Posts tonen met het label identiteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label identiteit. Alle posts tonen

vrijdag 16 oktober 2015

Gedicht: Herfstblad

Herfstblad

Niet langer eentonig groen
de bomen. Verval kleurt elk
blad anders, zet hem apart
van het geheel. De nerven
geel of rood. Gatenpatroon
uniek. Ik zie voor het eerst
hun eigenheid. Nu niet meer
verenigd in hun succes.
Bijzonder kwetsbaar. Even
vlammen ze op, in verzet
tegen de dood. Als toortsen
brandend tegen grauwe lucht,
hun wezen onderstreept door
vergankelijkheid. En straks
gelijk in bruine aarde,
identieke takken, zwart,
maanden onveranderlijk.
Totdat het weer lente wordt.

woensdag 17 december 2014

Filmbespreking: Anastasia

De laatste jaren ben ik me gaan verdiepen in de Russische literatuur. Niet dat je daar teveel van moet voorstellen. In Oorlog en Vrede kwam ik maar tot de helft. Gelukkig bleek daar een film van te zijn gemaakt, met Audrey Hepburn in een van de hoofdrollen, en die was ook onderhoudend. Net als de verfilming van Anna Karenina niet lang geleden. Deze boeken en films hebben iets fascinerends. En ik ben volgen mij niet de enige die dat voelt (anders zouden de films niet gemaakt worden natuurlijk). Een van de redenen is natuurlijk dat het gaat om briljante auteurs. Maar waarom zijn zoveel schrijvers uit Rusland zo groot geworden, maar lezen we geen Indiase of Chinese schrijvers uit dezelfde tijd? Dat komt volgens mij omdat Rusland een unieke plek inneemt in de verbeelding. Het is namelijk bekend en vreemd tegelijk. Terwijl India en China vooral vreemd zijn, met onbegrijpelijke rituelen en gewoontes. Chinese mensen staan veel dichter op elkaar in een rij dan wij. Dat schept afstand. En natuurlijk is het goed om die afstand te overbruggen, maar dat kost wel moeite. Rusland daarentegen was sinds de opkomst van de Tsaren op Europa gericht. Liet Peter de Grote zich niet in Nederland scholen in de scheepsbouw? Hoewel hun land heel Azië bestreek, vormden ze hun cultuur naar die van ons. Ze reden in paard en wagen (of arrenslee), hielden soirees en bals, lazen dezelfde boeken. Zelfs hun uiterlijk verschilt niet veel van ons. Als we over hen lezen, zijn er veel symbolen die we begrijpen en wegwijzers die ons het verhaal binnen voeren. Maar die zijn er voor bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Canada ook. En toch zijn daar minder schrijvers die voor ons op dezelfde hoogte kunnen staan als de Russen. Daar komt het aspect van de vreemdheid om de hoek kijken. De Amerikanen ‘zijn’ ons, richten hun leven in op basis van dezelfde waarden, hebben dezelfde prioriteiten. De Russen zijn geen Europeanen. Nooit geweest. Ze hebben de vormen van hun cultuur op de onze doen lijken, maar daaronder schuilt iets dat aantrekkelijk anders is. Iets dat we niet direct begrijpen, iets dat ons uitdaagt, waar we van terugdeinzen, of dat ons inspireert. De Amerikaanse cultuur is ook wel anders, maar dat is er een van individualisme en kapitalisme. De Russische cultuur is er een van mystiek. Voor de Russen zijn er zaken belangrijker dan het individu, al was het alleen maar ‘moedertje Rusland’. Maar vaker nog is het een ideaal (dat van het communisme), of het geloof (de voor ons mystiek aandoende orthodoxe kerk). Er lijkt voor de Russen een diep gevoel te bestaan dat ze leven in een werkelijkheid die hun individualiteit overstijgt. Misschien komt het omdat hun land zo groot is dat de grenzen ervan niet te bevatten zijn? Of dat het weer zo koud kan zijn? Dit maakt in elk geval dat ze geen kille rationalisten kunnen zijn (zelfs niet wie zich wel als rationeel presenteert, bijvoorbeeld in de boeken van Dostoyevsky), maar dat ze hun leven laten leiden door die henzelf overstijgende realiteit. En voor ons, westerlingen, die leven in overzichtelijke ingepolderde landjes, waar alles begrijpelijke proporties heeft, maakt dit van Rusland als vanzelf een sprookjesland. Het geeft aan de Russische verhalen een glans van vreemdheid, die we niet werkelijk kunnen begrijpen, waardoor er voor ons onvoorspelbare dingen in kunnen gebeuren. De kus van de grootinquisiteur, bijvoorbeeld, wonderen, opofferingen, grote gebaren in naam van een ideaal, en ook: grote woorden over God die niet pretentieus aanvoelen. Ik weet niet of ik in het Rusland van Dostoyevsky of Tolstoy zou willen wonen, ik weet wel dat ik erover wil lezen.

Dit alles verklaart waarom je als kijker niet met de ogen knippert als Anastasia in de gelijknamige animatiefilm de ogen opslaat ten hemel en roept: ‘Geef me een teken.’ Dit is Rusland. Deze animatiefilm van Don Bluth bevat zowel het vertrouwde Europese van Rusland, met auto’s, balzalen, etiquette, treinstations et cetera, als het vreemde: de tovenaar Raspoetin, revoluties, grandeur, en andere sprookjesachtige elementen. Het filmhoesje doet misschien vermoeden dat het gaat om een Disneyfilm, maar wie dat verwacht, komt bedrogen uit. De tekeningen zijn anders dan die in Disneyfilms, schokkeriger en hoekiger, terwijl bijvoorbeeld bosdiertjes weer een stap terug zijn in kinderlijkheid. Maar deze animatiestudio had nu eenmaal minder budget ter beschikking dan de Disneyfilms. De film houdt zich ook minder aan het Disneyrecept voor animatiefilms. De schurk is duivelser dan die in Disneyfilms, en de beelden zijn soms gruwelijker. En omdat de hoofdpersonen ouder zijn dan de gemiddelde Disneyhelden (of in elk geval als ouder worden geanimeerd) sluipen er ook meer verwijzingen binnen naar flirten en seks. De aanwezigheid van pratende diertjes als ‘side kicks’ maakt het echter moeilijker de film als tiener- of volwassen film te zien (dezelfde studio deed dat later veel beter met Titan AE). Wel is de film prachtig gemaakt, waarbij computerbeelden heel aardig met de tekeningen zijn verweven, zodat er prachtige achtergronden op het doek zijn getoverd. Van treinongelukken tot talloze dansers, tot tot leven gekomen standbeelden. En in een tijd waarin Disney zijn heldinnen nog door een man liet redden, hoe levenslustig en assertief ze ook waren (denk aan Ariel), is de hoofdpersoon van deze film geen ‘damsel in distress’, maar is zij het die de slechterik confronteert als de mannelijke held is uitgeschakeld. Wij kennen ondertussen Katniss Everdeen natuurlijk, dus voor ons is het niet nieuw meer, maar ik zou graag meer van dit type verhalen zien.

Het verhaal begint aan het hof van Tsaar Nicolaas, aan het begin van de 20ste eeuw. Hij heeft de valse monnik Raspoetin tegen zich in het harnas gejaagd, en de man spreekt een duivelse vloek uit: hij voorspelt het einde van alle Romanovs. Niet veel later breekt inderdaad de revolutie uit. Het paleis wordt bestormd, en alleen de moeder van de Tsaar weet te ontkomen. Op haar vlucht raakte ze gescheiden van Anastasia, de dochter van de Tsaar en haar kleindochter. Aangekomen in Parijs  looft ze een beloning uit voor wie haar kan herenigen met haar dochter. Maar de enigen die ze ziet zijn fraudeurs, die een meisje van de straat plukken, die laten praten als een prinses, en doen alsof het gaat om Anastasia. De oude vrouw prikt altijd feilloos door de praatjes van de ‘con artists’ heen. Na tien jaar geeft ze de moed op. Blijven hopen doet te veel pijn. Juist dan is Dimitri op weg naar Parijs. Hij heeft zijn zinnen gezet op het niet onaanzienlijke geldbedrag, en heeft een meisje gevonden dat heel goed zou kunnen doen alsof ze de verdwenen prinses is. Deze Anya weet zelf niet wat haar afkomst is, want ze is alles kwijt wat voor haar achtste gebeurd is. Misschien zouden ze elkaar wel eens kunnen helpen … Hun reis wordt echter vanuit het dodenrijk nauwlettend in de gaten gehouden door de geest van Raspoetin, die vastbesloten lijkt de ontmoeting tussen Anya en de moeder van de Tsaar te verhinderen.

