Posts tonen met het label inspanning. Alle posts tonen
Posts tonen met het label inspanning. Alle posts tonen

zaterdag 11 februari 2012

Liefde verandert mensen 3: Wat wel werkt ...

Aanstaande dinsdag is het weer Valentijnsdag. Het is een van de tradities op mijn blog dat ik dan een bericht aan het thema relaties wijd. Nou ja, tradities, ik heb het nog maar twee keer gedaan, maar iets is een traditie als je zegt dat het een traditie is, dus bij dezen is het dat. Dat betekent dat ik vandaag op de zaken vooruit loop door ook over relaties te schrijven.
Een van de redenen dat ik nogal lang vrijgezel ben geweest, was dat ik bang was dat ik een vrouw zou treffen die mij wilde veranderen. Vrouwen schijnen nogal eens relaties in te gaan met het idee dat ze een man ten goede kunnen beïnvloeden. Ze denken dat ze hem zorgzamer kunnen maken, dat ze hem van een kinderachtige of gevaarlijke hobby af kunnen krijgen, of dat ze hem zijn minder sociale vrienden kunnen laten opgeven. Ze hebben een bepaald ideaalbeeld van een man en ze denken dat met wat manipulatie op de juiste plekken en goede adviezen hun vriend daar wel aan zal gaan voldoen. (En lees voor vrouwen voor het gemak ook mannen - want niets menselijks is ons mannen ten slotte vreemd, maar misschien dat mannen eerder het uiterlijk van een vrouw willen veranderen). Maar als iemand de partner wil veranderen, komt dat de relatie niet ten goede. Ten eerste willen mensen niet veranderd worden. Mannen willen natuurlijk wel de voordelen van een relatie, dus wat de vrouw bereikt is dat haar partner doet alsof hij veranderd is. Hij zal aan haar zijn ‘aangepaste uiterlijk’ laten zien. Zijn hobby zal hij in het geheim blijven beoefenen (lang leve internet) en zijn vrienden zal hij onder voorwendselen blijven treffen.
En dit is voor beide partijen frustrerend. Voor de man is het frustrerend omdat hij een dubbelleven leidt. Hij ‘doet alsof’ als hij bij zijn vrouw is, maar voelt zich alleen echt gelukkig (want vrij en zichzelf) in zijn hobbykamer of -schuur, of bij zijn vrienden in de kroeg. Maar hoezeer is hij daar zichzelf? Want kan hij daar toegeven dat hij thuis onder de plak zit? Maar voor de vrouw is het ook frustrerend, omdat ze uiteindelijk niet meer een relatie heeft met de persoon op wie ze verliefd werd. Ze heeft eigenlijk een relatie met een leeg front, een spiegel die haar ideaalbeeld reflecteert, een ‘ja-knikker’. Niet met een echt persoon. Niet met de echte man, met echte verlangens, echte passie, echte ideeën.
John Eldredge schrijft in Wild at Heart hoe een vrouw bij hem kwam omdat ze ontevreden was over de relatie met haar man. Ze had hem ertoe gebracht om zijn motor te verkopen. Maar nu vond ze dat hij geen passie meer vertoonde, en saai was geworden. Eldredge’s antwoord: “Laat je man weer motorrijden.” Haar reactie: “Maar dat is gevaarlijk!” Tja, het is het een of het ander. Je kunt kiezen voor controle en veiligheid, of je kunt kiezen voor liefde en het risico dat daaraan verbonden is. Liefde zonder risico lijkt onmogelijk te zijn. Maar als deze vrouw het risico wil lopen om haar man kwijt te raken, heeft ze ook de kans dat hij echt bij haar is, en haar liefde ook echt beantwoordt. Dat hij (misschien voor het eerst) echt van haar gaat houden. En dat betekent dat hij op een verantwoordelijke manier zal omgaan met het motorrijden en niet zal spelen met zijn leven. Hij weet immers dat zij hem niet kwijt wil raken. Net zo zal een vrouw waarschijnlijk er mooi willen uitzien voor de man die haar accepteert hoe ze er ook uitziet, gewoon omdat hij van haar houdt. Mannen (en vrouwen) willen misschien niet veranderd worden (met manipulatie, regels, straf et cetera), ze zijn wel degelijk bereid om hun gedrag te veranderen, voor iemand die hen onvoorwaardelijk liefheeft. Hun eigen liefde is dan de reden om te veranderen, en niet het ‘moeten’ van de ander. Het is verandering van binnenuit, niet van buitenaf.

