Posts tonen met het label desillusie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label desillusie. Alle posts tonen

donderdag 23 april 2015

Gedicht: Museum


Museum

Ze kijken me aan vanuit
hun glazen dozen met hun
kralenogen. Vacht verkleurd.
De mooiste veren grijs
onder het stof. Houding stijf
hun poot gebogen, valse grijns.
Hun naam gespeld op geel papier
in spinnenpoten, de datum
en de vinder er zorgvuldig
bij geplaatst. Zo wachten ze
geduldig, maar de optocht
trekt aan hen voorbij, nietsziend
met kromme schouders, fluisterend
over buurvrouw, koffie, werk.
Kinderen die vragen wanneer
ze weer naar buiten mogen. Licht
van hun schermen doet de schaduw
dansen tot aan sluitingstijd.
Het doek valt opnieuw. Dit was hun
kans om te bestaan. Hun laatste
glorie. In de schemering
worden ze opnieuw begraven.

zondag 7 juli 2013

Gedicht: Afgod

Afgod

Welk wreed gebod
liet mij mijzelf verstoten?
Wiens koud edict
zond mij het duister in?
Welk woord
op tafelen gebeiteld
doorstak mijn hart
zoog al het leven weg?

Toch werd ik steeds
door banden teruggetrokken,
door haken in
mijn dode vlees gezet,
en neergeduwd
op kapot gebeden knieƫn
voor dat gelaat
dat niets dan oordeel sprak.

Ik zie slechts zwart
waar zij van liefde zingen.
Voel kille wind,
geen adem met een hart,
geen leven,
niets dat ik kan aanbidden,
maar dode steen
weerkaatst in hun gezicht.

Mijn lijden voedt
de geest in leer gevangen,
verwrongen,
tot regels teruggebracht.
Mij rest de dood
ik heb vergeefs gevochten.
Ik wacht
totdat de ware God mij redt.

Galaten 4:8-9: 'Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn. Hoe is het dan toch mogelijk dat u die God hebt leren kennen, meer nog, door God gekend bent, u opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan als slaven onderwerpen wilt?'

zondag 8 januari 2012

Het einde van de wil 1: geen triomftocht, maar een begrafenis

Soms zou ik willen dat alle sprekers in de kerk en alle christelijke schrijvers een keer een burn out hadden doorgemaakt, of een keer overspannen waren geweest. Niet dat ik het iemand toewens natuurlijk. Dat zou wreed zijn. Maar wie het een keer heeft meegemaakt, wie een keer op de bodem is terechtgekomen, wie de grenzen van zijn eigen wilskracht en doorzettingsvermogen heeft bereikt, weet dat hij (of zij) niet meer een beroep kan doen op de wil en discipline van zijn toehoorders om zichzelf te veranderen. Die weet dat hij niet meer schuldgevoel en plicht kan inzetten om het gedrag van mensen te veranderen. Die weet dat hij volledig en geheel, zowel voor zijn redding als voor zijn leven, afhankelijk is van de liefde en genade van God. Dat geldt vooral voor mensen die overspannen zijn geworden door de eisen en lasten die hen werden opgelegd door het geloof.
Maar de meeste sprekers en schrijvers hebben de grenzen van hun eigen kunnen (nog) niet bereikt. En omdat ze nog steeds zichzelf kunnen opjagen, omdat ze nog steeds hun eigen leven onder controle hebben, denken ze dat dit voor alle andere mensen ook geldt. En dat de enige reden dat sommigen onder hun publiek zich niet voor de volle honderd procent inzetten voor de kerk, of een heilig en zuiver leven leiden, is omdat ze het niet willen, omdat ze niet bereid zijn er voor te gaan. Dat deze toehoorders misschien hun grenzen bereikt hebben en de energie gewoon niet meer hebben om zichzelf tot daden aan te zetten, zal niet bij ze opkomen. Dat behoort niet tot hun ervaringswereld. En daardoor jagen ze meer mensen naar een overspannenheid toe. Want hoe energierijk de spreker ook is - ook aan zijn wilskracht komt vroeg of laat een einde. En dan blijkt dat onze middelen te allen tijde tekort schieten om onszelf te veranderen. Dat een christelijk leven niet tot stand komt door onze eigen kracht en discipline, dat onze heiligheid en onze vrucht in het koninkrijk niet door ons karakter of ons doorzettingsvermogen worden voortgebracht. Dat deze sprekers en schrijvers beweren van wel, is niet iets dat ik ze verwijt (ze zijn immers niet overspannen geweest), de meeste hebben de beste bedoelingen en in de volgende paragrafen noem ik mensen van wie ik veel heb geleerd en nog steeds veel leer. Maar soms moet je - net als de rijke jongeman uit Markus 10 - met de grenzen van je eigen kunnen geconfronteerd worden. Je moet het einde van je wil bereiken, om te kunnen accepteren dat onze enige hoop in het leven is, dat ‘wat voor mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God’.

