Posts tonen met het label genezing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label genezing. Alle posts tonen

dinsdag 13 januari 2015

Gedicht: Vijfde colonne

Vijfde colonne

Je hebt je goed verstopt,
doet je voor als deel van mij
niet te onderscheiden
van mijn gedachten. Je lijkt
te slapen. Zo stil lig je
dat ik je haast vergeet.

Mijn aandacht raakt verslapt.
Het leven zonder jou
is zwaar genoeg. Ik moet vechten
om overeind te blijven
elke dag. En mijn hart
blijft onverdedigd achter.

Dan komt er een signaal
onwetend uitgesproken
door mijn vrienden. Een plek
die me aan jou doet denken.
Het voldoet. Je activeert
je wapens en valt aan.

Zenuwcentra vallen
onder jouw terreur. Mijn maag
is tot een klomp bevroren.
Je propaganda klinkt
vertrouwd. Ik raak door jou
tegen mezelf gekeerd.

Na slapeloze nachten
keert het tij. De strijd
opnieuw door mij beslecht.
Maar je bent niet weg.
Je hebt je teruggetrokken
tot ik me weer veilig waan.

maandag 3 maart 2014

Gedicht: zolder

Zolder

De ruimte van binnen is wijd,
alsof de ramen open staan.
Het stof is weggeblazen. Licht
dringt in de verste hoeken door
en ik kan eindelijk helder zien:
de dozen, gelabeld, opgestapeld,
schilderijen van vergezichten
over groene weiden, speelgoed
glanzend van herinneringen,
mappen vol gespreksnotities
zonder oordeel. Ik zoek mijn weg
door nieuw terrein, geen moeras
of doornstruik op mijn pad.
Ik bereik het eind, de spiegel,
afgestoft, lokt me dichtbij,
toont mij niet dat wat ik vreesde
maar een vriendelijke man. Ogen
brandend van verlangen en lust
naar avontuur, de mond een lach,
alsof hij toestemming wil geven.
Ik weet genoeg voor nu, neem afscheid
en kijk rond. Ik ben thuisgekomen.

maandag 16 september 2013

Gedicht: Valse herders

Valse herders

Ik ben te vaak geslagen
in uw naam. De stok
kwam telkens neer als ik
mij roerde, strafte mij
voor individualiteit.
Als ik mijn werk deed, kreeg ik
eten, water als ik lachte.
Ruw werd ik in de mal gedrukt
die uit uw woord was afgeleid.

Mijn meesters droegen uw gezicht
als masker, geloofwaardig.
Zo leerde ik het vrezen,
pijn te verwachten
als ik u zie, maar niet
het laten blijken,
doen alsof ik heilig ben,
terwijl ik sidder in het donker
waar mijn ziel zich heeft verstopt.

Als u roept moet ik wel komen
- staart tussen de benen.
U spreekt, stelt mij gerust.
Maar ik hoor hun stem
opnieuw. Ook zo begaan
met mijn eeuwig heil.
Dat was waarom ze mij dreven,
geen rust gunden. En nu
bent u voor mij verpest.

U zult mij moeten trainen.
Ik kan zelf niet het patroon
doorbreken, u scheiden van
het aangeleerde beeld.
Ik ben te bang voor fouten
wil niet weer dood
liggen blijven. Veroordeelt
u mij dus niet, maar til mij op.
Weest u mijn goede herder.

vrijdag 5 juli 2013

Gedicht: Sinai

Sinaï

Ik zucht.
Te lang heb ik rondgezworven
door een vallei
van beenderen en asgrauw zand,
keek smachtend naar fonteinen
van bruisend water.
Maar ik bleef verre staan
bang voor wachters met scherpe
ogen en stalen woorden,
trillend in de middagzon.

Mijn rug
bezweek haast onder alle lasten
door mij geraapt
uit poelen met een zwavelgeur.
Ik durfde ze niet achterlaten
me uit te rekken.
Mijn masker bleef gekleefd
aan mijn gezicht, mijn hart
verborgen opdat niemands blik
mij plotseling zou doden.

Maar wachters bleken lege hulzen
mijn masker was een dood gewicht.
Ik was het zelf die mij gevangen hield,
mijn eigen kweller,
liep zelf vertelde leugens achterna

Niet meer!
Het eind is aan mijn reis gekomen.
Ik maak de sprong
de cirkel uit van het verdwaalde zelf,
mijn voeten op een stevig pad
door God verlicht.
En ik sta niet meer stil
hoor woorden die mij vleugels
geven en arendsogen
wachtend op het morgenrood.

dinsdag 18 december 2012

Filmbespreking: Wreck-it Ralph

Ik heb het er niet veel over op mijn blog, maar behalve met mijn aquariums, boeken, strips, films en schrijven (allemaal naast goede gesprekken bij de koffie en natuurlijk de dagelijkse werkzaamheden), houd ik mij ook bezig met computerspellen. In de jaren ’80 speelde ik spelletjes op de MSX van mijn ouders (ik heb goede herinneringen aan River Raid), en keek mee als mijn broertjes speelden (zij waren er veel beter in dan ik). Later keek ik mee met de avonturen van mijn jongste broer in Oblivion en Half-Life 2. Uiteindelijk kocht ik een Playstation 2 en genoot van racespellen, een gaaf snowboardspel en coole Star Wars spellen. Met de Playstation 3 deden gave oorlogsspellen hun intrede, de spannende avonturen van Nathan Drake in drie Uncharted-delen, en de geweldige spellen Mass Effect 2 en 3.
Ik zal niet van mezelf zeggen dat ik een ‘gamer’ ben - daarvoor maak ik er te weinig tijd voor vrij - maar ik vind het een fijne manier om af en toe te ontspannen. En de laatste tijd gaan mijn ogen ook open voor de fascinerende manier waarop spellen een verhaal kunnen vertellen. De Mass Effect-spellen stellen de speler voortdurend voor ethische en persoonlijke dilemma’s, en je keuzes hebben daadwerkelijk effect op de verhaallijn. Ik moest het spel zelfs af en toe stil zetten om na te denken over onderwerpen als de waarde van een denkend individu, of er verschil is tussen mensen en computers als ze allebei intelligent zijn, en wat de overwinning in een oorlog waard is. Ik merk dat ik om mijn karakter en haar tegenspelers ben gaan geven en graag de juiste keuzes wil maken. Een spel dat dit voor elkaar krijgt, heeft in mij een fan.
Er zijn de laatste jaren ook heel wat films gemaakt gebaseerd op computerspellen. Met wisselend succes. Dit vanwege de natuur van een computerspel. Het kijken naar een verhaal op het scherm is namelijk heel wat anders dan het spelen van een spel. Alsof je meekijkt met iemand die zit te spelen. Het kan onderhoudend zijn, maar het is niet hetzelfde als zelf achter de knoppen zitten. Bovendien maakt de dynamiek van het spel het echt meeleven met het karakter als persoon niet makkelijk. Als je gewond raakt of dood gaat, kom je namelijk direct weer tot leven. Je hebt maar een paar minuten spel gemist, die je gewoon opnieuw doet. Zelfs bij verhalende spellen wil je natuurlijk weten wat er gaat gebeuren, maar echt bezorgd over je hoofdpersoon ben je niet. Werkelijk verplaatsen in zijn of haar angst is niet makkelijk (ook Mass Effect moet het daarbij hebben van de atmosferische, emotionele gesprekken tussen de actie door - niet van de actie zelf, daarbij gaat het alleen om schieten, niet om dramatisch meeleven). In sommige recensies wordt de actie in een film als The Hobbit weggezet als de actie van een computerspel - het ziet er dramatisch uit, maar er staat niets op het spel. Als het karakter uit de film niet dieper is dan het personage uit het spel, wordt je identificeren met hem of haar moeilijk.
Spellenmakers zoeken naar nieuwe concepten om dit probleem te omzeilen, en spelers net zo met een spelpersonage te laten meeleven als met de hoofdpersoon van een goed boek. Filmmakers kiezen een andere aanpak: ze maken films, niet op basis van een specifiek spel, maar op basis van het idee van het computerspel. De films gaan over het concept van het spelen zelf: het behalen van doelen (de eerste plaats, een medaille), het verkrijgen van ‘power ups’, de tegenstanders en hoe je die verslaat, en wat je bent als je niet aan de competitie meedoet. Een mooi voorbeeld is Scott Pilgrim vs. The World (lees mijn recensie). En nu is er Wreck-it Ralph, een animatiefilm van studie Disney, die voor karakters uit computerspellen doet wat Toy Story deed voor speelgoed. Voor iedereen die van computerspellen houdt, die geinteresseerd is in het concept van spellen en de kracht van goede verhalen, en voor iedereen die kickt op prachtige animatie, is dit een absolute aanrader. Oh, en voor wie houdt van snoepgoed ...

In het computerspel Fix-it Felix jr. heeft Ralph de rol van de slechterik. Elke dag, als kinderen het spellenparadij binnenkomen en een kwartje inwerpen, moet hij de flat beklimmen van zijn spelgenoten en die vernielen. Held Fix-it Felix jr. komt de schade dan weer herstellen.  Hij wordt op handen gedragen, Ralph wordt van het dak gegooid. De held woont in het penthouse, Ralph op de vuilnisbelt. Als hij ook nog eens niet wordt uitgenodigd voor het dertigjarig jubileum van het spel, is de maat voor Ralph vol. Hij moet en zal een medaille vinden, zodat ook hij in de flat wordt toegelaten. Daarvoor dringt hij via het centrale station van de spellenwereld binnen in een ander computerspel, de gewelddadige ‘first person shooter’ Hero’s Duty. Ralph verkrijgt inderdaad een medaille, maar raakt die kwijt als hij per ongeluk in een ander spel terechtkomt, het suikerzoete racespel Sugar Rush. Daar richt hij niet alleen zelf schade aan terwijl hij probeert zijn medaille terug te vinden. Hij introduceert ook nog eens een insectachtig monster uit Hero’s Duty, dat zich in het verborgene als een computervirus begint te vermenigvuldigen. Ondertussen functioneert Fix-it Felix jr. zonder de slechterik niet meer naar behoren. Kinderen in het spellenparadijs raken teleurgesteld, en het spel dreigt te worden afgesloten. Ralphs verlangen naar respect dreigt op deze manier het einde te worden van ten minste twee spellen. Felix zelf besluit daarom naar zijn tegenstander op zoek te gaan. Hij ontdekt dat Ralph betrokken is bij de poging van een computerstoring, een zogenoemde ‘glitch’, om de koning van Sugar Rush van zijn troon te verdrijven ...

Het leek een belachelijk idee voor een animatiefilm - hoe kun je nu een verhaal vertellen over de karakters in een computerspel? Die spelen zelf toch ook al een rol in een verhaal? Maar datzelfde zullen mensen ook hebben gedacht over Toy Story. En ook in die film lukte het aan speelgoed beweegredenen mee te geven die pasten bij speelgoed en bovendien ook nog eens aanleiding waren voor een goed verhaal. En ook de makers van Wreck-it Ralph is het gelukt. Dit is gewoon een heel goede animatiefilm. En niet alleen voor gamers. Ja, inderdaad, wie ook maar een beetje bekend is met computerspellen vindt hier hilarische verwijzingen, bijvoorbeeld in de openingsscène waarbij schurken uit onder andere Mario en Pac-Man bij elkaar komen. Ook het centraal station van het spellenparadijs is een feest van herkenning - al was het maar de verwijzing naar Pong. En Frogger. En Q-bert.
Ook hilarisch is hoe elke spelwereld is weergegeven. In de wereld van Wreck-it Ralph bewegen karakters schokkerig, als in het spel, en valt modder op de grond in een blokjespatroon, zoals de karakters in grove pixels op het scherm zijn weergegeven. Hero’s Duty is ‘high definition’ - een parodie op spellen als Halo, met verwijzingen naar de Alien-films. De wereld van Sugar Rush is dan weer helemaal opgebouwd uit snoepgoed - met bomen van zuurstokken, rivieren van chocolade, en een vulkaan van cola en mentos (hilarisch!). Dit alles is ongelofelijk goed weergegeven - het zag er uit alsof je het zo kon opeten! Let ook op de manier waarop de treinen vanuit het centraal station in elke spelwereld een eigen vorm aannemen. De film is gewoon heel mooi - ik kijk ernaar uit hem vaker te zien. En ik kon in dit geval ook de 3D zeer waarderen, bijvoorbeeld in de rijk verbeelde racescenes.
Maar vooral is deze film gewoon erg goed geschreven. Fascinerende wendingen in het verhaal, eerder geïntroduceerde elementen die op een verrassende manier terug blijken te keren, een fantasievol gebruik van de eigenschappen van de verschillende werelden (en van de kenmerken van computerspellen, inclusief ‘mini games’, ‘bonus levels’ en ‘end bosses’), en karakters met wie je kunt meeleven ook al zijn het spelpersonages. Zelfs de romance werkt. Er is duidelijk goed over nagedacht. Geen onderdeel is overbodig, maar toch is het plot niet makkelijk te raden. Ook de ‘end credits’ zijn hilarisch -vooral voor computerspelliefhebbers- die moet je zeker uitkijken!