De bijbel suggereert dat God ons ook op die manier verandert. Lees bijvoorbeeld wat Paulus zegt direct nadat hij zijn frustratie uitsprak over zijn gebrek aan wilskracht: “De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood. Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest” (Romeinen 8:2-4). De wet, die ons van buitenaf probeerde te veranderen, was als de vrouw uit het voorbeeld hierboven (of de man die zijn vriendin aan zijn ideaalbeeld wilde laten voldoen), door te proberen met dwang, straf en beloning ons tot ander gedrag te brengen. Maar omdat we mensen zijn, had de wet het tegenovergestelde effect: in het gunstigste geval bracht hij ons ertoe aan de buitenkant te doen alsof we rechtvaardig waren en alleen op onopvallende manieren ons eigen voordeel te zoeken, of anders wekte hij verzet op en zorgde dat we nog maar gingen verlangen naar wat slecht voor ons was (de wet brengt begeerte voort, Romeinen 7:8).
Maar God heeft tot stand gebracht wat voor de wet onmogelijk was. Hoe? Door de dood en opstanding van Jezus Christus. Ook na tweeduizend jaar staan die concrete gebeurtenissen nog centraal in het christelijk geloof - het enige geloof dat niet een leerstelling, filosofie of heilig boek centraal heeft staan, maar historie. Beide gebeurtenissen zijn de tastbare, onbetwijfelbare uitingen van Gods liefde voor ons. De dood van Jezus heeft namelijk afgerekend met de zonde in dit bestaan. Alle ‘heldenverhalen’ waar wij betekenis aan ontleenden en die ons ertoe brachten onszelf te verhogen en de ideologische ander te verachten, zijn in zijn dood ontmaskerd en met Hem tot een einde gebracht. We hoeven dus niet meer te vechten voor onze betekenis. We kunnen onze bezorgdheid over ons gedrag loslaten. Ons ‘heldenverhaal’ kan niet meer falen, dus schuld en schaamte zijn niet meer nodig. Dit loslaten is een sterven met Jezus: het vertrouwen op de eigen kracht begraven, en afhankelijk durven zijn van God voor je betekenis, je geluk, je leven. We delen daarmee in de gezindheid van Jezus, die ook afstand deed van zijn positie en zichzelf vernederde, ja tot in de dood (Filippenzen 2:5-8).
De opstanding van Jezus is de keerzijde hiervan. Wat God voor Jezus deed, omdat Hij van Jezus hield, doet hij ook voor ons, omdat Hij van ons houdt. Hij ademt zijn levensadem in ons. Dat wil zeggen: Hij vertelt ons wie we zijn, hij geeft ons een nieuwe naam. Ook dit is een uiting van Gods liefde. De liefde van God is namelijk niet alleen een vergevende liefde, maar ook een scheppende liefde. Hij accepteert niet alleen, maar bevestigt ook. Gods liefde voor ons creëert in ons betekenis, de betekenis waar we naar op zoek waren. We ontvangen een nieuwe identiteit, namelijk die van geliefden van God. Deze identiteit zal nooit veranderen. Hij is niet afhankelijk van wat wij doen, zijn of geloven (daarom dat het niet een nieuw ‘heldenverhaal’ is waar wij voor moeten vechten). De Geest van God in ons bevestigt voortdurend deze nieuwe identiteit in ons, hij verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. (Romeinen 8:16). Ons leven wordt dus niet meer beheerst door het idee dat we als mensen op onszelf staan en afhankelijk zijn van onze eigen kracht - en daardoor overgeleverd aan externe motivatie (slaven, zoals Paulus zegt). Ons leven wordt beheerst door de rotsvaste overtuiging dat we voor eens en altijd Gods geliefde kinderen zijn.
En dat verandert onze motivatie.

Net als de vrouw (m/v) in het voorbeeld wil God niet dat we ons gaan gedragen volgens een ideaalbeeld dat Hij ons van buitenaf oplegt. Hij wil niet dat we minder onszelf worden, dat we onze identiteit verliezen. Hij wil dat we meer ONSZELF worden, de mensen zoals Hij ons bedoeld heeft. Onze echte identiteit was van onze schepping af al die van de geliefde van God. We hebben er zelf voor gekozen onze identiteit in andere verhalen te zoeken, maar daardoor werden we minder onszelf en stierven we. Jezus’ dood en opstanding bevestigt wie we voor God altijd al waren. Dat zullen we moeten gaan geloven. Het is een sprong in het diepe - te accepteren dat God mij heeft geaccepteerd. Dat hij van mij houdt zoals ik nu ben. (Hoewel hij me wel de gevolgen laat ervaren van mijn keuzes tegen mijn echte identiteit- de liefde verheugt zich niet over ongerechtigheid). Als ik dit geloof, ben ik vrij om alle ideaalbeelden los te laten, en mezelf niet langer te bekritiseren (dat doet God immers ook niet). En ik ben vervolgens vrij om keuzes te maken die passen bij wie ik altijd ben en zal zijn: zijn geliefde kind. En omdat ik rust in de wetenschap dat ik geliefd ben, zullen die keuzes steeds minder ongezonde afhankelijkheid reflecteren, maar steeds meer liefde (voor mezelf, voor God en voor anderen).
Hoe zo’n leven als Gods geliefde kind, een burger van zijn Koninkrijk eruitziet, wordt door Paulus in zijn brieven en door Jezus in zijn bergrede beschreven. De man die weet dat hij de geliefde van zijn vrouw is, zal niet onverantwoorde risico’s willen nemen met zijn motor. De vrouw die weet dat ze de geliefde van de man is, zal zich voor hem willen inspannen. Net zo kun je niet tot in het diepst van je ziel geloven dat God je onvoorwaardelijk liefheeft, en dan zelf je medemens haten. Je kunt niet aanvaarden dat God je als persoon boven alles waardevol vindt, en andere mensen als lustobject beschouwen. Je kunt niet verlangen om te gaan met de God die onvervalste werkelijkheid is, en zelf blijven liegen. Als je werkelijk iets bent gaan begrijpen van het koninkrijk van de liefdevolle God, wil je dat soort dingen niet meer. Dan krijg je er een afkeer van. Je zult er fouten in maken, je zult vaak genoeg tekortschieten, maar je verlangen is veranderd en dat is waar het om gaat. Van iemand die eerst met geen stok de deur was uit te krijgen om te gaan hardlopen, ben je als het ware veranderd in iemand die niet kan wachten om de schoenen aan te trekken en de straat op te gaan. Van iemand die niet aan de ijscozaak voorbij kon lopen zonder er binnen te stappen, ben je veranderd in iemand die geen trek meer heeft in wat voor zoetigheid dan ook. Van iemand die de radio uitzette zodra er muziek opkwam met een beat, ben je iemand geworden die ernaar verlangt te dansen. Je bent uit het rijk van de duisternis overgegaan naar het rijk van het licht. Het licht is nu je natuurlijke omgeving geworden, hetgene waar je in thuishoort. En daar ga je naar verlangen. 

