Posts tonen met het label wereldbeeld. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wereldbeeld. Alle posts tonen

donderdag 23 april 2015

Gedicht: Museum


Museum

Ze kijken me aan vanuit
hun glazen dozen met hun
kralenogen. Vacht verkleurd.
De mooiste veren grijs
onder het stof. Houding stijf
hun poot gebogen, valse grijns.
Hun naam gespeld op geel papier
in spinnenpoten, de datum
en de vinder er zorgvuldig
bij geplaatst. Zo wachten ze
geduldig, maar de optocht
trekt aan hen voorbij, nietsziend
met kromme schouders, fluisterend
over buurvrouw, koffie, werk.
Kinderen die vragen wanneer
ze weer naar buiten mogen. Licht
van hun schermen doet de schaduw
dansen tot aan sluitingstijd.
Het doek valt opnieuw. Dit was hun
kans om te bestaan. Hun laatste
glorie. In de schemering
worden ze opnieuw begraven.

woensdag 24 december 2014

Gedicht: Wad

Wad

Mijn voeten zijn in klei gevangen,
de grijze modder vertraagt mijn pas
als handen zonder los te laten,
niet moe te krijgen. Ik wel.
God, wat ben ik moe. Ik strijd
om nog een stap te kunnen zetten.
Wil rusten. Maar zie geen respijt
tot aan de horizon. Slechts slijk,
niets om mij op te richten.
Mijn kompas ben ik verloren
en de tijd die dringt. Het water vult
de gaten achter mij, wist het spoor,
haast zich voor mij uit: een spiegel
die boven mij gesloten hemel toont
al net zo grauw. Binnen in mij
dooft nu mijn kracht. Hoe meer ik worstel,
hoe meer mij lokt vergetelheid.
Te slapen onder de koude deken
van de zee. Land is nog slechts een droom.
Mijn laarzen lopen vol met koude.
De greep verstevigt zich en toch
kan ik niet stoppen. Ik trek mijn been
op uit de klem die mij omsloot
en strompel voort tot ik de kust bereik.

donderdag 16 januari 2014

Gedicht: Het ei

Het ei
De wereld lijkt niet groter
dan ik kan zien. Een schaal
niet door mij te doordringen
hoe ik ook tast. Boven en onder mij
voel ik de wand, hard als beton
 als ijs zo glad. Geen grip te krijgen.
Geen naad. Geen deur die open slaat.
Verslagen zink ik neer. Met ogen dicht
zie ik hetzelfde en mijn stem
keert onverrichterzake terug
als van galmend koper. Ik vlucht
in de sensaties, vermaak mezelf
tot ik ooit niet wakker word;
het einde van de wereld en van mij.

Dan schrik ik op, wakker geschud
door een geluid dat ik niet maakte,
nauwelijks gekras, aan de grens
van mijn gehoor. Het komt van buiten.
Waar ik eerst niets vermoedde, daar ontstaan
nu mogelijkheden, oneindig rijk.
Ik zie barsten, onverklaarbaar,
over het blauw en groen en grijs,
te dun om terug te vinden. Het licht
erachter is voor mijn ogen vreemd,
komt niet van zon of maan,
is niet te delen, behalve met wie
het ooit zelf zag. Ik wacht nu
tot mijn wereld openbreekt.

zondag 12 januari 2014

Het sacrament en jij (4): Verrast door schoonheid

In december nodigden vrienden van ons mijn vrouw en mij uit om samen met hen en hun kinderen een Lord of the Rings-marathon te houden. Drie films, in de ‘extended edition’, in twee dagen: beginnen op de vrijdagavond, en dan doorkijken tot zaterdag. En tussendoor veel eten, slapen en praten. Die verleiding konden wij natuurlijk niet weerstaan, en zo zaten we onderuit op de bank, met een schaal M&M’s, te kijken naar deze epische films, die tien jaar na dato nog niks van hun zeggingskracht hebben verloren. Ik werd er zelf in elk geval opnieuw door geraakt. Neem bijvoorbeeld de scene waarin Sam en Frodo na veel omzwervingen de Doemberg bereikt hebben. Frodo is echter te moe om verder te gaan. Om hem te motiveren haalt Sam herinneringen op aan de Gouw, aan de smaak van aardbeien en aan muziek. Maar zijn voorbeelden spreken Frodo niet langer aan. Ze wekken zijn verlangen niet meer op. “No, Sam. I can't recall the taste of food...”, moet hij toegeven. “Nor the sound of water... nor the touch of grass. I'm naked in the dark, with nothing, no veil... between me and the wheel of fire! I can see him... with my waking eyes!”
Als kijker snappen we dat dit het effect moet zijn van de ring van macht, die Frodo al drie films lang met zich meezeult. De ring van macht, die de drager ervan ook naar macht doet verlangen, op een verslavende manier. Dit heeft een vervormend effect op de persoonlijkheid, zien we bij het karakter Gollum. Maar het heeft kennelijk ook een vervormend effect op hoe iemand de wereld ziet. Frodo kan, nemen we aan, met zijn ogen nog wel de werkelijkheid waarnemen: hij is niet opeens kleurenblind geworden, en is niet opeens zijn reukvermogen kwijtgeraakt. Wat veranderd is, is de betekenis die deze werkelijkheid voor hem heeft. Hij ziet alles alleen nog maar in de termen van de ring, in de termen van macht: geeft het hem meer macht, of bedreigt het zijn macht? In die termen is hij zelfs zijn vriend Sam gaan zien! Het is een betekenis die hij zelf aan de dingen geeft, niet iets wat ze uit zichzelf hebben. En daardoor wordt de wereld grauw, kleurloos, levenloos. Want verlangen naar het goede, naar schoonheid, naar liefde, staat het machtsverlangen alleen maar in de weg. Frodo kan nergens meer van genieten. Want dan zou hij zich niet meer van zichzelf bewust zijn, en dat staat de ring niet toe. Hij is zich dus alleen nog maar bewust van de macht, van de ring.
Hoe anders is dan een karakter als Sam, die juist wel verlangt naar aardbeien met room, naar het groene gras en de lachende kinderen, naar ‘Rosie Cotton dancing, with ribbons in her hair’. De schoonheid, de waarheid en de intimiteit die hij waarneemt, roepen uit zichzelf een reactie op in zijn hart. Hij ziet nog wel datgene wat inherent goed en betekenisvol is aan de wereld om hem heen, onafhankelijk van hemzelf. Hij ziet nog wel dat de wereld het waard is ervoor te strijden, jezelf ervoor op te offeren. En hoewel hij de ring zelf niet kan dragen, kan hij wel Frodo op zijn schouders nemen en tegen de Doemberg opklimmen. Niet voor niets is Sam voor veel mensen het favoriete karakter uit de films (en de boeken). Waar Frodo een schaduw van zichzelf is geworden (hij is op weg een ringgeest te zijn), laat Sam juist zien dat hij werkelijk zichzelf is, een gepassioneerd, liefhebbend peroon ...

Een van de belangrijkste vragen in de filosofie is naar ik heb begrepen, die waarom er iets is en niet niets. Waarom bestaat er eigenlijk iets, als er net zo goed niets had kunnen bestaan? In populairwetenschappelijke artikelen lees ik wel over ‘quantumfluctuaties’, waarbij schijnbaar in een volkomen vacuum spontaan deeltjes ontstaan. Maar zelfs als dit bewezen kan worden, verklaart het nog steeds niet het waarom. Ook voor christenen is het een relevante vraag. Vooral omdat God door niets en niemand gedwongen was om ook maar iets te maken. Er was geen wet die het hem zei, geen verplichting. Maar als je luistert naar hoe sommige christenen over de schepping praten, is het moeilijk voor te stellen waarom God energie in het scheppingsproces zou hebben gestoken. De wereld heeft voor Hem toch immers geen enkele waarde? Schoonheid leidt de zintuigen toch alleen maar af van het geestelijke? De wereld zal toch in vlammen vergaan, en er zal toch niets van overblijven? Je begrijpt opeens waarom de gnostici geloofden in een demiurg, want God kon zijn handen toch niet vies maken met zoiets vuigs als materie, als bestaan? Toch zijn we er, en is de wereld er, in al zijn complexiteit. Van het prachtige mechanisme in de binnenkant van de cel (waar wetenschappers als Cees Dekker lyrisch over schrijven), tot galactische fenomenen, quasars, neutronensterren en planeten om andere sterren, zo ver dat we er nooit met een ruimteschip tot door zullen kunnen dringen. We leven in een wereld die bestaat in overvloed. En God zei erover: ‘Het is goed!’, hij zag zelfs dat het zeer goed was. Zo goed dat hij zelf in de avondkoelte in de tuin wandelde om ervan te genieten. God is zelf inderdaad geen materieel wezen in de zin zoals wij het woord gebruiken (al kan hij kennelijk wel een interactie aangaan met de materie. Hij is denk ik niet immaterieel, maar bovenmaterieel). Maar dat betekent niet dat hij de materie die hij geschapen heeft minacht. Ik sta zelf ook als levend wezen in de scheppingsorde op een positie boven dood papier. Toch behandel ik de verhalen die ik op papier heb geschreven zorgvuldig, en heb ik groot verdriet als ik een pagina kwijtraak, of een manuscript bezoedeld raakt. Het feit dat ik deze schriften heb volgeschreven, maakt ze voor mij waardevol. Zelfs als ik nu kan zien dat er schrijffouten en onvolkomenheden in staan. Net zo is de goedheid van de geschapen werkelijkheid zelf nooit veranderd, ook niet door wat wij zo makkelijk de ‘zondeval’ noemen. Toen veranderde misschien de gerichtheid van sommige processen, maar materie bleef materie, leven bleef leven, mens bleef mens, en onverminderd Gods creatie waarover hij had gezegd dat hij goed was. Daarom vindt Jacobus het ook zo erg als wij met de tong andere mensen vervloeken - ook de ‘slechte’ mensen - omdat ze naar het beeld van God geschapen zijn (Jakobus 3:9).

