenschap. Dat had ze dan wel op school geleerd, maar haar ouders wisten wel beter. Natuurlijk was voor mij als buitenstaander te zien hoe haar ouders deze ideeën gebruikten om haar te manipuleren. Ze had immers niet de vrijheid om zelf over haar gedachten te oordelen en te kiezen of ze ze werkelijkheid wilde maken (door ze uit te voeren of uit te spreken). Hierdoor waren haar ouders in staat om haar van alles wijs te maken - en andere mensen ook. Zoals je een kind van alles kunt wijsmaken. Een kind heeft ook nog niet geleerd dat het zijn ideeën mag toetsen en mag wijzigen, dat het zelf ‘eigenaar’ is van de eigen binnenwereld. En dat het zelf verantwoordelijk is voor hoe de binnenwereld de buitenwereld beïnvloedt. De ouders van degene met wie ik sprak, hadden haar doen geloven dat die verantwoordelijkheid bij hen lag, en niet bij haar.
Ik zag een sterke overeenkomst met hoe ik was opgevoed in de evangelische kerk. Want ik had hetzelfde ‘magische’ idee meegekregen, namelijk dat als er een bepaald verlangen of idee in mij opkwam, dat gelijkstond aan het plegen van een zonde. De gedachte had dezelfde morele lading als de daad zelf. Ik kan echter niet verantwoordelijk zijn voor de gedachten die in mijn opkomen, ik kan niet verantwoordelijk zijn voor waar ik naar verlang. En dus moest ik ook mijn innerlijke leven, mijn verbeelding, laten beoordelen door de kerk, door de leer. De mening van anderen was altijd belangrijker dan die van mij. Ik mocht niet vertrouwen op mijn eigen denken, of mijn waarnemingen. De wetenschap werd gewantrouwd, de kerk was de enige bron van zekerheid. De kerk nam dus de rol van een ouderfiguur in. Ik moest elke gedachte wegen naar de normen van de kerk, en als er een verkeerde tussen doorglipte, moest ik boete doen en om vergeving vragen alsof ik een misdrijf begaan had. Ik stopte bijvoorbeeld met het tekenen van stripverhalen samen met mijn broer, omdat er wel eens mensen in doodgingen (de hoofdpersoon was Ewout Jansen, geheim agent 008), en een verhaal schrijven waarin iemand doodging, was gelijk aan iemand vermoorden. Maar ik mocht ook geen verlangen voelen naar een vrouw! Want dat verlangen stond gelijk aan overspel! Dus bij elk glimpje verlangen dat opborrelde, ging ik doen wat de kerk mijn voorschreef: bidden, bijbel lezen, evangeliseren - alles om maar als een ‘goed christen’ te worden gezien. Door mij in het magische denken van een kind te houden, kreeg de kerk voor elkaar dat ik me voor haar inzette en haar doelen boven de mijne stelde. Net als degene met wie ik sprak over misbruik de doelen van haar ouders diende, en hun vernederende woorden en daden heel lang accepteerde, omdat ze geestelijk gezien een kind werd gehouden, en haar verantwoordelijkheid door hen was overgenomen. Het is manipulatie!
Ik ben geen kind meer. Ik doe niet meer automatisch alles wat in mij opkomt. Ik ben verantwoordelijk voor mijn daden. Ik kan ervoor kiezen anderen met respect te behandelen als waardevolle individuen. Ik kan beslissen God lief te willen hebben boven alles, en mijn naaste als mezelf. En dat betekent dat ik ook vrij ben in mijn denken. Ik hoef niet meer politieagent te zijn voor alles wat in mijn opkomt, of alles zomaar te delen. Ik mag alles denken, en vervolgens kiezen wat ik ervan wil zeggen of in praktijk brengen. Dit las ik op een forum: “There's a (very false) assumption in society that what we imagine is what we want, unconsciously or consciously. As anyone who's been through proper treatment for intrustive thoughts will tell you, a thought or an imagining does not equal a desire. The imagination is mental play for people of all ages. It allows us to have experienes we might not otherwise have "in real life," as it were. I can enjoy imagining being a double agent on a deadly mission to preserve world peace or something, whether it's all in my own head or with the aid of a piece of media. But I'll be damned if I ever do such a thing in real life, no only for the complete lack of plausibility, but because it's not something I have the least bit of interest in pursuing.” Het verhelderde een boel! Dit had ik in de kerk echter niet geleerd! De kerk was er nooit van uitgegaan dat ik voor mijn eigen handelen verantwoordelijk zou kunnen zijn. De kerk vertrouwde me niet. De kerk wilde mij een kind houden.