Ik wil hier niet schrijven over de ontwikkeling van Dimitri, die begint als iemand die het met de wet niet zo nauw vindt, en dan opeens verliefd wordt op Anya. Maar hij leert dat echte liefde nog een stap verder gaat. Natuurlijk, net als in de Disneyfilms wordt hier de ‘liefde op het eerste gezicht’ verheerlijkt, maar waar in Disneyfilms die liefde vaak niet verder wordt bevraagd, ontdekt de hoofdpersoon hier tijdens de reis dat zijn egoïstische verliefdheid overgaat in echte liefde. En echte liefde is bereid afstand te doen van eigen gewin, en moed te tonen, ook als het betekent dat je afscheid moet nemen van de geliefde. Of in elk geval de keus bij de geliefde neer te leggen. Deze vertoning van nederigheid is echte liefde, en een stuk volwassener dan veel Disneyhelden zouden kunnen zijn.
Maar waar ik tijdens het kijken van de film vooral door werd gegrepen was het verhaal van Anya, oftewel Anastasia. Vanaf het begin van de film bestaat er namelijk geen enkele twijfel over dat het weesmeisje in werkelijkheid de prinses is. De spanning van de film bestaat daarom niet uit de vraag wat haar identiteit is, maar of ze er wel achter zal komen wat haar identiteit is (een behoorlijk verschil). Als kijker zien we iemand die door omstandigheden buiten haar eigen toedoen het leven dat bij haar hoorde is kwijtgeraakt. Hoewel ze een prinses was, is ze opgevoed in een nogal onguur ogend weeshuis, en is haar hoogste ideaal een baan in een visfabriek. We hebben intuïtief het gevoel dat in deze situatie iets niet klopt. We zien ook nog eens de slechte machten die haar in onwetendheid willen laten, en als dat niet zou lukken, haar willen doden voor ze ontdekt wie ze is. En dus is onze hoop als kijker, dat de onrechtvaardigheid dat haar werkelijke identiteit haar is ontstolen, ongedaan zal worden gemaakt. Daaruit bestaat het gelukkige einde, de eucatastrofe.
Ik moest hierbij denken aan het bekende citaat van G.K. Chesterton: ‘We ondervinden allemaal dezelfde mentale rampspoed. We zijn allemaal vergeten wie we werkelijk zijn’ (Orthodoxie). De tragiek van ons verhaal is niet zozeer dat we ophielden geliefde kinderen van God te zijn, of dat we niet langer beelddrager van God waren. De tragiek is dat we zelf niet langer wisten of geloofden wie we werkelijk zijn. We raakten onze werkelijke identiteit kwijt, de identiteit van het schepsel van God, dat hij had gemaakt om in eeuwige gemeenschap met hem te leven, aan hem gelijk in onze mogelijkheid God, elkaar en de schepping lief te hebben. Onze identiteit van zijn geliefden, die hij hun zonden niet aanrekent, maar kwijtscheld, en die altijd toegang hebben tot de troon van zijn genade. Onze identiteit van scheppers (met kleine s) onder de Schepper, die zijn schepping tot bloei zouden brengen. En omdat we ons niet meer van die identiteit bewust waren, leefden we een minder leven: het leven van opstandige, alleen bezig met ons eigen gewin, zelfs al is het ten koste van de ander of de schepping; het leven van tijdelijke creaturen bezig met tijdelijke beslommeringen: geld, seks en macht. En luide stemmen in onze omgeving houden ons voor dat dit onze identiteit is. Stemmen als die van de vrouw van het weeshuis, die Anya voorhoudt dat ze nooit iets anders kan zijn dan een fabrieksarbeidster. Stemmen als die van het bureaucratische systeem van Sovjet Rusland, die haar zonder visum niet laten gaan: je bent deel van het systeem, niet meer. En stemmen als die van de demonische Raspoetin, die uit boosheid om zijn eigen lot, haar wil zien lijden. Dat is wat de demonische machten immers doen: ons voorliegen dat we minder zijn dan we zijn, dat we geen hoop mogen hebben ooit geliefd te zijn, dat we op onszelf zijn aangewezen, zonder gemeenschap te kunnen ervaren. Dit is onze mentale rampspoed.
Maar er is een andere macht in onze wereld, die ons niet in onze verloren toestand laat. De stem die op meerdere manieren tot ons spreekt: in schoonheid, in de stem van ons geweten, in het bestaan van liefde. In ons verlangen, onze ‘sehnsucht’, ‘Joy’, in de benaming van Lewis. Dit wordt gesymboliseerd in de hanger van Anya, met de woorden ‘Together in Paris’. Lewis wijst erop dat het aanwezig zijn van een sleutel aangeeft dat er een slot moet bestaan. Dat als we in ons een verlangen opmerken dat niet op Aarde vervuld kan worden, dit wijst op het bestaan van een hemelse vervulling. Door deze sleutel weet Anya dat het leven meer moet zijn dan ploeteren in fabrieken voor de staat. Dat het leven betekenis moet hebben. En daardoor gaat ze daarnaar op zoek. En in die zoektocht wordt ze geleid door een bovennatuurlijke macht. Anders dan die van Raspoetin, die via demonen rechtstreeks ingrijpt om haar tegen te houden. Als Anya roept om een teken, lijkt het alsof ze geen antwoord krijgt. Een zwerfhondje, Pooka, duikt op en probeert met haar te spelen. Ze wil hem eerst bij zich wegjagen, omdat ze ingespannen op een teken aan het wachten is. Maar dan dringt het tot haar door: het hondje is zelf het teken! Onbeduidend, onopvallend. Zo is ook de aanwezigheid van God in de wereld. ‘Left handed power’, noemt Robert Farrar Capon dat: geen rechtstreeks ingrijpen, maar vrij laten. De enige zekerheid die deze macht heeft, is dat de wil van de geliefde niet wordt beschadigd. Anya is steeds vrij om niet naar God te luisteren, om te luisteren naar haar dromen die haar afsnijdroutes beloven (die dodelijk zouden aflopen). Maar hoe vaak het ook slecht dreigt af te lopen, Pooka geeft niet op. Het hondje is werkelijk de held van de film, zie je als je oplet. Het hondje is het teken dat haar naar St. Petersburg leidt, het waarschuwt meerdere malen voor gevaar, het maakt Dimitri wakker, zodat die haar kan redden, en leidt haar in een doolhof tot de eindconfrontatie. Een hondje dat zo’n grote rol speelt? Dat in feite verantwoordelijk is voor de goede afloop? Ik zie dat als de onopvallende hand van God in onze geschiedenis. God die tot ons fluistert, die ons kansen geeft om te ontdekken wie we van eeuwigheid af zijn.
En uiteindelijk gaat Anya zich herinneren wie ze is. Hoe gebeurt dat? Door te gaan handelen als prinses, door de jurken te dragen, te leren dansen, te leren spreken als prinses. Dan komen de herinneringen boven. En zo kan ze uiteindelijk haar identiteit claimen, in contact met haar grootmoeder. Zodat het met ons volgens mij ook: zelfs al geloven we het zelf nog maar nauwelijks, denken we dat we geen liefde waard zijn, dat we zondig zijn, dat we maar ‘vleesmachines’ zijn - als we gaan leven alsof we Gods kinderen zijn, die hij onvoorwaardelijk liefheeft en hij in hun unieke identiteit en waardigheid wil brengen, zullen we het uiteindelijk ook gaan geloven. Als we de andere mensen om ons heen, en de schepping, gaan behandelen op een manier die past bij beelddragers van God, zullen ze ook werkelijk beelddragers van God voor ons gaan worden. Leven uit je nieuwe identiteit, noemen predikers dit. Maar dan moet je niet zien als bijbelteksten uit je hoofd leren en saai naar kerkdiensten gaan, maar juist liefhebben: God, je naaste en jezelf, genieten van de overvloed van goedheid en die beschermen, koesteren en tot groei brengen. Leven als geliefde, zelfs als je het nog niet helemaal gelooft. En hoe meer je dat doet, leeft in het koninkrijk van God, hoe werkelijker het voor je wordt. Dit is leven in geloof. En uiteindelijk zullen we, net al Anya, thuiskomen en onze verloren familie, onze vader, in de ogen kijken en eindelijk weten wie we zijn. We zullen allemaal onze nieuwe naam horen, een naam die niemand kent dan God en degene die de naam ontvangt, dat belooft Openbaringen. Het is een ‘happy end’ en deze film herinnerde me daar krachtig aan.

zondag 29 juni 2014

Filmbespreking: The Double

Al een paar jaar houd ik me graag bezig met de persoonlijkheidstypetheorie, met name die gebaseerd op Jung, de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI). Anderen geven de voorkeur aan de ‘big five’, omdat er meer wetenschappelijke ondersteuning voor zou gaan, weer anderen vinden MBTI de ‘astrologie voor hoog opgeleiden’. Natuurlijk is ieder mens verschillend en schiet elk netwerk dat je over de menige probeert te leggen tekort. Niemand is volledig een bepaald persoonlijkheidstype, en een persoonlijkheidstype kan niet iemands hele identiteit beschrijven. Een individu is niet zijn ‘persoonlijkheidstype’. Maar een persoonlijkheidstypetheorie en de beschrijvingen die erbij horen, kunnen wel dienen als metafoor om te praten over jezelf, hoe je informatie verwerkt en keuzes maakt, en op welke manieren je verschilt van je omgeving (of mensen in je omgeving van jou). Mij heeft de MBTI in elk geval geholpen bij mijn zelfacceptatie (ik ben niet de enige die Introvert is, Intuitief, Gevoelskeuzes maakt (Feeling) en processen graag afsluit (Judging)). Dit systeem hielp me ook bij het begrijpen dat anderen niet hetzelfde op situaties reageren als ik (bijvoorbeeld omdat ze Extrovert zijn, graag Concreet bezig zijn (Sensing), rationeel blijven (Thinking), en graag open eindes open houden (Perceiving)).
Deze filmbespreking heeft niet tot doel je over te halen ook MBTI te gaan toepassen. Al was het alleen maar omdat Dostoyevsky in de negentiende eeuw natuurlijk niet had gehoord van de MBTI, en deze film is op een van zijn novelles gebaseerd. Maar een aspect van de MBTI hielp me wel de film beter te begrijpen. En dat is het fenomeen van de ‘verborgen persoonlijkheid’ of de 'schaduw', die tevoorschijn komt onder stress. De MBTI postuleert namelijk een rangorde van ‘functies’ die we bij voorkeur gebruiken. Ikzelf gebruik bijvoorbeeld graag als eerste Introverted Intuition - mijn intuitie, die naar binnen is gericht, en bezig is met het vormen van een netwerk van associaties. Op de tweede plek komt de Extroverted Feeling,  mijn waarden die ik afmeet aan de omgeving, dus hoe reageren anderen op wat ik zeg, hoe voelen anderen zich in een situatie? Dan volgt Introverted Thinking - die zich bezig houdt met ordening en logische argumenten - de derde functie, dus die is minder belangrijk voor me. De vierde functie is zelfs bijna geheel onbewust: de Extroverted Sensing - mijn gerichtheid op het waarnemen van mijn omgeving, het bezig zijn met concrete resultaten.
Wat gebeurt er nu ten tijde van stress? Dan word ik verleid om mijn vierde functie tot mijn primaire functie te maken. Ik word verleid om me te laten leiden door Extroverted Sensing, het behalen van resultaten, mijn eigenwaarde te laten afhangen van mijn prestaties en me te vergelijken met de concrete verworvenheden van anderen. En dan het denken, dan mijn waarden en als laatste mijn intuïtie. Dit is de functievolgorde van de ESTP - het totale tegenovergestelde van de INFJ die ik ben in normalen doen. Het duidelijkst werd deze ‘verborgen persoonlijkheid’ voor mij in de periode voor mijn overspannenheid, toen ik dacht dat ik elke dag een bepaald aantal hoofdstukken uit de bijbel moest lezen en anderen moest overtroeven met mijn Bijbelkennis. Ik dacht dat ik mijn plek moest verwerven als Bijbelleraar en dat mijn waarde afhing van het concrete resultaat van het schrijven van boeken en artikelen. Ik was zelfs bereid kritiek te hebben op anderen en ze af te wijzen als dat mij verder zou helpen. En ik luisterde niet naar mijn intuïtie, die op de achtergrond fluisterde dat het niet kon kloppen wat ik geloofde, maar vormde steeds complexere theorieën om mijn eigen gelijk te kunnen houden.
Even terzijde: ik weet van iemand die zich identificeert met het ENFP-type (extravert, levenslustig, spontaan, vol ideeën), dat die zich in periodes van stress liet verleiden tot een leven als ISTJ (stil, teruggetrokken, zich aan de regeltjes houdend, braaf). En een ESTP die zich vertoont als INFJ en allerlei vergezochte theorieën spuit, en zichzelf slimmer vindt dan Einstein. Let wel: het gaat om ‘valse vormen’ van deze persoonlijkheidstypen. Er is niks mis met een ESTP, maar wel iets met een INFJ die zich als ESTP gedraagt. Ik werd er doodmoe van, ongelukkig en uiteindelijk overspannen. Maar ik wist niet wat ik anders kon, dit was namelijk de enige manier die ik kende om met de situatie om te gaan waarin ik me bevond. Ik zag geen uitweg.

Dat was waarom ik zo geraakt werd door de film The Double, die heel scherp in beeld brengt hoe de ‘verborgen persoonlijkheid’ of 'schaduw' zich manifesteert, hoe we door daaraan toe te geven uiteindelijk verder weg van huis raken, en wat de weg uit deze gebondenheid is - een weg die ik ook heb doorgemaakt. Een weg van dood en opstanding, in plaats van harder werken. De hoofdpersoon van deze film is Simon James, een bescheiden jonge man met een saaie, beperkende kantoorbaan, die verliefde is op het meisje bij de kopieerafdeling, maar haar niet mee uit durft te vragen. Op een dag komt er een nieuwe werknemer op het kantoor, ene James Simon, die er precies uitziet als Simon. Maar niet verlegen is. Hij maakt zich geliefd bij de directeur (die eerst niet eens wist dat Simon voor hem werkte) en begint zelfs te daten met het meisje op wie Simon een oogje had. Simons leven wordt door deze James overgenomen, tot hij zelf eigenlijk maar beter niet kan bestaan. Het lijkt alsof hij onherroepelijk de kant op wordt gedreven van zelfmoord.

Deze korte omschrijving maakt al wel duidelijk: dit is stevige kost. Op sommige websites wordt de film geschaard onder ‘komedie’, maar dat is echt niet de juiste kwalificatie. Wat deze film wel is, is een geslaagde verfilming van Dostoyevsky. Ik heb de oorspronkelijke novelle niet gelezen, maar wel Crime and Punishment - en de sfeer van deze film was precies die van dat boek: dezelfde combinatie van een uitvergrootte grimmige omgeving, die de innerlijke wereld van de hoofdpersoon weerkaatste, het licht koortsachtige gevoel dat van elke pagina afdroop, en de wrange humoristische situaties en terzijdes, die het gevoel van onbehagen niet opheffen maar juist versterken. Ik heb bij het lezen van Dostoyevsky nooit het idee dat het Rusland dat hij beschrijft overeenkomt met hoe Rusland werkelijk was - maar wel dat het iets uitdrukt over hoe hij Rusland ervaart. De man was voor het vuurpeloton weggeroepen met genade op het laatste moment - geen wonder dat hij het leven door een wat absurdistische bril beziet. De wereld in deze film is een grimmige uitvergroting, vol schaduwen en spiegelbeelden (thematisch terecht), met daarin goed acterende hoofdpersonen (inclusief Wallace Shawn, bekend uit The Princess Bride). Bizarre Japanse popmuziek (wat weer toevoegt aan de eigenheid van de gefilmde wereld), en Kafkaiaanse bureaucratie (maar ook Dostoyevsky was niet zo van de bureaucratie). Ik kwam in elk geval enthousiast pratend en filosoferend de bioscoopzaal uit, wat voor mij altijd een goed teken is! Ik kan de film van harte aanbevelen, maar wees wel voorbereid op een aangrijpende filmervaring.

