Posts tonen met het label leven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leven. Alle posts tonen

zaterdag 19 december 2015

Gedicht: Fractaltheologie

Fractaltheologie

Hoe komt de wereld toch zo vol
vormen allemaal verschillend,
elke leemte ingenomen,
geen optie onbenut? Leven
rijst vanuit een zee van chaos
op en ontvouwt zich als een bloem
ooit gezaaid in rijke aarde,
volgens wetten simpel. Het spel
van vrijheid en beperkingen
levert complexiteit, op elk
bestaansniveau. Zelfs geest ontstaat
uit talloze verbindingen:
in staat zichzelf te zien, schoonheid
te onderscheiden, te danken
wie de regels schreef. Een godheid,
die koos zichzelf te verbazen,
niet te heersen maar voor altijd
lief te hebben zijn gelijken
en met hen te dansen zonder
dat de muziek zich ooit herhaalt.

woensdag 18 februari 2015

Gedicht: Hazen

Hazen

Ik zag twee hazen
uit de trein vanochtend
op het gras. De lucht
was goudgekleurd
gespiegeld in de rijp
en de verstilde sloten.
Stijf stonden de bomen
adem ingehouden
wachtend. Maar ik raasde
door het land, zag niet
waar zij op hoopten,
opgesloten achter
het glas. Ik leef nu
in mijn herinnering.

zondag 7 september 2014

Gedicht: Reünie

Reünie

We schuiven aan, eerst nog onwennig.
Welke naam hoort er bij welk gezicht?
Was jij niet die? Waar zat je toen?
Dan verschijnt het drinken. Vrolijkheid.
De opluchting de ander nog te zien
in lichte ogen, onaangetast,
en weten dat ook jij ondanks de jaren
bent wie je toen was en wordt herkend.
Snel volgen de verhalen, brengen licht
in stoffige herinneringen.
Het was geen paradijs, gewoon
leven zonder opsmuk. Menselijk,
maar goed, zoals de wijn, de vis.
En sommigen hebben pijn gehad
zonder dat jij het wist. Een stilte valt.
Tot een grap van toen ook hen doet lachen.
Anderen lijden nu, of doen gewoon hun werk,
lachen vrij om dromen ooit gekoesterd
van succes, tevreden met te zijn
van dag tot dag want het is zo fragiel.
IJs smelt op witte schalen, we raken
in elkaars geheim verstrikt. Tijd vliegt.
De knoop moet weer uiteengerafeld,
uit het licht stap je opnieuw de wereld in,
voldaan van meer dan voedsel. Je ziel
heeft zich gelaafd aan werkelijkheid.

dinsdag 19 augustus 2014

Gedicht: Waar ik naar zoek

Waar ik naar zoek

Bomen plotseling geel
tegen een grauwe lucht
vanuit de ochtendtrein.
Mist boven de sloten.
Een doorkijk op een veld
vol witte pluimen gras.
Mos op een muur. Een vis
die zich onverwachts toont.

Ringen van blokken ijs.
Blind leven ondergronds.
Unieke eilanden.
Vroege dieren bewaard
in steen, vorm geraden.
Opties doorgetrokken
tot de verre toekomst:
het verhaal blijft open.

Ogen vol verwachting,
haar sluier verwijderd.
Geen tweede plan, gereed
iets nieuws te ontmoeten,
kwetsbaar maar toch niet zwak,
de glimlach ongeveinsd,
zet ze de eerste stap
op weg naar heerlijkheid.

Ik zoek dunne plaatsen,
waar achter het gordijn
zacht de belofte klinkt:
'Alles is mogelijk.'
Leven vult de ruimte
tot aan de nok, verandert
een leeg doek in schoonheid.
En ook ik word vernieuwd.

zondag 27 januari 2013

Filmbespreking: The Impossible

Ik heb geen TV thuis. Ik bedoel: het apparaat heb ik wel, anders zou ik geen DVD’s en blu-rays kunnen kijken en geen computerspellen kunnen spelen, maar ik kijk er geen TV op. Nooit gedaan. Dat heeft als voordeel dat ik niet in de verleiding kom om een hele avond gedachteloos te zappen om uiteindelijk te realiseren dat ik twee saaie spelletjes gezien heb en een halve aflevering van een serie die me toch niet zo boeide. En dat naast talloze reclames voor wasmiddel en sterke drank. Maar het nadeel is dat ik sommige dingen niet zelf zie. Over de vloedgolf van kerst 2004 las ik alleen in de krant. Dat was natuurlijk al indrukwekkend genoeg. En ik zag de satellietfoto’s die toonden hoe de kustlijn was veranderd na de tsunami, wat de ongelofelijke kracht van het water illustreerde.
Maar het gebeurde bleef abstract. Cijfers waar ik weinig mee kon. Ik had geen voorstelling hoe het geweest moest zijn voor de mensen in de gebieden rond de Indische oceaan. Wel herinner ik me hoe we op kantoor geld inzamelden voor de hulpfondsen. Ik had nog Noorse kronen van een eerdere vakantie in mijn portemonnee zitten en doneerde die. Wat de impact was van de ramp werd me echter pas goed duidelijk toen ik in 2010 in India was, en mijn gastheren van de kerk in Hyderabad me vertelden hoe ze met voedsel en kleding hulp gingen bieden in de getroffen streken van India. Ze lieten ook een paar foto’s zien van de verwoesting die daar was aangericht.

Toen ik vroeger bij mijn grootouders logeerde, las ik graag in de Het Beste (Readers Digest) - waar ze heel wat jaargangen van hadden staan - en dan vooral de overlevingsverhalen. Mensen die een vliegramp hadden meegemaakt, die waren verdwaald in de bergen, die in een mijn waren vast komen te zitten. Die een aardbeving hadden doorstaan. Of een vloedgolf. Wat deze artikelen deden was dat ze de abstracte cijfers - aantallen doden, statistieken over verkeersongelukken, waarschuwingen over het gevaar van verdwalen - minder abstract maakten. Ze maakten er namelijk een verhaal van. En ik geloof dat wij als mensen (of in elk geval de meesten van ons) niet zijn gebouwd om te denken in abstracties (die betekenisloos zijn), maar wel in verhalen (die betekenis geven). Zelfs als we over abstracties praten, gebruiken we er vaak beeldspraak voor of analogieën - dat wil zeggen: we vertellen er een verhaal over.
Als we dus willen omgaan met gebeurtenissen of rampen (individueel of collectief) vertellen we er een verhaal over. Kennissen die iets erg hebben meegemaakt willen graag ‘hun verhaal kwijt’ (ik weet dat toen ik door de IJslandse vulkaanuitbarsting had vastgezeten in Doha, ik later graag dat verhaal vertelde). Net zo vertellen we verhalen over oorlogen en rampen. Dat begint op school, want de beste geschiedenisleraar is degene die mooie verhalen over geschiedenis weet te vertellen. Toch? Maar ook later - niet voor niets zijn er zoveel boeken geschreven en films gemaakt over de tweede wereldoorlog, over de Titanic, over Vietnam. En er kwamen films over de Twin Towers na elf september, en boeken waarin die gebeurtenissen een rol speelden. Die verhalen helpen ons om beter te begrijpen wat de impact was van die momenten, ze doen ons meeleven met de personen die werden getroffen (en daardoor ontwikkelen we meer empathie en ‘theory of mind’) en ze maken ons weerbaar, doordat we onszelf afvragen wat wij in zo’n situatie zouden doen en ons daarop gaan voorbereiden.
Vaak worden deze verhalen verteld vanuit het oogpunt van een overlevende. Dat lijkt misschien niet ‘eerlijk’, alsof de overledenen geen verhaal te vertellen hadden. Maar het lot van anderen wordt niet over het hoofd gezien. Het wordt juist pijnlijk duidelijk hoe ‘oneerlijk’ het is dat het verhaal van die anderen wreed tot een einde is gebracht. De onrechtvaardigheid van het universum blijkt er juist heel duidelijk uit. Het brengt bij ons de verontwaardiging tot stand die gepast is bij het zinloze lijden in de wereld. We heffen onze vuist en komen in actie. Maar waarom zouden we in actie komen als het menselijke bestaan geen waarde zou hebben? Als het individuele bestaan werkelijk zinloos zou zijn. Wat deze verhalen ons ook duidelijk maken is dat het universum uiteindelijk niet hopeloos is. Dat onze opoffering en medemenselijkheid betekenis hebben. En juist dat er mensen overleefden kan ons hier geloof in schenken. G.K. Chesterton zei al dat kinderen behoefte hebben aan verhalen, niet om te leren dat draken bestaan, maar om te leren dat ze verslagen kunnen worden. We weten allemaal met de Prediker dat ‘tijd en toeval treffen allen’. De verhalen bevestigen dit (het zijn immers vaak gewone mensen die door gebeurtenissen groter dan zichzelf worden overvallen), maar ze laten tevens zien dat in die situaties toch ruimte mogelijk is voor medemenselijkheid, opoffering en naastenliefde. En voor hoop. Hoe klein dat sprankje ook mag zijn.
(Natuurlijk is er het gevaar dat als de gebeurtenis langer geleden is, er legendevorming kan optreden, waardoor de verhalen de gebeurtenis niet dichterbij brengen, maar de afstand tussen de luisteraar en de werkelijkheid juist vergroten. Je gaat als kijker bijvoorbeeld meeleven met de helden in een oorlogsfilm en gaat de tegenstanders als minder menselijk zien. De werkelijke menselijke kosten van een gebeurtenis worden over het hoofd gezien. Daarom moeten te grote verhalen uiteindelijk gedeconstrueerd worden - de verhaaldynamiek moet worden ontmaskerd, zodat de gebeurtenis zelf weer zichtbaar wordt. Parodieen doen dit bijvoorbeeld, of een film als Inglourious Basterds van Quentin Tarantino.)
Tot slot geloof ik dat juist in dit type verhalen het Grote Verhaal het duidelijkst zichtbaar kan worden, want gaat dat er ook niet over hoe wij wonder boven wonder, tegen alle hoop in, zijn gered van de dood van het lichaam en de vernietiging van het heelal?