Let er overigens op dat er in beide gevallen, bij ouders die schuldig zijn aan misbruik, en bij een controlerende, fundamentalistische kerk, een sterk transactioneel element in de relatie zit. De relatie tussen kind en ouder is immers ongelijk. Het kind kan de ouder boos maken, en verdient dan straf. Of het kan de opgedragen karweitjes doen, en dan beloond worden. En als het niet de karweitjes doet, dan zwaait er wat. Voor het kind voelt dit als absoluut, omdat het in alles van de ouder afhankelijk is. Het kan niet op eigen benen staan. Dus moet het gehoorzamen. Het kan niet in twijfel trekken wat de ouder zegt. Een goede ouder zal dat wel toelaten en het kind eigen keuzes laten maken, maar een slechte ouder doet dat niet, omdat die zo macht over het kind behoudt (waardoor de opvoeding bijvoorbeeld makkelijker wordt). Ikzelf was bijvoorbeeld tot in mijn twintiger jaren heel bang dat een van mijn ouders boos op mij zou worden, bijvoorbeeld als ik een laag cijfer zou halen tijdens mijn studie, of als ik mijn baan zou kwijtraken. Ik ging, ook al was ik wat leeftijd betreft al lang volwassen, met hen om als was ik een klein kind en kon ik hun goedkeuring of acceptatie verdienen door aan hun verwachtingen te voldoen. En daardoor liet ik me door hen controleren en was ik niet in staat mijn eigen leven te leiden. Zoals ik me ook lange tijd door de kerk liet controleren in plaats van mijn eigen prioriteiten te stellen.
De laatste tijd is mijn relatie met mijn ouders echter enorm verbeterd. Ik heb namelijk besloten dat ik van mijn kant als volwassene met ze wil omgaan. Dat wil zeggen dat ik mezelf zie als verantwoordelijk voor mijn eigen leven, voor mijn eigen keuzes. Ik hoef geen verantwoording meer aan ze af te leggen, ook niet voor mijn overtuigingen of plannen. Ik heb er lang genoeg over nagedacht, en ben niet kinderlijk impulsief. Ik vertrouw mezelf. En ik verwacht van hen niet meer dat ze mij moeten goedkeuren, of dat ze het eens moeten zijn met alles wat ik doe of denk. Zij zijn ook volwassen, hebben hun eigen overtuigingen en voorkeuren, en die wil ik respecteren. Mijn ouders mogen zichzelf zijn. Maar ik zal ook mezelf blijven. Als volwassenen van beide kanten kunnen we elkaar in de ogen kijken, en met elkaar praten en van elkaar leren. En soms botsen we, en zijn we het niet met elkaar eens, maar dat kan als volwassenen!
Van mijn kant ben ik minder transactioneel geworden, maar meer sacramenteel. Ik wil mijn liefde voor mijn ouders laten zien, niet om door hun bevestigd te worden, maar omdat ik van ze houd. En dus spreken we soms iets af, gaan we bijvoorbeeld naar de stad of het museum. Maar als dat een paar maanden niet gebeurt, voel ik me ook niet schuldig. Van mijn kant uit probeer ik hun liefde ook te zien in wat ze doen en zeggen, en het niet op te vatten als een transactie, waarbij ze in ruil voor hun acceptatie van mij een ‘braaf’ gedrag verwachten. Het is voor mij een bevredigende ontwikkeling. Ik zie bijvoorbeeld steeds meer eigenschappen in mijn ouders die ik van mezelf herken, en kan ze steeds meer als mens waarderen. Maar ook mijn ouders zij er volgens mij blij mee, want ze zijn net als ik veel meer ontspannen als we bij elkaar zijn, durven vrijer te lachen, en durven ook vaker contact op te nemen. Ja, ze genieten ervan om met een volwassen zoon om te gaan.