Voor de lezers van mijn blog en mijn boek (Indrukwekkende Vrijheid - ik ben zo vrij er nog een keertje naar te verwijzen) is het geen verrassing dat ik overspannen ben geweest. En niet een keer, maar meerdere keren. De eerste keer was in 1998 in het vierde jaar van mijn studie. Een niet geheel bij mij passende stage in het laboratorium had zeker een bijdrage, maar de voornaamste reden van mijn overspannenheid was mijn religieuze gedrevenheid. Ik las elke dag vijf hoofdstukken uit de bijbel, deed bijbelstudie, memoriseerde bijbelteksten, bad minstens een half uur en deed mijn uiterste best om heilig te leven. Maar ik werd gemotiveerd door schuld en plicht, door schaamte en verantwoordelijkheid. En hoewel ik het jaren volhield bleek mijn wilskracht het toch niet aan te kunnen. Ik ging steeds slechter slapen, tot ik acht tot tien keer per nacht wakker werd en ‘s ochtends gebroken uit bed kwam. Ik werd emotioneel prikkelbaar, maar had tegelijk geen energie meer om ook maar iets te doen. Uiteindelijk liep ik een jaar studieachterstand op, omdat ik het al een hele prestatie vond om een enkel wetenschappelijk artikel per dag te lezen. En jaren lang las ik niet uit de bijbel. Nog langer heb ik niet gebeden (ik vind beide nog steeds moeilijk). Sindsdien heb ik vaker slaapproblemen gehad.
Mijn tweede overspannenheid was bijna zeven jaar geleden, op mijn vorige baan. Weer een gestoorde slaap, extreme vermoeidheid, lusteloosheid en prikkelbaarheid. Ik was weer over mijn grenzen heengegaan. En dit jaar kwam het ook weer terug. Nu niet omdat ik vond dat ik moest bidden, maar omdat ik vond dat ik een volle agenda moest hebben. En dat terwijl mijn werk ook veel stressvoller was geworden en eigenlijk al mijn aandacht nodig had.
Ik had de signalen dit keer gelukkig wat eerder opgemerkt en door radicaal mijn agenda leeg te maken wist ik het tij te keren. Ik ging daarna gelukkig ook weer beter slapen. Het was echter wel een goede waarschuwing, dat ik niet kan vertrouwen op mijn eigen kracht om mijn leven te organiseren. Maar sinds mijn eerste overspannenheid schuif ik in de kerk, en bij het lezen van heel wat boeken, ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer, omdat de sprekers en de schrijvers nu juist wel een beroep doen op mijn eigen wil en discipline om een nieuw leven te leiden.

Jammer genoeg zijn dit niet alleen de sprekers van de oude stempel, de ‘oude broeders’ uit de kerk waar ik opgroeide, en strenge schrijvers die zo’n boodschap brengen. Maar ook heel wat ‘jonge’ schrijvers en sprekers brengen een boodschap die er uiteindelijk op neerkomt dat ik met mijn eigen wilskracht moet proberen te veranderen. Ik geniet van boeken van N.T. Wright (vooral zijn boek Surprised by Hope heeft me heel erg geinspireerd - deze komt aan bod in het volgende deel in mijn serie over levensveranderende boeken), en van Dallas Willard, met name The Divine Conspiracy (zie mijn vorige deel over levensveranderende boeken). Beide rekenen af met oude ideeen over het Koninkrijk van God en een evangelie van ‘zondemanagement’, en schetsen een inspirerend (en volgens mij ook bijbels) beeld van het herstel van de Aarde en de opstanding uit de dood. Willard laat zien dat de bergrede niet een toespraak van Jezus is waarin hij ons een schuldgevoel probeert aan te spreken, maar een beschrijving van het leven in dat Koninkrijk, dat ooit komt, maar nu al realiteit is. Een verademing om te lezen. Maar vervolgens meent hij dat het er in het leven als christen om gaat om een leerschool te volgen in discipelschap, en een programma te volgen van geestelijke disciplines om te leven op de manier van het koninkrijk - ‘A curriculum of christlikeness’. Natuurlijk is het God die ons volgens hem verandert, maar God verandert ons doordat wij ons aan de disciplines houden. En Wright komt in zijn boek Virtue Reborn tot de conclusie dat alleen geloven niet genoeg is. We moeten als christenen daarnaast wel degelijk een ‘deugdzaam’ leven moeten leiden, dat wij mensen worden die in het koninkrijk thuis horen door ons aan deze deugden te houden.
De moed zonk me -hoe inspirerend beide schrijvers ook waren - prompt weer in de schoenen. Want ik kan het gewoon niet. Ik kan me niet aan een nieuw programma houden. Ik kan mezelf niet verbeteren. Ik kan niet een nieuwe regel gaan volgen. Ik kan me niet weer schuldig voelen als ik niet aan mezelf werk, of een minder goed christen als ik niet vast of bid. Ik weet waar dat pad heen leidt en die kant wil ik niet op. Ik geloof ook niet dat het mogelijk is. Ik geloof niet dat we door onze eigen wilskracht en doorzettingsvermogen koninkrijksburgers kunnen worden. We zijn niet sterk genoeg om ons te houden aan een ‘curriculum van Christusgelijkvormigheid’. En al zouden sommigen van sterk genoeg zijn om zich daar aan te houden, dan zou dat nog niks te maken hebben met hun geestelijke status of deugdzaamheid. Het zou alleen betekenen dat ze geboren zijn met meer ‘ego’ dan anderen.

Ons ego - of wilskracht - is een aanduiding voor de energie die we hebben om iets te doen wat we niet willen, of iets niet te doen wat we wel verlangen. Sommigen hebben er vanaf hun geboorte meer van, anderen minder. En iedereen heeft er een beperkte hoeveelheid van, die ook kan opraken tijdens de dag. Als ik een zware dag heb gehad op kantoor en moeilijke telefoontjes heb moeten plegen, lukt het me daarna niet meer om op het station de verleiding van een ijsbeker bij de Swirl’s te weerstaan (en al helemaal niet om ‘nee’ te zeggen als de verkoper zegt: ‘Wilt u er ook slagroom bij?’). En het lukt me dan ook niet om weerstand te biden tegen andere verleidingen. Mijn wilskracht is opgeraakt. Ik ben dan ook weer heel wat kilo’s aangekomen het afgelopen jaar. De extra verantwoordelijkheid op het werk maakte het me onmogelijk om me aan mijn dieet te houden.
De wetenschappelijke term hiervoor is ‘ego depletion’. Afgelopen week stond er een groot artikel over in de Pers. In wetenschappelijke studies werden mensen in een ruimte gebracht waar een schaal koekjes stond. De ene groep mocht ervan eten. De andere groep mocht niet eten van de koekjes, maar alleen van de radijsjes in de schaal ernaast. Vervolgens moesten mensen uit beide groepen aan een puzzel werken. De personen uit de tweede groep gaven het veel sneller op - ze hadden al een deel van hun wilskracht besteed aan het weerstaan van de verleiding, en konden die dus niet meer inzetten om te puzzelen. Het ego raakt uitgeput. Dieten is daarom zo moeilijk omdat voor de wilskracht, het ‘ego’ om ‘nee’ te zeggen tegen suiker energie nodig is. En die krijg je door suiker te eten. Nota bene - zelfs het trainen van de wilskracht waar het artikel over spreekt, vergt wilskracht!