Dit is het verhaal van een slechterik, een ‘bad guy’. Maar dat wil niet zeggen dat hij een slechte jongen is. Hij is ook geen slechterik. Hij speelt alleen de rol van slechterik. De gemeenschap waar hij deel van is, bestaat zodat kinderen het spel Fix-it Felix jr. kunnen spelen. En om dat mogelijk te maken, moet iemand elke dag de flat vernielen. Zoals er in onze wereld mensen moeten zijn die vuilins ophalen, treinstations schoonmaken, bekeuringen uitschrijven en belasting innen. Zonder hen, en zonder Ralph, zou de maatschappij niet functioneren en zouden de bewoners van de flat hun luxueuze leventje niet kunnen leiden. Maar omdat Ralph de rol van slechterik speelt, zijn mensen hem gaan behandelen als slechterik. Hij is uitschot geworden. Hij krijgt geen respect. En dat knaagt aan hem. Want zoals alle mensen verlangt Ralph ernaar om door anderen gewaardeerd te worden. Hij denkt dat hij die waardering nooit zal krijgen om wie hij zelf is. Daarom zoekt hij naar iets wat hij kan doen om gerespecteerd te worden. Fix-it Felix wordt op de schouders getild als hij een medaille krijgt. Dus denkt Ralph dat men hem hetzelfde zal behandelen als hijzelf met een medaille aan komt zetten. Hij zoekt zijn vervulling in iets buiten zichzelf.
Het is wat John Eldredge ‘the poser’ noemt - onze manier waarop we doen alsof. We zoeken onze betekenis in onze mannelijkheid, in onze intelligentie, in onze successen, maar eigenlijk doen we alsof. We houden de buitenwereld een beeld voor, een imago, maar in werkelijkheid zijn we niet zo. We zijn diep van binnen niet macho, we voelen ons stom, en we twijfelen aan ons kunnen. Daarom kan het respect dat we voor ons ‘valse zelf’ ontvangen, ons niet definitief beter over onszelf laten denken. Het biedt hooguit tijdelijk soelaas. Maar onze diepe onzekerheid wordt niet gestild, en dus moeten we nog harder werken aan het beeld dat we projecteren. Ons imago moet steeds groter worden. Tot het bouwwerk uiteindelijk instort, tot mensen zien wie we werkelijk zijn, en onze hoop om gewaardeerd te worden verloren raakt. Voor we op dit punt komen hebben we doordat we zo hard aan ons ‘valse zelf’’ werkten de mensen om ons heen en onze omgeving al onherstelbare schade toegebracht. We hebben ze namelijk niet als mensen behandeld, maar als middelen die bijdroegen aan ons imago. We hebben ze gebruikt, en ze afgestoten als ze geen nut meer voor ons hadden. Bovendien hebben we ze nooit ons eigen diepe zelf toevertrouwd, dus zelfs als we een relatie met ze hadden, was die nep, geposeerd. Dus als onze ‘valse zelf’ instort, storten ook onze relaties in. We blijven met niets over. Dit overkomt Ralph ook in de film. Hij zit in een lege flat te wachten tot de stroom wordt afgesloten. Hij heeft de medaille gevonden, maar hij heeft niet gevonden wat hij werkelijk zocht.
Een ander karakter in de film wordt ook als uitschot behandeld door de personages in haar spel. Dit keer niet vanwege haar rol, maar omdat ze een ‘glitch’ zou zijn, een storing in het programma. Ze is natuurlijk helemaal geen ‘glitch’, hoewel ze er wel een heeft. Maar heel vaak worden mensen die anders zijn dan anderen, gedefinieerd door datgene wat hen anders maakt. Ben je goed in leren? Dan wordt je een ‘stuud’. Dat is nu je identiteit. Dat je ook andere dingen kunt, en misschien veel humor hebt, wordt door je klasgenoten niet meer gezien. Heb je een lichamelijke afwijking? Dan zien mensen alleen maar de afwijking. Ze behandelen je als zieke, als gehandicapte, en niet meer als individu dat het waard is te kennen om wie hij zelf is. De film Les Intouchables gaf hiervan recent ook een mooi voorbeeld. Hoor je psychologisch niet tot de middenmoot, dan krijg je al vanaf de basisschool een ‘label’ opgeplakt en geld je vanaf dat moment als ‘een ADHD-er’, ‘een Asperger’, ‘een borderliner’. Dat waarin je mogelijk voor problemen kunt zorgen voor anderen wordt wie je bent. Dat je een eigen persoon bent met eigen voorkeuren en overtuigingen wordt niet meer gewaardeerd. Misschien willen mensen je zelfs afzonderen van de maatschappij, je buitensluiten, je inperken. En net als het karakter uit deze film wil je tegen elke prijs wel worden geaccepteerd. Dus probeer je - ook al is je racemobiel krakkemikkig en moet je hem zelf met pedalen aandrijven - aan de race mee te doen. Als je wint, dan ben je iemand. Maar ook dit karakter loopt tegen een muur aan. De omstandigheden zijn te groot, haar tegenstanders te sterk. Ze ziet haar hele wereld om haar heen vergaan.

Pas als de ‘poser’ is ontmaskerd, kan iemand zijn of haar identiteit vinden. Een identiteit die niet is gebaseerd op prestaties. Die niet is gebaseerd op doen alsof. John Eldredge schrijft dat mensen die identiteit moeten ontvangen. (Let op, ik schrijf hier in bedekte termen over het einde van de film.) Ralph ontvangt uiteindelijk zijn identiteit van een ander. Iemand ziet in hem een held. En hij besluit in overeenstemming daarmee te handelen. Ook al ziet niemand hem, ook al delft hij er zelf het onderspit door. Hij hoeft niet meer de ‘good guy’ te zijn. Hij hoeft niet meer in een penthouse te wonen. Hij hoeft zichzelf niet te bewijzen. Hij handelt uit liefde voor een ander. En dat maakt hem tot wie hij is.
Het andere karakter, de ‘glitch’, maakt ook zoiets door, als tegen alle verwachting in haar lot wordt omgedraaid. Door een ander. En dan blijkt dat ze geen ‘glitch’ in het programma is, maar dat ze een belangrijke rol speelt in het spel, ondanks haar ‘glitch’. De ‘glitch’ wordt van een zwakheid zelfs een kracht, zoals onze unieke individualiteit (die door anderen soms niet begrepen wordt), bijdraagt aan onze glorie, de indruk die we maken op de wereld.
En Fix-it Felix zelf leert door zijn reis compassie te hebben met Wreck-it Ralph doordat hij meemaakt wat Ralph al dertig jaar meemaakt, en neemt het voortaan voor hem op in zijn spel. Niet omdat Ralph de wereld gered zou hebben (hij heeft veel mensen bang gemaakt en schade veroorzaakt), maar omdat hij ziet dat Ralph een mens is zoals hij, en dus waard om met respect te worden behandeld.

Maar het verhaal is volgens mij niet helemaal compleet. Ralph moet nog steeds de ‘bad guy’ spelen. Hij wordt nog steeds elke dag van het dak gegooid. Hij koppelt daaraan niet meer zijn identiteit of zijn gevoel van eigenwaarde, maar het gebeurt nog wel. De film maakt een verbinding met de bijeenkomsten van de Anonieme Alcoholisten (zie mijn bericht over Finding Nemo), waar een van de basisuitgangspunten is dat mensen zichzelf niet kunnen veranderen. Je bent een verslaafde. Dat kun je zelf niet oplossen. Zolang je dat wel blijft proberen, zul je steeds weer terugvallen, want die pogingen zijn gebaseerd op ontkenning. Op doen alsof. Het is een pose. Echte doorbraak komt pas als je stopt met je pogingen je identiteit te veranderen.
Maar de oorspronkelijke AA was gebaseerd op christelijke uitgangspunten, en spreekt over een hogere macht die de verslaafde wel kan herstellen en veranderen. De hoop van de bijbel ligt niet alleen in acceptatie, maar in vernieuwing. Wij zullen allemaal worden veranderd, zoals Paulus in 1 Korintiers zegt. We zijn niet gedoemd om de ‘bad guy’ te blijven. We zullen niet ziek blijven. We zullen niet altijd verslaafd zijn. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. God maakt alle dingen nieuw! (Niet: God maakt allemaal nieuwe dingen. - iets waar John Eldredge me op heeft gewezen). Transformatie is een belangrijk thema in de bijbel en geeft hoop. Ik vind scenes van transformatie in films dan ook vaak heel ontroerend.
Een karakter in deze film krijgt de gelegenheid tot transformatie. Van een zwerfster wordt ze een prinses. Maar ze verwerpt deze verandering en wil van haar spel zelfs een ‘constitutionele democratie’ maken. In een sprookje! C.S. Lewis zou daar wel wat tegen in te brengen hebben: we zijn als westerse mensen vergeten dat de glorie en heerlijkheid die past bij het koningschap wel degelijk betekenis heeft en niet zomaar terzijde moet worden gelegd. Dat dit karakter zo makkelijk deze eer verwerpt is een heel ‘moderne’ twist in een sprookjesverhaal, maar ondermijnt de hoopvolle boodschap van de sprookjes. Namelijk dat de weesjongen niet gedoemd is weesjongen te blijven, maar ooit koning zal worden, dat de melaatse genezen zal worden, dat de lamme zal dansen en dat de zondaar geheiligd zal worden. Dat is pas echt goed nieuws.

Een speciale vermelding tot slot voor het korte filmpje Paper Man, dat wordt afgespeeld voor de hoofdfilm. Ik ga hier verder in mijn bespreking niet op in, maar dit is een mooi en ontroerend verhaaltje over liefde op het eerste gezicht. Geanimeerd in drie dimensies terwijl het toch een tekenfilm lijkt. In stemmig bijna-zwart-wit. Ik hoop dat er meer films in deze stijl gemaakt gaan worden! Dit filmpje is in zichzelf al bijna de toegangsprijs waard.

woensdag 26 oktober 2011

Geen rol meer spelen

Vorige week publiceerde ik op mijn blog een bespreking van het boek Patience with God van Frank Schaeffer (1,2). Omdat mijn stuk nogal lang ging worden (nog langer dan mijn andere  stukken op dit blog meestal zijn, en die zijn al niet kort), besloot ik het in tweeën te knippen. Een logische plek daarvoor was het punt waarop ik het verhaal van de auteur en mijn eigen verhaal had verteld en eindelijk klaar was voor de daadwerkelijke bespreking van het boek. Achteraf gezien had ik toch misschien beter mijn recensie in een keer kunnen plaatsen. Het eerste deel van mijn artikel leidde namelijk tot verhitte discussie. Niet op mijn blog, maar vooral op het medium waar ik vaak om aandacht vraag voor mijn blog: Twitter. Ik heb nog nooit zoveel reacties gehad op een van mijn stukken. Voor mij maakt dat het interessant nog eens dieper op het onderwerp in te gaan.

Ik had het boek van Schaeffer niet uit de kast gepakt bij de Slegte omdat ik verwachtte het met hem eens te zijn of honderd procent te staan achter wat hij beweerde. Vaak bespreek ik op mijn blog boeken waarbij ik dezelfde overtuiging heb als de auteur, maar het zou ongezond zijn alleen maar informatie tot je te nemen van mensen die hetzelfde denken als jij. Dan wordt je nooit aangezet tot het relativeren van je eigen gelijk en ontwikkel je nooit begrip voor de denk- en leefwereld van anderen. Ik wil wel af en toe vraagtekens zetten bij wat ik altijd voor waar heb aangenomen, vaak op gezag van anderen, zonder het goed te overdenken.
Wel was ik door het boek gefascineerd omdat ik me herkende in het traject dat Schaeffer had doorlopen in zijn leven. Let wel, het gaat me hier om zijn persoonlijke verhaal, niet om zijn theologische conclusies of zijn intellectuele theorieën. Ik zag iets van mezelf in zijn fundamentalistische opvoeding, zijn uiteindelijke desillusie met die omgeving en zijn worsteling met de vraag wat hij nog kon geloven. Je kunt jezelf herkennen in iemands levensreis zonder het met hem eens te zijn en zonder op hetzelfde punt uit te komen als hij. We zijn allemaal mensen. Wat we geloven (als intellectuele proposities, theorieën) is niet het belangrijkste onderdeel van ons bestaan. We hebben meer overeen dan we van elkaar verschillen.
Dat besef drong sterk tot me door toen ik vorig jaar in India was, en in Doha. Ik was in de wereld van het Hindoeisme, en in de wereld van de Islam. En in beide werelden waren mensen gewoon mensen. Ze sliepen, ze aten, ze werkten. Ze trouwden en vierden feest. Ze lachten met elkaar, speelden volleybal op een stoffig veldje achteraf of zaten met een laptop op tafel in de souk een waterpijp te roken. Ze leefden. En het leven van mensen kan niet worden gereduceerd tot een geloof. Als er een religie de ware is, moet dat er een zijn die het hele leven van mensen bevestigt, die waarde toekent aan dit heel alledaagse: eten, slapen, liefhebben. Het moet een Groot Verhaal zijn dat ons hele kleine verhaal omvat. Niet een geloof dat alleen bestaat in vastgelegde rituelen, in wetjes en regeltjes, in emoties die los staan van de realiteit, of in intellectuele overtuigingen. Niet dat die niet ook belangrijk zijn, maar ze staan los van mijn levensverhaal als persoon.
Iemand die ik ken van jaren geleden op de studentenvereniging Ichthus bleek de evangelische kerk verlaten te hebben. Na lezing van mijn artikel reageerde ze op Twitter. Ze zei dat ik in mijn artikel had verwoord wat haar grote probleem was met de evangelische wereld, namelijk dat ze er een rol moest spelen. Dat was ook wat Schaeffer tegen ging staan: hij moest zich voegen in een rol, die niet bij hem paste, hij moest de blije christen spelen, die volledig overtuigd was van zijn gelijk, en die zich kon houden aan alle eisen van het geloof. Wat een opluchting om de pretentie te laten varen! Om eerlijk te kunnen toegeven dat je niet aan bidden toekomt, en de bijbel je soms niet zoveel doet. En dat je gewoon een mens bent als alle anderen. Dat je soms twijfelt, en dat je niet weet hoe je Openbaringen moet uitleggen.
Ik kreeg meer bijval van meerdere jongere lezers (en lezers die jong van hart zijn), sommigen die nog midden in de evangelische wereld staan. Herkenning van iemand die ik van mijn studie ken, die als wetenschapper werkt, maar lid is van een kerk waar het jonge aarde creationisme nog de norm is. Die, weet ik uit gesprekken, ook een reis maakt waarin hij zoekt naar de waarheid die hij nog kan vasthouden. Meer negatieve reacties kwamen van enkele mensen van een iets hogere leeftijd (niets nadeligs aan. Ik bereik als het goed is over een paar jaar vanzelf dezelfde leeftijd, en dan zullen er weer jonge mensen zijn die mij niet begrijpen en die ik niet begrijp). Iemand vroeg zich af of ik in plaats van zekere waarheden koos voor onzekere leugens, en iemand vroeg zelfs of iemand die zijn herkenning had uitgesproken ook bezig was van zijn geloof af te vallen. Een paar van hen zijn mensen die mijn twitterfeed en mijn blog al een tijd volgen, en mijn andere artikelen en filmrecensies hebben gelezen. Zij zouden moeten weten dat ik NIET bezig ben van mijn geloof af te vallen. Ja, ik noem mijzelf ‘nauwelijks nog gelovig’ - maar dan gaat het om mijn vertrouwen in intellectuele redenaties en de bewijsbaarheid van leerstellingen. Ik stel vragen bij het rationele construct van mijn geloof, en ik concludeer dat ik niet een kloppend verhaal kan construeren, dat alles omvat. Daar kan ik mijn zekerheid niet op baseren. Maar ik ben wel gegrepen door Jezus Christus, en mijn verbeelding en verlangen zijn geraakt door zijn belofte van opstanding en herstel. Daar houd ik mij aan vast. Ik geloof namelijk dat dit Verhaal van alle religieuze verhalen het meest waarde verleent aan mijn gewone, dagelijkse leven en de wereld en mensen om mij heen, en ook echte hoop geeft op verandering.
Dit is, zo je wilt, een houding die gelieerd is aan de postmoderne tijdgeest, waarin grote verhalen worden gewantrouwd en de verbinding tussen woorden en de realiteit wordt gerelativeerd. Ik ben waarschijnlijk, samen met mijn jonge (en jong van hart zijnde) medestanders, meer deel van het postmoderne klimaat. En zonder direct een label te willen opplakken kwamen de meer kritische reageerders over als wat ‘moderner’ in hun aanpak.