De film The Impossible bracht voor mij de gebeurtenissen rond de tsunami van 2004 tot leven. Hij maakte de onweerstaanbare kracht van het water duidelijk, maar ook de chaos en verwarring die er na de tsunami heersten. Als ik nu over een vloedgolf hoor, is het niet meer iets abstracts. Maar de film toont ook opvallende tekenen van medemenselijkheid. Sprankjes hoop in een duistere situatie. Wat deze film zo bijzonder maakt is dat hij zo dicht bij de hoofdpersonen blijft. De camera blijft ze op de huid zitten. Je maakt mee wat zij meemaken, soms in gruwelijk detail. (Maar zonder te gruwelijk te zijn - de film is in dat opzicht gelukkig niet sensationeel). Soms juist door het ontbreken van detail (zo is het scherm even zwart en hoor je alleen geluiden - en dat is misschien nog wel het gruwelijkst). Daarbij helpen de sympathieke acteurs, die hun rol geloofwaardig neerzetten, zelfs de kinderen die meespeelden. Het gezin heeft een heel natuurlijk overkomende dynamiek, ook de interactie tussen de drie jongens. Ik vond de muziek tegen het einde toe wel wat sentimenteel worden. Dat had wat minder gekund. Vooral omdat de gebeurtenissen tegen het einde al te mooi lijken om waar te zijn. Als de film niet was gebaseerd op een waargebeurd verhaal, zou ik het einde niet hebben geslikt. De wetenschap dat het echt is gebeurd, maakt het ontroerend.

De familie Bennett is tijdens de kerst op vakantie aan de kust in Thailand. Henry heeft te horen gekregen dat hij mogelijk zal worden ontslagen, zijn vrouw Maria wil haar baan als arts wel weer oppakken. Ondertussen spelen hun kinderen en maken ze ruzie, zoals jongens dat onderling nu eenmaal doen. De ochtend na kerst zijn ze allemaal in het zwembad in het resort als er een vreemde wind opsteekt. Er komen onheilspellend roepende vogels overwaaien. Dan verschijnt als uit het niets een muur van water, alles op zijn weg vernietigend. Als Maria uit de maalstroom boven water komt, is ze al vele meters meegesleurd landinwaarts. Ze treft haar oudste zoon Lucas aan en samen klampen ze zich vast aan een boomstam. Als het water zakt, zijn ze alleen. Van Henry en haar andere twee kinderen is geen spoor te bekennen. En zelf is ze door het puin in het water gewond geraakt. Als ze er niet aan onderdoor gaat door het bloedverlies, loopt ze het gevaar een stevige infectie op te lopen. Lucas neemt al snel de verantwoordelijkheid op zich over zijn moeder. Hij blijft bij haar als ze gevonden worden door locale mensen, en naar een ziekenhuis worden gebracht. Daar dringt Maria er bij Lucas op aan dat hij mensen gaat helpen. Als hij terugkomt, is zijn moeder verdwenen. Hij is moederziel alleen...

Waar mijn vriendin en ik ons over verbaasden bij het kijken van de film, was hoe deze familie zich inzet voor anderen, ook na wat ze allemaal hebben doorstaan. Het kan ook anders, en dat wordt in de film getoond: mensen die anderen niet van hun mobiele telefoon laten gebruikmaken, omdat ze bang zijn dat de batterij opraakt. En die angst is natuurlijk terecht. Een ‘ieder voor zich’-mentaliteit meten we ons in ons dagelijkse leven al makkelijk aan. Maar als je leven in gevaar is, als je dreigt alles kwijt te raken wat je bezit, dan al helemaal. Om te overleven worden mensen egoïstisch - uiteindelijk in staat elkaar te doden om een korst brood (is bekend van extreme situaties, bijvoorbeeld in de concentratiekampen). Ik maak me niet veel illusies over mijn eigen houding in dezen - ik weet niet of ik zou delen wat ik heb, als ik niet weet of dat voor mijzelf genoeg is.
Maar deze familie steekt anders in elkaar. Als het water zich net heeft teruggetrokken, en Maria en Lucas landinwaarts strompelen, horen ze een kind huilen. Lucas wil dat ze een boom opzoeken. Ze moeten omhoog klimmen om veilig te zijn als er een nieuwe golf komt. Elke seconde telt. Maar Maria geeft niet toe, al kan ze zelf nauwelijks meer op haar benen staan. “Weet je wat voor mij het angstigste moment was?”, zegt ze (even uit het hoofd geparafraseerd). “Niet toen de golf me raakte, maar toen ik boven kwam en ik was helemaal alleen. Misschien zijn je vader en je broers op dit moment wel helemaal alleen. Dan zou je toch ook willen dat iemand ze vond en ze hielp? Dit kindje is nu helemaal alleen. Hij heeft alleen ons. ” Lucas laat zich overreden en helpt het blonde jongetje dat Daniel heet. Later in het ziekenhuis vraagt zijn moeder hem een mandarijn te delen met een medepatient, die vast veel honger en dorst heeft. En hij helpt mensen die Engels spreken, brengt ouders en kinderen bij elkaar. Zelfs als hij daarvoor bij zijn moeder weg moet. Hij is een reddende engel - voor anderen, zoals hij het is voor zijn moeder.
Hoe kan het dat deze mensen in een noodsituatie in staat zijn anderen te helpen? Hoe kan het dat ze ook de noden zien van hun medemensen en niet alleen die van zichzelf?
Een ramp als deze brengt onze diepste motivaties boven, uiterlijkheden vallen weg. Rationeel nadenken over je gedrag is er niet bij. Je handelt uit instinct. De enige manier om na zo’n ramp liefde te kunnen tonen voor je medemensen, is als dat is wat je in de rest  van je leven doet. Het gedrag dat je oefent als het je voor de wind gaat, als er niets aan de hand is, is wat je vertoont als het tegenzit. Als je in het normale dagelijkse leven de roep van je medemens negeert, voordringt in de rij, en niet uitdeelt van wat je hebt, zul je dat ook niet doen als je leven abnormaal wordt.
Wat in deze film mooi zichtbaar is, is dat de familie voor de tsunami de kust bereikt, al wordt gekenmerkt door een hulpvaardige instelling. Ze zorgen voor elkaar, dat is al heel snel duidelijk. En omdat ze dat altijd al deden, kunnen ze daarmee doorgaan als de rampspoed toeslaat.
We weten niet of en wanneer we in moeilijke omstandigheden komen. Misschien wel nooit. Maar misschien zitten we morgen in een auto die over de kop slaat, wordt een ernstige ziekte vastgesteld, breekt een crisis uit, worden we ontslagen. We leven in een wrede wereld. Onze wereld is in zichzelf niet menselijk. Als wij wel menselijk willen zijn. Als wij willen dat we zelfs in zulke onmenselijke omstandigheden onze menselijkheid bewaren en er kunnen zijn voor anderen, moeten we daarom nu al dagelijks zo leven, nu we nog de vrijheid hebben ons gedrag zelf te kiezen. Als onze naastenliefde in ons systeem zit, als het ons instinct is geworden, zullen we onze naasten liefhebben als we puur instinctmatig handelen. Dit is de rol van de disciplines in het geloof, van rituelen, van liturgie. Die laten schoonheid, waarheid en liefde tot in ons merg doordringen. En ze komen naar buiten als we ze nodig hebben.
Uiteindelijk in het ziekenhuis ziet Lucas Daniel weer. Hij bevindt zich in de armen van een man die net zo blond is als hij, en lacht. En Lucas weet waarvoor hij het gedaan heeft, waarvoor hij heeft gewacht een boom in te klimmen, waarvoor hij zichzelf heeft opgeofferd. Hij heeft iemand gered van de eenzaamheid, van de dood. En nu ziet hij in dat zijn moeder gelijk had. De ander helpen is de moeite waard. Hij is de realiteit gaan zien van de ‘gouden regel’ die Jezus instelde: ‘Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.’ (Mattheus 7:12) Als we dat nu doen, doen we dat ook in tijden van een tsunami.