De film begint als Simon in de metro wordt aangesproken door iemand van wie we het gezicht niet zien. Hij zegt: ‘Je zit op mijn plek’, maar er is verder niemand. Toch maakt Simon plaats. We zien zijn gezicht half in de schaduw zodat alleen zijn ene oog zichtbaar is. Hij beweegt zijn hand voor zijn gezicht langs, en we zien alleen zijn andere oog. En met dat oog ziet hij zijn collega Hannah, het meisje op wie hij al een tijdje een oogje heeft. Eigenlijk maakt deze eerste scene de verbinding duidelijk met de ‘verborgen persoonlijkheid’ zoals ik die ken uit de MBTI - dit is een persoon met twee kanten. Dat wordt overigens ook al gesuggereerd door de Bijbelse connotaties van zijn naam. Simon was de eerste discipel die Jezus erkende in zijn identiteit als de messias, maar tegelijk was hij degene die Jezus verloochende. Hij stapte de boot uit op grond van geloof, maar zonk in de zee toen hij om zich heen keek.
Simon zelf lijkt heel veel op een INFJ. Maar hij leeft in een wereld die voor gevoelige, intuïtieve mensen geen veilige plaats is, een wereld die hun sterke kanten niet waardeert en hen tot status van onzichtbaren degradeert. Zijn eigen moeder lijkt hem te minachten. En hierdoor is Simon ook negatief over zichzelf gaan denken. Hij kijkt van buiten naar zichzelf, en dan ziet hij niets van waarde, alsof hij alleen maar ruimte in beslag neemt. Hij bereikt niet wat hij wil, en laat geen indruk achter in de wereld. Wat is dan nog de betekenis van zijn leven? Dat soort existentiële vragen ken ik wel - ik vroeg me dat soort dingen ook vaak af. Simon kijkt op TV naar een soort sciencefictionserie. Daar ziet hij het verhaal van een held, die met een lasergeweer en een oneliner voor zijn eigen zaak opkomt en de overhand behaalt. Dit is het verhaal van de cultuur, het verhaal van de durfal. De brutale die de halve wereld heeft. Degene die zich houdt aan de ‘Seven habits of succesful people’. De winnaar, die voldoet aan alle ongeschreven idealen. Over de idealen van de wereld en de methoden om die te bereiken, kunnen we elke dag leven in de treinkrantjes, en horen in de reclames op de TV. En Simon wordt erdoor verleid. Als hijzelf zoals hij is geen waarde heeft, en niet wordt gewaardeerd, dan is het zaak om iemand anders te zijn. Iemand als James. Iemand die slijmt bij de baas, gewaagde grappen vertelt, en een promotie krijgt. Iemand die met zijn vuist op tafel slaat in het café en krijgt waar hij om vraagt. Iemand die zich houdt aan ‘the game’ als een volleerd ‘pick up artist’ en vrouwen voor zich kan winnen bij de vleet, door op hun onzekerheid in te spelen. Een parodie van een ESTP dus. (En de Bijbelse connectie? De broer van Jezus, Jacobus, geloofde niet dat Jezus de messias of de zoon van God was).
Simon en James gaan samenwerken, maar het is geen samenwerking die voor Simon gunstig uitpakt. James wordt steeds meer oncontroleerbaar, en laat een spoor van vernieling achter in Simons leven. Tot Hannah van hem walgt en zijn baas hem ontslaat. Dit is wat er gebeurt als je toegeeft aan de verleiding. De verleiding krijgt de overhand over je leven. En als je dat krijgt wat je wilde, maar op de verkeerde manier, kun je er niet van genieten. De appel waarvan Eva at in het paradijs smaakte niet zo zoet als hij op het oog had geleken. En de belofte van kennis van goed en kwaad pakte ook anders uit dan verwacht. James is namelijk niet Simon, en zolang Simon toch als James probeert te leven, verliest hij zichzelf. Ik zei het al, ik heb het ook meegemaakt. Ik was succesvol in mijn studie, maar ook op christelijk gebied: ik sprak in de kerk, schreef in tijdschriften, en werd als wandelende concordantie gewaardeerd om mijn Bijbelkennis. De ‘valse persoonlijkheid’ was een succes! Maar deze ‘succesvolle Johan’ was ik niet. Ik ben een lezer en schrijver van fantasyverhalen, aquariumliefhebber en allround 'geek'. Dat aspect van mezelf raakte ik echter kwijt. Ik had mezelf verboden films te kijken, en ik schreef niet langer meer. En vervolgens raakte ik overspannen. Hetzelfde gebeurde toen ik eindelijk niet langer vrijgezel wilde blijven. Ik las op internet over daten en over ‘the game’, de manier waarop je als man meisjes voor je zou moeten winnen. Dezelfde tips geeft James in de film aan Simon: maak vrouwen onzeker, niet direct terugbellen, laat ze liever een paar dagen wachten ... Ik heb zelfs even geprobeerd om me eraan te houden, maar het voelde als nep. Het voelde niet echt. Stel dat iemand verliefd op mij zou worden als ik 'deed alsof', dan hield ze nog steeds niet van mij, zoals ik ben. Ik werd er dus alleen maar ongelukkiger van. Als dit was wat nodig was om een vrouw te vinden, kon ik beter accepteren vrijgezel te blijven. Anders zou ik mezelf kwijt raken. Maar dan moet je toegeven dat er dingen belangrijker zijn dan succes volgens de maatstaven van de wereld (religieus of in de liefde). Dan moet je bereid zijn daaraan te sterven.

In deze film wordt dit uiteindelijk prachtig in beeld gebracht. Op een gegeven moment staat Simon op het punt helemaal te verdwijnen, terwijl James de mensen om hem heen dramatisch beschadigt. En op dat dieptepunt maakt Simon de keuze om te accepteren wie hij is. Om de waarheid onder ogen te zien. Deze scene vindt plaats onder een neon kruis. Er is een graf. James is metaforisch begraven, en staat vervolgens weer op. De symboliek kan niet duidelijker zijn. Dit is het evangelie in een notendop. Dood en opstanding! Maar wat is er gestorven? Niet James. Nog niet. Het is Simon die is gestorven. Hij was al bijna niet meer bestaand. Maar ook dat heeft hij opgegeven. Hij heeft opgegeven te willen worden gezien. Hij heeft opgegeven succesvol te zijn volgens de maatstaven van de wereld. Hij wil geen liefdesrelatie als hij daarvoor ‘the game’ moet spelen. Dan maar ‘dood’ zijn volgens de andere mensen: saai, betekenisloos, niet inspirerend. Lees wat Robert Farrar Capon zegt in zijn meesterlijke boek Kingdom, Grace, Judgment: “Ik wil je vragen je rechterhand naar voren te houden, met de palm naar boven. je voor te stellen dat iemand er het ene na het andere prachtige geschenk in plaatst. Het mag alles zijn waar je van houdt - M&M’s, weekeindjes in Centerparks, het winnende lot uit de loterij, verliefd worden, volmaakte kinderen opvoeden, wijsheid, talent, een mooi gezicht en ook nog eens nederigheid - alles. Maar let nu op. Er zijn twee manieren waarop je hand op deze mooie dingen kan reageren. Hij kan erop reageren als een levende hand, en proberen het ene mooie geschenk dat zich er op een bepaald moment in bevindt vast te grijpen en het vast te blijven houden - en zich zo afsluiten van alle andere mogelijke geschenken. Of hij kan reageren als een dode hand. In dat geval zal hij gewoon stil blijven liggen, voortdurend open voor alle goede gaven die als in een dans komen of vertrekken.”
Dit is wat Simon doet. Hij klemt zijn hand niet langer om het ideaal van een succesvol leven, maar laat zijn greep erop sterven. Hij ‘leeft’ niet langer voor dat ideaal. Zo moest ik opgeven een ‘geestelijk christen’ te zijn, ik moest het verlangen opgeven te voldoen aan het ideaalbeeld van de kerk. Ik moest sterven aan mijn religieuze drijfveer. En ik moest sterven aan mijn verlangen succesvol te zijn in de liefde- ik bleef liever mezelf (inclusief verlegenheid en ernst) en vrijgezel dan een ‘player’ te worden. Maar vervolgens komt de opstanding: ik vond mijn plezier in het lezen van verhalen terug en begon weer te schrijven. En ik vond een vrouw die mij waardeert om mijn geeky karakter en om mijn ernst, en niet verwacht dat ik aan een cultureel ideaalbeeld van masculiniteit voldoe. En zo volgt ook voor Simon de opstanding. Die begint ermee dat hij James ter dood brengt: nu hij aan zijn ideaalbeeld is gestorven, kan ook de ‘verborgen persoonlijkheid’ bij het grof vuil. Hij wordt eerlijk, naar zijn werkgever en naar de vrouw van wie hij houdt - ook als hij dan opeens obsessief lijkt, of pathetisch. Eerlijk worden doet pijn. Maar Simon was al dood - dus kon hij ook eerlijk zijn: hij had de vervulling van zijn verlangens opgegeven, dus kon hij ook de manier om die vervulling tot stand te brengen opgeven. En in die eerlijkheid kon hij eindelijk beginnen te leven als een nieuwe mens. De houten pop wordt een echte jongen. Een individu, ‘redelijk uniek’. Hij kon eindelijk als mens omgaan met anderen, ook als die hem niet zouden zien staan. Hij kon toegeven dat hij van Hannah hield, zonder dat hij zich anders wilde voordoen dan hij was. Hij leefde, ook al was hij dood.
Veel krachtiger kun je de boodschap van het evangelie niet verwoord krijgen. Dit is goed nieuws, ook al is het een duistere film. Maar Jezus zei ook niet dat zijn boodschap er een was van cherubijnen en bloemetjes, van lammetjes en vrolijkheid. Het was er een van sterven aan jezelf en opnieuw geboren worden. Van de leegte van het graf en het bloed van het kraambed. Gritty, hard, en eerlijk. Maar juist daardoor uiteindelijk menselijk, oprecht en waardevol.

maandag 9 december 2013

Filmbespreking: Harry Potter and the Prisoner of Azkaban

In mijn vorige blogbericht heb ik uitgelegd waarom ik de Harry Potter-boeken zo waardeer, ook en misschien wel juist als christen. Hoewel ze in mijn opinie niet het niveau bereiken van de boeken van C.S. Lewis en Tolkien, of van George Martin, zijn het toegankelijke verhalen, origineel van opzet, met interessante karakters, die uiteindelijk het sacramentele wereldbeeld illustreren. Ze zijn ook nog eens niet onverdienstelijk verfilmd. De beste van de Harry Potter-films is volgens mij Harry Potter and the Prisoner of Azkaban. Deze film is gemaakt door Alfonso Cuaron, ook bekend van zijn film Children of Men, en de recente film Gravity. Hij is een visueel sterke filmmaker, die technisch moeilijke sequenties realiseert, vaak zonder dat het opvalt dat er geredigeerd is. Maar hij combineert zijn oog voor de beelden van de film met een sterk gevoel voor karakters, eigenlijk in al zijn films. Voor mij geeft dat de suggestie dat zijn beelden, waar hij goed over heeft nagedacht, ook daadwerkelijk iets betekenen (sacramenteel zijn), en dus de moeite van het analyseren waard. Dat geldt ook voor deze film. Hogwarts heeft in deze film meer identiteit gekregen (de grote slinger die voortdurend heen en weer gaat, de hut van Hagrid), maar ook de karakters hebben meer persoonlijkheid. De interacties, onder andere tussen Remus Lupin en Harry, zijn aangrijpend. De film heeft ook een duidelijker thema, het verhaal wordt vanaf het begin opgezet en wordt niet pas langzaam geïntroduceerd. Het was volgens mij een van de moeilijkste Harry Potter-boeken om te verfilmen, vanwege het ingewikkelde einde, maar het lukt Cuaron toch, inclusief verrassende wendingen en verklaringen voor onder andere het gedrag van Hermione tijdens de film. Ook de hippogrief Buckbeak ziet er geweldig uit en is geloofwaardig als levend fabeldier. Het enige minpuntje, en dat geldt voor elke film in de serie, is de lengte, waarbij de film net een klein beetje langer voelt dan nodig was geweest. Geen groot probleem overigens! Ik zal de film nog vaker kijken.