Soms krijgen mensen die falen in het leven, die zich niet aan disciplines houden, die niet productief zijn, te horen dat het aan hen zelf te wijten is, dat het hun eigen zwakte is, en dat ze het wel zouden kunnen ‘als ze het maar zouden willen’. Zoals een stukje dat ik jaren geleden in de krant las van een cabaretier (volgens mij Dolf Jansen), die er geen probleem in zag dikke mensen belachelijk te maken. Die hadden hun overgewicht aan zichzelf te wijten, vond hij. Als ze het maar zouden willen, zouden ze mager kunnen zijn. Hijzelf was immers ook mager. De wil wordt gezien als een onuitputtelijke bron, waar je altijd over kunt beschikken. Maakte een Duitse filmmaker in opdracht van Hitler niet een film met de titel: ‘De Triomf van de Wil’? Het is een houding die is geinspireerd door de filosoof Nietzche. De wil kan volgens deze mensen alles. Wie zwak is, heeft het aan zichzelf te wijten. En veel christenen denken net zo - ze verwijten de falende, tekort schietende mensen dat ze zwak zijn, dat het hun eigen schuld is, dat ze wel zouden kunnen leven als goede christenen als ze het maar zouden willen. Hun lukt het immers toch wel om zich aan de regels te houden, gedisciplineerd te zijn en de verleiding te weerstaan? Ze doen me denken aan de Farizeeer in de gelijkenis van Jezus die in de tempel bad: "God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af." (Lucas 18:11).
Uit het onderzoek, beschreven in de Pers, blijkt echter dat de wil niet ongelimiteerd is, als lucht of water, maar eerder een zeldzame grondstof, waar een keer een einde aan komt (net als met de olie en zeldzame metalen), en dat het niet iets is dat je zomaar op elk moment kunt oproepen. Je hebt het of je hebt het niet. De cabaretier die de dikke mensen verweet dat ze dik waren, was waarschijnlijk overactief, had een ADHD-achtig temperament, en zou dus niet dik ‘kunnen’ worden, zelfs al zou hij het willen. De christenen die anderen opjagen om te veranderen hebben meer ‘ego’, of hebben een makkelijk leven gehad, of hebben gewoon nog niet zoveel wilskracht moeten spenderen aan het weerstaan van verleidingen. De Farizeeer in de gelijkenis was inderdaad sterker dan de tollenaar, het koste hem daardoor gewoon minder moeite om zich aan de regels te houden en zijn plicht te doen.
Maar dat maakte hem niet een beter mens en bracht hem op geen enkele manier dichter bij God. Paulus constateerde al dat hij niet wilde roemen op zijn kracht, maar veel eerder in zijn zwakheden. “Want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.” (2 Korintiers 12:9) En de tollenaar, die aan het eind van zijn wil was gekomen, die realiseerde dat hij zichzelf niet kon verbeteren, die tegenover God erkende dat hij een zondaar was en afhankelijk van genade, ging als een rechtvaardige naar huis. Het enige dat hij deed, was zeggen: "God, wees mij zondaar genadig." De wil moet dus afzien van zijn triomftocht. De wil wordt in plaats daarvan ten grave gedragen.
De wil kan niets bijdragen aan ons bestaan als christen. Lees wat Robert Farrar Capon hierover schrijft in Kingdom, Grace, Judgment: “Let me set you an excercise. Take the publican back to the temple one week later. And have him go back there with nothing in his life reformed: walk him in this week as he walked in last - after seven full days of skimming, wenching and hig-priced Scotch. Put him through the same routine: eyes down, breast smitten, God be mercifull and all that. Now then, I trust you see that on the basis of the parable as told, God will not mend his divine ways any more than the publican did his wiched ones. He will do this week exactly what he did last: God, in short, will send him down to his house justified.” En ook als hij de week erna weer niet veranderd is. En de week erna ook niet. Hij blijft gerechtvaardigd. En zelfs al zou de man wel een beetje zijn veranderd en iets minder hebben gedronken, dat zou niet de reden zijn dat God hem rechtvaardigt. God kijkt zelfs niet in zijn hart, of hij in elk geval de goede intentie heeft om te veranderen. Nee - het is allemaal genade. Dit komt op ons oneerlijk over - er moet toch meer zijn? We moeten toch iets doen? Voor wie nog op zijn wil vertrouwt, zoals de Farizeeer, is het moeilijk te accepteren. “As long as you are struggling like the Pharisee to be alive in your own eyes - and to the precise degree that your struggles are for what is holy, just and good - you will resent the apparent indifference to your pains that God shows in making the effortlessness of death [het einde van de wil] the touchstone of your justification. Only when you are finally able, with the publican, to admit that you are dead will you be able to stop balking at grace.”