En als je verlangen is veranderd, verandert je gedrag. De bijbel suggereert dat gedrag voortkomt “van binnenuit, uit het hart der mensen” (Markus 7:21). De toestand van je hart bepaalt de aard van je gedrag: “Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven.” (Jakobus 3:11,12). Dit geldt voor slechte gedragingen, en voor goede. Het effect van verlangen op het menselijk gedrag kennen we uit ons dagelijks leven. Ik hou niet van schoonmaken in huis. Als ik dat moet doen, stel ik het zo lang mogelijk uit, en als ik een excuus heb om het over te slaan, doe ik dat. Hoe lang ik ook al op mezelf woon, ik ben schoonmaken nooit leuk gaan vinden. Soms probeer ik mezelf ertoe te dwingen met externe motivatiemiddelen zoals vaste schema’s, of beloningen, maar die tactieken hebben vaak niet lang effect. Maar met het schoonmaken van mijn aquariums is het heel anders: Dat stel ik niet uit, ik vind het vervelend om het over te slaan, ik maak er graag tijd voor vrij. Ik ervaar het niet als verplichting - ik doe het graag, omdat ik mijn hobby nu eenmaal zo leuk vind.
Net zo wordt het doen van de wil van God een vreugde voor wie werkelijk gelooft dat God de bron van alle vreugde is. De Amerikaanse filosoof Peter Kreeft beschrijft dit in zijn boek Everything you ever wanted to know about heaven: “The consequences of believing [that Christ is our joy and since we always have Him, therefor we always have joy] are inexpressibly revolutionary. This faith transforms the whole of our lives, especially the dimension of ethics, goodness, holiness. It becomes not just duty, but joy. Obeying God’s will is not the artificial, external, constricting, repressive straitjacket that it seems to those who do not do it; it is the path to joy ... Our work is not to gain salvation, to buy an entrance ticket to Heaven. No good works, care, or even earthly love can force God’s hand. The ticket is free. Our work is therefore also free, free of the burden of ‘making it’ to heaven, free of worry about not making it, free of performance anxiety before God. God is a loving Father and we are his toddlers; He delights in every teetering step and laughs when we fall out of wakness. Why other then? Why does a toddler want to learn to walk? To be like his father. God’s goodness is the supreme beauty and joy; the more we know it, the more we love it and want to be like that. We do not do good to get to Heaven; we do good because Heaven has already got to us. We do not work to make everything work together for good; we work because everything works together for good.”

Dit verandert hoe we de externe motivatiemiddelen zien. Als we echt zijn gaan verlangen naar ander gedrag, van binnenuit, dan passen we met vreugde elke methode toe die we kennen: schema’s, aansprakelijkheidspartners, discipline, methodieken. Dan achten we het enkel vreugde als God ons opvoedt. Wanneer wij verlangen naar Gods heiligheid omarmen we zijn tucht: “Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.” (Hebreeen 12:11).
En doordat ons gedrag verandert, en we steeds meer gaan liefhebben (God boven alles en onze naaste als onszelf), niet omdat het moet, maar omdat het ons diepste verlangen is, gaan we het beeld van God vertonen. We krijgen deel aan de goddelijke natuur, aldus 2 Petrus 1:4. Wat is Gods natuur? God is liefde. Greg Boyd zei het in een preek die ik van hem luisterde: “Gods glory is the radiance of his love on display.” Als wij liefhebben, tonen we daarmee Gods glorie aan de wereld. En dit zullen we tot in de eeuwigheid doen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn geen beloning voor onze braafheid tijdens ons leven op Aarde. We worden niet in die nieuwe werkelijkheid opgenomen omdat we altijd zo goed en gehoorzaam zijn geweest, zodat we ons nu mogen ontspannen en genieten van al die dingen waar we ons zo lang van hebben onthouden. We krijgen geen wijn en maagden omdat we tegen onze zin hebben geploeterd voor de wet. Nee: in Gods eeuwigheid zullen we doen wat we ook nu al doen: werkelijk leven, werkelijk liefhebben, werkelijk delen in schoonheid, waarheid en intimiteit. Het is de voltooiing van ons leven als Gods kinderen, geen afsluiting ervan. Als we gaan liefhebben tijdens dit leven, laten we ons opnemen in de Goddelijke dans van liefde, en die gaat tot in alle eeuwigheid door. Alleen wie pertinent weigert te dansen, zal niet worden gedwongen er aan mee te doen. Voor de rest geldt dat God alles en in allen zal zijn, en dat aan de liefde en vreugde van Zijn werkelijkheid nooit meer een einde komt. Ze leefden nog lang en gelukkig ...

