Posts tonen met het label waarheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label waarheid. Alle posts tonen

zondag 1 december 2013

Over de drempel (3): het voorbeeld van de ijsberg

Het verschil tussen de transactionele en de sacramentele blik op de werkelijkheid wordt door Robert Farrar Capon op de volgende manier inzichtelijk gemaakt: volgens hem zien wij God vaak als een kleermaker, die af en toe met zijn naald in de stof van de geschiedenis prikt. Op het moment van de schepping, van de uittocht uit Egypte, van Jezus’ leven en zijn dood en opstanding. Dat waren momenten dat God handelde en de koers van de gebeurtenissen veranderde, waarop dus bepaalde transacties plaatsvonden tussen onze natuur en Gods bovennatuur. Maar verder is God van ons gescheiden en verloopt de geschiedenis onafhankelijk van Hem. Maar een sacramentele visie ziet God als de werkelijkheid ‘onder’ de werkelijkheid, als de waarheid onder de geschiedenis. Dat wil zeggen dat zijn liefde en herstel de koers van alle gebeurtenissen bepalen, zodat uiteindelijk zijn koninkrijk verschijnt. En dit is nu al waar. Zijn liefde is de 'diepere magie' zoals Lewis het noemde. En op sommige momenten wordt deze realiteit al zichtbaar zichtbaar. God is als het ware de ijsberg die zich bevindt onder alle tijd en eeuwigheid, en die ondersteunt en voortdrijft. De schepping, de uittocht uit Egypte, Jezus’ leven, dood en opstanding, zijn niets anders dan de punten van de ijsberg die op sommige plekken boven het water uitsteken. Aan die punten kun je zien wat zich onder water bevindt.
De goddelijke daden in de geschiedenis zijn niet slechts de zeldzame interventies van een werkelijkheid die daarvoor niet aanwezig was”, zegt Capon in zijn boek Kingdom, Grace, Judgment. “Ze zijn eigenlijk uitgespeelde gelijkenissen -sacramenten, zo je wilt, ‘werkelijke aanwezigheid’- van een realiteit die er altijd al was, maar onzichtbaar ... Het totaal van het mysterie dat aan de schepping ten grondslag ligt, is aanwezig op elk moment dat deze sacramentale verschijningen van het mysterie plaatsvinden ... Precies zoals elke punt van de ijsberg die boven de golven uitsteekt, het zichtbare deel is van een en dezelfde ijsberg, zo is elke doorbraak van het mysterie in onze werkelijkheid een zichtbaar aspect van een en hetzelfde mysterie.”
En dat mysterie is dat God degene is die uit liefde schept. Dat we allemaal door God geliefd zijn, en dat we als we dood zijn door hem uit het graf zullen worden opgewekt. Ja, dat de hele schepping (die immers aan het eind van de tijd tot niets zal afkoelen) uiteindelijk zal worden vernieuwd. Het is een mysterie, omdat we niet kunnen uitleggen hoe dat gebeurt. Het is namelijk geen transactie, niet iets mechanisch, niet iets waar wij iets aan kunnen bijdragen. Het is zelfs niet tot stand gebracht door Jezus’ dood en opwekking. Jezus’ dood en opwekking zijn er het beeld van, een teken. Zoals je ziet dat het lente wordt als je de eerste krokussen ziet, zoals je weet dat het oogsttijd wordt als je de eerste rijpe aren kunt plukken, of als de eerste appel van de boom valt. Op die manier is Jezus de eersteling van hen die ontslapen zijn, de eerste oogst van de doden die zullen worden opgewekt. (Kolossenzen 1:18) Het herstel van alle dingen begint bij hem. Maar ook eindigt het in hem. Hij omvat alle dingen. Hij heeft de leegte genomen en die gevuld. Alles is in hem, door hem en tot hem geschapen. “Hij bestaat voorafgaande aan alles en alles bestaat in hem” (v17). En in hem is alles verlost. “Alles op aarde en alles in de hemel.” (v20). Zo groot is zijn verlossingswerk, zijn vernieuwingswerk. Het is letterlijk kosmisch, want het bevat het hele heelal. Maar tegelijk was het klein: te zien aan het kruis, waar Jezus stierf, om drie dagen later uit de dood te worden opgewekt. Daarom kan van hem gezegd worden dat hij het lam is, dat is geslacht, sedert de grondlegging van de wereld (vgl. Openbaringen 13:8 NBG). Zijn dood en opstanding waren een punt van de ijsberg, die boven water uitstak. Kleiner dan de ijsberg zelf (een enkel mensenleven), maar toch onmiskenbaar deel van de ijsberg. Hetzelfde materiaal. Zelfs dezelfde vorm, dezelfde glinstering. Dezelfde waarheid. Wie de punt van de ijsberg heeft gezien, weet hoe de ijsberg is. Jezus zei het: wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Heeft gezien dat God van eeuwigheid af al schept uit het niets. De onzichtbare man had even een hoedje op, zodat we hem konden waarnemen.

Laten we de metafoor van hierboven nu nog wat verder doortrekken: een punt van een ijsberg heeft zelf ook uitstulpingen, zelf ook punten en pieken. Als je van dichterbij kijkt zie je zelfs op deze punten onregelmatigheden. Toch bestaan de onregelmatigheden en de pieken ook uit ijs. Ze glinsteren. Ze hebben scherpe kanten. Je bent afgedaald naar een kleiner schaal - je kijkt naar decimeters in plaats van meters, maar je kijkt naar dezelfde ijsberg. Zo is het ook met de werkelijkheid. Want het mysterie van leegte en schepping, van dood en opstanding, speelt zich ook af op het niveau van ons leven. Dezelfde God die Jezus uit de dood opwekte, geeft ook ons eeuwig leven. Waar wij zwak zijn, is hij sterk. Als wij sterven, doet hij ons opstaan. Wat geldt voor de schepping als geheel, wat gold voor Jezus tweeduizend jaar geleden, dat geldt nu ook voor ons. Dit is het mysterie van het evangelie, van het goede nieuws dat de engelen al brachten toen Jezus werd geboren. We zijn deel van dezelfde ijsberg.
In een eerder blogbericht heb ik de beeldspraak van de fractal gebruikt. Je kunt op internet veel afbeeldingen vinden van fractals. Kort gezegd komt het hierop neer: in een fractal wordt steeds dezelfde vorm herhaald. Je ziet een groot silhouet, omgeven door kleinere silhouetten. Maar als je goed kijkt, hebben die dezelfde vorm als het grote silhouet, en ze worden zelf ook weer door nog kleinere silhouetten omgeven. En die zijn ook weer van dezelfde vorm. En worden ook weer door kleinere omgeven. En zo door. Tot in het oneindige. Als je het plaatje onder de microscoop zou bekijken zou je nog steeds dezelfde vormen tegenkomen. Als je vervolgens weer uit zou zoomen, zou je opmerken dat het grote silhouet eigenlijk is opgebouwd uit de kleinere silhouetten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat we leven in een fractalwerkelijkheid. Kijk naar de natuur: overal zie je dat grotere vormen zijn opgebouwd uit kleinere, en die uit nog weer kleinere eenheden, en die uit nog weer kleinere, tot aan cellen en celorganellen toe. Het makkelijkst is dit te zien bij varenbladeren, of vertakt koraal, of in onze nieren. Maar het blijkt dat ook bijvoorbeeld de vorm van bergen met fractalformules te beschrijven is, en dus is het niet zo vreemd als ook ijsbergen eigenlijk fractals zijn: grote vormen, waarin kleinere vormen herhaald worden.
Volgens mij kun je deze beeldspraak toepassen op het evangelie. Het is een fractalwaarheid. De waarheid van schepping uit het niets, de creatie van leven uit liefde, die de grondslag is van onze werkelijkheid, wordt zichtbaar op het niveau van Jezus’ leven, zijn dood en opstanding. God die mens werd, die zich met ons identificeerde en net als ons dood ging, maar door liefde werd opgewekt. Op een niveau lager geldt deze waarheid dus voor ons, een niveau dieper in de fractalafbeelding: zoals Jezus stierf en opstond, sterven wij en staan wij op. Wij zijn het lichaam van Christus, de cellen die dood gingen en levend werden. Dezelfde waarheid is waar voor ons.

Maar de fractal heeft nog een dieper niveau, bijna microscopisch. Dat zijn de sacramenten. Ja, de naam zegt het al. De sacramenten zijn tekenen waarin op het niveau van materie (water, brood en wijn, maar ook de kerk die tegelijk het lichaam van Christus is) zichtbaar wordt wat waar is op het niveau van ons eigen leven, wat waar was voor Jezus in zijn dood en opstanding, en wat waar is op het allerhoogste niveau: de natuur van God, de Opstanding en het Leven. En zoals het ijskorreltje op de ijsberg bestaat uit ijs, en dus deel is van het grote geheel, zo is Jezus aanwezig in brood en wijn, en zo worden door de doop echt zonden afgespoeld.
Dat betekent echter niet dat het transacties zijn. Ik denk dat dit de vergissing is die ten grondslag ligt aan veel discussie over de sacramenten. Toen mijn vrouw en ik trouwden, zagen we het niet als een transactie. Onze liefde voor elkaar en de manier waarop we met elkaar omgingen veranderde niet door de ceremonie. Maar toch wilden we wel trouwen. We zouden niet minder van elkaar hebben gehouden als we niet waren getrouwd (en ons zou een hoop georganiseer gespaard zijn gebleven). Maar we wilden onze liefde zichtbaar maken. Zodat ook wij op dat ene moment konden terugkijken en weten dat onze liefde voor elkaar werkelijkheid is! Onze liefde is er niet van afhankelijk, maar toch konden we niet zonder.
Net zo brengen doop en avondmaal brengen zelf helemaal niets tot stand. Ze maken ons niet rechtvaardiger dan we al zijn. Ze maken ons niet heiliger en ze maken ook niet dat God meer van ons houdt of ons meer accepteert. Ze hebben geen magische kracht. Ze veranderen niets. Maar aan de andere kant zijn het niet slechts symbolen. Ze dienen niet om ons te laten terugdenken aan het verleden, of aan Jezus’ dood en opstanding, als veredelde geheugensteuntjes. Het hadden niet even goed andere symbolen kunnen zijn. Jezus zegt wel degelijk: ‘dit is mijn lichaam’ en ‘dit is mijn bloed’. En eerder had hij gezegd dat mensen om behouden te worden zijn lichaam moesten eten en zijn bloed moesten drinken (zie Johannes 6). Dat betekende niet dat hij kannibalisme promootte. Hij bedoelde (meen ik) dat in mensen hetzelfde moest gebeuren als met hem, namelijk dat ze moesten sterven en door God moesten worden opgewekt uit de dood. De waarheid die in hem werkzaam was  tijdens zijn leven, dood en opstanding, (dezelfde Macht, zie Efeze 1:20) moest ook werkelijkheid worden in onze levens.
Maar het feit dat de Romeinen de eerste christenen beschuldigden van kannibalisme is niet alleen maar een interessant historisch feitje. Het suggereert wel degelijk iets van de ernst van de sacramenten. Ze zijn niet ‘maar symbolen’, maar ze zijn tekenen. Tekenen van de waarheid. Wie zich laat dopen deelt dus in iets dat waar is, namelijk in Jezus’ dood en opstanding. Dat dit net zo waar is als je je niet laat dopen, doet niets af aan het teken. Net zo wie deelt in brood en wijn. Je bent net zo zeer deel van Jezus’ dood en opstanding als je niet aanzit aan het avondmaal. Wie aanzit, ervaart dus iets dat sowieso al waar is voor hem. Zonder dat hij of zij er iets voor hoeft te doen of te laten. Daarom dat het zobelangrijk is het avondmaal te ontvangen. Iedereen mag naar voren komen, jong en oud, man of vrouw, zondaar of heilige.
In de Anglicaanse kerk steken mensen hun linker hand op. De hand die niet handelt. De zwakke hand. Om duidelijk te maken dat ze niet op hun eigen kracht vertrouwen. De priester (zelf al een sacrament!) reikt het brood aan en zegt: ‘Het lichaam van Christus’. En degene die aanzit, antwoordt alleen: ‘Amen’. Want het is waar, of je nu dankbaar bent of niet. En dat is het enige. Ik ken kerken waarin mensen knielen bij een kruis waarop het avondmaal is uitgestald en zelf nemen van het brood dat daarop ligt. Dat maakt van het avondmaal iets transactioneels, in plaats van een sacrament. Juist het feit dat je ontvangt, zonder er iets voor te hoeven doen, maakt het een teken. De Anglicaanse kerk is op meer punten sacramenteel. Ook in de lezing van het woord. Men gelooft dat het woord zelf werkzaam is in mensen (een sacrament is), daarom dat de gemeente gaat staan als uit de evangeliën wordt voorgelezen. We ontvangen. We weten dat we niet zelf aan de waarheid kunnen bijdragen, ook niet door Bijbelstudie. We kunnen alleen open staan voor wat God van eeuwigheid af al in de schepping aan het doen is. Ik ben er blij mee.
Ik voel me niet een beter christen omdat ik aan het avondmaal aanzit. Het avondmaal in zichzelf doet niets. Het is geen transactie. God houdt niet meer van me omdat ik aanzit. Maar ik weet wel dat ik elke zondag naar de kerk wil gaan om deel te nemen aan het avondmaal. Omdat ik het nodig heb aan de waarheid herinnerd te worden. Ik moet mijn blik richten op de ijspunten om me heen, om me weer te realiseren dat er een ijsberg onder water is, die mij draagt en ondersteunt. Dat te realiseren is tegelijk het enige wat ik hoef te doen. En dat maakt dat ik mezelf kan accepteren, dat ik van andere mensen kan houden, en dat ik kan leven op de manier die past bij het nieuwe leven van de opstanding. Niet omdat ik het zelf doe, maar omdat ik vertrouw op God, die het van het eerste moment van de schepping al doet voor en in mij.