Mijn meer postmoderne houding, zo je wilt, uit zich ook in mijn relatie met het instituut kerk. Ik kreeg te horen dat ik te kritisch was, dat er ook veel goeds is in de evangelische kerk (zal ik niet ontkennen) en dat ik me te snel door negatieve voorbeelden liet ontmoedigen. ‘Als een dametje door rood licht rijdt, hou je toch ook niet op met autorijden?’, vroeg iemand. Dat was volgens mij niet de juiste metafoor. Het ging er juist om dat het biddende dametje een symptoom was van iets dat ik veel vaker had waargenomen in de evangelische geloofsbeleving - het was de druppel die de spreekwoordelijke emmer deed overlopen. En op deze manier werd het (vervoer)middel verward met het doel. Het gaat immers niet om het merk auto waar je in rijdt, of zelf of je rijdt of met het openbaar vervoer reist, of besluit te voet te gaan. Het gaat om de bestemming waar je wilt eindigen. De auto is slechts het vervoermiddel. En als ik bij een bepaald merk auto steeds weer hetzelfde mankement tegenkom, ga ik me ernstig afvragen of ik er wel in moet blijven rijden. Misschien merk ik dat ik als persoon niet geschikt ben voor het autorijden, omdat ik slecht zicht heb, of te schrikachtig ben, en kan ik beter met het openbaar vervoer gaan. Dat verandert niets aan het feit dat ik op reis ben, en wel naar dezelfde bestemming. Daar zijn mijn ogen op gericht.
Het mankement dat ik waarneem in de huidige ‘evangelische’ kerk is dat ik er niet het evangelie hoor. De preek van afgelopen zondag was bijvoorbeeld goed, maar de naam van Jezus werd geen enkele keer genoemd en er werd met geen woord gerept over zijn dood en opstanding. Er werd met geen woord gerept over Gods liefde voor ons, het nieuwe leven, de rechtvaardiging en het herstel. Het ging weer vooral over wat van ons verwacht wordt. (En ik had net de dag ervoor het artikel gelezen van internetmonk Michael Spencer over 'Christless preaching'). Misschien gebeurt dit in georganiseerde groepen wel automatisch, worden boodschappen erop aangepast om mensen bij de groep te houden en zich ervoor te laten inspannen. Dat zou voor mij een groot defect zijn in het ‘vervoermiddel’.
Iemand merkte op dat ik anders dan anderen niet persoonlijk aan een bepaald merk auto gehecht was. Inderdaad: ik heb na twee kerkscheuringen wel geleerd me niet meer met een kerk te identificeren. Ik ben gedesillusioneerd geraakt, en daar ben ik dankbaar voor. De kerk kan mij immers niet behouden. Alleen Jezus kan dat. Hij is het doel. De kerk is het (vervoer)middel, Jezus is de voleinding van het geloof.
Op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal geen tempel meer zijn, er zal geen kerk of instituut meer zijn, we zullen ons niet meer identificeren als ‘evangelisch’, ‘katholiek’, ‘luthers’ of ‘orthodox’ - we zullen elkaar zien als mensen die delen in de liefde van Christus. En ik wil dus nu op Aarde ook niet te veel hechten aan het ‘label’ evangelisch.

Tegelijk wil ik wel zo eerlijk zijn om toe te geven dat de oorzaak van mijn worsteling met de (evangelische) kerk misschien niet zo zeer bij de kerk ligt, maar bij mij. In een gesprek afgelopen weekeinde werd ik erop gewezen dat ik elke verwachting die anderen uitspreken direct internaliseer. Ik trek het me direct aan. En tegelijk verzet ik me daar tegen: ik wil elke claim, elke verwachting afwijzen. Ondertussen vind ik het heel erg moeilijk om gewoon mezelf te zijn, te weten wat ik zelf wil, zodat ik met overtuiging kan kiezen en verwachtingen die ik niet waar kan of wil maken gewoon kan afwijzen. Dat breekt mij niet alleen op in mijn relatie met de kerk, maar ook in mijn privérelaties.
Dus ja: misschien zou ik de preken moeten relativeren, misschien moet ik het me niet zo aantrekken, misschien hebben andere mensen de boodschappen over meer bijbellezen en bidden wel nodig, anders dan ik. Dat is allemaal heel goed mogelijk. Maar het punt is: ik kan mezelf niet veranderen. Ik ben een beschadigd mens. Ik kan de knop niet bij mij van binnen omzetten. Net zoals de oproepen om meer te bidden me alleen maar schuldig laten voelen, hebben de woorden dat ik het me niet aan moet trekken, dat ik mezelf niet zo voor de verplichting moet openstellen, hetzelfde effect. Ik zit in een spagaat, waaruit ik mezelf niet kan redden. Ik kan mezelf niet aan mijn haren uit het moeras omhoog trekken.
Wat ik nodig heb is genezing, wat ik nodig heb is genade, wat ik nodig heb is het goede nieuws: dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren te behouden, van wie ik de voornaamste ben. Ik weet dat ik vrij wordt als ik me helemaal overgeef aan de onvoorwaardelijke liefde van God, maar zelfs die overgave kan ik niet tot stand brengen uit eigen kracht. Ik ben afhankelijk van God voor mijn genezing. Tot die tijd is de evangelische kerk voor mij geen veilige plek, en daar kan ik zelf niets aan doen.
Ik ben als de door rovers in elkaar geslagen man die aan de kant van de weg ligt, en aan wie de vertegenwoordigers van de religieuze instanties van die tijd voorbij liepen. Ja, misschien was het zijn verantwoordelijkheid om zichzelf naar de tempel te begeven, om net als de priester en de leviet te voldoen aan de verplichtingen. Maar hij kon het niet, zelfs al wilde hij het. Hij was afhankelijk van de liefde van de Samaritaan (iemand buiten het religieuze kader), die hem verzorgde en onderdak gaf, zonder er iets voor terug te verwachten. Hij had een omgeving nodig waar hij niets hoefde doen, niets hoefde bijdragen, waar hij alleen maar hoefde te zijn. Alleen daar kon hij herstellen. Zou het niet geweldig zijn als er groepen volgelingen van Jezus waren die gewonde, van binnen bevroren mensen zoals ik een veilige plek konden bieden, een plek waar deze mensen gewoon zichzelf kunnen zijn, waar ze liefde ervaren en genade? Ik betwijfel zelf of dit mogelijk is in een strak georganiseerde evangelische gemeente, die niet kan draaien als mensen hun taken niet uitvoeren. Ik denk dat hiervoor relaties nodig zijn, mensen die samen leven, koffie drinken, een biertje drinken en hun hart voor elkaar openstellen. Mensen die het evangelie niet alleen geloven, maar het ook uitleven. Mensen die echt mens zijn. Zoals Frank Schaeffer. Het lezen van zijn verhaal gaf me wat meer toestemming om mezelf te zijn, om inderdaad ontevreden te zijn met het spelen van een rol, om wat meer geduld te hebben met God en met andere mensen.

zondag 18 september 2011

Lessen uit Amerika 2: Mutaties en meesterwerken

En een maand na deel een over mijn avonturen in de Verenigde Staten volgt hier dan eindelijk deel twee, maar goed, ik heb al uitgelegd waarom het weinig van schrijven voor mijn blog komt de laatste tijd. En meerdere vriendelijke volgers van mijn blog hebben me verzekerd mijn argumenten te begrijpen en niet met toortsen en hooivorken voor de deur van mijn appartement te verschijnen om mij tot schrijven te dwingen. Dank voor jullie geduld!
Met het kijken van de film Kung Fu Panda 2 was mijn spirituele reis namelijk nog niet afgelopen. Mijn vriend en ik zaten in het midden van de Verenigde Staten en hadden nog een week van avonturen voor de boeg. We bezochten eerst het Badlands National Park in South Dakota, een prachtig park met interessante rotsformaties, en een vindplaats van fascinerende zoogdierfossielen (ik vermaakte me zeer in een expositie van de daar teruggevonden soorten). We overnachtten vrijdagavond in Sioux Falls en reden de volgende dag naar Minneapolis in Minnesota om goede vrienden op te zoeken. Dat was nog een hele rit (de afstanden in de Verenigde Staten zijn van een wat andere orde dan die in Nederland). We wilden op tijd in de middag aankomen om een dansrecital mee te maken, dus we moesten vroeg vertrekken. Nadat ik nog een uurtje met mijn hoed over mijn ogen (ja, een hoed heeft heel veel voordelen!) had liggen soezen, pakte ik mijn moleskine schrift erbij (een beetje reclame maken moet kunnen), om naar God te luisteren.
Ik heb er een gewoonte van gemaakt al schrijvend naar God te luisteren - ik probeer op te schrijven wat uit het diepst van mijn hart opkomt, en vervolgens probeer ik te luisteren naar de woorden die God in mij laat opkomen als antwoord. Omdat ik schrijf, word ik minder snel afgeleid dan als ik alleen maar stil ben. Het helpt me te concentreren. Ik zou het eigenlijk vaker willen doen, maar als bij zoveel mensen het geval is, wordt mijn tijd opgeslokt door allerlei verplichtingen en passiviteit dat ik er maar zelden voor ga zitten. Maar als ik de tijd neem om naar God te richten, kom ik in contact met wat er diep in mijn hart leeft, en ontvang ik ook woorden die te bemoedigend zijn om niet van God afkomstig te zijn. Vaak wordt ik erdoor verrast, en schrijf ik zinnen op en beelden die ik (vanuit mijn bewuste denken) nooit over mezelf zou hebben durven zeggen. Ik vind het ook erg mooi om af en toe terug te lezen wat ik heb opgeschreven en mezelf aan de waarheden over God en over mij te herinneren. Daarom gebruik ik graag een stevig en kwalitatief goed schrift.
Een van de dingen die ik me ten doel had gesteld voor de reis naar Amerika, was om de bovengenoemde gewoonte weer op te pakken, en God de gelegenheid te geven tot mij te spreken. En ik heb ondertussen ontdekt dat de schrijfmethode ook prima in praktijk is te brengen op de passagiersplaats van een camper (mits ik mijn wagenziektemedicatie heb ingenomen). Dus deze morgen ging ik er weer voor zitten.

Ik had me eerder tijdens de reis gerealiseerd dat ik het moeilijk vind om op te komen voor wat ik belangrijk vind en graag wil. Ik ben geneigd om wat de ander wil automatisch al belangrijker en waardevoller in te schatten. Ik verontschuldig me (helaas nog steeds) voor mijn enthousiasme over vissen en boeken, en nuanceer mijn eigen prestaties en verworvenheden. Ik heb er bijvoorbeeld lang moeite mee gehad mijn schrijven te zien als mijn roeping - en dat terwijl er drie boeken van me verschenen zijn. Ik vind wat ik zelf doe minder waardevol dan wat anderen doen. Tegelijk verwijt ik het mezelf dat ik niet kan wat andere mensen kunnen. Ik zie iemand als mijn reisgenoot, die makkelijk met wildvreemden een praatje maakt, en ik denk dat ik dat eigenlijk ook zou moeten kunnen. Ik voel me tekortschieten omdat ik me wat afzijdig houd. Ik weet ook dat ik me vergelijk met mijn collega’s. Ik zie ze met het grootste gemak telefoneren, of een congres regelen, of een administratief systeem bijhouden en ik voel me een mislukkeling omdat ik dat niet kan of wil. Ik veracht mezelf om mijn vermeende tekortkomingen (want ik ben alleen anders, niet minder, dan anderen). Als er iets een recept is om ongelukkig te worden, is het deze combinatie. Ik ben door schade en schande tot de ontdekking gekomen dat zelfhaat en zelfveroordeling mijn grootste vijand zijn (en wellicht de vijand van veel meer mensen).
Dit waren de dingen die ik in mijn schrift opschreef, zo eerlijk als ik kon. Vervolgens vroeg ik God (al schrijvend) wat hij me hierover wilde zeggen. Wat ik daarna opschreef, kwam hier op neer: God had mij al uitgekozen voor de grondlegging van de wereld. Voordat de Aarde gemaakt was, bestond ik al in zijn verbeelding. Hij wilde dat ik er zou zijn, zoals ik zou zijn. God was bij het moment van de bevruchting, waarbij ik ontstond. Het was geen toeval welke eicel en welke zaadcel samensmelten. Het was ook geen toeval welke genen bij het proces van mitose terecht waren gekomen in die eicel en die zaadcel. De samenstelling van mijn genoom was geen ongelukkige dobbelsteenworp, waar ik maar mee had om te gaan in mijn latere leven. Nee, ik ben door God gewild, ik ben door God gemaakt. Ik ben Gods meesterwerk. Een kunstenaar gooit zijn meesterwerk niet in de prullenbak, en verkoopt het ook niet zomaar aan een ander. Nee, hij geeft het een ereplek in zijn huis of atelier, boven de schoorsteenmantel. Zo vindt God mij ook belangrijk - hij geeft mij een ereplaats.