Deze ervaring heeft me ervan overtuigd dat God ook belang hecht aan een volwassen relatie met ons. Ja, we blijven zijn kinderen (ik blijf ook kind van mijn ouders), maar dat wil niet zeggen dat we kinderlijk blijven. Jezus noemt ons niet langer zijn slaven, maar zijn vrienden. En in Galaten zegt de wet toezicht op ons hield, als op minderjarige kinderen, “maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht” (Galaten 3:25). In het Oude Testament gaat God met zijn mensen niet om als met kinderen, maar als met vrienden. Hij discussieert met Abraham, met Mozes, met Job. Hij blijft in die gesprekken zichzelf, maar hij laat hen ook zichzelf blijven. Hij accepteert het als ze weerwoord geven, maar laat ook zijn eigen glorie zien als ze hem in twijfel trekken. De vonken vliegen er soms van af! Maar, zoals God tegen Mozes zegt in de bioscoopfilm van laatst: “And still, here we are, talking …
In de Joodse geloofsbeleving is het veel gebruikelijker om met God te discussieren. Er zijn zelfs gevallen bekend van een rechtszaak tegen God, zelfs na de holocaust, waarbij de deelnemers besloten dat God wel wat uit te leggen had. En waarna ze daarna gewoon gingen bidden. Op deze manier met God omgaan is alleen mogelijk op basis van wederzijds respect, en dat is sacramenteel, niet transactioneel. Door zijn onvoorwaardelijke liefde creëert God een speelveld waarin wij daadwerkelijk vrij zijn. Waarin we mogen experimenteren, fouten maken, en van onze fouten leren. Waarbij we onze grenzen mogen ontdekken, en ontdekken wat onze verlangens zijn. Waarbij we mogen opgroeien. Want dat is nodig om volwassen te worden. Zoals goede ouders hun kinderen als tieners liefdevol de vrijheid geven een eigen identiteit te ontwikkelen, door ze duidelijk te maken dat hun liefde niet voorwaardelijk is, zo doet God het met ons ook. Hij is als de vader in de gelijkenis, die de armen opent om ons thuis te verwelkomen, wat we ook hebben gedaan. Hij respecteert altijd onze keuzes.
Wat is de rol van de kerk hier dan in? De kerk is, als het goed is, de plek waar we herinnerd worden aan die onvoorwaardelijke liefde van God, die ons in onze identiteit kan brengen. De kerk stelt, als het goed is, geen voorwaarden en houdt ons niet kinderlijk, maar biedt ons de tekenen aan van Gods liefde aan. In het woord, in brood en in wijn. Dat zijn de zichtbare tekenen van de onzichtbare waarheid, die altijd waar is, ongeacht wat zichtbaar is, namelijk dat God van ons houdt, en ons uit de dood weer levend maakt. Het enige dat van ons gevraagd wordt, is onze handen op te houden en het te ontvangen. Om ‘Amen’ te zeggen als de bedienaar van het sacrament zegt: ‘Dit is het lichaam van Christus’, of ‘Dit is het bloed van Christus’. Niet ‘Dank je wel’ - dat zou weer een transactie suggereren, en dat is hier niet aan de orde. We zeggen: ‘Zo is het’, want zo is het. God houdt van ons, of we nu dankbaar zijn of niet. En dan mogen we in de zekerheid van die liefde de kerk weer uitgaan en gaan leven.
Als Gods volwassen kinderen. 

dinsdag 13 januari 2015

Gedicht: Vijfde colonne

Vijfde colonne

Je hebt je goed verstopt,
doet je voor als deel van mij
niet te onderscheiden
van mijn gedachten. Je lijkt
te slapen. Zo stil lig je
dat ik je haast vergeet.