maandag 31 december 2012

Filmbespreking: The Life of Pi

Het komt niet vaak voor dat ik een film zie waar zoveel vissen in voorkomen. Vissen die ook nog eens biologisch correct zijn weergegeven en zich als zodanig gedragen (in de aftiteling zag ik dat er biologen aan de film hebben meegewerkt). Als aquariaan en amateurichthyoloog (vissendeskundige) keek ik mijn ogen uit. Van de dorade en de tropische vissen die een vlot en roeiboot als schuilplaats gebruikten in de verder kale en levenloze uitgestrektheid van de Grote Oceaan, en de oceanische witpunthaaien (die een nijpaard oppeuzelen) tot het jachtgedrag van tonijnen. Vliegende vissen spelen een behoorlijk grote rol in het verhaal, en er is zelfs een scene waarin een reuzenpijlinktvis in gevecht gaat met een potvis. In een droom weliswaar, maar toch, zo veel films zijn er niet die dit evenement van bijna mythische proporties in beeld brengen. Alleen al vanwege de (inkt)vissen is deze film wat mij betreft dus een aanrader.

Maar het verhaal gaat niet in eerste plaats over vissen. Wel voor een groot deel over andere dieren. Hoofdpersoon is namelijk Piscine ‘Pi’ Patel - de zoon van een Indiase dierentuinexploitant. Een schrijver heeft gehoord dat hij een bijzonder verhaal te vertellen heeft. Een verhaal dat de toehoorder in God kan doen geloven. Volgens Pi doet een goede maaltijd hetzelfde. Hij stelt de schrijver met zijn oordeel te wachten tot hij zijn verhaal gedaan heeft. Het blijkt namelijk dat zijn vader een nieuw leven wilde opbouwen in Canada en daarom met zijn gezin en de dieren uit de dierentuin op reis ging naar Amerika.   Het schip komt echter onderweg terecht in een heftige storm en vergaat. Pi bereikt een reddingsboot. Hij is echter niet alleen. Ook een paar van de dierentuindieren zijn uit hun kooien ontsnapt en hebben de boot gevonden. Een zebra met een gebroken poot, een orang oetan en een hyena. Op zo’n kleine oppervlakte is dat geen goede combinatie. Als de hyena de andere dieren heeft gedood en op Pi afkomt, blijkt er nog een verstekeling te zijn. De tijger Richard Parker, voor wie Pi’s vader hem indringend heeft gewaarschuwd. Een roofdier. Geen speelkameraad. Pi trekt zich terug op een drijvend vlot, maar het water en de scheepsbeschuit bevinden zich in de reddingsboot. Als hij wil overleven, zal hij een manier moeten vinden om met de tijger om te gaan ...

De film van regisseur Ang Lee is heel erg mooi. Indrukwekkende beelden volgen elkaar op. Van de dierentuindieren over de titels in het begin, tot de scheepsramp, tot de spiegelgladde oceaan, waarin een oranje wolkenlucht wordt weerspiegeld, tot de betoverende effecten van zeevonk, tot een tropische storm aan de horizon, compleet met regenboog. De film maakt hierbij sterk gebruik van de 3D-technologie. Deze trend in de bioscoop pakt niet altijd goed uit, vooral niet als de derde dimensie pas na het filmen wordt toegevoegd, en ik heb er ook wel eens hoofdpijn aan overgehouden, maar deze film maakt echt goed gebruik van de mogelijkheden van de relatief nieuwe techniek (met name een scene met vliegende vissen die de kijker midden in de actie plaatst). Ook heel mooi is de tijger, Richard Parker, voor een deel samengesteld uit beelden van echte tijgers, voor een deel uit niet van echt te onderscheiden computeranimatie. Wat vooral beklijft is dat het geen knuffelbaar fantasiedier is geworden, maar een roofdier is gebleven. Als de tijger op Pi komt afzwemmen voel je daarom ook werkelijk angst. Een aantal van Pi’s maatregelen om te overleven op de oceaan zijn goed gevonden, maar ik vond het avonturenaspect van de film niet volledig meeslepend, misschien door de magisch realistische beelden. Voor mij lag de nadruk meer op de theologische vraag die aan het begin was opgeworpen. En mijn reactie op de film was ook meer intellectueel dan emotioneel. Wat dat betreft zal het interessant zijn het oorspronkelijke boek een keer te lezen (dat heb ik namelijk nog niet gedaan, ook al had ik het heel lang in mijn kast staan).

In filmtijdschrift Empire las ik bij een artikel over deze film een interview met de oorspronkelijke auteur van het boek. Volgens hem was het uitzonderlijk dat zijn boek werd verfilmd, want volgens hem worden er nauwelijks films gemaakt die vragen met betrekking tot religie serieus nemen. Ja, er zijn films waarin religieuze mensen de onderdrukkende en manipulerende slechteriken zijn, en er zijn films waarin gelovige lieden door gebed elke tegenstand overwinnen, maar er zijn inderdaad weinig films die proberen de vraag te beantwoorden wat het eigenlijk betekent te geloven. En dat terwijl mensen ten diepste religieuze wezens zijn. Zoals ik Cloud Atlas aanraadde vanwege de moed van de filmmakers zo’n complex verhaal te vertellen, raad ik The Life of Pi aan vanwege de moed van de filmmakers een theologische discussie aan te zwengelen. De film biedt aanleiding voor goede en diepe gesprekken na afloop onder het genot van een biertje.
Aan de andere kant hoeven er ook helemaal geen films gemaakt te worden over geloof of religie als afzonderlijke onderwerpen, want volgens mij zijn films in zichzelf al religieus. Het horen of zien van een verhaal, waar we het verhaal van ons eigen leven aan kunnen spiegelen, en dat suggereert dat wat wij meemaken net zo goed betekenis heeft als de belevenissen van de personen in het verhaal, is een religieuze ervaring. Mensen verlangen naar betekenis en die betekenis vinden we in verhalen. In mythe. Godsdiensten doen hetzelfde: ze vertellen een verhaal dat zelfs veel groter is dan wat in een film verteld kan worden. En ook al betoog ik in navolging van mijn grote held J.R.R. Tolkien dat in het verhaal van Jezus mythe werkelijkheid werd (de verteller kwam zijn eigen verhaal binnen), dan nog blijft het christelijk geloof in eerste instantie een verhaal, en niet een theologie. Het geloof doet ook hetzelfde als een goede film doet: het geeft een interpretatiekader waarmee we ons leven als betekenisvol kunnen zien (en als we in de opstanding van Jezus geloven, geloven we dat het deze betekenis ook daadwerkelijk heeft).
Het bezoek aan de bioscoop is dus in essentie te vergelijken met een bezoek aan de kerk (en dan leuker) en het is niet voor niets dat mensen net zo fanatiek kunnen discussiëren over films als over theologie. En dit verklaart waarom ik op mijn blog zulke lange theologische essays kan baseren op ook de meest ‘niet christelijke’ films. In Engeland blijken mensen zich bij bevolkingsonderzoeken wat betreft hun religie zelfs te laten registreren als ‘Jedi’ - op basis van de Star Wars-films. De Star Wars-films waren weer in grote lijnen gebaseerd op het gedachtegoed van Joseph Campbell, die in The Hero with a Thousand Faces betoogde dat heldenverhalen en religieuze mythen een overeenkomende structuur hebben. Deze mythe zegt iets waars over het menselijke leven en daarom reageren we zo enthousiast, zowel op religies als op verhalen. Campbell heeft daarom gezegd: ‘All religions are true, but none are literal’. Je zou kunnen zeggen dat dit idee van Campbell wordt uitgewerkt in The Life of Pi.

De film speelt namelijk met de overeenkomsten tussen de godsdiensten. Pi is namelijk zowel Hindoe als Christen als Moslim. Hij gelooft in God. Maar, zegt hij: we geloven omdat we aan God worden voorgesteld. Pi zelf werd eerst aan God voorgesteld in de vorm van Vishnu. Zijn moeder vertelde hem namelijk verhalen over de Hindoeïstische goden. Verhalen waar hij ademloos naar luisterde. Hij las zelfs stripboeken over de goden. Een beeld uit het stripverhaal spreekt tot zijn verbeelding (het komt als het ware in 3D tot leven). Maar later in zijn leven ontmoet hij een christelijke priester die hem een ander verhaal vertelt, dat over Jezus. De film citeert Johannes 3:16 ‘Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gezonden opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’ Aanvankelijke begrijpt Pi niet waarom God om zijn liefde te laten zien zijn eigen zoon moet laten sterven (hij houdt mijns inziens vast aan het idee van Karma, namelijk dat schuldigen hun eigen straf moeten dragen en niet vrijgesproken moeten worden), maar hij gaat de Zoon van God steeds meer waarderen. Jezus wordt zijn vriend. Door middel van het christendom werd Pi voorgesteld aan de liefde van God. Ten slotte ontmoet hij ook nog moslims, die hem een bepaald ontzag en ritme bijbrengen.
Is de manier waarop Pi zijn geloof beleeft bezwaarlijk? Ik denk het niet. Want ik geloof dat er uiteindelijk maar een enkele werkelijkheid is. Er is maar een God. Dus als iemand een werkelijke ontmoeting heeft met het absolute, met de grondslag van het universum, met het goddelijke, zoals Pi dat beleefde in het Hindoeïsme, heeft hij een ontmoeting met de enige God. Ikzelf pleeg te zeggen dat elk goed verteld verhaal uiteindelijk elementen bevat van het Ware Verhaal, het Verhaal van de Werkelijkheid. Elke goede film, elk goed boek, wijst terug naar het Verhaal dat ten grondslag ligt aan de werkelijkheid. Daarom hoef ik als christen ook niet alleen maar christelijke films te kijken, maar kan ik Christus tegenkomen in elke film die ik kijk, ook de ‘niet christelijke’. Dat geldt voor religie ook.
Als christenen moeten we daarom niet de religieuze ervaringen van andersgelovigen wegwuiven of relativeren. En vooral niet mensen dwingen hun eigen cultuur en culturele uitingsvormen achter te laten. Ik las van de zomer bijvoorbeeld op de blog van Rachel Held Evans een interessant interview met een christen van Indiaanse afkomst (niet Indiaas), die betoogde dat christenen uit de oorspronkelijke Amerikaanse volken wel aan hun cultuur konden blijven vasthouden. Hij betoogde namelijk dat zijn volksgenoten zonder het te weten dezelfde God hadden aanbeden en dat Christus de vervulling of voltooiing was van de religieuze verlangens van de mensen. Paulus beweert eigenlijk hetzelfde als hij tot de Grieken spreekt op de Areopagus naar aanleiding van hun altaar voor de onbekende God. Hij komt hen vertellen van de God die zij ‘zonder het te weten’ hebben aanbeden en verwijst daarbij naar hun eigen dichters, alsof die met gezag hadden gesproken over de geestelijke werkelijkheid. Paulus verwijst hier (net als J.R.R. Tolkien) naar de opstanding om aan te geven dat in Jezus het Grote Verhaal werkelijk en tastbaar is geworden, maar hij laat staan dat ook in de Griekse verhalen al iets doorschemerde van wat onder de werkelijkheid lag.