De woorden drongen diep bij me binnen - nog steeds als ik erover schrijf. Ik realiseerde me dat mijn zelfbeeld drastisch zou veranderen als ik op deze manier naar mezelf zou kijken - als iemand die geen toevallige mislukking is, maar die door God al voor het begin van de schepping (13 miljard jaar geleden) gewild was. Maar goed, de cynische lezers zullen suggereren dat ik dit zelf had verzonnen, dat deze bevestigende woorden uit mijn eigen onderbewuste opkwamen. Ik houd die mogelijkheid zelf ook altijd open. Trouwens, als deze woorden uit mijn onderbewuste opkwamen, zouden ze niet minder waardevol zijn geweest. Want ze kwamen overeen met wat ik geloof dat de Bijbel zegt. Maar goed, ik heb er de gewoonte van gemaakt om, als ik zulke bemoedigende woorden van God ontvang, en het moeilijk vind die te geloven, te vragen om bevestiging. Ik weet niet meer of ik dat in dit geval ook vroeg, maar die bevestiging kwam toch. De volgende dag was het zondag en gingen we met de vrienden bij wie we logeerden naar de kerk - The Church of the Open Door vlak bij Minneapolis. Ik vond de aanbiddingsdienst al erg mooi, met liederen waarin de grootheid van God centraal stond. Daarna kwam de preek. En wat was het thema? De liefde van God, die ons actief zoekt, zoals een man zijn geliefde achterna komt. De liefde van God, die niet onze gehoorzaamheid zoekt (we zijn goed in gehoorzamen: geef ons maar regels, daar kunnen we wat mee), maar die ons hart wil. Hij wil ons helemaal. De spreker haalde onder andere C.S. Lewis aan, maar ook ‘The Sacred Romance’ van John Eldredge. (Mijn vrienden en ik hadden elkaar leren kennen op een forum over de boeken van John Eldredge, en hadden elkaar voor het eerst echt ontmoet op een conferentie van hem. Volgens mijn vrienden had hun voorganger nooit eerder iets van Eldredge aangehaald. We vonden het dus wel bijzonder). Maar het mooiste was dat de voorganger de tekst aanhaalde uit Efeze, waarin Paulus zegt dat wij zijn ‘uitgekozen van voor de grondlegging der wereld’ (Efeze 1:4). Mijn vriendin Lisa en ik keken elkaar aan. De spreker wist niet wat ik de afgelopen zaterdag van God had gehoord, maar het waren precies dezelfde woorden. God wilde mij - zoals ik ben - al voordat het heelal bestond.

Diezelfde zondag brachten we door met onze vrienden en Jeanne, een vriendin van hen en haar kinderen. Lisa en Jeanne zijn allebei enthousiast over de innerlijke genezing die God wil geven, en grijpen elke gelegenheid aan om daarvoor te bidden. Niet op een manier die je slecht over jezelf doet voelen (ik ken ook mensen die dat voor elkaar krijgen) of je schuldig laten zijn omdat je niet genoeg bidt of bijbelleest. Ze doen het op een enthousiaste, bemoedigende manier, in het vertrouwen dat het niet hun bidden is dat iets doet, maar de aanwezigheid van God. Ik had iets verteld van mijn verhaal, en vooral over mijn thuissituatie vroeger. Hoe mijn ouders op zijn zachtst gezegd weinig bemoedigend waren over mijn talenten en verlangens. Om een schrijnend voorbeeld te geven: ik schreef avonturenverhalen. Ik heb er ooit een keer een aan een van mijn ouders laten lezen. En die reageerde met de woorden: ‘Wat een onzin!’. Natuurlijk liet ik daarna nooit meer iets aan ze lezen. Dat was toen ik tiener was, maar nog steeds noemen ze mijn lezen ‘een verslaving’, en als ik enthousiast ben over schrijven, merken ze op dat er tegenwoordig toch niemand meer leest. Ik merkte tijdens mijn reis dat ik daar nog steeds boos over was. Mijn vrienden vroegen me hoe deze woorden van mijn ouders me over mezelf lieten denken. Het woord dat als antwoord in me opkwam was: waardeloos. Ikzelf, wie ik was, met mijn talenten en interesses, had geen waarde, omdat ik niet voldeed aan een bepaald ideaalbeeld. Vervolgens vroegen ze me of ze voor me mochten bidden, en of ik wilde luisteren wat God daarover tegen me wilde zeggen. Nu zou ik met Peter, de man van Lisa, die avond naar de bioscoop gaan, en wilden we op tijd zijn, dan moesten we vijf minuten later vertrekken. Dat lijkt weinig tijd voor een sessie van genezend gebed. Maar ik merkte dat mijn vrienden niet geloofden dat God altijd veel tijd nodig heeft. Dus we baden en ik luisterde. En opnieuw kwamen de woorden van de dag ervoor in me boven. Dat ik ben uitgekozen voor de grondlegging van de wereld, en dat ik Gods meesterwerk ben. De woorden die God me had gegeven waren het antwoord op de zelfbeschuldiging van waardeloosheid die ik met me meedroeg.

De tijd liet zich echter niet stopzetten en ik vertrok met Peter naar de bioscoop. De film waar we heengingen was X-men: First Class. En het zal na mijn verhaal over Kung Fu Panda geen verrassing meer voor jullie zijn, als ik vertel dat God ook door deze film tot mij leek te spreken. De film speelt zich af in een wereld waar mutanten worden geboren. Tieners ontdekken dat ze zijn geboren met het ‘X-gen’, en dat ze daardoor verschillende krachten ontwikkelen. De een kan de gedachten van mensen manipuleren, de ander heeft invloed op het magnetisme. De een heeft een supersonische schreeuw, de ander een genezingsfactor, de volgende straalt rode energiebundels uit. Sommigen kunnen hun huid in diamant veranderen, anderen beschikken over vleugels. Sommige mutaties zijn niet aan de buitenkant zichtbaar, en deze mensen kunnen leven zoals alle anderen. Andere mutaties zijn opvallender. Zo is er een meisje met een opvallende blauwe huid, die haar ware vorm altijd verborgen moet houden. En er is een jongen met de lenigheid, maar ook de grijpvoeten van een aap. Hij is altijd gepest omdat hij anders is dan anderen. En hij zoekt in het verhaal van de film naar een manier om zijn mutatie ongedaan te maken. Hij accepteert niet dat hij op deze manier geboren is. Hij wil zijn als alle andere, normale mensen. Zijn pogingen om zichzelf te laten conformeren aan de mensen buiten hem lopen (natuurlijk) uit op een mislukking - zoals mijn pogingen om op anderen te lijken leidt tot overspannenheid en depressie. In de loop van de film wordt hij door een ander karakter aangesproken. Die zegt hem: “Don’t change yourself. You are perfect the way you were born!”
Ook die woorden kwamen bij me binnen. Hoe ik ben, mijn genetische samenstelling, mijn vaardigheden en interesses, zijn geen toeval, maar zijn door God gewild. Ik hoef mezelf niet te veranderen. Ik hoef mezelf al helemaal niet meer te veroordelen. Ik mag erin rusten dat God mij heeft gekozen voor de grondlegging van de wereld, en mij ziet als zijn meesterwerk, dat hij een ereplek heeft gegeven.

maandag 25 april 2011

Blast from the past 4: de stroom en de dorst

Ik vind het leuk om populair-wetenschappelijke websites te bezoeken, en te lezen over nieuwe ontdekkingen en onderzoeken. Het interessantst vind ik de berichten over dinosauriërs, leven in de diepzee, of planeten om andere sterren. Die vinden dan ook snel hun weg naar de links op mijn eigen blog. Maar ik ben de eerste die toegeeft dat mijn interessegebieden vrij beperkt zijn. Er gebeurt in de wetenschap veel meer dan opgravingen van botten, diepzeeduiken, en waarnemingen door telescopen. Er is maar heel weinig dat niet bestudeerd wordt. Onderzoekers zijn nu eenmaal nieuwsgierige mensen - en met hun instrumenten ligt de hele materiële werkelijkheid voor hen open als onderzoeksterrein. Soms verbaas ik me er wel eens over welke schijnbaar vanzelfsprekende conclusies men toch met experimenten bevestigd wil zien. Zo zag ik laatst de resultaten van een studie die me deden denken aan mijn ‘Blast from the past’-artikelen van de afgelopen anderhalve maand.
Het betrof een onderzoek bij muizen. Die werden blootgesteld aan dominante, agressieve dieren. Vervolgens werd getest hoe ze reageerden als ze later in een kooi werden geplaatst en een schok kregen. De muizen die niet agressief waren behandeld, zochten actief naar een uitweg en sprongen naar buiten. De agressief behandelde muizen bleven zitten, ook als ze een schok kregen. Ze waren passief geworden, angstig. Het bleek bovendien dat de stress die ze hadden ervaren, had geleid tot veranderingen in hun hersenen. Het effect van agressie was niet alleen psychologisch, maar ook fysiologisch, lichamelijk. De conclusie was dat bij mensen die gepest zijn, blijvende veranderingen in hun hersenen kunnen optreden, die leiden tot bijvoorbeeld angstig of depressief gedrag.
Dat mensen geen initiatief durven nemen, of niet kunnen omgaan met moeilijke of bedreigende omstandigheden, is dus geen kwestie van het ontbreken van wilskracht. Deze mensen hebben ook niets aan ‘goedbedoelde’ opmerkingen dat ze ‘het gewoon moeten durven’, dat ze ‘niet zo negatief gestemd moeten zijn’ en dat ‘ze de zaken gewoon wat positiever moeten inzien’. Angst is niet iets dat mensen op eigen kracht kunnen overwinnen. Depressie is geen moeras waar mensen zichzelf aan hun eigen haren uit omhoog kunnen trekken. Wat mensen in het verleden meemaken, kan hen blijvend vormen. Ik denk aan de hond van kennissen van me, die door de vorige eigenaar met een stok was geslagen. Tien jaar later sloeg hij nog steeds angstig aan als er iemand aan de deur was, en ging hij mensen met een wandelstok angstvallig uit de weg. De sporen uit het verleden zijn moeilijk uit te wissen, in elk geval niet door onszelf. Maar misschien hoeft dat ook niet.

Ik schreef in de eerdere delen van deze serie hoe ik door een bezoek aan een vriend in Groningen mijn verleden onder ogen moest zien. Hoe ik me realiseerde dat ik in het voorjaar van 1998 niet overspannen was geworden door het bidden en bijbellezen op zichzelf, maar dat dit symptomen waren van iets anders: het gevoel niet genoeg te zijn, niet genoeg te doen, waardoor ik mezelf steeds opjoeg tot over mijn eigen grenzen heen. Ik was niet in staat om mezelf te zien als geliefd en waardevol - en dus probeerde ik mezelf betekenis te geven door hard te werken. In die periode betekende dat het vervullen van religieuze plichten. Ik dacht mezelf goed genoeg te kunnen voelen als ik veel deed, maar de realiteit was dat wat ik deed nooit genoeg kon zijn. De lat lag eigenlijk altijd hoger dan ik kon springen. En dat innerlijke gevoel van tekort kwam voort uit ervaringen in mijn vroegste jeugd. Ik was direct na mijn geboorte een week gescheiden van mijn moeder, en had ook daarna verlatingservaringen meegemaakt. Ik was bovendien als tiener gepest, zowel op school als op christelijke jongenskampen. Die gebeurtenissen hadden de ontwikkeling van mijn gevoel van eigenwaarde beschadigd: ik had nooit geleerd dat ik er mocht zijn zoals ik ben, dat ik geaccepteerd kon worden om wie ik was, dat ik het waard was liefde te ontvangen.
Er was een leegte in mijn binnenste ontstaan, die ik uit alle macht probeerde te vullen met activiteiten. En waar dat in het verleden leidde tot een agenda vol bidden, bijbelstudie, evangelisatie en memorisatie, leidde de leegte in mijn hart in het heden tot een agenda vol sociale activiteiten, afspraken, bezoeken, tot er geen vrij moment meer over was. En daardoor kreeg ik opnieuw last van slaapproblemen, grote vermoeidheid, depressieve klachten en lusteloosheid. De wortel van het probleem lag nooit in de activiteiten op zichzelf, in het bidden, de bijbelstudie of in de sociale contacten, de wortel lag in de gebeurtenissen uit mijn jeugd, die blijvende veranderingen hadden aangebracht in mijn hersenen. Die beschadigingen uitten zich nu op een andere manier in mijn gedrag, maar het was dezelfde leegte. Ik moest de afgelopen weken van mezelf accepteren dat de pijn diep van binnen zat, en dat ik er met symptoombestrijding niets aan kon veranderen. De leegte was realiteit, en al mijn pogingen om hem te vullen waren tevergeefs. En dat te realiseren, is volgens mij het enige dat God van mij vraagt.