Wat ik heb ontdekt door mijn herhaalde overspannenheid, is dat ik niet op mijn wilskracht kan vertrouwen. De voorraad ervan blijkt steeds kleiner te zijn dan ik denk. Het is nauwelijks genoeg om mijn werk aan te kunnen, laat staan om ook nog heilig te leven of ‘de wereld te winnen voor Jezus’. Ik ben aan het einde van mijn wil gekomen. Maar dit is precies waar God mij wil hebben. Want alleen dan kan hij doen wat voor mij onmogelijk is. Alleen dan sta ik open voor zijn genade. Dat besef is wat ik meer mensen toewens, en vooral degenen die de vermoeide en zwakke mensen zonder wilskracht toespreken en aanschrijven. Maar hopelijk komen ze tot dat besef zonder zelf overspannen te raken.

Wordt vervolgd ...

maandag 14 november 2011

Terug naar de basis (11): De God in de details

Het plaatje dat je hiernaast ziet, is een fractal (voor de kenners: een Mandelbrot-fractal). Fractals zijn heel mooi - en dat is een eigenschap ervan die prima past bij de boodschap van dit blogbericht. Het is echter niet waar ik over wil schrijven. Fractals zijn namelijk niet alleen maar mooie plaatjes. Het zijn eigenlijk weergaven van een wiskundige formule. Die formule zorgt ervoor dat ongeacht de schaal van de afbeelding, dezelfde vorm te zien is. Dat wil zeggen: het plaatje is tot in het oneindige gedetailleerd. Als je een hoekje van deze figuur zou uitvergroten, zou je daar dezelfde vorm in terugvinden. En als je daar weer een hoekje van neemt en opblaast, komt opnieuw deze vorm tevoorschijn. En zelfs als je tienduizend stappen doet, zie je deze zelfde vorm. De formule zorgt ervoor dat die op elk niveau terugkomt. Kijk voor meer voorbeelden van fractals hier, je kunt er heel wat uurtjes doorbrengen.
Het interessante is dat de schepping een fractalachtergrond blijkt te hebben. Heel veel structuren in de schepping zijn opgebouwd uit kleinere onderdelen. Een galactisch supercluster bestaat uit melkwegstelsels, die bestaan uit zonnestelsels, die bestaan uit individuele hemellichamen. Een maatschappij bestaat uit mensen, die zijn samengesteld uit organen, die bestaan uit cellen (elk een afzonderlijk levend wezen!), die bestaan uit organellen. Als je een tak van een boom bekijkt, lijkt dat een soort kleine boom. Met ƩƩn dikke tak en hieraan steeds kleinere vertakkingen. En ook die kleinere vertakkingen lijken op nog kleinere boompjes. Tot aan de bladeren toe. Als je inzoomt zie je overal onafhankelijke onderdelen. Zelfs de vormen van bergen en kustlijnen kunnen worden beschreven met fractalachtige vergelijkingen. En soms herken je duidelijkere fractalvormen. In de vertakte structuren van de longen en de nieren. In sneeuwvlokken, in koraalriffen, in de bladeren van varens: de hele tak heeft dezelfde soort vorm als een van de blaadjes. En ook zo’n blad, of zijtak, bestaat weer uit blaadjes van dezelfde vorm. Het lijkt in de natuur dus ook zo te zijn, dat in een enkele formule op verschillende niveau’s bepaalt hoe de wereld eruitziet.

Met het Verhaal van de Werkelijkheid, het Verhaal van God, is het net zo. We zagen al dat het Grote Verhaal dat het hele heelal van begin tot eind vertelt, Het Koninkrijk van God, volledig zichtbaar werd op het niveau van het leven van Jezus. Het eeuwige verhaal herhaalde zichzelf, zoals het patroon van een fractal zich herhaalt, op een bepaalde plek en in een bepaalde tijd. Maar net als elke fractal kan ook dit verhaal nog een stap verder worden uitvergroot. Het plaatje van Gods Koninkrijk kan nog verder worden ingezoomd, tot op het niveau van onze individuele levens. En dan zie je opnieuw hetzelfde patroon terugkeren. Het Grote Verhaal wordt herhaald in onze kleinere verhalen. Gods koninkrijk wordt ook in onze woorden en daden zichtbaar.
Als wij daarvoor willen kiezen. Als wij ons ervoor open willen stellen. Het belangrijkste kenmerk van het verhaal van God is immers zijn keuze zijn macht niet te gebruiken om ons te veranderen. Hij nodigt ons uit, maar dwingt ons niet. Hij stelt zich kwetsbaar op, zwak. Wij hebben de keuze om aan onze eigen verhalen, gebaseerd op macht, vast te houden, te blijven oordelen over de wereld om ons heen volgens onze eigen belangen. Of we kunnen gaan leven in het Verhaal dat God vertelt, het Verhaal van de Werkelijkheid, en ons leven daardoor laten veranderen. We kunnen gaan leven in het Koninkrijk van God, dat de realiteit bepaalt. Dit was waartoe Jezus opriep: “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij” (Mattheus 4:17). Dit betekent dat we dezelfde weg gaan als Jezus, die immers de belichaming was (en is) van Gods Weg. En de weg die Jezus ging was de weg die God ging. De weg van identificatie met het gebrokene, het zieke, het zondige. De weg van de machteloosheid en de dood. Het is de weg van de zwakheid, waarover ik vorig jaar op mijn blog ook al schreef.
Paulus schrijft hierover in de eerste brief aan de Korinthiers. Hij heeft namelijk eerst betoogd dat het Geheim van God bestaat uit het ultieme vertoon van zwakheid: Jezus Christus en die gekruisigd. God die ervoor kiest een marteldood te sterven. Dat is waardoor de wereld wordt veranderd. Maar dit is tegelijk het geheim dat het leven van Paulus kenmerkt. Hij kwam immers bij de Korintiers niet met een vertoon van kracht, niet met welluidende woorden of een indrukwekkend betoog. Hij was niet populair of een demagoog. Hij was zwak en ziek, en sprak rommelig en stotterend. Maar God koos ervoor zijn woorden te gebruiken en er leven uit voort te brengen.
De gemeente in Korinthe was zelf ook zwak. Er waren niet vele rijken of machtigen onder hen  Deze christenen waren slaven, middenstanders, armen. En God had hen uitgekozen om wat macht heeft te beschamen. Maar er waren in deze gemeente mensen die kozen de weg te gaan van de macht, van de eigen inspanning, van de eigen prestaties. Mensen die zichzelf beter vonden dan anderen, die meenden het recht aan hun kant te hebben en andere christenen dus voor de rechter te mogen slepen, die eisen stelden aan hun vrouwen en die aan het avondmaal alleen aan zichzelf dachten en zelfs dronken werden van hun wijn terwijl hun armere medegelovigen honger hadden. Paulus roept hen op in hun persoonlijke leven, in hun huwelijk en in hun kerk de weg van de zwakheid te gaan. Om de ander uitnemender te achten dan henzelf. Om niet alleen te letten op hun eigen belang, maar ook op dat van anderen. Om niet hun eigen voordeel te zoeken, maar dat van alle anderen. Hij roept hen op om hem na te volgen, zoals Hij Christus navolgt (1 Korintiers 11:1). Ik heb hier vorig jaar op mijn blog uitgebreider over geschreven.

