Posts tonen met het label Tolkien. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tolkien. Alle posts tonen

woensdag 10 augustus 2016

Gedicht: De Inklings

De Inklings

Ik kijk om, pijn in mijn nek:
een glimp van hemelsblauw met
oranje is snel verdwenen
achter ons, er volgt een bocht
en dan zijn we niet meer waar
onze helden schreden, maar
tussen de grijze stenen, 
naar het station. Elke stap
van de reis onafwendbaar,
voor ons bepaald. Om ons heen
drukke mensen met koffers,
telefoons, het leven dat
ik ken. Maar niet hetzelfde,
mijn hart kent nu de waarheid:
net buiten zicht dansen de
elfen en ik mag ze aan de
zoekers tonen. Net als zij.

donderdag 1 augustus 2013

Mijn favoriete films (3): de top 5!

En zo komen we uit bij mijn absolute persoonlijke top 5 van films. Hoewel, afhankelijk van welke film ik het laatst heb gezien, de plek op de ranglijst van een of twee van deze films wel kan wijzigen, weet ik van alle vijf deze films dat ze in de top 5 horen, en de nummer 1 staat ook al jaren op die positie. Je kunt veel over iemand te weten komen door hem/haar naar zijn/haar favoriete films te vragen. Sommige verhalen resoneren met ons meer dan met anderen, ze spreken heel individuele verlangens aan, maar zeggen ook iets over de verlangens van de menselijke soort. Voor mij is de populariteit van veel van deze verhalen een hoopgevend teken. Ze suggereert volgens mij dat mensen behoefte hebben aan betekenisvolle verhalen, waarin de keuzes van mensen (voor of tegen het goede) er toe doet, zelfs als de wereld hopeloos lijkt. Verhalen waarin mensen elkaar werkelijk zien als waardevolle individuen en bereid zijn zich op te offeren voor een ander. Verhalen waarin schoonheid wordt gezien en beschermd, waar kwetsbaarheid geen schande is, maar een teken van kracht, en waar uiteindelijk als in de verhalen van Tolkien, een glimp doorbreekt van de wereld buiten deze wereld, de eu-catastrofe, dat gelukkige einde waarbij iedereen zijn ware naam ontvangt en tot zijn bestemming komt. De kerk heeft volgens mij deze aspecten soms uit het oog verloren. We hebben een verhaal verteld dat veel te klein was. Het evangelie is het beste verhaal dat er ooit geweest is! Het is beter dan Star Wars, beter zelfs dan The Lord of the Rings. Laten we het dan ook zo vertellen.

5    The Matrix
De Matrix in de bioscoop zien is een van mijn mooiste filmherinneringen. Wat was dat een overweldigende ervaring. Ik weet niet of ik ooit zo overdonderd ben geweest door een film. Daarna heb ik hem nog een keer of tien gezien. Ik ken hem bijna uit mijn hoofd. Laten we het niet over de vervolgfilms hebben - de eerste film was werkelijk baanbrekend. Visueel: de ‘bullet-time’-beelden, de vechtscenes, de coole zonnebrillen. Maar ook wat het verhaal betreft: alternatieve werkelijkheden, filosofische verwijzingen. Een op het eerste gezicht eenvoudig verhaal dat zo’n enorme gelaagdheid meekrijgt dat er boeken over geschreven zijn. Wat is werkelijkheid? Kunnen we geloven wat onze ogen ons laten zien? Zijn er andere machten dien ons een valse werkelijkheid voortoveren (de media? de cultuur? machthebbers)? En hebben we een bestemming? En als dat zo is, kunnen we dat van tevoren weten, of is het iets dat we ontdekken door een sprong in geloof te wagen? Wat is dat, een sprong in het geloof? En wat zijn déjà-vu's? Veel goed in het gehoor liggende citaten, een moedig vrouwelijk karakter (geen ‘damsel in distress) en een messiaans einde. Niet voor niets heb ik in mijn manuscript 'Wat als God je verhaal vertelt' uitgebreid voorbeelden uit deze film gebruikt. Ik zal hem nog veel vaker kijken, dat weet ik zeker.

4    Avatar
In mijn eerste recensie die ik over deze film schreef, zei ik ‘Hoe kan een film meer overeenkomen met mijn specifieke vorm van verbeelding? Met mijn verlangen om andere werelden te verkennen en de schoonheid te ontmoeten van het andere?’. Ik denk niet dat het kan. Pandora is een fascinerende, mooie wereld, waar ik zou willen leven. Een wereld die bedreigd wordt door menselijke hebzucht. De vier meter grote, blauwe inwoners van de planeet zijn menselijker dan de mensen, en dus zijn de mensen hier de ‘bad guys’. Het draait niet om uiterlijk. Als de Na’vi zeggen ‘I see you’, bedoelen ze dat ze het innerlijke karakter zien. Dit lijkt aanvankelijk een standaard verhaal van de blanke die de inboorlingen wel eens zal redden, maar James Cameron geeft er een mooie twist aan. De overwinning wordt in dit verhaal niet tot stand gebracht door de held, maar door de god van de wereld aan wie hij zich heeft overgegeven (de wereld zelf is een intelligentie). Het draait uiteindelijk om vertrouwen en uitstappen in geloof. (De held moet zelfs door de heldin worden gered - hij doet zelf niet eens zo veel als je het goed bekijkt). De film suggereert ook dat relaties zijn waar het om gaat. Relaties maken ons menselijk. Daarnaast zijn er natuurlijk spectaculaire actiescènes, vliegende reptielen en een oerwoud als een koraalzee. Op de TV is er geen 3-D, maar ook op een kleiner scherm blijft het verhaal overeind.

3    Wall-E
Een animatiefilm is de hoogst genoteerde SF-film van mijn lijst, toch best wel een prestatie. Een animatiefilm over een afvalverwerkende robot op een door vuil overdekte aarde, waarvan de eerste helft op een stille film lijkt. Een film die troosteloos zou kunnen zijn, ware het niet dat Wall-E zelf zo’n hoopvol karakter heeft. Een romanticus is hij. Als hij de nieuwere robot Eve tegenkomt, raakt hij op slag verliefd en hij volgt haar de ruimte in, naar het ruimteschip The Axiom. Daar wordt de door liefde gedreven robot gewoon door wie hij is de bevrijder van zowel robots als mensen. De robots zijn onvrij omdat ze alleen vaste paden kunnen volgen. De mensen zijn onvrij omdat ze juist niets doen. Dwang versus passiviteit, twee vormen van onvrijheid. Wat Wall-E voor beiden doet is ze het echte leven te laten zien, wat bij zowel mensen als robots verlangen opwekt. Verlangen om niet langer alleen te overleven, maar om echt te leven. De scene waarin de kapitein, die altijd op bed heeft gelegen, eindelijk gaat staan, met als doel de leugens van de boordcomputer te weerspreken, is indrukwekkend. Daarnaast zijn er de mooie beelden (ook die van een verlaten aarde), subtiele humor, en prachtige momenten zoals de dans van Wall-E en Eve. Ik kan deze film tientallen keren kijken en er toch geen genoeg van krijgen.

2    Les Miserables
De film is nauwelijks een half jaar oud en hij staat al op ‘2’ in mijn persoonlijke top 25. Dat lijkt wel veel eer! En ik zal direct toegeven dat wellicht mijn liefde voor het boek (dat ik vorig jaar heb gelezen en dat veel indruk op me maakte) op de film is overgesprongen. Maar de film is zelf ook indrukwekkend (als je het boek kent wordt hij alleen maar indrukwekkender). De film zet de wet, die individuen hun identiteit ontneemt en ze beschouwt als cijfers, tegenover genade, die mensen een tweede kans biedt, het goede in ze ziet, en ze daardoor meer zichzelf maakt. De film gaat over idealisme, dat waardevol is, ook al mislukken revoluties. De film gaat over armoede en onrecht, en over profiteurs en straatjochies. De film gaat uiteindelijk over hoop en het koninkrijk dat komt ‘voorbij de barricade’. En ik wil als ik later groot ben net zo goed zijn als Jean Valjean, de hoofdpersoon. De muziek is indrukwekkend, prachtig gezongen (zelfs Russell Crowe is goed als Javert), en geacteerd (Hugh Jackman is voortaan Jean Valjean voor me, ook als hij Wolverine speelt), en de beelden zijn spectaculair (de bestorming van de barricade). Waarom Marius voor Cosette kiest zal ik nooit kunnen begrijpen, maar goed, Hugo had 19e-eeuwse ideeën over romantische liefde waarschijnlijk. Hoe geweldig mijn verloofde en ik deze film vonden moge blijken uit het feit dat we een tekst uit de film op onze trouwkaart zetten, en op onze huwelijksreis naar een voorstelling van de musical zullen gaan. De tweede positie op deze lijst is daarmee volgens mij wel gerechtvaardigd.

1    The Lord of the Rings - The Two Towers
Er is geen film die ik vaker in de bioscoop heb gezien dan The Lord of the Rings-The Return of the King. Toch heb ik die niet op de eerste plek gezet in mijn film top 25, maar het middelste deel van de serie. Maar ook die heb ik minstens zes keer in de bioscoop gekeken. Zo indrukwekkend vond ik hem. En de Extended Edition heb ik nu ook wel zo’n vijf keer gezien. Eigenlijk geldt deze topnotering voor de hele trilogie, die vertelt immers een enkel verhaal, waarvan Return of the King eigenlijk de minste is. The Lord of the Rings is, zoals Tolkien al opmerkte, een werk van christelijke verbeeldingskracht. Het is een rijke wereld, waar je als lezer en als kijker in wordt ondergedompeld en die je verbeelding vult met symbolen van goedheid, opoffering, trouw en vriendschap. Het voelt als waarheid, ook al weet je dat het verzonnen is. Zozeer zelfs, dat als de hemel er is, die er voor mij uit zal zien als Tol Eressea - “white shores and beyond them a far green country under a swift sunrise”.
The Lord of the Rings is het verhaal van de overwinning van het zwakke, het kleine op de machthebbers - of het nu machthebbers zijn die gebruik maken van techniek (zoals Saruman), of van mentale overheersing (Sauron). Ze kunnen op het punt staan te overwinnen, maar als alles verloren lijkt, gloort er hoop. De enten zijn geweldig in beeld gebracht en hun vernietiging van Orthanc is een hoogtepunt van de film. Maar ook de bevrijding van Theoden spreekt van de macht van de waarheid over de leugen. En dan is er Gollum, die door de liefde van Frodo zijn naam herontdekt, en de kans maakt zijn identiteit weer te vinden na talloze jaren beheerst te zijn geweest door machten buiten zichzelf. Oh, Tolkien is niet boven kritiek verheven. Ik denk dat zijn gelijkstelling van bepaalde volken en rassen met het kwaad veel te makkelijk is. Aan de andere kant loopt ook bij Tolkien de scheidslijn tussen goed en kwaad door het hart van individuen, en er is daarvan geen beter voorbeeld dan Gollum. Als een van mijn broers een boer laat, zeg ik nog steeds tegen hem: ‘You said something entish’. Het is alweer anderhalf jaar geleden dat ik deze films voor het laatst heb gekeken. Het wordt tijd voor een nieuwe ronde. Ik zal deze tot aan mijn dood blijven kijken en herkijken, dat weet ik eigenlijk wel zeker, zoals ik het boek ook zal blijven herlezen. Ik kan alleen maar voorzichtig hopen dat mijn eigen boeken iets kunnen doorgeven van de hoop en visie van Tolkien op de ‘wereld achter de wereld’.

zaterdag 18 mei 2013

Filmbespreking: La Vie En Rose

Voor mijn manier van films bespreken zijn biografische films (‘biopics’) eigenlijk niet heel erg geschikt. Ik geloof in de kracht van verhalen en de manier waarop ze ons naar ons eigen leven laten kijken. Ze geven ons een kader om de gebeurtenissen die we meemaken te plaatsen en laten ons verlangen naar een bepaalde uitkomst. We vertellen verhalen om op een andere manier naar ons eigen leven te kunnen kijken. Maar als we naar ons leven kijken heeft dat niet noodzakelijk een verhaalstructuur. Veel gebeurtenissen lijken toevallig. We maken beslissingen die niet wijs zijn uit het perspectief van het ‘plot’, en het einde past niet noodzakelijkerwijs bij wat eraan voorafging. Tijd en toeval treffen allen, zegt de Prediker. Maar dat levert niet noodzakelijk goede verhalen op. Bij goede verhalen is er sprake van wil. Onze levens lijken echter meer op een blaadje heen en weer gewaaid door de wind. Als er dus een film gemaakt over iemands leven, die ook nog eens recht doet aan de feiten, levert dat niet noodzakelijk een sterk verhaal op. Het is leuk om te weten hoe iemand geleefd heeft, maar meer eigenlijk niet. Iemand maakt goede keuzes en slechte keuzes, heeft plezier gehad en heeft geleden, en gaat uiteindelijk dood, aan ziekte of aan ouderdom. Het is immers iemand zoals wij, en zo leven wij ook. Onze levens zijn (op het eerste gezicht) niet mythisch. Uit de levens van individuele mensen zijn daarom ook geen universele lessen af te leiden, waarheden die gelden voor die van ieder mens, anders dan de waarheden waar Prediker over schrijft: Alles is ijdelheid, als je geniet van het leven met de vrouw van je jeugd is dat het geschenk van God, wees niet te zeer rechtvaardig, maar ook: zoek de Heer in je jongelingsjaren voordat de kwade dagen komen. 
De film La Vie en Rose laat bijvoorbeeld zien dat iemand die in de jeugd verlaten wordt door haar ouders, daar later pijnlijke gevolgen van ervaart. De film laat zien dat je jouw talent als redmiddel kunt gebruiken, maar dat het zich dan uiteindelijk tegen je gaat keren - het is een te klein verhaal, dat niet het antwoord biedt voor de leegte die je ervaart. De film laat zien dat het vluchten van de pijn in verdovende middelen (alcohol, morfine) de problemen alleen maar erger maakt (ook weer: te kleine verhalen). De film laat zien dat mensen die (vanuit hun pijn) hun eigen eisen centraal stellen en vinden dat al hun verlangens direct moeten worden ingewilligd, anderen daardoor van zich vervreemden. Ook die lessen zijn natuurlijk waardevol. Maar daar hoef ik geen besprekingen over te schrijven. Het zijn de lessen die we ook leren als we (zoals de Prediker zelf) eerlijk kijken naar ons eigen leven ‘an sich’ (dus niet als mythe).