Wanneer je de ‘coping mechanisms’ - de manieren om je leegte te verhullen, je onzekerheid te verbergen, de technieken om een schijn van functioneren op te houden - opgeeft, wordt de lege plek in je hart volledig zichtbaar. Geen camouflage meer, geen schutkleuren, geen kast voor de kale plek op het behang. Je staat oog in oog met jezelf, met je eigen onvolkomenheid, met de behoeftigheid waar je zelf niet in kunt voorzien. Het is verleidelijk om terug te vallen op die oude technieken - om weer hard te gaan werken, om weer veel afspraken te gaan maken met anderen, om weer jezelf tot van alles te verplichten - omdat je zo het idee hebt in controle te zijn, iets te kunnen veranderen aan jezelf, jezelf te kunnen verbeteren. Maar ondertussen weet je dat al die pogingen tot mislukken gedoemd zijn. Als je op de ene plaats het onkruid hebt weg geschoffeld, duikt het ergens anders net zo hard weer op. Al het werken, al die inspanning, is slechts een cosmetische behandeling. De wond blijft. En hoe pijnlijk het ook is, hoe hulpeloos en leeg het misschien ook voelt, het enige eerlijke is om je eigen onvermogen onder ogen te zien, de leegte te erkennen als iets waar je niets aan kunt veranderen. Om toe te geven dat je hulp van anderen nodig hebt, om te erkennen dat je hol bent van binnen, dat je dorst hebt.  En in die erkenning van het eigen onvermogen is God al aanwezig.
Terwijl ik over deze dingen nadacht, las ik het boek van Larry Crabb De Ideale Kerk. Hij betoogt daarin dat we in de kerk vaak proberen met religieus gedrag de leegte die we voelen te vullen. Maar al deze vormen zijn slechts uiterlijkheden - het zingen, de preek, het dienen, die dingen zijn in zichzelf niet het antwoord op onze behoefte. Ze maken ons uiteindelijk alleen maar moe. Dit is wat God zelf zegt in Jeremia 2: ‘[Mijn volk] heeft mij verlaten, de bron van levend water en het heeft waterkelders uitgehouwen, kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan.’ Onze eigen pogingen om onze dorst te lessen zijn gedoemd te mislukken. Larry Crabb pleitte ervoor dat de kerk een plaats zou zijn waar mensen hun leegte, hun verslaving, hun dorst konden erkennen, waar ze die onder ogen konden zien. Want, zei hij: die dorst, die behoefte, is in zichzelf al een erkenning van God als de grote dorstlesser, de bron. Een leegte is namelijk ook iets - namelijk het voelen, het merken van een afwezigheid. Als in een puzzel een stukje ontbreekt, zie je in het gat de vorm van het ontbrekende puzzelstuk. We zien God dus ook in de vorm van het puzzelstuk in ons hart. Dit is iets dat christelijke mystici ook wisten - dat het bewustzijn van Gods afwezigheid soms de diepste Godservaring kan zijn, dat de donkere nacht van de ziel soms de hoogste manier kan zijn waarop God zich laat kennen. Je weet pas wat je mist, als het er niet is. Ook de schrijvers van de psalmen wisten dit. Mijn ziel dorst naar de levende God, schreven ze. En: ‘Zoals een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar u’. Het was hun leegte die hen naar God dreef.
Dat is de reden dat God mensen bewust wil maken van hun leegte, hun behoeftigheid. Ik denk aan het verhaal van de Samaritaanse vrouw bij de put, waar ik eerder naar verwees in een iets ander verband. Deze vrouw had een leegte in haar hart, die ze probeerde te vullen met relaties - ze had vijf mannen gehad en de man die ze nu had was niet haar echtgenoot. Jezus wijst erop dat deze relaties haar innerlijke leegte niet konden vullen. Ze bleef maar dorst houden, ze bleef het idee houden dat ze tekort schoot, dat ze niet genoeg was, dat ze niet geliefd was. En aan deze vrouw die zo dorstig was, bood Jezus het levende water aan. Als ze daarvan zou drinken, zou ze nooit meer dorst krijgen. Het zou in haar worden tot een bron, die zou blijven stromen. Dat levende water was hijzelf: hij alleen kon het gat van binnen opvullen, hij alleen kon voldoen in die behoefte aan liefde. Hij was het antwoord op haar vraag. Hij was waar ze naar verlangde. De tekst uit Jesaja 55 is al jaren mijn favoriete bijbeltekst: “Oh, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Koopt zonder prijs en zonder geld wijn en melk.” Als wij ons dorstig voelen, wil God dat we dat toelaten, dat we niet proberen onze behoefte te vervullen met wat toch niet verzadigen kan, maar dat we erkennen dat we Hem nodig hebben.
Onze dorst wordt hierdoor van iets negatiefs (een behoefte) iets positiefs: een verlangen naar de levende God, de schepper van Hemel en Aarde, de bron van het levende water. De pijn die ik in mijn jeugd heb ervaren, de leegte die daardoor is ontstaan in mijn hart, is niet meer een bron van schaamte, een wond die ik moet proberen te bedekken, maar is de reden dat ik naar God verlang, dat ik me naar Hem uitstrek, dat ik Hem navolg met al het verlangen dat in me is. Als ik niet had meegemaakt wat ik had meegemaakt, had ik misschien niet zo diep verlangd naar het levende water. Jaren geleden al werd ik geraakt door een tekst van Brian Doerksen. Hij zingt: “You are the thirst. You are the stream. You are the hunger, living deep inside of me. You are the food, that satisfies, you are provision for the journey of our lives. You are everything to me.” Die woorden ontroeren me: ook de dorst, ook de honger is uiteindelijk een ervaring van God. Zowel het verlangen als de vervulling van het verlangen wijzen naar de Eeuwige. En hoe meer ik mijn leegte erken, hoe meer ik ga verlangen naar zijn Levende Water, hoe meer hij me van zichzelf kan geven. Hoe meer Hij me kan vullen. Hoe meer ik daardoor verander.

Dit verlangen, de erkenning van onze dorst, is volgens mij het enige dat God van ons verlangt. We hoeven niets te presteren, we hoeven onszelf niet te bewijzen, we hoeven niet onze leegte te verbergen. We hoeven niet eens uit alle macht te proberen onszelf te veranderen. We mogen zijn wie we zijn, met ons onvervulde verlangen, met onze behoeftigheid. Zijn zoals we zijn is genoeg. Meer vraagt God niet van ons. De bijbel heeft het er inderdaad over dat God wil dat we vrucht dragen. Onze levens brengen bepaalde dingen tot stand in het koninkrijk van God. God wil door ons heen werken, de wereld veranderen. Maar dat is niet iets dat wij zelf hoeven doen. God is het die daarvoor zorgt, het zijn Zijn vruchten die we dragen. Jezus zegt tegen zijn discipelen dat de ranken in de wijnstok gehecht moeten blijven en dat ze dan vrucht zullen dragen. “Blijft in mij en u zult veel vrucht dragen”, zegt hij. Het is onze dorst naar de levende God waardoor we het sap van de wijnstok willen drinken, het is ons verlangen waardoor we in Jezus geworteld willen blijven. En daardoor kan zijn leven door ons stromen en via ons andere mensen bereiken.
Alleen als we onze behoeftigheid erkennen, zullen we niet meer door hard werken en religieus gedrag proberen de dorst te vergeten. Daardoor raken we alleen maar afgesneden van de bron van levend water, de ware wijnstok. Door het harde werken verdorren we alleen maar. Maar als we onze holte van binnen erkennen, klampen we ons uit alle macht vast aan de enige die ons hart kan vervullen en ons kan laten overstromen met zijn eigen liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Daar hoeven we zelf niets voor te doen. Het enige dat nodig is, is te erkennen dat ik God nodig heb, dat ik naar Hem verlang en dat niets anders mijn dorst kan lessen.

donderdag 14 april 2011

Wie kan mij genezen?

Het zal na vierhonderd berichten op deze plek op het wereldwijde web wel duidelijk zijn dat ik zo mijn stokpaardjes heb. Het verlangen naar de toekomst die God heeft beloofd is daar een van (maar daar heb ik net weer een serietje over geschreven, dus dat thema kan ik even laten liggen). De kerk als instituut versus de kerk als organisme is een ander, net als het feit dat we van God afhankelijk zijn voor onze groei als christenen en personen. En die twee zullen aan de orde komen in deze en de komende berichten. En waarschijnlijk niet voor de laatste keer. Maar ik vind het belangrijk mijn gedachten hierover op papier te zetten - steeds op een hopelijk iets andere manier - en geïnteresseerde lezers op mijn reis mee te nemen. Voor wie niet geïnteresseerd is, bevat mijn blog nog altijd foto’s van bloemen en links over nieuwe dinosaurusopgravingen.
Afgelopen week had ik een telefoongesprek met een kennis, waarin ik vertelde wat ik ook heb opgeschreven in mijn serie berichten over de ‘Blast from the Past’: dat ik bij mijn vriend in Groningen op bezoek was geweest en mijn e-mails van voor mijn overspannenheid daar weer eens had doorgelezen, en wat ik daarin ontdekt had. Dat mijn bidden en bijbellezen waardoor ik overspannen was geworden symptomen waren van een dieper liggend probleem, dat zich ook nu nog uitte in mijn leven. En dat ik vermoedde dat gebeurtenissen in mijn vroege jeugd de oorzaak waren van mijn gevoel van leegte en gebrek aan zelfaanvaarding. Volgens deze persoon was de oplossing dat ik naar de kerk moest gaan (naar de zondagochtend-dienst wel te verstaan. Dat ik naar de bijbelkring ga was kennelijk niet genoeg). Ik zou namelijk alleen genezing ervaren als mensen in de kerk voor me zouden bidden. Door mijn ervaringen in mijn jeugd en in de kerk waarin ik opgroeide was ik wantrouwig geworden ten aanzien van de kerk en gezagsdragers daarin, aldus mijn gesprekspartner, ik zou mijn negatieve ervaringen van vroeger op hen projecteren. Ik reageerde overgevoelig op bepaalde boodschappen, en door mijn keuze me daaraan niet meer te onderwerpen, sloot ik me af voor de genezing die God wil geven. Want de (georganiseerde) kerk was daarvoor Gods kanaal.

Het behoeft waarschijnlijk weinig uitleg dat ik enigszins geërgerd de verbinding verbrak. Ten eerste omdat de persoon in kwestie geen enkele keer had gevraagd waarom ik eigenlijk niet naar de kerk ging. Er was totaal geen interesse voor mijn motivatie - geen belangstelling voor mijn argumenten. De ander bleef bij de aanname dat het was vanwege een diepgeworteld wantrouwen ten aanzien van autoriteiten ten gevolge van traumatische jeugdervaringen. Dat ik wellicht had nagedacht over de manier waarop de bijbel over de kerk spreekt, dat ik al jaren had gelezen en met andere christenen gepraat over organische vormen van kerk zijn, en wat de rol is van structuur en organisatie in de kerk, dat er meer gelovigen zijn die argumenten aandragen tegen de kerk als bedrijf en die pleiten voor het belang van relaties en onderlinge liefde, kwam niet bij mijn gesprekspartner op, was waarschijnlijk niet eens mogelijk. Een eerder gesprek over het onderwerp, toen ik nog wel naar de diensten op zondag ging, werd afgekapt met de opmerking dat ik niet zo negatief moest zijn over de kerk. Als er een conflict was tussen de huidige evangelische vormen van kerk zijn en mij, moest de reden daarvoor wel bij mij liggen (en ieder ander die problemen heeft met de kerk als instituut - inclusief mensen als Larry Crabb, John Eldredge, Wayne Jacobson, William Paul Young, Floyd McClung - moet dus ook wel in zijn of haar jeugd beschadigingen hebben opgelopen waardoor hij of zij wantrouwend is geworden ten aanzien van gezagdragers).
Ik voelde me niet serieus genomen - en zelfs veroordeeld. De ander hoefde het heus niet met me eens te zijn - veel van mijn vrienden gaan met plezier naar de kerkdienst, en dat gun ik ze ook - maar het zou getuigen van respect voor mijn mening en dus voor mij als persoon, als gewoon naar mijn overtuiging werd gevraagd, en ook aandachtig geluisterd.  Het a priori invullen wat de achterliggende reden is voor het gedrag van een ander, en die aanname niet laten corrigeren door interesse te tonen, is eigenlijk onbeschoft. Het maakt een echte relatie - wat toch de basis zou moeten zijn voor de christelijke gemeenschap, de kerk - onmogelijk. De argumenten die iemand heeft voor zijn gedrag, zijn in elk geval voor hemzelf belangrijk, en zijn het dus waard om gehoord te worden. Dit is een kenmerk van liefde - waarde toekennen aan de ander - als persoon, inclusief zijn overtuigingen.