zondag 8 januari 2012

Het einde van de wil 1: geen triomftocht, maar een begrafenis

Soms zou ik willen dat alle sprekers in de kerk en alle christelijke schrijvers een keer een burn out hadden doorgemaakt, of een keer overspannen waren geweest. Niet dat ik het iemand toewens natuurlijk. Dat zou wreed zijn. Maar wie het een keer heeft meegemaakt, wie een keer op de bodem is terechtgekomen, wie de grenzen van zijn eigen wilskracht en doorzettingsvermogen heeft bereikt, weet dat hij (of zij) niet meer een beroep kan doen op de wil en discipline van zijn toehoorders om zichzelf te veranderen. Die weet dat hij niet meer schuldgevoel en plicht kan inzetten om het gedrag van mensen te veranderen. Die weet dat hij volledig en geheel, zowel voor zijn redding als voor zijn leven, afhankelijk is van de liefde en genade van God. Dat geldt vooral voor mensen die overspannen zijn geworden door de eisen en lasten die hen werden opgelegd door het geloof.
Maar de meeste sprekers en schrijvers hebben de grenzen van hun eigen kunnen (nog) niet bereikt. En omdat ze nog steeds zichzelf kunnen opjagen, omdat ze nog steeds hun eigen leven onder controle hebben, denken ze dat dit voor alle andere mensen ook geldt. En dat de enige reden dat sommigen onder hun publiek zich niet voor de volle honderd procent inzetten voor de kerk, of een heilig en zuiver leven leiden, is omdat ze het niet willen, omdat ze niet bereid zijn er voor te gaan. Dat deze toehoorders misschien hun grenzen bereikt hebben en de energie gewoon niet meer hebben om zichzelf tot daden aan te zetten, zal niet bij ze opkomen. Dat behoort niet tot hun ervaringswereld. En daardoor jagen ze meer mensen naar een overspannenheid toe. Want hoe energierijk de spreker ook is - ook aan zijn wilskracht komt vroeg of laat een einde. En dan blijkt dat onze middelen te allen tijde tekort schieten om onszelf te veranderen. Dat een christelijk leven niet tot stand komt door onze eigen kracht en discipline, dat onze heiligheid en onze vrucht in het koninkrijk niet door ons karakter of ons doorzettingsvermogen worden voortgebracht. Dat deze sprekers en schrijvers beweren van wel, is niet iets dat ik ze verwijt (ze zijn immers niet overspannen geweest), de meeste hebben de beste bedoelingen en in de volgende paragrafen noem ik mensen van wie ik veel heb geleerd en nog steeds veel leer. Maar soms moet je - net als de rijke jongeman uit Markus 10 - met de grenzen van je eigen kunnen geconfronteerd worden. Je moet het einde van je wil bereiken, om te kunnen accepteren dat onze enige hoop in het leven is, dat ‘wat voor mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God’.

Voor de lezers van mijn blog en mijn boek (Indrukwekkende Vrijheid - ik ben zo vrij er nog een keertje naar te verwijzen) is het geen verrassing dat ik overspannen ben geweest. En niet een keer, maar meerdere keren. De eerste keer was in 1998 in het vierde jaar van mijn studie. Een niet geheel bij mij passende stage in het laboratorium had zeker een bijdrage, maar de voornaamste reden van mijn overspannenheid was mijn religieuze gedrevenheid. Ik las elke dag vijf hoofdstukken uit de bijbel, deed bijbelstudie, memoriseerde bijbelteksten, bad minstens een half uur en deed mijn uiterste best om heilig te leven. Maar ik werd gemotiveerd door schuld en plicht, door schaamte en verantwoordelijkheid. En hoewel ik het jaren volhield bleek mijn wilskracht het toch niet aan te kunnen. Ik ging steeds slechter slapen, tot ik acht tot tien keer per nacht wakker werd en ‘s ochtends gebroken uit bed kwam. Ik werd emotioneel prikkelbaar, maar had tegelijk geen energie meer om ook maar iets te doen. Uiteindelijk liep ik een jaar studieachterstand op, omdat ik het al een hele prestatie vond om een enkel wetenschappelijk artikel per dag te lezen. En jaren lang las ik niet uit de bijbel. Nog langer heb ik niet gebeden (ik vind beide nog steeds moeilijk). Sindsdien heb ik vaker slaapproblemen gehad.
Mijn tweede overspannenheid was bijna zeven jaar geleden, op mijn vorige baan. Weer een gestoorde slaap, extreme vermoeidheid, lusteloosheid en prikkelbaarheid. Ik was weer over mijn grenzen heengegaan. En dit jaar kwam het ook weer terug. Nu niet omdat ik vond dat ik moest bidden, maar omdat ik vond dat ik een volle agenda moest hebben. En dat terwijl mijn werk ook veel stressvoller was geworden en eigenlijk al mijn aandacht nodig had.
Ik had de signalen dit keer gelukkig wat eerder opgemerkt en door radicaal mijn agenda leeg te maken wist ik het tij te keren. Ik ging daarna gelukkig ook weer beter slapen. Het was echter wel een goede waarschuwing, dat ik niet kan vertrouwen op mijn eigen kracht om mijn leven te organiseren. Maar sinds mijn eerste overspannenheid schuif ik in de kerk, en bij het lezen van heel wat boeken, ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer, omdat de sprekers en de schrijvers nu juist wel een beroep doen op mijn eigen wil en discipline om een nieuw leven te leiden.