Mijn aandacht raakt verslapt.
Het leven zonder jou
is zwaar genoeg. Ik moet vechten
om overeind te blijven
elke dag. En mijn hart
blijft onverdedigd achter.

Dan komt er een signaal
onwetend uitgesproken
door mijn vrienden. Een plek
die me aan jou doet denken.
Het voldoet. Je activeert
je wapens en valt aan.

Zenuwcentra vallen
onder jouw terreur. Mijn maag
is tot een klomp bevroren.
Je propaganda klinkt
vertrouwd. Ik raak door jou
tegen mezelf gekeerd.

Na slapeloze nachten
keert het tij. De strijd
opnieuw door mij beslecht.
Maar je bent niet weg.
Je hebt je teruggetrokken
tot ik me weer veilig waan.

woensdag 12 maart 2014

Het heilige evenwicht (5 en slot): Het einde van de reis

Voor wie mijn nerveuze blogberichten over de kerk in het verleden wel eens heeft gelezen, zal deze bekentenis niet als een verrassing komen. Ik lijd aan het ‘Post Traumatic Church syndrome’. Nee, dit is geen officiële diagnose. Nee, het staat niet in de DSM IV, of welk nummer het boek ondertussen ook heeft. Maar het is wel echt. Ik las erover in een stuk op het internet. “There is a spiritual condition that is even more real and more dangerous than the disease that robbed me of my physical health for many years: Post-Traumatic Church Syndrome. PTCS presents as a severe, negative -almost allergic- reaction to inflexible doctrine, outright abuse of spiritual power, dogma and (often) praise bands and preachers. Internal symptoms include but are not limited to: withdrawal from all things religious, failure to believe in anything, depression, anxiety, anger, grief, loss of identity, despair, moral confusion, and, most notably, the loss of desire/inability to darken the door of a place of worship. The physical symptoms of PTCS -which may or may not be present- include: cold sweats, hives, nausea, vomiting, sexual dysfunction, sleep disturbance, rashes, heart palpitations, increased blood pressure — oh, to heck with it. The symptoms are as varied as the people who suffer them.”
Ja, dat beschrijft wel mijn symptomen. Ik ben jarenlang niet naar de kerk gegaan, en als ik naar de kerk ging, zat ik op mijn stoel angstig heen en weer te schuiven, omdat ik me schuldig voelde, en omdat mijn zelfbeeld afbrokkelde. Vaak had ik de hele zondag nodig om me er weer van te overtuigen dat ik geen slecht mens was, dat ik niet hoefde veranderen, dat God van me hield. Ik kon niet met regelmaat bidden, of bijbellezen. En inderdaad: ik had stressverschijnselen: eczeem, slapeloosheid, nervositeit. 
Wat is de oorzaak? “We crash into religion when we go looking for God. And the crashing has left us with spiritual whiplash, broken bones, bruises, welts and lacerations. It has left us feeling alone and scared and suffering. It has left us with a boatload of internal and external symptoms the persons of spiritual authority tell us are all in our heads and would go away if we just had more faith. Don’t believe them.” Er zijn veel mensen die problemen hebben met de kerk, en ze willen allemaal hetzelfde: ze verlangen naar God zonder door dogma’s te worden ingeperkt of aan geestelijk misbruikt te worden onderworpen. Helaas is er geen standaard recept te geven tegen deze aandoening. “Each journey back to spiritual health is as unique as the person taking it.
Voor mij was de weg naar genezing erg lang, en het betekende onder andere dat ik de evangelische kerk verliet en me aansloot bij de Anglicaanse kerk (waar mijn vrouw en ik onlangs belijdenis hebben gedaan (confirmation).). Ik ervaar de aanwezigheid van Christus in de diensten, en ontmoet Hem in het avondmaal. Elke keer als ik kniel en neem van het brood en de beker, landt het weer een beetje dieper dat zijn liefde niet van mij afhankelijk is, dat ik er niets voor hoef te doen, zelfs niet geloven, maar dat ik het alleen hoef te ontvangen. Maar tegelijk weet ik dat ik ook in de Anglicaanse kerk niet in een perfecte gemeenschap ben beland, moet ik me nog steeds wapenen tegen sommige boodschappen en zal ik me waarschijnlijk nooit intensief met de kerk of met kerkpolitiek bemoeien. Daarvoor ben ik iets te veel beschadigd.
Er zijn echter mensen die vinden dat ik me niet moet aanstellen. Die vinden dat ‘post traumatisch kerk syndroom’ een excuus is om je af te zetten tegen mensen die het allemaal goed bedoelen, en je verantwoordelijkheid te ontlopen. Iedereen die worstelt met een geestelijk probleem zal hiermee te maken hebben. Heb je last van winterdepressie, dan krijg je ook te horen dat je gewoon een paar kaarsjes moet aansteken, want dat is gezellig. Let wel, ik geloof niet dat het verstandig is als ik me veel aantrek van wat iemand tegen iemand anders gezegd heeft over mij, op basis van wat die ander weer tegen die derde vertelde. Daar zitten namelijk teveel lagen communicatie tussen. Ik houd het dus niet tegen deze derde persoon, maar wil het wel gebruiken als voorbeeld aan de start van dit bericht. Mijn broer, die ook wel eens worstelt met zijn houding ten opzichte van de kerk, had met een van zijn vrienden gepraat, onder andere over het feit dat ik bij de evangelische kerk was weggegaan. Die ander had gezegd dat ik een keer moest ophouden met vluchten. Ik had eigenlijk in de evangelische kerk moeten blijven, en moeten proberen die van binnenuit te veranderen. Nu had ik de makkelijkste weg gekozen, door weg te gaan. Ai. Toen mijn broer me dit vertelde, voelde ik het vertrouwde schuldgevoel al bijna weer terugkeren. Had ik moeten blijven? Was het mijn verantwoordelijkheid geweest de kerk van binnenuit te veranderen?