Maar bovendien getuigt het in mijn opinie van een tekort aan zelfkennis of kennis van het verdedigde instituut. De kerk (als door mensen georganiseerd evenement - ik geloof namelijk nog steeds absoluut en vol overtuiging in de Kerk als het Lichaam van Christus en de Tempel van God) werd door mijn gesprekspartner geïdealiseerd - er kon niet iets mis mee zijn. De aanname was a priori dat het voor iedereen altijd goed is om naar de kerkdienst te gaan. Daardoor bleef er weinig te praten over. Een echt gesprek, een uitwisseling van hart tot hart, is namelijk alleen mogelijk tussen gelijken, tussen individuen die naast elkaar staan, op hetzelfde niveau. Je kunt pas echt naar de ander luisteren, als je jezelf niet ziet als ‘beter’ of de ander als ‘slechter’. Wie zichzelf of zijn standpunt ziet als ‘volmaakt’ of ‘niet aan twijfel onderhevig’ maakt een einde aan elke discussie, elke uitwisseling van ideeën, ervaringen of ‘feedback’. Wie een werkelijke relatie wil aangaan met iemand anders, moet de ander zien als mens, net als zichzelf. Dat wil zeggen: die moet bereid zijn te erkennen zelf ook fouten te maken, aan verleidingen bloot te staan en het niet altijd bij het rechte eind te hebben. Die moet ook in staat zijn toe te geven dat de eigen standpunten feilbaar zijn en de eigen motivaties gekleurd. Wie kritiek wil geven op een ander, moet ook zelf openstaan voor kritiek. Wie de splinter in het oog van een ander wil verwijderen, moet eerlijk zijn over de boomstronk in het eigen oog. Pas tussen twee personen die kwetsbaar durven zijn, die hun eigen gelijk en status losjes durven vasthouden, zonder ze uit alle macht vast te klampen, kan echte gemeenschap mogelijk zijn.
En ik meen dat de kerk als instituut niet boven kritiek verheven is. De kerkgeschiedenis laat talloze voorbeelden zien van machtsmisbruik, manipulatie, wetticisme, uitsluiting, liefdeloosheid, et cetera, et cetera. Ik hoef er eigenlijk niets over te vertellen. Mensen hebben de dood gevonden door de kerk. Mensen zijn op de brandstapel geëindigd omdat ze andere ideeën verkondigden, of met het zwaard gedood omdat ze zich weigerden aan te sluiten. Mensen zijn uit de gemeenschap verstoten omdat ze anders waren, en zwart gemaakt omdat ze ongewenst gedrag vertoonden. De kerk heeft meegewerkt aan discriminatie, slavenhandel, oorlogen en milieuvernietiging. En zelfs als de huidige kerken zich niet aan die dingen schuldig maken, wordt toch vaak de organisatie tot doel verheven, worden individuen ondergeschikt gemaakt aan het resultaat, en worden voorwaarden gesteld voor deelname boven de onvoorwaardelijke liefde van God. Ik zat vaak op zondagmorgen onrustig op mijn stoel heen en weer te schuiven, omdat ik weer de boodschap hoorde dat ik eigenlijk meer zou moeten bidden, meer zou moeten Bijbel-lezen, meer zou moeten getuigen, minder zou moeten zondigen, of meer op God zou moeten vertrouwen. Ik geef eerlijk toe dat ik mogelijk overgevoelig ben voor dit soort boodschappen, dat ik door ervaringen in het verleden aanbevelingen en suggesties snel interpreteer als dwingend en controlerend. Het is een feit dat heel wat christenen zich niet zo schuldig voelen als ik, en na de zondagdienst vrolijk naar huis gaan. Maar dat ik allergisch ben voor wetticisme wil niet zeggen dat er geen sprake is van wetticisme. Ik ben ook allergisch voor huisstofmijt en ga daardoor snotteren en niezen. Anderen hebben er geen enkele last van, merken er niets van. Maar dat wil niet zeggen dat er geen huisstofmijt bestaat. Ik ben er alleen gevoeliger voor dan anderen.
Het punt is dit: als ik de kerk niet als veilige plek ervaar, is de kerk voor mij geen veilige plek. Ik moet denken aan het verhaal dat de Amerikaanse auteur Philip Yancey vertelt in What’s So Amazing About Grace, en dat ik waarschijnlijk vaker heb aangehaald. Hij vertelt over een ontmoeting met een verslaafde prostituee, die hem vertelde dat ze tot twee maal toe een abortus had ondergaan, omdat ze geen geld had om voor kinderen te kunnen zorgen. Yancey vroeg haar waarom ze niet met haar problemen naar de kerk was gegaan. “De kerk?”, reageerde ze ongelovig. “Waarom zou ik naar de kerk gaan? Die laat me alleen maar nog slechter over mezelf denken, dan ik uit mezelf al doe.” Als mensen als deze vrouw, en als ik, hoe getraumatiseerd of overgevoelig ze zijn, zich in de kerk afgewezen en veroordeeld voelen, is dat iets om serieus te nemen, niet om onder het tapijt te schuiven. Kennelijk betekent het dat de kerk niet de onvoorwaardelijke liefde van God predikt, en niet uitleeft wat er staat in Romeinen, dat er nu geen veroordeling is voor hen die in Christus Jezus zijn. Als mensen de kerk niet als veilige plek ervaren, is dat misschien omdat de kerk geen veilige plek is voor mensen zoals zij.

Maar zelfs al lag het probleem wel bij mij en bij mij alleen - ik ben bereid die mogelijkheid open te laten. Ik besef immers dat ik door die ervaringen in mijn jeugd beschadigd ben, en ik zie inderdaad in mijn leven een patroon van wantrouwen ten opzichte van organisaties en gezagsdragers. Ik weet dat mijn reacties voortkomen uit pijn, en dat ik de kerk waarneem door een gekleurde bril. Zelfs al heb ik het totaal bij het verkeerde eind ten aanzien van de veiligheid van de kerk, dan nog was het van mijn gesprekspartner onterecht de verantwoordelijkheid voor mijn genezing, mijn herstel, bij mij neer te leggen. Ik moest me namelijk maar over mijn pijn en schuldgevoel heen zetten, en een plek opzoeken die ik als onveilig en beschadigend ervaar. Zolang ik dat niet deed, was ik ervoor verantwoordelijk dat ik niet veranderde. Ik moest me schuldig voelen over het feit dat ik uit de kerk wegbleef. Maar dit is alsof je iemand die ligt te verdrinken voorhoudt dat hij maar had moeten leren zwemmen, of iemand die gewond aan de kant van de weg ligt, kwalijk neemt dat hij niet naar de eerste hulp post wil kruipen. Het is alsof je de gebroken vaas ervan beschuldigt dat hij zichzelf niet kan lijmen. Het feit is namelijk dat ik ziek ben en mezelf niet kan genezen, dat ik beschadigd ben en mezelf niet kan herstellen.
Jezus vertelt het verhaal van een man die door rovers wordt overvallen, en vervolgens naakt en half dood aan de kant van de weg wordt achtergelaten. Er komt een leviet voorbijlopen - een religieus persoon die in de tempel werkte (zeg maar de kerk van die tijd). Hij gaat met een boogje om de man heen. Hij wil zich namelijk niet verontreinigen volgens de reinheidswetten van die tijd. Hetzelfde gebeurt met een priester die voorbijkomt, ook die passeert de man aan de andere kant van de weg. Hij negeert hem. Laat iemand anders hem maar helpen. Hij wil zich niet verontreinigen. Dan komt een verguisde inwoner van Samaria, die de man ziet, bij hem neerknielt, zijn wonden begiet met olie en wijn, verbindt, en hem naar een herberg toebrengt en daar genoeg geld achterlaat dat er goed voor hem gezorgd kan worden. Het punt is dat de man zichzelf niet kon helpen. Hij kon niet achter de leviet en de priester aan kruipen. Hij kon hen niet volgen naar de tempel, hoe goed de tempel ook is, en hoe belangrijk de eredienst en de heiligheid van de leviet en de priester ook waren. De gewonde man krijgt dan ook niet het verwijt dat hij niet genoeg deed voor zijn eigen genezing. De leviet en de priester krijgen het verwijt, namelijk dat zij niet van hun pad afweken om de man op te zoeken en hem te helpen. Om hem lief te hebben, zoals de Samaritaan dat deed. De verantwoordelijkheid lag bij de passanten. Uiteindelijk deed de Samaritaan het goede - hij hielp de gewonde man met onvoorwaardelijke liefde en bracht hem onder in een veilig thuis (volgens mij kan de herberg ook als beeld van de kerk gelden, maar dan de kerk als een gemeenschap waar gewonde mensen een thuis vinden waar de kunnen herstellen). De Samaritaan nam het initiatief.
Hetzelfde zien we in andere gelijkenissen. Het is de herder die in actie komt om het verloren schaap te zoeken. Het schaap hoeft zich er niet voor te verantwoorden dat hij de weg niet kon terugvinden. Het initiatief ligt bij de redder. In plaats van de gebroken mensen buiten de kerk ervan te beschuldigen dat ze niet naar de kerk gaan, zouden gelovigen deze mensen kunnen opzoeken en liefhebben. Niet om ze zo naar de kerk te krijgen, maar omdat ze waardevolle mensen zijn, die liefde nodig hebben. Het gaat er niet om of deze mensen uiteindelijk op zondag naar een georganiseerde bijeenkomst komen, maar of ze merken dat er een gemeenschap is van mensen voor wie ze belangrijk zijn, en door wie ze de liefde van God leren ervaren. Daardoor zullen de gebroken mensen gaan genezen. En daardoor zullen ze misschien ook hun diepgewortelde wantrouwen tegen de organisatie, hun overgevoeligheid voor regels en eisen, kwijtraken.

Maar ook dat is niet het antwoord. Want niet alleen kan ik mezelf niet genezen of veranderen, de kerk kan dat ook niet. Hoeveel initiatief gelovigen ook nemen: de kerk kan mij niet genezen. Een organisatie, welke organisatie dan ook, kan mij niet veranderen. Andere mensen kunnen mij niet overtuigen van de onvoorwaardelijke liefde van God. Alleen God kan dat. Alleen God kan genezen, veranderen en overtuigen, door de Heilige Geest. Inderdaad, God wil daarvoor soms de kerk gebruiken, soms een organisatie, soms andere mensen. Hij kiest er soms voor te handelen via instrumenten. Maar Hij is daar niet van afhankelijk. De kracht komt altijd van Hem en alleen van Hem, en wij kunnen hem niet in onze kanalen vangen. Wie genezing afhankelijk maakt van de kerk, wie het instituut beschouwt als het enige kanaal waardoor Gods kracht tot mensen kan doordringen, zoals mijn gesprekspartner dat deed, maakt er een afgod van. Die schrijft aan een Aardse instantie, een menselijke organisatie, een eigenschap toe die alleen aan God toehoort. Die plaatst een geschapen voorwerp, een begrensd instituut op een voetstuk dat alleen toekomt aan de ongeschapen God, die niet aan grenzen onderwerpen is. Die kiest voor religie - zoals de leviet en de priester in de gelijkenis - en ik meen me te herinneren dat Jezus daar geen fan van was.
We kunnen God niet voorschrijven welke middelen hij moet gebruiken en aan welke methodes hij zich moet houden. God handelt zoals hij zelf wil handelen. Hij geneest op de manier die hij zelf uitkiest. Het heeft dus geen zin mensen naar de kerk te sturen om zo genezen te worden. De kerk kan mensen namelijk niet genezen. Wel is het mogelijk om in de kerk in contact te komen met God, de grote Geneesheer. Maar God is niet beperkt tot de kerk. Wie oprecht met een ander bewogen is, die hem of haar genezing en herstel gunt, verwijst hem of haar niet naar een instituut, maar naar God. Die brengt hem in contact met de bron van Liefde en Genezing, door in woorden te vertellen over Gods goedheid en zijn grootheid, maar ook door zelf als kanaal van zijn liefde te fungeren. Door niet te veroordelen, maar het goede voor de ander te zoeken. Door te luisteren en de waarheid te spreken. Door te zijn als de Samaritaan in de gelijkenis.
En ik geloof oprecht dat een gebroken mens, die de onvoorwaardelijke, onbegrensde liefde van God begint te ervaren (zelf of door anderen heen), daardoor zal veranderen. Daardoor genezing zal ervaren. En in de relaties die hierdoor ontstaan, die zich baseren op die onvoorwaardelijke liefde, zal ook de Kerk zichtbaar worden, het ware Lichaam van Christus, de Tempel van God. Niet als afgod, als doel in zichzelf, maar als resultaat, als onontkoombaar gevolg. Dat is wat de bijbel belooft. Dat is het evangelie.

vrijdag 8 april 2011

Blast from the past 3: ‘Knowing is half the battle’

Mijn broers en ik keken op zaterdagmorgen, terwijl mijn ouders nog sliepen, altijd tekenfilms op televisie. We waren vooral fan van het oer-Amerikaanse G.I. Joe - een serie over een team soldaten met een eigen basis die streden tegen de terroristische organisatie Cobra. Ons enthousiasme ging zo ver dat we eigen stripverhalen tekenden over deze karakters, en in het bos speelden dat we zelf de dappere avonturiers van G.I. Joe waren. Wees gerust, dit bericht wordt geen diepgravende analyse van deze (toch wel enigszins ‘cheesy’) tekenfilms, en ook geen onderzoek naar de onderliggende thema’s van de verfilming van twee jaar terug (zinkend ijs? echt?). De titel suggereert al dat deze bijdrage meer in de lijn ligt van twee erg persoonlijke ontboezemingen die ik in de afgelopen weken schreef voor deze blog. En ook deze bijdrage wordt weer behoorlijk persoonlijk, dus wie daar niet van gediend is, kan maar beter wachten op mijn meer filosofische (maar hopelijk niet droge) vierde artikel over de ‘pijl van de tijd’ later dit weekeinde. Maar om terug te komen op de bewuste G.I. Joe-tekenfilms: die eindigden altijd met een moraliserend segment, waarbij een van de hoofdpersonen een jongetje of meisje uitlegde dat ze braaf hun tanden moesten poetsen, geen lucifers in het bos moesten laten slingeren en niet kinderen op school moesten pesten omdat ze een andere huidskleur hadden. “Now you know”, zei de heldhaftige figuur dan aan het slot. “And knowing is half the battle.” Ik geloof dat dit ook geldt voor onze strijd om te leven ondanks de gebrokenheid die ons heeft vormgegeven: het toegeven van de verwonding helpt al er niet door gecontroleerd te worden. De andere helft van het gevecht ligt in het uitzien naar het herstel in de toekomst.

