Posts tonen met het label verbeelding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verbeelding. Alle posts tonen

dinsdag 22 november 2016

'De Krakenvorst' - The making of ... (3 en slot): Een pauze van elf jaar

Ik weet niet meer heel nauwkeurig wanneer ik het idee kreeg een fantasyroman te schrijven. Ik denk dat het voorjaar 2001 moet zijn geweest. Ik weet wel dat ik op 7 juli 2001 begon het plot van mijn verhaal in wording op papier te zetten. In een groot notitieblok werkte ik mijn ideeën uit. Eerst de drie verhaallijnen apart (ik wist al dat er drie hoofdpersonen zouden zijn, en dat het twee boeken zouden worden). Vervolgens in twee kolommen, om een idee te krijgen hoe de verschillende lijnen naast elkaar zouden lopen en waar ze elkaar zouden kruisen. Steeds kreeg ik er ideeën bij en er moesten in de kantlijn aantekeningen worden bijgekrabbeld. De voorlopige titel van het boek was toen nog 'De koning en de kraak'.
Het duurde nog even voor ik daadwerkelijk begon te schrijven. Ik moest namelijk eerst nog een boekje schrijven dat in juni 2002 zou worden uitgegeven door de christelijke uitgevers als actieboek voor de Maand van het spannende boek. Zomer 2001 was namelijk mijn debuutroman, de SF-thriller 'Neptunus', uitgegeven bij Kok Voorhoeve, en aangezien zij aan de beurt waren om het actieboekje te verzorgen, vroegen ze mij. Dit werd 'Het Wrak'. Eigenlijk direct nadat ik dat had afgeschreven begon ik na een tijd van werkloosheid aan mijn baan bij het Pharmaceutisch Weekblad als wetenschappelijk redacteur. Een flinke overgang. Gelukkig werkte ik maar drie dagen in de week, en kon ik de rest van de tijd inzetten voor het schrijven. Vol goede moed begon ik aan het manuscript. Ik deed ondertussen mee aan een schrijfopleiding van Script+ in Amsterdam (betaald door mijn uitgever!). Voor een van de lessen stuurde ik de inleiding en het eerste hoofdstuk naar de andere schrijvers toe. Ik kreeg er veel complimenten voor. Vooral vanwege de beklemmende sfeer van de religieuze omgeving, die ik volgens hen heel overtuigend had neergezet.

Toen ik drie hoofdstukken had, stuurde ik het manuscript in wording op naar Kok. Het viel niet zo in goede aarde. Onder andere omdat het leek alsof ik kritiek had op de kerk (nou ja, dat was ook zo), en de door mij geciteerde teksten uit 'heilige boeken' konden worden opgevat als parodie op de bijbel. Mijn redacteur vroeg me of ik niet een contemporaine thriller kon schrijven, in de trant van 'Het Wrak' - dat zou waarschijnlijk goed verkopen. Een tijd lang probeerde ik aan dat verzoek te voldoen, maar er kwam niet echt een goed idee. Ik probeerde verder te schrijven aan 'De Krakenvorst', maar in het begin van het vierde hoofdstuk stokte het. Ik moest beginnen aan een nieuwe paragraaf, maar ik had geen enkel idee hoe ik die moest schrijven. De woorden kwamen gewoon niet.
De jaren daarna dacht ik dat ik mijn verbeelding helemaal kwijt was. Ja, ik begon nog een ander boek te schrijven, maar ook daarmee kwam ik niet verder dan een paar hoofdstukken. Ik schreef een paar korte verhalen, maar slechts een of twee per jaar. Ik had gewoon geen ideeën. Als anderen me vroegen om eens naar een verhaalidee te kijken, borrelde de inspiratie als vanouds, maar als ik iets voor mezelf wilde beginnen bleef de bron droog. In plaats van me bezig te houden met fictie, richtte ik me op het schrijven van filmbesprekingen en theologische essays. Ik schreef twee non-fictie boeken: 'Indrukwekkende Vrijheid', dat verscheen in 2010, en 'De loser die wint', die vorig jaar uitkwam. Maar het schrijven van non-fictie had nooit echt mijn hart. Ik had het alleen nodig om over deze onderwerpen te denken en te schrijven, omdat ik was opgegroeid in een streng religieuze omgeving, waar hobby's als minderwaardig werden gezien, kunst en verbeelding werden gewantrouwd en mijn liefde voor boeken en verhalen al snel een verslaving leken die me van God zouden afleiden. Ook al had ik die kerk verlaten toen ik begin twintig was, de leerstellingen hadden zich in me vastgehaakt, en waren maar moeilijk los te krijgen. Vooral omdat mijn ouders ook niet heel bemoedigend leken ten aanzien van mijn schrijven. En die kritiek, stress op het werk, en de daaruit volgende piekergedachten dempten mijn creativiteit en maakten me depressief.
Er gebeurde in de tussentijd van alles. Ik verhuisde naar Delft, waar ik op mezelf ging wonen. Ik richtte meerdere aquariums in. Werd ontslagen en kwam te werken bij het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Bezocht fantasyfestivals. Waar ik in gesprek kwam met uitgevers, maar niet durfde zeggen dat ik zelf al boeken op mijn naam had staan. Ik leerde Bianca kennen, en vroeg haar ten huwelijk. Maar schrijven lukte me niet.

In 2012 werd ik echter tot twee keer toe ziek. Ernstig ziek. Wondroos. Een heftige infectie aan mijn been, dat rood werd en opzwol, en waarbij ik bijna veertig graden koorts had. Over de eerste ziekteperiode heb ik in een eerder blogbericht geschreven. Ik was behoorlijk hersteld, maar ik moest nu toch echt beter voor mijn eczeem gaan zorgen. De stress op mijn werk nam echter niet af, ik bleef slecht slapen, en voor mijn eczeem zorgen lukte me niet. Het eczeem speelde weer op, en opeens, in september, werd ik opnieuw ziek. Ik weet nog dat ik met Bianca zat in het park bij De Delftse Hout, genietend van koffie met gebak bij café Knus. Ik voelde opeens spierpijn opzetten en werd flauw. Ik ging naar het toilet. Toen ik terugkwam zag ik enorm bleek, kon ik geen hap meer nemen, en schrok mijn verloofde zich een hoedje. Hoe we met de bus thuis terug kwamen, weet ik niet. Mijn ouders kwamen me uiteindelijk ophalen en brachten me langs de huisartsenpost in het ziekenhuis en daar werd de diagnose gesteld: opnieuw wondroos. Ik kreeg antibiotica en lag twee dagen lang op bed beroerd te wezen.
Later, terwijl ik aan het herstellen was, suggereerden mijn ouders dat ik wat aan de stress in mijn leven moest gaan doen. Ja, duh ... Het idee van mijn vader was: misschien moet je wat minder willen schrijven. Slecht idee. Maar opeens realiseerde ik me waar een groot deel van de stress vandaan kwam. Ik wilde namelijk niet te veel schrijven, maar te weinig. En vooral verhalen. Ik voelde me slecht, omdat ik niet dat deed wat ik het liefst wilde doen: verhalen schrijven. Bovendien confronteerde de ernst van mijn ziekte me met mijn sterfelijkheid - vroeger overleden mensen aan wondroos. Ik vroeg mezelf af waar ik het meest spijt van zou hebben als ik zou komen te overlijden. Het antwoord kwam meteen: ik zou er spijt van hebben dat ik niet meer verhalen zou hebben geschreven.
Maar die 'writers block' dan, de barrière die ik voelde, elke keer als ik achter de computer ging zitten? Zou die me niet tegenhouden? Het toeval wilde dat ik niet lang ervoor een citaat had gelezen van Neil Gaiman. Hij beweerde dat er momenten waren dat hij bij het schrijven in de 'flow' zat en de woorden uit zijn pen stroomden. Er waren ook momenten dat het niet zo makkelijk ging, dat hij bij elk woord worstelde, en om elke zin moest strijden. Maar als hij later zijn verhaal terug las, kon hij geen enkel verschil zien tussen de passages waarbij hij in de 'flow' had gezeten en die waarbij het moeilijk was gegaan. De conclusie voor mij? Ik moest gewoon gaan schrijven!
Eerst schreef ik vier korte SF-verhalen. Toen besloot ik om verder te gaan met 'De Krakenvorst', want dat idee had me de tussenliggende elf jaar niet losgelaten. En toen ik er eenmaal aan ging zitten, kwam de inspiratie ook. Ik hoefde alleen te beginnen met schrijven, en mijn verbeelding vulde de gaten aan. De passage waar ik de vorige keer gestrand was, kostte me nu, elf jaar laten, geen enkele moeite. En in een jaar tijd had ik twee boeken afgeschreven ... Boeken waar ik heel erg trots op ben.

Waarom er zo'n pauze in moest zitten? Ik weet het niet. Ik denk zelf dat ik de levenservaring miste om de boeken te kunnen schrijven. Ik weet wel dat ze beter zijn geworden dan ze zouden zijn geweest als ik ze had geschreven toen ik vijfentwintig was. Wat ik ook weet is dat ik nooit meer zo'n pauze ga laten vallen. Ik ga gewoon zitten om te schrijven, of ik nu in de 'flow' ben, of niet. De inspiratie volgt wel. En schrijven is gewoon wat ik moet doen.

De Krakenvorst, boek 1: Keruga verschijnt begin december. Zet het in je agenda en bestel tegen die tijd een exemplaar via bijvoorbeeld Bol.com, of de website van Macc. Wil je weten wat je ervan kunt verwachten? Volgende week plaats ik op mijn blog een voorproefje ...

dinsdag 15 november 2016

'De Krakenvorst' - The making of ... (1): De schepping van Kartaalmon(land)

Het verhaal van mijn fantasytweeluik 'De Krakenvorst' begint eigenlijk al zo'n dertig jaar geleden. Toen wist ik natuurlijk nog niet dat ik ooit een fantasyboek zou gaan schrijven, al genoot ik wel van de opdrachten voor opstellen die we op school kregen. Ik las toen al heel graag, niet alleen boeken, ook tijdschriften. En elke maand kochten mijn ouders voor mij onder andere de Grasduinen, de Natuur & Techniek en de KIJK. In 1987 stond er in dat laatste tijdschrift een artikel over het fenomeen geofictie. Mensen die hun eigen landen verzinnen en er van allen omheen creëren: landkaarten, vlaggen, muntstukken, geschiedenisverhalen, wetgeving enzovoorts. Er stonden ook voorbeelden van landkaarten bij.

Mijn verbeelding werd gestimuleerd, en al snel tekende ik mijn eigen landkaarten. Een van de landen die ik verzon, was 'Kartaalmonland' - een groot schiereiland, met een nauwe landtong verbonden aan het vaste land, met hoge bergen in het binnenland. Als we een tekenopdracht of een schrijfopdracht kregen op school, tekende of schreef ik over aspecten van Kartaalmonland, en thuis begon ik een overzicht en geschiedenis van het land te schrijven. Mijn nieuwe passie bleef niet onopgemerkt door mijn klasgenoten. En die begonnen zelf hun eigen landen te verzinnen. Ook mijn broer Marten sloot erbij aan met zijn land Martinië. De landen hoorden samen in een werelddeel, Bordalstenije, op de planeet Ficton. We hadden een 'geeky' klas, best wel bijzonder, bedenk ik me achteraf.
Waar mijn klasgenoten niet veel verder kwamen dan een landkaart of twee, bleef ik me met Kartaalmonland bezighouden. Van de eerste kaarten heb ik er helaas geen meer over, maar in de eerste jaren van de middelbare school werkte ik mijn project nog een keer uit. Nu met gedetailleerde kaarten, over ecosystemen, hoogtelijnen, klimaat, economie en geschiedenis. Ik voorzag mijn land in tekeningen van allerlei legervoertuigen, koloniën en ruimteschepen (ik tekende ook het zonnestelsel uit waarin Ficton zich bevond). Ik werkte een hele geschiedenis uit vanaf de stichting van Kartaalmonland door koning Kartaalmon in de middeleeuwen, via een oorlog met buurland Bolland en een bloedwratepidemie, tot een wereldoorlog tussen de grootmachten Stilwith en Dark toe (waarbij Stilwith de agressor was, en Kartaalmonland zich aansloot bij Dark). Ik beschreef hoe communicatie verliep via 'briefcomputers' (waarschijnlijk had ik in dezelfde KIJK al gelezen over de digitale snelweg).
Maar bovenal verzon ik de biologie van Kartaalmonland. In tekening na tekening werkte ik uit welke dieren en planten er in welk ecosysteem leefden, inclusief wetenschappelijke namen en evolutionaire stambomen. Van de laatste buidelspitsmuis in de Kartse wadden en Kartaalse duinen, tot het mysterieuze Kartaalse monster, van de Dode Diepworm en de Dode Diepwormhaai in het Dode Diep tot het slijkgras op Doodland. Ik bleef hiermee bezig tot mijn achttiende. Samen met mijn broer Marten zat ik in de schoolvakanties dagen lang te tekenen en te schrijven, en ik heb nog steeds mappen vol schetsen en kaarten in mijn kast staan.