Jammer genoeg zijn dit niet alleen de sprekers van de oude stempel, de ‘oude broeders’ uit de kerk waar ik opgroeide, en strenge schrijvers die zo’n boodschap brengen. Maar ook heel wat ‘jonge’ schrijvers en sprekers brengen een boodschap die er uiteindelijk op neerkomt dat ik met mijn eigen wilskracht moet proberen te veranderen. Ik geniet van boeken van N.T. Wright (vooral zijn boek Surprised by Hope heeft me heel erg geinspireerd - deze komt aan bod in het volgende deel in mijn serie over levensveranderende boeken), en van Dallas Willard, met name The Divine Conspiracy (zie mijn vorige deel over levensveranderende boeken). Beide rekenen af met oude ideeen over het Koninkrijk van God en een evangelie van ‘zondemanagement’, en schetsen een inspirerend (en volgens mij ook bijbels) beeld van het herstel van de Aarde en de opstanding uit de dood. Willard laat zien dat de bergrede niet een toespraak van Jezus is waarin hij ons een schuldgevoel probeert aan te spreken, maar een beschrijving van het leven in dat Koninkrijk, dat ooit komt, maar nu al realiteit is. Een verademing om te lezen. Maar vervolgens meent hij dat het er in het leven als christen om gaat om een leerschool te volgen in discipelschap, en een programma te volgen van geestelijke disciplines om te leven op de manier van het koninkrijk - ‘A curriculum of christlikeness’. Natuurlijk is het God die ons volgens hem verandert, maar God verandert ons doordat wij ons aan de disciplines houden. En Wright komt in zijn boek Virtue Reborn tot de conclusie dat alleen geloven niet genoeg is. We moeten als christenen daarnaast wel degelijk een ‘deugdzaam’ leven moeten leiden, dat wij mensen worden die in het koninkrijk thuis horen door ons aan deze deugden te houden.
De moed zonk me -hoe inspirerend beide schrijvers ook waren - prompt weer in de schoenen. Want ik kan het gewoon niet. Ik kan me niet aan een nieuw programma houden. Ik kan mezelf niet verbeteren. Ik kan niet een nieuwe regel gaan volgen. Ik kan me niet weer schuldig voelen als ik niet aan mezelf werk, of een minder goed christen als ik niet vast of bid. Ik weet waar dat pad heen leidt en die kant wil ik niet op. Ik geloof ook niet dat het mogelijk is. Ik geloof niet dat we door onze eigen wilskracht en doorzettingsvermogen koninkrijksburgers kunnen worden. We zijn niet sterk genoeg om ons te houden aan een ‘curriculum van Christusgelijkvormigheid’. En al zouden sommigen van sterk genoeg zijn om zich daar aan te houden, dan zou dat nog niks te maken hebben met hun geestelijke status of deugdzaamheid. Het zou alleen betekenen dat ze geboren zijn met meer ‘ego’ dan anderen.

Ons ego - of wilskracht - is een aanduiding voor de energie die we hebben om iets te doen wat we niet willen, of iets niet te doen wat we wel verlangen. Sommigen hebben er vanaf hun geboorte meer van, anderen minder. En iedereen heeft er een beperkte hoeveelheid van, die ook kan opraken tijdens de dag. Als ik een zware dag heb gehad op kantoor en moeilijke telefoontjes heb moeten plegen, lukt het me daarna niet meer om op het station de verleiding van een ijsbeker bij de Swirl’s te weerstaan (en al helemaal niet om ‘nee’ te zeggen als de verkoper zegt: ‘Wilt u er ook slagroom bij?’). En het lukt me dan ook niet om weerstand te biden tegen andere verleidingen. Mijn wilskracht is opgeraakt. Ik ben dan ook weer heel wat kilo’s aangekomen het afgelopen jaar. De extra verantwoordelijkheid op het werk maakte het me onmogelijk om me aan mijn dieet te houden.
De wetenschappelijke term hiervoor is ‘ego depletion’. Afgelopen week stond er een groot artikel over in de Pers. In wetenschappelijke studies werden mensen in een ruimte gebracht waar een schaal koekjes stond. De ene groep mocht ervan eten. De andere groep mocht niet eten van de koekjes, maar alleen van de radijsjes in de schaal ernaast. Vervolgens moesten mensen uit beide groepen aan een puzzel werken. De personen uit de tweede groep gaven het veel sneller op - ze hadden al een deel van hun wilskracht besteed aan het weerstaan van de verleiding, en konden die dus niet meer inzetten om te puzzelen. Het ego raakt uitgeput. Dieten is daarom zo moeilijk omdat voor de wilskracht, het ‘ego’ om ‘nee’ te zeggen tegen suiker energie nodig is. En die krijg je door suiker te eten. Nota bene - zelfs het trainen van de wilskracht waar het artikel over spreekt, vergt wilskracht!