Het verhaal gaat over Harry Potters’ derde jaar op Hogwarts, de school voor tovenaars waarvoor hij onverwacht werd uitgenodigd. De zomer was voor de jonge tiener geen pretje. Hij moest die namelijk doorbrengen bij zijn familie en het eindigde ermee dat hij zijn eigen tante betoverde. Daarna sloeg hij op de vlucht. Gelukkig wordt hij gevonden en blijkt dat hij niet gestraft zal worden. Dit omdat hij in Hogwarts alleen veilig zal zijn voor de kwaadaardige tovenaar Sirius Zwart, de man die zijn ouders vermoordde en die nu ontsnapt is uit de tot nu toe veilig geachte gevangenis Azkaban. Om de leerlingen op Hogwarts te beschermen zijn de gevangenbewaarders van Azkaban overgekomen, de Dementors, nogal nare types. Ze lijken een bovengemiddelde interesse in Harry Potter te hebben, en ondertussen gaan de geruchten dat Sirius Zwart is geïnfiltreerd op het schoolterrein. Gelukkig krijgt Harry hulp van de nieuwe leraar ‘Verdediging tegen de Duistere Kunsten’, Remus Lupin, die zijn ouders gekend blijkt te hebben, toen die zelf op Hogwarts leerling waren ... Ondertussen gedraagt Hermione zich wel heel vreemd en verschijnt ze op plekken waar ze een ogenblik daarvoor niet was.

Harry Potter and the Prisoner of Azkaban kijkt heel diep naar het onderwerp ‘identiteit’. Wat maakt je tot wie je bent? Ik realiseerde me dat dit het thema was van de film, doordat me opviel hoe vaak Harry zijn eigen spiegelbeeld ziet. Een keer in het raam, een keer in het water. Hij kijkt naar zichzelf. Dat wil zeggen dat hij op zichzelf reflecteert. We doen dat allemaal wel als we in de spiegel kijken - wie is deze persoon, die zijn hand optilt als ik mijn hand optil, die opzij kijkt als ik opzij kijk? Wie ben ik? Als er in films wordt gespeeld met spiegelbeelden en reflecties, gaat het eigenlijk altijd om de vraag naar iemands identiteit. (De film Le Double Vie de Veronique, die ik ooit zag op een L’Abri-weekeinde, was daarvan een mooi voorbeeld).
Toen ik deze sleutel in handen had, dacht ik aandachtiger na over de film. De film begint met een allusie naar Harry’s puberteit. Hij is onder zijn lakens met zijn staf bezig en verstopt zich als zijn oom op zijn kamer komt kijken. De puberteit is nu juist een periode dat kinderen hun eigen identiteit proberen vast te stellen. Ze gaan zichzelf zien als onderscheiden van hun omgeving, hun ouders, en zoeken wie ze werkelijk zijn. Zo ook Harry. Maar wat hij te horen krijgt van zijn pleegouders, en zijn tante Petunia, stelt hem niet vrolijk. Ze belasteren zijn ouders, zeggen dat ze nergens toe deugden en nietsnutten waren. En ze suggereren dat Harry dus ook niets voorstelt. Dat hij nergens goed voor is. Harry wordt er boos over, maar er is toch twijfel in hem gezaaid. Hij heeft zijn ouders namelijk niet gekend, alleen verhalen over ze gehoord. En hij weet niet of hij op die verhalen kan vertrouwen. Per slot van rekening had de toverhoed hem bijna ingedeeld bij de groep van Slitherin, de sluwe, slimme tovenaars, waar veel van de slechte tovenaars uit voort zijn gekomen, onder andere Voldemort zelf. De basis van Harry’s identiteit begint te wankelen. Het wordt nog erger door de nare Draco, die hem nog verder onderuit haalt.
En dan zijn er de Dementors. Mensen die een depressie hebben meegemaakt zeggen dat deze toverwezens daar een goed beeld van zijn. Ze geven hun slachtoffer de ‘kus van de dood’ en zuigen zijn ziel weg. Het slachtoffer wordt willoos, ziet het leven als grijs en betekenisloos en verliest uiteindelijk zichzelf. En ze verzamelen zich rond Harry, misschien juist omdat hij zo worstelt met zijn identiteit. Volgens mij komt depressie ook vaak voort uit een losse greep op de eigen identiteit. Het gevoel van betekenisloosheid, niet weten wie je bent en wat je wilt is heel verlammend. En Harry ziet deze kloof onder zich opengaan. Hij moet ontdekken wie hij is, wat voor iemand hij is, of hij zal zichzelf verliezen. Hij kan de dementors pas verslaan als hij leert een ‘Patronum’ op te roepen - een lichtende verschijning gebaseerd op een blije herinnering, die de depressie kan verjagen. Deze ‘Patronum’ is voor iedereen iets anders, en drukt iets uit van wie iemand is. Het lukt Harry echter aanvankelijk niet. Hij heeft geen blije herinneringen die de basis kunnen zijn van zijn identiteit. Zijn zoektocht wordt wanhopig.

Ondertussen zijn er verschillende karakters in de film die verschillende benaderingen van de eigen identiteit illustreren. Wat bepaalt of ze goede of slechte mensen/individuen zijn? Om te beginnen de hippogrief Buckbeak, een combinatie van paard en roofvogel. De irritante Draco Malfidus houdt zich niet aan de instructies van leraar Hagrid, en het dier haalt naar hem uit. De gewonde Draco laat het er niet bij, en het komt tot een rechtszaak. Uiteindelijk moet Buckbeak ter dood worden gebracht. Maar was hij aansprakelijk? Het dier reageerde instinctief. Het had niet de bedoeling Draco kwaad te doen. Eigenlijk was Draco de schuldige, maar toch wordt Buckbeak veroordeeld, als was hij kwaadaardig, als was dat zijn identiteit. Het idee hier lijkt te zijn dat je ook als je iets schadelijks doet, maar je doet het niet bewust, niet verantwoordelijk, het niet je identiteit bepaalt. Iets is pas een kwaadaardige daad, als de dader kwaadaardig is. Omdat Buckbeak een dier is, kan hij niet kwaadaardig zijn.
Vervolgens zien we Sirius Zwart, de meest gevaarlijke moordenaar die ooit in Azkaban heeft vastgezeten. Hij is heel slecht, denken we als kijker. Hij komt uit een familie van boze tovenaars, uit de traditie van Slitherin, en was een volgeling van Voldemort. Iedereen ziet hem ook als gevaarlijk en een moordenaar (zoals mensen ook de hippogrief Buckbeak als slecht en kwaadaardig zien. Geen wonder dat ze uiteindelijk samen eindigen!). Maar in de film blijkt dat hij geen slecht mens is. Hij offert zich op voor een vriend. Hij probeert anderen te redden. Zijn identiteit is dus niet wat mensen van hem konden zien (een gevangene van Azkaban), maar ligt in zijn keuzes verborgen. Omdat hij ervoor kiest zich op te offeren, goede dingen te doen, weten we dat hij een goed mens is. Hij is zo trouw als een hond. Dat is zijn identiteit.
Dan is er Remus Lupin, de nieuwe leraar Verdediging tegen de Donkere Kunsten. Hij is (Ja, dit is een spoiler, maar het boek is al meer dan een decennium oud, dus je weet waarschijnlijk toch al hoe het verhaal gaat) een weerwolf. Dat betekent dat hij elke keer bij volle maan verandert in een monster. Een monster dat andere mensen en dieren doodt. Ook zijn vrienden. Door mensen die hem niet kennen, wordt Remus daarom gewantrouwd. Als de ouders van leerlingen ontdekken dat een van de docenten een weerwolf is, halen ze hun kinderen van school af. Maar de film maakt duidelijk onderscheid tussen tovenaars die zichzelf uit eigen keuze in dieren kunnen veranderen, zogenaamde wisselaars, en mensen als Remus die tegen hun eigen zin in veranderen in dieren, ook al verzetten ze zich er met al hun macht tegen. Interessant genoeg weten we van een van de gedaantewisselaars dat deze een slecht mens is, terwijl we van Remus weten dat hij ten diepste een goed mens is. De momenten dat hij in staat is te kiezen, maakt hij goede keuzes, offert hij zich op voor anderen. Dat hij een keer per maand tegen zijn wil in verandert in een monster verandert daar niets aan, het verandert niets aan zijn identiteit.
De laatste is Peter Pettigrew. Hij bracht jaren door in de vorm van een rat, het huisdier van Harry’s vriend Ron. ‘Was ik niet een trouw huisdier?’, klaagt hij. ‘Heb ik me niet altijd goed gedragen?’ Hij was braaf, leek vriendelijk. Maar hij is degene die de ouders van Harry verraadde aan heer Voldemort, en verantwoordelijk was voor hun dood. En die bewuste keuze om mensen te verraden, laat ons zien dat hij in zijn identiteit een slecht mens is. Ook al gedroeg hij zich aan de buitenkant (in de vorm van een tamme rat) misschien vriendelijk naar Ron (hoewel hij Ron ook een keer beet), zijn keuzes laten zien wie hij werkelijk is. Hij is ook figuurlijk een rat.

Het verband tussen deze drie is duidelijk: ze waren deel van de ‘Marauders’ - een gezelschap van vier vrienden, die allerlei kattenkwaad uithaalden. Die ook nog eens alle vier konden veranderen, al was het bij een van hen onvrijwillig. Dit suggereert nog eens verder de thematische connectie tussen hen. De vierde van het gezelschap was James Potter, de vader van Harry. Als Harry met Remus Lupin praat en vertelt dat hij niets weet over zijn ouders, vertelt Remus hem dat zijn vader een goed mens was, die opkwam voor zijn vrienden, die hem nooit liet vallen, ook niet toen openbaar werd dat hij weerwolf was. Zijn identiteit was goed. Als een hert, een edel dier. En Remus ziet die identiteit ook terug in Harry. Hij is een kind van zijn vader, zegt hij.
Maar Harry kan dat niet goed geloven. Hij heeft zijn vader nooit gekend, hoe kan hij accepteren dat hij dezelfde identiteit heeft als hij? Tot hij in het slot van de film ziet hoe de dementors zich op Sirius Zwart storten, de man die hij tot kort tevoren kende als de moordenaar van zijn ouders. Hij denkt dat zijn vader hem zal komen redden, maar dat gebeurt niet. Uiteindelijk moet hij zelf in actie komen. Hij doet het enige wat hij kan en roept een Patronus op. Het lichtende beeld dat verschijnt is een hert. Uit de boeken weten we dat dit het beeld was van zijn vader! Het is pas op het moment dat Harry zich gedraagt als zijn eigen vader, dat hij weet dat hij de identiteit heeft van zijn vader. Maar hij kon zich niet gedragen als zijn vader, als Remus hem niet had verzekerd dat dit zijn identiteit was. Dat hij ook een hert was, zo edel en moedig.
De Patronus is ook nog eens fel en krachtig genoeg om een leger van Dementors te verslaan, terwijl het Harry eerder nog niet eens was gelukt er een weg te jagen. Juist toen hij niet bezig was met de vraag wat zijn identiteit was, of het hem wel zou lukken een Patronus op te roepen, maar toen hij alleen bezig was met het lot van een ander, kwam zijn ware zelf naar buiten. Een zelf dat leek op zijn vader. Dit is een krachtig moment in de film, dat voor mij diep resoneert. Ik denk zelfs dat hier een bepaalde sacramentele kracht in zit. In dit moment waar licht overwint over duisternis werd iets zichtbaar van de diepere realiteit onder het Harry Potter-universum.