De jaren daarna bleef ik met enige nostalgie aan mijn eigen land terugdenken. Toen ik uiteindelijk het idee kreeg om een fantasyboek te gaan schrijven, duurde het dus niet lang of ik bladerde door mijn map met aantekeningen en besloot niet verder te zoeken naar een wereld om mijn verhaal in te laten afspelen. Met de door mij ooit opgeschreven geschiedenis van Kartaalmonland had ik zelfs al een mooie basis voor de historische achtergrond ervan. Hoe koning Kart het land bijeenbracht, en hoe de conflicten met verschillende buurlanden verliepen, is allemaal in mijn schrift van bijna dertig jaar oud te vinden.
Er is in de omschakeling van Kartaalmonland naar het koninkrijk Kartaalmon wel het een en ander veranderd - nog afgezien van de naam van het land. Mijn fantasyboek speelt zich om te beginnen af in een wereld met andere volken en bovennatuurlijke elementen en die kwamen natuurlijk niet voor op Ficton - voor mezelf zie ik het dus als een soort 'alternatieve geschiedenis' van het oorspronkelijke land. Martinië is ondertussen veranderd in het koninkrijk Narzik, en Bolland is Taris geworden (maar blijft een bron van gevaar voor Kartaalmon). Steden zijn van plek en van naam veranderd, eilanden zijn van de kaart verdwenen, en of het Kartaalse monster nog ergens door de bergen van Kartaalmon ronddwaalt, dat weet helaas niemand ...

Wordt vervolgd ...

woensdag 10 augustus 2016

Gedicht: De Inklings

De Inklings

Ik kijk om, pijn in mijn nek:
een glimp van hemelsblauw met
oranje is snel verdwenen
achter ons, er volgt een bocht
en dan zijn we niet meer waar
onze helden schreden, maar
tussen de grijze stenen, 
naar het station. Elke stap
van de reis onafwendbaar,
voor ons bepaald. Om ons heen
drukke mensen met koffers,
telefoons, het leven dat
ik ken. Maar niet hetzelfde,
mijn hart kent nu de waarheid:
net buiten zicht dansen de
elfen en ik mag ze aan de
zoekers tonen. Net als zij.

vrijdag 5 augustus 2016

Gedicht: The Rabbit Room

The Rabbit Room

De tafel, bruin als een woud uit
vroeger tijden, na de zomer, een paar
banen licht, waar elk moment de hoorn
kan schallen van de jacht, zowel blij
als diepe ernst, wiebelt als ik
erop steun. Het voelt alsof ik
op een drempel aarzel. Ik grijp
de pul, frommel mijn gezicht bij
het bitter bier en zie hem kijken,
een wetende glimlach, zoekend
de vrienden die voorbij de grenzen
zagen van het gewone, achter
donker hout een nieuw land wisten -
een kastdeur maar bij hen vandaan.
Misschien ben ik wel een van hen?
Ik wil van wel, dus hef ik mijn glas
en over het schuim knik ik hem toe.

zaterdag 13 juni 2015

Gedicht: Kunst

Kunst

Mijn handen moeten bouwen
blokkentorens, geel en rood.
De chaos op het tapijt
getransformeerd. Patronen
waar eerst het toeval heerste.
Ik moet met kleurpotloden
bladen vullen als antwoord
op hun ongestelde vraag
om leven. Ik moet de tuin 
bewerken. Haar omvormen 
tot het elfenland, mythisch domein.
Verbeelding maakt een speeltoestel 
tot een kasteel. Ik zie schoonheid
verlegen wachten achter 
de façade. Niet gezien 
tot ikzelf haar openbaar,
anders verloren. Dit is
voor altijd mijn lot, mijn vloek:
te weten dat wat ik niet schep
nooit zal bestaan en dat ik
niet heel zal zijn tot alles is.

dinsdag 19 augustus 2014

Gedicht: Waar ik naar zoek

Waar ik naar zoek

Bomen plotseling geel
tegen een grauwe lucht
vanuit de ochtendtrein.
Mist boven de sloten.
Een doorkijk op een veld
vol witte pluimen gras.
Mos op een muur. Een vis
die zich onverwachts toont.

Ringen van blokken ijs.
Blind leven ondergronds.
Unieke eilanden.
Vroege dieren bewaard
in steen, vorm geraden.
Opties doorgetrokken
tot de verre toekomst:
het verhaal blijft open.

Ogen vol verwachting,
haar sluier verwijderd.
Geen tweede plan, gereed
iets nieuws te ontmoeten,
kwetsbaar maar toch niet zwak,
de glimlach ongeveinsd,
zet ze de eerste stap
op weg naar heerlijkheid.

Ik zoek dunne plaatsen,
waar achter het gordijn
zacht de belofte klinkt:
'Alles is mogelijk.'
Leven vult de ruimte
tot aan de nok, verandert
een leeg doek in schoonheid.
En ook ik word vernieuwd.

dinsdag 14 januari 2014

Filmbespreking: The Secret Life of Walter Mitty

Ik las op de middelbare school het korte verhaal waarop deze film (heel erg losjes) is gebaseerd. In een boek over Engelse literatuur. Niet verwonderlijk, want volgens Wikipedia is dit verhaal van James Thurber een van de meest in anthologieën opgenomen verhalen uit de Amerikaanse literatuurgeschiedenis. Het sprak me meteen aan. Ik herkende namelijk mezelf in de hoofdpersoon, die zodra hij de kans krijgt, zich verliest in dagdromen. Zo stelt hij zichzelf voor als vliegbootspiloot, als chirurg en voor het vuurpeloton. Ikzelf heb ook al van jongs af aan een nogal levendige fantasie. Oh, dit wordt trouwens weer een wat autobiografische filmbespreking, dus als je daar geen trek in hebt, kun je beter stoppen met lezen en de film kijken. Ik ga hem namelijk hieronder van harte aanbevelen.
Maar verder over mij, voordat ik op de film overga: ik liep als kind al fantaserend over straat, van huis naar school (en terug). Ik verzon allerlei avonturen (gebaseerd op tekenfilmseries als G.I. Joe), maar stelde mezelf ook graag voor als ontdekkingsreiziger, waarbij ik nieuwe vissoorten ontdekte, en die vervolgens in een aquarium hield en tot voortplanting bracht. Ik las veel aquariumtijdschriften, dat verklaart een boel. Ik was hierdoor ook wel wat afwezig, wat leidde tot plagerijen, maar ook tot een bijna-aanrijding, omdat ik op de fiets de straat overstak zonder op of om te kijken. (Dit is de reden dat ik nu ook nog steeds niet graag fiets: je kunt dan niet veilig in gedachten verzonken blijven). In een of twee situaties gebruikte ik het fantaseren bewust als vlucht uit de realiteit, zoals die ene keer dat ik voor straf op de gang moest zitten.
Het lezen van dit korte verhaal op de middelbare school kwam daarom ook wel heel dichtbij. Want het is duidelijk dat Walter Mitty het in dit verhaal niet makkelijk heeft. Hij is een meegaande man, die wordt afgesnauwd, onder andere door zijn wat dominante vrouw. In zijn fantasieën is hij echter sterk, inventief, heldhaftig. Alles wat hij in het echt niet is. Maar zijn fantasieën brengen hem er niet toe in actie te komen om zijn situatie te verbeteren, maar zorgen er juist voor dat hij langer passief blijft. Ik was gefascineerd door het verhaal, maar voelde me ook beschuldigd. Wilde de schrijver zeggen dat verbeelding iets negatiefs was? In mijn leven bevonden zich genoeg andere stemmen die mij ervan beschuldigden uit de realiteit te willen vluchten. En er zat een kern van waarheid in, want ik werd op de middelbare school gepest, en voelde me afwijkend vergeleken met klasgenoten, en niet begrepen door mijn ouders en de kerk. Ik had het gevoel dat ik alleen mezelf kon zijn in de wereld die ik in mijn gedachten bij elkaar fantaseerde. Dus kon ik de waarschuwing van het verhaal nooit goed achter mij laten. Er bleef een knauwende twijfel bij me achter, of ik soms niet de waarheid over mezelf onder ogen durfde zien. Mijn fantasie kon ik echter onmogelijk afwijzen. Daarom was ik opgelucht toen ik ontdekte dat de film een andere kant op gaat, en laat zien hoe fantasie een positieve rol in iemands leven kan gaan spelen.
Ik ben dus niet een van de critici die er een probleem mee heeft dat deze film afwijkt van het originele verhaal of zelf er een heel andere draai aan geeft. Ik juich het juist toe! Alleen verdwijnt uiteindelijk het element van fantasie uit het plot. Gelukkig ben je dan als kijker al gefascineerd door het verhaal en de hoofdpersoon (briljant neergezet door Ben Stiller, nu eens niet boos of opgewonden, maar introvert en bescheiden, althans in het begin), en merk je deze andere nadruk nauwelijks. Mooi zijn verder de subtiele grafische toevoegingen aan de shots, de beelden van prachtige natuur en de geloofwaardige relaties (al hoop ik niet dat er werkelijk zulke afstotelijke managers bestaan als in deze film - van die mannen die baarden dragen, alleen omdat de tijdschriften zeggen dat het in de mode is). Grappig zijn de filmpersiflages in de fantasiescenes en de heel diverse bijfiguren. In de bioscoopzaal werd meerdere malen hardop gelachen. Ik hoop de film nog meerdere malen te kijken en zou zelf niet verbaasd zijn als hij tot mijn favorieten zou gaan horen.

Wie de hoofdpersoon is in deze film wordt verklapt door de titel. Walter Mitty. Hij werkt bij het tijdschrift Life, op de foto-afdeling. Hij is de contactpersoon van sterfotograaf Sean, die nog steeds zweert bij filmrolletjes. Terwijl hij filmnegatieven ontwikkelt, heeft Walter een oogje op zijn knappe collega Cheryl. Hij durft haar echter niet aan te spreken. In plaats daarvan verliest hij zich in dagdromen waarin hij dat wel durft, en een interessanter leven leidt dan hij doet. Wanneer Life wordt overgenomen en het papieren tijdschrift wordt opgeheven, staat ook Walters baan op het spel. Hij moet voor het laatste nummer van het tijdschrift de coverfoto verzorgen, aan hem toegestuurd door Sean. Maar het negatief in kwestie, nummer 25, ontbreekt. Uit de andere foto’s probeert Walter aanwijzingen te destilleren. Hij ontdekt dat een van de plaatjes een schip betreft in Groenland. Aangespoord door Cheryl gaat Walter op zoek naar Sean. Het is de eerste keer dat Walter het land uit is, en het voelt heel avontuurlijk, maar al snel ontdekt hij dat het werkelijke leven nogal eens anders uitpakt dan hij zich in zijn dromen voorstelt.