Maar als christen geloof ik dat we daadwerkelijk leven in een Groot Verhaal, en dat de verhalen die we vertellen daar weerspiegelingen van zijn, en in de woorden van Tolkien, zigzaggend naar de Ware Haven koersen. Niet alleen geven we met onze verhalen ons leven betekenis, onze levens hebben daadwerkelijk betekenis. Ons leven is een verhaal, alleen al omdat het deel is van een groter verhaal. Dat zien we niet noodzakelijkerwijs op het moment dat de gebeurtenissen zich ontvouwen. De hoofdpersoon van een verhaal heeft immers ook niet door dat hij zich in een verhaal bevindt. Om Tolkien nog een keer te citeren: In The Two Towers beginnen Sam en Frodo onderweg naar de doemberg de moed te verliezen, en dan zegt Sam: “It’s not that way with the tales that really mattered. Folk seem to have been just landed in them, usually – their paths were led that way. They had lots of chances of turning back, only they didn’t. They just went on – and not all to a good end. At least not to what folk inside a story and not outside it call a good end.”
That’s the way of a real tale.” zegt Frodo. “You may know, or guess, what kind of a tale it is, happy-ending or sad-ending, but the people in it don’t know.”
Dan realiseert Sam zich dat het licht dat ze hebben meegekregen het licht van Aerendil bevat, en Aerendil speelden ooit een belangrijke rol bij de bevrijding van de wereld van duivelse overheersing. “We are part of the tale!”, roept hij uit.  “Don’t the great tales never end?”
No, they never end as tales”, zegt Frodo. “But the people in them come and go when their part’s ended. Our part will end later – or sooner. We are stuck in the worst places of the story.”
But things done and over and made into part of the great tales are different!”
En daarmee slaat Sam de spijker op de kop. Van binnenuit gezien lijkt ons leven niet mythisch, of heroïsch. Wij kunnen ons leven niet werkelijk betekenis geven - de verhaaltjes die wij zelf vertellen (ook onze heldenverhalen, bijvoorbeeld ons artistieke succes, ons succes in de liefde, onze carrière) zijn te klein. Als we ze gebruiken om ons leven te definiëren, perken we onszelf alleen maar in. En uiteindelijk worden ze door de sterfelijkheid achterhaald. Ons succes is tijdelijk, we worden afgewezen, onze carrière eindigt met ons pensioen. Ons leven kent geen moment van verlossing. Het is gewoon wat het is. Maar het wordt anders als we zoals Sam en Frodo zien dat er een groter verhaal is, dat wel mythisch en heroïsch is, en dat wij er deel van zijn. De strijder uit Gondor op de derde rij van het leger van Aragorn, die door een bijlslag werd geveld, had wel degelijk betekenis is het verhaal van Midden-Aarde, ook al leek zijn einde wreed en toevallig. Puur omdat Tolkien het verhaal schreef, had het leven van elke figuur in dat verhaal betekenis. Net zo is wat er in ons leven gebeurt wellicht voor het oog zinloos, worden we getroffen door toevallige tegenslag, en eindigt onze bijdrage in het verhaal voordat we het einde hebben meegemaakt - maar dat maakt ons leven niet betekenisloos. We weten dat ons leven uiteindelijk is opgenomen in iets groters, en dat het daardoor betekenis heeft. Het betekent ook dat die betekenis van ons leven niet van ons afhangt. Wij zijn niet de verteller. Anders gezegd: ons leven heeft betekenis, of wij dat nu willen of niet. Het enige dat wij hoeven doen, is het accepteren. We hoeven er alleen maar in te geloven. Zo simpel is het. Dit is de betekenis van verlossing. Het is allemaal genade.
Biografische films laten dit vaak ook al zien, doordat de feiten uit het leven van een individu vaak in een meer gestroomlijnde verhaalstructuur worden geplaatst, en zo ook door ons wordt geïnterpreteerd. Eigenlijk is het maken van een ‘biopic’ daarmee al een daad van genade. Ik merkte dat ik bij de film La Vie en Rose hoopte dat er voor het centrale karakter een moment van verlossing zou komen, van omkering, waardoor ze uiteindelijk de rust zou vinden om helemaal zichzelf te zijn. Ik was haar leven gaan zien als een verhaal, en niet als een toevallige opvolging van gebeurtenissen en keuzes zonder doel of richting. En omdat ik het als een verhaal was gaan zien, hoopte ik op de verhaalwending die er altijd is in een verhaal, het onverwachte einde. De eu-catastrofe of verlossing (opnieuw een term van Tolkien). Als een biopic echter een leven te duidelijk in dit kader plaatst, wordt het een onechte film. We voelen ons dan als kijker gemanipuleerd. Bij ons leven bevindt het moment van verlossing zich immers ook buiten de gebeurtenissen van ons leven, buiten de tijd, en niet er binnenin.
Het is voor een filmmaker een moeilijk evenwicht om te bewaren. En ook deze film ontkomt er niet aan dat er sommige gebeurtenissen worden weggelaten of vereenvoudigd om een aansprekend einde van het verhaal te bereiken. Maar de ‘verlossing’ waar de kijker naar snakt, wordt uiteindelijk wel gegeven, en wel op zo’n manier dat de kijker zich niet bekocht voelt, omdat het leven van de hoofdpersoon toevallig en moeizaam blijft, een opeenvolging van gebeurtenissen, een rommeltje, een mengeling van goed en kwaad, zoals ook onze levens dat zijn. Maar dan een rommeltje dat gevat is in een werkelijkheid die inderdaad boven het leven uitstijgt. Een rommeltje waarover betekenis wordt uitgesproken door de Verteller (en niet door de hoofdpersoon van het verhaal). Het moment van verlossing bevindt zich buiten de tijd zelf. En daarmee wordt deze geschiedenis over een gebroken individu een verhaal over genade.

Het gebroken individu in kwestie is in dit geval de Franse chansonneuse Edith Piaf. Ze voerde liederen uit waar nu nog steeds naar wordt geluisterd (zoals ‘La vie en Rose’), en zelfs opnames van haar concerten worden nog steeds bekeken. Een artieste van wereldfaam. Maar niet iemand met een makkelijk leven (dat lijken de meeste kunstenaars niet te hebben). Als klein meisje groeit ze op bij haar grootmoeder, die een bordeel uitbaat. Haar vader neemt haar vervolgens mee op zijn tournee als acrobaat. Hij is hardvochtig en drinkt (verklaarbaar door zijn ervaringen aan het front in de eerste wereldoorlog). Bij hem ontdekt Edith haar stem. Die gebruikt ze vervolgens om staande te blijven, door op straat te zingen. Zo kan ze zelf uit de prostitutie blijven. Haar lot begint pas echt de keren als ze wordt ontdekt door de uitbater van een nachtclub, en haar klim naar de top begint. Maar ergens blijft ze het gekwelde, onzekere meisje van de straat, en de verleidingen van succes en geld liggen op de loer. Ze vraagt een enorme prijs, van haar omgeving, en van haar eigen lichaam. Maar zelfs als het haar teveel dreigt te worden, kan ze niet stoppen met zingen. Als ze niet kan zingen, heeft ze niets meer om voor te leven ...
Edith Piaf is werkelijk geweldig weergegeven door actrice Marion Cotillard (onder andere uit Inception en The Dark Knight Rises). Ik heb op internet foto’s van Piaf gezien, en de gelijkenis is treffend. Het is een acteerprestatie van formaat. Want niet alleen de gedrevenheid van Piaf is weergegeven, maar ook haar onzekerheid, haar blik als een in het nauw gedreven vogeltje (de ‘mus’ - dat is wat Piaf betekent), haar voorovergebogen houding, alsof ze elk moment straf verwachtte ... De innerlijke pijn van Piaf is levendig in te voelen. De muziek in de film is ook prachtig (zoals het hoort) en de aankleding is ook heel geloofwaardig. Wat de film wel eens moeilijk te volgen maakt zijn alle sprongen in de tijd. Het verhaal gaat steeds heen en weer tussen het einde van Ediths leven en het begin en het is niet altijd duidelijk naar welk deel van de geschiedenis je kijkt. Het vormt uiteindelijk wel een geheel, maar de precieze chronologie is niet duidelijk. Zo kom je pas in de laatste minuten achter een belangrijke, vormende gebeurtenis uit Ediths tienerjaren. Ikzelf kende de muziek van Piaf niet, maar ook ik vond het een prachtige, intrigerende film. Degene met wie ik de film keek, kende haar muziek wel, en vond de film zo mogelijk nog beter. De moeite waard om te kijken dus.

De film begint met beelden van Piaf op het podium. Ze zingt een lied. Als je goed naar de tekst luistert, hoor je dat het uiteindelijk gaat over ‘mercy’, over genade. Dan wordt het scherm zwart en hoort de kijker een gebed tot de heilige Theresa. De film is natuurlijk niet toevallig zo opgebouwd. Deze eerste scenes zijn duidelijk bedoeld om het frame te vormen waarin de rest van het verhaal wordt gevat, en dat moet worden gebruikt om de rest van het verhaal te interpreteren. Het verhaal moet dus mijns inziens worden geïnterpreteerd vanuit het gezichtspunt van de genade. Vanaf haar gezongen oproep om te worden opgenomen in genade, valt de rest van het verhaal van Edith onder deze categorie. Het hele leven van Edith is begrepen onder haar verlangen naar genade. Al haar keuzes, goed en kwaad, slim of dom, moeten nu op deze manier worden bekeken.
Het blijkt in de film al snel dat Piaf een duidelijk religieus bewustzijn heeft. Ze bidt tot de heilige Theresa, en niet alleen voor zichzelf, maar vooral voor anderen. En ze gelooft ook dat ze gehoord wordt. Ikzelf heb helaas uit mijn opvoeding de neiging over gehouden nog wel eens rechtlijnig te willen zijn, en het viel me daardoor op dat het leven van Piaf niet helemaal leek te passen bij dat van iemand die in God gelooft. Ze leefde helemaal niet heilig, zei ik verontwaardigd tegen mezelf. Ze gebruikt drugs, beledigt mensen, en heeft een relatie met een getrouwde man. Hoe durft ze! Maar hiermee verraad ik vooral mijn eigen farizeïsme. Want ik ben misschien wel braaf, maar niet beter dan Edith. Ik maak ook domme keuzes, hoewel misschien niet zo duidelijk zichtbaar als de hare, en ik schiet ook tekort. Mijn leven is misschien wat gestroomlijnder dan het hare, maar het is net zo goed een rommeltje. En mijn verontwaardiging dient natuurlijk vooral om dat niet onder ogen te hoeven zien. “Ik dank u dat ik niet ben als deze tollenaar”, zei de farizeeër al op de hoek van de straat, in het zicht van alle anderen. Het feit dat iemand in God gelooft, betekent niet dat iemand geen foute keuzes maakt of domme dingen doet. De bijbel staat vol met verhalen van gelovige mensen die dingen doen waar de honden geen brood van lusten. Ooit van Koning David gehoord? Of van Petrus? Gelovige mensen zijn net zo feilbaar en zwak als niet-gelovige mensen. Wie dat niet toegeeft, houdt zichzelf voor de gek.
Om gered te worden, om verlossing te ontvangen, is het gelukkig helemaal niet nodig om onfeilbaar te zijn, of een volmaakt leven te leiden. Juist niet. Het enige dat daarvoor nodig is, is te accepteren dat je het zelf niet kunt, dat je tekort schiet, dat je genade nodig hebt. De tollenaar sloeg zichzelf op de borst en zei: “Heer, wees mij, een zondaar, genadig.” En Jezus zegt dat juist hij gerechtvaardigd naar huis terugging. De eerlijkheid over het eigen onvermogen was het enige dat nodig was om gerechtvaardigd te worden. En als de tollenaar weer faalde, zoals hij waarschijnlijk zou doen, hoefde hij alleen maar weer God te vragen of hij genadig wilde zijn. Ook al zou hij zichzelf nooit kunnen verbeteren, meer zou nooit nodig zijn. De betekenis van zijn leven hing namelijk niet af van zijn eigen heiligheid, hij kon niet zelf een verhaal vertellen dat hem betekenis kon geven. Het kwam niet van binnenuit uit zijn leven. De betekenis van zijn leven werd hem gegeven door de Verteller van het Ware Verhaal. Het was een geschenk dat niet van hem afhing. “Een geschenk, niet op grond van werken, opdat niemand roeme”, zoals Paulus zegt in Efeze 2.
Dat geldt ook voor Edith Piaf. Ze wil niet optreden zonder haar kruis. De film maakt er een punt van dit uitgebreid te laten zien. Steeds is ze in beeld met het kruis om haar hals. En als ze uiteindelijk aan het eind van haar carrière voor een tweede kans het podium op moet, gaat ze niet voordat iemand dat kruis voor haar gehaald heeft. Volgens mij realiseerde ze zich op dat punt haar afhankelijkheid van de genade. Ze was zich bewust van het rommeltje dat haar leven was, en haar onvermogen er ooit iets van te kunnen maken. Ze klemde zich vast aan het kruis, het teken van het Grote Verhaal van Gods liefde dat over ons verteld wordt.
En vervolgens zingt ze ‘Je ne regrette de rien’. Een prachtig lied waarin ze uitdrukt dat ze alles achterlaat. Het geluk en de pijn. De verwondingen. Het misbruik. Ze denkt er niet meer aan terug. Ze laat zich niet verteren door spijt, door schuldgevoel, door zelfverwijt. Ze is vrij van de fouten en de ongelukken. Die bepalen niet haar identiteit. Die bepalen niet wie ze is. Haar betekenis komt ergens anders vandaan.
Uiteindelijk blijft de conclusie van de kijker (van mij in elk geval) dat het leven van Edith Piaf vooral tragisch te noemen was. Het bevatte ondraaglijke pijn, waar ze een groot deel van de tijd voor op de vlucht was. Ze verloor mensen die haar dierbaar waren, maar maakte zichzelf ook kapot. Ze joeg mensen van zich weg, en was veel te vroeg oud. Maar dit is alleen een constatering. Het is geen oordeel. Haar hele leven valt immers onder het teken van de genade. Ze is gerechtvaardigd, net als de tollenaar. En haar muziek spreekt na vijftig jaar nog steeds mensen aan. Haar liederen geven mensen troost in moeilijke omstandigheden. Ik ken iemand die heel lang hoop putte uit ‘Je ne regrette de rien’. Op die manier speelt Piaf een rol in de levens van mensen, in al die verhalen. Ze draagt voor velen bij aan een gelukkig einde, aan verlossing. Ze kon het misschien niet zien toen ze zich in het verhaal zelf bevond, zoals de helden van Tolkien dat ook niet konden, maar haar leven droeg uiteindelijk vrucht. Het is opgenomen in het Grote Verhaal, het Ware Verhaal, en draagt bij aan de verlossing. Zoals ook onze levens daar uiteindelijk aan zullen bijdragen.