Maar voor ik door deze opmerkingen in een negatieve spiraal terecht kwam, ging het licht bij mij branden. Het was namelijk helemaal niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben helemaal niet verantwoordelijk voor de kerk, en al helemaal niet voor de evangelische kerk. Ten eerste is de Anglicaanse kerk net zo goed een kerk als de evangelische kerk - ik ben geen verrader omdat ik van kerk ben veranderd. Ik ga zelfs vaker naar de kerk dan ik de laatste jaren deed toen ik officieel bij de evangelische kerk hoorde. Bovendien kunnen andere mensen dan ik ook leren van de Anglicaanse kerk. De bronnen die mij hebben geholpen in mijn groeiproces, waardoor mijn denken is veranderd, zijn voor iedereen beschikbaar. Mensen hebben mij dus niet nodig. En dan nog: ik geloof helemaal niet dat ik mensen kan veranderen, laat staan een kerk. Je kunt niet mensen veranderen als die niet veranderd willen worden. En als mensen zelf al willen veranderen, zullen ze dat ook. En dan vinden ze ook de mensen en bronnen die daarbij helpen. ‘When the pupil is ready, the teacher will come.’ Ik ben niet de messias van wie het lot van de kerk afhangt. Dat zou ook een veel te zwaar gewicht zijn om te dragen. Het is nog altijd Jezus die zijn kerk bouwt, niet ik. En die kerk is breder dan de ‘evangelische kerk’. Het gebouw en de naam doen er niet toe. Net zo is het met het lot van de wereld. Ja, ik weet dat het klimaat naar de pleuris gaat, ik lees over het uitsterven van soorten, ik lees over milieuvervuiling, en over onrecht en oorlogen. Maar ik kan de wereld niet veranderen. Ik gebruik nog steeds soms in plastic verpakte producten, en koop goedkope kleren. En ik kan het me niet veroorloven me daar al te schuldig om te voelen. Ik kan het lot van de wereld namelijk niet op mijn schouders nemen. Het enige dat ik kan, en dus ook het enige dat ik hoef te doen, is leven als een geliefd kind van God (‘Het God lief en doe wat je wilt'). Dat betekent dat ik gedichten schrijf, filmbesprekingen, blogberichten. Dat ik verhalen schrijf, en stripverhalen teken, dat ik naar de film ga en daarover napraat met vrienden, dat ik luister naar anderen, dat ik mijn werk doe op kantoor, en lees in boeken en tijdschriften, en fotografeer. Het betekent dat ik in twitter links plaats over uitsterven van diersoorten en de kap van het regenwoud, en daar aandacht voor vraag, het betekent ook dat ik soms geld naar goede doelen overmaak, en dat ik als ik tijd en energie heb biologisch probeer te eten, of afval probeer te scheiden. En het betekent dat ik, als het me lukt, op zondag naar de kerk ga. En God kan door al die dingen heen werken. Als God mij nodig heeft om de kerk te veranderen, of de wereld, kan hij daar mijn blog voor gebruiken, of mijn boeken, of mijn overgemaakte geld. Het staat hem helemaal vrij. Ik kan niet bepalen hoe hij wil werken. Dat is aan Hem.