De dementors zijn verjaagd, en Harry heeft zijn identiteit teruggevonden. Hij weet nu wie hij is. Hij heeft ook een pleegouder: Sirius wil zich over hem ontfermen. Hij is eindelijk vrij. We zien daarom in dit deel van de film geen weerspiegelingen meer. Welke les kunnen we hier nu als christenen uit leren? Die uit 1 Johannes: ‘Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (4:19). Onze identiteit is die van geliefde kinderen van God, en dat is de werkelijkheid die zichtbaar wordt als wij zelf anderen liefhebben. En op geen andere manier.

donderdag 8 augustus 2013

Filmbespreking: Kingdom of Heaven

2005 was het jaar van Liam Neeson. In dat jaar speelde hij drie mentorfiguren in wel heel uiteenlopende films. En in alle drie de films stierf hij (al dan niet permanent). In Batman Begins was hij Ducard, die Bruce Wayne onder zijn hoede nam. In Narnia ontfermde hij zich als de stem van Aslan over de kinderen Pevensie. En in Kingdom of Heaven is hij kruisvader Godfrey die Balian aanneemt als zoon en hem leert zwaardvechten. De acteur is ook wel heel erg geschikt voor dit soort rollen. Hij beschikt over een serieuze overtuigingskracht, gekoppeld aan een duidelijke bewogenheid. Dat maakt hem geloofwaardig. Helaas is Orlando Bloom wat minder op zijn plek als ridder. Er is iets vlaks in zijn gezichtsuitdrukking, waardoor het niet altijd makkelijk is met hem mee te leven. Pas aan het eind van de film komt hij voor mijn gevoel meer tot leven. Gelukkig is hij omgeven door een groep fantastische acteurs, die de leemte opvullen, van de mooie Eva Green tot Edward Norton als de lepreuze koning Baldwin achter een zilveren masker. Ook Jeremy Irons heeft een prachtrol. Daarnaast zijn er de mooie omgevingen om naar te kijken - de film gaat van Frankrijk in de twaalfde eeuw naar Messina, door naar het beloofde land. En het voelt alsof je er als kijker echt bent, met een geloofwaardige middeleeuwse aankleding. De regisseur heeft een goed oog voor lichtval, vaak in mooie bundels. De oorlogsscenes zijn (net als in de andere historische film van Riddley Scott, Gladiator) prachtig in beeld gebracht, met in het slot een belegering die je op het puntje van je stoel doet zitten. Ik kijk zelf graag de ‘Director’s Cut’ van de film, omdat die een completer beeld geeft van de ontwikkelingen in het verhaal.

De film vertelt het verhaal van de jonge smid Balian. Hij krijgt de kans om met kruisvaarder Godfrey mee te gaan naar het beloofde land. Die kans grijpt hij met beide handen aan, want hij heeft juist zijn vrouw verloren, en heeft tot overmaat van ramp een misdaad begaan. Hij hoopt vergeving te kunnen vinden. Godfrey overlijdt aan een verwonding, maar niet voordat hij Balian tot ridder heeft geslagen en hem de heerschappij over Ibelin heeft overgedragen. Bovendien heeft hij Balian laten beloven de koning van Jeruzalem te dienen. Eenmaal in Jeruzalem ontdekt Balian dat die belofte niet zo makkelijk is na te komen. Jeruzalem is een smeltkroes van culturen waar de spanning te snijden is. De tempeliers sturen aan op oorlog, en de koning kan steeds maar net voorkomen dat strijdheer Saladin vanuit Damascus het land binnenvalt met zijn leger van 200.000 man. En de prinses Sybilla heeft een oogje op Balian. De jonge man vindt in Jeruzalem geen antwoord op zijn vraag aan God, maar wordt in plaats daarvan op de proef gesteld als hij de enige is die de inwoners van de stad kan redden van totale vernietiging.

Het is jammer dat er niet meer ridderfilms worden gemaakt, want het is een fascinerende periode van de geschiedenis. De botsing van beschavingen in het Midden-Oosten, de macht van de kerk botsend met individuele gewetens, het gevecht om menselijke waardigheid in een harde omgeving van ziekte en dood. Deze film toont de rauwe kantjes van de middeleeuwen, maar laat ook zien dat de mensen toen gewoon mensen waren, niet anders dan wij, met vaak dezelfde beslommeringen. En de kruistochten lenen zich erg goed voor een commentaar op religieuze conflicten van onze tijd, die zich nog steeds centreren rond dezelfde landen, het hart van de wereld, de oorsprong van de drie wereldgodsdiensten. Wie heeft er het meeste recht op het heilige land? Misschien geen van drieeen. Misschien wel alle drie. Want als alle drie net zo hard roepen dat hun overtuiging de enige ware is en alle andere gelovigen ketters die ter dood kunnen worden gebracht, wat maakt ze dan verschillend? Niet de mate waarin ze van hun gelijk overtuigd zijn. Fanatisme kan de strijd om de waarheid niet beslechten. Maar misschien draait het in het geloof niet om de ‘waarheid’. Misschien hoeven gelovigen uit de drie godsdiensten elkaar niet te bestrijden, maar kunnen ze samenkomen om wat hen en ieder mens bindt: de gouden regel, namelijk om anderen lief te hebben, de zwakken te beschermen en op te komen voor weduwen en wezen. Jakobus schreef al dat dit de ware godsdienst is.
Riddley Scott identificeert zich in interviews als agnost. Dat wil zeggen dat hij niet weet of God bestaat of niet - maar hij staat er in elk geval voor open. Aan de andere kant claimt hij dus ook geen religieuze zekerheid. Dat zorgt ervoor dat hij met een open blik naar de verschillende religies kan kijken, zonder een bril die hem gunstig stemt ten opzichte van de ene godsdienst, maar vijandig ten opzichte van de andere. Hij is immers agnostisch voor alle godsdiensten en hun goden. Dus worden in deze film de moslims niet als monsters afgeschilderd. Er is respect voor hun geloof. Ze worden getoond bij het bidden, en meerdere van hun aanvoerders blijken zelf ook respectvolle mannen, met bewogenheid, ook voor hun christelijke vijanden. Maar deze weergave is niet eenzijdig. Er zijn ook fanatieke moslims, die niets liever willen dan oorlog en de herovering van Jeruzalem. Dat is namelijk de wil van Allah, zeggen ze.
Maar hetzelfde zeggen de christenen die op oorlog aansturen. Deus Vult, God wil het, roepen de kruisvaarders, vlak voordat ze dood en verderf zaaien onder de moslims. Als christen draait mijn hart zich daarbij om. Maar het zijn niet alleen de ridders die dit roepen, ook de priesters, net zo fanatiek als de moslimfanatici. Een heiden doden is geen zonde, roept er een herhaaldelijk, het is de weg naar de hemel. Geen wonder dat de vrede van Jeruzalem zo fragiel is. Maar Scott is (zeker in de ‘directors cut’) niet alleen maar negatief over christenen. Al in het begin komt een bisschop voor die waarschuwt dat de wetten niet altijd zo ernstig moeten worden toegepast, en dat in naam van Christus veel gebeurt dat Christus zelf niet zou hebben goedgekeurd. Ook een Hospitaalridder die met Balian optrekt herhaalt dat. Hij houdt Balian voor dat hij Jezus niet moet gelijkstellen met zijn volgelingen. Ik moest denken aan het bekende citaat van Gandhi, die zei ‘I like your Christ, I do not like your christians’. Ik denk dat de regisseur dit citaat zou naspreken - hij heeft duidelijk respect voor Christus, die geweldloosheid predikte, en scheidt dit van de religie die in zijn naam is opgesprongen en volken uitroeit. Religie als machtsinstrument (wat het vaak wordt) wordt hier in zijn ontluistering ten toon gespreid. Wat mensen van hun geloof maken, zodra ze het zien als de bron van hun identiteit als onderscheiden van andere mensen (als volk, maar ook als individu), is een afgod, of ze nu Christenen zijn of Moslims. Dit geldt nu ook voor ons en onze kerken!

Maar er is een alternatief. Een betere wereld, die de koning van Jeruzalem en Saladin samen tot stand hebben weten te brengen. Een wereld waarin Jood, Christen en Moslim samen leven. Waar de machteloze een baron wordt en de machthebber een dienstknecht. Waar rechtvaardigheid heerst. Een plek waar mensen niet hun identiteit ontlenen aan wat ze geloven, maar aan hun liefde voor anderen. Dit is wat volgens ridder Godfrey te vinden is aan het einde van de kruistocht. Een omgekeerde wereld. Het koninkrijk van de hemel. Ik moest hierbij denken aan ‘The Kingdom of Summer’ uit de Arthur-verhalen van Stephen Lawhead. Ook dat werd voortdurend bedreigd en was uiteindelijk slechts een kort bestaan beschoren - want laten we eerlijk zijn: hoe lang kan het paradijs in onze wereld blijven bestaan? Maar hoe kort het ook bestond, toch was het waardevol, omdat het een profetie was. Als dit nu al, tijdelijk, tussen mensen mogelijk is, dan zal het ooit eens de hele Aarde kunnen bedekken, als de wateren de zee. Dat voorspelden de profeten, en hun profetie toont opvallende overeenkomsten met hoe het rijk van Jeruzalem wordt beschreven. Het is deze wereld waar ook Jezus over sprak in zijn gelijkenissen over het koninkrijk (waar de titel van de film ook vandaan komt!).
En het koninkrijk van Jeruzalem kan alleen bestaan op basis van de regels van het koninkrijk die Jezus in zijn bergrede uiteenzette. Het is een koninkrijk van het geweten, aldus Balian. Werkelijke godsdienst bevindt zich in het hoofd en in het hart, zegt de hospitaalridder. Hij glimlacht als Balian zegt de stem van God niet gehoord te hebben, en niet langer in God te geloven. Het gaat om juiste actie, zegt hij. Opkomen voor de weerloze, het verdedigen van de zwakke, goed te doen aan ieder. Zoals verwoord in de riddereed. Daarin is God aanwezig. Scott ontkent niet het bestaan van God (er is een interessante discussie over de brandende braamstruik van Mozes, die eindigt met een mysterie). Maar het belangrijkst is niet de vraag of God bestaat, maar of wij liefhebben. Dit is ook wat Jezus het belangrijkst vindt (de belangrijkste regels uit de wet zijn volgens hem God lief te hebben boven alles en de naaste (elke naaste, ook die uit andere godsdiensten) als jezelf). Een godsdienst die er niet toe leidt dat je jouw naaste respecteert en liefhebt, is geen ware dienst van God. Hij geeft meer om liefde dan om dogma. Lees de eerste brief van Johannes maar eens. Wie liefheeft, wat hij verder ook gelooft of niet gelooft, is uit God. Wie niet liefheeft, welke dogma’s hij ook mag aanhangen, is niet uit God. Balian omarmt dit radicale principe uiteindelijk. Zijn drijfveer is de wereld een betere plek te maken.