donderdag 13 december 2012

Filmbespreking: The Hobbit - An Unexpected Journey

Elf jaar geleden alweer (waar blijft de tijd) verscheen de eerste film van de The Lord of the Rings-trilogie in de bioscoop. Ik was sinds een paar jaar filmfanaat en volgde in filmtijdschriften alle ontwikkelingen en verslagen. Maar bovendien had ik mijn liefde voor het fantasygenre herontdekt omdat mijn jongste broer in zijn vakantie het boek van Tolkien had meegenomen en ik het voor het eerst sind mijn elfde in zijn geheel had gelezen. Sindsdien had ik serie na serie van andere schrijvers verslonden. Ik speelde zelfs al met het idee zelf een fantasyboek te schrijven (waar ik nu trouwens weer mee bezig ben nadat het tien jaar heeft stil gelegen). Het bijzondere van fantasyboeken vond ik hoe die je als lezer kunnen onderdompelen in een andere wereld, met eigen topografie (landkaarten voorin het boek zijn essentieel), eigen natuurwetten (magie is ook aan regels onderworpen) en eigen bijzondere wezens. Helaas hadden de fantasyfilms die ik had gezien niet dezelfde geloofwaardigheid als de boeken (zelfs de eerste Harry Potter viel eigenlijk wat tegen). Maar met The Fellowship of the Ring veranderde dat. Ik kan me de avond nog herinneren dat ik hem voor het eerst keek (ook omdat ik toen een ‘date’ had - zoiets maakt gebeurtenissen vaak nog wat helderder). Ik werd volledig in het verhaal getrokken. Vanaf de eerste beelden uit de proloog, tot de gemoedelijke gouw, het prachtige Rivendel. De film deed wat de boeken al deden: hij wekte verlangen op, wakkerde het vuur van binnen aan, voegde woorden en beelden aan mijn leven toe. Ik realiseerde me dat ik verlangde naar de wereld die ‘achter’ deze wereld ligt, een wereld waar alles, ook het kleinste, waardevol is en betekenis heeft, waar mysterie en heldendom hand in hand gaan, waar schoonheid wordt gevonden die het hart beroert. Ik heb die eerste film vijf keer in de bioscoop gezien. The Two Towers zes keer. En The Return of the King zeven keer. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Gelukkig waren er de ‘extended editions’ die de wereld van midden-aarde nog meer detail gaven.

Uiteindelijk hield het op, en sindsdien is er geen film geweest die hetzelfde of zelfs maar een vergelijkbaar effect op me heeft gehad. Je kunt je dus voorstellen dat ik enthousiast was van het nieuws dat regisseur Peter Jackson ook The Hobbit zou gaan verfilmen.
Misschien waren het mijn hooggespannen verwachtingen. Dat kan heel goed het geval zijn. In elk geval had The Hobbit - an unexpected journey niet hetzelfde effect op me als The Fellowship of the Ring dat had. Aan de andere kant is The Hobbit ook niet hetzelfde boek als The Lord of the Rings. Niet voor niets heb ik de laatste wel vier keer gelezen en de eerste niet. The Hobbit is vermakelijk, een verhaal geschreven voor kinderen, dat langzaam een meer mythisch karakter krijgt, maar mist de details en de grandeur van Tolkiens meesterwerk. In The Hobbit veranderen trollen in steen in het zonlicht, en vechten rotsreuzen met elkaar in de bergen. De elven zingen vrolijke liedjes, en Gollem speelt raadselspelletjes. De film bevindt zich tussen de twee boeken in. Aan de ene kant zijn veel van de grappen en grollen uit The Hobbit bewaard gebleven, en de wat meer onsamenhangend aandoende wereld (steenreuzen?), aan de andere kant zijn er doorkijkjes naar de grotere wereld zoals die in The Lord of the Rings was beschreven, en komen veel van dezelfde karakters opduiken, zelfs Frodo, Galadriel en Saruman. Ook zijdelings genoemde karakters uit The Hobbit krijgen een grotere rol, zodat een episch aandoend conflict kan ontstaan. De mix deed voor mij soms ongemakkelijk aan. Ook omdat er gekozen is om van dit boek drie films van elk drie uur te maken. Zelfs een Tolkienverslaafde als ik neigt ertoe dat iets te veel te vinden. Deze film had volgens mij prima twee uur kunnen duren (drie films van twee uur zouden ideaal zijn geweest, denk ik). Nu dacht ik een paar keer: “Oh nee, alweer de Wargs ...” Wat allemaal niet betekent dat ik het een slechte film vind. Ik zal hem zeker drie keer in de bioscoop kijken - meer dan de meeste andere films. Alleen geen vijf tot zeven keer zoals met zijn voorgangers. De wereld van midden-aarde blijft ook in de vorm van The Hobbit de moeite van een herhaald bezoek waard. Er zijn zoveel details, zo liefdevol weergegeven - ik zou graag eens in Rivendel willen verdwalen. De natuur van Nieuw-Zeeland draagt er natuurlijk ook aan bij. Verder zijn de dwergen fascinerende karakters, en Thorin Eikenschild is passend heldhaftig. De actiescenes zijn inventief, alhoewel soms wel lang uitgetrokken en (dit kan aan de veel besproken ‘high frame rate’ liggen) voelden soms onwerkelijk aan - bij het gevecht tegen de aardmannen voelde ik niet de spanning die ik volgens mij zou hebben moeten voelen (zoals later wel in een confrontatie tussen Thorin en een van zijn tegenstanders). De acteurs zijn erg goed. Martin Freeman kan erg goed een alledaags persoon spelen die wordt opgenomen in buitengewone omstandigheden, zoals in Sherlock, en hij is hier perfect als Bilbo. Ian McKellen is weer erg goed als Gandalf, en Andy Serkis keert terug als Gollem in een briljante, meeslepende scene. De dwergen zijn ook allemaal uniek, hoewel ze niet allemaal even goed zijn uitgewerkt als individuen, maar dat komt misschien in de vervolgfilms - wel genoot ik erg van de eerste scenes met de dwergen in Bilbo’s huis, inclusief hun hilarische en aangrijpende liederen (ik neurie de tweede daarvan al de hele dag). En ik vond de glimpen die ik opving van de draak Smaug wel naar meer smaken. Het grootste compliment dat ik de film kan geven, is dat mijn verbeelding werd geprikkeld en ik meer zin kreeg in het schrijven van mijn eigen verhaal. Dan heeft een film het goed gedaan, vind ik.