donderdag 13 december 2012

Filmbespreking: The Hobbit - An Unexpected Journey

Elf jaar geleden alweer (waar blijft de tijd) verscheen de eerste film van de The Lord of the Rings-trilogie in de bioscoop. Ik was sinds een paar jaar filmfanaat en volgde in filmtijdschriften alle ontwikkelingen en verslagen. Maar bovendien had ik mijn liefde voor het fantasygenre herontdekt omdat mijn jongste broer in zijn vakantie het boek van Tolkien had meegenomen en ik het voor het eerst sind mijn elfde in zijn geheel had gelezen. Sindsdien had ik serie na serie van andere schrijvers verslonden. Ik speelde zelfs al met het idee zelf een fantasyboek te schrijven (waar ik nu trouwens weer mee bezig ben nadat het tien jaar heeft stil gelegen). Het bijzondere van fantasyboeken vond ik hoe die je als lezer kunnen onderdompelen in een andere wereld, met eigen topografie (landkaarten voorin het boek zijn essentieel), eigen natuurwetten (magie is ook aan regels onderworpen) en eigen bijzondere wezens. Helaas hadden de fantasyfilms die ik had gezien niet dezelfde geloofwaardigheid als de boeken (zelfs de eerste Harry Potter viel eigenlijk wat tegen). Maar met The Fellowship of the Ring veranderde dat. Ik kan me de avond nog herinneren dat ik hem voor het eerst keek (ook omdat ik toen een ‘date’ had - zoiets maakt gebeurtenissen vaak nog wat helderder). Ik werd volledig in het verhaal getrokken. Vanaf de eerste beelden uit de proloog, tot de gemoedelijke gouw, het prachtige Rivendel. De film deed wat de boeken al deden: hij wekte verlangen op, wakkerde het vuur van binnen aan, voegde woorden en beelden aan mijn leven toe. Ik realiseerde me dat ik verlangde naar de wereld die ‘achter’ deze wereld ligt, een wereld waar alles, ook het kleinste, waardevol is en betekenis heeft, waar mysterie en heldendom hand in hand gaan, waar schoonheid wordt gevonden die het hart beroert. Ik heb die eerste film vijf keer in de bioscoop gezien. The Two Towers zes keer. En The Return of the King zeven keer. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Gelukkig waren er de ‘extended editions’ die de wereld van midden-aarde nog meer detail gaven.

Uiteindelijk hield het op, en sindsdien is er geen film geweest die hetzelfde of zelfs maar een vergelijkbaar effect op me heeft gehad. Je kunt je dus voorstellen dat ik enthousiast was van het nieuws dat regisseur Peter Jackson ook The Hobbit zou gaan verfilmen.
Misschien waren het mijn hooggespannen verwachtingen. Dat kan heel goed het geval zijn. In elk geval had The Hobbit - an unexpected journey niet hetzelfde effect op me als The Fellowship of the Ring dat had. Aan de andere kant is The Hobbit ook niet hetzelfde boek als The Lord of the Rings. Niet voor niets heb ik de laatste wel vier keer gelezen en de eerste niet. The Hobbit is vermakelijk, een verhaal geschreven voor kinderen, dat langzaam een meer mythisch karakter krijgt, maar mist de details en de grandeur van Tolkiens meesterwerk. In The Hobbit veranderen trollen in steen in het zonlicht, en vechten rotsreuzen met elkaar in de bergen. De elven zingen vrolijke liedjes, en Gollem speelt raadselspelletjes. De film bevindt zich tussen de twee boeken in. Aan de ene kant zijn veel van de grappen en grollen uit The Hobbit bewaard gebleven, en de wat meer onsamenhangend aandoende wereld (steenreuzen?), aan de andere kant zijn er doorkijkjes naar de grotere wereld zoals die in The Lord of the Rings was beschreven, en komen veel van dezelfde karakters opduiken, zelfs Frodo, Galadriel en Saruman. Ook zijdelings genoemde karakters uit The Hobbit krijgen een grotere rol, zodat een episch aandoend conflict kan ontstaan. De mix deed voor mij soms ongemakkelijk aan. Ook omdat er gekozen is om van dit boek drie films van elk drie uur te maken. Zelfs een Tolkienverslaafde als ik neigt ertoe dat iets te veel te vinden. Deze film had volgens mij prima twee uur kunnen duren (drie films van twee uur zouden ideaal zijn geweest, denk ik). Nu dacht ik een paar keer: “Oh nee, alweer de Wargs ...” Wat allemaal niet betekent dat ik het een slechte film vind. Ik zal hem zeker drie keer in de bioscoop kijken - meer dan de meeste andere films. Alleen geen vijf tot zeven keer zoals met zijn voorgangers. De wereld van midden-aarde blijft ook in de vorm van The Hobbit de moeite van een herhaald bezoek waard. Er zijn zoveel details, zo liefdevol weergegeven - ik zou graag eens in Rivendel willen verdwalen. De natuur van Nieuw-Zeeland draagt er natuurlijk ook aan bij. Verder zijn de dwergen fascinerende karakters, en Thorin Eikenschild is passend heldhaftig. De actiescenes zijn inventief, alhoewel soms wel lang uitgetrokken en (dit kan aan de veel besproken ‘high frame rate’ liggen) voelden soms onwerkelijk aan - bij het gevecht tegen de aardmannen voelde ik niet de spanning die ik volgens mij zou hebben moeten voelen (zoals later wel in een confrontatie tussen Thorin en een van zijn tegenstanders). De acteurs zijn erg goed. Martin Freeman kan erg goed een alledaags persoon spelen die wordt opgenomen in buitengewone omstandigheden, zoals in Sherlock, en hij is hier perfect als Bilbo. Ian McKellen is weer erg goed als Gandalf, en Andy Serkis keert terug als Gollem in een briljante, meeslepende scene. De dwergen zijn ook allemaal uniek, hoewel ze niet allemaal even goed zijn uitgewerkt als individuen, maar dat komt misschien in de vervolgfilms - wel genoot ik erg van de eerste scenes met de dwergen in Bilbo’s huis, inclusief hun hilarische en aangrijpende liederen (ik neurie de tweede daarvan al de hele dag). En ik vond de glimpen die ik opving van de draak Smaug wel naar meer smaken. Het grootste compliment dat ik de film kan geven, is dat mijn verbeelding werd geprikkeld en ik meer zin kreeg in het schrijven van mijn eigen verhaal. Dan heeft een film het goed gedaan, vind ik.

Voor wie het boek niet kent: deze film draait om Bilbo, de oom van Frodo uit de eerste film. Hij is een respectabele Hobbit, die niets liever doet dan op het bankje voor zijn huis zitten pijp te roken. Dan komt de tovenaar Gandalf langs, en hij verstoort de rust. Bilbo’s huis blijkt te zijn uitgekozen als ontmoetingsplaats voor een dertiental dwergen, ooit verdreven uit hun koninkrijk Erebor, en nu vastbesloten hun belangrijkste schat terug te winnen van de draak Smaug. En Bilbo blijkt uitgekozen om daar een rol in te spelen - die van inbreker. Hij protesteert aanvankelijk, maar in zijn hart blijkt toch een verlangen naar avontuur te schuilen (uit de Toek kant van zijn familie) en hij sluit zich bij de expeditie aan. Maar hij blijft twijfelen of hij wel zo’n goede inbreker is als Gandalf en de dwergen lijken te geloven. Het gezelschap trekt naar het oosten, maar hun reis blijkt niet zonder gevaren. Een boosaardige orkenaanvoerder heeft namelijk nog een appeltje te schillen met Thorin Eikenschild. Tovenaar Radagast de Bruine doet ondertussen een ontdekking in het Mirkwood die verstrekkende gevolgen zal hebben ...

Ook wat betreft de thematiek is er veel overlap tussen deze film en de eerdere trilogie - niet alleen klinkt Tolkiens duidelijke morele overtuiging in beide door, ze gaan ook nog eens allebei over een hobbit, of meerdere hobbits, die terechtkomen in een wereld die groter, mooier maar ook gevaarlijker is dan die ze tot dan toe kenden. En in die wereld blijken ze een rol te spelen die niet kon worden vervuld door de sterken, de machtigen of de rijken. Het is het verhaal van de overwinning van de zwakheid, waarin gewone daden van vriendelijkheid of naastenliefde de doorslag geven en de kleinste het is die niet door macht gecorrumpeerd wordt. Zelfs al is de ring in deze film niet het symbool van de macht die hij is in de latere films, het thema keert wel weer terug.
Een tweede thema is echter wel uniek, en dat heeft te maken met de reden waarom de hobbit in de grotere, mooiere en gevaarlijkere wereld terechtkomt. Bilbo is namelijk een heel andere persoon dan Frodo. Frodo leek te verlangen naar de wereld buiten de gouw (waarschijnlijk door zijn oom geinspireerd). Maar hij betreedt die wereld uiteindelijk niet uit eigen keuze. Hij wordt ertoe gedwongen. En zijn reis is al snel een belasting. “I wish the ring had never come to me”, verzucht hij al halverwege de eerste film. En tegen het eind van de derde film is hij murw, en heeft de dorre woestijn van Mordor zelfs zijn herinnering aan de gouw uitgewist. De reis die Frodo moet ondernemen is bittere noodzaak, en hij dreigt er aan ten onder te gaan, zelfs zijn identiteit te verliezen. Toch gaat hij, ook al kent hij niet de weg.
Bilbo is daarentegen zijn verlangen naar avontuur kwijtgeraakt. Ja, hij stamt af van de familie Toek met enkele illustere types in de lijn, maar hijzelf is respectabel geworden (de film-Bilbo is een oudere man dan de film-Frodo). Gandalf verwijt het hem: “Sinds wanneer is je voorraadkast en de gehaakte onderzetter belangrijker voor je geworden dan de wereld buiten de gouw?” Er is iets doodgegaan in Bilbo. Ook hij is zijn identiteit kwijtgeraakt. Niet door op reis te gaan, maar juist door niet op reis te gaan. Hij heeft zijn verlangen begraven, en zo lang genegeerd dat het er niet meer lijkt te zijn. Liever omgeeft hij zich met comfort, en mensen die de rust verstoren behandelt hij vriendelijk en wijst ze dan de deur. Hij is onaanraakbaar voor wilde dingen, schoonheid, vriendschap, waarheid. Zelfs zijn boeken en kaarten wekken zijn verlangen niet op, maar vervangen het alleen maar. Maar Gandalf -een vertegenwoordiger van de bovennatuurlijke wereld, van de goddelijke invloed in midden-aarde- laat het er niet bij. De dwergen dringen Bilbo’s leven binnen en gooien het danig in de war. Maar tegelijk roepen hun liederen en verhalen iets bij Bilbo wakker. Het duurt even voor het tot hem doordringt, en bijna is het te laat, maar hij verlaat uiteindelijk Hobbitstee uit eigen keuze. Hij wordt niet gedwongen, verre van (de meeste dwergen gokken dat hij thuis zal blijven). Hij wil zelf op avontuur (zoals hij roept als hij uit Hobbitstee vertrekt).
En ja, ook voor Bilbo is het avontuur gevaarlijk. Gandalf kan niet garanderen dat hij levend thuiskomt, en waarschuwt hem dat als hij terugkomt, hij niet meer dezelfde zal zijn. Thorin Eikenschild kan ook niet voor hem garant staan (en bovendien ondertekent hij een contract dat de dwergen vrijspreekt van verantwoordelijkheid in het geval van gruwelijke ontwikkelingen). Hij komt er ook achter dat hij het zonder comfort moet stellen (hij kan niet terug om een zakdoek te halen). En bovendien loopt hij tegen zijn eigen grenzen aan. Hij twijfelt aan zichzelf. Vooral als de dwergen ook niet veel vertrouwen in hem blijken te hebben. Wie is hij? Kan hij niet beter teruggaan? Dat is wat avontuur met mensen doet: het confronteert ze met de waarheid van de wereld - de concreetheid van een bergtop, de realiteit van een storm op zee, de werkelijkheid van een tijger. En in de confontatie daarmee ontdekt je de waarheid over jezelf. Wie is de werkelijke Bilbo? Is dat de aan comfort gehechte man van middelbare leeftijd, die het liefst alleen is, omringd door een leven dat hij geheel onder controle heeft? Of is Bilbo een man met een groot hart, die voor zijn vrienden op de bres springt, die met wijd open ogen geniet van Rivendel, die de waarheid durft te spreken over zichzelf en over anderen? Iemand die zelfs aan een wezen als Gollem genade durft te schenken?
En ja, ook Bilbo denkt terug aan de gouw. Maar zijn avontuur heeft niet, zoals bij Frodo, de herinnering aan het goede van de gouw doen vervagen. Het avontuur van Bilbo is geen lijden, maar leven. Het wist de herinnering aan het goede niet uit, want het is zelf goed (zoals het avontuur van Frodo een noodzakelijkheid was). Omdat het avontuur van Bilbo ook goed is, wordt het goede van de gouw niet minder, maar meer. Het krijgt de werkelijke plaats terug. Het was voor Bilbo een afgod geworden (een ‘klein verhaal’, iets waar hij zijn identiteit aan ontleende) en daardoor kon hij er niet werkelijk van genieten. Maar nu krijgt het gouwleven zijn werkelijke proporties terug. Hij kan er weer van genieten om wat het is in zichzelf en niet om de illusie van veiligheid die hem erdoor geboden wordt. En daardoor kan hij er ook tijdelijk afstand van nemen, om met zijn vrienden mee te gaan. Vrienden die niet een thuis hebben zoals hij, die het goede uit hun leven zijn kwijtgeraakt. Hij kan voor hen een offer brengen, zodat zij kunnen genieten van dat waar hij van geniet.
Kortom, waar Frodo door het lijden zijn leven kwijtraakte, vindt Bilbo door op avontuur te gaan zijn leven. Zijn hart begint weer te kloppen, zijn verlangens beginnen weer te branden. Hij is meer zichzelf dan toen hij in zijn eentje thuiszat.