Materie is dus belangrijk, ook voor God. Volgens mij omdat alleen door middel van materie en energie (de geschapen werkelijkheid) schoonheid, waarheid (avontuur) en intimiteit gekend kunnen worden. Ik las hierover een mooi citaat van de elfde-eeuwse benedictijnse monnik Guido van Arezzo waarin hij de aangename werking prijst van versierde gregoriaanse muziek: ‘Het wekt geen verbazing dat een rijkdom aan tonen het gehoor vergenoegd, zoals een rijkdom aan kleuren het oog streelt, een rijkdom aan geuren een weldaad is voor de neus en een afwisseling in smaak de tong blij maakt. Zo dringt namelijk door de vensters van het lichaam de liefelijkheid van aangename dingen diep in het hart door.’
De liefelijkheid van aangename dingen is waar het om gaat. Schoonheid is een eigenschap van materie. Er is materie voor nodig die mooi is, en materie (ogen) die haar kunnen waarnemen. Schoonheid is niet iets abstracts. Een abstract begrip kan wel mooi zijn, maar zelfs dan moet het worden uitgelegd, het moet in woorden gevangen zijn, zichtbaar worden. Maar vooral moet schoonheid zich buiten ons bevinden, geen hersenschim zijn of slechts verbeelding. Net zo geldt het voor de waarheid. Die moet concreet zijn. Om ons verlangen naar betekenis te vervullen, naar avontuur, moet de waarheid zich buiten ons bevinden en onwankelbaar zijn. We moeten ons ermee kunnen meten, de waarheid moet effect op ons kunnen hebben. En ook intimiteit kan alleen bestaan tussen van elkaar gescheiden wezens, die elk zichzelf zijn. Je kunt alleen een relatie hebben met iets dan niet jouzelf is. De ander moet op zichzelf staan. Vorm hebben gekregen, zodat je de ander kunt kennen. De ander moet te onderscheiden zijn van alle anderen, uniek zijn. En je communicatie met de ander moet uniek zijn. Dat kan alleen in de vorm van materie. De katholieke filosoof Peter Kreeft zegt het zo: “Spirits are the meeters, but matter is the street corner where they meet. Angels are much better than we at intelligence, will and power, but they cannot smell flowers or weep over a chopin nocturne ... God invented the senses to reveal the unique and irreplaceable tang of the particular to consciousness.” God vindt eigenheid belangrijk, uniciteit, voorwerpen en wezens die eigen zijn, die zichzelf zijn. Daarom is er geen cel hetzelfde, daarom is er geen sterrenstelsel identiek, en daarom zijn er geen ‘dubbelgangers‘ aan te wijzen onder de mensen. God is als een kunstenaar die oneindig veel verschillende werken maakt, en die verscheidenheid is alleen mogelijk in het concrete en niet in het abstracte.  

Er is nog een andere overeenkomst tussen God en kunstenaars. In de verhalen die ik heb geschreven, is iets van mijzelf zichtbaar geworden. Ik heb mijn hart erin gelegd en wie de manuscripten uit de kast pakt en ze leest, leert mij beter kennen. Je zou kunnen zeggen dat mijn creativiteit en iets van mijn karakter en overtuigingen in die verhalen voor anderen openbaar zijn geworden. Wie mijn verhalen heeft gelezen, heeft mij gezien. En in zekere zin ben ik ook zelf aanwezig in mijn verhalen, door mijn verhalen spreek ik zelf tot mensen. Ze zijn dus een sacrament geworden. Net zo, en nog veel meer, maakt Gods schepping hem zichtbaar. Als kunstenaar spreekt hij door zijn schepping. En omdat hij zijn schepping onderhoudt ‘door het woord van zijn kracht’, blijft hij voortdurend spreken. Omdat hij de aarde om de zon doet draaien en de druppel uit de wolk doet vallen, wordt hij voortdurend zichtbaar. Wie naar de materiële werkelijkheid kijkt, ziet hem, actief. Het onzichtbare wordt zichtbaar. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er sprake is van incarnatie - overal om ons heen is God de drijvende kracht achter het bestaan. Vleeswording is niet een geïsoleerde gebeurtenis die plaats vond toen Jezus de werkelijkheid binnenkwam - Jezus’ vleeswording was zelf een sacrament van wat God altijd al deed, en altijd zal blijven doen: zijn geest inademen in zijn schepping en haar leven, adem en alles geven.
Het zal direct duidelijk zijn dat dit geen wetenschappelijke uitspraken zijn, en dat het bestaan van virussen, parasieten en supernova’s geen openbaringen zijn over Gods karakter. Het vleeswordingsproces is nog niet afgelopen. Er zijn ontwikkelingen aan de gang. De complexiteit neemt toe. Organismen ontwikkelen intelligentie. Er ontstaan samenlevingen. Er ontstaan wezens die elkaar kunnen liefhebben. Wezens die moraliteit ontdekken en anderen en de schepping met respect behandelen. Er is een lijn, die uiteindelijk zal leiden tot de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. In die werkelijkheid zal de bedekking zijn weggenomen. Wij die nu nog door een spiegel zagen, in raadselen, zullen dan kennen zoals we zelf gekend zijn. God zal volledig zichtbaar zijn, en sacramenten als de tempel en het offer zullen niet meer nodig zijn. Maar tot die tijd wordt God zichtbaar in dat proces van groeiende liefde. Zelfs aan het toenemen van liefde zou je kunnen twijfelen, maar zie dan dat God zichtbaar wordt in het feit van het bestaan alleen al. In het simpele feit dat er iets is, in plaats van niets. En dat dit iets waardevol is, puur en alleen omdat het bestaat. God heeft het ten aanschijn geroepen. God heeft gezegd dat het er moest zijn en het was er. God heeft het betekenis gegeven. God heeft het lief. Want dat is liefhebben: betekenis aan iets of iemand verlenen. Alleen al in het feit dat wij bestaan en dat het heelal bestaat zien we dat God liefde is. Dat hij vreugde is. Dat hij geniet van het creeren. Daarom schrijft Peter Kreeft: ‘Joy bubbles and brims at the heart of God, the heart of reality. God is an overflowing fountain of joy, a million burning suns of joy, a joy that could uttlerly break our hearts if we touched even a drop of it at its source ... He IS the joy that DOES break our hearts with hope and longing whenever we catch a taste of it in human love or see the shadows of it in thee beauties of nature or hear the remote echoes of it in great music’ (Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask).
Wat we ontmoeten in de schoonheid, in de waarheid en in de intimiteit van de geschapen werkelijkheid, is God zelf. Je ziet God als je op het balkon van je flat staat en je ziet de zon opkomen. Als je langs de sloot loopt en je ziet een kikker wegspringen. Als je in de ogen van je geliefde kijkt. Maar ook als je een witte plastic tas ziet dansen op de wind (als in de film American Beauty, zie mijn recensie). Als je op een bergtop staat en zeker weet dat er een God moet zijn. En dat hij goed moet zijn, want waarom zou je anders zulke schoonheid, zulk avontuur, zulke liefde maken dan uit overvloedige liefde? Ja, de wereld is besmeurd door onze transactionele keuzes. We buiten de wereld uit, kappen bossen, vervuilen zeeën. En volgens de bijbel zijn er ook onpersoonlijke transactionele machten, die leiden tot ziekte, hongersnoden, parasieten. Maar ze veranderen niets aan de goedheid van de materie. We ervaren ze niet voor niets als verstorend, als binnendringers, als verbasteringen. Tolkien zei al dat het kwaad niets zelf kan scheppen, maar het alleen maar kan vervormen. Wat we daarom in de vervorming van het kwaad kunnen zien, is hoe mooi de werkelijkheid bedoeld was. Ik moet als ik hierover schrijf denken aan het gedicht ‘God’s grandeur’, van Gerard Manley Hopkins:

‘The world is charged with the grandeur of God.
  It will flame out, like shining from shook foil;
  It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?
Generations have trod, have trod, have trod;       
  And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
  And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.

And for all this, nature is never spent;
  There lives the dearest freshness deep down things
And though the last lights off the black West went
Oh, morning, at the brown brink eastward, springs—
Because the Holy Ghost over the bent
  World broods with warm breast and with ah! bright wings.’

Ik zie hierin (het broeden van de heilige Geest over de wereld) een beschrijving van de sacramentele werkelijkheid die in de materie zichtbaar wordt, zelfs te midden van transactionele mensen die die glorie niet zien of zelfs door te kopen en verkopen besmeuren. Deze glorieuze wereld is onze woning. We zijn gemaakt om te leven te midden van alle schoonheid, alle waarheid, alle intimiteit, die zich via de materie aan ons openbaart en ons Gods hart doet zien. En daardoor worden we gevormd. We bestaan immers niet op onszelf. We bestaan bij gratie van onze omgeving. We worden gedefinieerd door de interacties die we hebben met schoonheid, waarheid en identiteit. Mens zijn is deel zijn van een ecologie, van een samenleving, van relaties.
Wie deze niet waardeert, of ze bezoedelt of verkoopt is een slecht mens. Wie ze beschermt, najaagt, deelt met anderen is een goed mens. Maar deze interacties vormen ons ook. Nog sterker gezegd: ze scheppen ons. We hebben van onszelf niet door hoe weinig invloed we zelf hebben op wie we zijn geworden. Ons gezin heeft grote invloed gehad, de school waarop we les kregen, de stad waarin we woonden, de cultuur waarin we leefden. Zelfs het feit dat we tussen mensen leefden was nodig om ons mensen te maken. Ik hoorde via een vriend over de zogenoemde wolfskinderen. Kinderen die als baby of peuter in de natuur zijn achtergelaten, en zijn geadopteerd door bijvoorbeeld wolven, denk aan Mowgli. Zij zijn in hun gedrag en communicatie ‘wolf’ geworden. Als ze door mensen worden opgenomen lukt het ze misschien een paar woorden te leren, maar hele zinnen kunnen ze niet meer maken, en ze blijven vaak onzindelijk. Dit geldt ook voor verwaarloosde kinderen, die in een kelder zijn opgegroeid zonder dat iemand tegen ze sprak. Ze kunnen niet spreken, ze kunnen geen deel meer worden van de menselijke wereld. Ze zien eruit als mensen, maar ze zijn geen mensen geworden. Om de potentie die in ons ligt te verwezenlijken, moeten we dus in relatie staan met de wereld om ons heen, met andere mensen, andere zielen. Ons zelf wordt door die dingen in ons opgewekt. Want wij zijn ons verlangen, ons verlangen is wat ons voortdrijft, en dat moet ergens vandaan komen. Peter Kreeft zegt het zo: ‘Only in relationship to others do we BECOME human selves, that is: lovers.’ (Everything you ever wanted to know about heaven, but were afraid to ask). We zijn naar het beeld van God geschapen. God is liefde. Wij zijn dus ook geschapen om lief te hebben. Dat is wie we zijn. En daarom wordt dat zelf opgewekt door datgene wat het waard is liefgehad te worden, door het mooie, het ware, het liefdevolle. Door dat waarin God zichtbaar wordt.