Voor wie het boek niet kent: deze film draait om Bilbo, de oom van Frodo uit de eerste film. Hij is een respectabele Hobbit, die niets liever doet dan op het bankje voor zijn huis zitten pijp te roken. Dan komt de tovenaar Gandalf langs, en hij verstoort de rust. Bilbo’s huis blijkt te zijn uitgekozen als ontmoetingsplaats voor een dertiental dwergen, ooit verdreven uit hun koninkrijk Erebor, en nu vastbesloten hun belangrijkste schat terug te winnen van de draak Smaug. En Bilbo blijkt uitgekozen om daar een rol in te spelen - die van inbreker. Hij protesteert aanvankelijk, maar in zijn hart blijkt toch een verlangen naar avontuur te schuilen (uit de Toek kant van zijn familie) en hij sluit zich bij de expeditie aan. Maar hij blijft twijfelen of hij wel zo’n goede inbreker is als Gandalf en de dwergen lijken te geloven. Het gezelschap trekt naar het oosten, maar hun reis blijkt niet zonder gevaren. Een boosaardige orkenaanvoerder heeft namelijk nog een appeltje te schillen met Thorin Eikenschild. Tovenaar Radagast de Bruine doet ondertussen een ontdekking in het Mirkwood die verstrekkende gevolgen zal hebben ...

Ook wat betreft de thematiek is er veel overlap tussen deze film en de eerdere trilogie - niet alleen klinkt Tolkiens duidelijke morele overtuiging in beide door, ze gaan ook nog eens allebei over een hobbit, of meerdere hobbits, die terechtkomen in een wereld die groter, mooier maar ook gevaarlijker is dan die ze tot dan toe kenden. En in die wereld blijken ze een rol te spelen die niet kon worden vervuld door de sterken, de machtigen of de rijken. Het is het verhaal van de overwinning van de zwakheid, waarin gewone daden van vriendelijkheid of naastenliefde de doorslag geven en de kleinste het is die niet door macht gecorrumpeerd wordt. Zelfs al is de ring in deze film niet het symbool van de macht die hij is in de latere films, het thema keert wel weer terug.
Een tweede thema is echter wel uniek, en dat heeft te maken met de reden waarom de hobbit in de grotere, mooiere en gevaarlijkere wereld terechtkomt. Bilbo is namelijk een heel andere persoon dan Frodo. Frodo leek te verlangen naar de wereld buiten de gouw (waarschijnlijk door zijn oom geinspireerd). Maar hij betreedt die wereld uiteindelijk niet uit eigen keuze. Hij wordt ertoe gedwongen. En zijn reis is al snel een belasting. “I wish the ring had never come to me”, verzucht hij al halverwege de eerste film. En tegen het eind van de derde film is hij murw, en heeft de dorre woestijn van Mordor zelfs zijn herinnering aan de gouw uitgewist. De reis die Frodo moet ondernemen is bittere noodzaak, en hij dreigt er aan ten onder te gaan, zelfs zijn identiteit te verliezen. Toch gaat hij, ook al kent hij niet de weg.
Bilbo is daarentegen zijn verlangen naar avontuur kwijtgeraakt. Ja, hij stamt af van de familie Toek met enkele illustere types in de lijn, maar hijzelf is respectabel geworden (de film-Bilbo is een oudere man dan de film-Frodo). Gandalf verwijt het hem: “Sinds wanneer is je voorraadkast en de gehaakte onderzetter belangrijker voor je geworden dan de wereld buiten de gouw?” Er is iets doodgegaan in Bilbo. Ook hij is zijn identiteit kwijtgeraakt. Niet door op reis te gaan, maar juist door niet op reis te gaan. Hij heeft zijn verlangen begraven, en zo lang genegeerd dat het er niet meer lijkt te zijn. Liever omgeeft hij zich met comfort, en mensen die de rust verstoren behandelt hij vriendelijk en wijst ze dan de deur. Hij is onaanraakbaar voor wilde dingen, schoonheid, vriendschap, waarheid. Zelfs zijn boeken en kaarten wekken zijn verlangen niet op, maar vervangen het alleen maar. Maar Gandalf -een vertegenwoordiger van de bovennatuurlijke wereld, van de goddelijke invloed in midden-aarde- laat het er niet bij. De dwergen dringen Bilbo’s leven binnen en gooien het danig in de war. Maar tegelijk roepen hun liederen en verhalen iets bij Bilbo wakker. Het duurt even voor het tot hem doordringt, en bijna is het te laat, maar hij verlaat uiteindelijk Hobbitstee uit eigen keuze. Hij wordt niet gedwongen, verre van (de meeste dwergen gokken dat hij thuis zal blijven). Hij wil zelf op avontuur (zoals hij roept als hij uit Hobbitstee vertrekt).
En ja, ook voor Bilbo is het avontuur gevaarlijk. Gandalf kan niet garanderen dat hij levend thuiskomt, en waarschuwt hem dat als hij terugkomt, hij niet meer dezelfde zal zijn. Thorin Eikenschild kan ook niet voor hem garant staan (en bovendien ondertekent hij een contract dat de dwergen vrijspreekt van verantwoordelijkheid in het geval van gruwelijke ontwikkelingen). Hij komt er ook achter dat hij het zonder comfort moet stellen (hij kan niet terug om een zakdoek te halen). En bovendien loopt hij tegen zijn eigen grenzen aan. Hij twijfelt aan zichzelf. Vooral als de dwergen ook niet veel vertrouwen in hem blijken te hebben. Wie is hij? Kan hij niet beter teruggaan? Dat is wat avontuur met mensen doet: het confronteert ze met de waarheid van de wereld - de concreetheid van een bergtop, de realiteit van een storm op zee, de werkelijkheid van een tijger. En in de confontatie daarmee ontdekt je de waarheid over jezelf. Wie is de werkelijke Bilbo? Is dat de aan comfort gehechte man van middelbare leeftijd, die het liefst alleen is, omringd door een leven dat hij geheel onder controle heeft? Of is Bilbo een man met een groot hart, die voor zijn vrienden op de bres springt, die met wijd open ogen geniet van Rivendel, die de waarheid durft te spreken over zichzelf en over anderen? Iemand die zelfs aan een wezen als Gollem genade durft te schenken?
En ja, ook Bilbo denkt terug aan de gouw. Maar zijn avontuur heeft niet, zoals bij Frodo, de herinnering aan het goede van de gouw doen vervagen. Het avontuur van Bilbo is geen lijden, maar leven. Het wist de herinnering aan het goede niet uit, want het is zelf goed (zoals het avontuur van Frodo een noodzakelijkheid was). Omdat het avontuur van Bilbo ook goed is, wordt het goede van de gouw niet minder, maar meer. Het krijgt de werkelijke plaats terug. Het was voor Bilbo een afgod geworden (een ‘klein verhaal’, iets waar hij zijn identiteit aan ontleende) en daardoor kon hij er niet werkelijk van genieten. Maar nu krijgt het gouwleven zijn werkelijke proporties terug. Hij kan er weer van genieten om wat het is in zichzelf en niet om de illusie van veiligheid die hem erdoor geboden wordt. En daardoor kan hij er ook tijdelijk afstand van nemen, om met zijn vrienden mee te gaan. Vrienden die niet een thuis hebben zoals hij, die het goede uit hun leven zijn kwijtgeraakt. Hij kan voor hen een offer brengen, zodat zij kunnen genieten van dat waar hij van geniet.
Kortom, waar Frodo door het lijden zijn leven kwijtraakte, vindt Bilbo door op avontuur te gaan zijn leven. Zijn hart begint weer te kloppen, zijn verlangens beginnen weer te branden. Hij is meer zichzelf dan toen hij in zijn eentje thuiszat.