Het is te eenvoudig om fantasie te reduceren tot een ‘vlucht uit de werkelijkheid’. Dat moet James Thurber zich ook hebben gerealiseerd. Hij was per slot van rekening schrijver, en gebruikte zijn verbeelding om Walter Mitty te verzinnen. Verbeelding is iets heel moois en krachtigs. Verbeelding is scheppend. Toen ik op de basisschool zat was er niet zoveel mis in mijn leven (ik werd toen bijvoorbeeld niet gepest). Toch fantaseerde ik veel. Ik vond het geweldig om verhalen te verzinnen, nieuwe werelden, spannend en mooi. Daar ging ik in op. Niet omdat ik iets had om van te vluchten, maar omdat ik deze verhalen zo mooi vond. Ik ging ze zelfs naar de werkelijke wereld vertalen, door te tekenen, maar ook door te schrijven. Ik keek steeds uit naar het schrijven van opstellen, maar begon toen die er te weinig kwamen, ook thuis te schrijven. Schriften en mappen vol. Tot ik uiteindelijk een boek schreef dat het waard was om uitgegeven te worden. Dat had ik niet gekund als ik niet als kind (en als volwassene) in mijn eigen verbeelding was opgegaan. Ja, ik was iemand die liever in de verzonnen werelden ronddoolde, dan bijvoorbeeld te voetballen of te klussen in huis. Of naar dansfeestjes te gaan of geld te verdienen. Maar dat is in zichzelf niet erg. J.R.R. Tolkien weerlegt bijvoorbeeld de beschuldiging dat sprookjesverhalen escapistisch zouden zijn. “Waarom zou iemand worden gehoond als hij, wanneer hij merkt dat hij in een gevangenis zit, probeert uit te breken en naar huis te gaan? Of wanneer hij dat niet kan, aan andere onderwerpen denkt dan gevangenisbewaarders en gevangenismuren? De wereld buiten is niet minder echt geworden omdat de gevangene die niet kan zien.”
Als christen en als mens geloof ik niet dat die wereld van geld, huizen, auto’s en sport de enige wereld is, en zou ik er depressief van worden als dat wel zo was. Ik zoek naar betekenisvoller activiteiten. Maar hier ligt het verschil: ik geloof dat die er zijn, dat schoonheid, avontuur en intimiteit (volgens John Eldredge de drie kernelementen van elk episch verhaal) werkelijk betekenis hebben. Daarom was mijn ontsnapping in de verbeelding de ontsnapping van een gevangene en niet het verraad van een deserteur, om opnieuw Tolkien te citeren. Die laatste, de deserteur, vlucht omdat hij zijn land haat, de eerste ontsnapt omdat hij van de buitenwereld houdt. Oh, toen ik uiteindelijk gepest werd deserteerde ik ook wel eens, niets menselijks is mij vreemd, tenslotte.
Maar dat waren andere fantasieën. Het waren fantasieën waarin ik zelf heel succesvol was, waarin ik pesters in elkaar sloeg of opeens beroemd schrijver was. Het was de fantasie zoals C.S. Lewis die beschrijft van kinderboeken die zich op scholen afspelen. ‘There are two kinds of longing,’ zegt hij in On Three Ways of Writing for Children. ‘The one is a spiritual exercise and the other is a disease.’ De tweede, die van de realistische verhalen, doet kinderen ernaar verlangen de beste van de klas te zijn, en het meisje te versieren, en doet mannen ernaar verlangen succesvol zakenman te zijn, een sportauto te rijden of overspel te plegen. ‘I never expected the real world to be like the fairy tales’, geeft Lewis toe. ‘I think that I did expect school to be more like the school stories.’ Als een romanpersonage dat soort dingen ongestraft kan doen, dan jij toch ook?
De fantasieën van Walter Mitty in het begin van deze film horen tot deze categorie. Ze gaan over hemzelf. Hij stelt zich bijvoorbeeld voor hoe hij de vervelende manager een lesje leert in een gevecht als in een Matrix-film. Het is de vlucht van een deserteur. En deze fantasieën houden hem gevangen. Want ze helpen Walter niet zichzelf waardevol te vinden, maar maken hem juist teleurgesteld in zichzelf. Hij denkt dat hij oninteressant is, en niks bijdraagt: maar hij heeft ondertussen een fascinerende baan bij een mooi tijdschrift, een collega die ook een vriend is, hij zorgt trouw voor zijn moeder en is er voor zijn zus. Hij denkt dat niemand van hem kan houden, maar het is duidelijk dat Cheryl in hem geïnteresseerd zou zijn, als hij zichzelf maar zou zien door haar ogen (ook dat is voor mij trouwens pijnlijk herkenbaar).
Er is gelukkig ook een tweede vorm van fantasie, die niet leidt tot passieve aanvaarding, maar tot actie, tot opstand tegen het kwaad. Het is verbeelding, fantasie, die iemand inspireert en tot daden aanzet. Want om iets aan je omstandigheden te veranderen, moet je je eerst kunnen voorstellen dat ze anders zouden kunnen zijn. Het kenmerk van deze tweede vorm van fantasie is dat het niet op zichzelf gericht is, niet zelfzuchtig is. Ze geeft juist de dingen buiten ons betekenis, en stimuleert ons ernaar te verlangen. Ze suggereert ons dat het leven de moeite waard is. Opnieuw Lewis: “Fairy land arouses a longing for he knows not what. It stirs and troubles him (to his life long enrichment) with the dim sense of something beyond his reach and, far from dulling or emptying the actual world, gives it a new dimension of depth. He does not despise real woods because he has read of enchanted woods. Thsi reading makes all real woods a little enchanted.
En ook deze vorm van verbeelding komt in deze film aan bod. Namelijk als Walter zich Cheryl voorstelt en hoe zij hem aanmoedigt een helikopter in te gaan. Zijn verbeelding is gericht op iets buiten hem, en hij ontdekt door zijn verlangen te volgen waartoe hij allemaal in staat is. Hij ontdekt wie hij eigenlijk is. Hij was namelijk ooit sportief en scateboarde, maar is dat kwijtgeraakt. Nu vind hij het terug. Ikzelf schreef heel lang verhalen, tot ik het kwijtraakte. Door boodschappen van anderen. Juist boodschappen die de fantasie afwezen. Ik dacht dat wat bij mij hoorde niets waard was, en dat ik mijn plicht moest doen. Ik begroef, net als Walter, mijn verlangen, omdat ik dacht dat er iets mis met mij was. Ik moest net als hij op een punt komen dat ik me voorstelde dat ik elk moment kon sterven, en me dan de vraag stellen wat ik het liefst van alles wilde doen. Voor mij was dat schrijven. En dus ging ik het weer doen. En dat leidde ertoe dat ik mezelf meer ging aanvaarden. Er was nooit iets mis geweest met mij. Ik was altijd, ook toen ik het zelf niet kon zien, een waardevol mens geweest. Net zo met relaties. Ik moest op het punt komen dat ik besloot dat ik 'ziek en moe was van ziek en moe te zijn'. Maar voor ik durfde een meisje uit te vragen, moest ik gaan verlangen. In plaats van met mij en mijn onvermogen bezig te zijn, moest ik gaan zien dat iemand anders zo goed was dat ik voor haar de sprong in het diepe wilde maken. Ik moest me kunnen voorstellen dat een relatie waardevol was, voor ik daar een risico voor wilde nemen. Het risico bleek gelukkig de moeite waard te zijn!

Dit is ook het punt van de film. De boodschap is niet dat Walter op reis moest gaan, dat hij avonturen moest beleven, om dan pas waardevol te zijn. De boodschap is niet dat hij pas interessant is voor vrouwen, als hij uit een helikopter is gesprongen en in de Himalaya heeft gereisd. Ik zie dit bevestigd als Walter eindelijk de medewerker van eHarmony ontmoet, die hem de hele film al heeft lastig gevallen omdat hij op zijn profiel niet heeft ingevuld waar hij geweest is en wat hij gedaan heeft. Deze man lijkt zelf ook geen avontuurlijk type, maar is meer een stereotype nerd, die achter de computer zit.
Nee, de boodschap is dat Walter al vanaf het begin waardevol, interessant en menselijk was als zichzelf. Altijd al. Maar hij wist het niet van zichzelf (door boodschappen uit zijn omgeving). Dus zijn avonturen gaven hem geen waarde, ze openden alleen zijn ogen voor de waarde die hij al had. Fotograaf Sean zegt het ergens in de film dat ‘Beautiful things don't ask for attention’. Je eigen schoonheid dus ook niet. Dus moet je die leren zien, leren waarderen. De ongezonde fantasie zorgt dat je je vergelijkt met anderen die succesvoller zijn dan jij, rijker, gelukkiger in de liefde. De gezonde fantasie zorgt dat je de betekenis ziet in alles en iedereen, in schoonheid, waarheid en intimiteit, en dus ook in jezelf - als jezelf, niet als een ideaal.
Wat Walter tijdens de film nastreeft, waar hij naar op zoek is, bevindt zich dus dichter bij huis dan hij zich kon voorstellen. Letterlijk en figuurlijk. Maar soms moet je een omweg bewandelen om te ontdekken wat altijd al waar was. Het geheime leven van Walter Mitty is niet het leven in zijn fantasie, maar het waardevolle leven dat hij al leidde, maar dat voor hemzelf nog een geheim was. Hij had een ander nodig die het voor hem kon waarnemen. Een fotograaf.
Een van de mooie scenes in de film (een van de vele) vindt plaats in de Himalaya, waar fotograaf Sean en een groep dragers bivakkeren. Aan het eind van de dag gaan ze een potje voetballen. Walter wordt gevraagd om mee te doen. Dat is volgens mij het moment van overgave. Hij bevindt zich namelijk op zijn dieptepunt, heeft zijn hoop verloren, maar wordt toch gevraagd om mee te spelen. Spelen is iets fundamenteel ander dan werken. Daar heb ik op mijn blog ook al over geschreven. Spelen vraagt van je dat je gewoon jezelf bent. En dat is Walter, onder de Oosterse zon, hoog in de bergen, ver van huis, een mens onder de mensen.
Ik herinner me zelf hoe ik in India de vraag kreeg of ik mee wilde volleyballen. En daar stond ik even later aan het eind van de middag op een veldje, tussen allemaal Indiase jongens, geen westerling te bekennen, de hemel oranje, palmbomen hun toppen boven de muren uitstekend, en ik sloeg een bal over het net heen. Ik heb weinig momenten me zoveel momenten gewoon ‘Johan’ gevoeld als toen. En dat moment van zelfacceptatie hielp me om terug in Nederland ook mezelf te blijven accepteren.
Zo ook met Walter als hij terugkeert. Hij vlucht niet meer in zijn fantasieën, maar zegt de veranderingsmanager wat hij vindt, en hij vraagt Cheryl of ze met hem uit wil gaan. En dat hoewel hij is ontslagen. Hij leeft. En zijn fantasie is nu niet meer een vlucht, maar hoort bij het leven zelf. Walter kan weer scateboarden, hij kan weer tekenen, hij kan weer creatief zijn. Dit is de quintessence van ‘Life’ - zoals de leus van het tijdschrift zei: ‘To see the world, things dangerous to come to, to see behind walls, draw closer, to find each other, and to feel. That is the purpose of life’. Ik kan me hierbij aansluiten. Ikzelf zie deze maanden ook weer een lang gekoesterde droom in vervulling gaan, met de kans om meer tijd aan schrijven te besteden. Ik kan steeds vaker de vlaggen verzetten, met aandacht leven voor anderen, de natuur, maar ook mezelf. En dat, dat bewustzijn, is wat leven inhoudt. 