Wie het verhaal van Pi goed beluistert, ziet daarin ook iets terug van datzelfde grote verhaal (en van het heldenverhaal van Campbell). Het is een verhaal van zwakheid. Van overgave. Heel mooi is een scene in een storm, als Pi tegen God roept: ‘Ik heb me aan u overgegeven? Wat wilt u nog meer van me?’ Maar het feit dat hij dat uitroept, suggereert dat zijn overgave niet compleet is. Hij verlangt nog steeds iets van God. Hij heeft zijn zelfbeschikking nog steeds niet losgelaten. Pas daarna, als de storm voorbij is (interessant genoeg is er een regenboog zichtbaar - een teken van hoop!) volgt de echte overgave. Pi staakt namelijk zijn verzet tegen God. Degene met wie ik de film zag, zag in dit verband zelfs dat hij een kruispositie aanneemt. En prompt daarna vindt Pi hulp op zijn pad. Hij krijgt hoop om door te gaan. Volgens hem heeft God hem geholpen. (Wat deze hulp precies is en wat het betekent, kan ik hier niet uitleggen. Ook over de symbolische betekenis van de tijger in het verhaal en Pi’s omgang met zijn eigen destructieve kant zal ik het hier niet hebben. Daar is een compleet nieuw essay over te schrijven!).
Aan het eind van de film wordt de vraag opgeworpen of het verhaal dat Pi vertelt wel echt is gebeurd. Er is ook een alternatief verhaal. Een nogal schokkend verhaal. Maar het alternatieve verhaal ontneemt het eerste verhaal niet zijn bestaansrecht. Want ook al is het verhaal over Richard Parker niet letterlijk waar, het bevat wel een waarheid over wat er met Pi gebeurd is, die moeilijk was weer te geven op een letterlijke manier. Het verhaal was waar, maar niet letterlijk. Sommige recensenten op internet suggereren dat de conclusie van de film is dat de wereldreligies niet waar zijn en dat het bestaan van God maar een ‘verhaaltje’ is waarmee we ons afsluiten voor de realiteit een schokkend en leeg universum, een verhaaltje dat ons de illusie van zingeving schenkt - en niets meer. Ze denken dat de film in essentie cynisch is. Ik denk echter dat ze geen gelijk hebben. Het is namelijk niet zo dat het ene verhaal dat Pi vertelt cynischer is dan het andere.
Zoals Pi zelf zegt: in beide verhalen vergaat het schip, is Pi de enige overlevende en heeft hij veel geleden. Het eerste verhaal was geen rooskleurig sprookje. Maar wat Pi in dat verhaal vertelt, is welke lessen hij heeft geleerd over God, over zichzelf, over overgave en over verlossing. Hij heeft in zijn avonturen een ervaring gehad met God. Het punt is dat hij deze lessen heeft geleerd - ook al was het alternatieve verhaal de letterlijke waarheid. Hij heeft God ontmoet op zee, ook al waren er geen zebra, orang oetan of tijger in zijn boot. Maar hoe breng je zo’n ervaring over? Hoe spreek je over een ontmoeting met de Grondslag van het Universum? Door er een verhaal over te vertellen. Wat de ervaringen van Pi waren, is met een feitelijk verslag weer te geven. Wat ze betekenden, kan alleen worden weergegeven in de vorm van een verhaal. In de vorm van een mythe. De feiten kunnen de betekenis niet overbrengen. Dus zelfs al was het verhaal niet letterlijk waar, het was nog steeds waar op een manier waarop de ‘feiten’ niet waar waren.
De film suggereert dat de kijker tussen de twee verhalen moet kiezen. Ik weet niet hoe dit in het boek is weergegeven, maar volgens mij is dit een valse keuze. De film geeft op dit punt niet alle opties, zoals dat vaak niet gebeurt in discussies over religie en wetenschap. Er wordt gedaan alsof dit gescheiden werelden zijn. Alsof het verhaal dat de wetenschap over de werkelijkheid vertelt, het verhaal dat religie vertelt automatisch uitsluit. Maar volgens mij kan de luisteraar in het geval van Pi zeggen dat beide verhalen waar zijn, of dat hij beide verhalen gelooft. Ook op het gebied van religie en wetenschap. Ja: ik geloof dat het verhaal van de wetenschap waar is. Maar niet dat daarmee alles dus toevallig en zinloos is. Het bestaan van God is echter niet wetenschappelijk te bewijzen. Het verhaal van de bijbel bevat zelfs wonderen die voor de gemiddelde materialist aanstootgevend zullen zijn (zoals het eerste verhaal van Pi ook onwaarschijnlijkheden bevat - maar het zijn de vooroordelen over de werkelijkheid waarom we het wonder niet willen aannemen. Een wonder is immers een wonder omdat het niet wetenschappelijk te voorspellen valt). Ook de opstanding van Jezus is wel aannemelijk te maken (er zijn volgens mij sterke redenen om te geloven dat het graf leeg was, en dat Jezus’ volgelingen hem hebben waargenomen), maar niet te bewijzen. Ik kan het niet accepteren zoals ik een wetenschappelijke theorie of een leerstelling accepteer. Het verhaal van Jezus vraagt van mij een keuze op een ander niveau. Ik bevind me inderdaad op de positie van de schrijver die naar Pi luistert, en voor de keuze staat: welk verhaal vind ik het mooist? En zo is het met God, zegt Pi. Het verhaal van Jezus stelt mij ook voor een keuze: in welk verhaal wil ik leven?
Ik zelf wil leven in het verhaal waarin Jezus de dood heeft overwonnen, waardoor elk persoon en elke gebeurtenis betekenis ontvangt, en waarin liefde het laatste woord zal hebben. Het Verhaal van de Werkelijkheid is namelijk het mooiste verhaal dat er is.

donderdag 13 december 2012

Filmbespreking: The Hobbit - An Unexpected Journey

Elf jaar geleden alweer (waar blijft de tijd) verscheen de eerste film van de The Lord of the Rings-trilogie in de bioscoop. Ik was sinds een paar jaar filmfanaat en volgde in filmtijdschriften alle ontwikkelingen en verslagen. Maar bovendien had ik mijn liefde voor het fantasygenre herontdekt omdat mijn jongste broer in zijn vakantie het boek van Tolkien had meegenomen en ik het voor het eerst sind mijn elfde in zijn geheel had gelezen. Sindsdien had ik serie na serie van andere schrijvers verslonden. Ik speelde zelfs al met het idee zelf een fantasyboek te schrijven (waar ik nu trouwens weer mee bezig ben nadat het tien jaar heeft stil gelegen). Het bijzondere van fantasyboeken vond ik hoe die je als lezer kunnen onderdompelen in een andere wereld, met eigen topografie (landkaarten voorin het boek zijn essentieel), eigen natuurwetten (magie is ook aan regels onderworpen) en eigen bijzondere wezens. Helaas hadden de fantasyfilms die ik had gezien niet dezelfde geloofwaardigheid als de boeken (zelfs de eerste Harry Potter viel eigenlijk wat tegen). Maar met The Fellowship of the Ring veranderde dat. Ik kan me de avond nog herinneren dat ik hem voor het eerst keek (ook omdat ik toen een ‘date’ had - zoiets maakt gebeurtenissen vaak nog wat helderder). Ik werd volledig in het verhaal getrokken. Vanaf de eerste beelden uit de proloog, tot de gemoedelijke gouw, het prachtige Rivendel. De film deed wat de boeken al deden: hij wekte verlangen op, wakkerde het vuur van binnen aan, voegde woorden en beelden aan mijn leven toe. Ik realiseerde me dat ik verlangde naar de wereld die ‘achter’ deze wereld ligt, een wereld waar alles, ook het kleinste, waardevol is en betekenis heeft, waar mysterie en heldendom hand in hand gaan, waar schoonheid wordt gevonden die het hart beroert. Ik heb die eerste film vijf keer in de bioscoop gezien. The Two Towers zes keer. En The Return of the King zeven keer. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Gelukkig waren er de ‘extended editions’ die de wereld van midden-aarde nog meer detail gaven.

Uiteindelijk hield het op, en sindsdien is er geen film geweest die hetzelfde of zelfs maar een vergelijkbaar effect op me heeft gehad. Je kunt je dus voorstellen dat ik enthousiast was van het nieuws dat regisseur Peter Jackson ook The Hobbit zou gaan verfilmen.
Misschien waren het mijn hooggespannen verwachtingen. Dat kan heel goed het geval zijn. In elk geval had The Hobbit - an unexpected journey niet hetzelfde effect op me als The Fellowship of the Ring dat had. Aan de andere kant is The Hobbit ook niet hetzelfde boek als The Lord of the Rings. Niet voor niets heb ik de laatste wel vier keer gelezen en de eerste niet. The Hobbit is vermakelijk, een verhaal geschreven voor kinderen, dat langzaam een meer mythisch karakter krijgt, maar mist de details en de grandeur van Tolkiens meesterwerk. In The Hobbit veranderen trollen in steen in het zonlicht, en vechten rotsreuzen met elkaar in de bergen. De elven zingen vrolijke liedjes, en Gollem speelt raadselspelletjes. De film bevindt zich tussen de twee boeken in. Aan de ene kant zijn veel van de grappen en grollen uit The Hobbit bewaard gebleven, en de wat meer onsamenhangend aandoende wereld (steenreuzen?), aan de andere kant zijn er doorkijkjes naar de grotere wereld zoals die in The Lord of the Rings was beschreven, en komen veel van dezelfde karakters opduiken, zelfs Frodo, Galadriel en Saruman. Ook zijdelings genoemde karakters uit The Hobbit krijgen een grotere rol, zodat een episch aandoend conflict kan ontstaan. De mix deed voor mij soms ongemakkelijk aan. Ook omdat er gekozen is om van dit boek drie films van elk drie uur te maken. Zelfs een Tolkienverslaafde als ik neigt ertoe dat iets te veel te vinden. Deze film had volgens mij prima twee uur kunnen duren (drie films van twee uur zouden ideaal zijn geweest, denk ik). Nu dacht ik een paar keer: “Oh nee, alweer de Wargs ...” Wat allemaal niet betekent dat ik het een slechte film vind. Ik zal hem zeker drie keer in de bioscoop kijken - meer dan de meeste andere films. Alleen geen vijf tot zeven keer zoals met zijn voorgangers. De wereld van midden-aarde blijft ook in de vorm van The Hobbit de moeite van een herhaald bezoek waard. Er zijn zoveel details, zo liefdevol weergegeven - ik zou graag eens in Rivendel willen verdwalen. De natuur van Nieuw-Zeeland draagt er natuurlijk ook aan bij. Verder zijn de dwergen fascinerende karakters, en Thorin Eikenschild is passend heldhaftig. De actiescenes zijn inventief, alhoewel soms wel lang uitgetrokken en (dit kan aan de veel besproken ‘high frame rate’ liggen) voelden soms onwerkelijk aan - bij het gevecht tegen de aardmannen voelde ik niet de spanning die ik volgens mij zou hebben moeten voelen (zoals later wel in een confrontatie tussen Thorin en een van zijn tegenstanders). De acteurs zijn erg goed. Martin Freeman kan erg goed een alledaags persoon spelen die wordt opgenomen in buitengewone omstandigheden, zoals in Sherlock, en hij is hier perfect als Bilbo. Ian McKellen is weer erg goed als Gandalf, en Andy Serkis keert terug als Gollem in een briljante, meeslepende scene. De dwergen zijn ook allemaal uniek, hoewel ze niet allemaal even goed zijn uitgewerkt als individuen, maar dat komt misschien in de vervolgfilms - wel genoot ik erg van de eerste scenes met de dwergen in Bilbo’s huis, inclusief hun hilarische en aangrijpende liederen (ik neurie de tweede daarvan al de hele dag). En ik vond de glimpen die ik opving van de draak Smaug wel naar meer smaken. Het grootste compliment dat ik de film kan geven, is dat mijn verbeelding werd geprikkeld en ik meer zin kreeg in het schrijven van mijn eigen verhaal. Dan heeft een film het goed gedaan, vind ik.