Ik herken wel wat van Bilbo in mezelf. Ik heb ook het postuur en de liefde voor eten van een hobbit. Maar tegelijk wil ik het leven zien als een Groot Verhaal, en wil ik mijn verlangen naar schoonheid, waarheid en liefde levend houden. Ik wil het avontuur zoeken van het schrijven en van relaties, en metzelf niet in slaap laten sussen. En mocht dat wel gebeuren, dan hoop ik dat iemand als Gandalf langskomt en me herinnert aan wat ik bijna was kwijtgeraakt: mijn leven.

vrijdag 23 maart 2012

Gerechtigheid 1: waarom mensenrecht echt recht is

Bijna drie jaar geleden schreef ik voor een christelijke mensenrechtenorganisatie een serie overdenkingen over gerechtigheid - voor een deel gebaseerd op mijn boek 'Indrukwekkende Vrijheid'. Ze zijn toen gepubliceerd op het internet, maar ik kan ze niet zo snel terugvinden, daarom plaats ik ze de komende zes weken op mijn blog! Dit is het eerste deel.

“Het is niet eerlijk!”, riepen we als kinderen al als er een klasgenootje werd voorgetrokken. Dat de ander werd beloond voor iets dat hij niet verdiend had, of dat iemand die hetzelfde gedaan had als wij, vrijuit ging, ervoeren we als onrechtvaardig. Het voldeed niet aan de maatstaf, de rechte lijn, waarmee we bepaalden wat ons en anderen toekwam. We wisten kennelijk dat we ‘recht’ hadden op een bepaalde behandeling, net als ieder ander. Net zo maken we ons nu, jaren later, sterk voor de ‘rechten van de mens’. We geloven dat het ieder individu toekomt op een bepaalde manier behandeld te worden. We zijn ervan overtuigd dat ieder mens het recht heeft zelf zijn leven invulling te geven en zelf te kiezen voor een geloofsovertuiging of een politieke opinie of een manier van leven. We ervaren het als een kwaad als iemand als minderwaardig wordt behandeld om zijn afkomst, geslacht of seksuele geaardheid. Dat is verkeerd, krom, on-recht. Maar wat bepaalt wat ons als mensen ‘rechtens’ toekomt?

Zeggen dat iemand ergens ‘recht’ op heeft, is zeggen dat iemand een bepaalde waarde heeft, betekenis. Maar niets in het heelal heeft betekenis uit zichzelf: op de keper beschouwd bestaat alles uit atomen: waterstof, koolstof, zuurstof, protonen, neutronen, quarks, enzovoorts … Stof zijn we en tot stof zullen we terugkeren. Betekenis wordt altijd door iemand aan een voorwerp of persoon verleend. Zo kunnen wij betekenis verlenen aan een vloerkleed, bijvoorbeeld omdat het ons veel geld gekost heeft, of omdat het een erfstuk was van onze lieve oma. Daarom willen we dat het op een bepaalde manier behandeld wordt: we willen dat onze kinderen er niet met vieze schoenen over lopen en er niet zomaar chocolademelk over uitgieten. Net zo zijn onze kinderen (of onze ouders, afhankelijk van onze leeftijd) voor ons belangrijk, hebben ze voor ons betekenis. Daarom willen we dat ze het goed hebben en accepteren we het niet dat anderen ze als vuil behandelen.
Maar wie verleent betekenis aan onze medemens die niet ons familielid, onze vriend of onze stamgenoot is? Wie bepaalt dat het ‘recht’ is hem of haar op een bepaalde manier te behandelen? Het individu kan dat niet. Ik heb zelf bijvoorbeeld niets te maken met mensen in Noord-Korea. Ze hebben voor mij persoonlijk geen betekenis. Ik zou ze makkelijk kunnen negeren, hun lijden langs me heen laten gaan. De maatschappij kan het ook niet. Waarom zouden mensen buiten onze grenzen betekenis voor ons hebben? Het zijn vreemdelingen! De wetenschap kan het ook niet: die houdt zich alleen maar bezig met materie en energie, en die heeft geen betekenis die er niet door ons aan verleend wordt.

De enige basis voor de erkenning van universele ‘rechten van de mens’ is het erkennen van een persoon die alle mensen betekenis geeft. En dat is God. Mensen ontlenen hun betekenis aan het feit dat God ze geschapen heeft. God heeft ze gewild, God vindt ze belangrijk, God houdt van ze. Dus moeten wij ook houden van onze medemens, hoe ver weg ze ook leven, hoe anders ze ook zijn dan wij. Jakobus schrijft: ‘Met onze tong … vervloeken we mensen die God heeft geschapen als zijn evenbeeld … Dit kan toch niet goed zijn?’ (3:9,10). Alleen omdat we geloven dat ieder mens naar het beeld van God is geschapen, weten we dat we niemand mogen vervloeken, dat is: iemand het verlies van zijn waarde als beeld van God, als persoon, toewensen.

Dat we als mensen zijn geschapen naar het beeld van God (Genesis 1:26) heeft niets te maken met onze uiterlijke vorm, die meer overeenkomt met die van mensapen en Neandertalers, of ons denkvermogen, dat door verschillende dieren gedeeld wordt: apen, vogels en dolfijnen. Het betekent dat we vrij zijn, dat we net als God in staat zijn onze eigen keuzes te maken en verantwoordelijkheid te dragen voor de consequenties daarvan. God heeft ons zo bedoeld. Hij is het die gevangenen “vrijheid en voorspoed geeft” (Psalm 68:7). David noemt Hem meerdere malen “míjn bevrijder” (2 Samuel 22:2, o.a. Psalm 19:15). Overal waar God op Aarde aanwezig is, ervaren mensen vrijheid, want “waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid” (2 Korintiërs 3:17).
Verder wil God dat we leven: niet alleen dat we ademhalen, maar dat we invloed hebben op onze omgeving en daarop kunnen reageren, in plaats van door de omstandigheden buiten ons te worden bepaald. Vanaf het begin was het God die mensen tot leven bracht: “De adem van de Ontzagwekkende doet mij leven” (Job 33:4). Bij God is “de bron van het leven” (Psalm 36:10). Het is God die ons “leven en adem en al het andere schenkt” (Handelingen 17:25).
Gods doel met ons is bovendien dat we ons als individu onderscheiden van anderen, dat we als de persoon die we zijn een indruk achterlaten op de wereld. Het is zijn bedoeling dat wij “in luister verschijnen” (Kolossenzen 3:4). God wil ons “genade en glorie” schenken (Psalm 84:12).
Dit wil God voor ons, mensen: dat wij als personen volledig tot ons recht komen, dat we met volle overgave leven, dat we helemaal vrij zijn. God zoekt voor ons wat voor ons het beste is, dat ons het meest de mensen maakt zoals hij ons geschapen heeft. Dat is hetzelfde als zeggen dat Hij van ons houdt. Het is de liefde van God voor ons die ons betekenis geeft, die elk individu op aarde het recht geeft behandeld te worden als een vrij persoon. Omdat God van de ander houdt, is het juist, eerlijk, ‘recht’, dat ik ook van hem of haar houd. Dat betekent: dat ik voor hem of haar zoek wat voor hem of haar het beste is, waar hij of zij recht op heeft als beeld van God. Zelfs al is hij mijn vijand, of is zij anders dan ik. Wij zijn immers allemaal kinderen van onze Vader in de hemel (vgl. Matteus 5:45). Daarom is het onze verantwoordelijkheid als volgelingen van God de ander lief te hebben als onszelf (vgl. 22:39).