In de Lord of the Rings-filmmarathon kwam een scene voorbij die me hieraan deed denken, namelijk in de eerste film, als het reisgezelschap het elfenland Lothlorien verlaat om verder te reizen naar de Doemberg. Iedereen krijgt dan van mooie elfenkoningin Galadriel een geschenk. De een krijgt een boog, de ander een mes, de ander elfentouw. Dan komt Galadriel aan bij de dwerg Gimli. Tussen dwergen en elfen heeft altijd wantrouwen bestaan, en Gimli voelde zich beledigd toen hij door de dwergen gevangen werd genomen. Maar toen zag hij Galadriel. Hij is een andere dwerg geworden. Daarom vraagt hij van haar om een van de haren van haar gouden hoofd. Zodat hij altijd iets zou hebben dat hem herinnert aan de schoonheid van de elfenkoningin. “Ik noem niets anders meer mooi”, zegt hij. En hij verzucht: “Ze gaf me er zelfs drie.” Gimli is een elfenvriend geworden en trekt uiteindelijk zelfs met Legolas over de zee naar het westen.
Tolkien was katholiek, en in Galadriel heeft hij iets van het Katholieke denken over Maria opgenomen. En ik realiseerde me dat hier een kern van waarheid in zit. Namelijk dat wat Katholieken in mijn beleving eigenlijk zeggen met hun leer over Maria, is dat wij daadwerkelijk mogen verlangen naar het goede en schone uit de schepping (Maria is immers geschapen. Galadriel ook). Dat de schoonheid die wij zien in een vrouw of man, in een schilderij, in de natuur, en die ons hart beroert, ons niet van God afleidt, maar ons juist naar hem toevoert. Dat de liefde die ze in ons oproept, ten diepste liefde is voor God. Want hij is het die in die dingen zichtbaar wordt.

dinsdag 7 januari 2014

Het sacrament en jij (2): Het waardeloze lichaam

Met kerst hielden mijn vrouw en ik een filmmarathon. We keken de tweede en derde Pirates of the Caribbean-film achter elkaar (de eerste hadden we al eerder gezien). Het zijn leuke films, vol verbeelding, innovatieve actiescènes, partijen met ingewikkelde plannen, en daarnaast ook nog humor. Soms wat ‘over de top’, maar steeds interessant. In de derde film krijgt deze serie opeens een wat diepere laag. De op handel beluste Lord Cutler Beckett heeft de Vliegende Hollander onder zijn controle gekregen en gebruikt dit schip om te jagen op piraten. Kapitein Davy Jones werd zelfs door Cutler Beckett gedwongen de dodelijke kraak te doden. Cutler Beckett heeft controle over het hart van Davy Jones en zet deze mythologische figuur nu in voor het verdienen van geld. Op een tropisch eiland vinden kapiteins Jack Sparrow en Hector Barbosa het karkas van de kraak. “De wereld is een kleinere plek geworden”, zegt Barbosa. “De wereld is niet kleiner”, zegt Jack. “Hij bevat alleen minder.” En ergens anders zegt iemand: “The immaterial has become ... immaterial.” Het niet-materiele doet er niet langer toe. Mysterie en lotsbestemming hebben geen invloed meer. Geld en macht maken de dienst uit. “It’s good business”, geeft Cutler Beckett als verklaring.

Dit is een van de onderwerpen waar ik de laatste weken over nadenk. Want het valt me op dat veel geloven en ideologieën de mens en zijn menselijkheid reduceren tot iets dat niet menselijk is, door ze te scheiden van hun immateriële aspect. Jaren geleden viel het me al op dat er zo’n grote overeenkomst lijkt te bestaan in hoe vrouwen worden behandeld in fundamentalistische godsdiensten, of het nu het Jodendom, het Christendom of de Islam is. In alle drie moeten zij zich zedig kleden, zonder versiering, liefst in het zwart, hun haar bedekken en geen seksuele signalen afgeven. Ze mogen bovendien vaak niet in dezelfde ruimten zijn als mannen (in elk geval niet in religieuze ruimten), en hebben niet dezelfde privileges. Het is een vrouwonvriendelijke omgeving. Wat je volgens mij ziet in alle drie deze godsdiensten is een scheiding tussen het materiële en het immateriële, tussen lichaam en geest. En in deze omgeving is het alleen het immateriële, de geest, die van belang is in de godsdienst.
Ik legde in mijn vorige bericht al uit hoe dat gold in de kerk waar ik opgroeide. Niet toevallig werden ook in die kerk vrouwen onderdrukt - ze mochten niet deelnemen aan de eredienst en moesten voldoen aan kledingvoorschriften. Het idee lijkt te zijn dat uitingen van het lichaam, bijvoorbeeld op seksueel gebied, zondig zijn of ons op zijn minst van God afleiden. Mijn bewustzijn moet volledig op God gericht zijn. Omdat vrouwen bij mannen begeerte opwekken, zijn zij er dus schuldig aan dat mannen zouden zondigen. Dat moet worden voorkomen. Verleidingen moeten worden ingeperkt. De zuiverheid van mannen mag immers niet in gevaar komen.
Deze manier van denken denigreert vrouwen, door hen te reduceren tot lichamen, en bovendien iets van wat voor hen integraal is, hun schoonheid en vrouwelijke seksualiteit, eigenschappen van hun lichaam, inherent slecht te noemen. Maar ze denigreert ook mannen, die immers volgens deze theologie willoze slaven zijn van hun seksuele opwinding, en niet de kracht en discipline hebben om respectvol om te blijven gaan met zichzelf en met vrouwen, als er ook maar een beetje schoonheid aan hun zintuigen wordt aangeboden. Ook dat wat inherent bij mannen hoort, als het gaat om hun lichamelijke reactie, kan dus niet worden vertrouwd, en wordt veroordeeld. Geen positief vrouwbeeld en geen positief man-beeld, als gevolg van verkeerd denken over lichaam en geest. Dat wij man of vrouw zijn is trouwens toch al niet belangrijk -waarschijnlijk omdat het zo duidelijk aan de buitenkant te zien is- ik heb mensen horen zeggen dat we in de hemel onzijdig zouden zijn, omdat onze zielen kennelijk onzijdig zijn.
Interessant genoeg stonden de drie monotheistische wereldgodsdiensten onder de invloed van het Griekse denken. Het moderne Jodendom heeft zijn wortels in een Hellenistische omgeving (Israël was deel van het rijk van Alexander de Grote en zijn opvolgers). Het christendom ontstond in het Romeinse rijk en invloedrijke theologen lasen Griekse denkers (en dan was er nog de invloed van de gnostiek). De Islam ontstond in het Midden-Oosten, waar het Griekse denken ook was doorgedrongen. Islamitische geleerden ontdekten al snel Griekse filosofische manuscripten en kopieerden die, zodat ze bewaard bleven. En ook in de Griekse cultuur zie je niet alleen een scheiding tussen immateriële idealen en de falende, rommelige materiële wereld, tussen geest en lichaam, maar ook tussen man en vrouw, waarbij de vrouw minderwaardig was. Zo minderwaardig dat mannen liever seks hadden onderling, dan met vrouwen om te gaan. Die waren goed om kinderen te krijgen, maar verder niet. (Dit is volgens mij waar Paulus in Romeinen 1 op doelt. Heteroseksuele mannen die vrouwen afstotelijk vinden omdat ze zulke lichamelijke, lustopwekkende wezens zijn. Dit gedeelte gaat mijns inziens niet om wat wij onder homoseksualiteit verstaan). Verder is het interessant dat de noodzaak van het bedekken van het haar van de vrouw uit de Griekse traditie komt - het vrouwelijke haar werd gezien als geslachtsorgaan.