Ik herken wel wat van Bilbo in mezelf. Ik heb ook het postuur en de liefde voor eten van een hobbit. Maar tegelijk wil ik het leven zien als een Groot Verhaal, en wil ik mijn verlangen naar schoonheid, waarheid en liefde levend houden. Ik wil het avontuur zoeken van het schrijven en van relaties, en metzelf niet in slaap laten sussen. En mocht dat wel gebeuren, dan hoop ik dat iemand als Gandalf langskomt en me herinnert aan wat ik bijna was kwijtgeraakt: mijn leven.

zaterdag 25 februari 2012

Links: prehistorisch bos, leven op Mars, Ghibli, Chocolat, opgeheven wijsvingers en definierende verhalen

Er wordt een film gemaakt over de vriendschap tussen C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien (twee van mijn favoriete auteurs), met als titel The Lion Awakes, en het schijnt dat Jude Law wordt benaderd om Lewis te spelen! Ik ben erg benieuwd! De levens van deze auteurs, en hun interactie die leidde tot de bekering van Lewis, zijn een film waard!

Een verloren wereld werd wonderlijk bewaard toen hij onder het as van een vulkaanuitbarsting werd bedolven en nu kunnen wetenschappers een bos van 300 miljoen jaar oud reconstrueren (zoals dat ook bij de Romeinse stad Pompeij werd gedaan).

Over interessante fossiele ontdekkingen gesproken: deze voorloper van het paard (en van walvissen) had of een heel goed gehoor, of kon gebruik maken van echo-locatie (net als vleermuizen en walvissen). 

Een fascinerend SF-filmpje, opgenomen in verlaten dorpen en steden in de Ukraine (waaronder Tsernobyl), heeft door de unieke filmlokaties een passende apocalyptische sfeer (al is het verhaal niet echt duidelijk).

Disney maakte in de jaren 50 een film over Mars, waarbij ook werd gespeculeerd over mogelijk leven op Mars. Er komen fantastische buitenaardse wezens voorbij - heel creatief en inspirerend. Ook boeiend is dit filmpje met de speculaties van Carl Sagan over leven op Jupiter.

Een nieuwe trailer voor The Last Airbender - The Legend of Korra.

Over animatie gesproken: ik ben een groot fan van de films van studio Ghibli. En veel mensen zijn dat met mij. En wijden ook hun creatieve energie aan het tekenen en schilderen van hun eerbetoon aan deze prachtige films. Veel prachtige tekeningen en schilderijen zijn verzameld op deze Tumblrpagina

Het is de vastentijd - Mockingbird bespreekt een film die zich afspeelt in de vastentijd: Chocolat. En ontwaart daarin beelden van genade - genade die, zoals de jonge priester in de film uitlegt, zich kenbaar maakt in wie en wat het in sluit, in plaats van wat en wie het buiten sluit. "In Chocolat Vianne is the Christ figure not because she is crucified but because she pronounces everyone she meets as righteous despite their guilt. The beauty, of course, is that her announcement tends to have an improving or transformative effect for each of these people (some more gradually than others). We would be wise this Lent to remind ourselves of the Gospel, so that we might err on the side of Vianne rather than that of the Comte. But even if we are aggressively self-righteous like the Comte, praise be to God that grace will eventually bring us to our knees and lighten our spirits."

John Shore houdt ervan om af en toe de conservatieve christenen tegen het zere been te schoppen. Zo ageert hij tegen christenen die klaarstaan met een moraliserende wijsvinger om mensen te waarschuwen voor hun gedrag. "If you think it’s the Bible that’s stopping you from turning into a dissolute animal, think again. Lots of perfectly moral people aren’t Christian. Your belief that an outside agent reigning you in is necessary for preventing you from becoming a shameless, immoral, out-of-control pig only means that somewhere along the line someone taught you that you are a shameless, immoral, out-of-control pig."

Deze blogger ontdekt dat hij postmodern is, maar in plaats van je te laten definieren door wat in het verleden ligt, is het beter om vooruit te kijken. "Maybe we will be known as pre-narratives or pre-neotheocommunists or whatever. At any rate, the same thing they were saying about my generation twenty years ago is still true – all we really know for sure is that we don’t know who we are. What I do know is that story matters to me. Deeply. Foundationally. Maybe I believe that story matters more than anything because I am a storyteller. Or maybe I became a storyteller because I believe that story matters more than anything else." Ik zit in hetzelfde schuitje: ik merk dat verhaal, in welke vorm dan ook, van levensbelang is voor me. Ik adem verhalen in, ik voed me aan verhalen. Ik herken de verhalen in mijn leven. Maar de kleine verhalen kunnen me geen betekenis geven. Ik wil leven in het echte verhaal, dat groter en beter is dan welk verhaal ook. "This is evangelism to me. Inviting others to turn in all of their stories, including their biggest story, for the story of God, Israel, Jesus and the Church. It’s kind of a ridiculous thing to ask of someone – to be willing to change their prime identity. But for those who are really ready for change (now I sound like a presidential candidate) – for those who are really ready for a new life, it is remarkably good news."

The Christian Monist schrijft over zijn kerkervaring. Hij is weg bij de evangelische kerk waar hij veel manipulatie ervoer, maar de kerk waar hij nu naar toe gaat is niet de hemel op aarde.  Hij vraagt zich af of de kerkervaring waar hij naar verlangt wel te vinden is. Wat overblijft is geloof. "It is part of that Hebrews 11 experience, that discontentment with what is, but hanging on, with both hands, to that hope that somehow, somewhere it will be better ... It is faith that must sustain us. A faith that all broken will be fixed some day. That the madness will be replaced my true-truth. It is like I have spoken of the "Gospel" all my life as a linguistic exercise. But now the true Gospel is the air that must sustain me. The awareness that I am clean in God's eyes, even though I'm a miserable disappointment to my Evangelical friends. Even though absurdity surrounds us, there is a sanity that awaits or coming." Ik herken dit wel nu ik een overstap maak naar een huisgemeente in Almere. Die is ook niet de hemel op aarde, maar dat moet ik er ook niet van verwachten. Alleen God kan mij de gemeenschap en de ontmoeting geven waar ik naar verlang, als geschenk en niet iets dat ik kan controleren.

vrijdag 6 mei 2011

Veranderd door het Verhaal

De laatste weken is het een paar keer voorgekomen: iemand vertelde me dat ik was veranderd. Op kring kwam iemand na afloop van de avond naar me toe en vertelde me dat ik in de zes jaar dat ze me nu kende, een opener blik in mijn ogen had gekregen. Dat vond ik mooi om te horen. En de dag erna zei iemand anders dat hij zich meer door mij verwelkomd voelde, dat ik toegankelijker leek. En mensen die mij kenden van een christelijk gospelkoor waar ik vijftien, zestien jaar geleden op zat, zeiden het ook: dat ik nu aanspreekbaar was, dat ik me niet meer zo afsloot voor mensen om mij heen. Collega’s op het werk zeggen hetzelfde. En ook nog eens: na een discussie op GoedGelovig en hier op deze blog zei iemand dat hij zich niet kon voorstellen dat ik een betweter was. Nou, dan had hij me een paar jaar geleden moeten kennen! Als zo veel mensen het zeggen, zal het wel waar zijn. Ik ben veranderd. En daar ben ik blij mee.

Maar hoe heeft die verandering plaatsgevonden? Ik had namelijk juist ontdekt dat ik nog dezelfde persoon was als voor mijn overspannenheid, dat de Johan van toen dezelfde was als de Johan van nu: een zachtaardige man met een gevoel voor humor en af en toe een wijze opmerking. En dat dit prima was. Ik kan me bovendien niet herinneren dat ik er bewust aan heb gewerkt om opener en toegankelijker te zijn. Ik zou niet eens weten hoe ik hier bewuster aan zou kunnen werken. Ik heb ook niet bewust geprobeerd om geen betweter meer te zijn.
Sterker nog: ik heb op mijn blog meermalen betoogd dat ik mezelf niet kan veranderen. Ik heb hier een hele serie geschreven over zwakheid - over het menselijke onvermogen. Ik heb willen laten zien dat ik mezelf niet aan mijn haren uit het moeras van mijn tekortkomingen kan optrekken. Mijn kracht schiet tekort. De bijbel lezen en christelijk gedrag hebben geen effect, andere waarheden leren blijkt niet te werken. De kerk bleek ook geen plek van heling, en de boodschappen dat ik moest veranderen, dat ik me moest aanpassen maakten het een onveilige plek. Die methoden kunnen ook niet helpen, omdat mijn gebrokenheid ligt in de diepten van mijn hart waar mijn verstand en wilskracht geen toegang toe hebben. Het zijn de niet verbale beelden, de pre verstandelijke concepten, die door ervaringen van pijn en afwijzing verwrongen zijn geraakt en die nu mijn doen en laten bepalen.
Ik ben zelfs gaan geloven dat ik mezelf niet HOEF te veranderen. Dat het goede nieuws van God op geen enkele manier afhangt van mijn inspanning, mijn wilskracht, van waar ik als mens toe in staat ben. Nee, het is een realiteit die ik als een kind mag ontvangen. Die realiteit is het koninkrijk van God, zijn aanwezigheid in de persoon Jezus Christus, de wetenschap dat ik door God geliefd ben (wat ik ook doe, voel of denk). Verandering is daar geen voorwaarde voor, maar ook niet iets dat van mij ge-eist wordt nu ik heb gekozen me voor Gods liefde open te stellen. Als ik verander is dat dus niet mijn verdienste, maar een direct gevolg van dit Goede Nieuws. Het is het directe gevolg van de realiteit waar ik me als een kind voor openstel. Die realiteit is namelijk niet een verstandelijke realiteit, het is een realiteit in de wereld van de Beelden - het is een verhaal.