zondag 8 december 2013

Harry Potter en het sacramentele wereldbeeld

Volgens mij is de ophef over de Harry Potter-boeken wel een beetje afgenomen. Het laatste boek en de laatste film zijn al weer van jaren geleden (hoewel er sprake is van een verfilming van Fabeldieren en waar ze te vinden), en J.K. Rowling richt zich op het schrijven van romans en thrillers. Hoewel de boeken nog worden gelezen (ik keek laatst in de trein per ongeluk op iemands e-reader en las het woord ‘Dumbledore’), hoor ik niet meer zoveel mensen erover praten. De groep voor wie de boeken waren geschreven, is overgestapt op de Twilight-boeken en de Hunger Games-serie. De Harry Potter-serie neemt rustig zijn plek in de bibliotheek in naast de andere klassieke kinder- en tienerverhalen.
Ook in de christelijke wereld is er nu gelukkig minder over te doen dan een paar jaar geleden. Rowlings opmerking dat ze zichzelf als christen identificeert, maar daar geen ruchtbaarheid aan wilde geven zodat mensen niet het slot van het laatste boek konden raden, nam het scherpste van het randje al weg. En het lijkt erop dat het angstscenario van evangelische commentatoren, namelijk dat de lezers van de boeken massaal interesse in wikka en hekserij zouden krijgen, niet is uitgekomen. Kennelijk was de toverij in deze boeken inderdaad de toverij uit de sprookjes van Grimm en Anderson, van bezemstelen en ketels, leuk voor op het speelplein maar door niemand met het echte leven verward. Zoals niemand die de boeken las, hoe jong ook, de draken die er in beschreven worden, voor echte dieren aanzag.
De populariteit van de serie heeft zich niet eens vertaald in een stortvloed van boeken over tovenaars, heksen en magie. Ja, het ‘young adult’-genre is een stuk populairder geworden in de tussentijd, vol vlot geschreven series die ook door volwassenen veel worden gelezen. Maar het element uit de Harry Potter-serie dat is overgenomen is niet de tovenarij, maar de jonge hoofdpersoon die samen met vrienden over het verloop van meerdere jaren zijn identiteit moet vinden en een samenzwering uit de maatschappij moet ontmaskeren. En daarvan is alleen het ‘over meerdere jaren’-aspect echt nieuw. Eigenlijk het feit dat de verhalen het leven van een puber weerspiegelen, die ook de eigen identiteit moet vinden en ondertussen tegen verwachtingen en idealen van de maatschappij moet opboksen. Op dit moment zijn geen toververhalen populair, maar de verhalen over de ‘Hunger Games’, en andere apocalyptische en dystopische scenario’s. Het blijkt dus al met al een storm in een glas water te zijn geweest. Waren daar al die panische artikelen en ingezonden brieven nu voor nodig?

Maar de wortel waar de anti-Potter-hetze uit opbloeide, bevindt zich nog steeds in het denken van sommige christenen. Ik hoorde laatst van familieleden van mij dat er bij hen in de kerk mensen zijn die hun kinderen weigeren de Hobbit of Lord of the Rings-films en boeken te laten lezen of zien, en zelfs de Narnia-boeken niet willen voorlezen, omdat die in hun ogen occult zouden zijn. Laat staan de Harry Potter-verhalen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik, ondanks de oproepen van Paulus dat ik geen offervlees moet eten in het gezelschap van andere gelovigen die dat nog als zonde zien, hier wel hoofdpijn van krijg.
En het maakt me somber over de evangelische, charismatische kerk in Nederland. Want kennelijk accepteren die niet dat C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien christenen waren (en J.K. Rowling ook), die geloofden in dezelfde God en dezelfde verlosser als zij. Ze zien er geen been in deze schrijvers die velen in contact hebben gebracht met christelijke leer en beeldspraak, ervan te beschuldigen occult te zijn, dat is: in verbinding met boosaardige machten. Ik vind dat nogal een belediging. Als je weet dat deze mensen belijdende christenen zijn, kun je ze minstens het voordeel van de twijfel bieden. Zei Paulus niet: ‘Laten we voor iedereen het goede doen ... vooral voor onze geloofsgenoten?’ (Galaten 6:10). Christenen kunnen geen occulte boeken schrijven. Ooit zei iemand tegen mij dat alle SF ‘New Age’ is, en lezers in contact brengt met geleidegeesten. (SF is helemaal niet ‘New Age’, maar diep modern en materialistisch, maar dat ter zijde). Ik antwoordde: ‘Maar ik schrijf ook SF. Ik ben christen, en heb niets met New Age. Mijn verhalen dus ook niet. Hoe kan dan alle SF ‘New Age’ zijn?’. Logica.
Nog erger, in mijn opinie, is dat deze mensen kennelijk nooit geleerd hebben een verhaal te lezen. Ze denken dat een verhaal een beschrijving van de waarheid is, als journalistiek. Dus dat als in Narnia over dwergen wordt geschreven, dat dit bovennatuurlijke ‘veldgeesten’ zijn uit onze wereld. En dat als Rowling over toverstafjes schrijft, dat kinderen dus echt willen proberen te toveren (in plaats van te spelen dat ze toveren). Ik heb er mijn familieleden niet naar gevraagd, maar als deze mensen consequent zijn, vertellen ze hun kinderen ook geen sprookjes, zoals die over Roodkapje of Hans en Grietje. Die zou je immers ook met de werkelijkheid kunnen verwarren. Het niet kunnen lezen van verhalen als verhaal is volgens mij echter niet onschuldig. Want verhalen voorzien ons denken van beelden. Verhalen schenken aan begrippen en woorden betekenis, maken ze voor ons levend. Ze zorgen dat ons denken en spreken inhoud heeft, dat het wat voorstelt. Verhalen zijn de manier waarop we onze wereld leren begrijpen. C.S. Lewis schrijft het over het verhaal van zijn vriend Tolkien: “Een kind geniet van zijn koude vlees, dat anders smakeloos zou zijn, door te doen alsof het een bizon is, die hij juist met zijn eigen pijl en boog gedood heeft. En het kind is verstandig. Het echte vlees wordt smakelijker, doordat het in een verhaal is gedompeld… ‘The Lord of the Rings’ past deze behandeling toe op goed en kwaad, onze eindeloze gevaren, onze angsten en onze vreugdes. Door ze in mythe te dompelen zien we ze duidelijker.”

Wie verhalen niet ziet en waardeert als verhalen, leeft volgens mij in een heel ‘platte’ werkelijkheid. Een werkelijkheid die niet meer is dan wat je kunt zien en aanraken. En daardoor ook een werkelijkheid waarin je niet kunt verlangen naar iets anders dan wat je kunt zien en aanraken. Het is ironisch, want het betreft hier evangelische, charismatische christenen, waarvan je zou denken dat ze juist niet alleen in het materiële, het waarneembare geloven. Maar als je goed kijkt, zie je volgens mij dat ook hun geloof ‘plat’ is, dat het element van ‘betekenis’, van verwijzing naar iets groters, eraan ontbreekt.
Ten eerste wordt de bijbel in dit soort kerken heel letterlijk uitgelegd, zonder oog voor literair genre en beeldspraak. Het is aantoonbaar dat de bijbel een literair werk is, met veel stijlfiguren, en dat sommige gedeeltes lijken op apocalyptische literatuur of mythologische verhalen. Wie de bijbel zo leest, en zoekt naar een dieper betekenisniveau, is in de ogen van deze gelovigen echter geen christen te noemen. Maar als ik The Lord of the Rings lees, hoef ik toch ook niet te geloven dat het letterlijk heeft plaatsgevonden om er belangrijke lessen uit te leren? Tolkien merkt op dat hij als kind nooit dacht dat de draken waar hij over las echt waren: ‘Ik heb mij zelf nooit verbeeld dat de draak van dezelfde orde was als het paard’ (Over sprookjesverhalen). Volgens mij was het Lewis die zei dat sprookjes kinderen niet leren dat draken bestaan, maar dat ze verslagen konden worden. Een letterlijke bijbeluitleg brengt deze gelovigen ook nog eens in conflict met wetenschap en mensen die wel de werkelijkheid kennen - en die confrontatie loopt vaak nadelig af voor ze. De werkelijkheid wordt waargenomen door de wetenschappelijke instrumenten (een verlenging van onze zintuigen). Wat de bijbel doet (en waarom het belangrijk is dat de bijbel een verhaal is), is aan te geven waarom deze werkelijkheid er is. Wat ze betekent en wat ons leven daarom betekent. En dat aspect delft in deze kerken bij discussies over letterlijkheid vaak het onderspit.
Ten tweede doet in deze kringen vaak een vorm van welvaartsevangelie opgeld: het gaat volgens hen ook in het leven van een christen om lichamelijke gezondheid, een goede baan, en geld. Dat is ook waar het in de preken in deze kerken over gaat (geeft u wel uw tienden? Bent u wel onderdanig aan uw oudsten?). Een christen moet tastbare, meetbare dingen doen, en krijgt daar tastbare, meetbare dingen voor terug. Dat er zaken meer belangrijk kunnen zijn dan hoe gezond je bent, of hoe voorspoedig, lijkt niet te worden geloofd. En zo verrichten ze eigenlijk zelf een soort van magie met het bovennatuurlijke, juist omdat ze magie niet uit verhalen hebben leren herkennen. C.S. Lewis wees er al op dat de verlangens die door sprookjesverhalen worden opgewekt eigenlijk onschuldiger zijn dan de verlangens die door schijnbaar ‘realistische verhalen’ worden aangesproken. ‘I never expected the real world to be like the fairy tales. I think that I did expect school to be more like the school stories”, schrijft hij in On Three Ways of Writing for Children. “The boy reading the school story desires success and is unhappy, once the book is over, because he can’t get it. The boy reading the fairy tale desires and is happy in the very fact of desiring. For his mind has not been concentrated on himself, as it often is in the more realistic story.’ Die teleurstelling ervaren christenen in deze kringen vaak als ze toch ziek worden of financiële tegenslag ervaren. Er is ook weinig begrip voor mensen die ADHD of depressie hebben, zij zouden door demonen bezeten zijn. Wie arm is, heeft niet genoeg gegeven. En de gelovigen hebben niet de beelden meegekregen uit de bijbel waarmee ze in deze omstandigheden hoop kunnen houden in wat niet gezien kan worden.
Het is eigenlijk tragisch om in zo’n platte werkelijkheid te leven, omdat je jezelf dan ook noodzakelijk als plat moet zien en alleen maar met transactionele handelingen bezig kunt zijn.