Voor wie het boek niet kent: deze film draait om Bilbo, de oom van Frodo uit de eerste film. Hij is een respectabele Hobbit, die niets liever doet dan op het bankje voor zijn huis zitten pijp te roken. Dan komt de tovenaar Gandalf langs, en hij verstoort de rust. Bilbo’s huis blijkt te zijn uitgekozen als ontmoetingsplaats voor een dertiental dwergen, ooit verdreven uit hun koninkrijk Erebor, en nu vastbesloten hun belangrijkste schat terug te winnen van de draak Smaug. En Bilbo blijkt uitgekozen om daar een rol in te spelen - die van inbreker. Hij protesteert aanvankelijk, maar in zijn hart blijkt toch een verlangen naar avontuur te schuilen (uit de Toek kant van zijn familie) en hij sluit zich bij de expeditie aan. Maar hij blijft twijfelen of hij wel zo’n goede inbreker is als Gandalf en de dwergen lijken te geloven. Het gezelschap trekt naar het oosten, maar hun reis blijkt niet zonder gevaren. Een boosaardige orkenaanvoerder heeft namelijk nog een appeltje te schillen met Thorin Eikenschild. Tovenaar Radagast de Bruine doet ondertussen een ontdekking in het Mirkwood die verstrekkende gevolgen zal hebben ...

Ook wat betreft de thematiek is er veel overlap tussen deze film en de eerdere trilogie - niet alleen klinkt Tolkiens duidelijke morele overtuiging in beide door, ze gaan ook nog eens allebei over een hobbit, of meerdere hobbits, die terechtkomen in een wereld die groter, mooier maar ook gevaarlijker is dan die ze tot dan toe kenden. En in die wereld blijken ze een rol te spelen die niet kon worden vervuld door de sterken, de machtigen of de rijken. Het is het verhaal van de overwinning van de zwakheid, waarin gewone daden van vriendelijkheid of naastenliefde de doorslag geven en de kleinste het is die niet door macht gecorrumpeerd wordt. Zelfs al is de ring in deze film niet het symbool van de macht die hij is in de latere films, het thema keert wel weer terug.
Een tweede thema is echter wel uniek, en dat heeft te maken met de reden waarom de hobbit in de grotere, mooiere en gevaarlijkere wereld terechtkomt. Bilbo is namelijk een heel andere persoon dan Frodo. Frodo leek te verlangen naar de wereld buiten de gouw (waarschijnlijk door zijn oom geinspireerd). Maar hij betreedt die wereld uiteindelijk niet uit eigen keuze. Hij wordt ertoe gedwongen. En zijn reis is al snel een belasting. “I wish the ring had never come to me”, verzucht hij al halverwege de eerste film. En tegen het eind van de derde film is hij murw, en heeft de dorre woestijn van Mordor zelfs zijn herinnering aan de gouw uitgewist. De reis die Frodo moet ondernemen is bittere noodzaak, en hij dreigt er aan ten onder te gaan, zelfs zijn identiteit te verliezen. Toch gaat hij, ook al kent hij niet de weg.
Bilbo is daarentegen zijn verlangen naar avontuur kwijtgeraakt. Ja, hij stamt af van de familie Toek met enkele illustere types in de lijn, maar hijzelf is respectabel geworden (de film-Bilbo is een oudere man dan de film-Frodo). Gandalf verwijt het hem: “Sinds wanneer is je voorraadkast en de gehaakte onderzetter belangrijker voor je geworden dan de wereld buiten de gouw?” Er is iets doodgegaan in Bilbo. Ook hij is zijn identiteit kwijtgeraakt. Niet door op reis te gaan, maar juist door niet op reis te gaan. Hij heeft zijn verlangen begraven, en zo lang genegeerd dat het er niet meer lijkt te zijn. Liever omgeeft hij zich met comfort, en mensen die de rust verstoren behandelt hij vriendelijk en wijst ze dan de deur. Hij is onaanraakbaar voor wilde dingen, schoonheid, vriendschap, waarheid. Zelfs zijn boeken en kaarten wekken zijn verlangen niet op, maar vervangen het alleen maar. Maar Gandalf -een vertegenwoordiger van de bovennatuurlijke wereld, van de goddelijke invloed in midden-aarde- laat het er niet bij. De dwergen dringen Bilbo’s leven binnen en gooien het danig in de war. Maar tegelijk roepen hun liederen en verhalen iets bij Bilbo wakker. Het duurt even voor het tot hem doordringt, en bijna is het te laat, maar hij verlaat uiteindelijk Hobbitstee uit eigen keuze. Hij wordt niet gedwongen, verre van (de meeste dwergen gokken dat hij thuis zal blijven). Hij wil zelf op avontuur (zoals hij roept als hij uit Hobbitstee vertrekt).
En ja, ook voor Bilbo is het avontuur gevaarlijk. Gandalf kan niet garanderen dat hij levend thuiskomt, en waarschuwt hem dat als hij terugkomt, hij niet meer dezelfde zal zijn. Thorin Eikenschild kan ook niet voor hem garant staan (en bovendien ondertekent hij een contract dat de dwergen vrijspreekt van verantwoordelijkheid in het geval van gruwelijke ontwikkelingen). Hij komt er ook achter dat hij het zonder comfort moet stellen (hij kan niet terug om een zakdoek te halen). En bovendien loopt hij tegen zijn eigen grenzen aan. Hij twijfelt aan zichzelf. Vooral als de dwergen ook niet veel vertrouwen in hem blijken te hebben. Wie is hij? Kan hij niet beter teruggaan? Dat is wat avontuur met mensen doet: het confronteert ze met de waarheid van de wereld - de concreetheid van een bergtop, de realiteit van een storm op zee, de werkelijkheid van een tijger. En in de confontatie daarmee ontdekt je de waarheid over jezelf. Wie is de werkelijke Bilbo? Is dat de aan comfort gehechte man van middelbare leeftijd, die het liefst alleen is, omringd door een leven dat hij geheel onder controle heeft? Of is Bilbo een man met een groot hart, die voor zijn vrienden op de bres springt, die met wijd open ogen geniet van Rivendel, die de waarheid durft te spreken over zichzelf en over anderen? Iemand die zelfs aan een wezen als Gollem genade durft te schenken?
En ja, ook Bilbo denkt terug aan de gouw. Maar zijn avontuur heeft niet, zoals bij Frodo, de herinnering aan het goede van de gouw doen vervagen. Het avontuur van Bilbo is geen lijden, maar leven. Het wist de herinnering aan het goede niet uit, want het is zelf goed (zoals het avontuur van Frodo een noodzakelijkheid was). Omdat het avontuur van Bilbo ook goed is, wordt het goede van de gouw niet minder, maar meer. Het krijgt de werkelijke plaats terug. Het was voor Bilbo een afgod geworden (een ‘klein verhaal’, iets waar hij zijn identiteit aan ontleende) en daardoor kon hij er niet werkelijk van genieten. Maar nu krijgt het gouwleven zijn werkelijke proporties terug. Hij kan er weer van genieten om wat het is in zichzelf en niet om de illusie van veiligheid die hem erdoor geboden wordt. En daardoor kan hij er ook tijdelijk afstand van nemen, om met zijn vrienden mee te gaan. Vrienden die niet een thuis hebben zoals hij, die het goede uit hun leven zijn kwijtgeraakt. Hij kan voor hen een offer brengen, zodat zij kunnen genieten van dat waar hij van geniet.
Kortom, waar Frodo door het lijden zijn leven kwijtraakte, vindt Bilbo door op avontuur te gaan zijn leven. Zijn hart begint weer te kloppen, zijn verlangens beginnen weer te branden. Hij is meer zichzelf dan toen hij in zijn eentje thuiszat.

Ik herken wel wat van Bilbo in mezelf. Ik heb ook het postuur en de liefde voor eten van een hobbit. Maar tegelijk wil ik het leven zien als een Groot Verhaal, en wil ik mijn verlangen naar schoonheid, waarheid en liefde levend houden. Ik wil het avontuur zoeken van het schrijven en van relaties, en metzelf niet in slaap laten sussen. En mocht dat wel gebeuren, dan hoop ik dat iemand als Gandalf langskomt en me herinnert aan wat ik bijna was kwijtgeraakt: mijn leven.

vrijdag 17 augustus 2012

De tien mooiste films

Let op, ik bedoel niet de 'beste' films, de films die als films het best gelukt zijn, of aangrijpend, of ontroerend. Ik bedoel de films die (althans voor mij) de meeste visuele schoonheid bevatten. Toen ik laatst een blu-ray uit mijn kast pakte, realiseerde ik me dat er films zijn die ik niet in de eerste plaats kijk vanwege het sterke verhaal of de intellectuele diepgang, maar vooral omdat ik de beelden zo mooi vind. Eigenlijk net zoals ik graag door de National Geographic blader, of door het boek met onderwaterfoto's dat op de plank onder mijn tafel ligt. Deze schoonheid doet iets met me. Ze is troostend, voedend, genezend.
Ik heb bij verschillende schrijvers gelezen dat schoonheid een vergelijkbaar effect op ze had. Chesterton bijvoorbeeld zegt: "Beauty and terror are very real things and related to a real spiritual world; and to touch them at all, even in doubt or fancy, is to stir the deep things of the soul." Dostoyevsky heeft gezegd: "Beauty will save the world." Lewis schrijft in Till We Have Faces: "The sweetest thing in all my life has been the longing...to find the place where all the beauty came from." John Eldredge hamert er op in zijn boeken dat ons verlangen naar schoonheid ons door God gegeven is, en ons uiteindelijk naar God voert. Dit suggereert dat mijn reactie op schoonheid niet een uitzondering is, maar een die door de hele mensheid gedeeld wordt.