Ik hoef bovendien niet te produceren om een goed zelfbeeld te ontwikkelen, ik hoef niet een gepubliceerd schrijver te zijn om mezelf waardevol te vinden. Ik hoef niet te werken om ertoe te doen, of aan een bepaalde maatstaf voldoen. Dat is het denken dat bij de zondeval de wereld is ingekomen. Ik ben al waardevol, voor ik ook maar iets gedaan heb. Ik denk terug aan een inzicht dat ik een paar jaar geleden voor het eerst had, maar dat nu pas echt realiteit voor me aan het worden is. Toen God over Jezus zei: ‘Dit is mijn geliefde zoon, in wie ik welbehagen heb’, had Jezus nog niks gedaan. Hij had niks gepresteerd. Hij had zelfs nog niet de verzoeking in de woestijn doorstaan. Niks. En toch had God al welbehagen in hem. En zo kijkt God ook naar ons. Hij heeft ons al lief. Hij heeft ons lief sinds de grondlegging van de wereld. We hoeven niks te doen om dat waar te maken. Anders gezegd: hij wil met ons geassocieerd worden. Met ons zoals we zijn. We hoeven niet aan een ideaalbeeld te voldoen voor we daarvoor goed genoeg zijn.
Ik kan dus bijvoorbeeld verhalen van G.R.R. Martin lezen, die veel beter schrijft dan ik, zonder me erdoor te laten intimideren. Ik schrijf zoals ik schrijf, en dat is ook waardevol. Als iemand mijn verhalen wil uitgeven, dan is dat mooi, en het is mooi als anderen ze willen lezen, maar het zegt niks over mijn betekenis. Dat betekent dat ik de avonturen verzinnen die ik zelf wil verzinnen. Ik mag een stripverhaal tekenen dat alleen door mij en mijn vrouw wordt gelezen. Ik hoef ook niet met regelmaat te bloggen. Ik hoef mezelf niet te verantwoorden, of anderen ergens van te overtuigen. Dat betekent bijvoorbeeld dat dit wel eens mijn laatste blogserie zou kunnen zijn. Waarschijnlijk niet - het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en over een paar maanden is er weer iets nieuws waar ik over heb nagedacht en dat ik graag wil delen, zo goed ken ik mezelf ook weer. Maar ik hoef in principe niet te bloggen. En als ik wel blog, hoef ik me er niet op voor te laten staan, net als W.H. Auden in het geheim mensen hielp, zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. Als er boeken van mij gepubliceerd worden, hoef ik daar niet mensen mee om de oren te slaan. Ik hoef geen airs te krijgen als ik mag spreken op een C.S. Lewis-studiedag. Het maakt me allemaal niet beter dan anderen. Ik kan nu eenmaal schrijven en denk graag na over C.S. Lewis (onder andere). Maar ook daar mag ik voor uitkomen. Valse bescheidenheid is ook niet nodig. Als iemand mij complimenteert voor mijn striptekeningen (zoals laatst gebeurde), mag ik dat gewoon ontvangen. Dit is de vrijheid waar ik naar verlangde. Ik mag creatief zijn, ik mag goed doen, ik mag verlangen, allemaal zonder mezelf nog langer te wantrouwen.