Soms krijgen mensen die falen in het leven, die zich niet aan disciplines houden, die niet productief zijn, te horen dat het aan hen zelf te wijten is, dat het hun eigen zwakte is, en dat ze het wel zouden kunnen ‘als ze het maar zouden willen’. Zoals een stukje dat ik jaren geleden in de krant las van een cabaretier (volgens mij Dolf Jansen), die er geen probleem in zag dikke mensen belachelijk te maken. Die hadden hun overgewicht aan zichzelf te wijten, vond hij. Als ze het maar zouden willen, zouden ze mager kunnen zijn. Hijzelf was immers ook mager. De wil wordt gezien als een onuitputtelijke bron, waar je altijd over kunt beschikken. Maakte een Duitse filmmaker in opdracht van Hitler niet een film met de titel: ‘De Triomf van de Wil’? Het is een houding die is geinspireerd door de filosoof Nietzche. De wil kan volgens deze mensen alles. Wie zwak is, heeft het aan zichzelf te wijten. En veel christenen denken net zo - ze verwijten de falende, tekort schietende mensen dat ze zwak zijn, dat het hun eigen schuld is, dat ze wel zouden kunnen leven als goede christenen als ze het maar zouden willen. Hun lukt het immers toch wel om zich aan de regels te houden, gedisciplineerd te zijn en de verleiding te weerstaan? Ze doen me denken aan de Farizeeer in de gelijkenis van Jezus die in de tempel bad: "God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af." (Lucas 18:11).
Uit het onderzoek, beschreven in de Pers, blijkt echter dat de wil niet ongelimiteerd is, als lucht of water, maar eerder een zeldzame grondstof, waar een keer een einde aan komt (net als met de olie en zeldzame metalen), en dat het niet iets is dat je zomaar op elk moment kunt oproepen. Je hebt het of je hebt het niet. De cabaretier die de dikke mensen verweet dat ze dik waren, was waarschijnlijk overactief, had een ADHD-achtig temperament, en zou dus niet dik ‘kunnen’ worden, zelfs al zou hij het willen. De christenen die anderen opjagen om te veranderen hebben meer ‘ego’, of hebben een makkelijk leven gehad, of hebben gewoon nog niet zoveel wilskracht moeten spenderen aan het weerstaan van verleidingen. De Farizeeer in de gelijkenis was inderdaad sterker dan de tollenaar, het koste hem daardoor gewoon minder moeite om zich aan de regels te houden en zijn plicht te doen.
Maar dat maakte hem niet een beter mens en bracht hem op geen enkele manier dichter bij God. Paulus constateerde al dat hij niet wilde roemen op zijn kracht, maar veel eerder in zijn zwakheden. “Want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.” (2 Korintiers 12:9) En de tollenaar, die aan het eind van zijn wil was gekomen, die realiseerde dat hij zichzelf niet kon verbeteren, die tegenover God erkende dat hij een zondaar was en afhankelijk van genade, ging als een rechtvaardige naar huis. Het enige dat hij deed, was zeggen: "God, wees mij zondaar genadig." De wil moet dus afzien van zijn triomftocht. De wil wordt in plaats daarvan ten grave gedragen.
De wil kan niets bijdragen aan ons bestaan als christen. Lees wat Robert Farrar Capon hierover schrijft in Kingdom, Grace, Judgment: “Let me set you an excercise. Take the publican back to the temple one week later. And have him go back there with nothing in his life reformed: walk him in this week as he walked in last - after seven full days of skimming, wenching and hig-priced Scotch. Put him through the same routine: eyes down, breast smitten, God be mercifull and all that. Now then, I trust you see that on the basis of the parable as told, God will not mend his divine ways any more than the publican did his wiched ones. He will do this week exactly what he did last: God, in short, will send him down to his house justified.” En ook als hij de week erna weer niet veranderd is. En de week erna ook niet. Hij blijft gerechtvaardigd. En zelfs al zou de man wel een beetje zijn veranderd en iets minder hebben gedronken, dat zou niet de reden zijn dat God hem rechtvaardigt. God kijkt zelfs niet in zijn hart, of hij in elk geval de goede intentie heeft om te veranderen. Nee - het is allemaal genade. Dit komt op ons oneerlijk over - er moet toch meer zijn? We moeten toch iets doen? Voor wie nog op zijn wil vertrouwt, zoals de Farizeeer, is het moeilijk te accepteren. “As long as you are struggling like the Pharisee to be alive in your own eyes - and to the precise degree that your struggles are for what is holy, just and good - you will resent the apparent indifference to your pains that God shows in making the effortlessness of death [het einde van de wil] the touchstone of your justification. Only when you are finally able, with the publican, to admit that you are dead will you be able to stop balking at grace.”

Wat ik heb ontdekt door mijn herhaalde overspannenheid, is dat ik niet op mijn wilskracht kan vertrouwen. De voorraad ervan blijkt steeds kleiner te zijn dan ik denk. Het is nauwelijks genoeg om mijn werk aan te kunnen, laat staan om ook nog heilig te leven of ‘de wereld te winnen voor Jezus’. Ik ben aan het einde van mijn wil gekomen. Maar dit is precies waar God mij wil hebben. Want alleen dan kan hij doen wat voor mij onmogelijk is. Alleen dan sta ik open voor zijn genade. Dat besef is wat ik meer mensen toewens, en vooral degenen die de vermoeide en zwakke mensen zonder wilskracht toespreken en aanschrijven. Maar hopelijk komen ze tot dat besef zonder zelf overspannen te raken.

Wordt vervolgd ...

maandag 26 december 2011

Kerstboodschap: wie kondigt wat aan?