Het zal vast geen verrassing zijn als ik toegeef dat ik nogal van verhalen houd. Nee, echt! Ik houd van verhalen in allerlei vormen: verteld rond het kampvuur, in televisieseries en films, in computerspellen, en in boeken (stripboeken incluis). Ik ben altijd wel bezig in een boek, volg verschillende stripverhalen op het internet,   en zet graag tijd apart om naar de bioscoop te gaan of een film te huren. Ik ben niet de enige voor wie verhalen belangrijk zijn - kijk naar de bezoekersaantallen van films als Titanic, Avatar, Star Wars et cetera, of de verkoopcijfers van sommige boeken van overleden Scandinavische thrillerauteurs. Ik geloof niet dat er een samenleving op Aarde is waar geen verhalen worden verteld. En ik geloof niet dat er een tijd geweest is in de menselijke geschiedenis dat verhalen onbekend waren. Verhalen vertellen en naar verhalen luisteren hoort bij het menszijn, ze zijn onlosmakelijk verbonden aan onze menselijke natuur. We hebben ze nodig.
Verhalen geven namelijk betekenis aan de wereld om ons heen. Volgens Tolkien en Lewis was het de menselijke gave om woorden te geven aan voorwerpen en fenomenen. Daarmee kregen deze voorwerpen en fenomenen een bestaan in de menselijke verbeelding, en dus in zijn denken. Ze werden van niet omschreven concepten en vage vormen in de buitenwereld opeens concrete, vaste objecten in de binnenwereld. Doordat een voorwerp een naam had kon het worden onderscheiden van zijn omgeving, het kon in verband worden gebracht met andere voorwerpen, en er kon over worden gecommuniceerd met andere mensen. Een boom werd pas een boom (in plaats van een vaag groene vlek in het gezichtsvermogen) toen het de naam ‘boom’ kreeg. Namen aan iets geven betekent dus betekenis geven.
En volgens Lewis en Tolkien hadden verhalen een vergelijkbare rol, maar dan op een grotere schaal. Zoals woorden betekenis geven aan voorwerpen en fenomenen, geven verhalen betekenis aan de wereld, het bestaan, ons menselijke leven. Een verhaal neemt de abstracte gevoelens en ervaringen uit de buitenwereld en geeft ze een concrete plek, een duiding in de binnenwereld. Wat we meemaken is opeens niet zinloos meer, want we herkennen het als (onderdeel van) een verhaal. Dat mensen dus al sinds mensenheugenis (letterlijk) verhalen vertellen, is niet omdat ze nu eenmaal iets nodig hadden om de tijd te doden, of omdat ze een hobby zochten - het is omdat mensen zoeken naar betekenis. We willen begrijpen wat onze rol is. We willen dat wat ons overkomt ergens toe dient. We willen meer zijn dan toevallige samenraapsels van atomen. En dus scheppen we verhalen die al die behoeften vervullen: mythen, legendes, sprookjesverhalen, blockbusterfilms.
De woorden van die verhalen roepen een andere wereld op, die we met onze verbeelding binnengaan. In die wereld zijn goden werkelijkheid, hebben heldendom en opoffering betekenis, hebben daden consequenties en is liefde sterker dan de dood. Zelfs al geloven we als materialistische mensen niet dat deze dingen waar zijn in onze hermetisch gesloten werkelijkheid, in het verhaal ervaren we ze wel als werkelijkheid. Misschien geloven we niet dat er iets bestaat als een ‘happy end’, en  de onvoorwaardelijke acceptatie door de geliefde, in het verhaal ervaren we deze dingen alsof ze wel bestonden. En zelfs als we er met ons verstand niet in geloven, wordt onze verbeelding er door beïnvloed - worden deze begrippen, deze gedachten waarheid in onze verbeelding. En dus gaan ze ons gedrag beïnvloeden. We gaan leven alsof ze realiteit zijn. Want ik heb al eerder betoogd: de verbeeldingswereld, de beelden diep in ons hart, hebben meer invloed op ons gedrag dan onze verstandelijke overtuigingen, dan onze rationaliteit. Het is in onze verbeelding dat onze verlangens vorm krijgen, en uiteindelijk bepalen onze verlangens wat we doen en niet doen (en niet onze wil, want onze wilskracht is niet meer dan het gevolg van de kracht van onze verlangens). De waarheid van de beelden is een krachtigere waarheid dan die van het verstand.

Het is niet voor niets dat in de sprookjesverhalen waar Lewis en Tolkien fan van waren, een mens die in de feeenwereld terechtkwam (altijd onbedoeld - iemand die er actief naar zocht, vond het feeenrijk nooit), daar niet onveranderd weer uit vandaan kwam. Ten eerste leek de tijd voor zo iemand stil te staan - er konden jaren zijn voorbijgegaan in onze wereld, terwijl het voor hem of haar minuten leken (zo gaat het ook als je echt in een verhaal opgaat - je hebt geen oog meer voor het verstrijken van de tijd. Je bent echt in een andere wereld). Maar ook het karakter van deze mensen was veranderd. Ze waren vrolijker, blijer, maar soms ook bedroefder, en keken met een vreemd verlangen naar de wereld om ze heen. Opgenomen worden in deze wereld waar schoonheid, liefde en avontuur tastbare werkelijkheid waren, zo werkelijk dat het pijn doet aan de zintuigen, laat een mens namelijk niet onberoerd. Het laat een indruk achter in de beelden van het hart, in de verlangens. Een goed voorbeeld is de dwerg Gimli uit The Lord of the Rings van Tolkien. Hij moet eerst niets van elfen hebben, veracht ze zelfs. Tot hij het elfenrijk Lotlorien binnenkomt en daar de elfenkoningin Galadriel ontmoet. Haar schoonheid prent zich in op zijn hart, en hij draagt die met zich mee als hij dat land weer verlaat. Gimli is een veranderde dwerg - hij wil niks kwaads meer horen over Galadriel en gaat uiteindelijk zelfs met de elf Legolas over de zee naar Valinor.
Geen wonder dat in deze sprookjesverhalen (en in The Lord of the Rings) mensen een gezonde angst hebben voor de elfenmagie. Verhalen zijn gevaarlijk. Als je niet oppast, vertellen ze jou! Als je niet oppast wordt de wereld uit het verhaal de wereld waar jij in leeft. Krijgt alles wat je meemaakt betekenis. En ga jij in je doen en laten lijken op de helden van het verhaal. Hun verlangens worden jouw verlangens. Hun leven wordt jouw leven. De oude mens, die leefde in de betekenisloosheid van het oude verhaal, is niet meer, een nieuwe persoon is opgestaan, die wordt gedreven door de beelden van schoonheid, liefde en gerechtigheid uit het nieuwe verhaal. Daar hoef je niets voor te doen, het gebeurt vanzelf doordat je in het verhaal leeft. Je kunt het alleen verhinderen door je voor de werkelijkheid van het verhaal af te sluiten en door cynisch te kiezen voor de betekenisloosheid van je eigen wereld. Niet voor niets zijn het kinderen die het meest van sprookjesverhalen houden en die zich er ook door laten beïnvloeden - zij durven zich er nog voor open te stellen.

Die zin over de oude en de nieuwe mens hierboven heb ik bewust laten lijken op een bijbeltekst (geoefende bijbellezers zullen het hebben gezien). Ik geloof namelijk dat de verandering in ons leven als gelovigen ook op deze manier plaatsvindt - niet door onze inspanning, niet door onze wilskracht, niet door intellectuele kennis tot ons te nemen, niet door religieuze handelingen, niet door kerkbezoek of ... (vul zelf maar in, al die dingen waardoor je geprobeerd hebt jezelf te veranderen). Het zijn allemaal kleine verhalen, te kleine verhalen. Verhalen van eigen inspanning, van prestatie, van competitie. Ze houden ons beknot, gevangen, beperkt.
We veranderen door ons open te stellen voor het Grote Verhaal, de Werkelijke Mythe. Dit is het verhaal dat niet door mensen is verzonnen om betekenis te verlenen aan de wereld om hen heen, nee, dit is het Verhaal dat zelf de betekenis geeft aan alle dingen, omdat het Waar is. Dit Verhaal is zo groot als het Universum, sterker nog: het is het verhaal van het Universum en dus IS dit het Universum. Aan dit Verhaal, deze Ware Mythe, ontlenen onze sprookjesverhalen hun betekenis, en hun kracht. De kracht van de elfenmagie om mensen te veranderen, is slechts een afgeleide kracht. De schoonheid, de intimiteit en de waarheid van de verhalen kunnen alleen maar mensen veranderen in zoverre ze lijken op of refereren aan de Werkelijke Schoonheid, de Werkelijke Liefde, de Werkelijke Waarheid in het Grote Verhaal. Onze verhalen zijn (ik zeg net nog maar eens, voor wie mijn bespreking van Thor niet gelezen heeft) geen vlucht uit de realiteit, maar een herinnering aan de realiteit.
Maar deze realiteit kunnen we niet binnentreden door ons verstand - het voldoet niet om geloofswaarheden te leren kennen, bijbelteksten uit het hoofd te leren of theologieboeken te lezen. Het kennen van afkortingen (TULIP) is niet voldoende. We kunnen de realiteit ook niet binnentreden door wat we doen - missionair zijn bijvoorbeeld, evangelisatie, religieus gedrag. Gedrag is gevolg, geen oorzaak van verandering. Ook geestelijke ervaringen of goede gevoelens kunnen ons niet deze realiteit binnenbrengen. Niets van ons initiatief, niets dat van ons uitgaat, kan ons die werkelijkheid binnenvoeren - zoals de ontdekkingsreiziger die het feeenland actief zocht het nooit bleek te vinden. We kunnen niets doen om de realiteit - het koninkrijk van God - te beërven, omdat we er nu al in leven.  De Realiteit is NU AL realiteit. God is al met ons in Jezus. Hij houdt al van ons door Jezus. Het koninkrijk van God is al onder ons. We kunnen er alleen voor kiezen het te ontvangen, er als een kind voor open te staan. We kunnen alleen kiezen deze werkelijkheid te accepteren, te accepteren dat we leven in het Grote Verhaal. Waarin wij niet de hoofdpersoon zijn (want dat is het kenmerk van al onze kleine verhalen - daarin zijn wij de helden), maar waarin God de held is, die in Jezus dood en opstanding alles op alles stelde om ons te redden en ons bij zich te voegen. Als we de ogen van ons hart openen voor de Realiteit (het evangelie is een waarheid die moet worden begrepen door de verbeelding, niet door het verstand, zei Lewis al), ervaren we Ware Schoonheid, Liefde en Waarheid - en die zullen ons veranderen. De werkelijkheid van de tegenwoordigheid van Christus in ons en rond ons zal ons niet onberoerd laten. We zullen gaan lijken op de hoofdpersoon van het verhaal. We zullen de oude mens, die leefde in het kleine verhaal, achter ons laten en gaan lijken op die Nieuwe Mens, die leeft in een nieuwe werkelijkheid.
Open willen staan voor dit verhaal is een keuze. Het is de keuze om de liefde van God te ontvangen. Om te accepteren dat die werkelijkheid is, dat het Verhaal werkelijkheid is, ook als je het niet begrijpt met je verstand, het niet voelt met je emoties, het niet ervaart, en er soms ook niet naar blijkt te leven. In een eerdere blog schreef ik over het ‘oefenen van de opstanding’. Om te leven uit de hoop van het herstel, de hoop dat verandering werkelijk mogelijk is, ook als je het nog niet in je leven ziet. Omdat deze hoop door God beloofd is. “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”, zegt Hebreeën 11:1 (andere vertalingen zeggen ‘de overtuiging van de dingen die men niet ziet’). De zekerheid waar het hier over gaat is geen intellectuele zekerheid - geen overtuiging in weerwil van de bewijzen. Nee, het is de keuze om het Grote Verhaal als waar te beschouwen, om dit als werkelijkheid te zien, en om daarnaar te gaan leven, ook als je het niet begrijpt of ervaart of voelt. Om te leven als ‘geliefde van God’ - want dat is het Grote Verhaal in een notendop. En wie zo leeft, blijft niet dezelfde. Die verandert.

maandag 2 mei 2011

Filmbespreking: Thor

Toen ik op Twitter meldde dat ik deze film zou gaan bekijken, reageerde een van mijn volgers: ‘Goede keuze. Kunnen we C.S. Lewis nog beter begrijpen :-)’. Nu zal het mijn trouwe lezers niet ontgaan zijn dat ik nogal een C.S. Lewis-fan ben. Ik begreep dan ook direct waar mijn gesprekspartner op doelde: Lewis was namelijk van jongs af aan gegrepen door de mythologie van het Noorden, de Scandinavische verhalen over Odin, Freia, Loki en hun heldendaden, over Asgard en Walhalla en over de eindstrijd die zou komen, Ragnarok, de Godenschemering. Verhalen vol moed in de zekerheid van de dood, opoffering en schoonheid. Ze wekten in hem een gevoel van verlangen op - ‘vreugde’ zoals hij het noemde - en stimuleerden zijn verbeelding. Hoewel hij niet geloofde in het werkelijk bestaan van de goden van de Vikingen, leidden de mythen bij hem wel tot een echte emotionele reactie. Het verhaal had een werkelijke kracht.
In het fameuze gesprek tussen Lewis, J.R.R. Tolkien en Hugo Dyson tijdens hun wandeling langs Addison Walk wist Tolkien zijn vriend ervan te overtuigen dat Lewis in de mythe wel degelijk op iets was gestuit dat werkelijk was - want mensen vertellen verhalen om zin te geven aan de werkelijkheid binnen en buiten hen, en raken daarbij vroeg of laat aan het ene echt werkelijke Verhaal - het Grote Verhaal dat alle dingen betekenis geeft. Onze mythen, ik citeer Tolkien nog maar eens, koersen (hetzij zigzaggend) naar de ware haven. En het Grote Verhaal was niet een legende zoals de door mensen verzonnen mythen, het was niet abstract, het was niet verzonnen. Het Grote Verhaal was keiharde, concrete werkelijkheid - het was Echt Gebeurd, het was Geschiedenis - aanwijsbaar in tijd en ruimte. De dood en opstanding van Jezus Christus was Mythe die Werkelijkheid was geworden. Dit was de werkelijkheid waar de mythen zijdelings aan raakten, het Verhaal waar de verhalen hun kracht en schoonheid aan ontleenden. Elk effect van menselijke verhalen is een afgeleid effect. Wat Lewis aansprak in bijvoorbeeld het verhaal over de opoffering van de god Balder, had dit effect op zijn verbeelding dus omdat het overeenkwam met het Grote Verhaal - de Werkelijke Mythe - van de opoffering van Christus. De werkelijkheid is Christus, zoals Paulus zei. Opoffering, heldenmoed, liefde en alle andere waarden die doorschemeren in de mythen van welk volk op Aarde ook, zijn werkelijkheid, en hun effect op ons is werkelijkheid, omdat het Grote Verhaal werkelijkheid is. Waar Lewis naar zocht in de Noordse verhalen, vond hij in het Grote Verhaal.
Maar dat betekende niet dat Lewis toen hij christen werd, niet meer hield van de mythen en verhalen zelf. Hij bleef tot het eind van zijn leven gebiologeerd door hun zeggingskracht. Hun invloed laat zich bijvoorbeeld heel goed zien in zijn eigen Narniaverhalen, vooral in De Zilveren Stoel en De Laatste Strijd. Hij schreef zelf ook verhalen, waarvan hij hoopte dat ze zouden refereren aan het Grote Verhaal. We zijn namelijk in onze cultuur vaak zo vertrouwd geraakt met dat Verhaal dat het nauwelijks meer effect heeft op onze verbeelding, en op ons hart. We zijn ermee doodgegooid op de zondagsschool, op de school en in de kerk. We zijn er zo bekend mee geworden dat het verhaal ons niet meer raakt alsof het nieuw is. Bovendien hebben we het verleerd het Verhaal te horen als ‘verhaal’ - we hebben het geleerd in de vorm van theologische waarheden, leerstellingen en overtuigingen - die geen enkele reactie opwekken in onze verbeelding, in ons verlangen. De woorden zijn losgekoppeld van ons hart - de dood en opstanding van Jezus zijn verworden tot ijkpunten van de orthodoxie, waar we niets meer bij voelen. Zoals C.S. Lewis bij het verhaal over Jezus niet voelde wat hij voelde bij het verhaal over Balder. We associëren de Ware Mythe niet meer met schoonheid, met avontuur, met intimiteit - met de gevoelens die een menselijk verhaal bij ons opwekt. Daarom moeten we het Grote Verhaal gaan herkennen in onze eigen verhalen. We moeten gaan zien dat het aspect dat ons enthousiast maakt over een boek of film, een afspiegeling is van de Ware Mythe. Zo zal ons enthousiasme voor het Grote Verhaal gaan groeien. We gaan herkennen dat we zelf in zo’n groot verhaal leven, dat schoonheid, waarheid en intimiteit werkelijkheid zijn, en dat datgene waar we naar verlangen in de verhalen, niet een luchtspiegeling is, maar juist onverdunde werkelijkheid. Het lezen van een boek of het kijken van een film is dan niet een vlucht uit de realiteit, maar juist een herinnering aan de Realiteit (of kan dat zijn). We worden er aan herinnerd dat wat we doen echt betekenis heeft, dat ons leven er echt toe doet, en dat er werkelijk hoop is voor de toekomst. Een ‘happy end’, een goed einde, ook al lijkt alles om ons heen te vergaan. Ook ons verhaal zal tot een bevredigend einde komen. Christenen moeten dus niet minder van verhalen gaan houden, ze moeten dus niet de mythen en legendes als ‘nutteloze verzinsels’ afdoen, en hun verbeelding stopzetten. Nee, ze mogen juist meer gaan houden van verhalen in alle vormen, en zelf nieuwe mythologie scheppen, waarin het Grote Verhaal zichtbaar zal worden. Ze mogen hun verlangen levend houden en aanscherpen tot het bijna niet dragelijk is. Christenen mogen het leven vieren in al zijn toonaarden. En verhalen vertellen hoort onlosmakelijk bij het vieren van het leven.