Volgens mij zijn christelijke systemen die verhalen niet kunnen accepteren, inherent transactioneel van aard. En het is niet toevallig dat schrijvers als Chesterton, Tolkien en Lewis juist uit ‘high church’-omgevingen komen, die meer sacramenteel van aard zijn. Hetzelfde geldt voor J.K. Rowling. Tot de kern van hun geloofsleven behoort het feit dat gebeurtenissen en handelingen niet transactioneel zijn, maar sacramenteel. Dat ze niet iets veranderen in de werkelijkheid, maar dat ze de werkelijkheid zichtbaar maken. Ze verwarren niet het beeld met de werkelijkheid, maar zien de werkelijkheid in het beeld. Daarom konden ze verzonnen verhalen schrijven, die toch iets weergeven van wat waar is.
Maar, let op: hun verhalen waren geen ‘christelijke allegorie’, zoals bijvoorbeeld ‘De Christenreis naar de Eeuwigheid’ (een verhaal dat soms nog wel wordt gelezen door christenen die verder verhalen afwijzen). In de Christenreis staat iets altijd direct voor iets anders, het verhaal is een puzzel die ontcijferd moet worden. Maar daarmee is het eigenlijk ook transactioneel geworden. Als je de puzzel hebt ontcijferd, is het namelijk net zo plat als een theologische tekst. Het is als een rekensom op de basisschool: Jan heeft twee appels, hij krijgt er drie bij. Hoeveel heeft hij er nu? Dit is niet anders dan de som 2 + 3 = 5. Er werden andere woorden voor gebruikt, maar het is nog steeds een formule. Daarom dat iemand als Tolkien allegorie verafschuwde. Zijn boek kon niet ontcijferd worden door bijvoorbeeld de ring te zien als allegorie voor atoomenergie. De ring is een beeld waarin waarheid zichtbaar wordt, maar het is een diepere waarheid. Een over het menselijke hart, en het gemak waarmee we verleid kunnen worden door allerlei vormen van macht. Een waarheid die door de ring invoelbaar wordt gemaakt, die we anders niet zo zouden kunnen ervaren. De waarheid van de ring zit hem in het feit dat we iets van onszelf erin herkennen, niet in een een-op-een betekenis.
Tolkien had daarom ook een hekel aan Lewis’ Narniaverhalen, omdat hij die betichtte van allegorie. Aslan is Jezus, Jadis is de duivel, en ga zo maar door. Maar zo had Lewis ze niet bedoeld. Aslan is geen allegorie voor Jezus. Het verhaal is bedoeld te beschrijven wat er zou gebeuren als Jezus een andere wereld dan de onze zou binnenkomen in de vorm van een leeuw. Niet om een parallel te zijn van onze wereld. Ook hier wordt veel van de waarheid zichtbaar in de persoon van Aslan, zonder dat de beeldspraak als een puzzel kan worden opgelost. Deze waarheden moeten worden opgevangen met hulp van de verbeelding, niet met het intellect. Zoals geloof in het algemeen ook meer een functie is van onze beeldenwereld, ons verlangen, en niet van ons intellect als zodanig. De verhalen van Lewis en Tolkien zijn sacramenteel.
Lewis en Tolkien konden daarom ook beelden gebruiken uit niet-christelijke verhalen en legendes, zoals Griekse goden, faunen, sprekende dieren, vallende sterren, zeeslangen, dwergen en elfen. Want ze zagen de hele werkelijkheid als sacramenteel. Ze zagen geen onderscheid tussen een christelijke en een niet-christelijke werkelijkheid. Er was dus ook geen ‘christelijke’ literatuur, onderscheiden van een ‘seculiere’ literatuur. C.S. Lewis zegt: ‘Boiling an egg is the same process whether you are a Christian or a Pagan. In the same way ... whatever Christian literature chose to do would have to be done by the mean common to all literature; it could succeed or fail only by the ame excellences and the ame faults as all literature; and its literary success or failure would never be the same thing as its obedience or disobedience to Christian Principles.’ Natuurlijk maakten deze schrijvers dit onderscheid niet, want ze zagen de hele werkelijkheid als Gods werkelijkheid. God was volgens hen niet boven de werkelijkheid verheven als de naaister uit het beeld van Robert Farrar Capon, maar bevindt zich onder de geschiedenis, waarin hij als een ijsberg zich soms laat zien. Omdat wij door God geschapen zijn is het volgens Tolkien eigenlijk onvermijdelijk dat onze mythen een versplinterd fragment weerspiegelen van het werkelijke licht. “Onze mythen koersen, zij het vaak zigzaggend, naar de ware haven.” We leven in een groot verhaal, een verhaal dat God vertelt, en dat in Jezus zichtbaar is geworden. Maar dit verhaal levert ook de bouwmaterialen voor alle verhalen die wij zelf aan elkaar vertellen.
Ik ben er zelf van overtuigd dat elk goed verteld verhaal daarom verwijst naar het grote verhaal, ongeacht de religieuze overtuiging van de verteller. Niet voor niets komen thema’s als de overwinning van de zwakke, belangeloze opoffering, opstanding uit de dood, of het loon van de zonde, zo vaak terug in sprookjes, films en boeken. Sla een gemiddeld fantasyboek open en je struikelt erover. In mijn eigen ervaring hebben veel ‘christelijke’ films en boeken juist minder te maken met het grote verhaal. Ze zijn daar net als de schoolverhalen waar Lewis naar verwijst veel te plat voor. Ze suggereren dat God je geneest als je maar bidt, of dat je weer contact krijgt met je kinderen als je de bijbel leest. Ze zijn transactioneel. Terwijl een film als The Hunger Games Catching Fire me juist laat verlangen naar rechtvaardigheid, vrijheid en opoffering. Dat verhaal is sacramenteel. God wordt erin zichtbaar. Christenen hoeven dus niet alleen verhalen te lezen die christelijke symboliek bevatten of allegorisch zijn, ze kunnen de christelijke waarheid herkennen in elk verhaal dat ze lezen.
Wie Jezus kent, ziet zijn gezicht overal in terug.

Degene die Jezus kent, zal hem dus al helemaal kunnen terugzien in de Harry Potter-boeken en -films! Niet alleen omdat de schrijfster christen is en heel belezen (waardoor ze veel symboliek gebruikt, onder andere die van de alchemie. John Granger, op internet bekend als de ‘Hogwarts professor’, heeft hele boeken geschreven over de diepere laag en de betekenis van deze verhalen en de diepere symboliek ervan). Maar ook omdat de overwinning op het kwaad in deze verhalen altijd wordt bereikt, niet op een transactionele wijze, maar op een sacramentele wijze. Oh, er is in deze verhalen sprake van sprookjesmagie, met toverstokjes en latijnse woorden. En vliegende bezemstelen. Dat is allemaal bovendien erg onderhoudend. Maar deze transactionele magie (ik verricht een handeling, en daarmee verander ik de werkelijkheid) is in de verhalen nooit effectief tegen het kwaad. Uiteindelijk wordt het slechte alleen overwonnen doordat iets vanuit een diepere werkelijkheid zichtbaar wordt in voorwerpen of mensen. En dat iets is eigenlijk steeds: opofferende liefde.
Al in de eerste verhalen is Harry beschermd tegen Voldemort doordat zijn moeder zich voor hem heeft opgeofferd, en dat heeft hem onvatbaar gemaakt voor de dodelijke vloek. In het tweede verhaal is het de phoenix, die is gestorven, maar weer tot leven is gekomen, die Harry op het moment dat zijn nood het hoogst is, komt redden. In het derde boek verschijnt de patronus in de vorm van een hert, de patronus van Harry’s vader, en verjaagt in een wonder alle dementors. Ga zo maar door, tot Harry’s eigen eindoverwinning. Die behaalt hij niet door zijn toverkracht, maar door overgave. Zoals in elk goed verhaal wint de ‘underdog’ in de vorm van wat Tolkien een ‘eucatastrofe’ noemt, een plotselinge wending, waarbij in het verhaal een glimp doorbreekt van de waarheid, en alle dingen hun eigen naam krijgen. Het is Voldemort, die puur op transactionele magie vertrouwt, die in deze verhalen steeds bedrogen uitkomt. Lees de Harry Potter-boeken nog maar eens na: ze zijn ten diepste sacramenteel, en dus verwijzen ze naar het ware sacrament.

In mijn volgende artikel ga ik dieper in op de verfilming van Harry Potter and the Prisoner of Azkaban.

maandag 5 augustus 2013

Gedicht: Sprookjesbos

Sprookjesbos

Licht uitgegoten over de struiken
Blauwe lucht. Achter de bladeren
met klimop begroeide torens.
Het suizen van een zachte koelte
bij het water. Witte lelies.
We zijn allemaal verdwaald,
met grote ogen. Zien kobolden
naast ridders lopen. Een soldaat
praat met een gentleman.
Elfjes dansen op de harpmuziek
met dwergen, indianen, superhelden
zonder onderscheid. De klemmen
van de wereld zijn vergeten. Distels
zijn verdord. Het vijgenblad is weg
en ieder toont zijn ware aard,
is meer zichzelf, hoewel verkleed.
En ik zie in de schoonheid buiten
de wereld van mijn hart weerspiegeld
lach met overgave, eet en drink
van goede spijs en godendrank.
Mijn ziel raakt vol, maar houdt niet vast.
Ik hoef mezelf niet te beschermen,
ik ben uniek maar niet alleen, leef,
deel uit mijn hart zonder te verdrogen.
Het is genoeg dat ik er ben, denk niet
aan morgen, toch vliegt de tijd.
Ik moet de hof een keer verlaten
me vermommen door normaal te zijn.
We zijn verloren wat ons mensen maakte
hebben genot geruild voor plastic kralen
spiegels die maar één beeld tonen,
grijs beton en plichtsbesef. De honger
van ons hart wordt slechts nog gevuld
door spel, door doen alsof.
Maar het is echter dan we denken.
De sprookjes zijn waar.

Castlefest, 3 en 4 augustus 2013

donderdag 4 juli 2013

Gedicht: Adem

Adem

Niets is ooit alleen een hond,
een huis, een mens.
Maar vader, kind
of echtgenoot.
Het oog schept wat het ziet.
De werkelijkheid
door liefde uit het niets geroepen,
krijgt vorm, wordt tastbaar,
levensecht.
De huls krijgt inhoud
ingeblazen
en blijft bestaan
zolang de liefde leeft.

(Geïnspireerd door de film 'Finding Neverland')

vrijdag 23 maart 2012

Links: Titanic, Blood and Chrome, de hemel als tuin en kerkverlating

Volgende maand is het een eeuw geleden dat de Titanic zonk. Op deze prachtige hoge resolutie-afbeeldingen is het wrak in zijn volle (vergane) glorie te bewonderen.

Ik ben nogal fan van de TV-serie Battlestar Galactica. Het vierde seizoen heb ik bijna helemaal afgekeken. Hoewel het ondertussen wel duidelijk begint te worden hoe de geschiedenis van dit universum in elkaar steekt, wordt er toch een serie over gemaakt: Blood and Chrome. Ik ben wat cynisch over de verhaaltechnische mogelijkheden (welke verrassingen zijn er mogelijk?), maar ik moet toegeven: de trailer ziet er gaaf uit!

Er komt een nieuwe verfilming van klassieker 1984 - waarvan de boodschap de laatste jaren niet minder actueel is geworden.

Goed nieuws voor fantasyliefhebbers (zoals schrijver dezes): het kijken van fantasyfilms (en het lezen van fantasyboeken) zoals de Harry Potter-boeken stompt kinderen niet af, maar stimuleert juist hun creativiteit en verbeelding. Dit is nu wetenschappelijk aangetoond! Zoals een van de onderzoekers zegt: "Magical thinking enables children to create fantastic imaginary worlds, and in this way enhances children’s capacity to view the world and act upon it from multiple perspectives. The results suggested that books and videos about magic might serve to expand children’s imagination and help them to think more creatively."

De atheist in deze video heeft het goed begrepen: 'Non-violence was kind of Jesus his trademark." (Daarom dat ik ook geloof dat zwakheid de kern is van het Grote Verhaal).

Wim de Bruin vergelijkt het komende koninkrijk met een tuin - "Ik stel me zo voor dat het Nieuwe Jeruzalem een plek is waar tuinman de hoogste plek is die je op de maatschappelijke ladder kunt bereiken. Met je vingers in de grond, bezig met al met moois dat in de Schepping opgesloten ligt. Zonder je handen open te halen aan dorens en distels." Dit heeft grote gevolgen voor het leven nu: "Hoe meer ik uitzie naar de tuinstad waar onze tuin bevloeid wordt door het levende water dat onder de troon van God vandaan komt, met een levenskracht die zelfs van de dode zee een visrijk water weet te maken (Ezech. 47), hoe meer ik moeite krijg met activiteiten die de zee van nu visarm maken, plastic soep in de oceaan, uitgeputte gronden in de tropen voor ons veevoer, overbemeste gronden in Nederland... Er is geen betere motivatie om verantwoord te produceren en consumeren dan het uitzien naar de toekomst van God." Amen!

Rachel Held Evans somt eerlijk vijftien redenen op waarom ze uit de kerk is weggegaan. Niet helemaal dezelfde als de mijne, maar toch herkenbaar. Ze heeft ook vijftien redenen waarom ze weer naar de kerk (wellicht in een andere vorm) wil terugkeren. Vooral de laatste spreekt me aan.