Toch heb ik in de kerk nog nooit een preek over schoonheid gehoord en nog nooit een bijbelkring over dit onderwerp meegemaakt. Misschien hebben we ons door het reductionisme van de wereld laten beïnvloeden. Misschien zijn we alles wat ons menselijk maakt gaan wantrouwen, door een platonische scheiding aan te brengen tussen materie en geest, tussen aarde en hemel. Misschien denken we dat het ons alleen maar afleidt van wat er werkelijk toe doet: het aanbidden van God of het winnen van zielen. Maar hoe zouden we God kunnen aanbidden als we Hem niet mooi vinden? En waarom zouden we geven om andere mensen (en hun zielen) als we niet hun schoonheid zien?
Twee jaar geleden heb ik al eens betoogd dat God niet alleen liefde is, maar dat hij ook schoonheid IS. Hij is niet alleen maar mooi, hij IS schoonheid, zoals hij niet alleen maar liefdevol is, maar liefde IS. En zoals hij niet alleen waarachtig is, maar de Waarheid IS. Zoals alles wat God doet en zegt een expressie is van zijn liefde (ook wat wij door onze bril van schaamte en schuld zouden beschrijven als oordeel), is alles wat God doet en zegt een expressie van zijn schoonheid. En uiteindelijk ook van zijn waarheid. Als we ons openstellen voor een ervaring van werkelijke schoonheid, of het nu de schoonheid is van een bloem, van een vriend of van een film, stellen we ons open voor de God die schoonheid IS.
Met de kanttekening dat de schoonheid in onze gevallen wereld kan schuilgaan onder of vertekend worden door de lelijkheid van onze zelfgerichtheid. En de volgende kanttekening dat schoonheid NIET God is, zoals de liefde ook niet God is! Wie de schoonheid op zichzelf verheerlijkt, komt bedrogen uit (een van de boodschappen van het kille The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde). Schoonheid, liefde en waarheid (met kleine letters) zijn geschapen werkelijkheden, en ze aanbidden betekent dus afgoderij. Ze zijn elk afzonderlijk te klein om ons tot 'Groot Verhaal' te dienen. Maar ze zijn wel geschapen door Degene die Liefde, Schoonheid en Waarheid IS. Ze zijn als het ware zijn boodschappers, die naar Hem verwijzen. Ze kunnen in zichzelf onze diepste behoefte niet vervullen, maar wijzen ons wel verder naar degene die dat wel kan. En andersom gebruikt God ze om in onze behoefte te voorzien. Ze zijn zijn spreekbuis - een regenboog voor een gevallen wereld, in de woorden van Calvin Seerveld. Daarom zullen ze volgens mij alle drie deel uitmaken van het werkelijke christelijke leven.
Volgelingen van de God die Liefde, Schoonheid en Waarheid IS, zullen zelf ook gekenmerkt willen worden door liefde, schoonheid en waarheid, en zullen die ook gaan vertonen. Ze zullen genieten van relaties met andere mensen, van mooie kunst en natuur, en van gerechtigheid en kennis van de schepping. En ze zullen zelf anderen willen liefhebben, mooie dingen maken en beschermen en eerlijkheid nastreven. Ik geloof dat alleen op deze manier mensen het beeld van God kunnen laten zien, dat wil zeggen: echt menselijk worden.
Ik noem voortdurend 'schoonheid', 'liefde' en 'waarheid' in een adem. Volgens mijn hangen deze begrippen namelijk samen. Iets kan niet werkelijk mooi zijn, als het een leugen is. Iets kan niet werkelijk mooi zijn als het een uiting is van haat of mensenvrees. We hebben hier te maken met een drie-eenheid. In het boek dat ik onlangs heb geschreven (voorlopige titel: Wat als God jouw verhaal vertelt? Overwinning door zwakheid) ga ik hier verder op in. In dit bericht zal ik het houden bij de opmerking dat iets of iemand mooi is, als hij, zij of het helemaal zichzelf is (wat samenhangt met de ideeën van waarheid en liefde).

Het is niet makkelijk schoonheid te definiëren, want er zit een subjectief element aan. We zijn ieder van ons ook eigen, unieke individuen, die verschillende nadrukken leggen, en verschillende verlangens hebben. We hebben een eigen schoonheid en die combineert op een eigen manier met de schoonheid buiten ons. Maar er zijn wel overeenkomsten (anders hadden filosofen door de eeuwen heen nooit over schoonheid kunnen schrijven) en ik kan wel een paar objectieve eigenschappen noemen die volgens mij gepaard gaan met schoonheid. Iets is mooi als het uniek is. Denk aan de bloesem in de lente: elk bloempje is anders, geen takje is hetzelfde als een ander takje, overal zie je iets nieuws. Vergelijk dat met een plastic orchidee - die is niet zo mooi als een echte, omdat de bloemen precies hetzelfde zijn. Die uniciteit zet zich door in de details. In de plastic bloemen houden de details op een bepaald niveau op, en worden de randjes helemaal glad, of zie je de lijmranden. De bloemen vertonen unieke details hoe ver je ze ook 'inzoomt'. Zelfs het patroon van de nerven in een blad dat je onder een vergrootglas ziet, is mooi. (Dit is ook de reden dat Applecomputers zo mooi zijn: over elk detail is nagedacht, hoe klein ook - maar dit is natuurlijk een persoonlijke mening). Maar schoonheid heeft ook te maken met 'schoon'-zijn. Er is geen vieze plek of verkleuring, geen ziekte of misvorming -dat wil zeggen: het voorwerp nadert een bepaalt ideaal, hoe iets er 'hoort' uit te zien. Ik moet altijd rillen als ik zie dat er vuilnis in het gras ligt of tussen de bomen. Het hoort er niet. Het is niet mooi. (Aan de andere kant kan de manier waarop een plastic zak door de wind wordt voortgeblazen al mooi zijn - omdat het de expressie is van iets dat wel echt is.) En schoonheid dient nergens toe - het heeft geen nut, is niet utilitaristisch. Geen wonder dat de woonkazernes in Oost Europa zo grauw en lelijk zijn. En geen wonder de de lokalen van sommige geloofsgemeenschappen zo kaal en leeg lijken. Schoonheid die wordt toegepast om een doel te bereiken (bijvoorbeeld in reclames), wordt al snel cynisch. Echte schoonheid bestaat gewoon om zichzelf, niet om iets in mij te doen of voor mij te doen. Ik kan de schoonheid niet verdienen en niet beheersen. Ik kan haar niet bezitten. Ik kan haar alleen liefhebben. Ik kan haar alleen ontvangen als genade (zoals ik betoog in mijn bijdrage in Het Boek van de Natuur, hartelijk aanbevolen!). Ik zelf zie hier eigenschappen in van God, maar tegelijk ook van de mensen om mij heen. En ik zie deze dingen ook terug in de films die ik kijk vanwege hun schoonheid.
Ook wat de films betreft kan schoonheid niet worden gescheiden van waarheid en van liefde. Het zijn films waarin relaties en de de vraag wat liefde is een belangrijke rol in spelen. Het zijn ook films, die (hoe fantasievol ze ook zijn) gaan over de vraag naar de betekenis van het leven, of de zin van eerlijkheid, of het verlangen naar rechtvaardigheid. De thema's zijn allemaal met elkaar verworven. Maar daarnaast zijn het films met unieke beelden, landschappen, mensen - of ze nu echt bestaan of zijn verzonnen. Films waarin aandacht is besteed aan details, of het nu gaat om de instelling van de camera, of de patronen van de kostuums, of de blaadjes aan de boom. Het zijn ook films die (ook al bevatten ze ook wel lelijkheid - die ze vaak eerlijk laten zien als lelijkheid) dingen laten zien zoals ze moeten zijn, 'zonder vlek of rimpel'. Denk aan de elven uit de verfilmingen van The Lord of the Rings: dit is hoe elven moeten zijn. En het zijn films waarin de schoonheid er is voor zichzelf. Ze heeft vaak iets speels of frivools, ze wil ons niet tot lust of hebzucht manipuleren, maar biedt alleen zichzelf aan, zoals ze is. Mijn individualiteit laat zich vooral zien in het feit dat er zoveel SF- en fantasyfilms tot mijn selectie behoren - ik zie schoonheid in andere werelden, of het nu de diepzee is, de Jupitermaan Europa, of 'een melkwegstelsel ver, ver weg'. Ze verwijzen voor mij naar de werkelijkheid van een andere realiteit, de realiteit van steeds nieuwe ontdekkingen, waar God de maker en heerser van is.
Genoeg wat betreft de inleiding! Hier volgt mijn lijst van de tien mooiste films:

Nausicaa and the valley of the wind
Meesteranimator Hayao Miyazaki heeft oog voor de details in de natuur. Al zijn films bevatten adembenemende shots van licht dat op een landschap speelt, wolken die aan de kijker voorbijtrekken, de wind die graan doet golven. Hij is gefascineerd door vliegtuigen, maar vooral de ervaring van het vliegen, en de vrijheid die daarmee gepaard gaat. Dat is al zichtbaar in zijn eerste film, en mijn favoriete van zijn werk. Hij schept in deze film ook een giftige jungle, vol met monsterlijke insecten, waarvan de details prachtig zijn uitgewerkt (en die uiteindelijk ook bij de natuur blijken te horen). De gruwel van de oorlog wordt zichtbaar, maar uiteindelijk is het de liefde van prinses Nausicaa voor wie anders is dan zij en haar keuze voor opoffering boven geweld, die de overhand krijgen. Dat alles leidt tot een climax met verwijzingen naar de opstanding. Een rijk verhaal dat laat zien dat tekenfilms niet kinderachtig zijn.

The Fall
Filmmaker Tarsem filmde op adembenemende locaties over de hele wereld, die in een fantasyfilm niet zouden misstaan, maar waar geen computereffect aan te pas is gekomen. De kleurrijke kostuums en de bijzondere beelden (onder andere een zwemmende olifant) zijn heel expressief. Ze laten zien welke voorstelling een meisje maakt bij een verhaal dat haar wordt verteld door een patiënt in hetzelfde ziekenhuis waar zij is opgenomen. Dat verhaal blijkt ook invloed te hebben op de werkelijkheid, en neemt een grimmige wending. De vriendschap tussen het meisje en de verteller leidt er uiteindelijk toe dat deze laatste de waarheid onder ogen ziet en kiest voor het leven.

Hellboy II - The Golden Army
Een film over een demon in mijn lijstje met mooie films? Dat lijkt vreemd, maar Hellboy is gelukkig geen gewone demon. Hij vecht voor de goede zaak. Guillermo del Toro heeft een levendige fantasie en schept wereld van feeen en sprookjeswezens, gekenmerkt door een haast oneindige variatie. Een wereld die in haar voortbestaan wordt bedreigd door de prozaische hebzucht en machtswellust van mensen, die een gat in hun ziel hebben dat niet gevuld lijkt te kunnen worden. De scene waarin een 'forest elemental' wordt losgelaten -de laatste die er is op Aarde- is opmerkelijk ontroerend. We maken als mensen onze wereld steeds kleiner en leger. En toch kiest Hellboy ervoor te strijden voor de mensheid, dezelfde mensen die niets anders kunnen dan hem verwerpen.

The Fellowship of the Ring
De eerste film van de drie is het mooist. Hij bevat de levendige plattelandsgemeenschap van de hobbits, de verstilde schoonheid van Rivendell en de imposante bomen van Lothlorien. Hij toont unieke wezens, van elven tot grottentrollen en balrogs. Hij wordt opgesierd door de natuur van Nieuw-Zeeland. Het is een wereld waar je echt in kunt geloven, zo lijkt alles te kloppen. En bovendien gaat de film, net als de oorspronkelijke verhalen, over thema's die de kern van het leven als mens raken: goed en kwaad, verleiding en lotsbestemming, genade en verdriet. Ik dompel me er graag in onder, wordt even deel van Midden-Aarde, in de hoop dat ik in mijn eigen leven iets zal gaan tonen van de vrolijkheid van de Hobbits, de wijsheid van Gandalf en de doortastendheid van Aragorn.

The Tree of Life
De geschiedenis van de kosmos van oerknal tot uitdoving van het heelal. Vol nevels, en sterren, en dinosaurussen. En daarin een levensverhaal, een wereld in zichzelf, een jongen die in aanraking komt met de overlevingsdrang van zijn vader, en de genade van zijn moeder. En die merkt dat hij uit eigen kracht niet meer kan ontsnappen uit het patroon waar hij in is gevallen, maar dat hij verlossing nodig heeft. Beelden van de natuur, meditatieve scenes. Symbolen. En dinosaurussen. Een film die me diep raakte, mede omdat hij zo mooi was.