Daarom geloof ik inderdaad dat C.S. Lewis de film Thor zou hebben kunnen waarderen. Maar niet vanwege het Noordse, Scandinavische karakter, niet omdat het de mythen weergeeft. Thor heeft namelijk weinig van doen met de legenden van het Noorden, en vertelt niet het verhaal van de dondergod Thor uit de mythologie. Deze film is namelijk de verfilming van een Amerikaans superheldenstripboek. En interessant genoeg suggereert ook dit verhaal dat de mythen van de Scandinaviers op een waar verhaal gebaseerd zijn - dat ze refereren aan iets werkelijks. In dit geval is dat echter niets bovennatuurlijks. Het is een andere werkelijkheid, een soort parallel universum, dat met een Einstein-Rosen-brug (in bekendere termen: een ‘wormhole’) met het onze verbonden is. In deze wereld, door de inwoners Asgard genoemd, leeft een ver ontwikkelde samenleving - zo ver ontwikkeld dat hun wetenschap voor Aardlingen niet te scheiden is van magie (altijd leuk om een film te zien waarin sciencefiction auteur Arthur C. Clarke wordt aangehaald). Toen de Aarde in vroeger tijden werd aangevallen door de ijsmonsters uit Jotunheim (weer een andere werkelijkheid), kwamen de bewoners van Asgard ons ter hulp. Zij versloegen de monsters, en uit dat gegeven ontstonden vervolgens de Noordse legendes. Maar de Asgardianen trokken zich weer terug naar hun eigen wereld en leven sindsdien in een wankele vrede met de ijsmonsters van Jotunheim. Koning Odin heeft twee zonen. Thor is een zelfverzekerde wildebras, die staat te popelen om de kroon te dragen en de ijsmonsters eens en voor altijd uit te roeien. Zijn wapen is een hamer - gesmeed in het hart van een stervende ster - van een ongekende dichtheid, en volgepropt met energie. Loki staat bij zijn broer in de schaduw, maar hij is intelligent en berekenend. Na een provocatie van de ijsmonsters reizen de twee samen met hun strijdlustige vrienden naar Jotunheim. Daar komt het bijna aan op oorlog, tot Odin tussenbeide komt. Hij is niet blij met het optreden van Thor. Hij ontneemt zijn zoon zijn krachten en verbant hem naar de Aarde. Dat blijkt Loki goed uit te komen. Wanneer zijn vader niet langer kan regeren, neemt Loki plaats op de troon. Dat is nog maar het begin van zijn geniepige plan om voor eens en altijd de macht over Asgard in handen te krijgen. Op Aarde wordt Thor ondertussen gevonden door Jane Foster, een wetenschapper die een onverklaarbaar atmosferisch fenomeen onderzocht. Dat de grote, blonde man inderdaad zou zijn wie hij zegt te zijn, kan Jane natuurlijk niet geloven. Het is waarschijnlijker dat hij leidt aan waandenkbeelden. Aan de andere kant bevond hij zich middenin het verschijnsel dat Jane had waargenomen. Dus geeft ze hem het voordeel van de twijfel, en neemt hem mee op zoek naar zijn hamer, die dichtbij is neergestort. Thors’ wapen is echter al gevonden door de agenten van de mysterieuze organisatie SHIELD - die niet van plan zijn hun vondst zomaar af te staan.

Ook al heeft Thor dus niets van doen met de werkelijke mythologie, het is een onderhoudende film, vooral voor liefhebbers van superheldenverhalen. Regisseur Kenneth Branagh heeft veel ervaring opgedaan met het verfilmen van Shakespeare-verhalen - en hij weet de interactie tussen Odin, Thor en Loki inderdaad een mooie, dramatische lading mee te geven. Het spel van de acteurs draagt daar aan bij - vooral dat van Anthony Hopkins - een geinspireerde keuze voor de rol van Odin (en interessant genoeg een acteur die eerder eens Lewis vertolkte). De wereld van Asgard en de omgeving van Jotunheim zijn ook prachtig weergegeven - je krijgt als kijker een goed gevoel van de enorme schaal van deze rijken - ik moest herhaaldelijk denken aan The Lord of the Rings. Een groot compliment - veel van de fantasyfilms die na The Lord of the Rings zijn gemaakt missen op de een of andere manier het gevoel van schaal, van een epische uitgestrektheid van de wereld. Dat is hier goed gelukt. Ik was ook aangenaam verrast door de humor in het verhaal - vooral in het deel dat zich op Aarde afspeelt. Vooral een drinkwedstrijd tussen twee karakters deed me glimlachen. Net als een opmerking van twee SHIELD-agenten over de opzichtige kleding van de vrienden van Thor. Wat ik jammer vond was dat de belofte van het begin van de film aan het einde niet werd waargemaakt. De confrontatie tussen de twee broers moest er ooit komen, maar hun conflict was niet zo spannend of spectaculair als minstens twee confrontaties eerder in de film. Ik had bijvoorbeeld een grotere rol verwacht van de ijsmonsters. Met een sterker einde zou de film waarschijnlijk langer in het geheugen van de kijker blijven hangen.

Thor is dus niet de Noordse mythe, maar wel een goed verhaal in zichzelf. De film is duidelijk met passie en creativiteit gemaakt, door een integere regisseur - en enthousiaste acteurs. En dat betekent dat dit verhaal -net als de mythe zelf- zijn kracht ontleent aan het Grote Verhaal, de Ware Mythe - de bron van de betekenis van alle verhalen. Dus moet de trotse, zelfverzekerde Thor een stap terugdoen, en tot het besef komen dat de wereld niet om hem alleen draait. In zijn staat als mens leert hij zijn excuses aanbieden en zijn vijanden vergeven. Hij leert wat het is om nederig te zijn. Uiteindelijk komt het zo ver dat hij zijn eigen leven opoffert om onschuldigen te redden. Hij brengt een offer, zonder daarvoor iets terug te verwachten. Zonder zichzelf te willen verhogen. En hij is werkelijk dood. Maar er is een diepere magie werkzaam - zoals iemand zegt over Odin: ‘Hij heeft overal een bedoeling mee.’ - en de opoffering van Thor leidt tot herstel en overwinning. Er volgt zelfs een soort van hemelvaart - waarna zijn Aardse vrienden wachten op Thors terugkomst. De Werkelijke Mythe wordt gereflecteerd in het verhaal over een stripheld, gebaseerd op een oude legende. Ik geloof dat C.S. Lewis die parallel ook zou hebben opgemerkt, en het zou hebben kunnen waarderen.

donderdag 14 april 2011

Oude cellen, kosmonauten, Dragons of Pern, Planet of the Apes, Miyazaki, verbeelding

Een nieuwe dinosaurus met een indrukwekkende naam (Daemonosaurus!) was een tussenvorm tussen de primitieve en de 'moderne' dinosaurussen.

Een miljard (duizend miljoen) jaar geleden was het landoppervlak niet zo doods als ooit beweerd werd: er leefden complexe eencelligen

Een Spaanse film over een Russische kosmonaut - gefinancierd en geproduceerd door het publiek. Interessant.

Komt er eindelijk een film van het SF-verhaal van Ray Bradbuy The Martian Chronicles? Ik hoop het.

En het ziet er ook naar uit dat er een film gaat komen van het eerste boek van de Drakenrijders van Pern van Anne McCaffrey.

De nieuwe film in de serie over The Planet of the Apes begint er indrukwekkend uit te zien. Hoe kan het anders met Andy 'Gollum' Serkis als aap? Hier is de trailer!

Over Andy Serkis gesproken: hier is het eerste film-dagboek van de opnames van The Hobbit. Ah ... ik begin al in de stemming te komen voor nieuwe Tolkien-films ... Luister naar de muziek, zie de sets, herken de acteurs, en hoor de woorden: 'In a hole under the ground there lived a hobbit.'

Het allereerste stripverhaal van Hayao Miyazaki eindelijk vertaald: People of the Desert. Zijn stijl is al heel herkenbaar. Is het duidelijk dat ik fan ben?

Volgens Chaplain Mike op Internetmonk zijn evangelische gelovigen vaak zwak op het gebied van de verbeelding. "Evangelical faith is expository faith—it must explain. It values answers and certainty. It wants to “nail things down,” not set the mind and heart free to imagine and explore the possibilities." Maar Jezus gebruikt juist verhalen, om mensen te laten 'zien' hoe hun leven er zou uitzien in het koninkrijk van God en hen ernaar te laten verlangen. "The big point is this: truth and life so wondrous as that which Jesus came to give cannot be held within theological definitions and teaching outlines, classroom lectures and debates. The world God wants to create can’t merely be explained, it must be imagined, and most of all, it must be lived." Woorden naar mijn hart!

The Christian Monist reflecteert op het verlaten van de evangelische traditie. "Once you've crossed over, once the day after is . . . the day after, there is no going back. Now it is a place where you must know God without knowing all about Him. There is mystery that I can not answer. Life doesn't fit into the Lego block holes like it use to." Mijn kerk was niet zo Amerikaans evangelisch als de zijne, maar ik herken wel een aantal dingen die hij schrijft. Ik kan zelf ook niet meer terug. 

zaterdag 5 februari 2011

Boekbespreking: The Indigo King

Dat mensen van elkaar verschillen is een open deur. Dat weten we allemaal. Het betekent ook dat de verbeelding van mensen verschillend is. Wat mij aanspreekt, waar ik plezier an beleef, wat mij tot nadenken stemt, hoeft dat bij jou niet te doen en vice versa. Daarom spreekt het ene type boek de ene persoon aan en het andere type boek de andere. De boeken van James A. Owen passen erg goed bij mijn verbeelding. Ik kan namelijk wel eens behoorlijk associatief zijn. Lezers van mijn blog vinden ook in mijn theoretische beschouwingen verwijzingen naar films, boeken, stripverhalen  en wetenschappelijke weetjes. Ik heb wat ze noemen een brede interesse (dat zal iedereen die de links die ik doorgeef wel eens bekijkt ook zijn opgevangen). Ik ben geïnteresseerd in verhalen, in geschiedenis, in wetenschap, in andere planeten. Al de feiten en ideeën die ik verzamel probeer ik vervolgensmet elkaar in verband te brengen. Ik probeer ze te passen in een groter raamwerk. Bij elke grote nieuwe ‘ontdekking’ vraag ik me af wat daar de gevolgen van zijn voor de rest van mijn structuur van gedachten. Dat doe ik niet alleen op het hoge niveau van mijn levensbeschouwing, maar ook op verhaalniveau. Ik vond het bijvoorbeeld leuk om ‘cross over fan fiction’ te verzinnen: verhalen waarin ik de werelden van verschillende films of tv-series op een kloppende manier kon laten versmelten. Zo schreef ik zelf verhalen waarin Indiana Jones werd geconfronteerd met de zweep van de Balrog, of waarin hij terechtkwam op de verloren wereld van Arthur Conan Doyle (met dinosaurussen uit Jurassic Park). Ik verzon voor mijn broers een cross over tussen De Laatste Bazuin en de X-men, en The Matrix en Gladiator. Verhalen en theorieen die uiteenlopende werelden en gedachten bij elkaar brengen hebben mijn interesse.
Daarom geniet ik erg van verhalen als die van James A. Owen, waarvan ik op deze blog de eerste twee al een keer besprak. Ook het derde deel, The Indigo King, bevat weer die combinatie van Griekse mythologie, Arthurlegendes, bekende fantasy-schrijvers, sprekende dieren, alternatieve unversa en verwijzingen naar boeken (zo komt in dit verhaal Hank Morgan voor uit Mark Twains’ A Connecticut Yankee at King Arthurs Court). Het blijft ook leuk om te zoeken naar momenten en omgevingen die in de boeken van de hoofdpersonen terugkeren. En dit keer wordt het christelijk geloof aan de mix toegevoegd. Net als in de vorige boeken legt Owen slimme verbanden tussen al die verschillende werelden, waardoor ze bij elkaar lijken te horen. Hij schept een overkoepelende mythologie (zoals ik dat ook graag doe) waar al die verhalen onder vallen. Zijn karakters zijn niet bijzonder sterk, vind ik. De kracht van dit verhaal is het slimme spel met werelden van de verbeelding. En het plot bevat enkele erg interessante wendingen, waarbij wordt gespeeld met de verwachtingen van de lezer met name met betrekking tot de identiteit van de Winter Koning. Ook de door de auteur zelf gemaakte illustraties zijn prima. Maar dit deel liet mij helaas met een zure smaak in de mond achter.