Voormalig Amerikaans president Carter heeft interessante gedachten over de bijbel, waar ik me voor een groot deel in kan vinden. Zijn conclusie? Het gaat niet om het volgen van een dogma, maar om het doen wat Jezus deed: je identificeren met de zwakke en verbrokene. "The example that I set in my private life is to emulate what Christ did as he faced people who were despised like the lepers or the Samaritans. He reached out to them, he reached out to poor people, he reached out to people that were not Jews and treated them equally. The more despised and the more in need they were, the more he emphasized that we should go to and share with them our talent our ability, our wealth, our influence. Those are the things that guide my life and when I find a verse in the Bible that contradicts those things that I just described to you, I put into practice the things that I derive from my faith in Christ."

vrijdag 16 maart 2012

Filmbespreking: John Carter

Er worden genoeg sciencefictionfilms gemaakt tegenwoordig, vooral als je de superheldenfilms daar ook onder schaart (en deze gaan vaak over wetenschappelijke doorbraken, bizarre technologie of genetische mutaties, wat vaak terugkerend thema’s zijn in SF-verhalen). Maar de meeste van deze films gaan over invasies van buitenaardse wezens in onze tijd, of ze laten een totalitaire samenleving uit de nabije toekomst zien. Ze spelen zich af op onze planeet, en vaak ook nog in het begin van de 21ste eeuw. Dat betekent niet dat het geen leuke, of interessante films zijn - sommig ervan horen tot mijn favorieten. Maar deze verhalen missen een element dat kenmerkend is voor de sciencefictonliteratuur, het gevoel van ontzag en verwondering, in het Engels ‘sense of wonder’. De ervaring dat je je adem inhoudt als de hoofdpersoon de luchtsluis opent en voor het eerst voet zet op een vreemde planeet. De vervreemding van het zien van groene luchten en zwarte boombladeren, van zesbenige paarden en blauwe reuzen. De sensatie van nederigheid bij de confrontatie met een glanzende monoliet of een ruimtebasis zo groot als een maan. Het gevoel even in een andere wereld te zijn.
Volgens schrijvers als G.K. Chesterton en J.R.R. Tolkien helpt dit gevoel van verwondering ons om het wonder te zien van de wereld waar wij zelf in leven. Als we ons verbazen over het zwarte gras op een buitenaardse planeet, staan we misschien ook wel weer versteld dat het gras bij ons groen is. Als we onder de indruk zijn van zesbenige paarden, zijn we het misschien ook weer van vierbenige paarden. Op deze manier helpt de beste sciencefiction ons weer een heldere blik te krijgen op de uniekheid van de werkelijkheid buiten ons - ze verplaatst ons even uit de wereld binnen ons hoofd, waar we bezig zijn met onze eigen belangen, onze eigenwaarde, ons ‘ego’, en geeft ons oog op de concrete voorwerpen, planten, mensen die los van ons bestaan. Als wij ons daarover verwonderen, geven we ze betekenis, en dit is een vorm van liefhebben.
Volgens mij is verwondering een ervaring die hoort bij het menszijn en een die vooral christenen zouden moeten kunnen waarderen. Wie zich niet over Zijn schepping kan verwonderen, verwondert zich immers niet om de Schepper. En nee, die verwondering kan niet abstract blijven. Je kunt je niet verwonderen over de ‘schepping’ als zodanig, alleen over de unieke, individuele onderdelen ervan. Daar begint de liefde. Als je die unieke delen leert waarderen, ontwikkel je waardering voor het geheel van het kunstwerk, en voor de Kunstenaar van wie het afkomstig is. Wie geen bewondering heeft voor het unieke, wie de waarde van het individu niet kan inzien, ziet ook niet de waarde in van het geheel. Die trekt zich terug in zichzelf, en houdt zich alleen bezig met zijn eigen belangen. Hij laat de wereld achter, of ziet die als instrument om zijn eigen ego te dienen, en weg te gooien als hij zijn doel heeft gediend.
Helaas worden er weinig films gemaakt die zich ver in de toekomst afspelen, en/of op andere planeten. Dit jaar is wat dat betreft een erg goed jaar, met later in het jaar Prometheus van Ridley Scott, en nu al John Carter: een film die zich dan wel afspeelt in het verleden, maar is gesitueerd op Mars. Niet het levenloze Mars dat we kennen op basis van onze wetenschap, maar het Mars zoals de eerste SF-auteurs zich voorstelden: een woestijnwereld bewoond door oude beschavingen, met de resten van hoge cultuur en technologie die niet van magie is te onderscheiden. Een plek waar nog avontuur mogelijk was, en waar heldendaden konden worden verricht. Een wereld die als geen ander bij haar lezers van toen het gevoel van verwondering opwekte. En het is geen toeval dat die wereld in deze film in beeld wordt gebracht, want het is een verfilming van een van die oorspronkelijke verhalen: A Princess of Mars van Edgar Rice Burroughs (de schrijver van onder andere Tarzan).

De film begint echter niet op Mars, maar op Aarde, waar een cynische veteraan John Carter (hij vocht tijdens de burgeroorlog voor de verliezende zuidelijken) aanwijzingen heeft waar hij een grot vol goud kan vinden. Zijn doel is zich met dat goud van de wereld te kunnen terugtrekken. Maar zijn lot kan hij niet zo makkelijk ontlopen. Als hij in de grot terecht komt vindt hij een zilveren medaillon. En door dat aan te raken wordt hij verplaatst naar een vreemde zanderige wereld met twee manen en een veel geringere zwaartekracht. Bij het verkennen van zijn nieuwe omgeving wordt hij gevangen genomen door een bizar groen wezen met vier armen. Hij blijkt zich te bevinden op Barsoom, de naam van de lokale bevolking voor Mars. Hij beschikt hier over een grotere kracht dan op Aarde, en kan enorme sprongen maken. Eigenschappen die hem snel tot oorlogsleider van de intelligente reptielen maken.
Barsoom wordt echter ook bewoond door mensen. Mensen die, hoe kan het ook anders, in een oorlog verwikkeld zijn. De leider van een roofzuchtig volk heeft een mysterieus wapen in handen gekregen, en bedreigt nu de vrije stad Helium. Zijn prijs? Een huwelijk met Dejah Thoris, strijder, wetenschapper en dochter van de koning. En niet van zins te trouwen met een schurk. Haar vlucht wordt ontdekt en haar luchtschip aangevallen. John Carter komt echter tussenbeide. Dejah ziet in hem de mogelijke bevrijder voor haar volk, maar Carter wil niets liever dan terug naar zijn grot met goud op Aarde. Zijn antwoord is gelegen in het mysterieuze medaillon. Samen met Dejah en een van de vierarmige wezens reist hij naar een van de weinige rivieren die op Mars is overgebleven, een waterstroom die voert naar de poort van Issis. Daar zal de aardman een levensveranderende keuze maken ...

Ik had vrij hoge verwachtingen van de film. Niet alleen omdat hij gebaseerd is op een klassieker uit het genre, maar ook omdat hij gemaakt is door de regisseur van mijn favoriete SF-film ooit: Wall-E! Hoewel John Carter die belofte niet waarmaakte, is het toch een onderhoudende avonturenfilm. Veel dingen werkten heel goed in de film. De andere wereld was mooi weergegeven, hoewel het niet hielp dat de Aardse scenes zich ook een woestijngebied afspeelden. De vierarmige Tharks waren niet alleen mooi ontworpen, er was ook goed nagedacht over hun biologie, hun cultuur (als een intelligent wezen eieren legt in plaats van baby’s krijgt, waar leidt dat toe?) en over hun gebaren (hoe gebruik je immers vier handen?). Maar ook de menselijke culturen waren fantasievol weergegeven: ik was echt onder de indruk van het ontwerp van de vliegende schepen (het verhaal werd geschreven voordat er vliegtuigen bestonden). De verbazing van een Marsmens over het feit dat schepen op Aarde op de zee varen was een mooi detail. De kostuums waren ook mooi, maar omdat ik geen fan ben van tatoeages werd ik een beetje afgeleid. De film bevat aanstekelijke humor, in de naamsverwarring over John Carter, en in een buitenaards wezen dat wel heel veel wegheeft van een trouwe hond. Er is een briljante scene waarbij een gevecht wordt afgewisseld met beelden uit het verleden van Carter. Het plot zat ook goed in elkaar, met een fascinerende ontknoping en een paar mooie onverwachte wendingen aan het eind. Ik wil de film dan ook zeker nog een keer kijken op blu ray.
Toch is het geen nieuwe klassieker. Vooral niet vergeleken met Avatar, een film die in heel wat opzichten lijkt op deze. Een element is dat de wereld niet zo sterk is opgebouwd (waar komen de mensen op Mars vandaan?), maar belangrijker is dat de relatie tussen de hoofdpersonen niet zo geloofwaardig is. In Avatar was je er als kijker getuige van hoe Jake en Neytiri samen optrokken en er een band tussen hen ontstond. Het was goed voor te stellen dat ze door wat ze samen doormaakten van elkaar gingen houden. En ook zag je hoe de wereld van Pandora een leegte in Jake wist te vullen, waardoor hij uiteindelijk besloot tegen zijn eigen volk te gaan strijden.
John Carter vertrouwt in mijn beleving meer op het feit dat het een avonturenfilm is en de kijker dus automatisch verwacht dat de hoofdpersonen verliefd worden, dan dat het werkelijk invoelbaar wordt gemaakt. Want wat ziet de prinses nou in de Aardman? Het is niet dat ze hem nodig heeft, want ze is prima in staat zichzelf te verdedigen: een echte moderne vrouw (anders dan in het boek, aldus John C. Wright, en ook niet realistisch voor de tijdsperiode, want zonder geweren zijn vrouwelijke soldaten niet tegen mannen opgewassen). En Carters obsessie met teruggaan naar de Aarde maakt hem ook niet aantrekkelijker. Andersom is er ook geen signaal van diepe gesprekken of gedeelde ervaringen die de twee dichter bij elkaar zouden kunnen brengen. En op deze relatie is de karakterontwikkeling van Carter gebaseerd, dit moet zijn omwenteling aannemelijk maken. Dat doet het dus niet. En dus bleef hij een persoon op afstand, met wie ik me niet werkelijk kon identificeren - zelfs met Wall-E had ik meer.