Atonement
Misschien is het te vroeg om deze film al op mijn lijstje te zetten. Ik heb hem deze week pas voor het eerst gezien en zal pas morgen een filmbespreking op mijn blog plaatsen. Maar al tijdens het kijken was ik onder de indruk van de schoonheid van deze film. De prachtige beelden van een zomerse tuin rond een Engels landhuis, maar ook van Frankrijk in de oorlog. Menselijkheid in al haar glorie en verdorvenheid. Een verhaal over een liefdesaffaire, maar ook over de verwoestende werking van de leugen. Het einde geeft er een cynische draai aan - de schoonheid blijkt niet voor niets bijna 'te mooi om waar te zijn', maar daarmee blijft de film wel prachtig.

Pirates of the Carribean - At Worlds End
Dit was de film waarbij ik aan dit lijstje moest denken. De film is grimmiger dan de eerste twee delen van de serie, en het plot is (in elk geval als je hem de eerste keer ziet) niet makkelijk te volgen, omdat iedereen een ander motief lijkt te hebben om elkaar te verraden. Maar anderzijds is de film adembenemend: de landschappen waar de bemanning langs reist naar het eind van de wereld, de surrealistische plek waar Jack Sparrow verblijft, de kostuums van de piraten uit alle windstreken, de koralen en poliepen op de Vliegende Hollander en het natuurgeweld in de ontknoping. En een karakter dat de kans op eeuwig leven aan zich voorbij laat gaan, zodat twee geliefden bij elkaar kunnen blijven. Mooi!

Sunshine
Het uitgangspunt van deze film is misschien in wetenschappelijk opzicht niet zo geloofwaardig, de rest van de film toont mijns inziens overtuigend hoe een reis van de Aarde naar de zon zou kunnen verlopen. Over het ontwerp van het ruimteschip is goed nagedacht. Maar vooral indrukwekkend zijn de beelden van de zon, die steeds dichterbij komt, en het kale oppervlak van Mercurius. Karakters in de film vergelijken hun reis met een zoektocht naar God, maar die blijkt te groot om te kunnen zien en leven. Ook hier vindt aan het eind weer een opoffering plaats die aan anderen leven brengt.

Hero
Een zwaardvechter vertelt een Chinese koning hoe hij heeft afgerekend met drie legendarische krijgers die het op de vorst gemunt hadden. Maar de koning denkt niet dat hij de waarheid vertelt en geeft hem zijn eigen versie van de gebeurtenissen. Uiteindelijk komt de waarheid boven tafel. En die waarheid heeft te maken met een keuze voor geweldloosheid en ja, inderdaad: opoffering. Dat alles getoond met sierlijke, bijna poetische gevechten, prachtige kleuren (elke versie van het verhaal heeft een eigen kleurstelling), en imposante omgevingen.


Wall-E
Animatiestudio Pixar heeft er ook een handje van mooie films te maken. Mijn favoriete is Wall-E. Ook hier heeft de mens de schoonheid van zijn omgeving veracht en van de Aarde een puinhoop gemaakt (die trouwens prachtig en gedetailleerd in beeld is gebracht). Maar dat betekent niet dat alles verloren is. het robotje Wall-E ziet midden in het afval nog mooie details en interessante voorwerpen. Als verkenningsrobot EVE voorbijkomt wordt zijn hart gegrepen. Hij volgt haar naar haar ruimteschip, waar hij een in slaap gesuste mensheid weer laat verlangen naar schoonheid, naar liefde en naar waarheid. Maar ook hier komt de verlossing niet zonder opoffering. Het is een film die ik keer op keer kan kijken, zonder dat hij mij gaat vervelen. En de beelden van herstel over de aftiteling heen blijven me ontroeren.

Wat zijn volgens jullie de mooiste films?

zondag 27 november 2011

Terug naar de basis (14 en slot): Niet zien en toch geloven

Why do my eyes hurt?”, vraagt Neo in The Matrix. Zijn mentor Morpheus buigt zich over hem en zegt met gevoel: “Because you’ve never used them before.” Neo had zijn hele leven lang in een illusie geleefd. Hij had de wereld en de mensen om hem heen niet gezien zoals ze werkelijk waren, had niet hun werkelijke betekenis gekend. Hij had alleen valse weergaven gezien, schijnbeelden, valse betekenissen. De leugens hadden hem afgeschermd voor de waarheid, zodat hij niet in opstand zou komen tegen het systeem, zodat hij niet zou vechten voor zijn eigen vrijheid en die van andere mensen. Het gevolg was dat Neo geestdodend werk deed, waarbij hij werd afgerekend op zijn productie, niet op wie hij was als persoon. Hij verbleef bovendien in een saaie, grijze omgeving, zonder inspiratie. En hij had geen werkelijke relaties, geen vrienden, alleen de rollende cijfers en letters op het internet. Hij kende geen werkelijke liefde. Tot hij door Morpheus en de zijnen uit het systeem wordt verwijderd. Hij leert het ware verhaal kennen, hij ontdekt wat de werkelijke betekenis is, niet alleen van zijn leven, maar ook dat van de andere mensen. Hij heeft nu een taak waar hij vervulling aan ontleent, omdat hij iets doet dat echt waardevol is. Hij vecht voor de schoonheid van individuen en de wereld. Hij leert anderen werkelijk liefhebben, om wie ze zijn. Hij heeft ontdekt dat de wereld, andere mensen en hijzelf een onuitwisbare betekenis hebben. Maar daarvoor heeft hij wel op een nieuwe manier moeten leren kijken.

Dit is wat met ons gebeurt als we afscheid nemen van onze eigen, kleine verhalen, waarin alles draait om onszelf, en elke betekenis alleen aan ons belang wordt afgemeten, en gaan leven in het Verhaal van de Werkelijkheid, het koninkrijk van God. Er vindt een proces plaats van ‘hersymbolisering’ - de wereld van onze verbeelding wordt vernieuwd. 
Ik geloof dat de Joodschristelijke geloofstraditie uniek is in het feit dat deze betekenis toekent aan voorwerpen en mensen buiten het individu. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij oosterse godsdiensten en de daarvan afgeleide ‘new age’-denkbeelden. Volgens die zienswijzen is de wereld van van elkaar gescheiden voorwerpen en individuen een illusie en niet de werkelijkheid. Jouw echte ‘ik’ is niet het ‘ik’ dat zichzelf ziet als onderscheiden van andere mensen, maar een ‘ik’ dat een is met het universum. Het beeld wordt gebruikt van golven op de oceaan. Volgens het oosterse wereldbeeld is het individuele ‘ik’ een golf op die oceaan, een expressie van het echte ‘ik’ - de oceaan. De golf (het ‘ik’) is beperkt en tijdelijk, de oceaan (het ‘al’) is onbeperkt en eeuwig. Deze uiteindelijke werkelijkheid is een eenheid, zonder vorm, puur potentieel, en puur bewustzijn. Maar dit betekent dat relaties tussen mensen ook een illusie zijn en niet werkelijk betekenis hebben, want een relatie bestaat alleen tussen twee (of meer) van elkaar gescheiden personen. En dus is liefde een illusie, want liefde is een relatie.
Een van mijn favoriete auteurs, Greg Boyd, legt uit hoe deze visie verschilt van het Joodschristelijke wereldbeeld: “To christians love and plurality are not pen-ultimate realities: they are ultimate reality! The biblical worldview affirms that the teaching that "God is love" is not only “absolutely correct” but is the most important and correct truth there is (1 John 4:8). In the biblical worldview, God IS an eternal, perfect, loving relationship! As Father, Son and Holy Spirit, God IS eternal, perfect love shared between a plurality of "persons." Not only this, but out of perfect love, God created a world filled with ultimately real individuals with the hope that they'd share in and reflect the joy and ecstasy of his eternal, perfect, and ultimately real love. The goal of life, therefore, is not to dissolve all individuality into oneness but to eternally affirm individuality in loving relationship with all other individuals and with God. The goal is not to realize you are God, but to be eternally related to God with a love that participates in the perfect love that God eternally is.
Als wij door deze bril gaan kijken, krijgen wij zelf een unieke, onvervangbare betekenis: wij zijn -elk van ons- de geliefden van God. En zo mogen wij onszelf ook gaan zien. Maar we gaan niet naast onze schoenen lopen, want tegelijk krijgen de individuen en voorwerpen buiten ons voor ons betekenis. Een betekenis die niet van ons afhankelijk is, die los staat van ons eigen belang, een unieke, onvervangbare betekenis, die hen door God gegeven is, omdat Hij ze heeft gemaakt. Hij vertelt het verhaal over ze, niet wij. En dat betekent dat we kunnen genieten van hun intrinsieke schoonheid en eigenheid. Het betekent dat we echte relaties met ze kunnen aangaan en ze kunnen leren kennen als individuen. Het betekent dat onze inzet en ons werk voor hen echt waardevol is en niet slechts verspilling van tijd en energie. Het betekent dat we ze gaan liefhebben om wie ze zijn, zoals God al zijn unieke schepselen liefheeft.

Als we leven in het Grote Verhaal verandert dus onze blik op de schepping en op onze medemensen. We gaan ze zien als waardevol en betekenisvol, niet om wat ze voor ons betekenen, maar puur en alleen om het feit dat ze bestaan. We gaan van ze houden, zonder ze te willen controleren en manipuleren, omdat we ze zien in het licht van Gods Verhaal. Maar hierdoor stellen we onszelf wel open voor pijn en verdriet. Het is namelijk een feit dat die voorwerpen en die mensen van wie we zo zijn gaan houden, ons zullen verlaten. Tijd en toeval treffen allen, volgens de Prediker (9:11). Dit is een realiteit waar iedereen die een relatie heeft zich van bewust is. Mijn vader heeft het afgelopen decennium zijn beide ouders verloren. En ik weet dat ik ook een keer mijn ouders zal verliezen. Ze zullen de dood niet ontglippen. Ik weet ook dat mijn boeken zullen vergelen, dat mijn harddisk zal verslijten, dat mijn aquariums lek zullen raken, dat bloemen vergaan en dat zelfs mooie landschappen volgend jaar niet meer hetzelfde zullen zijn. De schepping is ten prooi aan zinloosheid, bevindt zich in de slavernij van de vergankelijkheid. ‘De hele schepping zucht en lijdt nog altijd als in barensweeen.’ (Romeinen 8:22). We raken onherroepelijk datgene en diegenen kwijt van wie we zo hielden. Hun onvervangbare betekenis gaat voor altijd verloren.
Dit is de vloek van het menselijke bestaan. De dood maakt de liefde belachelijk. Waarom zou je schoonheid nastreven als die toch verslijt? Waarom zou je investeren in relaties, als je elkaar toch kwijtraakt? Waarom zou je je inzetten voor gerechtigheid en waarheid, als zowel de schurken als hun slachtoffers sterven? “Geen mens ontvlucht het slagveld van de dood. Ben je een rechtvaardige of zondaar, goed en rein of onrein, offer je wel of offer je niet ... alle mensen treft hetzelfde lot.” (Prediker 9:2,3). En zelfs als we houden van minder vergankelijke of sterfelijke zaken - als we kijken naar de sterren, of houden van de bergen, dan nog worden we ervan gescheiden door de dood. We sterven namelijk zelf ooit - ik geloof niet dat het de wetenschap gaat lukken ons het eeuwige leven te geven. En zelfs nog voor we sterven zullen we door het falen van onze zintuigen worden afgesneden van alles wat we liefhadden. Niet voor niets zegt de bijbel dat de dood een vijand is (1 Korintiers 15:26).
Wie werkelijke schepselen en individuen gaat liefhebben, zal dat gaan beseffen. En gaan wanhopen. Als dit het onontkoombare lot is van wat wij liefhebben, is het dan niet makkelijker om niet lief te hebben? Is het dan niet logisch dat ik mezelf op de eerste plek zet, en probeer zoveel mogelijk te genieten, zoveel mogelijk geluk te ervaren in de paar jaren die ik heb? “Laten we eten en drinken, want morgen sterven we!” (1 Korintiers 15:32).  Ja, de dichters zeggen dat het beter is om te hebben liefgehad en verlies te hebben geleden, dan om nooit te hebben liefgehad. Maar als je nooit hebt liefgehad, weet je ook niet wat je mist. En ‘ignorance is bliss’ - zoals Cypher in The Matrix zegt (daar is de rode draad van deze serie weer!). Cynisme is de zelfbescherming die nodig is om niet de pijn van het ultieme verlies te hoeven ervaren.
Gelukkig eindigt het Verhaal van God niet met cynisme, het eindigt niet met de dood. Deze laatste vijand wordt vernietigd. “De dood is opgeslokt en overwonnen. Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?” (1 Korintiers 15:54,55). Het Grote Verhaal belooft de tijd ‘waarin alles zal worden hersteld’ (Handelingen 3:21). Wij zien uit ‘naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.’ (2 Peterus 3:13). Ik heb over deze belofte uit de bijbel al meerdere malen geschreven, onder andere in mijn boek Indrukwekkende Vrijheid. (Als ik even reclame mag maken: meerdere lezers hebben me verteld dat het slothoofdstuk van dit boek ze meer naar Gods toekomst heeft laten verlangen - koop het boek snel, voor het uit de handel is!). Ik heb ook op deze blog uitgelegd hoe uniek de hoop is die dit verhaal ons biedt: Gods belofte dat de dood ons nooit definitief zal scheiden van de mensen en de wereld waar we van houden. Geen enkel afscheid is definitief, geen enkel verval is onomkeerbaar. “Het sterfelijke wordt door het leven verslonden” (2 Korintiers 4:4). De schepping zal ‘zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt’ (Romeinen 8:21). Wie zijn leven ziet in het licht van het Verhaal van God hooft nooit meer bang te zijn dat zijn liefde zinloos is, of dat zijn inspanning tevergeefs is. “We vreesden ernstig voor ons leven”, geeft Paulus toe. “Maar juist dat liet ons beseffen dat we niet op onszelf moeten vertrouwen, maar alleen op de God die de doden opwekt, die ons heeft gered en ons opnieuw zal redden uit eenzelfde doodsgevaar. Op Hem hebben we onze hoop gevestigd. Hij zal ons altijd redden” (2 Korintiers 1:9,10).