Het zal voor sommigen misschien te makkelijk klinken. Je kunt toch niet zomaar doen wat je wilt? Je kunt toch niet zomaar anderen pijn gaan doen of kwetsen, of belachelijk maken? Nee, natuurlijk niet! Zulke vragen kreeg Paulus ook. “Zouden wij zondigen opdat de genade toeneme?” Zijn antwoord is: “Volstrekt niet!” En dat is ook mijn antwoord. Het is overigens ook wetenschappelijk aangetoond. “It's important to identify specific lifestyle choices, habits, and character traits that you should happily accept while also being objective about things you might want to work on improving. Finding the sweet spot between self-acceptance vs. self-improvement requires being honest and compassionate about who you are, while simultaneously acknowledging that nobody's perfect and we can always improve ourselves."
Grenzen blijven belangrijk. Niet voor onze acceptatie door God. Maar omdat we mensen zijn en we zijn geschapen om te voldoen aan het beeld van God. Omdat we dood waren, en van God het geschenk van het leven hebben gekregen. Omdat we onszelf zien als geliefde kinderen van God. En dat alles heeft gevolgen. Het heeft bijvoorbeeld als gevolg dat ik mezelf en anderen zie als individuen die respect waard zijn, die een identiteit hebben die ertoe doet, en die ik niet mag behandelen als machines. Het heeft als gevolg dat ik schoonheid zie als iets dat beschermd moet worden, en dat ik relaties serieus neem, dat ik ga staan voor de waarheid, en dat ik streef naar wat goed is. Zoals Paulus schrijft in Filippenzen: “Schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient.” (Filippenzen 4:8). Deze houdingen zijn niet van elkaar te scheiden. In dezelfde brief waarin Johannes stelt dat de liefde de angst uitdrijft, zegt hij: ‘Wie niet liefheeft, kent God niet.’ (1 Johannes 4:8). Dat is net zo radicaal! Maar het een kan niet zonder het andere. De verbinding ligt in wat Johannes vervolgens zegt: “Wij hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad.” (v19). Dat is de crux. Daar gaat het om.
Als we ontdekken dat God met ons geassocieerd wil worden, dat hij in ons welbehagen heeft, zullen we naar onszelf kijken met compassie, hoeveel er ook mis met ons is, hoeveel pijn en zonde we ook met onszelf meedragen. We zullen ons weer met onszelf willen associëren, ook als we niet volmaakt zijn, en grenzen willen aangeven om ons te beschermen tegen misbruik. En tegelijk zullen we anderen met respect gaan behandelen, omdat we weten dat God ook met hen geassocieerd wil worden, en in hen ook welbehagen heeft. Gods liefde wekt onze liefde op, voor onszelf, en voor de wereld en de mensen om ons heen. En daardoor wordt Zijn Koninkrijk realiteit. Niet door onze prestaties, niet door onze projecten, niet door alles waar we onszelf toe moeten zetten, niet door ons ego. Liefde is het antwoord. Liefde is het einde van de reis. En God is liefde. Hij is dus het einde van de reis, het einde van mijn reis. Daar verlang ik naar.