Dat maakt dat mijn gedachten over de diepere betekenis van de film van een wat meer klinische aard zijn. Ik moest er wat meer naar zoeken. Ik geloof dat de diepere betekenis er wel is, maar hij zou indringender zijn bij een meer invoelbare ontwikkeling van de hoofdpersoon. Zijn uitgangspositie is namelijk wel interessant. John Carter heeft aan het begin van de film namelijk niets meer om voor te vechten. Mensen zijn volgens hem gewelddadige, oorlogszuchtige wezens, ongeacht aan welke kant ze staan. Hij wil niets meer met hun conflicten van doen hebben. Ik ging direct wat rechterop zitten: dit betekende natuurlijk dat Carter in de loop van het verhaal wel weer een reden zou vinden om zich bij een conflict aan te sluiten. Maar wat zou krachtig genoeg zijn om zijn cynisme over de wereld te kunnen doorbreken?
Hij is niet de enige in de film die cynisch is over de wereld, en die de waarde van menselijke individuen en beschavingen relativeert. De Thern, onsterfelijke wezens met een bijna goddelijke macht, blijken de gebeurtenissen op Mars te manipuleren. Ze vernietigen zelf de planeet niet. Nee, dat doen de mensen. Zij leiden het alleen in de goede banen. Het gaat altijd op dezelfde manier, vertelt er een tegen Carter. De mensen nemen in aantal toe en komen met elkaar in botsing, en terwijl ze elkaar bestrijden putten ze de grondstoffen van de planeet uit, totdat er niets meer over is. Het is nu eenmaal hun natuur. Op Mars. En op Aarde, is natuurlijk de suggestie. En deze Thern zijn ook op Aarde geweest. Als ze hun werk op de rode planeet hebben afgerond, kunnen ze zich wijden aan de onze. Deze wezens halen hun energie uit de ondergang van werelden. Ze zijn als het ware kosmische aasgieren. Sterker nog: zo zien ze er ook uit. Grijze kleren, hoge kragen, kale hoofden en starende ogen. Voor een SF-verhaal een fantastisch idee! Want hun beeld van de menselijke natuur is ergens wel correct.
Welk argument is krachtig genoeg om weerstand te bieden tegen dit cynisme? Wat is in staat om je ertoe te brengen de wereld als waardevol te zien en haar bewoners als betekenisvol, zo zeer dat je bereid bent ervoor de vechten? Zo zeer dat je je leven ervoor op het spel wil zetten? Wat kan John Carter in staat stellen het zwaard op te nemen tegen de Thern? Niet een theorie over de menselijke natuur. Niet een religieus of filosofisch betoog. Niet een wetenschappelijke verhandeling. Geen algemeenheden of abstracties. Intellectuele leerstellingen hebben in zichzelf geen kracht. Niemand is ooit gestorven voor een wiskundige formule, niemand heeft zich opgeofferd voor een idee. Zelfs de betogen van de knappe prinses over haar eigen beschaving kunnen Carter daar niet enthousiast voor maken.
Niet de algemene, geabstraheerde idealen uit de ideeenwereld van Plato motiveren ons, en brengen ons tot actie, maar de unieke, concrete voorwerpen in onze wereld maken ons enthousiast. Ik ben niet begeesterd over vissen als concept, ik ben begeesterd over deze specifieke vissen. Ik vind niet het idee van een zonsondergang mooi, ik geniet van deze, specifieke zonsondergang, in dit moment dat nooit meer terugkomt. Ik houd niet van de mensheid, ik houd van unieke mensen. Ik houd van een unieke vrouw in het bijzonder: mijn vriendin. Niet omdat ze in het algemeen een vrouw is, maar omdat ze uniek zichzelf is. En ik geloof dat hoe meer waarde we hechten aan de concrete, unieke mensen en voorwerpen buiten ons, hoe meer we onszelf daarvoor op het spel willen zetten. We willen ons opofferen, we willen zwak worden, omdat we iets buiten onszelf betekenisvol zijn gaan vinden. Dit is een uniek christelijke gedachte, want de meeste andere godsdiensten ontnemen de materiele werkelijheid juist zijn betekenis. Christenen weten echter dat het nu precies de scheppende liefde van God is die alles om hen heen (zichzelf incluis) een ondeelbare, onschatbare betekenis geeft. Dit betekent ook dat gelovigen niet de mensheid als abstractie moeten liefhebben, en niet goed moeten doen ‘in het algemeen’. Nee, ze worden opgeroepen individuele, unieke mensen lief te hebben (om wie ze zijn als individu), en goed doen aan specifieke personen. Als ze dat doen, hebben ze ook de God lief die al deze mensen hun unieke betekenis heeft geschonken.
Dit wordt in de film in beeld gebracht in de vierarmige Tars Tarkas, die als enige van zijn ras weet wie van de jongere generatie zijn dochter is, en haar liefheeft. En in John Carter, die zich realiseert dat hij meer geeft om Dejah Thoris dan om zijn goudgrot op Aarde. En die omdat hij van Dejah houdt, ook houdt van haar wereld, en niet alleen haar wil redden, maar ook het stervende Barsoom. Vanwege een enkel persoon bindt hij de strijd aan met een vijandige samenleving, en een bijna goddelijk ras van cynische ‘gieren’. De liefde voor het unieke gaat vooraf aan de liefde voor het algemene. Het zou alleen nog indrukwekkender zijn geweest als de kijker had geweten waarom Carter zo van deze vrouw was gaan houden. Nu blijft dat algemeen, en niet concreet. En dat werkt niet. 

woensdag 22 februari 2012

Links: straalpistolen, waterplaneet, diepe springstaartjes, verbeelding, Hugo en vasten

Erg interessante buitenaardse wezens en mooi ontworpen straalpistolen in dit retrofuturistische animatiefilmpje! Vooral geschikt voor de anglofielen onder mijn lezers ;-).

Een spannende trailer voor Mass Effect 3, het spel dat ik volgende maand hoop te gaan spelen en waar ik wel weer een half jaar zoet mee zal zijn ... Het beste SF-verhaal van de laatste paar jaar!

Een van de leuke aspecten van Mass Effect is dat je heel veel verschillende planeten bezoekt om er naar grondstoffen te mijnen. Allemaal met andere beschrijvingen! Nu kan er een bijzondere klasse planeet aan worden toegevoegd: een planeet die voor het grootste deel uit water bestaat! Nu is dat op zich niet zo bijzonder, maar deze planeet bevindt zich dicht bij zijn ster en is dus erg warm! Volgens de wetenschappers heeft het water op deze planeet bizarre eigenschappen: het bevindt zich in de toestand van een 'super vloeistof' of 'warm ijs'.

Twee meter onder de extreem droge Atacamawoestijn in Zuid-Amerika vonden wetenschappers nieuwe micro-organismen die leven van water uit zoutkristallen. Bizar! En natuurlijk wordt gesuggereerd dat dergelijke omgevingen ook voorkomen op Mars en dat deze planeet dus leven kan herbergen!

Nog dieper leeft een nieuw soort springstaartje, het diepst levende landdier ooit ontdekt. Het is een soort die leeft in de diepste grot op Aarde, vlak bij de zwarte zee, 1980 meter onder het aardoppervlak. In plaats van met ogen neemt deze soort de omgeving waar met behulp van organen die chemische stoffen waarnemen.

"Our eschatology is inhibited by a lack of imagination." schrijft een blogger die ik nog niet kende, maar met wie ik het wel helemaal eens ben. "Perhaps in imagining the Story’s end the theologians and the exegetes must become painters and singers, sculptors and poets, taking language to its end and then some as we attempt to articulate a better and more biblical hope than what we’ve often settled for." Doet me denken aan wat ik las bij Peter Kreeft, dat niet twijfel de vijand is van geloof, maar saaiheid!

Over verbeelding schrijft ook een christelijke filmrecensent in zijn bespreking van Hugo, een geweldige film die ik deze week heb gezien. Wie mijn filmbesprekingen lang vindt, zal echter schrikken van deze ... maar ze is wel gelardeerd met prachtige citaten van onder andere C.S. Lewis. De bespreking bevat een mooie analyse van het verschil tussen fantasie en verbeelding: "There is a difference between fantasy, in the sense of simulated emotional highs crafted to satisfy the appetites of our desires, and imagination, which explores a created world in which joy and satisfaction are won by the adventures, work, trials, temptations, and effort of the characters. Imaginative films engage us by leading us through the pleasure of considering something that is other than ourselves. Fantasy films, in the sense of the word as Scruton uses it, disengage us by appealing to our appetites and desires and offering that which isn't real to temporarily sate them." En ik moest knikken bij dit citaat van Lewis: "An unliterary man may be defined as one who reads books once only ...  It is the quality of unexpectedness, not the fact that delights us. It is even better the second time. Knowing that the ‘surprise’ is coming we can now fully relish the fact that this path through the shrubbery doesn’t look as if it were suddenly going to bring us out on the edge of the cliff. So in literature. We do not enjoy a story fully at the first reading. Not till the curiosity, the sheer narrative lust, has been given its sop and laid asleep, are we at leisure to savour the real beauties. Till then, it is like wasting great wine on a ravenous natural thirst which merely wants cold wetness. The children understand this well when they ask for the same story over and over again." Dit is de reden dat ik zelf heel vaak boeken herlees, en sommige films al acht tot tien keer heb bekeken. Hugo is ook een film die ik vaker zal zien. Mijn eigen bespreking van de film volgt na het weekeinde.

Het is carnaval geweest, dus nu is het vastenseizoen aangebroken. Mark Galli schrijft in Christianity Today dat vasten hem niet geestelijker maakt (en verwijst daarbij naar de beperking van onze wilskracht): "Instead of the small thing helping me become faithful in the big thing, it just makes me focus more and more on the small thing. Fasting just reminds me how little I love God and how seldom I live according to his ways ...  What my Lenten successes have done more than anything else is inculcate pride and self-righteousness. Spiritually speaking, that's one step forward and two steps back." Maar juist die confrontatie met ons onvermogen maakt het vasten volgens Galli zinvol. Het gaat er niet om dat wij beter worden, maar dat we onze afhankelijkheid van genade weer beseffen. Het vasten eindigt namelijk op Paaszondag: "Easter doesn't become a day when I thank God that he has made me more disciplined, not like those non-liturgical folks who don't even observe Lent. Instead, it becomes an occasion to celebrate the fact that my self-respect does not hinge on my self-discipline, and that my very lack of discipline is the paradoxical sign of the gospel. Indeed, while we were gluttons and prayerless, while we didn't give a rip about the poor, Christ died for us. It's not for the spiritually fit and healthy that he came, but for the unfit and unhealthy." Heel mooi en hoopgevend!

Mockingbird schrijft ook weer over ons tekort aan wilskracht, en hoe dat wordt uitgebuit door reclamemakers en marketeers. Het blijkt namelijk dat wij gewoontedieren zijn. Als we al van gewoontes afkomen, is dat door ze te vervangen door andere gewoontes. "Habits aren’t destiny — they can be ignored, changed or replaced. But it’s also true that once the loop is established and a habit emerges, your brain stops fully participating in decision-making. So unless you deliberately fight a habit — unless you find new cues and rewards — the old pattern will unfold automatically." Eigenlijk het enige moment dat we daadwerkelijk veranderen is bij levensveranderende gebeurtenissen, zoals een verhuizing, echtscheiding, huwelijk of de geboorte van een kind. Verstoringen van onze omstandigheden veranderen ons, in plaats van andersom. Door marketeers wordt dit uitgebuit op een cynische manier, maar christenen kunnen er anders naar kijken. "A Christian might see it as further confirmation that we are the object of life’s ups and downs, rather than their subject, that perhaps it’s no coincidence that the Good News addresses those who can’t/don’t bring anything ‘to the table,’ and for whom Hope must take an external form if it’s to be of any lasting comfort." Verandering en redding komen van buitenaf, niet van binnenuit!

maandag 9 januari 2012

Filmbespreking: Son of Rambow

Het is wel een beetje raar om een film te zien die jouw eigen jeugd in beeld lijkt te brengen. Een film waarvan de hoofdpersoon wel heel erg lijkt op hoe jij vroeger was, zodat hij zelfs lid is van dezelfde kerk als waar jij in opgroeide. Dat overkwam mij bij het kijken naar Son of Rambow.
Nee, anders dan de titel misschien doet vermoeden is dit geen actiefilm. Er komen geen geweren of ontploffingen in voor (behalve op het TV-scherm). De film gaat niet over een vietnamveteraan die eigenhandig een heel leger uitschakelt, maar over een jongetje van tien of elf, Will, die opgroeit in de Vergadering van Gelovigen, in Engeland de ‘Plymouth Brethren’ genoemd. In deze strenge geloofsgemeenschap mag men geen televisie kijken. Ook voor andere frivoliteit lijkt geen plaats; verbeelding wordt duidelijk gewantrouwd. Deze groep wil zichzelf afschermen van de wereld. Wie omgaat met ongelovigen raakt verontreinigd en wordt uiteindelijk zelfs uitgesloten. Will voegt zich ernaar en als er in de schoolklas een video wordt gekeken, gaat hij braaf op de gang zitten. Maar Will is een gevoelige jongen, die geniet van verschillende geluiden, van geuren, van schoonheid. Hij is ook creatief: hij tekent hele boeken vol. Verbeelding is voor hem iets natuurlijks, maar het is iets dat hij moet onderdrukken. Hij moet zijn eigen identiteit ontkennen. Niet voor niets loopt hij ook voorovergebogen door de schoolgangen, een schaduw van zichzelf.
Op een dag komt hij in contact met Lee, een wildebras, die aanvankelijk de naiviteit van Will probeert uit te buiten. Hij heeft namelijk een stuntman nodig voor de film die hij aan het opnemen is. Bij Lee in huis krijgt Will een illegale kopie te zien van First Blood, de film waarin Sylvester Stallone de held Rambo speelt. Hij is niet van het scherm los te rukken. En als de film is afgelopen, begint hij direct verhalen te verzinnen. Hij loopt naar huis en doet alsof hij zelf een held als Rambo is. Een held die sterk genoeg is om de angstbeelden waar hij door geplaagd wordt te verslaan. De volgende dag sluipt hij weg van de bijeenkomst van de Vergadering, en verschijnt in vol Rambotenue bij Lee op de stoep. Zijn toewijding verbaast zelfs Lee. Niet alleen stort hij zich met overgave op de (toch best wel gevaarlijke) stunts - hij weet ook wat het verhaal moet zijn: hij heeft het al helemaal uitgetekend.
Maar Will kan zijn avonturen niet altijd voor zijn moeder verborgen blijven houden.  De broeders van de Vergadering maken zich zorgen. Ze willen Will weer op het rechte pad brengen, dat wil zeggen: weer in de fantasieloze, strakke leer van hun geloofsgemeenschap. En op school gaan andere leerlingen zich met de film bemoeien, onder andere een Franse uitwisselingsstudent, wat de vriendschap tussen Will en Lee onder druk zet. Wills hele leven lijkt te ontrafelen ...