Tegenover de fundamentalistische godsdiensten staat de seculiere samenleving. Die lijkt op het eerste gezicht vrouwvriendelijker, maar is dat volgens mij niet. De losbandigheid is niet zo groot is als christelijke criticasters soms roepen, de meeste mensen leven immers gewoon hun normale leven, maar ze is er wel degelijk. Er is een vorm van vrijheid, waarin wordt gesteld dat alles moet mogen, en dat heeft heel goede kanten. Maar die vrijheid heeft een zuur randje. Seksualiteit blijkt opeens wel heel belangrijk te zijn. Blader door krantjes en tijdschriften. Waar het om gaat in het leven is je seksuele aantrekkelijkheid en presteren. Seks wordt gebruikt om dingen mee te verkopen. Internetporno is makkelijk toegankelijk. Vrouwen modificeren hun lichaam steeds ingrijpender om maar seksueel aantrekkelijk te blijven (zo hoorde ik van de trend om schaamhaar in patroontjes te scheren - het is een bizarre wereld waar we in leven). Mensen spreken van de ‘porno-ificatie van de samenleving’. Hoe je hier ook over denkt, volgens mij komt deze ontwikkeling ook voort uit een scheiding tussen de immateriële en de materiële wereld. Tussen geest en lichaam. Maar een scheiding waarbij de immateriële wereld en de geest afwezig zijn, en dus minder belangrijk zijn (in plaats van het lichaam). Volgens de fundamentalisten is het lichaam niet belangrijk en zelfs slecht, volgens de materialistische cultuur zijn immateriële waarden niet belangrijk. In dit geval is het alleen het lichaam dat telt en lichamelijke reacties. De verlangens van het lichaam moeten worden bevredigd, want er is geen hoger doel van het leven. ‘Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij’, aldus Paulus in 1 Korintiers 15. Of in de woorden van een artiest: ‘You and me, baby, we are nothing but mammals, so let’s do it like they do on the discovery channel.’
Deze houding blijkt ook denigrerend voor vrouwen (de seksindustrie is niet voor niets gekoppeld met mensenhandel), die puur worden afgerekend op uiterlijke, seksuele kenmerken, en zichzelf daarmee moeten zien te verkopen. De vrouwelijke seksualiteit wordt iets vulgairs. Maar in feite is deze cultuur ook denigrerend voor mannen. Die immers de slaaf zijn van hun lusten, en zo maar een vrouw die zich bloot kleed zouden kunnen misbruiken en die tegen zichzelf beschermd zouden moeten worden. Interessant in dit geval was een discussie in het SF-tijdschrift SFX, waarbij een columnist waarschuwde voor een ‘nieuwe preutsheid’. We zijn een volwassen tijdschrift, zei hij, en daarin mogen foto’s staan van knappe actrices. Soms zelfs met weinig verhullende kleding aan. Dat vrouwen seksueel zijn is iets goeds, betoogde hij, en hoeft niet te worden onderdrukt. Hij kreeg in het volgende nummer direct de wind van voren van een andere columnist. Kennelijk met het idee dat als een man een knappe vrouw ziet, met mooie kleren, hij haar direct niet meer ziet als menselijk wezen, maar alleen maar als lustobject. Vrouwen (ook actrices op foto’s) moeten tegen deze ‘male gaze’ worden beschermd. Toen ik laatst in Londen was vielen me trends op in de mode. Vrouwenkleding die me aan de 19e eeuw deden denken: hoog gesloten kragen, bedekte armen, een bepaalde zedigheid. Is er een trend van seculiere preutsheid aan de gang? Denken vrouwen nu zelf dat ze zich moeten bedekken omdat mannen nu eenmaal niet anders kunnen dan hen zien als lustobject? Ik geef toe dat een paar columns in een SF-tijdschrift niet veel datapunten vertegenwoordigen, dus ik geef deze theorie vooral als suggestie. Aan de andere kant las ik op de blog Experimental Theology dat feministen ertegen gekant zijn dat vrouwen hakken dragen of zich ‘sexy’ kleden, omdat zij de ‘male gaze’ gelijk schakelen aan onderdrukking. Er is een nogal negatieve visie van mannelijke seksualiteit, gekoppeld aan het onderdrukken van vrouwelijke uitingen van seksualiteit, die niet veel verschilt van die in fundamentalistische religieuze kringen.
Er zijn ook veel ‘iets-isten’ in onze samenleving trouwens, mensen met een vage ‘New Age’-religie, die geloven in reïncarnatie (maar niet op de fatalistische, hindoeïstische manier), of in horoscopen, chakra’s et cetera. Dit zijn vaak mensen die tegelijk een vrije visie hebben op seksualiteit (niet altijd, maar wel vaak. Zie bijvoorbeeld de ouders van Dharma in TV-serie Dharma and Greg). Ik zie hierin de keerzijde van de gnostiek (er waren ook gnostici die heel losbandig leefden, omdat ze geloofden dat het niet uitmaakte wat je met het lichaam deed. Of die seks zagen als de weg naar God, net als vruchtbaarheidsreligies en mysteriegodsdiensten dat deden). Er is hier een invloed uit het platonische denken zichtbaar. Maar die is er ook in het materialistische wereldbeeld, want ligt de basis van onze filosofie niet nog steeds bij de Grieken? Van een scheiding van lichaam en geest is het maar een kleine stap naar de ontkenning van de geest.

Het is, als je deze voorbeelden serieus neemt, een terugkerende tendens in religieuze en zelfs niet religieuze omgevingen om lichaam en geest, materie en immateriële waarden van elkaar te scheiden, en materie te reduceren tot ‘alleen maar’ materie (ongeacht of er een geestelijke wereld is of niet). En dat heeft desastreuze consequenties. Lang kon ik niet voorstellen waar deze menselijke neiging om scheiding aan te brengen vandaan kon komen. Tot ik besefte dat er een verbinding bestond tussen dit fenomeen en het onderscheid tussen de ‘sacramentele’ en ‘transactionele’ blik op de werkelijkheid. Mede onder invloed van het hierboven geciteerde moment uit Pirates of the Carribbean - At World’s End (en een goed gesprek met mijn vrouw) ging ik inzien dat een transactionele visie op de werkelijkheid leidt tot een reduceren van de mens tot ‘alleen maar lichaam’, tot iets dat zonder gewetenproblemen gekocht en verkocht kan worden. Het is een manier om onder de cognitieve dissonantie uit te komen, die zegt dat een persoon intrinsiek waardevol is en geen handelswaar. Zolang je lichaam en geest als een niet te scheiden geheel ziet, wordt een mens te waardevol om in een transactie te gebruiken. Alleen omdat Lord Cutler Beckett geld het meest belangrijk vindt, kan hij zichzelf zover brengen om mannen, vrouwen en kinderen ter dood te brengen (terwijl hij zelf een kop thee drinkt) - Piraten zijn volgens hem geen mensen.
Onze seculiere cultuur is door en door transactioneel. Niet alleen onze economie (we kopen en verkopen met geld. We verzamelen bezit, waar ons zelfbeeld ook nog eens aan gekoppeld is. En om dat te kunnen leveren we op onze werkplek prestaties, waarvoor we worden beoordeeld in functiewaarderingscycli (als we niet goed presteren worden we gestraft)), maar ook onze relaties (lees alle krantjes en tijdschriften maar eens over wat je moet doen om je relatie gezond en levend te houden, zowel voor mannen en vrouwen: tien tips om ..., zo houd je je vriendje ... et cetera). Relaties gaan in onze maatschappij ook om hoe de ander in mijn behoeftes voorziet, en of ik wel aan mijn vervulling kom om seksueel en persoonlijk gebied.
Maar ook als we religieus zijn, zijn we vaak transactioneel. Ik heb eerder al genoeg geschreven hoe het in ons geloof erom gaat dat we straf ontlopen en beloning verdienen, door bepaalde daden niet te doen, en andere dingen wel te presteren. We vergelijken onszelf met elkaar, vinden het belangrijk dat we ons geestelijk voelen, en kijken neer op mensen die iets anders geloven dan wij. We zijn transactioneel. Dit vertaalt zich naar onze organisaties (waarbij iemands positie in de organisatie ook vaak ‘verdiend’ is), en onze relaties (waarbij de eenheid van man en vrouw vooral wordt gezien als basis voor een taak in het koninkrijk van God, en daarop wordt beoordeeld). Van vriendschappen wordt gevraagd of ze je de kans geven de ander te bekeren (vriendschapsevangelisatie) of je op een andere manier ‘dichter bij God’ brengen.
Onze transactionele insteek (religieus of seculier) maakt het nodig de wereld en mensen niet te zien als inherent waardevol, maar alleen de waarde te zien die wereld en mensen voor onszelf hebben, voor onze transacties. Neem hoe we omgaan met ons eigen lichaam, in ascese en zelfkwelling (bijvoorbeeld door het niet erkennen van seksuele verlangens), in de hoop daardoor betere christenen te worden en straf te ontlopen. Dit kan alleen als we ons lichaam en de verlangens van ons lichaam als inherent minderwaardig zien, als het lichaam geen deel uitmaakt van de geest die voor God waardevol is. Net zo in het omgaan met anderen. Niet voor niets moesten mensen met een donkere huidskleur als minderwaardige mensen worden gezien, zonder inherente waarde, voordat westerse mensen ze als vee konden verkopen. En Joden en andere bevolkingsgroepen moesten worden beschouwd als ‘untermenschen’, voor ze systematisch konden worden uitgeroeid. Net zo moet je de schepping niet zien als inherent waardevol, maar alleen waardevol als ‘hulpbron’ voor ons, om haar te kunnen uitbuiten, om bossen te kunnen kappen en diersoorten uit te roeien, om het klimaat te verpesten, voor je eigen gewin. Als materie maar materie is, geeft het toch niet wat we ermee doen? Dan hoeven we er geen respect of ontzag voor te hebben. Dat maakt het makkelijk.

Het zal duidelijk zijn dat het vooral de machthebbers zijn die de positie hebben om anderen hun waarde te ontnemen, door andere mensen en de schepping te zien als ‘maar materie’. Machthebbers en degenen die geen macht hebben, maar ernaar verlangen. Zij vinden dat ze recht hebben op hun positie, dat ze die verdiend hebben (transactioneel). Ze voelen zich ‘entitled’ -om een goed Engels woord te gebruiken. Anderen die zwakker zijn dan zij dienen alleen maar om hun positie mogelijk te maken. Dit geldt tussen mensen met een lichte en mensen met een donkere huidskleur (de westerse samenlevingen waren in technisch en militair oogpunt machtiger en vonden daarom dat ze het recht hadden andere beschavingen te onderwerpen, indianen en Afrikanen), voor de overheersende religies in bepaalde streken (in islamitische gebieden worden christelijke minderheden systematisch vernederd, gemarteld en verjaagd), voor de rijke 1 procent in de VS, die het de schuld vindt van de armen dat ze arm zijn, en voor zichzelf belastingverlagingen bewerkstelligen terwijl anderen het zonder zorg moeten stellen. Het geldt voor leidinggevenden boven werknemer. En voor mannen naar vrouwen toe. Het privilege van de macht. En dat geldt voor beide vormen van disrespect, religieus en seculier. Lees wat iemand als reactie op een blog van Richard Beck hierover schrijft: “What IS a problem is the sense of entitlement to the feelings that "I find you sexually attractive, and that means you have to do something about that." In conservative evangelical purity culture, this takes the form of "I am sexually attracted to you, therefore you must immediately put on a turtleneck or take other action to somehow take responsibility for my feelings of arousal." In the world at large it takes the form of "I think you are hot, therefore I will yell obscene things at you from my car window/make inappropriate sexual remarks in a staff meeting/become hostile if you don't respond when I hit on you/decide that your worth as a human being is contingent on whether or not I personally want to have sex with you/respond to your argument by saying that you're fat and ugly (an internet favorite)/the 90% of men in online dating who didn't bother to read my profile because why would my values, politics or interests have any bearing on the situation.", etc. etc.”  Het probleem is niet dat mannen vrouwen visueel aantrekkelijk vinden. Het probleem is dat dit aan macht wordt verbonden en dat vrouwen zich aan deze macht moeten onderwerpen.
En aan de andere kant biedt de scheiding tussen lichaam en geest, tussen materiële en immateriële dingen de machthebbers een rechtvaardiging van hun eigen positie. Mannen hebben nu eenmaal bepaalde verlangens, daar kunnen ze niets aan doen. Hun eigen lichaam verraadt ze en ze zijn niet sterk genoeg zich daar tegen te verzetten. Dus moeten vrouwen hen tegen zichzelf beschermen. En lees hoe het kapitalistische systeem wordt verdedigd, ook door christenen (vooral in de VS). De 1 % verdedigt hardnekkig de eigen positie. Het werkt dus twee kanten op. De scheiding tussen lichaam en geest pleit ons vrij van onze positie als overheerser, en verklaart waarom de ander zich moet laten overheersen. En zo blijft de status quo in stand. Ook de religieuze status quo.