Een voorwaarde voor het combineren van de verschillende verhalen en werelden in een enkel verhaal is namelijk dat je wel recht doet aan de afzonderlijke werelden. Natuurlijk mag je spelen met de historische feiten. Of Charles Williams op een bepaalde datum in Frankrijk verbleef vind ik echt niet zo belangrijk. Maar de kern van de historische personen en hun gedachtengoed moeten wel hetzelfde blijven, en hetzelfde geldt voor de mythologieën en verhalen - als je hun plot, hun kern ingrijpend moet veranderen om ze in je verhaal te verwerken, kun je net zo goed je eigen mythologie of verhaal verzinnen in plaats van een echt verhaal zo te verbasteren dat het niet meer als zichzelf herkenbaar is. En dat laatste is wat Owen in dit verhaal helaas doet met het christelijk geloof van zijn hoofdpersonen, en het verhaal van Jezus zelf.
Hij kon er natuurlijk niet omheen: het christelijk geloof moest een plek krijgen in zijn wereld. Dat heb je als je de Inklings kiest als hoofdpersonen voor je verhaal. Of feitelijker - de drie schrijvers die de ‘harde kern’ vormden van dit Engelse literaire gezelschap: Charles Williams, J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis. Zij zijn misschien wel de belangrijkste christenauteurs van de vorige eeuw en vooral de laatste heeft een belangrijke rol gespeeld, niet alleen in de ontwikkeling van het fantastische genre, maar ook in de ontwikkeling van het christelijke denken. Tolkien was al van jongs af aan een overtuigd christen. Lewis was lang atheïst, en omdat de eerste twee boeken zich afspelen voor Lewis’ dertigste, hoefde Owen zijn geloof nog niet in de verhalen te verwerken. Maar in het nawoord van The Indigo King geeft de auteur aan dat dit verhaal expliciet is gebaseerd op het onder Inkling-kenners befaame gesprek tussen Lewis, Tolkien en Hugo Dyson. Hierbij stelde Lewis eerst dat mythes leugens waren - weliswaar door zilver geblazen, in literair opzicht mooi, maar zonder relatie met de werkelijkheid. Lewis werd dan wel geraakt door de mythe van de Noorse god Balder, maar omdat het verhaal niet waar gebeurd was, kon hij er verder niets mee. Aan de andere kant: het verhaal van Jezus kende hij wel, maar daar voelde hij dan weer niets bij. Tolkien en Dyson hamerden erop dat mythes geen leugens zijn, maar dat het pogingen zijn van mensen om over de werkelijkheid te spreken. En omdat mensen naar het beeld van God geschapen zijn, en putten uit de door God geschapen werkelijkheid, kan het niet anders of in de verhalen die ze over die werkelijkheid vertellen schemert iets door van de waarheid. Onze mythen, ik heb deze uitspraak van Tolkien vaker aangehaald, koersen, hoewel zigzaggend naar de ware haven. Ze verwijzen uiteindelijk naar de Ware Mythe, het Verhaal dat werkelijkheid blijkt te zijn.
Tolkien had het daarbij over de dood en opstanding van Jezus. Het verhaal van Jezus had dezelfde kracht als de mooiste mythes, die over dood en opstanding waar Lewis zich zo door aangesproken voelde, maar met dit verschil, dat het echt gebeurd was in een aanwijsbare tijd, op een aanwijsbare plaats. Het feit dat Jezus echt gestorven was, deed niets af van de mythische betekenis van zijn dood. “Het is niet moeilijk zich de bijzondere opwinding en vreugde voor te stellen die men zou voelen als een buitengewoon mooi sprookjesverhaal waar zou blijken te zijn,” zegt Tolkien in Over sprookjesverhalen. “De vreugde zou precies dezelfde hoedanigheid hebben, als de vreugde die de ’wending’ in een sprookje geeft ... Legende en historie hebben elkaar ontmoet en zijn versmolten.” C.S. Lewis geloofde al in ‘een’ god, maar na deze nachtelijke wandeling met zijn vrienden ging hij van het geloof in god over naar een zeker geloof in Christus - in de letterlijke waarheid en betrouwbaarheid van het christelijk geloof, of de ‘christelijke mythe’.

Owen zegt dat hij de kans om mogelijke belevenissen te verzinnen voor de Jack Lewis van zijn verhalen, die zouden samenvallen met het gesprek tussen Lewis, Tolkien en Dyson, niet aan zich voorbij kon laten gaan. Dus ontvangen Jack Lewis en John Tolkien in dit verhaal van hun vriend Charles Williams een boek uit de vroege middeleeuwen. Op de half afgescheurde voorste pagina staan een paar regels, geschreven met bloed. De tekst is ondertekend door hun vriend Hugo Dyson. De twee vragen Hugo langs te komen, en vertellen hem dat ze samen met Charles de zorg dragen voor het Imaginarium Geographica - de atlas van de Archipel der Dromen, de wereld van de verbeelding. Hugo kan het natuurlijk nauwelijks geloven. Om een fris hoofd te krijgen, maken de drie een wandeling langs Addisons Walk. Onderweg komen ze langs een deur, die zomaar tussen de struiken staat en lijkt uit te komen op een grasveld. Hugo denkt dat Jack en John hem voor de gek houden en stapt erdoor. Hij komt echter niet terug. En als de deur per ongeluk wordt gesloten, verandert plots de wereld rondom de twee vrienden (en twee pratende Dassen, die hen vanuit de Archipel ter hulp waren gekomen). Ze bevinden zich niet langer in een groen en vruchtbaar Engeland, maar in het duistere, bijna levenloze Albion, waar mythische monsters ronddolen en de weinige overgebleven mensen in angst leven voor de Winterkoning - de boosaardige Mordred die de schrijvers in de eerdere delen dachten te hebben verslagen. Ze ontmoeten hun vriend Charles, maar die blijkt hen niet te kennen, is een dief in plaats van een geleerde, en heet in deze werkelijkheid Chaz. De enige die hen herkent, is H.G. Wells (Bert). Hij is samen met Jules (Verne) per ongeluk in deze werkelijkheid beland, toen ze door de tijd reisden. Hun apparaat bevindt zich op het laatste overgebleven eiland van de Archipel der Dromen. Van daar uit moeten Jack, John en de onbetrouwbare Chaz op zoek naar dat ene moment in het verleden dat de geschiedenis veranderde ... De oplossing hangt samen met de mysterieuze identiteit van de kaarttekenaar en de Graal uit de Arthurlegendes.

Met deze uitgangspunten had Owen inderdaad een goede mogelijkheid om te laten zien dat onze wereld en de ‘Archipel van de dromen’ beiden hun oorsprong vinden in een ware mythe, en dat Jezus niet alleen de schepper van de wereld en de oorsprong van de mythen is, maar ook de vervulling ervan. Hij had daarvoor niet eens zelf christen hoeven zijn. Een van mijn favoriete SF-auteurs, John C. Wright, heeft ook de neiging om in zijn verhalen allerlei mythologieën te verwerken, en figuren te laten opdraven uit allerlei verhalen. Soms zijn die figuren christenen. Dan laat hij in elk geval die karakters hun geloof serieus nemen. Als zijn karakters christenen zijn, geloven ze ook wat christenen geloven. (Ook al is wat ze geloven volgens andere figuren in het verhaal en volgens de auteur misschien niet waar). Toen hij deze verhalen schreef was Wright atheïst. Hij verbaasde zich erover dat mensen dachten dat hij christen was, alleen maar omdat de christelijke karakters in zijn verhalen hun eigen geloof serieus namen. Volgens hem was dat noodzakelijk om hen overtuigende karakters te laten zijn. (Ironisch genoeg kwam Wright later inderdaad zelf tot bekering).
Ongeacht of Owen nu in God gelooft of niet. Hij zou in elk geval een verhaal moeten schrijven dat het geloof van zijn karakters ‘in karakter’ laat. Maar hij laat deze kans schieten. Hij kiest voor een beschrijving van de graal die meer overeenkomt met die van Dan Brown dan die van Indiana Jones, waarmee hij een andere Jezus neerzet dan waarin Lewis en Tolkien geloofden. En hij stelt dat mythes hun kracht krijgen doordat wij erin geloven. Ook de mythe van Jezus. En de suggestie is dat het niet uitmaakt of de mythes waar gebeurd zijn. De Jack van het boek concludeert uiteindelijk dat hij is gaan geloven dat de mythes meer zijn dan verhalen. Dat was niet de conclusie van de historische C.S. Lewis - die bleef geloven dat de mythes door mensen verzonnen verhalen waren, maar hij ging juist geloven dat de historische gebeurtenis van Jezus’ dood en opstanding meer was dan alleen een historisch gegeven, maar de Ware Mythe waar de verzonnen verhalen naar verwezen. Dat verschil is wat mij betreft erg groot. De Jack in het verhaal van Owen heeft aan het eind van de wandeling langs Addisson Walk niet een inzicht gekregen dat hem kan maken tot een van de belangrijkste apologeten van de twintigste eeuw. Hij heeft niet de robuuste overtuiging van het bestaan van God en de historiciteit van Jezus die de echte Lewis in al zijn werken ten toon spreidt. Deze Jack is een zwak aftreksel van de echte, omdat de waarheid waar hij in gelooft een zwak aftreksel is van de waarheid waarin de echte geloofde.
De uiteindelijke serie van ‘The Chronicles of the Imaginarium Geographica’ moet uiteindelijk zeven delen gaan tellen. Dat betekent dat ook momenten later uit het leven van Tolkien en Lewis in de verhalen voor gaan komen. Ik vraag me af hoe Owen het christelijke geloof van de historische Lewis en zijn rol als schrijver van populair theologische werken in beeld gaat brengen. Vooral omdat zijn eigen Jack die rol niet zou kunnen vervullen. Zoals ik al zei heeft Owen door het christelijk geloof (en wat het christelijke geloof over zichzelf zegt) niet serieus te nemen de integriteit van zijn fantasiewereld ernstig aangetast. Toch zal ik de volgende delen ook gaan lezen, al was het alleen maar om te zien welke verbindingen Owen nog meer weet te leggen tussen historie, mythe en fantasie.

woensdag 12 januari 2011

Boekbespreking: The Silmarillion

Bijna iedereen kent The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien, het boek dat het fantasygenre nieuw leven inblies, en dat tien jaar geleden indrukwekkend verfilmd werd. Ook van The Hobbit hebben mensen vaak wel gehoord, en de film die daar nu van gemaakt wordt, zal die bekendheid wel doen toenemen. Maar The Silmarillion staat iets minder in de belangstelling. Dat is jammer, want het is mijn favoriete boek van Tolkien, en het raakt mij diep. Maar het is ergens ook wel te begrijpen, gezien het verheven taalgebruik, de vele namen (en personen die vaak meer namen dragen), de epische stijl en de afstandelijke karakters. Veel mensen beginnen aan dit boek omdat ze iets verwachten in de lijn van The Lord of the Rings, en haken al snel af omdat het meer lijkt op de bijbel. Dat is trouwens niet een toevallige vergelijking, want The Silmarillion is in feite de ‘bijbel’ van Midden-Aarde. Het beschrijft gebeurtenissen van zesduizend jaar en langer voor de strijd om de ring, doet de lezers kennismaken met de goden en Eru, de ene, en laat tegelijk zien dat wat toen waar was, nog steeds doorwerkt in de tijd van de hobbits. ‘We leven in hetzelfde verhaal’, zegt Samwise Gamgee in The Two Towers. The Silmarillion beschrijft dat verhaal dat nog steeds doorgaat. Het verhaal van de schepping van de wereld, en hoe de engelmacht Melkor de melodie van het kosmische lied wilde bepalen. Het verhaal van het eeuwige land Valinor, en hoe Melkor dat in het duister onderdompelde. Het verhaal van de elven en de door hen gesmede edelstenen, de Silmarillen, en hoe Melkor die van hen stal. Het verhaal van de eed van de trotse Feanor, en de vlucht naar Midden-Aarde. Het verhaal van de eerste mensen, en hoe zij door hun trots in de webben van Melkor terechtkwamen. Het verhaal van Aerendil, afstammeling van mensen en elfen, die door de schaduwen afreisde naar Valinor om voor zijn volk te pleiten. Het verhaal van het eilandrijk Numenor en de hoogmoed van zijn inwoners. Het verhaal van Sauron en zijn ringen. Wie de wereld van The Lord of the Rings beter wil leren kennen, kan niet om deze bundel heen. Maar het is ook waardevol op zichzelf: deze verzonnen geschiedenis bevat volgens mij meer waarheid dan veel echt gebeurde verhalen.