Maar er moet een reden zijn om aan deze belofte geloof te hechten. Je kunt niet maar gokken dat er ooit een opstanding of herstel zal plaatsvinden. Daarvoor is het te belangrijk. Paulus heeft een solide basis voor zijn overtuiging. Hij baseert zijn geloof op de opstanding van Jezus uit de dood. “Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen.” (1 Korintiers 15:20). Dit is de hoeksteen van het Christelijke geloof. “Als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos ... dan bent u nog een gevangene van uw zonden en worden de Doden die Christus toebehoren niet gered” (v14,17). Hier draait het dus om: de vraag of het verhaal dat Jezus vertelt inderdaad het Verhaal van de Werkelijkheid is, of schoonheid, intimiteit en avontuur werkelijk betekenis hebben, of liefde zin heeft, hangt ervan af of Jezus uit de dood is opgestaan.
De opstanding van Jezus is echter niet wetenschappelijk te bewijzen. Als deze inderdaad plaatsvond, was het een eenmalige gebeurtenis waar geen video-opnames van bestaan, geen foto’s of andere tastbare aanwijzingen. Trouwens, die zouden vervalst kunnen zijn. Wat we hebben zijn de verhalen die zijn opgetekend in de vier evangeliën. Die zijn opgeschreven als ooggetuigenverslagen. De opgetekende details komen overeen met wat bekend is uit andere bronnen, de stijl is vaak zakelijk en niet opgesmukt, en de discipelen (latere leiders uit de kerk) worden niet als heiligen afgeschilderd: het lijken dus betrouwbare documenten. Als je ze zo ziet lijkt er inderdaad iets bijzonders gebeurd te zijn: het graf waar Jezus begraven was, was leeg, en er waren mensen die de gekruisigde na zijn dood hebben gezien en zo van zijn werkelijkheid overtuigd waren dat ze bereid waren daarom te sterven. En de voorgestelde alternatieve verklaringen voor deze historische feiten zijn niet bevredigend. Maar dit bewijst niets. Het vraagstuk van Jezus’ opstanding omvat dus de historie, maar overstijgt deze tegelijk. Op dit gebied kan onze gebruikelijke manier van kennen - de wetenschappelijke kenmethode - ons niet verder helpen. Er zullen geen feiten boven tafel komen die onomstotelijk het wonder zullen aantonen.
Gelukkig is de ratio, het verstand, niet de enige manier om de wereld te bezien. Een andere manier van kennen is de liefde. De Britse theoloog N.T. Wright schrijft in zijn geweldige boek Surprised by Hope: “Love is the deepest mode of knowing, because it is love that, while completely engaging with reality other than itself, affirms and celebrates that other-than-self reality.” Wie mensen is gaan liefhebben als individuen, wie de uniciteit van de schepping is gaan waarderen, weet dat deze mensen en voorwerpen een eigen, onvervangbare betekenis hebben. Die weet dat ze eeuwigheidswaarde hebben. Dat weet hij op een manier die niet wetenschappelijk te omschrijven is, maar die net zo zeker is als de zekerste wetenschappelijke theorie. Zekerder zelfs, want theorieën verdwijnen. Ons kennen schiet tekort, zegt Paulus, maar “de liefde zal nooit vergaan” (1 Korintiers 13:8). En omdat we liefhebben, weten we dat de prachtige mensen met wie we omgaan, en de schitterende wereld waarin we leven, niet voor altijd verloren kunnen gaan, maar dat God ze nieuw leven zal geven. Zoals God zijn zoon van wie hij hield, niet in het graf achterliet, maar hem opwekte uit de dood.
Stefan Paas stelt zich in het boek De Crux de vraag waarom de ene persoon een bepaald argument voor God sterk vindt, maar de ander niet. Zijn antwoord: “Wij WILLEN allemaal graag dat sommige dingen waar zijn en andere niet. Ten diepste worden mensen dus christen omdat ze VERLANGEN dat het waar is. En andersom. De grote Augustinus zei het al: wij zijn niet zozeer denkende wezens, als wel liefhebbende wezens. Dat ik een christen ben, heeft meer te maken met liefde dan met argumenten.” N.T. Wright citeert de filosoof Wittgenstein, die ditzelfde zegt: “It is love that believes the resurrection.” Als we werkelijk liefhebben, weten we plotseling hoe we het lege graf en de verschijningen van Jezus moeten interpreteren. Dan is de verklaring dat Jezus werkelijke leefde de enige die nog overtuigingskracht heeft. Dan krijgen we opeens hoop dat er werkelijk verandering mogelijk is, dat de machthebbers van deze wereld niet het laatste woord hebben en dat de laatsten de eersten zullen zijn. We krijgen opeens het vertrouwen dat God ook ons niet aan de dood zal overgeven, maar dat we zullen leven, ook al sterven we. En we blijven daaraan vasthouden, ondanks alle teleurstellingen in de kerk en andere gelovigen, of in ons eigen falen, of in de wereld om ons heen. Op deze manier, doordat we liefhebben, kunnen we ‘niet zien en toch geloven’ (Johannes 20:29). De christelijke geloofszekerheid is geworteld in de liefde.

Uiteindelijk zien we opnieuw dat het Verhaal zich afspeelt op drie niveaus. Het Grote Verhaal dat Jezus kwam vertellen - het goede nieuws van het Koninkrijk van God - doet ons verlangen naar werkelijke schoonheid, werkelijke intimiteit en werkelijk betekenisvol leven. Het doet ons verlangen naar liefde. Doordat we daarnaar zijn gaan verlangen, zien we het Verhaal van Jezus - de ultieme ‘underdog’ die tot in de dood afdaalt, maar door God wordt gered en nieuw leven krijgt - als de realiteit, als de Waarheid. Jezus IS het Verhaal van God. En daardoor krijgen we hoop en vertrouwen voor het verhaal van ons leven. We accepteren onze zwakheid, en durven zelfs de dood in de ogen te kijken “omdat we geloven en weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons ... naar zich toe zal voeren.” (2 Korintiers 4:14).

vrijdag 6 mei 2011

Veranderd door het Verhaal

De laatste weken is het een paar keer voorgekomen: iemand vertelde me dat ik was veranderd. Op kring kwam iemand na afloop van de avond naar me toe en vertelde me dat ik in de zes jaar dat ze me nu kende, een opener blik in mijn ogen had gekregen. Dat vond ik mooi om te horen. En de dag erna zei iemand anders dat hij zich meer door mij verwelkomd voelde, dat ik toegankelijker leek. En mensen die mij kenden van een christelijk gospelkoor waar ik vijftien, zestien jaar geleden op zat, zeiden het ook: dat ik nu aanspreekbaar was, dat ik me niet meer zo afsloot voor mensen om mij heen. Collega’s op het werk zeggen hetzelfde. En ook nog eens: na een discussie op GoedGelovig en hier op deze blog zei iemand dat hij zich niet kon voorstellen dat ik een betweter was. Nou, dan had hij me een paar jaar geleden moeten kennen! Als zo veel mensen het zeggen, zal het wel waar zijn. Ik ben veranderd. En daar ben ik blij mee.

Maar hoe heeft die verandering plaatsgevonden? Ik had namelijk juist ontdekt dat ik nog dezelfde persoon was als voor mijn overspannenheid, dat de Johan van toen dezelfde was als de Johan van nu: een zachtaardige man met een gevoel voor humor en af en toe een wijze opmerking. En dat dit prima was. Ik kan me bovendien niet herinneren dat ik er bewust aan heb gewerkt om opener en toegankelijker te zijn. Ik zou niet eens weten hoe ik hier bewuster aan zou kunnen werken. Ik heb ook niet bewust geprobeerd om geen betweter meer te zijn.
Sterker nog: ik heb op mijn blog meermalen betoogd dat ik mezelf niet kan veranderen. Ik heb hier een hele serie geschreven over zwakheid - over het menselijke onvermogen. Ik heb willen laten zien dat ik mezelf niet aan mijn haren uit het moeras van mijn tekortkomingen kan optrekken. Mijn kracht schiet tekort. De bijbel lezen en christelijk gedrag hebben geen effect, andere waarheden leren blijkt niet te werken. De kerk bleek ook geen plek van heling, en de boodschappen dat ik moest veranderen, dat ik me moest aanpassen maakten het een onveilige plek. Die methoden kunnen ook niet helpen, omdat mijn gebrokenheid ligt in de diepten van mijn hart waar mijn verstand en wilskracht geen toegang toe hebben. Het zijn de niet verbale beelden, de pre verstandelijke concepten, die door ervaringen van pijn en afwijzing verwrongen zijn geraakt en die nu mijn doen en laten bepalen.
Ik ben zelfs gaan geloven dat ik mezelf niet HOEF te veranderen. Dat het goede nieuws van God op geen enkele manier afhangt van mijn inspanning, mijn wilskracht, van waar ik als mens toe in staat ben. Nee, het is een realiteit die ik als een kind mag ontvangen. Die realiteit is het koninkrijk van God, zijn aanwezigheid in de persoon Jezus Christus, de wetenschap dat ik door God geliefd ben (wat ik ook doe, voel of denk). Verandering is daar geen voorwaarde voor, maar ook niet iets dat van mij ge-eist wordt nu ik heb gekozen me voor Gods liefde open te stellen. Als ik verander is dat dus niet mijn verdienste, maar een direct gevolg van dit Goede Nieuws. Het is het directe gevolg van de realiteit waar ik me als een kind voor openstel. Die realiteit is namelijk niet een verstandelijke realiteit, het is een realiteit in de wereld van de Beelden - het is een verhaal.