In de vorige twee berichten onder deze titel vertelde ik over een bezoek aan een oude vriend in Groningen, die driehonderd pagina’s correspondentie uit de periode van voor mijn overspannenheid had bewaard. Door deze samen met hem door te bladeren, realiseerde ik me dat de Johan van veertien, vijftien jaar geleden niet een andere persoon was dan de Johan van nu. Ik hoefde hem niet te verguizen of af te wijzen. Hij had zich alleen door wat hij had geleerd in de geloofsgemeenschap waar hij opgroeide, laten opjagen tot overdreven religieus gedrag: bijbellezen, bidden, bijbelstudieboeken lezen et cetera. Hij had zich ervan laten overtuigen dat hij zich enorm schuldig moest voelen, dat hij zich moest schamen voor zijn liefde voor verhalen en andere verlangens, en dat hij zijn uiterste best moest doen om voor God waardevol te zijn. En omdat Johan nu eenmaal de verwachtingen die aan hem worden gesteld serieus neemt, nam hij ook deze verwachtingen aan als harde eisen. Hij joeg zichzelf op, tot hij er overspannen van werd.
Ik besefte bovendien dat de Johan anno 2011 niet een andere persoon is dan de Johan van toen. Hij heeft nog steeds de neiging te veel hooi op de vork te nemen, te proberen aan alle verwachtingen (uitgesproken en onuitgesproken) te voldoen en zichzelf geen werkelijk vrij moment te gunnen (de uren gespendeerd achter internet zijn meer een vlucht dan echte ontspanning). Hij kan nog steeds niet accepteren dat hij goed genoeg is zoals hij is, heeft nog steeds het idee dat hij hard moet werken om betekenis te hebben, en voelt nog steeds een innerlijke leegte, die hij uit alle macht probeert te vullen. Het religieuze gedrag van al die jaren geleden was niet zelf het probleem, het was een symptoom. De ziekte is niet verdwenen, maar uit zich nu in andere vormen van opgejaagdheid. De bron van de problemen ligt dieper, in de non-verbale beelden op de bodem van het hart, die bepalend zijn voor het zelfbeeld, het wereldbeeld en het Godsbeeld. Deze beelden zijn gevormd door ervaringen, en bekrachtigd door emoties - en woorden en argumenten kunnen ze eigenlijk niet veranderen. Vooral omdat sommige van deze ervaringen dateren uit de vroegste kindertijd, toen de Johan van toen nog geen woorden kon verstaan.

De weken na mijn ontmoeting met mijn vriend dacht ik veel na over die diepe beelden in mijn hart, die na anderhalf decennium nog zo weinig veranderd lijken te zijn. En  over de vraag waar ze vandaan komen. En ik besefte dat ik de verhalen die mijn ouders me verteld hadden, serieus moest nemen. Er was iets gebeurd in mijn vroege jeugd dat mijn vertrouwen in mezelf en mijn omgeving ingrijpend had beschadigd. Het is altijd een beetje gevoelig om over deze dingen te schrijven op het internet, dus ik probeer het schetsmatig te houden. Het feit is dat ik ter wereld ben gekomen met een zogenoemde ‘vacuumextractie’. En in de jaren ’70 was de regel dat het kind dan eerst 24 uur rust moest krijgen voor het aan de moeder werd toevertrouwd. Bovendien had ik een andere bloedgroep dan mijn moeder, wat tot problemen leidde (in medische termen: een B0 antagonisme): haar afweerstoffen braken mijn rode bloedcellen af, en door de afbraakstoffen kleurde mijn huid geel. Om dit te verhelpen, moest ik onder een UV-lamp liggen. Zeven dagen lang. Ik weet nu hoe belangrijk de eerste momenten na de geboorte zijn voor dieren - denk aan kuikens, die achter het eerste bewegende voorwerp dat ze zien aanlopen alsof het hun moeder is, en van geen vervanging willen weten, of lammetjes, die je direct bij het schaap moet laten, anders moet je ze zelf de fles geven - en kan me dus voorstellen dat deze eerste levensdagen ook belangrijk zijn voor een kind, om zich gewenst, geborgen en veilig te voelen. Ik heb begrepen dat een tekort in deze eerste dagen bij mensen kan worden goedgemaakt in de maanden erna, maar ook toen heb ik het een en ander misgelopen. In mijn tweede jaar moest ik bijvoorbeeld twintig weken bij mijn opa en oma wonen omdat mijn moeder in het ziekenhuis lag (ik heb bij hen leren lopen). Later kwamen daar pestpartijen bij op de middelbare school, en op christelijke zomerkampen.
Ik weet pas sinds kort van het bestaan van bindingsstoornissen - het is bekend dat couveusekinderen bijvoorbeeld in hun latere leven tegen sociale en psychologische problemen aanlopen - en ik herken het een en ander uit de beschrijvingen ervan in mijn eigen leven. Bijvoorbeeld waar mijn problemen met grenzen vandaan komen en mijn angst voor aanraking (ik had een pathologische angst voor stickers op de basisschool en zal nog steeds niets op mijn hand schrijven). Maar ook de leegte in mijn binnenste - die niet gedempt lijkt te kunnen worden. Aandachtige lezers van mijn publicaties (op mijn blog en gedrukt) weten dat ik vaak schrijf over de onvoorwaardelijke liefde van God en hoe belangrijk het is die te ervaren. Misschien vind je dat wel wat overdreven - als je weet dat God van je houdt, kan je immers verder gaan met leven zoals Hij dat wil (dat was waar mijn vriend in Groningen van uitging - hij meende dat de liefde van God voor mij net zo vast stond als voor hem). Maar een lezer merkte laatst op dat hij in mijn werk een vorm van ‘wishful thinking’ bespeurde: een zekere wanhopige poging om mezelf te overtuigen dat het echt waar is wat ik schrijf. Want ik vind het nog steeds moeilijk mezelf te zien als iemand die echt door God geliefd is - gewoon zoals ik ben. Wat ik ook lees, en wat ik ook van Gods liefde ervaar, het lijkt nauwelijks door te dringen. Mijn ontvangstcapaciteit voor liefde is heel beperkt. Dat geldt voor alle vormen van liefde. Het idee dat mensen mij leuk vinden om wie ik ben, klinkt me nog steeds als iets vreemds in de oren. En dat ik zoals ik ben genoeg ben voor God lijkt nog altijd ongelofelijk.
Iets in mij is ervan overtuigd dat mezelf zijn niet genoeg is, maar dat ik iets moet doen om betekenis te krijgen. Maar wat ik ook doe, het is nooit genoeg. Dat was het niet voor mijn overspannenheid. Al las ik dagelijks tien hoofdstukken uit de bijbel, bad ik een uur in plaats van een half uur, en kende ik hele bijbelboeken uit mijn hoofd - ik zou niet geloven dat ik geestelijk genoeg was om waardevol te zijn voor God. En het is het nu ook niet. Al zou ik voor mijn 35ste al tien boeken hebben geschreven, ik zou mezelf nog steeds een mislukkeling vinden. Al zou ik een gezin hebben, een auto en een vrijstaand huis, ik zou nog steeds niet tevreden kunnen zijn met wie ik was. De leegte in mij, ontstaan in mijn eerste levensweken, laat zich niet zomaar opvullen. Ja, ik zei toch dat dit bericht persoonlijk zou worden? Ik hou me aan mijn woord!

Waarom is het zo belangrijk te weten waar je gedrag vandaan komt? Wat de beelden in je hart heeft gevormd, waardoor je jezelf, de wereld en God door een gekleurde bril bent gaan zien?
Omdat je door het verleden te kennen en te erkennen de gebrokenheid in je gedrag kunt identificeren, en ervoor kunt kiezen om in bepaalde situaties anders te handelen dan je zou doen op basis van je misvormde beelden. Het is zoals de helden van G.I. Joe het zeiden: “Knowing is half the battle.” Ik schreef er al over in mijn recensie van The Reader: wat geheim en verborgen blijft, kan je leven beïnvloeden en uiteindelijk zelfs vernietigen. Maar als je jouw verwonding, je vergissingen, je pijn en schaamte erkent en in het licht laat komen, als je er eerlijk over bent naar jezelf toen en naar anderen die je vertrouwt, verliest ze haar macht over je leven. Dat schrijft Paulus in Efeze 5: "Wat in het verborgene gebeurt, is te schandelijk voor woorden. Maar alles wat door het licht ontmaskerd wordt, wordt openbaar, en alles wat openbaar wordt, is zelf licht."
Als je niet weet dat je een gekleurde bril draagt, komt het niet in je op dat de werkelijkheid wel eens anders kan zijn dan je waarneming je vertelt. Maar als je beseft dat je waarneming gekleurd is, sta je open voor andere interpretaties dan de jouwe. Dan kun je er soms zelfs voor kiezen die bril af te zetten en de werkelijkheid te zien. Zolang je niet beseft dat je vaste gedragspatronen voortkomen uit een wond of tekortkoming die je in je hart hebt opgesloten, blijven ze natuurlijk aanvoelen en blijf je er in steken. Pas als je weet dat je vaste keuzes eigenlijk mechanismen zijn om te kunnen omgaan met de pijn, ben je bereid om te werken aan verandering en mensen het voordeel van de twijfel te gunnen. Paulus heeft het over een ‘wortel van bitterheid’ (Hebreeen 12:15) - om bitterheid te bestrijden, moet je de wortel opgraven. Alleen symptoombestrijding heeft weinig zin, dat laat de geschiedenis helaas keer op keer zien.

Maar het verleden kennen en het een plaats geven, is niet genoeg. Zelfs als je weet wat je tekort bent gekomen, zelfs als je bewust kiest om je op een andere manier te gedragen dan natuurlijk voor je is, blijft je verleden je keuzes bepalen. De pijn die je hebt opgelopen, kan immers niet meer ongedaan worden gemaakt, het tekort dat je hebt geleden kan niet meer worden aangevuld. Wat gebeurd is, is gebeurd. Het verleden staat vast, het kan niet meer worden veranderd. De pijl van de tijd beweegt maar een kant op. Alles wat je nu doet, hoe je nu reageert, wordt bepaald door je ervaringen van vroeger. Zelfs als je je ertegen verzet. Zelfs als je een ander reactiepatroon aanleert. Menselijk gesproken is echte genezing onmogelijk.
Ik geloof echter dat de pijl van de tijd zich niet van het verleden af beweegt, maar zich beweegt in de richting van de toekomst. Een heerlijke toekomst, waar Gods wil zal gebeuren op de Aarde, en in mijn leven, zoals hij gebeurt in de hemel. Een toekomst waar iedereen bij zijn ware naam genoemd zal worden, waar het leven de dood voor altijd heeft overwonnen, waar het menselijke verlangen naar schoonheid, waarheid en intimiteit volledig zal worden vervuld. Een toekomst waar God alles zal zijn en in allen, en alles de glans zal hebben van zijn aanwezigheid. Een toekomst waar niets en niemand zal zijn uitgesloten van de dans van de drie-eenheid. Een toekomst waar geen tranen meer zullen zijn, behalve tranen van blijdschap. Dit is waar de hele schepping naar uitkijkt. Dit is wat de bijbel noemt: het koninkrijk van God. Dit is waar God al sinds het moment van de schepping aan werkt. Dit is waar hij zich zonder ooit moe te worden voor inspant, waar hij zich voor opoffert (letterlijk), waar hij (ook weer letterlijk) alles voor over heeft, zelfs zijn eigen leven. En dit is ook onze toekomst. Dit is waar wij voor bestemd zijn. Waar alles wie we zijn en wat we doen werkelijk tot bloei komt, en de glorie waarmee we geschapen zijn als beelddragers van God eindelijk zichtbaar wordt, zonder vlek of rimpel. Dit is waar ons leven zich naar toe beweegt. Dit is ons doel.
En deze werkelijkheid kan ons leven nu al vorm geven. Jezus heeft ons immers gezegd dat we nu al delen in het leven van de eeuwigheid. We worden niet gedefinieerd door wat ons is overkomen, we zitten niet voor altijd gevangen in het keurslijf van onze ervaringen en verwondingen, ons gedrag is niet bepaald door het verleden. Onze blik is vooruit gericht, op de heerlijkheid die over ons zal worden geopenbaard. En als we zien wat we zullen zijn, hoe vrij, hoe liefdevol, hoe ongedwongen, hoe blij we zullen zijn, gaan we ernaar verlangen ook nu al op die manier te leven. En dat verlangen zal zich vertalen in nieuw gedrag. We doen de nieuwe mens aan, de mens die geschapen is om het beeld van God te weerspiegelen. De oude mens, de mens die bepaald werd door de pijn van het verleden, leggen we af als een oude jas. Daar verlangen we niet meer naar - die is saai, gescheurd, bevuild. We kijken naar wat voor ons ligt, en laten ons daardoor inspireren. Gods heerlijkheid die ooit helemaal door ons heen tot uiting zal komen, gaat nu alvast vrucht in ons dragen.
En de toekomst dringt zelfs door in ons verleden. We gaan de pijn van toen, de verwondingen, de verlating, leren zien door een nieuwe bril. We gaan herkennen dat niets ooit tevergeefs was. Dat God de pijn kende, er verdriet over had, en met ons meehuilde. Dat hij erbij was, en ons ook liefhad toen we ons door iedereen verlaten voelden. God kan het kwaad niet verdragen, hij wil het niet verdragen. We gaan ook zien dat zelfs de diepste wond en de grootste zonde niet voldoende zijn om zijn plan in gevaar te brengen. Liefdevol neemt hij de beschadigde plekken uit het verleden en geeft ze een plek in het weefsel van zijn bedoelingen. Hij trekt zijn lijnen er omheen, past zijn plannen aan, en uiteindelijk zullen we zelfs gaan begrijpen dat hij van die momenten gebruikmaakt om zijn koninkrijk te verwezenlijken. Ons verleden wordt door God verlost. En dus kan ook ons heden en kunnen ook onze keuzes van nu worden verlost. We kunnen werkelijk handelen uit liefde, in plaats van uit gebrokenheid. Dat is de hoop van het evangelie, het goede nieuws: de pijl van de tijd beweegt zich in de richting van de toekomst. En daarover gaat mijn volgende bericht.