De weg van Jezus, het pad dat hij ging, is niet een glamoureus bestaan van succes, rijkdom, gezondheid, en bewondering. Het is niet een leven dat in de schijnwerpers staat, geen leven met een podium, fanfare en een foto op de cover van een tijdschrift. De mensen buiten de kerk hebben dat soms zelfs beter door dan de gelovigen zelf. Ik las op internet laatst het volgende citaat van John Cleese, bekend van de Britse groep Monty Python. Hij had het over de film The Life of Brian, die bij het verschijnen ervan controversieel was omdat hij religie op de hak nam. De film werd ervan beschuldigt Jezus belachelijk te maken, maar volgens Cleese was dat niet de bedoeling: “… it’s not in any way against Christ or Christ’s teachings. It’s all about criticizing people who make something of Christ’s teachings, which I think he himself would not recognize. There’s a lovely line that an idea is not responsible for the people who hold it. A lot of people in America who describe themselves without any hesitation at all as Christians are, in my opinion, completely missing the point of most of his teachings. Here’s what I think in a single sentence: I think that the real religion is about the understanding that if we can only still our egos for a few seconds, we might have a chance of experiencing something that is divine in nature. But in order to do that, we have to slice away at our egos and try to get them down to a manageable size. So real religion is about reducing our egos, whereas all the churches are interested in is egotistical activities, like getting as many members and raising as much money and becoming as important and high-profile and influential as possible. All of which are egotistical attitudes. So how can you have an egotistical organization trying to teach a non-egotistical ideal? It makes no sense, unless you regard religion as crowd control. What I think most organized religion is – simply crowd control.”
Dit betekent niet dat we slecht over onszelf moeten denken. Dat we Jezus volgen wil niet zeggen dat we over onszelf zeggen dat we slechts ‘wormen’ zijn, of dat we tot niets goeds in staat zijn. We hoeven niet onszelf af te wijzen of te veroordelen. Als we dat doen zijn we nog steeds met onszelf bezig. We plaatsen onszelf nog steeds in het centrum van het universum en gebruiken onze eigen maatstaven om te oordelen over onszelf en anderen. Ook deze zelfverachting is een vorm van hoogmoed.
Echte nederigheid betekent niet dat je slecht over jezelf denkt, maar dat je niet over jezelf denkt. Het betekent dat je ophoudt jezelf te oordelen, dat je ophoudt je waarde af te meten aan wat je bezit, wat je doet, of hoe heilig je bent. Het betekent dat je ophoudt jezelf voortdurend met anderen te vergelijken. Dat je stopt met al je inspanningen om je ‘ego’ in stand te houden. Van nature wordt ons leven echter juist gekenmerkt door het beschermen, ondersteunen en afmeten van ons ‘ego’. Daarom heeft de bijbel het er ook over dat we ons leven moeten verliezen. We moeten sterven. Sterven aan onze claim op ons ‘ego’.
Dit is wat het betekent ‘met Christus te sterven’. We slaan niet langer terug wie ons slaat, maar keren de andere wang toe. We lenen uit zonder terug te verlangen. We raken de melaatse aan zonder schaamte en zoeken het gezelschap op van hoeren en tollenaars zonder ze te veroordelen. We zijn creatief, we werken en we spelen, zonder onze eigenwaarde daaraan te ontlenen. We ‘doen wat onze hand vindt om te doen’ zonder ons af te vragen of we er zelf wel beter van worden. We accepteren ons eigen onvermogen en ons eigen tekort zonder onszelf te gaan verachten. Maar ons succes en ons geluk klampen we niet vast als basis voor ons zelfbeeld. ‘Laat ieder die een vrouw heeft, zo leven dat het hem niet in beslag neemt, ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, ieder die in deze wereld [het wereldsysteem van macht en afhankelijkheid, JK] leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is’ (1 Korintiers 7:29-31). In mijn serie over zwakheid gaf ik meer voorbeelden van wat deze weg in de praktijk kan inhouden.
Voor mij betekent het onder andere dat ik accepteer dat het mij niet lukt me aan mijn goede voornemens te houden. Ik veroordeel mezelf niet als ik terugval in een verkeerde gewoonte, ik straf mezelf niet met schuldgevoelens. Ik eis van mezelf geen volmaaktheid. Maar net zo min blijf ik me vastklampen aan wat geen leven kan bieden, als ik faal geef ik de moed niet op. Ik probeer het gewoon opnieuw, rustig, nederig. Zo vaak als nodig is, desnoods mijn hele leven lang. Dat is de weg van de zwakheid.