Kortom, als we echt hart hebben voor onze naaste, wie hij ook is, waar hij ook vandaan komt, wat hij ook gedaan heeft, als we echt het beste voor hem willen zoeken, moeten we op zoek gaan naar de liefde van God. Pas als we begrijpen hoeveel God van ons houdt, hoeveel hij voor ons heeft overgehad, hoeveel wij voor hem betekenen, kunnen we datzelfde gaan zoeken voor de ander. Johannes zei het al: we kunnen onze medemens alleen maar liefhebben “omdat God ons het eerst heeft liefgehad” (1 Johannes 4:19).

zondag 18 december 2011

Presteren is contraproductief 3 en slot: leven

Op mijn laptop staan niet veel spelletjes. Of eigenlijk maar een: een heel eenvoudige versie van het spelletje ‘pong’,een erg minimale variant op tennis of tafeltennis (vandaar de naam ‘pong’). In een tijd van heel gedetailleerde Playstation 3-spellen lijkt het niet veel, maar op een verloren moment in de trein blijkt het toch vrij verslavend. Toen ik het spelletje veel speelde, deed ik een interessante ontdekking. Ik zal die wel eens eerder op mijn blog hebben gedeeld, maar herhaling is niet altijd erg. Wat ik merkte, was namelijk dat ik heel lage scores haalde als ik probeerde mijn topscore te verbeteren. Als ik me erop focuste de stip bij de computer achter de lijn te laten verdwijnen, liet ik zelf de een na de andere door. Als ik mijn best deed om te winnen, dreigde ik te verliezen. En hoe gefrustreerder ik me daarover voelde, hoe lager mijn score. Als ik daarentegen gewoon speelde voor de lol, zonder op de score te letten, hield ik bijna alle stippen tegen en had de computer tegen mij geen kans. Als ik eenvoudig plezier beleefde aan het bewegen van het balkje en het reageren op de bewegingen van de andere partij, haalde ik de ene topscore na de andere. Hoe minder ik bezig was met het winnen, hoe vaker ik bleek te winnen.

Dit zette me aan het denken. Het verschil tussen winnen en verliezen is een oordeel. Wie wil winnen - of het nu is van de computer of van een menselijke tegenstander - wil laten zien dat hij of zij beter is dan de ander. Hij wil oordelen over zijn prestatie (en daarmee over zichzelf) aan de hand van de behaalde situatie. Als dat oordeel positief is, is hij blij. Is het oordeel negatief en heeft hij verloren, is hij verdrietig of boos. Het oordeel is namelijk nooit alleen over de situatie, maar ook over zichzelf: een winnaar is nu eenmaal beter dan een verliezer. Aan elke vorm van presteren is een dergelijk oordeel gebonden. Veel presteren is goed, weinig is slecht - en dus is degene die veel presteert goed en wie weinig doet slecht.
Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de beoordelingssystematiek (what’s in a name?) op kantoor - ik hoorde laatst van iemand die twee keer op rij een slechte beoordeling had gekregen en mede op basis daarvan was ontslagen. Er was een oordeel uitgesproken over haar functioneren. Maar ik weet helaas uit eigen ervaring dat je dit nooit alleen kunt zien als een oordeel over het werk dat je hebt verricht, maar dat je het ook ziet als oordeel over jezelf, als afwijzing. En dat je dit oordeel vervolgens met je meesleept naar je volgende baan.
Je kunt op twee manieren reageren. Je kunt gaan proberen jezelf uit alle kracht te bewijzen, meer werk op je nemen dan goed voor je is, en over je eigen grenzen heengaan om maar te presteren (dat leidt tot overspannenheid - ik heb deze route helaas te vaak genomen). Je kunt ook de handschoen in de ring gooien en iets gaan doen dat genoeg oplevert om de hypotheek te betalen, maar waar je talenten niet vrucht dragen, waar je niet je passie kunt uitleven. Waar je alleen je tijd uitzit. Dat was wat ik deed na mijn ontslag. Ik nam een plek aan beneden mijn niveau, omdat ik meende dat dit het enige was dat nog voor me open lag, het enige waar ik goed genoeg voor was. Het oordeel maakt ons onvrij - of we doen wat we niet willen of we doen niet wat we eigenlijk willen. En ik geloof niet dat het oordeel ons ooit vrij kan maken. Presteren, het moeten behalen van bepaalde resultaten, het moeten ontwikkelen van bepaalde competenties, is contraproductief.

Maar wat gold bij het computerspelletje ‘pong’, geldt misschien ook voor andere terreinen, misschien wel voor mijn hele leven, namelijk dat wat mij nu afhoudt van creatief bezig zijn, van relaties, van avonturen, nu juist het oordeel is. En dat als ik mijn oordeel laat varen, als ik niet langer probeer te presteren, en niet langer gericht ben op de resultaten, dat ik dan vrij ben om te gaan produceren. Als ik geniet van wat ik doe en maak, en mij openstel voor relaties, voor schoonheid en voor rechtvaardigheid, -anders gezegd: de dans van de drie-eenheid, of het Verhaal van God - ga ik datgene voortbrengen wat past bij de persoon die ik ben, dan ga ik veel vrucht dragen.
Dit is niet de eerste keer dat ik op mijn blog schrijf dat het niet gaat om de resultaten, maar om het proces van het leven zelf. De resultaten volgen uit het proces, zoals vruchten volgen uit het natuurlijke leven van de plant. Laat ik dicht bij mezelf blijven: op dit moment heb ik op mijn werk meer verantwoordelijkheid dan ik had bij mijn vorige baan op het moment dat ik ontslagen werd. Ik schrijf niet alleen meer artikelen dan ik toen deed, ik stuur freelancers aan, kort artikelen in, bedenk onderwerpen. Ik kies het beeld, verzin bijschriften, maar wijs ook stukken af. En dit alles tot grote tevredenheid van de lezers  (voor het laatste Tijdschrift voor Diergeneeskunde ontvingen we van een lezer een anderhalve pagina lange brief met complimenten, en een compliment van de voorzitter van de vereniging) en ook tot tevredenheid van mijn werkgever. De score bij mijn laatste beoordelingsgesprek was ‘excellent’ - ik kreeg er zelf een bonus bij als aanmoediging! Dit had ik nooit kunnen denken toen ik (nu iets meer dan zes jaar geleden) ontslagen werd.
Maar het geheim van mijn succes is niet dat ik mezelf heel hard onder druk ben gaan zetten. Het geheim is niet dat ik ging presteren (ik wilde juist op een minder hoog niveau gaan werken). Het geheim is ook niet de beoordelingssystematiek (die werkt op mij juist demotiverend -ook als ik excellent scoor -omdat ik mezelf al zo veel eisen opleg). Het geheim is dat ik de controle heb durven loslaten, een deel ervan ten minste. Een leidinggevende die in mij geloofde, hielp mij op weg - die leerde mij bijvoorbeeld me te richten op het proces en niet het resultaat. En ik heb geleerd om mezelf niet zo schuldig en slecht te voelen als ik een fout maak - “Laat het van je rug glijden”, zegt een collega regelmatig. En deze zomer wees iemand op kantoor me erop dat ik steeds bang was dat er iets verkeerd zou gaan, maar dat er nog geen tijdschrift is uitgekomen waarin een rubriek ontbrak, of bij een artikel geen foto was geplaatst. Diezelfde middag pakte ik een van onze tijdschriften, bladerde die door, en realiseerde me dat het eigenlijk gewoon een goed tijdschrift was. Ik was trots op het product dat ik had afgeleverd. En zelfs al zou er een keer een rubriek ontbreken in het tijdschrift - dan nog zou dat geen ramp zijn. Ik ben de afgelopen tijd mijn zelfbeeld minder gaan ontlenen aan mijn prestaties, ik ben minder over mezelf gaan oordelen (ik ben goed als ik perfect werk aflever, ik ben slecht als ik een steekje laat vallen), en ik ben meer gaan genieten van het werk zelf. En dat levert vruchten op.