Zo goed zijn mensen echter helemaal niet! Balian is niet anders dan die mannen die op oorlog uitsturen. We kunnen niet uit onszelf goed doen. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt immers door ons eigen hart, aldus Solchenytzin. En dat weet ook Balian. De film begint er immers mee dat hij een afschuwelijke misdaad pleegt. Hoe kan dan de hoop van het koninkrijk der hemelen op zijn schouders rusten? Hoe kan hij leren liefhebben, niet alleen zijn vrienden, maar ook zijn vijanden? We kunnen onszelf niet redden, niet door religieuze plichtsbetrachting, maar ook niet door lief te hebben. We hebben immers nooit genoeg lief om aan de maatstaf van Gods perfectie te voldoen. Als we moeten liefhebben om daar onze redding mee te verdienen, zijn we gedoemd tot het oordeel. We zijn immers zelf ook schuldig. Balian weet dat. Er zijn soldaten achter hem aangestuurd en zij hebben het recht hem mee te nemen. En in dit dilemma ligt het hart van de film, en om deze reden is de rol van Liam Neeson hoewel klein, cruciaal. Want hoewel de soldaten het recht hadden Balian te nemen, had Godfrey datzelfde recht. En de vader nam het op voor zijn zoon, hoewel die het niet verdiend had.
In prachtige beelden ontfermt de vader zich over zijn zoon, spreekt vertrouwen in hem uit, en geeft hem een nieuwe identiteit. Hij slaat hem tot ridder. “Sta op als ridder!”, zegt hij. Deze nieuwe identiteit ontvangt Balian nog voordat hij iets heldhaftigs heeft gedaan, nog voor hij heeft laten zien dat hij in staat is anderen lief te hebben. Het is een verklaring over hem, die waar is, wat hij vervolgens ook doet. Zijn vader houdt van hem en noemt hem een ridder. Alles wat Balian vervolgens doet in de film, is gebaseerd op zijn nieuwe identiteit. Het thema wordt tegen het eind van de film herhaalt, als Balian zelf een groep strijders ridders maakt. Iemand vraagt aan hem: “Denk je echt dat een man die je een ridder maakt, daardoor een betere strijder wordt?” Balians antwoord is: “Ja!” En de kersverse ridders stralen (waarmee ze zijn woorden bewijzen). Een van hen is iemand die Balian van thuis kende, een grafdelver. Maar, zegt Balian: hij is niet meer de man die hij ooit was, zoals Balian dat ook niet meer is. Ze hebben een nieuwe identiteit in het koninkrijk der hemelen. En die nieuwe identiteit stelt hen in staat om Jeruzalem te verdedigen.
En dit is uiteindelijk de boodschap van het christelijk geloof. God vraagt geen onderwerping, zoals in de Islam. Hij spreekt onvoorwaardelijke aanvaarding uit, wat we ook hebben misdreven of ooit zullen misdrijven, zoals Godfrey (op aanraden van de Hospitaalridder) Balian onvoorwaardelijk aanvaardt. Dit heeft hij laten zien door tot ons te komen, mens te worden en zijn armen te spreiden aan het kruis (Godfrey sterft aan een wond in zijn zij, opgelopen toen hij Balian wilde redden). En vervolgens laat hij ons vrij om te kiezen (wat Sybilla aangeeft). Kiezen voor het pad dat leidt tot oorlog en vernietiging, van anderen en uiteindelijk van onszelf (zoals de fanatici aan beide zijden van het conflict), of kiezen voor het pad van de liefde voor ieder mens, het pad van zelfopoffering.  Balian moet zelf kiezen om Godfrey te volgen en in zijn ware identiteit te gaan leven. Net zo roept Jezus ons op om hem te volgen. Dezelfde eerste brief van Johannes die ik hierboven aanhaalde stelt dat we zeker kunnen zijn van onze identiteit: “Ziet welk een liefde de vader ons gegeven heeft dat wij kinderen van God genoemd zouden worden. En wij zijn het ook.” Omdat wij geliefde kinderen van God zijn, kunnen wij liefhebben “omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”. En als wij liefhebben wordt, hoe tijdelijk en hoe fragiel ook, het koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar.

zondag 21 juli 2013

Filmbespreking: The Princess and the Frog

Ik heb een haat/liefde-verhouding met Disneyfilms. Maar laat ik eerst over die liefde schrijven. Ik ben een man van 36, bijna 37 (twintig jaar ouder dan dat meisje in The Sound of Music, film fans!) en ik kijk graag naar Disneyfilms. Dat schijnt niet heel mannelijk te zijn, of zelfs niet volwassen, maar in dezen sluit ik me graag aan bij C.S. Lewis, die betoogde dat hij toen hij volwassen werd, aflegde wat kinderlijk was, inclusief de kinderlijke wens om al te snel volwassen te willen zijn. Hij had niet veel goeds te zeggen over volwassenen die neerbuigend praatten over sprookjes of ‘kinderverhalen’. Lees wat hij zegt in zijn essay ‘On Juvenile Tastes’: “The specifically childish taste has generally been held to be that for the adventurous and marvellous. This implies that we are regarding as specifically childish a taste which in many, perhaps in most times and places has been that of the whole human race ... Even if all children and no adults now liked the marvellous - and neither is the case - we ought not to say that the peculiarity of children lies in their liking it. The peculiarity is that they STILL like it, even in the twentieth century ... The peculiarity of child readers is that they are not peculiar. It is we who are peculiar... Juvenile taste is simply human taste, going on from age to age, silly with an universal silliness or wise with a universal wisdom, regardless of modes, movements and literary revolutions.”
Ik denk dat Lewis ook Disneyfilms zou hebben gekeken - hij schreef zelf ook sprookjesachtige verhalen voor kinderen en nam die net zo serieus als zijn boeken voor volwassenen. Ik geniet van het onbeschaamde avontuur in deze films, de mooi weergegeven werelden, de heldendaden, de strijd tussen goed en kwaad, de muziek en ja, de romantiek en het ‘happy end’. Dit type verhalen raakt iets aan dat diep in ons hart schuilt, een verlangen dat we sinds onze kindertijd koesteren. Een verlangen naar een wereld van avontuur, schoonheid en intimiteit (zoals ik betoogde in mijn bespreking van de Disneyfilm Tangled). En de weg om daarnaar te komen gaat vaak via opoffering, via vertrouwen en wonderen, en weerspiegelt daarmee het Grote Verhaal. ‘The tale as old as time, song as old as rhime’ waarover wordt gezongen in Beauty and the Beast (zie mijn bespreking). Deze films hebben de zeggingskracht van mythes. Het zijn geen leugens ‘door goud geblazen’ maar ze koersen, in de woorden van Tolkien ‘zigzaggend naar de ware haven’. Maar wel zigzaggend. Want de sprookjes van Disney zijn niet alleen tijdloze mythe, maar zijn ook tijdgebonden, anders gezegd: ze reflecteren niet alleen de waarheid van het Grote Verhaal, maar ook de kleinere verhalen van de cultuur waarin we leven. Dit is denk ik deels te wijten aan het commerciële karakter van de films. Om te zorgen dat ze veel geld opleveren werd bijvoorbeeld in veel gevallen het einde van het verhaal veranderd. Zoals bij de Kleine Zeemeermin - die anders dan bij Anderson niet in schuim veranderde. Maar daarmee verandert wel de hele boodschap van het verhaal. Een verhaal over een onbereikbaar ideaal en de onverenigbaarheid van zeemeerminnen en mensen, wordt een verhaal dat lijkt te suggereren dat je als vrouw je stem wel kunt verkopen (en dus je recht van spreken) om puur op fysieke aantrekkingskracht door de prins van je dromen te worden uitgekozen. Ik krab me toch wel achter de oren bij deze boodschappen. In de meeste Disneyfilms is sprake van liefde op het eerste gezicht, een mysterieuze vonk die overspringt, eigenlijk alleen gebaseerd op seksuele aantrekkingskracht (soms geholpen door tovenarij) en niet op gedeelde interesses en normen en waarden. En voor deze door feromonen tot stand gebrachte verbinding moet al het andere wijken. Familierelaties hebben opeens geen waarde meer, gebruiken van de maatschappij tellen niet meer, eigen interesses en overtuigingen moeten wijken. Om de relatie tot stand te brengen houden sommige karakters zelfs op zichzelf te zijn (opnieuw Ariel in De Kleine Zeemeermin).
Het is liefde zoals die in Romeo and Juliet - maar in dat toneelstuk liet Shakespeare de overtrokken dramatiek van zo’n verliefdheid ook duidelijk zien. Ik denk zelf dat dit soort relatie op basis van chemie vaker tot problemen leidt dan niet. Het schijnt namelijk dat mensen psychologisch vallen op iemand die aan hun ouder van het andere geslacht doet denken. En dan in hun huwelijk in dezelfde relatiepatronen vallen als thuis met hun vader/moeder. Het kan zo onschuldig zijn als dat ze verwachten dat hun vrouw net zo kookt als hun moeder, of dat hun man net zo vaak weg is als hun vader. Maar als ze uit een ongezonde familie komen kan het ernstiger zijn. Dan komen mensen terecht in situaties van mishandeling en misbruik, omdat ze instinctief ‘vallen’ voor misbruikende mannen. Het kan veel beter zijn een partner te kiezen op basis van gedeelde interesses en overtuigingen, gedeelde dromen over de toekomst, en wat de ‘chemie’ betreft naar elkaar toe te groeien door de tijd. Maar films als deze Disneyfilms zien zo’n lange weg als minderwaardig. Alleen ogenblikkelijke passie is ware liefde, lijken ze te betogen. En die liefde gaat boven je eigen persoonlijkheid (vooral als je vrouw bent). Ik denk dat dit een ongezonde boodschap is. Vandaar dat ik geen onverdeelde passie kan opbrengen voor bijvoorbeeld de Disneyprinsessen en sympathie heb voor ouders die hun kind niet als Assepoester willen uitdossen (want je hoeft niet een mooie jurk te dragen en door een prins gekozen te worden omdat je kunt dansen om waardevol te zijn!) of als een Sneeuwwitje of Doornroosje (allebei passief, zonder relatie niet meer dan levend dood, en pas tot leven komend na een kus van een prins).

Deze thema’s werden door Pixar in Brave al ontleed (zie mijn bespreking). Maar Disney zelf lijkt dit ook door te hebben, want in hun laatste handgetekende animatie The Princess And The Frog vertellen ze een heel ander verhaal, eigenlijk een deconstructie van hun standaardplot. Dat wordt hier eigenlijk belachelijk gemaakt door het overenthousiaste karakter Charlotte, die zich als kind al verkleedt in roze prinsessenjurken en niets liever wil dan een prins trouwen. Ze is echter niet een prinses. Haar vader is carnavalsprins tijdens Mardi Gras in New Orleans, en dat maakt haar een ‘prinses’ - maar de situering van het verhaal tijdens carnaval ontmaskert de prinsessenbeelden - het zijn culturele plaatjes waarmee we ons bekleden om onze werkelijke identiteit te verhullen. Eigenlijk niet meer dan ‘te kleine verhalen’. Ook de prins met wie deze Charlotte gaat trouwen draagt een ander uiterlijk. Het is alsof de film de vrouwelijke kijkers, opgegroeid met de beelden van sneeuwwitje en assepoester, ervoor wil waarschuwen deze vorm, de prinsessenjurken en de kronen en de kroonluchters en de kus, niet te verwarren met de werkelijkheid.
De enige keer waarop hoofdpersoon Tiana in een prinsessenjurk te zien is, is ze verkleed. Ze is geen prinses en wil het ook niet zijn. Haar droom is aardser, lager bij de grond, deel van de realiteit. Ze wil een eigen restaurant. Maar ze komt uit een arm milieu (ze is de eerste Disneyhoofdpersoon van Afrikaans-Amerikaanse komaf) en het bezitten van een eigen restaurant lijkt onhaalbaar. Ze spaart ervoor, heeft twee banen tegelijk, en wijst uitnodigingen van vriendinnen af. Ze gelooft dat als ze maar hard genoeg werkt, haar droom wel vervuld zal worden.
En prins Naveen is dan wel een prins -want het is een Disneyfilm- maar het is een leeg woord. Hij heeft een lakei, maar verder niets. Hij is door zijn ouders onterfd. Zijn leven als prins is dus een toneelspel. Maar hij is hard op zoek naar een manier om dat toneelspel vol te houden. Hij wil met een rijk meisje trouwen (een meisje dat bijvoorbeeld in de mythologie van prinsen en prinsessen gelooft, en dat hij daardoor kan uitbuiten - zo manipulatief kunnen deze te kleine mythologieën zijn). Maar het moet hem niet teveel moeite koste. Hij wil er niet voor werken. Daarom dat hij wel in zee wil gaan met een Voodoo-dokter, een tovenaar, die het voor hem tot stand kan brengen. Deze heet Dr. Facilier - wat doet denken aan ‘facilitate’, iets makkelijker maken, helpen tot stand brengen. Hij gelooft niet in zijn eigen harde werken, maar in magie. Maar als we daar aandachtiger naar kijken zijn de verschillen tussen die twee niet zo groot. Magie speelt in verhalen eigenlijk vaak een vergelijkbare rol met technologie, namelijk als middel voor de mens om de eigen wil op te leggen aan de realiteit. Tiana doet dat door werken (door de eigen energie uit te oefenen in de wereld en die daardoor te veranderen). Naveen door de toverdokter. Beiden willen de wereld inpassen in hun ‘kleine verhaal’. Maar het moge ook duidelijk zijn dat dit hen beiden ook iets kost. Tiana kan bijvoorbeeld niet dansen. Ze geniet niet echt van het leven. Ze betaalt een hoge prijs voor haar droom. En ze wordt verleid haar identiteit helemaal op te geven om dat restaurant te kunnen bereiken, om iemand te verraden om maar haar droom in vervulling te zien gaan. Prins Naveen betaalt ook een vreselijke prijs. Hij verandert in een kikker. Het is een bekend feit uit sprookjesverhalen dat wie gebruik wil maken van magie, nooit krijgt wat hij vraagt. Het gebruik van magie is altijd gevaarlijk, omdat het wat kost. Dr. Facilier heeft dan wel vrienden aan gene zijde, die hem helpen. Maar deze eisen wel wat terug voor hun hulp. En de toverdokter moet die prijs uiteindelijk betalen, daar ontkomt hij niet aan. Zoals Tiana voor haar werk moet betalen met vermoeidheid, stress en het ontbreken van enig sociaal leven.