Als we Jezus volgen op deze weg, zijn we dus net als Paulus bereid om te delen in zijn lijden en aan hem gelijk te worden in zijn dood. Maar dat doen we ‘in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan’ (Filippenzen 3:11). De weg die Jezus ging was immers een weg van vertrouwen op God voor wie het mogelijk moet zijn iemand uit de dood op te wekken (Hebreeen 11:19). Jezus hoopte op God, die met zijn woord kan scheppen uit het niets, die uit de leegte van de dood de volheid van leven kan laten opbloeien. En zijn vertrouwen werd beloond: op de derde dag verliet hij het graf, in een verheerlijkt, geestelijk lichaam. Dit is de christelijke hoop, dat ook dit deel van het Verhaal zich zal gaan herhalen in ons leven, op ons niveau. Dat wij ook allemaal veranderd zullen worden (1 Korintiers 15:51). Dat God ook ons levend zal maken. Niet alleen in de toekomst, maar ook nu al.
Want het Grote Verhaal is ook nu al het Verhaal achter de werkelijkheid. Alles wat we aan leven ervaren, is een geschenk van God, een genadegave. Alle echte schoonheid, echte intimiteit, echte avontuur wordt ons door God gegeven. Alle vruchten die we dragen zijn zijn vruchten (vergelijk Hosea 14:9). Het is de actieve, creatieve geest van God die in ons wordt tot rivieren van levend water die zullen stromen uit het hart van wie in Jezus gelooft (Johannes 7:36). Het is God ‘die zowel het willen als het handelen teweegbrengt, omdat het hem behaagt’ (Filippenzen 2:13). Wij kunnen er niets aan bijdragen. We kunnen het niet controleren, we kunnen er niet trots op zijn. Als we dat wel zouden kunnen, zou het geen leven meer brengen.
Echte schoonheid, echte intimiteit, en echt avontuur heeft juist zo’n effect op ons, omdat we er niets aan kunnen bijdragen. Dit is wat mijn favoriete auteur G.K. Chesterton erover zegt in Heretics: ‘Adventure is, by its nature, a thing that comes to us, it is a thin that chooses us, not a thing we choose ... In order that life should be a story or romance to us, it is necessary that a great part of it at any rate should be settled for us without our permission ... The rich are dull becaus they are omnipotent ... The thing which keeps life romantic and full of fiery possibilities is the existence of those great plain limitations which force all of us to meet the things we do not like or do not expect.’

God is degene die ons verrast met dit geschenk van het eeuwige leven. Wij kunnen er alleen maar voor open staan. We kunnen alleen onze handen openen voor zijn gaven. Als we ze geklemd houden om ons eigen ego, kan God ons niets geven. Dan zijn we niet in staat te ontvangen. Als we zelf de controle willen houden, als we wat goed en wat slecht is willen blijven afmeten aan ons eigen belang, als we sterk willen blijven overkomen, kan Gods leven niet tot ons doordringen. Dan blijven we geestelijk droog staan. Maar als we onze handen openen, als we ons leven durven loslaten, als we zwak durven zijn, kan Gods water door ons heen stromen, en ons vrucht laten dragen. Dan blijk ik opeens toch in staat te zijn vaker ‘nee’ te zeggen tegen een verleiding, of is mijn verlangen naar ongezond voedsel opeens verminderd. Dan zijn we in staat om anderen lief te hebben, zoals God ons liefheeft, en ruimte in onszelf te maken voor hen, zoals God dat heeft gedaan.
Daarover meer in het volgende deel van deze serie.

woensdag 26 oktober 2011

Geen rol meer spelen

Vorige week publiceerde ik op mijn blog een bespreking van het boek Patience with God van Frank Schaeffer (1,2). Omdat mijn stuk nogal lang ging worden (nog langer dan mijn andere  stukken op dit blog meestal zijn, en die zijn al niet kort), besloot ik het in tweeĆ«n te knippen. Een logische plek daarvoor was het punt waarop ik het verhaal van de auteur en mijn eigen verhaal had verteld en eindelijk klaar was voor de daadwerkelijke bespreking van het boek. Achteraf gezien had ik toch misschien beter mijn recensie in een keer kunnen plaatsen. Het eerste deel van mijn artikel leidde namelijk tot verhitte discussie. Niet op mijn blog, maar vooral op het medium waar ik vaak om aandacht vraag voor mijn blog: Twitter. Ik heb nog nooit zoveel reacties gehad op een van mijn stukken. Voor mij maakt dat het interessant nog eens dieper op het onderwerp in te gaan.