Maar het transactionele wereldbeeld heeft niet het laatste woord. In de Pirates of the Caribbean-film vindt een wonderlijke opstanding uit de dood plaats. De greep van Cutler Beckett op de Vliegende Hollander wordt verbroken en het schip duikt met een nieuwe kapitein op uit de golven. Een kapitein die zich in dienst heeft gesteld van het mysterie, van het onverklaarbare. En plots zijn de kansen gekeerd. De soldaten en de handelaars, die dachten de zeven wereldzeeën te beheersen, delven het onderspit. En Cutler Beckett kan het niet geloven. Waar hij eerst tegen Jack Sparrow betoogde dat die geen plek meer had in de nieuwe, platte, legere wereld, blijkt het nu zijn eigen wereld, die alleen bestond uit geld, die de werkelijkheid niet kan verdragen en in splinters uiteenvalt. Ik zie hierin een teken van het zichtbaar worden van de Waarheid die onder onze waarheid verborgen ligt, namelijk dat God het is die de materie en ons betekenis geeft. De waarheid dat er niet zoiets is als ‘maar een lichaam’, maar dat iedereen en alles door Gods liefde leven krijgt ingeblazen. Dat schoonheid, waarheid, en inderdaad ... intimiteit (lichamelijk en geestelijk)... werkelijk betekenisvol zijn en verwijzen naar de God die zich er achter bevindt. En dat daarom ieder mens, hoe klein, hoe zwak en hoe onbetekenend ook, onze liefde en ons respect waard is. Deze waarheid kan ons leven grondig op zijn kop gaan zetten. In het volgende bericht schrijf ik hoe dat gebeurt.

vrijdag 3 januari 2014

Het sacrament en jij (1): Weg met de materie!

Ik weet nog helder het moment waarop ik definitief besloot afscheid te nemen van de evangelische kerk. Het was in de bibliotheek van Almere, op een zaterdag januari of februari vorig jaar, en ik dronk er met mijn verloofde een koffie in het café (overigens briljante innovatie om een café in een bibliotheek te hebben!). Terwijl zij even weg was, keek ik via mijn telefoon op Twitter. En daar zag ik een link naar een folder over de ‘Vrij Zijn’-mannenconferentie. Ik had misschien beter moeten weten, maar ik klikte op de doorverwijzing. En las de beschrijving. Toen ik tegen het eind aankwam, was het alsof ik een klap in mijn maag had gekregen. Want wat zouden de sprekers op deze conferentie de bezoekende man leren? Dat hij voor hun vrouw ‘niet alleen zijn verlangens moest opofferen, maar ook zijn dromen’. Ik werd er misselijk van. En vooral vanwege de ironische naam van de organisatie: ‘Vrij Zijn’. Het laatste wat iemand is die zijn verlangens en dromen kwijt is, is vrij. Zo iemand heeft niks meer wat hem motiveert, wat hem van het leven doet genieten, wat hem passie geeft. Zo iemand is willoos bouwmateriaal voor anderen, klaar om gekneed te worden tot trouwe dienaar van zijn vrouw, zijn werkgever of zijn kerk. Zo iemand is gevangen, zonder kans op ontsnapping (want daar moet je naar verlangen). Wat mij vooral een naar gevoel gaf, was het besef dat wanneer de beschrijving van deze dag zou worden voorgelezen in de kerk die ik bezocht, veel mensen instemmend zouden knikken. Want wat veel christenen geloven, is dat God van ons vraagt om niet alleen onze verlangens voor hem op te offeren, maar ook onze dromen.
Overdrijf ik? Tijdens een dienst in de kerk (volgens mij een kinder- of jongerendienst) werd een keer een verhaal verteld over vijf weeskinderen, die te horen kregen dat ze door de koning geadopteerd waren. Ze wilden hem een geschenk geven. De een ging zingen, de ander beeldhouwen, de ander schrijven en de vierde studeren. De koning kwam incognito naar de stad, maar de vier waren zo bezig met zingen, beeldhouwen, schrijven en studeren dat ze geen tijd voor hem hadden. Alleen de vijfde, een meisje zonder talent, dat bij de stadspoort zat en de rijdieren van vreemdelingen verzorgde, ontving hem. Zij mocht met hem mee naar het paleis, de andere vier bleven achter. De verteller bedoelde het waarschijnlijk wel goed, met de beoogde boodschap dat we niet zo in dingen moeten opgaan dat we geen oog meer hebben voor de mensen in wie God ons ontmoet. Maar wat ik uit het verhaal meekreeg, was dat het verkeerd is om enthousiast te zijn over zingen, beeldhouwen, schrijven en studeren (in elk geval zo enthousiast dat je er in opgaat). Daarin kun je God kennelijk niet ontmoeten. In plaats daarvan moet je hulpvaardig zijn en bereid zijn met wildvreemde mensen te praten en hun dieren te verzorgen. Dan word je door de koning als kind meegenomen. Wie je zelf bent en wat je zelf wilt, is minderwaardig.

Ik weet dat ik zo heftig reageer op deze boodschappen omdat ik er allergisch voor ben (maar dat iemand allergisch is voor huisstofmijt, wil niet zeggen dat er geen huisstofmijt bestaat). En die allergie komt voort uit mijn opvoeding in een geloofsgemeenschap waar dit soort ideeën gemeengoed waren.
De kerk waarin ik opgroeide zou omschreven kunnen worden als een soort ‘evangelische zwartekousenkerk’. Wat ik daar leerde, maar later ook bij sommige andere christenen tegenkwam, was dat ik wantrouwen moest koesteren tegen wat voortkwam uit mijn eigen menselijke natuur. Dat werd namelijk beschreven als het ‘vlees’, de ‘oude natuur’. Daartegen moest ik strijden. We lazen instemmend boeken van de Chinese auteur Watchman Nee, die in “Het normale christelijke leven” bijvoorbeeld betoogt dat ons zelf verbroken moet worden. Dat houdt volgens hem in, dat we niet moeten letten op de uitingen van ons lichaam of van onze ziel. Als we ons medelijdend voelen, of blij, of verdrietig, is dat niet van de Geest. Ons verstand moeten we niet gebruiken om de dingen van de Geest te begrijpen. Waar het op aan komt, is dat we in onze geest één worden met de Heilige Geest. Dan is er niets meer van ons, maar werkt alleen de Geest in ons. Het voorbeeld werd gebruikt van een glazen pot met grond erin. Dat was wie ik was voor mijn bekering. Vervolgens werd er water in de pot gegoten. Er ontstond modder. Dat was wat gebeurde met de heilige geest, als mijn ‘oude natuur’ niet was verdwenen. Mijn oude natuur moest weg zijn, voor het water van de geest helder zou zijn. Ik was een buis waar de Heilige Geest door moest stromen. Het enige waar ik goed voor was, was dat water nog te vervuilen ook. Ik kon maar beter helemaal verdwijnen.
Dus onderdrukten we wat ons lichaam voortbracht. Natuurlijk gold dat voor seksualiteit. Maar ook andere verlangens, zoals dat naar creativiteit, of naar schoonheid. Menselijke activiteiten als wetenschap of politiek werden gewantrouwd. Ik moest niet zelf mijn keuzes maken, maar bij elke beslissing vragen wat Gods wil was voor mijn leven. Werk en relaties waren onbelangrijk: je zou ze in de eeuwigheid niet eens herinneren. In de hemel zouden immers geen man en vrouw meer zijn. Dus waar het in het leven met God eigenlijk alleen om ging waren geestelijke activiteiten: bidden, Bijbellezen, evangeliseren, naar de kerk gaan. Dat je die dingen misschien zelf niet wilde, telde niet - je moest ze doen omdat alleen deze dingen voor God waarde hadden. Tijdens verjaardagen en andere gelegenheden moesten we daarom vooral proberen het gesprek op geestelijke onderwerpen te brengen. Gewoon gezellig samen zijn had namelijk geen betekenis. Ik stopte zelfs met het schrijven van verhalen en het lezen van andere boeken dan bijbelstudieboeken. Een vriend van me vroeg in een brief serieus: ‘Denk jij dat een hele dag niet-christelijke romans lezen, omdat je dat leuk vindt, verkeerd is? En zo nee, waarom niet? Is het te passen in teksten als: we moeten onze tijd uitkopen (Efeze 6)?' Ik nam de boodschap van onze kerk wel heel streng over, zal ik eerlijk toegeven. Niet iedereen ging natuurlijk zo ver. Er waren broeders met een aquarium, en anderen die van verhalen hielden. Toen ik in het bijbelstudietijdschrift van onze geloofsgemeenschap over deze dingen schreef, reageerde iemand daarom dat het toch vanzelf sprak dat we voor de ontspanning wel eens een verhaal mochten lezen. Maar die ingezonden brief bevestigde juist mijn punt: verhalen, muziek et cetera waren op zijn best iets voor ‘erbij’, niet iets dat werkelijke, intrinsieke waarde had voor God. Niet iets waar God ook blij mee kon zijn.
Ook buiten mijn eigen geloofsgemeenschap kwam ik deze houding trouwens tegen. Zo hoor je nog vaak betogen dat mensen bestaan uit drie onderdelen: een lichaam, een ziel en een soort bovennatuurlijke ‘geest’, waarmee we met God in contact staan. Alleen die is natuurlijk echt belangrijk. En ik las ooit een goed voorbeeld in de cursus “Aanstekelijk christen zijn”. In het erbij horende boek klagen sommige mensen, onder wie zakenmensen, dat ze hun leven zo zinloos vinden. De auteur vertelt hen dan dat ze moeten gaan evangeliseren, want anderen tot Christus leiden is het enige dat het leven zin kan geven. Kunst maken, mooie producten maken, relaties en werk hebben kennelijk geen enkele betekenis.