Even over de tovenarij in deze film. Dit is een van de meer enge Disneyfilms, vooral omdat hij zo dicht bij onze tijd gesitueerd is, nog geen honderd jaar geleden, en voodoo echt bestaat. De magie die in deze film wordt bedreven is ook niet van de goedaardige soort zoals die van Gandalf of de petemoei in Assepoester, het is niet alleen het veranderen van de werkelijkheid, maar daadwerkelijk het oproepen van boze geesten. Dit is zelfs ernstiger dan de magie in Harry Potter! Maar omdat dit in de film voortdurend als slecht en duister wordt weergegeven en getoond wordt dat de tovenaar een zware prijs moet betalen, vind ik het niet aanstootgevend.
Moreel ingewikkelder is een voodoo-priesteres die de hoofdpersonen gaandeweg het verhaal tegenkomen in het moeras. Deze Mama Odie is een ‘goed’ karakter. Maakt zij de voodootovenarij aantrekkelijk? Dat weet ik niet. Zij tovert namelijk niet - ze maakt ‘gumbo’ en ze geeft goed advies, maar ze roept geen geesten op, en onttovert de hoofdpersonen niet. In plaats daarvan zingt ze een lied in een duidelijk op black gospel geïnspireerde stijl en zijn er shots die haar achter een katheder situeren als een predikant in een kerk. Het was misschien duidelijker te interpreteren geweest als de filmmakers van haar een christelijk karakter hadden gemaakt (en historisch correct, denk ik, want volgens mij waren de zuidelijke V.S. in de tijd waarin de film speelt ook erg religieus), maar die had waarschijnlijk weer niet goed weten om te gaan met pratende kikkers.

Mama Odie geeft prins Naveen en Tiana goed advies. Ze zegt dat ze hen niet kan geven wat ze willen, maar alleen wat ze nodig hebben. Gisteren zag ik op Twitter een citaat van C.S. Lewis voorbijkomen waarin hij zegt: ‘Whether we like it or not, God intends to give us what we need, not what we now think we want.’ Ik vermoed zomaar dat Lewis en Mama Odie elkaar wel zouden hebben gemogen. Want wat we denken te willen is vaak een te klein verhaal. We denken dat het ons waarde kan verlenen, maar in werkelijkheid verliezen we datgene wat ons onszelf maakt als we erin proberen te leven. Maar het is niet makkelijk om het kleine verhaal waarin we leven, waar we onze identiteit van hebben laten afhangen, op te geven. Wat als het niet uitkomt, wat als het niet gebeurt waar we op hopen, hoe zullen we ooit weten dat we betekenis hebben? Maar betekenis kunnen we niet aan onszelf geven, we moeten het ontvangen. We hebben het nodig dat iemand tegen ons zegt: ‘Ik hou van je, je bent waardevol voor je. Ik heb alles voor je over.’
Maar (dat laat deze film ook zien) zolang we alleen bezig zijn met ons eigen verhaal, onze droom, kunnen we dat niet accepteren, we horen die woorden niet eens. Voor we kunnen ontvangen wat we nodig hebben, moeten we dus opgeven wat we willen. We moeten eraan sterven. Dat wil niet zeggen dat we onze verlangens opgeven. Tiana geeft in deze film nooit haar verlangen op naar haar eigen restaurant. En prins Naveen geeft niet zijn verlangen op om muziek te kunnen maken. Maar ze geven wel het idee op dat ze hun leven voor dat verlangen moeten offeren, dat ze er magie voor moeten uitoefenen, of er al hun tijd voor moeten opofferen door ervoor te werken. Ze geven de gedachte op dat ze het zelf wel tot stand kunnen brengen. Ze geven toe dat andere dingen belangrijker zijn, andere mensen belangrijker.
Zelfs het ‘kleine verhaal’ van de op chemie gebaseerde liefde laten ze achter. Dit is eindelijk (en verfrissend) een Disneyfilm waarin twee karakters van elkaar gaan houden doordat ze elkaar leren kennen. Ze kunnen niet van elkaar gaan houden door chemie, want ze zijn beide niet aantrekkelijk - ze zijn kikkers, overdekt met slijm (‘mucus’), en zullen geen zoogdierferomonen uitscheiden. We hebben zelfs gezien in het begin van de film dat er zeker geen sprake was van liefde op het eerste gezicht. Maar ze hebben samen opgetrokken, hebben elkaars sterke kanten gezien (Tiana heeft gezien dat Naveens liefde voor muziek echt is, en dat hij met zijn muziek mensen en dieren bij elkaar kan brengen. Naveen is Tiana’s passie voor koken en haar restaurant gaan bewonderen. Ze hebben bovendien elkaar geholpen - Tiana heeft Naveen helpen koken, Naveen heeft Tiana laren dansen). Ze inspireren elkaar, ze respecteren elkaar, ze willen elkaar beter leren kennen. En dus zijn ze van elkaar gaan houden. Als gelijken! Het is in dit geval zelfs niet zo, zo als het was in Beauty and the Beast, dat een van de karakters nog puur fysiek aangetrokken kon worden door een ander karakter. Hun liefde voor elkaar is zo echt, dat ze zelfs met elkaar willen trouwen als ze nog kikker zijn. Ze blijven liever kikker, dan dat ze zien dat een van hen zichzelf moet verraden voor een te klein verhaal. Dit is volgens mij werkelijk de weg van de nederigheid, van de zwakheid, die het Grote Verhaal weerspiegelt. En het is dan ook terecht dat deze opoffering (kikker blijven voor de ander) wordt gevolgd door een ‘eucatastrofe’ a la Tolkien - een glimp die van de werkelijkheid achter het doek op het toneel schijnt, en een onverwachte wending teweeg brengt. Het gelukkige einde is niet verdiend, maar zeker wel gegund. Het is een uiting van genade.

Er is nog een ander karakter in de film dat het verhaal van de zwakheid illustreert. Het is een karakter dat kleiner, lelijker, dommer lijkt dan de anderen. Een vuurvliegje met rotte tanden en een haperend ‘licht’. Het is bovendien een vliegje dat lijkt te lijden aan een waanbeeld. Hij is verliefd op een ster. ‘De mooiste vuurvlieg van allemaal’. De andere karakters willen allemaal anders zijn dan ze zijn, maar wat hij wil vinden zelfs zij belachelijk. Want wie is er nou verliefd op een ster?
Maar in realiteit is hij het meest wijze karakter in de film, en is zijn verlangen geen waandenkbeeld, maar werkelijkheid. Het zijn de anderen die hun eigen verlangen moeten opgeven. Vuurvliegje Ray wordt in het zijne bevestigd. Het is zijn liefde voor de ster, hoog in de hemel, die hem ertoe brengt om de anderen in de film te helpen, ze de weg te wijzen. Zijn liefde voor die ster inspireert hem zelfs om de strijd aan te gaan met de schaduwen van gene zijde, die hij door zijn licht dodelijke schade toebrengt (verwijzingen naar Efeze 4 over licht en schaduw kunnen hier makkelijk in worden teruggezien), en uiteindelijk zelfs zijn leven op te offeren. Ray heeft lief, omdat hij zelf in liefde gelooft. Hij vraagt niet eens van de anderen ook in zijn ster te geloven. Als een karakter hem toesnauwt dat die ster niet echt een vuurvliegje is, maar een bol brandende lucht miljoenen mijlen ver, keert hij zich verontschuldigend tot het lichtpuntje. ‘Vergeef haar’, zegt hij, ‘ze spreekt vanuit haar gewonde hart’. Dit brengt hem er alleen maar toe nog harder voor dat karakter te strijden.
Interessant genoeg is het deze ster waar de andere karakters in de film (zowel Charlotte, als Tiana, als Naveen) hun wensen naar hebben uitgesproken (zoals in Pinokkio - 'when you wish upon a star'). En steeds gebeurt er in de film iets als ze hun wens hebben uitgesproken. Het is niet altijd wat ze verwachtten dat er zou gebeuren, niet altijd wat ze hoopten, soms zelfs het tegenovergestelde. Ze krijgen van de ster waar ze hun wens naar uitspraken niet wat ze wilden, maar ze krijgen wel wat ze nodig hadden.
Ray houdt trouwens ook niet van de ster omdat die zijn wensen vervult. maar om de ster zelf. En dat is ook wat hij uiteindelijk krijgt aan het einde van het verhaal. De ster is namelijk werkelijk goed. Deze ster, waar mensen naar bidden, maar die mensen geeft wat ze nodig hebben, die het waard is om van te houden en die sterker is dan de schaduwen van gene zijde (want licht is altijd sterker dan schaduw), heet ‘Evangeline’. Ik geloof niet dat die naam toevallig gekozen is.

Dus zolang Disney films maakt die deze mythische kracht hebben, die glimpjes laten zien van het Grote Verhaal, zal ik ze blijven kijken. Ook als ik soms mopper op te makkelijke beelden van romantiek, man-vrouwverhoudingen en ‘chemie’. Want we hebben elke herinnering aan dit verhaal nodig die we kunnen krijgen. Dat is namelijk goed nieuws. ‘Sweet evangeline ...’

zondag 12 mei 2013

Filmbespreking: Spider-Man 2

Spider-Man 2 is een van mijn favoriete films. Hoe favoriet? Nou, de enige filmposters die ik in mijn appartement heb hangen zijn van de Lord of the Rings-films, en een van Spider-Man 2. Okee, aan de andere kant daarvan bevond zich een poster van Aragorn uit The Return of the King, maar die heb ik opgehangen tegen het glas van de woonkamerdeur aan, zodat de poster van Spider-Man 2 ook zichtbaar is vanaf de gang. Misschien dat The Dark Knight een betere superheldenfilm is, maar die is behoorlijk duister en wellicht zelfs cynisch, waar Spider-man 2 (ook een vervolg), wel spannend is en heftig, maar uiteindelijk  juist opbeurend en bevestigend. En Spider-Man is een superheld met wie ik me meer kan identificeren dan Batman. Batman is een multimiljonair die het leven van een playboy moet leiden, met aan elke arm een mooie vrouw, om onder bescherming van de nachtelijke duisternis met zijn dure snufjes de misdaad te bestrijden. Okee, hij heeft op jonge leeftijd zijn ouders verloren, maar die hebben wel het familiebedrijf aan hem overgedragen. En hij heeft een butler. Nee, dan Spider-Man ...
Aan het begin van deze film gaat het niet echt geweldig met student Peter Parker. Hij woont in een krottige studentenkamer, en loopt zelfs daar al achter met het betalen van de huur. Hij is niet op tijd in zijn lessen, en dreigt van Dr. Connors zelfs een onvoldoende te krijgen. Hij houdt van de mooie Mary Jane Watson, maar durft dat niet tegen haar te zeggen, en het lukt hem zelfs niet bij een van haar toneelstukken te zijn. En dan raakt hij ook nog zijn baantje als pizzaverkoper kwijt. Ondertussen doet hij in de vermomming van Spider-Man zijn uiterste best voor anderen. Met grote kracht komt immers grote verantwoordelijkheid. Maar niemand lijkt zijn inspanningen te waarderen. De mediacampagne van krantenmaker J. Johan Jameson lijkt vruchten af te werpen. De mensen voor wie hij zo zijn best doet, zien Spider-Man als bedreiging. Uiteindelijk beginnen zelfs Peters spinnenkrachten hem te verlaten. Hij is niet meer in staat om aan zijn web te slingeren of tegen een muur op te klimmen. Hij heeft zelfs zijn bril weer nodig. De maat is vol. Peter besluit zijn alter ego in de prullenmand te gooien: hij is niet langer Spider-Man. Nu heeft hij eindelijk de kans Mary Jane de waarheid te vertellen. Wetenschapper Otto Octavius probeert ondertussen een gevaarlijk experiment te herhalen. Daarvoor heeft hij een substantie nodig die alleen Harry Osborn kan leveren. Die stelt een deal voor: de hele voorraad in ruil voor Spider-Man. Otto is echter niet de gemiddelde wetenschapper. Hij beschikt over vier lange, dodelijke tentakels, versmolten met zijn rug en met een eigen, niet tegen te houden wil. En om Spider-Man te vinden, gaat hij eerst op zoek naar Peter Parker ...