Al jaren lang sluiten radiomakers van 3FM zich rond kerst op in een glazen huis voor het programma ‘Serious request’. Ze ontzeggen zich privacy en eten en ander gemak, om voor het oog van een heleboel mensen aandacht te vragen voor minderbedeelden over de hele wereld. Dit keer oorlogsmoeders in Afrika. Door luisteraars wordt geld ingezameld, en ook de gemaakte radioprogramma’s dienen dat doel. Veel mensen vinden dit initiatief inspirerend. Ik ook. Ik vind het mooi dat er mensen zijn die bereid zijn zulke offers te brengen om anderen te helpen en die hun door God gegeven talenten gebruiken om anderen ook te stimuleren zich in te zetten voor goede doelen. En elke hulp die dit oplevert voor lijdende mensen is welkom.
Christenen laten zich door de DJ’s van het Glazen Huis ook inspireren. Vorig jaar voerde Boele Ytsma op twitter actie om als kerken bij te dragen aan de opbrengst van het Glazen Huis. En dit jaar las ik de blog Gods Marketing, die stelde dat de radiomakers eigenlijk moderne dominees zijn, met hun boodschap om je in te zetten voor anderen. “De DJ’s zijn zonder het zelf te beseffen ware dominees, priesters en voorgangers geworden ... De vermoeidheid is levensecht, maar de wilskracht en overtuiging ook. Alles voor de ander, alles voor die vreemde, daar in Afrika.” Net als dominees en voorgangers zenden deze radiomakers een boodschap de wereld in: dat we moeten omzien naar diegenen die het minder goed hebben dan wij en dat we samen alles voor de ander over moeten hebben.
Heel lovenswaardig, en het is een goede boodschap, maar het is niet HET goede nieuws. Het is niet het de boodschap die dominees, priesters en voorgangers nu opeens zouden moeten verkondigen. Juist niet! Het woord in de boodschap dat bij mij de alarmbellen deed rinkelen was ‘wilskracht’. In deze boodschap hangt het af van onze inspanning voor de ander, wat wij met onze kracht kunnen bereiken, onze discipline en ons doorzettingsvermogen. Het is trouwens niet verkeerd om te worden uitgedaagd om ons in te spannen, om onze kracht te trainen, en om door te zetten. Maar als christelijke predikers deze boodschap gaan brengen, wordt de boodschap op de een of andere manier altijd dat we deze dingen eigenlijk voor God doen of zouden moeten doen. Dat we door die inspanning, discipline en doorzettingsvermogen aan Gods koninkrijk bijdragen, dat God ons waardeert als we dat doen, dat we minder goede christenen zijn als we het niet doen. Dit zal altijd gebeuren, omdat christelijke predikers nu eenmaal namens God spreken. Plotseling hangen Gods aanvaarding en onze eeuwige toestand dis af van die heel wankele factor van onze wilskracht. En plotseling zetten we ons niet meer in voor de ander omwille van die ander, maar omdat we bang zijn Gods zegen mis te lopen of door Hem niet goed genoeg gevonden te worden.
Ik ben helemaal niet tegen oproepen om goed te doen aan anderen, om moreel en heilig te leven, en te zorgen voor het milieu, dieren en de samenleving. Verre van! Ze zouden veel vaker mogen klinken. Maar deze morele boodschappen kunnen het best worden gebracht via seculiere kanalen. Door de DJ’s van 3FM. Door iemand als Bono (ja, hij is een christen, maar hij brengt zijn boodschap van armoedebestrijding als zanger van een rockband!). Door Marianne Thieme (ook een christen, maar ze brengt haar boodschap als politicus, niet als predikante). Als zij deze boodschap brengen, gaat het om het moreel verantwoorde gedrag, en niet om eeuwig zieleheil en Gods aanvaarding. Elkaar liefhebben, zorgen voor de ander, geven om de wereld: het hoort bij het menszijn. Wie deze boodschap brengt, brengt die boodschap als mens naar mensen, ook als hij christen is en voor zijn boodschap door Christus wordt geinspireerd.

Aan de andere kant: de boodschap over ons eeuwig zieleheil en Gods aanvaarding die christenen namens God verkondigen, kan het best worden gebracht door onvolmaakte, immorele predikers. Door mensen zonder zuiver blazoen, zonder vlekkeloze reputatie. Door verslaafden die ervoor uitkomen dat ze weer zijn teruggevallen, ook al wilden ze oprecht ‘nee’ blijven zeggen. Door de kwetsbaren, die durven laten zien dat ze anderen hebben pijn gedaan, dat ze kansen hebben laten lopen, dat ze wisten wat hun plicht was, maar die niet hebben gedaan.
Als de boodschap over Gods aanvaarding en onze eeuwige toestand wordt gebracht door predikers die een zuiver moreel voorbeeld laten zien, die altijd alles geven voor anderen, nooit terugvallen in een verkeerd patroon, nooit boos zijn op hun kinderen, en voldoen aan het plaatje van de ideale burger en de ideale christen, gaan we denken dat al deze  dingen erbij horen. Dat we om net als zij door God aanvaard en gered te worden net zo goed, moreel en kerkelijk actief zouden moeten zijn als de predikers zelf. Dat dit gedrag en deze inspanningen voorwaarden zijn, dat het (opnieuw van onze wilskracht afhangt. En we worden gefrustreerd, of oneerlijk (net als die predikers, want niemand is volmaakt. Als ze zo lijken, is dat omdat ze niet open zijn over wat er in hun binnenste afspeelt).
Paulus zelf deed zijn best zich niet beter voor te doen als hij was. Hij noemde zichzelf in 1 Timoteus (in tegenwoordige tijd) de grootste van alle zondaars. Hij was zwak stond bloot aan verleiding. “Als er iemand zwak is, dan ben ik het wel. Gaan anderen onder verleidingen gebukt - ik word erdoor verteerd!” (2 Korintiers 11:29). Hij vertelde dat hij door Satan als met vuisten geslagen werd - want Gods kracht wordt zichtbaar in zwakheid. Hij was niet beter, heiliger of moreler dan zijn toehoorders, hij was zwak zoals zij en trad zwak op, maar hij had de liefde van God leren kennen, zoals die was geopenbaard in Christus, zijn heer. Daarvan predikte hij.
Daarom heb ik ook het meest geleerd over de genade en de liefde van God van schrijvers als Brennan Manning (Het Zwerversevangelie) die eerlijk uitkomt voor zijn worsteling met een alcoholverslaving en hoe hij daar steeds weer in terugvalt. Van Philip Yancey, die open is over zijn opvoeding in een strenge, racistische kerk, en hoe hij oude ingeslepen patronen moet kwijtraken. Van John Eldredge, die vertelt over de wonden die zijn vaders woorden hebben achtergelaten en hoe hij tekortschiet ten opzichte van zijn vrouw en zijn kinderen. Van andere schrijvers, sprekers en vrienden die er open voor uitkomen dat ze er soms een potje van maken, maar die weten dat God van ze houdt en uiteindelijk herstel zal brengen in het koninkrijk van God. Ze brengen niet zichzelf en hun gedrag, maar ‘Jezus Christus, de gekruisigde’ (1 Korintiers 2:2).