Ik had het boek van Schaeffer niet uit de kast gepakt bij de Slegte omdat ik verwachtte het met hem eens te zijn of honderd procent te staan achter wat hij beweerde. Vaak bespreek ik op mijn blog boeken waarbij ik dezelfde overtuiging heb als de auteur, maar het zou ongezond zijn alleen maar informatie tot je te nemen van mensen die hetzelfde denken als jij. Dan wordt je nooit aangezet tot het relativeren van je eigen gelijk en ontwikkel je nooit begrip voor de denk- en leefwereld van anderen. Ik wil wel af en toe vraagtekens zetten bij wat ik altijd voor waar heb aangenomen, vaak op gezag van anderen, zonder het goed te overdenken.
Wel was ik door het boek gefascineerd omdat ik me herkende in het traject dat Schaeffer had doorlopen in zijn leven. Let wel, het gaat me hier om zijn persoonlijke verhaal, niet om zijn theologische conclusies of zijn intellectuele theorieƫn. Ik zag iets van mezelf in zijn fundamentalistische opvoeding, zijn uiteindelijke desillusie met die omgeving en zijn worsteling met de vraag wat hij nog kon geloven. Je kunt jezelf herkennen in iemands levensreis zonder het met hem eens te zijn en zonder op hetzelfde punt uit te komen als hij. We zijn allemaal mensen. Wat we geloven (als intellectuele proposities, theorieƫn) is niet het belangrijkste onderdeel van ons bestaan. We hebben meer overeen dan we van elkaar verschillen.
Dat besef drong sterk tot me door toen ik vorig jaar in India was, en in Doha. Ik was in de wereld van het Hindoeisme, en in de wereld van de Islam. En in beide werelden waren mensen gewoon mensen. Ze sliepen, ze aten, ze werkten. Ze trouwden en vierden feest. Ze lachten met elkaar, speelden volleybal op een stoffig veldje achteraf of zaten met een laptop op tafel in de souk een waterpijp te roken. Ze leefden. En het leven van mensen kan niet worden gereduceerd tot een geloof. Als er een religie de ware is, moet dat er een zijn die het hele leven van mensen bevestigt, die waarde toekent aan dit heel alledaagse: eten, slapen, liefhebben. Het moet een Groot Verhaal zijn dat ons hele kleine verhaal omvat. Niet een geloof dat alleen bestaat in vastgelegde rituelen, in wetjes en regeltjes, in emoties die los staan van de realiteit, of in intellectuele overtuigingen. Niet dat die niet ook belangrijk zijn, maar ze staan los van mijn levensverhaal als persoon.
Iemand die ik ken van jaren geleden op de studentenvereniging Ichthus bleek de evangelische kerk verlaten te hebben. Na lezing van mijn artikel reageerde ze op Twitter. Ze zei dat ik in mijn artikel had verwoord wat haar grote probleem was met de evangelische wereld, namelijk dat ze er een rol moest spelen. Dat was ook wat Schaeffer tegen ging staan: hij moest zich voegen in een rol, die niet bij hem paste, hij moest de blije christen spelen, die volledig overtuigd was van zijn gelijk, en die zich kon houden aan alle eisen van het geloof. Wat een opluchting om de pretentie te laten varen! Om eerlijk te kunnen toegeven dat je niet aan bidden toekomt, en de bijbel je soms niet zoveel doet. En dat je gewoon een mens bent als alle anderen. Dat je soms twijfelt, en dat je niet weet hoe je Openbaringen moet uitleggen.
Ik kreeg meer bijval van meerdere jongere lezers (en lezers die jong van hart zijn), sommigen die nog midden in de evangelische wereld staan. Herkenning van iemand die ik van mijn studie ken, die als wetenschapper werkt, maar lid is van een kerk waar het jonge aarde creationisme nog de norm is. Die, weet ik uit gesprekken, ook een reis maakt waarin hij zoekt naar de waarheid die hij nog kan vasthouden. Meer negatieve reacties kwamen van enkele mensen van een iets hogere leeftijd (niets nadeligs aan. Ik bereik als het goed is over een paar jaar vanzelf dezelfde leeftijd, en dan zullen er weer jonge mensen zijn die mij niet begrijpen en die ik niet begrijp). Iemand vroeg zich af of ik in plaats van zekere waarheden koos voor onzekere leugens, en iemand vroeg zelfs of iemand die zijn herkenning had uitgesproken ook bezig was van zijn geloof af te vallen. Een paar van hen zijn mensen die mijn twitterfeed en mijn blog al een tijd volgen, en mijn andere artikelen en filmrecensies hebben gelezen. Zij zouden moeten weten dat ik NIET bezig ben van mijn geloof af te vallen. Ja, ik noem mijzelf ‘nauwelijks nog gelovig’ - maar dan gaat het om mijn vertrouwen in intellectuele redenaties en de bewijsbaarheid van leerstellingen. Ik stel vragen bij het rationele construct van mijn geloof, en ik concludeer dat ik niet een kloppend verhaal kan construeren, dat alles omvat. Daar kan ik mijn zekerheid niet op baseren. Maar ik ben wel gegrepen door Jezus Christus, en mijn verbeelding en verlangen zijn geraakt door zijn belofte van opstanding en herstel. Daar houd ik mij aan vast. Ik geloof namelijk dat dit Verhaal van alle religieuze verhalen het meest waarde verleent aan mijn gewone, dagelijkse leven en de wereld en mensen om mij heen, en ook echte hoop geeft op verandering.
Dit is, zo je wilt, een houding die gelieerd is aan de postmoderne tijdgeest, waarin grote verhalen worden gewantrouwd en de verbinding tussen woorden en de realiteit wordt gerelativeerd. Ik ben waarschijnlijk, samen met mijn jonge (en jong van hart zijnde) medestanders, meer deel van het postmoderne klimaat. En zonder direct een label te willen opplakken kwamen de meer kritische reageerders over als wat ‘moderner’ in hun aanpak.