Son of Rambow (de ‘w’ in de titel is geen typefout) is een vrij kleinschalige film, die een bescheiden verhaal vertelt. Maar dat is tegelijk de kracht ervan. Dit zijn gebeurtenissen die  iedereen uit zijn of haar jeugd herinnert: vriendschappen, avonturen in het bos, oudere broers die niet hun videocamera willen uitlenen, ouders die je fantasie niet begrijpen. Het goede spel van de twee jonge acteurs (die nooit eerder in een film hadden gespeeld), draagt bij aan de herkenbaarheid. Een van de twee speelde later op briljante wijze de rol van Eustaas in The Voyage of the Dawn Treader.
Met eenvoudige animatie wordt de verbeeldingswereld van Will in beeld gebracht. En de scenes met het filmen lijken heel realistisch. Tot je in de documentaire op de DVD ziet dat er heel wat is uitvergroot. Het is een nostalgische blik op de kindertijd van de regisseur. Zo is het helemaal niet mogelijk met een vlieger een hond te laten zweven - maar in de film lijkt het allemaal net echt (daar is film ook heel goed in).
In dezelfde documentaire vertelt de regisseur dat hij in zijn kinderjaren naast een gezin uit de Plymouth Brethren (de Vergadering van Gelovigen) woonde. Hij besefte dat het niet zo interessant zou zijn als hij een film zou maken over zijn eigen jeugd, maar dat het veel boeiender was als hij de gebeurtenissen naar een huis verder verplaatste, en als het zoontje van dat gezin degene was die films ging maken. Dit zorgt er helaas wel voor dat het beeld dat van de Plymouth Brethren wordt geschetst in deze film een beetje karikaturaal is. Gezien door de ogen van een kind worden immers sommige gewoontes of eigenschappen die afwijken van de norm, nog verder uitvergroot. Bij ons in de vergadering spraken de kinderen elkaar bijvoorbeeld niet aan als ‘broeder die’ of ‘zuster zo’ (volwassenen wel - dat was dan wel weer goed in beeld gebracht). Ook droegen de zusters niet ook nog thuis een hoofddoekje (maar wel in de diensten. En sobere kleding werd volgens mij ook wel op prijs gesteld). Televisie was niet verboden bij ons, maar het kan zijn dat de groep uit de film gewoon strenger was. Sommige groepen uit de ‘Vergaderingen van gelovigen’ zijn strenger en geslotener dan andere, en gaan (zoals die in de film) ver in de richting van het sektarische.
Het belangrijkste was voor mij in elk geval wel herkenbaar: het idee dat je als kind je verbeelding en fantasie moest begraven, en dat de leer en heiligheid van de kerk boven alles gingen. Het verhaal dat de moeder van Will vertelt over een langspeelplaat was heel pijnlijk en ook geloofwaardig.

Ik ben, zoals gezegd, ook opgegroeid in de Vergadering van Gelovigen. Een strenge geloofsgemeenschap die zichzelf zag als de ‘ware kerk’. (Ik bad op mijn knieen dat andere gelovigen het licht zouden zien). We hadden een ‘verontreinigingsleer’ waardoor omgang met andere gelovigen (laat staan mensen uit de wereld) eigenlijk verdacht was (als je al in een andere kerk kwam mocht je in elk geval niet aan het avondmaal deelnemen). Het ideaal was dat we ons afzonderden. We deden niet mee aan politiek (stemden ook niet), luisterden niet naar populaire muziek (mensen die zich bekeerden deden hun platencollectie weg, ik weet zelfs dat iemand de CD-collectie van haar tienerzoon verbrandde), we wilden zelfs niet afgeleid worden door muziekinstrumenten tijdens de dienst (zoals orgels!), of door kunst (het Vergaderlokaal was saai: banken, grinttegels, TL-verlichting - dat was in de film wel goed weergegeven), seksualiteit was taboe (mannen en vrouwen zaten gescheiden, vrouwen moesten zich ‘bedekken’), en eigenlijk was alleen het ‘geestelijke’ belangrijk: bidden, bijbelstudie, de samenkomsten. Ik pikte op dat mijn liefde voor verhalen op z’n best een hobby was, iets voor erbij, maar waarschijnlijker een verslaving - het zou me immers afleiden van het ‘geestelijke’.
De God in wie we geloofden, was als een boze vader. Ja, omdat Jezus tussenbeide was gekomen, waren wij gered van de dood, maar als God ons zou zien zoals we echt waren, zou hij ons toch moeten straffen. Hij kon niet van ons houden zoals we waren. In een preek over Johannes 3:16 werd letterlijk eens gezegd dat het kenmerkende van deze tekst was dat God de wereld lief HAD - verleden tijd! Daarom moesten we alsnog erg ons best doen om hem niet tegen ons in het harnas te jagen, en ons inspannen om te doen wat hij van ons vroeg: schuld en plicht waren de motiverende factoren. En later bleek een deel van de godsdienstigheid van belangrijke broeders ook nog eens hypocriet. Toen er meningsverschillen rezen aarzelden ze niet om anderen zwart te maken, te veroordelen en mensen uit de gemeenschap te sluiten, onder het mom van heiligheid. Dat was een grote klap, vooral omdat ik hen altijd heel serieus had genomen.
En ik was (net als Will) een gevoelige jongen met een grote verbeelding. Net als Will ging ik als ik naar school liep, op in de verhalen die ik verzon (zodat ik zelfs in de bosjes sprong om imaginaire vijanden te ontwijken). Ik genoot van schoonheid, van geluid, van verhalen. Maar in de Vergadering leerde ik die verlangens te wantrouwen. Ik leerde dat ik moest doen wat ik niet wilde en mijn eigen behoeften moest ontkennen. Geen wonder dat ik gedurende mijn jeugd lange tijd met gebogen schouders liep, alsof ik er niet mocht zijn (net als Will dus eigenlijk).

Ik had gelukkig ook een vriendje die mijn wereld opende voor verhalen en verbeelding. Dik heette hij. Vanaf de basisschool trokken we samen op. Net als Lee was hij een beetje een wildebras en een vechtersbaas (als ik in de klas een natuurvereniging oprichtte, zorgde hij ervoor dat er een knokploeg bij hoorde, om het leven te beschermen). Maar hij had ook fantasie. Bij hem zag ik films en televisieprogramma’s (we hebben De Kleine Zeemeermin zo vaak gekeken dat we die uit het hoofd kenden. En ja, toen zaten we op de middelbare school). We speelden hele veldslagen uit met de lego. We besloten samen een boek te schrijven (hij stopte ermee na drie hoofdstukken, maar ik had de smaak te pakken, en schreef tijdens mijn middelbare schooltijd mappen vol - zonder Dik zou Neptunus nooit realiteit zijn geworden). We hebben nooit echt een film gemaakt (maar wel radio-uitzendingen), maar we speelden wel dat we een film opnamen. We waren dan allebei geheim agenten, die een internationale samenzwering moesten tegenhouden. We doken de bosjes in en bevochten met onze kung fu allerlei tegenstanders. We speelden allerlei scenes na. Dik had altijd een fascinatie voor China - dus had hij altijd een Chinese schone aan zijn zij (het is geen wonder dat hij uiteindelijk in China terechtkwam). En we maakten niet te vergeten samen muziek (de casettebandjes heb ik gelukkig bewaard). Ons eerste lied ‘Ik moest eens op mijn kleine broertje passen’ is bij mijn broers nog steeds een hit. Het was erg leuk om Dik een paar weken geleden na meer dan dertien jaar weer eens in levenden lijve te ontmoeten. We waren allebei uiterlijk wel wat veranderd - maar hij (en ik) hadden nog steeds dezelfde verbeelding, en konden die ook direct weer bij elkaar herkennen.

Net als voor Will, was ook voor mij de wereld van verhalen een openbaring. Net als Will kon ik daarin mezelf zijn, en kon ik door het verzinnen van verhalen mijn frustratie met het pesten een plek geven, en mijn verlangen naar schoonheid, relaties en avontuur. Mensen gebruiken verhalen om betekenis te geven aan wat hen overkomt. En kinderen ook. G. K. Chesterton zegt ergens dat kinderen geen sprookjesverhalen lezen om te ontdekken dat draken bestaan, maar om te ontdekken dat draken verslagen kunnen worden. Ik realiseerde dat ik was geschapen voor deze verhalen. De ontdekking van de kracht van de verbeelding is heel goed weergegeven in Son of Rambow. Het voelde voor Will - en voor mij - als thuiskomen. En het is dan ook een grote domper als deze liefde voor verhalen de kop wordt ingeduwd. Bij mij gebeurde dat deels door mijn ouders (die mijn schrijven nooit hebben bevestigd) en deels door de preken en boodschappen die ik oppikte, waardoor ik mijn liefde voor verhalen ging zien als verslaving, en meende dat ik mijn tijd alleen mocht vullen met bijbelstudieboeken, bidden en memorisatie van bijbelverzen.
Toen ik bleek overspannen te worden van dit regime, moest ik niet alleen patronen uit mijn eigen hart ontwarren, maar ik moest me ook los maken uit de verwachtingen en leringen van deze geloofsgemeenschap. Dat was moeilijk, want zelfs al was de vergadering geen sekte, er waren wel sektarische trekjes (al was het alleen maar dat we onszelf als de ware kerk zagen, en geen tafelgemeenschap mochten hebben met andere gelovigen). En ik ben nog steeds niet helemaal vrij van de invloed van mijn geloofsopvoeding. Aan de ene kant is dat positief, wil ik benadrukken: ik sta nog steeds achter de deelname van de gelovigen aan de dienst, achter het ‘ieder heeft iets’-principe en de nadruk op het avondmaal. Aan de andere kant is het negatief - ik worstel nog steeds met de schuldgevoel en verplichting die ik als een spons heb geabsorbeerd. Het kost me nog steeds moeite om mijn creativiteit te laten stromen.

Ik heb al eerder een essay geschreven over de gevolgen van het opgroeien in een strenge religieuze omgeving voor zowel de creativiteit als de seksualiteit. Schaamte is het instrument dat wordt gebruikt om de gelovigen in het gareel te houden. In deze film wordt ook de onderdrukking van seksualiteit door religie treffend in beeld gebracht (door de moeder van Will en haar interactie met een van de broeders).
Ik vind het heel tragisch dat de kerk - die door God is bedoeld als iets goeds: de levensbrengende gemeenschap der heiligen - kinderen (!) in hun identiteit beknot en voorkomt dat ze zich kunnen uiten (door hun verbeelding en door hun seksualiteit). Deze film bevestigde nogmaals mijn overtuiging dat God het zo niet bedoeld heeft. Dat God wil dat we volledig tot bloei komen. Dat we worden tot complete mensen, die niet bang zijn om te scheppen (op welke manier dan ook). Zoals Irenaeus zei:  ‘The glory of God is man fully alive’.
Aan het eind van deze film zijn Will en Lee gelukkig wel ‘fully alive’. Ze verzoenen zich met elkaar, en vormen zo een gemeenschap, gebaseerd op gedeeld verlangen en liefde voor elkaar. Misschien is dat de ware kerk wel, in plaats van de ‘Plymouth Brethren’! Ik geloof zelf in elk geval van wel.