The Silmarillion
werd pas na de dood van J.R.R. Tolkien gepubliceerd. Zijn zoon Christopher Tolkien spitte zijn vaders nagelaten werk door en voegde documenten en fragmenten samen tot een doorlopend geheel. Samen met de later bekend geworden fantasyschrijver Guy Gavriel Kay zorgde hij voor een doorlopende tekst, die voor zover hij kon zeggen, de bedoeling van zijn vader weerspiegelde. Toch was dit voor Tolkien niet een zijprojectje, wat hij eenvoudig vergeten was te voltooien. Nee, de projectjes voor erbij waren eerder The Hobbit en The Lord of the Rings, verhalen die hij pas later in zijn levenswerk invoegde. The Silmarillion was de hoofdlijn van al Tolkiens schrijfsels. Hij begon eraan in 1917 toen hij gewond thuis lag in de eerste wereldoorlog. In zijn schriften van die tijd komen de eerste vormen dan deze verhalen al terug, onder andere over Aerendil. En hij bleef er tot zijn dood bijna ononderbroken aan werken. Het was, blijkt uit zijn brieven, wel degelijk zijn bedoeling ze uit te geven (al wist hij niet of veel mensen erin geinteresseerd zouden zijn). Hij wilde van de verhalen een korte, schetsmatige versie maken (de Silmarillion) - en sommige ervan wilde hij verder uitwerken. Daar is hij ook meerdere malen aan begonnen, soms in versvorm, soms in proza. Maar hij was wat perfectionistisch, en als hij op twee derde was en kritiek kreeg, begon hij vaak opnieuw. Delen van de lange versies van zijn verhalen zijn verzameld in de Unfinished Tales en The Children of Hurin. De reden dat Tolkien zo perfectionistisch was, was juist omdat de verhalen van The Silmarillion zo belangrijk voor hem waren.

Om te kunnen zeggen waarom Tolkiens levenswerk zo belangrijk voor hem was, moeten we aandacht besteden aan het begrip mythologie, iets waar wij vaak niet meer bewust bij stil staan. Bij de volgende paragrafen heb ik gebruik gemaakt van heel wat stukken die ik in de loop der jaren van het internet heb gekopieerd, dus waar alle informatie oorspronkelijk vandaan komt, weet ik niet meer precies. In elk geval moge het duidelijk zijn dat J.R.R. Tolkien zich van jongs af aan wijdde aan de studie van de voor-christelijke Engelse literatuur, denk aan het epos Beowulf, de literatuur van de heidense volken die door de christenen was opgeschreven en doorgegeven. Dit waren mythische verhalen. De kracht van mythen zit hem niet in de spannend beschreven gebeurtenissen, de levensechte dialogen, of de prachtige landschappen. Mythen zijn als het ware verhalen die tot de kern zijn teruggebracht. De hoofdpersonen zijn geen genuanceerde karakters, maar helden, goden en halfgoden, wat er op het spel staat is niet of iemand de bus haalt, maar het lot van de wereld. De stijl is vaak afstandelijk en verheven (dit alles is voor lezers van The Silmarillion natuurlijk herkenbaar). En toch raken deze verhalen ons, merkten C.S. Lewis en Tolkien. Ze spreken bepaalde verlangens in ons aan, ze beroeren iets dat wij herkennen als waar. Wat christelijke auteurs als zij vonden in deze teksten uit een voor-christelijke tijd, waren beschrijvingen van de menselijke natuur, en de duisternis waar de menselijke zwakheid toe leidt, de godenschemering of Ragnarok, waar zelfs de grootste helden en goden het onderspit delven. Maar ook vonden ze glimpsen van hoop, elementen die door een soort mysterieus toeval (of voorzienigheid) in de mythologie terecht waren gekomen en vooruitwezen naar de boodschap van de redding van buiten de wereld, de hoop die verschijnt als er geen hoop meer is.
Deze glimpsen van een diepere waarheid achter de wanhoop vond Tolkien heel boeiend. In het bekend geworden gesprek tussen Tolkien, Lewis en Hugo Dyson, dat leidde tot Lewis’ bekering tot het christelijke geloof, stelde Lewis dat mythen allemaal maar leugens waren, zelfs al waren het leugens die door zilver heen werden geademd - ze waren mooi, maar niet waar. Tolkien dacht er anders over. Hij stelde dat in de mythen waarheden te vinden waren. Ze koersten, hoewel zigzaggend, naar de ware haven. En ze vonden hun vervulling in het verhaal van Jezus. Dat had dezelfde schoonheid, dezelfde emotionele kracht, als de mooiste mythen. Met dit verschil: het was een mythe die waar was. Het was een mythe die zich op een specifieke locatie afspeelde, in een historische setting, met personen die werkelijk bestonden. Tolkien zegt er in zijn essay ‘Over Sprookjesverhalen’ over dat er nooit een verhaal is geweesr waarvan zoveel mensen hebben gewild dat het waar zou zijn, omdat het zo mooi en ontroerend is, maar ook nooit een dat zoveel mensen om zijn eigen inhoud als waar hebben geaccepteerd.

Maar als Tolkien, die al van jonge leeftijd een overtuigd katholiek was, in het christendom de mooiste mythe ooit had gevonden, en bovendien volledig overtuigd was van het historische karakter van het verhaal, waarom vond hij het dan toch nodig een nieuwe mythologie te creëren? Waarom besteedde hij zijn leven aan het uitwerken van een serie verhalen en legenden die konden dienen als ‘Anglo-Saxische’ mythen (sterker nog: volgens sommigen verhalen en legenden die alle overige Europese mythen, van de Griekse en Romeinse tot de Germaanse en Noorse, konden verklaren - een ‘oerversie’ ervan, zeg maar, het T-document)? De eerste reden is natuurlijk gewoon zijn fascinatie met deze verhalen als taalkundige en filoloog (woordkundige). Hij vond het gewoon leuk nieuwe talen te verzinnen, te experimenteren met vorm en betekenis, te scheppen met het hem beschikbare materiaal, als een kind in een zandbak. Hij was niet de mening toegedaan dat alles wat hij deed altijd ergens ‘nuttig’ voor moest zijn, en al helemaal niet dat alles wat hij schreef moest dienen ter evangelisatie (waar ik nog steeds wel last van heb, soms). En dit is een geldige reden. Tolkien zelf heeft betoogd dat wij als mensen gemaakt zijn als scheppers, in het beeld van de Schepper. En dat het onze taak is om door onze creativiteit bij te dragen aan de mogelijkheden die de Schepper in zijn werk heeft gelegd (zoals de Ainur in het eerste deel van de Silmarillion). Volgens Tolkien had onze creatieve arbeid op zich, op welk terrein dan ook, ook zonder boodschap of gemoraliseer, al eeuwigheidswaarde (zie ook zijn verhaal: Het Blad van Klein).

Bovendien zag Tolkien om zich heen een samenleving die in rap tempo haar christelijke karakter verloor, en in essentie weer ‘heidens’ werd. Een cultuur die als het ware terugkeerde naar het ongeloof van de wereld van voor de komst van het christendom. Maar met een verschil: de heiden van vroeger was ‘pre-christelijk’. Die van nu is ‘post-christelijk’. En zoals C.S. Lewis schreef: “De post-christelijke moderne mens verschilt van de heiden net zo veel als iemand na een echtscheiding verschilt van een maagd.” (Is Theism Important?). De moderne heiden was niet alleen gescheiden geraakt van het christelijke verhaal, maar ook van de eigen verhalen van zijn oude cultuur. Hij miste daardoor in zijn leven de basis van de mythologie, die zo helder schoonheid, liefde en heldendom bezong en tegelijk zo duidelijk het falen van de mens en het gevaar van trots en hoogmoed illustreerden. De mythen ook die hoop bevatten, hoop op een ingrijpen van buiten de wereld. De oude heiden leefde in een wereld waarin het bovennatuurlijke wel degelijk realiteit was. De nieuwe heiden in een wereld zonder verbinding met iets hogers of diepers, een wereld zonder hoop, die uitliep op een eigen Ragnarok: de hittedood van het universum, als alle leven eindigt en zelfs de beweging van alle sub-atomaire deeltjes tot stilstand komt. De pre-christelijke heiden keek het leven recht in de ogen, de post-christelijke heiden was cynisch. De Amerikaanse schrijfster Leanne Payne stelt in Gods Tegenwoordigheid Geneest dat mensen in onze materialistische cultuur geen categorie van woorden meer kennen om te praten over het mysterie. “Mensen kunnen niet meer denken in termen van bovennatuurlijke taal, op dezelfde manier heeft de moderne mens geen ‘categorie’ waarbinnen hij kan denken, laat staan spreken over Gods tegenwoordigheid.” Ze zegt zelfs: “Als onze symbolen sterven, sterven wij zelf ook.”

Voor zulke moderne heidenen kon een nieuwe mythologie heilzaam zijn. Niet een mythologie als een religie, maar de mythologie als een verhaal dat de lezer of luisteraar kon binnentreden met behulp van zijn verbeelding, waardoor de oude waarheden voor hem weer zouden gaan leven en deel van zijn denkwereld en gevoelsleven zouden kunnen worden. (N.B. dit was zeker niet volledig bewust van Tolkiens kant. We weten dat hij in elk geval The Lord of the Rings zonder vooropgezet christelijk doel heeft geschreven, hoewel hij heel blij was dat het later als christelijk verhaal werd gezien. Maar zijn doel met The Silmarillion was wel degelijk het maken van een nieuwe mythologie, waarbij hij zich moeite getrooste om die niet in tegenspraak te laten zijn met zijn theologie. En wie ‘Over Sprookjesverhalen’ heeft gelezen, weet dat Tolkien zich ervan bewust was hoe verhalen konden verwijzen naar wat waar en waarachtig is, vooral in de ‘eucatastrofe’, de onverwachte wending, de hoop die besloten ligt in het ‘happy end’.)
Tolkiens levenswerk kan dus worden beschouwd als een ‘voorbereiding op het evangelie’. Hij bedreef geen intellectuele geloofsverkondiging, en had niet tot doel mensen met verstandelijke argumenten te overtuigen. Dat is ook niet wat het meest nodig is. Lewis heeft ooit gezegd dat de waarheid van het goede nieuws “moet worden begrepen door de verbeelding, niet door het intellect” (The Pilgrims Regress). Hij wilde eerst de beeldenwereld in hun hart nieuw leven inblazen, zodat zijn lezers weer gevoel hadden voor de begrippen waar het in het evangelie over gaat - waarheid, liefde, heldendom, opoffering, et cetera. De fantasie maakt het mogelijk dat vertrouwde, afgestompte waarden opeens weer voor ons gaan leven. Dat was volgens Lewis bijvoorbeeld één van de effecten van ‘The Lord of the Rings’. In een recensie over het boek van zijn vriend schreef hij: “Een kind geniet van zijn koude vlees, dat anders smakeloos zou zijn, door te doen alsof het een bizon is, die hij juist met zijn eigen pijl en boog gedood heeft. En het kind is verstandig. Het echte vlees wordt smakelijker, doordat het in een verhaal is gedompeld… ‘The Lord of the Rings’ past deze behandeling toe op goed en kwaad, onze eindeloze gevaren, onze angsten en onze vreugdes. Door ze in mythe te dompelen zien we ze duidelijker.”

Tolkien wilde de harten van mensen die hongeren naar het voedsel dat alleen mythen kunnen geven, weer aan hun trekken laten komen. Met behulp van hun verbeelding treden zijn lezers een andere wereld binnen, waar liefde, waarheid en schoonheid realiteit zijn, waar het kwade kwaad is en het goede goed, en waar er ondanks de dreigende ondergang van alle dingen een Voorzienigheid aan het werk is, die uiteindelijk alle dingen goed zou kunnen maken. En uiteindelijk zullen lezers ernaar gaan verlangen dat deze mythische waarheden deel zijn van hun eigen leven, dat ze zelf deel zouden kunnen zijn van een wereld van liefde, waarheid en schoonheid. Het verhaal zal een verlangen in ze opwekken dat het niet zelf kan stillen. En hun zoektocht naar de vervulling daarvan kan hen uiteindelijk brengen bij die mythe die echt was, waarvan Lewis en Tolkien betoogden dat die ten diepste de vervulling bood van alle menselijke verlangens. Er zijn op internet meerdere verhalen te vinden van mensen die door het lezen van Tolkiens boeken tot geloof in God en in Jezus zijn gekomen. In An experiment in criticism noemt Lewis het lezen van een goed boek dan ook “een ingrijpende ervaring. Het hele bewustzijn van de lezers is veranderd. Ze zijn iets geworden dat ze daarvoor niet waren.”
En dat geldt zeker voor The Silmarillion. Wie dit boek heeft gelezen, weet dat hij is verrijkt. En de wereld van de elven en mensen van Midden-Aarde zal voor altijd deel van hem zijn. En wie weet, suggereerde Tolkien ooit, misschien heeft God nog een hoger doel met onze creatieve uitingen. Misschien worden ook onze her-scheppingen ooit op een glorieuze manier verlost, en worden onze verhalen ‘werkelijkheid’ op een diepere manier dan alleen metaforisch of allegorisch. Misschien zien we ooit werkelijk de kust van het land Valinor. Want, zegt Tolkien in ‘Over Sprookjesverhalen’: ‘God is de Heer van mensen, van engelen, en van elven.’