Het zal vast geen verrassing zijn als ik toegeef dat ik nogal van verhalen houd. Nee, echt! Ik houd van verhalen in allerlei vormen: verteld rond het kampvuur, in televisieseries en films, in computerspellen, en in boeken (stripboeken incluis). Ik ben altijd wel bezig in een boek, volg verschillende stripverhalen op het internet,   en zet graag tijd apart om naar de bioscoop te gaan of een film te huren. Ik ben niet de enige voor wie verhalen belangrijk zijn - kijk naar de bezoekersaantallen van films als Titanic, Avatar, Star Wars et cetera, of de verkoopcijfers van sommige boeken van overleden Scandinavische thrillerauteurs. Ik geloof niet dat er een samenleving op Aarde is waar geen verhalen worden verteld. En ik geloof niet dat er een tijd geweest is in de menselijke geschiedenis dat verhalen onbekend waren. Verhalen vertellen en naar verhalen luisteren hoort bij het menszijn, ze zijn onlosmakelijk verbonden aan onze menselijke natuur. We hebben ze nodig.
Verhalen geven namelijk betekenis aan de wereld om ons heen. Volgens Tolkien en Lewis was het de menselijke gave om woorden te geven aan voorwerpen en fenomenen. Daarmee kregen deze voorwerpen en fenomenen een bestaan in de menselijke verbeelding, en dus in zijn denken. Ze werden van niet omschreven concepten en vage vormen in de buitenwereld opeens concrete, vaste objecten in de binnenwereld. Doordat een voorwerp een naam had kon het worden onderscheiden van zijn omgeving, het kon in verband worden gebracht met andere voorwerpen, en er kon over worden gecommuniceerd met andere mensen. Een boom werd pas een boom (in plaats van een vaag groene vlek in het gezichtsvermogen) toen het de naam ‘boom’ kreeg. Namen aan iets geven betekent dus betekenis geven.
En volgens Lewis en Tolkien hadden verhalen een vergelijkbare rol, maar dan op een grotere schaal. Zoals woorden betekenis geven aan voorwerpen en fenomenen, geven verhalen betekenis aan de wereld, het bestaan, ons menselijke leven. Een verhaal neemt de abstracte gevoelens en ervaringen uit de buitenwereld en geeft ze een concrete plek, een duiding in de binnenwereld. Wat we meemaken is opeens niet zinloos meer, want we herkennen het als (onderdeel van) een verhaal. Dat mensen dus al sinds mensenheugenis (letterlijk) verhalen vertellen, is niet omdat ze nu eenmaal iets nodig hadden om de tijd te doden, of omdat ze een hobby zochten - het is omdat mensen zoeken naar betekenis. We willen begrijpen wat onze rol is. We willen dat wat ons overkomt ergens toe dient. We willen meer zijn dan toevallige samenraapsels van atomen. En dus scheppen we verhalen die al die behoeften vervullen: mythen, legendes, sprookjesverhalen, blockbusterfilms.
De woorden van die verhalen roepen een andere wereld op, die we met onze verbeelding binnengaan. In die wereld zijn goden werkelijkheid, hebben heldendom en opoffering betekenis, hebben daden consequenties en is liefde sterker dan de dood. Zelfs al geloven we als materialistische mensen niet dat deze dingen waar zijn in onze hermetisch gesloten werkelijkheid, in het verhaal ervaren we ze wel als werkelijkheid. Misschien geloven we niet dat er iets bestaat als een ‘happy end’, en  de onvoorwaardelijke acceptatie door de geliefde, in het verhaal ervaren we deze dingen alsof ze wel bestonden. En zelfs als we er met ons verstand niet in geloven, wordt onze verbeelding er door beïnvloed - worden deze begrippen, deze gedachten waarheid in onze verbeelding. En dus gaan ze ons gedrag beïnvloeden. We gaan leven alsof ze realiteit zijn. Want ik heb al eerder betoogd: de verbeeldingswereld, de beelden diep in ons hart, hebben meer invloed op ons gedrag dan onze verstandelijke overtuigingen, dan onze rationaliteit. Het is in onze verbeelding dat onze verlangens vorm krijgen, en uiteindelijk bepalen onze verlangens wat we doen en niet doen (en niet onze wil, want onze wilskracht is niet meer dan het gevolg van de kracht van onze verlangens). De waarheid van de beelden is een krachtigere waarheid dan die van het verstand.

Het is niet voor niets dat in de sprookjesverhalen waar Lewis en Tolkien fan van waren, een mens die in de feeenwereld terechtkwam (altijd onbedoeld - iemand die er actief naar zocht, vond het feeenrijk nooit), daar niet onveranderd weer uit vandaan kwam. Ten eerste leek de tijd voor zo iemand stil te staan - er konden jaren zijn voorbijgegaan in onze wereld, terwijl het voor hem of haar minuten leken (zo gaat het ook als je echt in een verhaal opgaat - je hebt geen oog meer voor het verstrijken van de tijd. Je bent echt in een andere wereld). Maar ook het karakter van deze mensen was veranderd. Ze waren vrolijker, blijer, maar soms ook bedroefder, en keken met een vreemd verlangen naar de wereld om ze heen. Opgenomen worden in deze wereld waar schoonheid, liefde en avontuur tastbare werkelijkheid waren, zo werkelijk dat het pijn doet aan de zintuigen, laat een mens namelijk niet onberoerd. Het laat een indruk achter in de beelden van het hart, in de verlangens. Een goed voorbeeld is de dwerg Gimli uit The Lord of the Rings van Tolkien. Hij moet eerst niets van elfen hebben, veracht ze zelfs. Tot hij het elfenrijk Lotlorien binnenkomt en daar de elfenkoningin Galadriel ontmoet. Haar schoonheid prent zich in op zijn hart, en hij draagt die met zich mee als hij dat land weer verlaat. Gimli is een veranderde dwerg - hij wil niks kwaads meer horen over Galadriel en gaat uiteindelijk zelfs met de elf Legolas over de zee naar Valinor.
Geen wonder dat in deze sprookjesverhalen (en in The Lord of the Rings) mensen een gezonde angst hebben voor de elfenmagie. Verhalen zijn gevaarlijk. Als je niet oppast, vertellen ze jou! Als je niet oppast wordt de wereld uit het verhaal de wereld waar jij in leeft. Krijgt alles wat je meemaakt betekenis. En ga jij in je doen en laten lijken op de helden van het verhaal. Hun verlangens worden jouw verlangens. Hun leven wordt jouw leven. De oude mens, die leefde in de betekenisloosheid van het oude verhaal, is niet meer, een nieuwe persoon is opgestaan, die wordt gedreven door de beelden van schoonheid, liefde en gerechtigheid uit het nieuwe verhaal. Daar hoef je niets voor te doen, het gebeurt vanzelf doordat je in het verhaal leeft. Je kunt het alleen verhinderen door je voor de werkelijkheid van het verhaal af te sluiten en door cynisch te kiezen voor de betekenisloosheid van je eigen wereld. Niet voor niets zijn het kinderen die het meest van sprookjesverhalen houden en die zich er ook door laten beïnvloeden - zij durven zich er nog voor open te stellen.

Die zin over de oude en de nieuwe mens hierboven heb ik bewust laten lijken op een bijbeltekst (geoefende bijbellezers zullen het hebben gezien). Ik geloof namelijk dat de verandering in ons leven als gelovigen ook op deze manier plaatsvindt - niet door onze inspanning, niet door onze wilskracht, niet door intellectuele kennis tot ons te nemen, niet door religieuze handelingen, niet door kerkbezoek of ... (vul zelf maar in, al die dingen waardoor je geprobeerd hebt jezelf te veranderen). Het zijn allemaal kleine verhalen, te kleine verhalen. Verhalen van eigen inspanning, van prestatie, van competitie. Ze houden ons beknot, gevangen, beperkt.
We veranderen door ons open te stellen voor het Grote Verhaal, de Werkelijke Mythe. Dit is het verhaal dat niet door mensen is verzonnen om betekenis te verlenen aan de wereld om hen heen, nee, dit is het Verhaal dat zelf de betekenis geeft aan alle dingen, omdat het Waar is. Dit Verhaal is zo groot als het Universum, sterker nog: het is het verhaal van het Universum en dus IS dit het Universum. Aan dit Verhaal, deze Ware Mythe, ontlenen onze sprookjesverhalen hun betekenis, en hun kracht. De kracht van de elfenmagie om mensen te veranderen, is slechts een afgeleide kracht. De schoonheid, de intimiteit en de waarheid van de verhalen kunnen alleen maar mensen veranderen in zoverre ze lijken op of refereren aan de Werkelijke Schoonheid, de Werkelijke Liefde, de Werkelijke Waarheid in het Grote Verhaal. Onze verhalen zijn (ik zeg net nog maar eens, voor wie mijn bespreking van Thor niet gelezen heeft) geen vlucht uit de realiteit, maar een herinnering aan de realiteit.
Maar deze realiteit kunnen we niet binnentreden door ons verstand - het voldoet niet om geloofswaarheden te leren kennen, bijbelteksten uit het hoofd te leren of theologieboeken te lezen. Het kennen van afkortingen (TULIP) is niet voldoende. We kunnen de realiteit ook niet binnentreden door wat we doen - missionair zijn bijvoorbeeld, evangelisatie, religieus gedrag. Gedrag is gevolg, geen oorzaak van verandering. Ook geestelijke ervaringen of goede gevoelens kunnen ons niet deze realiteit binnenbrengen. Niets van ons initiatief, niets dat van ons uitgaat, kan ons die werkelijkheid binnenvoeren - zoals de ontdekkingsreiziger die het feeenland actief zocht het nooit bleek te vinden. We kunnen niets doen om de realiteit - het koninkrijk van God - te beërven, omdat we er nu al in leven.  De Realiteit is NU AL realiteit. God is al met ons in Jezus. Hij houdt al van ons door Jezus. Het koninkrijk van God is al onder ons. We kunnen er alleen voor kiezen het te ontvangen, er als een kind voor open te staan. We kunnen alleen kiezen deze werkelijkheid te accepteren, te accepteren dat we leven in het Grote Verhaal. Waarin wij niet de hoofdpersoon zijn (want dat is het kenmerk van al onze kleine verhalen - daarin zijn wij de helden), maar waarin God de held is, die in Jezus dood en opstanding alles op alles stelde om ons te redden en ons bij zich te voegen. Als we de ogen van ons hart openen voor de Realiteit (het evangelie is een waarheid die moet worden begrepen door de verbeelding, niet door het verstand, zei Lewis al), ervaren we Ware Schoonheid, Liefde en Waarheid - en die zullen ons veranderen. De werkelijkheid van de tegenwoordigheid van Christus in ons en rond ons zal ons niet onberoerd laten. We zullen gaan lijken op de hoofdpersoon van het verhaal. We zullen de oude mens, die leefde in het kleine verhaal, achter ons laten en gaan lijken op die Nieuwe Mens, die leeft in een nieuwe werkelijkheid.
Open willen staan voor dit verhaal is een keuze. Het is de keuze om de liefde van God te ontvangen. Om te accepteren dat die werkelijkheid is, dat het Verhaal werkelijkheid is, ook als je het niet begrijpt met je verstand, het niet voelt met je emoties, het niet ervaart, en er soms ook niet naar blijkt te leven. In een eerdere blog schreef ik over het ‘oefenen van de opstanding’. Om te leven uit de hoop van het herstel, de hoop dat verandering werkelijk mogelijk is, ook als je het nog niet in je leven ziet. Omdat deze hoop door God beloofd is. “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”, zegt Hebreeën 11:1 (andere vertalingen zeggen ‘de overtuiging van de dingen die men niet ziet’). De zekerheid waar het hier over gaat is geen intellectuele zekerheid - geen overtuiging in weerwil van de bewijzen. Nee, het is de keuze om het Grote Verhaal als waar te beschouwen, om dit als werkelijkheid te zien, en om daarnaar te gaan leven, ook als je het niet begrijpt of ervaart of voelt. Om te leven als ‘geliefde van God’ - want dat is het Grote Verhaal in een notendop. En wie zo leeft, blijft niet dezelfde. Die verandert.