Kerst is bij uitstek de gelegenheid om stil te staan bij de christelijke boodschap, de reden waarom Christus op Aarde is gekomen. Die boodschap is ten eerste een aankondiging. Een boodschap over een gebeurtenis, die op geen enkele manier te maken heeft met onze wilskracht. Of wij goed leven, of wij anderen helpen, of wij in moreel opzicht door een ringetje te halen zijn heeft er niets mee te maken. Het is geen oproep om ons te gaan gedragen of om ons beste beetje voor te zetten. Het is een feitelijke mededeling die aan ieder van ons gedaan wordt, en die van ons niet eens een reactie vereist. Of we er nou blij mee zijn of niet, of we er naar gaan leven of niet, het verandert niets aan de inhoud ervan.
En het is bovendien een aankondiging die wordt gedaan aan mensen die niet eens een passende reactie kunnen geven. Aan het uitschot van de samenleving, aan mannen en vrouwen zonder hoop, die aan de grond zitten. Aan degenen die zo lang hebben geprobeerd mee te draaien en hogerop te komen, dat ze de moed nu hebben opgegeven. Aan degenen die zich hebben verlaagd tot het verkopen van hun lichaam of het uitbuiten van hun landgenoten. Aan de verslaafden die hun verslaving haten, maar de fles niet kunnen laten staan. Aan ‘the last, the least, the little, the lost’, aan mensen die -in de woorden van Robert Farrar Capon - dood zijn.
Het is de aankondiging van de Engelen aan de herders. Niet de romantische herdertjes die bij nachte in het veld lagen. Nee, lees wat op Internetmonk werd gezegd over de herders: "Shepherds at the time of Jesus were at the bottom of society’s list of acceptable people, barely above lepers ... most shepherds were hired hands tasked with herding the sheep from pasture to pasture, tending to their wounds, birthing the lambs, and chasing away predators. These hirelings often had a higher sense of their own value than they did for their flocks ... Shepherds and thieves were thought to be one and the same—and often were ... They were filthy. Living out of doors 24/7 does not exactly allow one to keep the best personal hygiene. Shepherds smelled like sheep and all that goes with sheep. They were not only dirty, they were ritually unclean as well, having touched blood, feces and insects on a daily basis, disqualifiing them from any part of religious circles ... As far as the religious leaders were concerned, they were non-people. They were outcasts from society. Losers with a capital “L.”
Aan deze sociale uitgestotenen werd het goede nieuws verkondigd, dat het hele volk met grote vreugde zou vervullen: “Vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren ... Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen, die Hij liefheeft.” (Lukas 2:10-14) In het kort vertaald: “Jullie zijn misschien wel hopeloos, en jullie wilskracht kan jullie niet helpen, maar ook voor jullie geldt dat de redder gekomen is, omdat God alle mensen liefheeft, dus ook jullie.”
Dit is werkelijk goed nieuws. Geen wonder dat deze herders vervolgens in actie kwamen en dezelfde boodschap van onvoorwaardelijke aanvaarding brachten aan de respectabele, rechtschapen mensen in de omliggende dorpen. Geen wonder dat sommigen van hen dertig jaar later wellicht volgelingen van deze redder zijn geworden. Geen wonder dat ze misschien hun leven wel hebben opgeofferd en alles op het spel hebben gezet om hem te dienen. Deze aankondiging doet dat met mensen.

Als christenen moeten we geen andere boodschap brengen dan deze: “U is heden de heiland geboren ... Vrede op aarde, en in mensen een welbehagen.” Het koninkrijk van God is aangebroken, de beloofde koning is gearriveerd, het herstel van alle dingen wordt werkelijkheid. En het is voor iedereen! Of je nu goed doet aan anderen of niet, of je nu moreel bent of niet, of je nu hard werkt in de kerk of niet. God heeft welbehagen in je, Hij heeft je lief. Moreel rechtschapen christenen of falende, struikelende gelovigen - iets anders hebben we niet aan te kondigen. We vertellen het goede nieuws.
En dat vervolgens degenen die de boodschap horen, niet werkeloos op hun gat kunnen blijven zitten, dat ze het nieuws zelf gaan verspreiden, dat ze ook zelf vrede op Aarde willen brengen en dat ze zelf ook welbehagen en plezier gaan hebben in hun medemensen, dat zou ons niet moeten verbazen. Dat ze anderen willen gaan liefhebben, heilig willen gaan leven en actief worden in een geloofsgemeenschap, moet ons niet verwonderen. Het woord van God doet dat met mensen. Jezus doet dat met mensen. Maar het is niet waar wij ons mee bezig hoeven houden. We hoeven alleen maar een aankondiging te doen.