Mijn meer postmoderne houding, zo je wilt, uit zich ook in mijn relatie met het instituut kerk. Ik kreeg te horen dat ik te kritisch was, dat er ook veel goeds is in de evangelische kerk (zal ik niet ontkennen) en dat ik me te snel door negatieve voorbeelden liet ontmoedigen. ‘Als een dametje door rood licht rijdt, hou je toch ook niet op met autorijden?’, vroeg iemand. Dat was volgens mij niet de juiste metafoor. Het ging er juist om dat het biddende dametje een symptoom was van iets dat ik veel vaker had waargenomen in de evangelische geloofsbeleving - het was de druppel die de spreekwoordelijke emmer deed overlopen. En op deze manier werd het (vervoer)middel verward met het doel. Het gaat immers niet om het merk auto waar je in rijdt, of zelf of je rijdt of met het openbaar vervoer reist, of besluit te voet te gaan. Het gaat om de bestemming waar je wilt eindigen. De auto is slechts het vervoermiddel. En als ik bij een bepaald merk auto steeds weer hetzelfde mankement tegenkom, ga ik me ernstig afvragen of ik er wel in moet blijven rijden. Misschien merk ik dat ik als persoon niet geschikt ben voor het autorijden, omdat ik slecht zicht heb, of te schrikachtig ben, en kan ik beter met het openbaar vervoer gaan. Dat verandert niets aan het feit dat ik op reis ben, en wel naar dezelfde bestemming. Daar zijn mijn ogen op gericht.
Het mankement dat ik waarneem in de huidige ‘evangelische’ kerk is dat ik er niet het evangelie hoor. De preek van afgelopen zondag was bijvoorbeeld goed, maar de naam van Jezus werd geen enkele keer genoemd en er werd met geen woord gerept over zijn dood en opstanding. Er werd met geen woord gerept over Gods liefde voor ons, het nieuwe leven, de rechtvaardiging en het herstel. Het ging weer vooral over wat van ons verwacht wordt. (En ik had net de dag ervoor het artikel gelezen van internetmonk Michael Spencer over 'Christless preaching'). Misschien gebeurt dit in georganiseerde groepen wel automatisch, worden boodschappen erop aangepast om mensen bij de groep te houden en zich ervoor te laten inspannen. Dat zou voor mij een groot defect zijn in het ‘vervoermiddel’.
Iemand merkte op dat ik anders dan anderen niet persoonlijk aan een bepaald merk auto gehecht was. Inderdaad: ik heb na twee kerkscheuringen wel geleerd me niet meer met een kerk te identificeren. Ik ben gedesillusioneerd geraakt, en daar ben ik dankbaar voor. De kerk kan mij immers niet behouden. Alleen Jezus kan dat. Hij is het doel. De kerk is het (vervoer)middel, Jezus is de voleinding van het geloof.
Op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal geen tempel meer zijn, er zal geen kerk of instituut meer zijn, we zullen ons niet meer identificeren als ‘evangelisch’, ‘katholiek’, ‘luthers’ of ‘orthodox’ - we zullen elkaar zien als mensen die delen in de liefde van Christus. En ik wil dus nu op Aarde ook niet te veel hechten aan het ‘label’ evangelisch.

Tegelijk wil ik wel zo eerlijk zijn om toe te geven dat de oorzaak van mijn worsteling met de (evangelische) kerk misschien niet zo zeer bij de kerk ligt, maar bij mij. In een gesprek afgelopen weekeinde werd ik erop gewezen dat ik elke verwachting die anderen uitspreken direct internaliseer. Ik trek het me direct aan. En tegelijk verzet ik me daar tegen: ik wil elke claim, elke verwachting afwijzen. Ondertussen vind ik het heel erg moeilijk om gewoon mezelf te zijn, te weten wat ik zelf wil, zodat ik met overtuiging kan kiezen en verwachtingen die ik niet waar kan of wil maken gewoon kan afwijzen. Dat breekt mij niet alleen op in mijn relatie met de kerk, maar ook in mijn privƩrelaties.
Dus ja: misschien zou ik de preken moeten relativeren, misschien moet ik het me niet zo aantrekken, misschien hebben andere mensen de boodschappen over meer bijbellezen en bidden wel nodig, anders dan ik. Dat is allemaal heel goed mogelijk. Maar het punt is: ik kan mezelf niet veranderen. Ik ben een beschadigd mens. Ik kan de knop niet bij mij van binnen omzetten. Net zoals de oproepen om meer te bidden me alleen maar schuldig laten voelen, hebben de woorden dat ik het me niet aan moet trekken, dat ik mezelf niet zo voor de verplichting moet openstellen, hetzelfde effect. Ik zit in een spagaat, waaruit ik mezelf niet kan redden. Ik kan mezelf niet aan mijn haren uit het moeras omhoog trekken.
Wat ik nodig heb is genezing, wat ik nodig heb is genade, wat ik nodig heb is het goede nieuws: dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren te behouden, van wie ik de voornaamste ben. Ik weet dat ik vrij wordt als ik me helemaal overgeef aan de onvoorwaardelijke liefde van God, maar zelfs die overgave kan ik niet tot stand brengen uit eigen kracht. Ik ben afhankelijk van God voor mijn genezing. Tot die tijd is de evangelische kerk voor mij geen veilige plek, en daar kan ik zelf niets aan doen.
Ik ben als de door rovers in elkaar geslagen man die aan de kant van de weg ligt, en aan wie de vertegenwoordigers van de religieuze instanties van die tijd voorbij liepen. Ja, misschien was het zijn verantwoordelijkheid om zichzelf naar de tempel te begeven, om net als de priester en de leviet te voldoen aan de verplichtingen. Maar hij kon het niet, zelfs al wilde hij het. Hij was afhankelijk van de liefde van de Samaritaan (iemand buiten het religieuze kader), die hem verzorgde en onderdak gaf, zonder er iets voor terug te verwachten. Hij had een omgeving nodig waar hij niets hoefde doen, niets hoefde bijdragen, waar hij alleen maar hoefde te zijn. Alleen daar kon hij herstellen. Zou het niet geweldig zijn als er groepen volgelingen van Jezus waren die gewonde, van binnen bevroren mensen zoals ik een veilige plek konden bieden, een plek waar deze mensen gewoon zichzelf kunnen zijn, waar ze liefde ervaren en genade? Ik betwijfel zelf of dit mogelijk is in een strak georganiseerde evangelische gemeente, die niet kan draaien als mensen hun taken niet uitvoeren. Ik denk dat hiervoor relaties nodig zijn, mensen die samen leven, koffie drinken, een biertje drinken en hun hart voor elkaar openstellen. Mensen die het evangelie niet alleen geloven, maar het ook uitleven. Mensen die echt mens zijn. Zoals Frank Schaeffer. Het lezen van zijn verhaal gaf me wat meer toestemming om mezelf te zijn, om inderdaad ontevreden te zijn met het spelen van een rol, om wat meer geduld te hebben met God en met andere mensen.