Het was niet alleen de menselijke natuur, het menselijke lichaam, dat in onze kerk werd afgewezen. Ook de rest van de schepping werd in onze geloofsgemeenschap niet gezien als waardevol. We spraken wel de bijbel na die spreekt over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, maar op basis van de zogenoemde ‘bedelingenleer’ beargumenteerden wij dat de aarde bestemd was voor het Joodse volk, maar dat wij bestemd waren voor de hemel. We geloofden wel in de opstanding, maar de consequenties daarvan werden niet doorgedacht: we konden net zo goed lichaamsloze zielen zijn in een niet materiële hemel. En omdat we bestemd waren voor dit niet materiële bestaan, in een soort grote troonzaal, had de Aarde nu voor ons ook geen waarde. We waren maar op doorreis, vreemdelingen en bijwoners, en moesten ervoor oppassen dat we ons niet te veel zouden gaan hechten aan de wereld om ons heen. Waarschuwde Johannes niet: ‘Hebt de wereld niet lief en dat wat in de wereld is?’ (1 Johannes 2:15).
Dus zongen wij liederen met teksten als: ‘Het is ons’ in deez Aards' woestijn soms min’. De wereld om ons heen was een woestijn. Niets meer. We kwamen samen in zalen zonder versiering (kunst was maar afleiding) en gebruikten geen muziekinstrumenten bij de samenzang (die deden maar af aan de zuiveren aanbidding: ze zouden namelijk emotie opwekken. Dat onze vierstemmige samenzang muzikaal ook mooi was, werd even vergeten. Gevalletje cognitieve dissonantie). We deden niet mee met politieke ontwikkelingen. We scheidden ons zelfs af van geloofsgemeenschappen of organisaties die volgens ons te zondig of te werelds waren. Mijn grootvader hielp mee bij de oprichting van de Evangelische Omroep en kreeg daarop veel kritiek van mensen uit de gemeenschap. Als christenen zich inzetten voor milieubescherming of armoedebestrijding predikten ze volgens ons een ‘sociaal evangelie’ en dat was geen compliment. Natuurlijk gingen we op vakantie, en hadden mensen een auto of een TV, maar opnieuw: die dingen konden natuurlijk niet belangrijk zijn. Het waren geen dingen waar we naar mochten verlangen. Ascese was het ideaal. Ergens las ik een dialoog tussen twee ‘Broeders’ uit de vorige eeuw die dit wereldbeeld illustreerde. Een ‘Broeder’ was bij een ander op bezoek, die hem wees op het prachtige uitzicht op de bergen. “Ach,” reageerde hij, “het aardse heeft allemaal geen enkele waarde.” Toen zijn metgezel hem even later droog brood voorzette, protesteerde hij. “Oh,” zei de tweede broeder, “ik dacht dat je zei dat het aardse geen enkele waarde had.”
Ook hier was het niet alleen onze kerk die de materiële wereld minder belangrijk vond dan de geestelijke wereld, of zelfs ronduit slecht. Er is veel dat christenen in sommige kerken niet mogen: TV-kijken, dansen of van cultuur genieten en het lied ‘This world is not my home, I’m just a passin through’ wordt op meer plaatsen gezongen. In veel evangelische kerken wordt hier oppervlakkig bezien echter niet een probleem van gemaakt. Maar daar wordt op een andere manier soms weer een grote nadruk gelegd op bovennatuurlijke gaven van de geest, boven de ratio en de materie. Theologie wordt soms als onzin afgedaan. Er komt goudstof uit bijbels, dalen engelenveren neer uit de hemel, en mensen maken dierengeluiden. Ik zie hierin een overwaardering van de geestelijke wereld boven de materiële wereld. Dit is trouwens allemaal geen nieuwe ontwikkeling. Lees maar eens wat de oude kerkvader Augustinus zegt over muziek: “Ik hecht mij niet meer aan die klanken en ik kan mij ervan losmaken wanneer ik wil. En toch: wanneer ze samen met de woorden waardoor ze tot leven komen toegang tot mij zoeken, vragen ze om een plaats van enige betekenis in mijn hart, en dan weet ik die nauwelijks te geven ... Maar het genot van de zintuigen, waardoor de geest zich niet moet laten uitputten, misleidt mij dikwijls. Dan wacht het zintuig niet op de rede om die geduldig te volgen, maar probeert het voorop te gaan en te leiden, alsof het niet alleen om wille van de rede toegang tot mij heeft gekregen. Dan zondig ik zonder het te beseffen, maar later komt het besef wel. ... als het mij overkomt dat ik meer wordt geroerd door de zang zelf dan door datgene waarover gezongen wordt, dan beken ik dat ik een fout bega die straf verdient, en dan heb ik liever dat er niet wordt gezongen.” (Mijn vrouw wees mij op dit citaat in het boek dat zij aan het lezen was: ‘Over Muziek’ van Henri Oosthout.)

Het behoeft volgens mij geen betoog dat je niet gelukkig wordt door te geloven dat je eigen menselijkheid en de materiële wereld waar je in leeft geen waarde hebben. Ik zag het in elk geval als een belangrijke reden voor mijn overspannenheid en worstel op momenten nog steeds met deze gedachten. Ik denk ook dat het verklaart waarom ik als ik praat met mensen uit de kerk waar ik opgroeide, zo vaak hoor over depressieklachten. Ik geloof echter dat deze gedachte niet oorspronkelijk uit het jodendom of christendom afkomstig is, maar uit andere culturen. Ze hebben juist de kans door te dringen in de kerk als mensen zich voor hun gevoel afscheiden van de wereld en hun eigen denken niet meer kritisch toetsen. Vervolgens worden ze van generatie op generatie doorgegeven, zodat we ons uiteindelijk niet meer realiseren dat ze eigenlijk vreemd zijn aan de boodschap van de bijbel.
Zo vindt je de gedachte dat het lichaam van de mens slecht is, terug in het neoplatonisme. Volgens de neoplatonische filosofen zijn het geestelijke en het materiële elkaars tegenpolen. De ‘idealen’ bevinden zich in de geesteswereld. Onze materiële wereld is slechts een grot, waarin we schaduwen geprojecteerd zien. En de beperktheid van ons lichaam voorkomt dat we de idealen zelf kunnen waarnemen. De materie waaruit de mens is opgebouwd, is dus iets inferieurs. Het staat niet vast, zoals de geestelijke idealen, maar is veranderlijk, het groeit en vervalt. Je kunt er niet op vertrouwen. Plato vond al dat hij door extase en geestvervoering de werkelijkheid beter kon leren kennen dan door het verstand. Deze ideeën uit de Griekse filosofieën en mysteriegodsdiensten beïnvloedden vroege bewegingen in de kerk, bekend als de gnostiek. In zowel het neoplatonisme als in de gnostiek werd beweerd dat God de wereld niet zelf heeft geschapen. Hij kan, zo zeiden de filosofen, de imperfecte materie immers niet in zijn nabijheid verdragen. Daarom zou een middelaar, een zogenaamde demiurg, de Aarde geschapen hebben. En Jezus was dus ook niet God, want het idee dat God mens zou hebben kunnen worden, was niet serieus te nemen. Hij wil toch niet met zoiets laags in relatie staan? Jezus was een leraar, die ons mystieke kennis deed toekomen die ons in staat zou stellen de goddelijke vlam in ons, die eeuwig was (ongeschapen), te laten aanzwellen en te laten samensmelten met god. Redding bestond eruit aan de ‘kerker van het lichaam’ te ontsnappen en deel te worden van de immateriële ideeënwereld.
Sommige gnostici trokken de conclusie dat het daarom niet uitmaakte wat je met je lichaam deed, de materie was immers niet belangrijk. Zij gaven zich dus over aan hun begeerten, en pleegden overspel en deden mee aan orgiën. Andere gnostici trokken zich terug uit de ‘slechte’ wereld, de woestijn in. De Joodse sekte van de Essenen was hiervan een voorbeeld. Zij dachten dat ze juist door het lichaam uit te putten dichter bij het geestelijke konden komen.
De gnostiek werd uiteindelijk fel bestreden (onze geloofsbelijdenissen komen hieruit voort) en delfde het onderspit. Maar ondertussen lieten ook orthodoxe kerkvaders zich door Griekse filosofen beïnvloeden, soms om beter weerwoord te geven aan gnostici, of om de omringende cultuur aan te spreken. Zo had Augustinus kennis genomen van het neoplatonisme van Plotinus, en werd Plato zelf ook wel een 'Christen voor Christus’ genoemd. Veel christenen geloven ook dat de ziel eeuwig bestaat en bij de conceptie uit de hemel in de mens afdaalt, en dat bij de dood de ziel naar God gaat en het lichaam niet. En de kerk nam ook de praktijken van ascese gretig over: de heiligen gingen soms zo ver dat ze zich letterlijk in dichtgemetselde kamers terugtrokken of zich op hoge palen verschansten.
Er zijn trouwens nog andere invloeden die in de kerk binnenkomen, denk aan het hindoeïsme en het boeddhisme (die overigens volgens mij ook verwant zijn aan de Oosterse mysteriegodsdiensten die bijdroegen aan de gnostische sektes). Het hindoeïsme en boeddhisme leren eigenlijk net als de gnostici dat onze ziel hetzelfde is als de wereldziel. We zijn gevangen in een cyclus van lichamelijk bestaan omdat we dat niet erkennen, of niet goed genoeg zijn om weer terug te komen in de wereldziel. Daarom reïncarneert onze ziel (iets dat los staat van het lichaam en zelfs van lichamelijke uitingen als herinneringen) steeds opnieuw om uiteindelijk het materiële te kunnen loslaten. De ziel moet leren niet langer meer iets te verlangen (het verlangen is hier al net zo slecht als in de kerk waar ik opgroeide. Dat is in zichzelf al typisch). In de uiteindelijke verlossing gaat de ziel op in het geheel, als een druppel in een oceaan. Dan verdwijnt persoonlijkheid en verlangen totaal. Je bent geen individu meer (ook dat komt overeen met de toekomstverwachting in de kerk waar ik opgroeide). Is het toevallig dat Watchman Nee, die opgroeide in een boedhistische omgeving, schreef dat we in onze geest één moeten worden met de Heilige Geest, en dat er uiteindelijk niets meer van ons over mag zijn, maar alleen de Geest in ons mag werken? Ik geloof van niet.