Stoppen met oordelen op basis van je prestaties, de controle over de resultaten loslaten - dat lijkt allemaal heel contra-intuitief als een recept voor succes. Je zou denken dat je jezelf juist meer eisen zou moeten stellen, juist meer discipline zou moeten opleggen en strakkere regels zou moeten instellen - dat is onze neiging als we iets in ons of buiten ons willen veranderen. ‘Plausible power’, noemt een van mijn favoriete auteurs, Robert Farrar Capon, dat. Macht waarin we kunnen geloven. De kracht van de machthebbers van deze wereld, de instrumenten waarmee dictators hun wereld hun wil opleggen. De kracht van de rechterhand. Om dat los te laten en niet meer te geven om de resultaten, om je oordeel over jezelf niet meer te laten afhangen van wat je wel of niet produceert, om niet meer degene te willen zijn die de uitkomst controleert, dat gaat in tegen onze menselijke natuur, tegen ons verlangen de winnaar te willen zijn, de meeste en de sterkste. Het is niet plausibel.
Het opgeven van controle, de ‘macht van de linkerhand’, is wat Jezus bedoelt als hij het heeft over het sterven aan jezelf. “Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden” (Lukas 17:33). Hij bedoelt hier niet dat we onszelf moeten haten, of dat we beter dood zouden kunnen zijn. Hij bedoelt dat we de controle over ons leven en de uitkomsten ervan moeten opgeven. We moeten ons oordeel of we genoeg doen of niet genoeg loslaten, en ons zelfbeeld niet meer ontlenen aan de resultaten die we boeken. Omdat we nu eenmaal verslaafd zijn aan het oordelen (dat is de oerzonde: het willen zijn als God, het kunnen beslissen wat goed is en wat niet goed is), voelt dit als sterven.
Maar alleen als we op deze manier ‘dood’ zijn voor de zondige, menselijke manier van het leveren van resultaten, kunnen we het leven met eeuwigheidswaarde van God ontvangen. Dit is het leven dat Hij ons alleen uit eigen beweging kan geven, een vrije gave, een geschenk. Hij geeft ons een onverdeelde betekenis door zijn scheppende woord, hij geeft ons oneindige liefde omdat hij daarvoor kiest. Hij schenkt ons de schoonheid, de intimiteit en het avontuur die horen bij Zijn Verhaal. Hij geeft ‘aan iedereen leven en adem en al het andere’ (Handelingen 17:25). “Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven” (2 Petrus 1:3). God neemt ons uit zijn eigen initiatief op in de eeuwige dans van de drie-eenheid, een dans die vervolgens ook door ons tot expressie komt, en de wereld om ons heen verandert. Het enige dat wij hoeven doen is deze dynamische werkelijkheid, dit eeuwige leven, niet tegen te houden. Dat is het evangelie, het goede nieuws.
Het ‘sterven aan jezelf’ is dus niet een daad van zelfbeschadiging, van zelfhaat of zelfverachting. Het betekent ook niet dat je nooit meer een woord zegt, of nooit meer een initiatief neemt, dat je je eigen persoon volledig laat verdwijnen. Dat je kiest voor totale onvrijheid. Het is niet een actief dienen van het negatieve. Nee - het is juist het niet in de weg staan van het positieve. Het is de weg van de zwakheid, van jezelf openstellen, van durven ontvangen. Wie dood is, kan zelf niet meer zijn leven controleren. Hij kan het leven alleen door zich laten stromen. En is zo dus juist vrij om helemaal zichzelf te zijn, om te spreken, om initiatief te nemen, om lief te hebben, schoonheid te creeeren en voor gerechtigheid te strijden.
Lees de woorden van Robert Farrar Capon: “I want you to hold out your right hand, palm up, and imagine that someone is placing, one after another, all sorts of good gifts in it. Make the good things whatever you like - M & M’s, weekends in Acapulco, winnin the lottery, falling in love, having perfect children, being wise, talented, good looking and humble besides - anything. But nuw consider. There are two ways your hand can resond to those goods. It can respond to them as a live hand and try to clutch, to hold onto the single good that is in it in at any given moment - thus closing itself to all other possible goods; or it can respond as a dead hand - in which case it will simply lie there perpetually open to all the goods in the comings and the goings of their dance. When I talk about being dead, accordingly, I have in mind not the absence of interest in the dance of living, but the absence of clutching at our partners in the dance - not not-dancing, if you will, but not-trying-to-stop-the-dance. In a way, that is nothing more than gurus and spiritual advisers the world over have been saying for millennia. But it is also, I believe, quite specifically the way the Gospel invites us to live.” (Kingdom, Grace, Judgment).

De resultaten komen vanzelf, ons leven draagt vrucht, niet als we ons richten op de resultaten zelf, als we presteren, maar als we ons richten op “alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient.” (Filippenzen 4:8). Als we onze blik gericht houden op degene die “de weg, de waarheid en het leven” zelf is (Johannes 14:6), als we ons zien als karakters in ZIJN verhaal, zullen we over Hem enthousiast worden, dan zullen we op een andere manier willen gaan leven, dan zullen we anderen (dichtbij en ver weg) willen liefhebben, dan zullen we zinvolle relaties willen aangaan, dan zullen we kunst willen bewonderen en maken, en dan zullen we betekenisvolle avonturen willen beleven. Dan zullen we zijn vrucht dragen.
Bij de stresstraining op kantoor lukte het niet mijn hartslag in een mooi patroon te krijgen door mezelf daartoe te dwingen en te letten op het resultaat. In plaats daarvan bracht ik me een mooie herinnering te binnen, van de schoonheid van een snoek die ik van de zomer zag in een sloot, van zeeanemonen in een getijdepoel. Ik beleefde die momenten opnieuw, en beleefde ook opnieuw de verwondering over de onverwachte schoonheid van deze ontdekkingen. En prompt veranderde mijn hartslag, verdween de stress, en verscheen op het scherm een keurige curve. Het was een vrucht, geen prestatie.

zaterdag 2 april 2011

De nieuwe blik van Philip K. Dick

Hee, die titel rijmt! Maar het is niet alleen maar cheeky. In de films op basis van de verhalen van Philip K. Dick worden vaak de ogen van de hoofdpersonen geopend en zien ze hoe de wereld echt in elkaar steekt - de werkelijkheid achter hun waarneming. En die werkelijkheid blijkt vaak verontrustend: mensen zijn overgeleverd aan machten buiten hun eigen controle, en hun greep op hun eigen identiteit blijkt maar heel losjes.
Dit thema komt ook terug in de nieuwe film The Adjustment Bureau. Daar wilde ik een recensie over schrijven, maar ik was iets te duf om me erop te concentreren. Daarom ter inleiding maar een aangepaste en langere versie van een artikel dat eerder is verschenen in bijbelstudietijdschrift Bodem. Hopelijk kan ik zo mijn stuk over de nieuwe film wat korter houden.

Ik zei het al in mijn eerdere berichten: het uitgangspunt dat de pijl van de tijd van het verleden afloopt leidt tot een angstig, paranoide wereldbeeld. Een van de SF-schrijvers die dit het best zichtbaar heeft gemaakt is Philip K. Dick (1928 tot 1982). Zijn persoonlijke zoektocht naar betekenis vertaalde zich in aangrijpende, verontrustende verhalen, waarin de grens wordt opgezocht van onze identiteit. Veel van zijn boeken werden verfilmd - en hoewel de verhalen soms worden afgezwakt en er een hollywood ‘happy end’ aan wordt toegevoegd, blijft het wereldbeeld van Dick er nog goed in zichtbaar. De laatste honderd of tweehonderd jaar hebben wetenschap en techniek een hoge vlucht genomen. Opeens kunnen we waarnemen wat er zich afspeelt in de hersenen, kunnen we ingrijpen in het genetisch materiaal van de mens, en kunnen we materie tot op het atoom aan onze wil onderwerpen. Tegelijk heeft het theïstische wereldbeeld dat het grootste deel van de mensheid het grootste deel van haar geschiedenis voor waar hield, in het westen het grootste deel van haar invloed verloren. Het is vervangen door een materialistisch wereldbeeld, waarin  er niks is buiten de waarneembare wereld, of hooguit door een deïstisch geloof, dat wel een schepper poneert, maar stelt dat die zich op geen enkele manier meer bezighoudt met zijn creatie. Maar welke gevolgen hebben deze ontwikkelingen voor ons beeld van de menselijke persoon? In mijn artikeltjes van de laatste weken betoogde ik dat de materialistische visie op de werkelijkheid inhoudt dat alles wat gebeurt is te verklaren uit wat er gebeurd is. De pijl van de tijd beweegt zich van het verleden vandaan. Het universum is een klok die afloopt. Het bestaan, ons bestaan, heeft geen doel. De mens is een toevallig bijproduct van de bewegingen van de atomen in het universum, iets dat er net zo goed niet had kunnen zijn, en dat niet gemist zal worden als het onverhoopt verdwijnt. Zelfs als de mens zich op de korte termijn niet vernietigt is er geen hoop die werkelijk reden geeft om te leven. Op de lange termijn winnen de processen van verval, van entropie en van dood. Van het heelal blijft alleen een leegte over. In de totale geschiedenis van de tijd zal het bestaan van het leven minder zijn dan een vonkje, een microseconde, betekenisloos. Van alles wat we bereikt hebben zal niets overblijven. En ondertussen is onze vrije wil een illusie. We denken dat we keuzes kunnen maken, maar wat we kiezen is gedetermineerd door onze genetische samenstelling en de verbindingen tussen hersencellen. Wie onze hersenen zou kunnen meten, zou kunnen voorspellen wat we kiezen. Het is allemaal voor ons bepaald. We denken dat we in staat zijn de waarheid te kennen, maar de waarheid is er niet werkelijk. Onze hersenen kunnen ons voor de gek houden. Wat we denken dat de waarheid is, is alleen wat de evolutie heeft bepaald dat goed is voor onze overleving om over de werkelijkheid te denken. We denken bovendien dat we personen zijn met een eigen identiteit, maar ons ‘ik‘ is fragiel, het kan van ons worden afgenomen, het kan worden geredigeerd, gewijzigd.