zaterdag 26 maart 2011

Blast from the past 2: De bron van de verschillen

Wie het vorige bericht onder deze titel gelezen heeft, weet wat hij kan verwachten in deze editie. Geen filosofische overdenkingen, of theologische bespiegelingen, maar een persoonlijke terugblik op de tijd voor mijn overspannenheid. Ik vertelde in de eerste aflevering hoe ik tot het inzicht kwam dat ik de Johan van toen ten onrechte had verguisd. Ik had hem jarenlang uitgemaakt voor wettische betweter en bemoeial, een Farizeeër die niet van het leven kon genieten en mensen die het niet met hem eens waren veroordeelde, een workaholic die werd gedreven door schuld- en plichtgevoel, kortom: een onaangenaam persoon, met wie ik me niet wilde associëren. Ik had geprobeerd hem uit mijn gedachten te bannen, en die periode te zien als een donkere bladzijde uit mijn persoonlijke geschiedenis. De Johan van nu was totaal iemand anders. Die had niets meer te maken met de persoon van toen.
Maar ik keek naar mijn verleden door een zwarte bril. Ik was bevooroordeeld. Wat ik opnieuw moest beseffen, was dat ik toen dezelfde persoon was als nu. Een persoon met dezelfde humor, dezelfde liefde voor verhalen, fantasie en vissen, met dezelfde creativiteit en dezelfde eerlijkheid als de Johan van nu. Die jaren die ik altijd door een donkere bril had bekeken, horen gewoon bij mijn persoonlijke geschiedenis. Ze zijn als boeken uit een tot nu toe 34-delige serie, die ik van zolder mag halen, waar ze stof lagen te verzamelen, en die ik weer in de kast mag zetten, tussen de andere delen, waar ze thuishoren. Ik mag terugkijken naar deze tijd zonder mezelf te veroordelen, ik mag genieten van de goede herinneringen van toen, en tegelijk verdriet voelen om de druk die ik mezelf oplegde, en het schuldgevoel waar ik mijzelf (onterecht meestal) mee strafte.
Misschien is dit wat mensen bedoelen, als ze spreken over ‘jezelf vergeven’ - het verloren, afgesneden deel van jezelf weer thuis ontvangen, en zijn plek laten innemen. Daarbij hoort dat je het goede van die tijd op waarde schat, maar zonder het verkeerde goed te praten. Volgens mij is dat de enige manier waarop een mens echt van zijn verleden kan leren, en waarop echte en blijvende verandering mogelijk is. Dat is de enige manier om niet aan symptoombestrijding te blijven doen, en de ware wortels van destructief gedrag te vinden en uit te roeien.

Ik vertelde hoe ik voor het eerst in jaren op bezoek was bij een vriend uit mijn ‘donkere’ periode, en hoe ik met hem driehonderd pagina’s e-mailcorrespondentie uit die tijd doornam. Later praatten we erover door. Want als we zoveel met elkaar konden delen, waarom ontstond er dan zo’n kloof tussen ons? Waarom kon onze vriendschap niet blijven bestaan? Ja, we dachten over sommige zaken verschillend, en voerden lange discussies over de ontwikkelingen in onze geloofsgemeenschap, en over postmodernisme, en bijbelstudie. Maar vrienden moeten over sommige onderwerpen van mening kunnen verschillen, dat hoort erbij. Wat we nu ontdekten was dat de verschillen dieper zaten.
Toen ik schreef dat ik zocht naar een manier om te ontspannen, adviseerde mijn vriend me om rustig iets uit de bijbel te lezen, of naar christelijke muziek te luisteren, want dat was voor hem ontspannend. Een film kijken zou weer inspanning zijn, betoogde hij. Hij kon op dat moment niet weten dat deze dingen voor mij een heel andere lading hadden. Bijbellezen was voor mij niet ontspannend. Net zo min als bidden of christelijke muziek dat was. Het was iets dat ik deed uit plicht, dat een ‘moeten’ was geworden, en dat me dus juist spanning opleverde als ik het zou doen. In een andere mail vroeg mijn vriend ‘Denk jij dat een hele dag niet christelijke romans lezen, omdat je dat leuk vindt, verkeerd is? En zo nee, waarom niet? Is het te passen in teksten als: we moeten onze tijd uitkopen (Ef. 6)?’ Voor hem was het een legitieme vraag. Hij kon niet weten dat het bij mij schuldgevoel opriep, dat ik me veroordeeld voelde. Hij kon niet weten dat ik de vraag of iets verkeerd was, direct op mezelf zou toepassen, dat ik het zou interpreteren alsof ikzelf verkeerd was (zodra ik iets deed dat mogelijk verkeerd zou kunnen zijn). Mijn vriend dacht dat ik hetzelfde in elkaar zat als hij, dat ik dezelfde motivaties had als hij, dat bij mij dezelfde diepe overtuigingen ten grondslag lagen aan mijn gedrag. En de technieken die hij zelf toepaste, die bij hem goed werkten, leidden bij mij tot een diepere wanhoop. De adviezen die hij zelf vrij kon opvolgen, werden voor mij een dwang.
En andersom meende ik dat mijn vriend hetzelfde in elkaar zat als ik. Dat hij dezelfde motivaties had als ik, en dat zijn gedrag op dezelfde innerlijke wereld was gebaseerd. Dat wil dus zeggen dat ik dacht dat hij zich liet leiden door hetzelfde schuldgevoel als ik en hetzelfde plichtsgevoel. Dat hij net zo oordelend over zichzelf dacht als ik, en zichzelf net zo snel ‘verkeerd’ vond als ik. Dus toen ik overspannen werd, en meende dat mijn religieuze gedrag uit de periode ervoor allemaal zijn oorsprong had in schaamte en plicht, dacht ik dat hetzelfde moest gelden voor het religieuze gedrag van mijn vriend. Het feit dat ik niet kon bidden zonder mezelf onder druk te zetten, betekende dat hij dat ook niet kon. Het feit dat ik uit de bijbel las omdat ik alleen zo een ‘goed christen’ kon zijn, betekende dat hij dat ook deed. Het kwam niet bij me op dat mijn vriend uit de bijbel las omdat hij het graag wilde, en bad zonder dat het voelde als een ‘plicht’. Omdat ik mezelf zag als een huichelaar, zag ik mijn vriend ook zo. En dus verbrak ik het contact, zonder ooit te vragen waarom hij nou werkelijk deed wat hij deed, of hij hetzelfde over zichzelf dacht als ik.

De realiteit was dat er grote verschillen waren in de manier waarop wij in het leven stonden. We hadden het er nu, vijftien jaar na dato, eindelijk met elkaar over of we in ons hart wisten dat God van ons hield, dat we onvoorwaardelijk aanvaard waren. Daarin bleek het verschil te liggen. We vergeleken hoe wij omgingen met schuldgevoel, als we iets hadden gedaan waarvan we dachten dat het verkeerd was. (Bij mij waren het vaak kleine dingen, zoals het inkijken van X-menstripboekjes bij de tijdschriftenwinkel. Als ik dat had gedaan, voelde ik me soms dagenlang diep schuldig). Mijn vriend vertelde me nu dat hij er altijd van overtuigd was geweest dat God echt van hem hield. Als hij iets had gedaan waarvan hij overtuigd was dat het niet goed was, dacht hij niet dat God nu boos op hem was. Hij beleed zijn zonde, erkende dat het niet goed was, en dacht er verder niet meer aan. Hij voelde zich niet slecht of verontreinigd. Daarentegen voelde ik me een mislukkeling, iemand van wie God niet kon houden. Ik kon verstandelijk wel zeggen dat God van me hield. Maar het voelde niet zo. Het voelde alsof ik nooit goed genoeg was, alsof ik perfect moest zijn. En dat ik het oordeel verdiende als ik dat niet was. Voor mij was Gods liefde ten diepste voorwaardelijk.
Op mijn beurt vertelde ik mijn vriend waarom ik mezelf zoveel oplegde. Ik schreef het zelfs in een van mijn e-mails: “Ik denk dat het een soort compensatie is voor mijn teleurstelling in mezelf. Ik faal zo vaak in dienst van de Heer! En als ik maar veel lees, kan ik mezelf zeggen dat ik ‘het toch wel goed doe’.” Ik las vijf hoofdstukken per dag in de bijbel, memoriseerde bijbelteksten, studeerde Nieuw Testamentisch Grieks, bad een half uur per dag, las commentaren op de bijbel, bezocht elke mogelijke samenkomst, maar het was nooit genoeg. Ik kon nooit tevreden zijn met mezelf. Tot ik volmaakt was, kon ik mezelf niet accepteren. Daarom dat ik zo gevoelig was voor suggesties over wat ik moest doen, de preken in de kerk die me opriepen meer te bidden en meer in de bijbel te lezen. Ik geloofde ten diepste niet dat God van mij hield zoals ik ben, dat God me al volledig aanvaard had, en dat ik Gods liefde niet hoefde verdienen.

Mijn vriend en ik vertoonden dus aan de buitenkant hetzelfde gedrag. We lazen allebei veel uit de bijbel, waren actief in de kerk, baden veel, probeerden te evangeliseren, en lazen een boel. En omdat we van buitenaf zo op elkaar leken, dachten we dat we dus ook van binnen wel hetzelfde zouden zijn. Maar de realiteit was dat we van binnen nogal van elkaar verschilden. Om naar het plaatje bovenaan te verwijzen: we sprongen allebei uit het water. Maar mijn vriend deed het omdat het bij hem paste, omdat hij ervan genoot, omdat hij een dolfijn was. Daardoor kon hij het ook volhouden. Ik deed het omdat ik het mezelf oplegde, maar het ging bij mij niet vanzelf. Ik was een koe. En dus werd ik al snel moe van het onnatuurlijke springen.
Mijn vriend was in staat zichzelf te accepteren, omdat hij geloofde dat God van hem hield. Daarom kon hij al bidden, bijbellezen en evangeliseren zonder er overspannen van te worden, zonder religieuze plicht. Daarentegen vond ik mezelf tekortschieten, ik kon mezelf niet accepteren, omdat ik in mijn hart niet echt geloofde dat God zomaar van mij kon houden. En dus deed ik al die dingen om beter over mezelf te denken, om mezelf voor God acceptabel te maken, om er als christen bij te horen. En ik werd er overspannen van. We geloofden met ons verstand dezelfde dingen over God en over onszelf, toch waren ons Godsbeeld en ons zelfbeeld in ons hart totaal verschillend. We hadden dezelfde intellectuele leerstellingen over God gehoord op de zondagsschool en in de kerk, maar we hadden ze anders geïnterpreteerd. Omdat onze ervaringen anders waren. Mijn vriend had als kind een andere relatie met zijn ouders als ik, had andere ervaringen op school (waar ik bijvoorbeeld was gepest omdat ik zo anders was dan anderen). Hij had tijdens zijn jeugd heel andere beelden opgedaan van ouderliefde, acceptatie en veiligheid, dan ik. Zijn gedrag had dus een heel andere basis.
Veertien jaar geleden waren we ons daar niet van bewust. Het kwam niet in ons op om de ander naar die diepe beelden te vragen die onze waarneming en ons gedrag kleurden. En omdat we dit niet wisten, en er niet over konden praten, dreven we uit elkaar, en verbrak ik het contact. Gelukkig waren we nu allebei ouder en wijzer, en konden we elkaar recht in de ogen kijken en ook over deze soms pijnlijke zaken delen. We durfden elkaar te vertellen wat ons in onze jeugd was overkomen, en waarom we soms nog steeds gevoelig reageren als we aan die gebeurtenissen herinnerd worden. Doordat we zonder elkaar te veroordelen of af te wijzen naar elkaar konden luisteren, konden we elkaar vergeven. Er was opnieuw een basis voor relatie. Een basis niet in gedeelde interesse voor bijbelstudie alleen, zoals vroeger, maar in openheid en respect. Zelfs al verschilden we nu meer dan toen in ons religieuze gedrag, kerkgang en sommige overtuigingen ten aanzien van de bijbel, we deelden meer op een dieper niveau.
Het was mooi om te merken dat we nu allebei begrip konden opbrengen voor de verschillende ervaringen die aan ons gedrag ten grondslag hadden gelegen, en nog steeds liggen. Want ik begrijp nu dat ik nog steeds opgejaagd wordt door hetzelfde gevoel van tekortschieten, van niet goed genoeg zijn. Het stoppen met het religieuze gedrag maakte niet een einde aan de innerlijke slavendrijver, de diepe leegte die mij voortdreef. En met dat besef wordt de eerste stap gezet naar genezing. Genezing van de relatie, maar ook genezing van die beschadigde beelden diep in het hart. Want adviezen en opmerkingen op het niveau van gedrag bieden geen uitkomst. De beelden van binnen moeten worden veranderd. Dat gaat niet door informatie van buitenaf. Kennis heeft er niets mee te maken. Het enige dat de wond kan genezen is de ervaring van acceptatie en liefde. Leren liefde te ontvangen van God, van anderen en leren mezelf te accepteren. Dat is het proces waar ik me in bevind. En dat proces zal nog wel even doorgaan. De ontmoeting van twee weken geleden was er een onderdeel van.