Mijn vrouw wil natuurlijk helemaal niet dat ik ‘niet alleen mijn verlangens, maar ook mijn dromen’ voor haar opoffer. Dan zou ze mij kwijtraken, en mijn levenslust en enthousiasme, die ze nu juist aantrekkelijk vindt. Ze houdt namelijk van mij. Net zo geloof ik dat God juist wil dat we ons lichamelijke bestaan in een materiële wereld omarmen, en als belichaamde mensen zijn liefde om ons heen laten zien. Dit is volgens mij de kern van het sacramentele wereldbeeld, dat leidt tot acceptatie van ons bestaan als geschapen wezens, en liefde voor anderen en voor de schepping. In het vervolg van deze serie wil ik kijken naar het verband tussen het sacramentele wereldbeeld en de scheiding tussen geest en lichaam en hoe we weer volledig onszelf kunnen worden.

zondag 8 december 2013

Harry Potter en het sacramentele wereldbeeld

Volgens mij is de ophef over de Harry Potter-boeken wel een beetje afgenomen. Het laatste boek en de laatste film zijn al weer van jaren geleden (hoewel er sprake is van een verfilming van Fabeldieren en waar ze te vinden), en J.K. Rowling richt zich op het schrijven van romans en thrillers. Hoewel de boeken nog worden gelezen (ik keek laatst in de trein per ongeluk op iemands e-reader en las het woord ‘Dumbledore’), hoor ik niet meer zoveel mensen erover praten. De groep voor wie de boeken waren geschreven, is overgestapt op de Twilight-boeken en de Hunger Games-serie. De Harry Potter-serie neemt rustig zijn plek in de bibliotheek in naast de andere klassieke kinder- en tienerverhalen.
Ook in de christelijke wereld is er nu gelukkig minder over te doen dan een paar jaar geleden. Rowlings opmerking dat ze zichzelf als christen identificeert, maar daar geen ruchtbaarheid aan wilde geven zodat mensen niet het slot van het laatste boek konden raden, nam het scherpste van het randje al weg. En het lijkt erop dat het angstscenario van evangelische commentatoren, namelijk dat de lezers van de boeken massaal interesse in wikka en hekserij zouden krijgen, niet is uitgekomen. Kennelijk was de toverij in deze boeken inderdaad de toverij uit de sprookjes van Grimm en Anderson, van bezemstelen en ketels, leuk voor op het speelplein maar door niemand met het echte leven verward. Zoals niemand die de boeken las, hoe jong ook, de draken die er in beschreven worden, voor echte dieren aanzag.
De populariteit van de serie heeft zich niet eens vertaald in een stortvloed van boeken over tovenaars, heksen en magie. Ja, het ‘young adult’-genre is een stuk populairder geworden in de tussentijd, vol vlot geschreven series die ook door volwassenen veel worden gelezen. Maar het element uit de Harry Potter-serie dat is overgenomen is niet de tovenarij, maar de jonge hoofdpersoon die samen met vrienden over het verloop van meerdere jaren zijn identiteit moet vinden en een samenzwering uit de maatschappij moet ontmaskeren. En daarvan is alleen het ‘over meerdere jaren’-aspect echt nieuw. Eigenlijk het feit dat de verhalen het leven van een puber weerspiegelen, die ook de eigen identiteit moet vinden en ondertussen tegen verwachtingen en idealen van de maatschappij moet opboksen. Op dit moment zijn geen toververhalen populair, maar de verhalen over de ‘Hunger Games’, en andere apocalyptische en dystopische scenario’s. Het blijkt dus al met al een storm in een glas water te zijn geweest. Waren daar al die panische artikelen en ingezonden brieven nu voor nodig?

Maar de wortel waar de anti-Potter-hetze uit opbloeide, bevindt zich nog steeds in het denken van sommige christenen. Ik hoorde laatst van familieleden van mij dat er bij hen in de kerk mensen zijn die hun kinderen weigeren de Hobbit of Lord of the Rings-films en boeken te laten lezen of zien, en zelfs de Narnia-boeken niet willen voorlezen, omdat die in hun ogen occult zouden zijn. Laat staan de Harry Potter-verhalen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik, ondanks de oproepen van Paulus dat ik geen offervlees moet eten in het gezelschap van andere gelovigen die dat nog als zonde zien, hier wel hoofdpijn van krijg.
En het maakt me somber over de evangelische, charismatische kerk in Nederland. Want kennelijk accepteren die niet dat C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien christenen waren (en J.K. Rowling ook), die geloofden in dezelfde God en dezelfde verlosser als zij. Ze zien er geen been in deze schrijvers die velen in contact hebben gebracht met christelijke leer en beeldspraak, ervan te beschuldigen occult te zijn, dat is: in verbinding met boosaardige machten. Ik vind dat nogal een belediging. Als je weet dat deze mensen belijdende christenen zijn, kun je ze minstens het voordeel van de twijfel bieden. Zei Paulus niet: ‘Laten we voor iedereen het goede doen ... vooral voor onze geloofsgenoten?’ (Galaten 6:10). Christenen kunnen geen occulte boeken schrijven. Ooit zei iemand tegen mij dat alle SF ‘New Age’ is, en lezers in contact brengt met geleidegeesten. (SF is helemaal niet ‘New Age’, maar diep modern en materialistisch, maar dat ter zijde). Ik antwoordde: ‘Maar ik schrijf ook SF. Ik ben christen, en heb niets met New Age. Mijn verhalen dus ook niet. Hoe kan dan alle SF ‘New Age’ zijn?’. Logica.
Nog erger, in mijn opinie, is dat deze mensen kennelijk nooit geleerd hebben een verhaal te lezen. Ze denken dat een verhaal een beschrijving van de waarheid is, als journalistiek. Dus dat als in Narnia over dwergen wordt geschreven, dat dit bovennatuurlijke ‘veldgeesten’ zijn uit onze wereld. En dat als Rowling over toverstafjes schrijft, dat kinderen dus echt willen proberen te toveren (in plaats van te spelen dat ze toveren). Ik heb er mijn familieleden niet naar gevraagd, maar als deze mensen consequent zijn, vertellen ze hun kinderen ook geen sprookjes, zoals die over Roodkapje of Hans en Grietje. Die zou je immers ook met de werkelijkheid kunnen verwarren. Het niet kunnen lezen van verhalen als verhaal is volgens mij echter niet onschuldig. Want verhalen voorzien ons denken van beelden. Verhalen schenken aan begrippen en woorden betekenis, maken ze voor ons levend. Ze zorgen dat ons denken en spreken inhoud heeft, dat het wat voorstelt. Verhalen zijn de manier waarop we onze wereld leren begrijpen. C.S. Lewis schrijft het over het verhaal van zijn vriend Tolkien: “Een kind geniet van zijn koude vlees, dat anders smakeloos zou zijn, door te doen alsof het een bizon is, die hij juist met zijn eigen pijl en boog gedood heeft. En het kind is verstandig. Het echte vlees wordt smakelijker, doordat het in een verhaal is gedompeld… ‘The Lord of the Rings’ past deze behandeling toe op goed en kwaad, onze eindeloze gevaren, onze angsten en onze vreugdes. Door ze in mythe te dompelen zien we ze duidelijker.”

Wie verhalen niet ziet en waardeert als verhalen, leeft volgens mij in een heel ‘platte’ werkelijkheid. Een werkelijkheid die niet meer is dan wat je kunt zien en aanraken. En daardoor ook een werkelijkheid waarin je niet kunt verlangen naar iets anders dan wat je kunt zien en aanraken. Het is ironisch, want het betreft hier evangelische, charismatische christenen, waarvan je zou denken dat ze juist niet alleen in het materiële, het waarneembare geloven. Maar als je goed kijkt, zie je volgens mij dat ook hun geloof ‘plat’ is, dat het element van ‘betekenis’, van verwijzing naar iets groters, eraan ontbreekt.
Ten eerste wordt de bijbel in dit soort kerken heel letterlijk uitgelegd, zonder oog voor literair genre en beeldspraak. Het is aantoonbaar dat de bijbel een literair werk is, met veel stijlfiguren, en dat sommige gedeeltes lijken op apocalyptische literatuur of mythologische verhalen. Wie de bijbel zo leest, en zoekt naar een dieper betekenisniveau, is in de ogen van deze gelovigen echter geen christen te noemen. Maar als ik The Lord of the Rings lees, hoef ik toch ook niet te geloven dat het letterlijk heeft plaatsgevonden om er belangrijke lessen uit te leren? Tolkien merkt op dat hij als kind nooit dacht dat de draken waar hij over las echt waren: ‘Ik heb mij zelf nooit verbeeld dat de draak van dezelfde orde was als het paard’ (Over sprookjesverhalen). Volgens mij was het Lewis die zei dat sprookjes kinderen niet leren dat draken bestaan, maar dat ze verslagen konden worden. Een letterlijke bijbeluitleg brengt deze gelovigen ook nog eens in conflict met wetenschap en mensen die wel de werkelijkheid kennen - en die confrontatie loopt vaak nadelig af voor ze. De werkelijkheid wordt waargenomen door de wetenschappelijke instrumenten (een verlenging van onze zintuigen). Wat de bijbel doet (en waarom het belangrijk is dat de bijbel een verhaal is), is aan te geven waarom deze werkelijkheid er is. Wat ze betekent en wat ons leven daarom betekent. En dat aspect delft in deze kerken bij discussies over letterlijkheid vaak het onderspit.
Ten tweede doet in deze kringen vaak een vorm van welvaartsevangelie opgeld: het gaat volgens hen ook in het leven van een christen om lichamelijke gezondheid, een goede baan, en geld. Dat is ook waar het in de preken in deze kerken over gaat (geeft u wel uw tienden? Bent u wel onderdanig aan uw oudsten?). Een christen moet tastbare, meetbare dingen doen, en krijgt daar tastbare, meetbare dingen voor terug. Dat er zaken meer belangrijk kunnen zijn dan hoe gezond je bent, of hoe voorspoedig, lijkt niet te worden geloofd. En zo verrichten ze eigenlijk zelf een soort van magie met het bovennatuurlijke, juist omdat ze magie niet uit verhalen hebben leren herkennen. C.S. Lewis wees er al op dat de verlangens die door sprookjesverhalen worden opgewekt eigenlijk onschuldiger zijn dan de verlangens die door schijnbaar ‘realistische verhalen’ worden aangesproken. ‘I never expected the real world to be like the fairy tales. I think that I did expect school to be more like the school stories”, schrijft hij in On Three Ways of Writing for Children. “The boy reading the school story desires success and is unhappy, once the book is over, because he can’t get it. The boy reading the fairy tale desires and is happy in the very fact of desiring. For his mind has not been concentrated on himself, as it often is in the more realistic story.’ Die teleurstelling ervaren christenen in deze kringen vaak als ze toch ziek worden of financiële tegenslag ervaren. Er is ook weinig begrip voor mensen die ADHD of depressie hebben, zij zouden door demonen bezeten zijn. Wie arm is, heeft niet genoeg gegeven. En de gelovigen hebben niet de beelden meegekregen uit de bijbel waarmee ze in deze omstandigheden hoop kunnen houden in wat niet gezien kan worden.
Het is eigenlijk tragisch om in zo’n platte werkelijkheid te leven, omdat je jezelf dan ook noodzakelijk als plat moet zien en alleen maar met transactionele handelingen bezig kunt zijn.