Een van de bekendste verfilmingen va de boeken van Dick is Blade Runner, waarin een detective op zoek gaat naar een groep mensachtige robots. Zij zijn op Aarde op zoek naar hun maker: ze zijn namelijk gemaakt om zeven jaar te functioneren en die periode is nu bijna voorbij. De robots willen echter niet dood. Ze hebben nog dromen, idealen en verlangens, die ze niet willen kwijtraken. Ze willen niet dat hun identiteit wordt uitgewist. Het einde van de film suggereert dat ook de hoofdpersoon een robot is. Hij wist dat zelf niet - dus wat was zijn ware identiteit? Maar zelfs al was hij geen robot, in een opzicht kwam hij overeen met de wezens die hij opjoeg en was hij aan ze gelijk: ook mensen zijn eindig. We hebben net als de robots, maar één zekerheid, en dat is dat we zullen sterven. Na tachtig of negentig jaar in plaats van na vier of vijf jaar, maar dood is dood. Toch, als de mens een machine is, als onze persoonlijkheid iets mechanisch is, waarom blijven we ons dan toch met elke vezel in ons vastklampen aan het leven? Net als de robots in deze film dat doen?

De film Total Recall speelt met de vraag of we kunnen vertrouwen op ons geheugen. Een man heeft geen geld om een vakantie naar Mars te betalen, en kiest in plaats daarvan voor een valse herinnering. Maar terwijl die wordt aangebracht, komt een andere herinnering boven: namelijk dat hij als geheim agent op Mars heeft gewerkt. Vastbesloten om de waarheid te achterhalen, reist hij naar de rode planeet en verhindert daar een terroristische aanslag. Maar hoort dit niet gewoon bij de valse herinnering? In één van de spannendste scènes staat plotseling de vrouw van de hoofdpersoon op Mars. Volgens haar is er iets misgegaan met de procedure en is wat hij om zich heen ziet slechts een illusie. Wat moet hij doen? Wie heeft er gelijk? Ook onze herinneringen zijn gekleurd. We verlenen allemaal een eigen interpretatie aan wat we meemaken. Onze vrienden of vijanden zagen dezelfde gebeurtenissen in een totaal ander licht. Wiens verklaring komt overeen met de werkelijkheid? Of moeten we maar geloven dat onze visie de enige juiste is, en die van anderen negeren?

In de film Impostor wordt Spencer Olham gevangengenomen. Hij weet dat hij onschuldig is. Volgens de autoriteiten is hij echter een biologische bom, door de vijand gebouwd om in de beschermde samenleving te infiltreren. Hij wordt dan ook meedogenloos opgejaagd. Deze film moet het niet hebben van het spektakel of schitterende computereffecten, maar het verhaal is ijzersterk, net als de vragen die het oproept. Is wat we over onszelf geloven wel realiteit? Zijn we wie we denken dat we zijn? En als we daaraan twijfelen, wat is dan nog de betekenis van onze relaties? De hoofdpersoon leefde in de overtuiging dat hij een huis had, vrienden, en een vrouw, iemand van wie hij hield en die van hem hield. Maar al die zekerheden vallen nu weg. Zijn huis wordt ingenomen, zijn vrienden achtervolgen hem en zijn vrouw geeft hem aan bij de politie. Wanhopig probeert Spencer Olham te bewijzen dat hij is wie hij denkt dat hij is. Maar kan hij wel eerlijk zijn tegen zichzelf? Of sluit hij nog steeds zijn ogen voor de waarheid?

De titel van A Scanner Darkly verwijst naar 1 Korintiers 13:12: “Nu kijken we ... in een wazige spiegel.” Het gaat in deze film net als in het gedeelte uit de bijbel over de vraag of we onszelf wel kennen, en als we onszelf denken te kennen, of die kennis wel betrouwbaar is. Een narcotica-agent wordt op het spoor gezet van een beruchte drugsdealer. Maar hij doet een schokkende ontdekking: hij is het zelf! Onder invloed van bewustzijnsveranderende middelen doen mensen dingen die ze niet zouden doen als ze nuchter waren. Soms vertonen ze zelfs een totaal ander karakter. Naderhand weten ze er echter niets meer van. Maar van hoeveel wat wijzelf dagelijks denken en doen, zijn we ons werkelijk bewust? Hoeveel van onze werkelijke overtuigingen en motivaties houden wij achter voor onszelf? En als we onszelf niet helemaal kunnen kennen, hoe belangrijk is dan nog onze bewuste persoonlijkheid? De manier waarop deze film gemaakt is – tekeningen die gemaakt zijn over de opnames van de acteurs heen – draagt bij aan het gevoel van vervreemding.

In de toekomst die wordt getoond in Minority Report zijn er mensen die de toekomst kunnen waarnemen. De politie maakt van hen gebruik om criminelen te arresteren voor ze hun misdaad hebben kunnen plegen. Alles gaat goed, tot de naam van de belangrijkste agent uit het systeem komt rollen. Maar hij is helemaal niet van plan iemand te vermoorden! Dus slaat hij op de vlucht. Hoe dichter hij bij de voorspelde tijd komt, hoe groter zijn onzekerheid. Heeft hij zelf ook maar enige invloed op zijn toekomst? Of ligt alles wat hij zal zeggen en doen al van tevoren vast? Wordt hij door zijn omstandigheden en zijn psychologie gedwongen te doen wat hij doet? Is zijn gevoel van controle daarom niet meer dan een illusie? Een andere lijn in het verhaal onderstreept dit thema. Overal bevinden zich namelijk camera’s die het netvlies scannen van voorbijgangers. Aan de hand daarvan verschijnen op de billboards aangepaste reclames: de computers voorspellen wat ieders voorkeuren zijn en welke producten ze zullen kiezen. Iemands identiteit is te berekenen. Wie wil ontsnappen aan het systeem heeft (letterlijk) nieuwe ogen nodig.

Wat we van onze werkelijkheid kunnen waarnemen, de kennis uit de wetenschap en techniek, geeft ons weinig reden onszelf te beschouwen als betekenisvolle personen. We hebben geen basis om te geloven dat we zinvolle keuzes kunnen maken en verantwoordelijkheid kunnen dragen voor onze bestemming. Het beeld dat Philip K. Dick schetst in zijn verhalen, komt overeen met de boodschap van de bijbel. De mens die zich van God heeft afgekeerd, die zichzelf heeft bevorderd tot de enige maatstaf van moraliteit, waarheid en betekenis, wordt in Spreuken beschouwd als een ‘dwaas’. Paulus spreekt over een ‘rampzalig mens’, die zolang hij aan zichzelf is overgelaten, gevangen is in een ‘bestaan ten dode’ (Romeinen 7:24, Willibrordvertaling). De enige manier om aan deze impasse te ontsnappen, is onszelf te zien als personen, gemaakt naar Gods gelijkenis, met wie Hij een relatie wil aangaan van wederzijdse liefde. De enige reden voor werkelijke hoop is te zien dat het bestaan, de werkelijkheid, een doel heeft, een toekomst, die God heeft beloofd, en waar wij aan mogen meewerken. De pijl van de tijd wijst ergens naartoe. Deze waarheid is er echter niet een die we kunnen zien met onze lichamelijke ogen. We moeten erop vertrouwen. De enige manier om haar waar te nemen is met de ogen van het geloof.