Volgens mij zijn christelijke systemen die verhalen niet kunnen accepteren, inherent transactioneel van aard. En het is niet toevallig dat schrijvers als Chesterton, Tolkien en Lewis juist uit ‘high church’-omgevingen komen, die meer sacramenteel van aard zijn. Hetzelfde geldt voor J.K. Rowling. Tot de kern van hun geloofsleven behoort het feit dat gebeurtenissen en handelingen niet transactioneel zijn, maar sacramenteel. Dat ze niet iets veranderen in de werkelijkheid, maar dat ze de werkelijkheid zichtbaar maken. Ze verwarren niet het beeld met de werkelijkheid, maar zien de werkelijkheid in het beeld. Daarom konden ze verzonnen verhalen schrijven, die toch iets weergeven van wat waar is.
Maar, let op: hun verhalen waren geen ‘christelijke allegorie’, zoals bijvoorbeeld ‘De Christenreis naar de Eeuwigheid’ (een verhaal dat soms nog wel wordt gelezen door christenen die verder verhalen afwijzen). In de Christenreis staat iets altijd direct voor iets anders, het verhaal is een puzzel die ontcijferd moet worden. Maar daarmee is het eigenlijk ook transactioneel geworden. Als je de puzzel hebt ontcijferd, is het namelijk net zo plat als een theologische tekst. Het is als een rekensom op de basisschool: Jan heeft twee appels, hij krijgt er drie bij. Hoeveel heeft hij er nu? Dit is niet anders dan de som 2 + 3 = 5. Er werden andere woorden voor gebruikt, maar het is nog steeds een formule. Daarom dat iemand als Tolkien allegorie verafschuwde. Zijn boek kon niet ontcijferd worden door bijvoorbeeld de ring te zien als allegorie voor atoomenergie. De ring is een beeld waarin waarheid zichtbaar wordt, maar het is een diepere waarheid. Een over het menselijke hart, en het gemak waarmee we verleid kunnen worden door allerlei vormen van macht. Een waarheid die door de ring invoelbaar wordt gemaakt, die we anders niet zo zouden kunnen ervaren. De waarheid van de ring zit hem in het feit dat we iets van onszelf erin herkennen, niet in een een-op-een betekenis.
Tolkien had daarom ook een hekel aan Lewis’ Narniaverhalen, omdat hij die betichtte van allegorie. Aslan is Jezus, Jadis is de duivel, en ga zo maar door. Maar zo had Lewis ze niet bedoeld. Aslan is geen allegorie voor Jezus. Het verhaal is bedoeld te beschrijven wat er zou gebeuren als Jezus een andere wereld dan de onze zou binnenkomen in de vorm van een leeuw. Niet om een parallel te zijn van onze wereld. Ook hier wordt veel van de waarheid zichtbaar in de persoon van Aslan, zonder dat de beeldspraak als een puzzel kan worden opgelost. Deze waarheden moeten worden opgevangen met hulp van de verbeelding, niet met het intellect. Zoals geloof in het algemeen ook meer een functie is van onze beeldenwereld, ons verlangen, en niet van ons intellect als zodanig. De verhalen van Lewis en Tolkien zijn sacramenteel.
Lewis en Tolkien konden daarom ook beelden gebruiken uit niet-christelijke verhalen en legendes, zoals Griekse goden, faunen, sprekende dieren, vallende sterren, zeeslangen, dwergen en elfen. Want ze zagen de hele werkelijkheid als sacramenteel. Ze zagen geen onderscheid tussen een christelijke en een niet-christelijke werkelijkheid. Er was dus ook geen ‘christelijke’ literatuur, onderscheiden van een ‘seculiere’ literatuur. C.S. Lewis zegt: ‘Boiling an egg is the same process whether you are a Christian or a Pagan. In the same way ... whatever Christian literature chose to do would have to be done by the mean common to all literature; it could succeed or fail only by the ame excellences and the ame faults as all literature; and its literary success or failure would never be the same thing as its obedience or disobedience to Christian Principles.’ Natuurlijk maakten deze schrijvers dit onderscheid niet, want ze zagen de hele werkelijkheid als Gods werkelijkheid. God was volgens hen niet boven de werkelijkheid verheven als de naaister uit het beeld van Robert Farrar Capon, maar bevindt zich onder de geschiedenis, waarin hij als een ijsberg zich soms laat zien. Omdat wij door God geschapen zijn is het volgens Tolkien eigenlijk onvermijdelijk dat onze mythen een versplinterd fragment weerspiegelen van het werkelijke licht. “Onze mythen koersen, zij het vaak zigzaggend, naar de ware haven.” We leven in een groot verhaal, een verhaal dat God vertelt, en dat in Jezus zichtbaar is geworden. Maar dit verhaal levert ook de bouwmaterialen voor alle verhalen die wij zelf aan elkaar vertellen.
Ik ben er zelf van overtuigd dat elk goed verteld verhaal daarom verwijst naar het grote verhaal, ongeacht de religieuze overtuiging van de verteller. Niet voor niets komen thema’s als de overwinning van de zwakke, belangeloze opoffering, opstanding uit de dood, of het loon van de zonde, zo vaak terug in sprookjes, films en boeken. Sla een gemiddeld fantasyboek open en je struikelt erover. In mijn eigen ervaring hebben veel ‘christelijke’ films en boeken juist minder te maken met het grote verhaal. Ze zijn daar net als de schoolverhalen waar Lewis naar verwijst veel te plat voor. Ze suggereren dat God je geneest als je maar bidt, of dat je weer contact krijgt met je kinderen als je de bijbel leest. Ze zijn transactioneel. Terwijl een film als The Hunger Games Catching Fire me juist laat verlangen naar rechtvaardigheid, vrijheid en opoffering. Dat verhaal is sacramenteel. God wordt erin zichtbaar. Christenen hoeven dus niet alleen verhalen te lezen die christelijke symboliek bevatten of allegorisch zijn, ze kunnen de christelijke waarheid herkennen in elk verhaal dat ze lezen.
Wie Jezus kent, ziet zijn gezicht overal in terug.

Degene die Jezus kent, zal hem dus al helemaal kunnen terugzien in de Harry Potter-boeken en -films! Niet alleen omdat de schrijfster christen is en heel belezen (waardoor ze veel symboliek gebruikt, onder andere die van de alchemie. John Granger, op internet bekend als de ‘Hogwarts professor’, heeft hele boeken geschreven over de diepere laag en de betekenis van deze verhalen en de diepere symboliek ervan). Maar ook omdat de overwinning op het kwaad in deze verhalen altijd wordt bereikt, niet op een transactionele wijze, maar op een sacramentele wijze. Oh, er is in deze verhalen sprake van sprookjesmagie, met toverstokjes en latijnse woorden. En vliegende bezemstelen. Dat is allemaal bovendien erg onderhoudend. Maar deze transactionele magie (ik verricht een handeling, en daarmee verander ik de werkelijkheid) is in de verhalen nooit effectief tegen het kwaad. Uiteindelijk wordt het slechte alleen overwonnen doordat iets vanuit een diepere werkelijkheid zichtbaar wordt in voorwerpen of mensen. En dat iets is eigenlijk steeds: opofferende liefde.
Al in de eerste verhalen is Harry beschermd tegen Voldemort doordat zijn moeder zich voor hem heeft opgeofferd, en dat heeft hem onvatbaar gemaakt voor de dodelijke vloek. In het tweede verhaal is het de phoenix, die is gestorven, maar weer tot leven is gekomen, die Harry op het moment dat zijn nood het hoogst is, komt redden. In het derde boek verschijnt de patronus in de vorm van een hert, de patronus van Harry’s vader, en verjaagt in een wonder alle dementors. Ga zo maar door, tot Harry’s eigen eindoverwinning. Die behaalt hij niet door zijn toverkracht, maar door overgave. Zoals in elk goed verhaal wint de ‘underdog’ in de vorm van wat Tolkien een ‘eucatastrofe’ noemt, een plotselinge wending, waarbij in het verhaal een glimp doorbreekt van de waarheid, en alle dingen hun eigen naam krijgen. Het is Voldemort, die puur op transactionele magie vertrouwt, die in deze verhalen steeds bedrogen uitkomt. Lees de Harry Potter-boeken nog maar eens na: ze zijn ten diepste sacramenteel, en dus verwijzen ze naar het ware sacrament.

In mijn volgende artikel ga ik dieper in op de verfilming van Harry Potter and the Prisoner of Azkaban.