De eerste Spider-Man-film was achteraf gezien een klein beetje tam. Een van de eerste van de nieuwe generatie superheldenfilms en dus nog een beetje terughoudend in het tonen van waar superhelden toe in staat zijn. Het karakter van Peter Parker en zijn omgeving waren goed weergegeven, met situaties die zo uit de stripverhalen konden zijn gekomen, maar de actiescènes waren niet bijzonder spectaculair en de slechterik was niet heel overtuigend (en dat terwijl de Green Goblin eigenlijk Spider-Mans aartsvijand is). Het is nu vooral mijn liefde voor het karakter Spider-Man die me de eerste film doet kijken en niet mijn liefde voor goed gemaakte films. Bij Spider-Man 2 komen deze twee liefdes echter samen. Dit is een Spider-Man-verhaal dat recht doet aan de stripverhalen, met epische confrontaties waarbij ook de verticale dimensie wordt toegepast, en held en schurk hun extra’s op een originele wijze inzetten. Dr. Octopus is een tegenstander die het Spider-Man echt moeilijk maakt, maar ook nog eens iemand met wie je als kijker meeleeft en zijn uiteindelijke lot raakt je dan ook. Ook het verhaal van Peter is invoelbaar gebracht. Ondertussen brengt Sam Raimi al zijn kwaliteiten als filmmaker in - vooral de scene waarin Dr. Octopus ‘ontstaat’ is fantastisch, net als een gevecht op en in een trein. Wel moet iemand die in wetenschap geïnteresseerd is zijn kritische denken op de pauzestand zetten, want kernfusie is niet zo eenvoudig als het hier gebracht wordt. Als de film eindigt ben je als kijker tevreden, maar ook benieuwd hoe het de karakters verder vergaat. Jammer dat Spider-Man 3 in vergelijking met deze film eigenlijk een teleurstelling is.

Omdat de film in 2004 is uitgekomen, ga ik niet heel erg mijn best doen om ‘spoilers’ te voorkomen. Als je de film niet hebt gezien, zorg ik wel dat er nog wat verrassingen voor je overblijven, maar ik zal wel wat meer verklappen over het plot dan ik gewend ben.

Ik heb de film al heel wat malen gezien, maar de laatste keer vielen met twee dingen meer op dan normaal. Een daarvan is wat persoonlijker, dus die bewaar ik voor zo meteen. De ander is dat dit verhaal wel heel duidelijke verwijzingen naar het verhaal van Jezus bevat. De held heeft twee naturen: de bovennatuurlijk snelle en krachtige Spider-Man en de kwetsbare, gevoelige mens Peter Parker. Hij moet een op hol geslagen trein tot staan brengen. Hij doet dit met uitgestrekte armen - een houding alsof hij wordt gekruisigd. Hij heeft het masker van Spider-Man afgezet en wordt gezien als de mens die hij is. En het is duidelijk hoe zwaar het gewicht van de trein (een microskosmos van de mensheid met individuen van allerlei leeftijden en nationaliteiten) op zijn schouders drukt. Uiteindelijk verliest hij het bewustzijn. De mensen vragen zich af of hij dood is. Spider-Man wordt over hun hoofden getild, alsof hij ten grave wordt gedragen. Dan blijkt hij nog te leven. Hij heeft er opeens volgelingen bij, die door zijn opoffering zijn geïnspireerd om zelf ook heldhaftig te zijn. En aan het slot van het verhaal verslaat hij de slechterik niet met de kracht van Spider-Man maar met de zwakheid van Peter Parker. Zijn dit soort overeenkomsten met het verhaal van Jezus bewust aangebracht? Misschien. Ik denk echter van niet. Ik denk dat onze verhalen automatisch mee gaan bewegen met het Verhaal van de Werkelijkheid. Er vindt resonantie plaats - de snaar gaat meebewegen met de andere snaar. En in het geval van deze film is dat mijns inziens goed zichtbaar.

Het tweede dat mij opviel, was hoeveel ik van mijn eigen leven in het verhaal van Spider-Man herkende. Het belangrijkste thema van de film is hoe wij dat wat wij doen of wat ons is aangedaan zoveel waarde kunnen toekennen dat ons leven erdoor bepaald wordt, in plaats van dat wij ons leven zelf kunnen bepalen. Wij verliezen onze vrijheid, zijn nog maar een schaduw van onszelf, en zijn niet in staat om te doen wat wij het liefste willen. We zitten in de klem. We lopen zelfs het risico een monster te worden, het tegenovergestelde van wat we willen zijn.

Dit is te zien in het karakter van Harry Osborn, de beste vriend van Peter. Hij gelooft echter dat zijn vader door Spider-Man om het leven is gebracht en wordt nu verteerd door maar een verlangen: om wraak te nemen. Als er iets gebeurt waardoor het slecht gaat met zijn bedrijf ‘Oscorp industries’, zegt hij zelfs letterlijk dat zijn vendetta tegen Spider-Man het enige is wat hij nog overleeft. Alles moet hiervoor wijken. Zelfs zijn vriendschap met Peter. Hij gaat drinken, scheldt en schopt. Hij is niet meer wie hij was. Hij heeft het verlangen naar wraak op de eerste plaats gezet in zijn leven, er zijn afgod van gemaakt, en nu wordt zijn leven erdoor bepaald. We gaan lijken op wat we aanbidden, zegt de bijbel ergens. Anders gezegd: wij kunnen niet groter zijn dan het verhaal waar we in leven. En als dat een klein verhaal is, blijven wij zelf ook klein. En een kleiner verhaal dan dat van wraak is er bijna niet. Ik denk daarom dat de bijbel ook waarschuwt dat we moeten oppassen dat er in ons hart niet een wortel van bitterheid opschiet, omdat die ons onze vrijheid kan afnemen en ons kan omvormen tot ‘wraakmachines’ in plaats van vrije individuen. Het verlangen naar wraak maakt ons eenkennige robots in plaats van volledige mensen.

Een ander karakter dat in de greep raakt van het verhaal dat hij over zichzelf vertelt, is Otto Octavius. Hij is gepassioneerd over zijn werk. Hij meent dat hij een doorbraak kan bereiken waardoor de wereld op een goedkope manier van energie kan worden voorzien, en er is zelfs kans op het winnen van een Nobelprijs. Dit is zijn droom, dit is waar hij al zijn tijd en kracht aan besteed. Als het experiment mislukt, kan hij het niet opgeven. Er is een ontwerpfout in zijn theorie, maar hij kan dat niet onder ogen zien. Hij moet en zal het nog een keer proberen, ook al moet hij daarmee de populatie van New York in gevaar brengen, ook al vervreemdt hij daardoor iedereen van zich. Hij is in de macht gekomen van zijn ambitie en hij is de vrijheid kwijtgeraakt om er ‘nee’ tegen te zeggen. Hij wordt beheerst door zijn droom, in plaats van andersom. In dit geval zelfs letterlijk. De vier armen waar hij zichzelf van heeft voorzien, hebben een eigen intelligentie met de opdracht fusie-energie tot stand te brengen. Ze fluisteren hem in, beïnvloeden hem. En hij gebruikt het zelfs als excuus om zijn eigen experiment niet te stoppen. Hij is niet meer vrij. Maar hij heeft wel uit eigen beweging ingestemd met de vier armen. Ze zeiden niet iets wat hij zelf niet dacht, ze sloten aan bij een ambitie die uit hem zelf kwam. Alleen omdat uiteindelijk iemand anders zich wil opofferen om de gevolgen van zijn zelfzuchtige keuzes ongedaan te maken, kan Dr. Octavius zijn eigen ambitie opzij schuiven. En als hij dat doet, als hij zijn eigen ambities opzij zet voor een ander, als hij zijn droom opgeeft, wordt hij een mens in plaats van een monster. Een mens wordt niet zo beheerst door zijn droom dat hij er andere mensen aan opoffert. Een mens heeft de vrijheid om anderen lief te hebben als zichzelf. Wie dat niet kan, is een monster.

En dan is er Peter Parker. De beginscènes van de film zijn eigenlijk moeilijk om te kijken, zo pijnlijk herkenbaar vind ik de worsteling van de hoofdpersoon. Hij zet zich in als Spider-Man om misdaad te bestrijden en voor zwakken op te komen, maar hij gaat er bijna aan ten onder. Hij heeft zijn persoonlijke leven volledig ondergeschikt gemaakt aan de taak die hij heeft opgenomen. Hij offert zijn carrière op, zijn scholing, zijn vriendschappen en zijn liefde. Allemaal omdat hij het idee heeft dat hij Spider-Man moet zijn. Het is minder iets dat hij wil, maar iets waarvan hij vindt dat het behoort. Zijn taak als Spider-Man is namelijk gebaseerd op schuld. Peter Parker vindt dat hij schuldig is aan het overlijden van zijn oom Ben. Als hij namelijk zijn krachten op een goede manier had gebruikt en een bandiet had tegengehouden, zou Ben Parker nog leven. Dat is een behoorlijke last om op je schouders te dragen. En dan zei zijn oom ook nog eens dat bij grote kracht een grote verantwoordelijkheid hoort. Dus denkt Peter dat hij niet anders kan dan zich inspannen. Hij gaat er echter zelf aan onderdoor. Zijn energie raakt op. Uiteindelijk wordt hij gedwongen te stoppen.
Ik denk bij deze scenes aan de jaren dat ik me uit alle kracht inspande om bijbel te lezen (vijf hoofdstukken per dag), te bidden (minstens een half uur), bijbelstudie te doen, bijbelteksten te memoriseren, naar de kerk te gaan, te evangeliseren et cetera. Het klinkt allemaal heel geestelijk. Maar ik deed het uit schuldgevoel. Ik was bang dat God boos op me zou worden als ik niet voor hem zou werken. Bovendien had ik van God een groot intellect gekregen en dat kwam met grote verantwoordelijkheden. Ik vond dat ik niet meer de boeken mocht lezen die ik zo graag wilde lezen, of de verhalen schrijven die ik zo graag wilde schrijven. Zelfs voor vriendschappen kon ik nauwelijks nog tijd vrijmaken. Maar deze christelijke activiteiten pasten niet bij me. Het was niet wat ik wilde, maar wat ik dacht dat ik ‘behoorde’ te doen. En zoals Peter Parker zijn energie kwijt raakte, zo gebeurde dat bij mij. Ik kreeg enorme slaapproblemen. Ik werd overspannen. Van de ene op de andere dag stopte ik met al dat werken. Wat een opluchting.

Peter geeft zichzelf de toestemming gewoon Peter te zijn. Hij volgt de lessen waar hij zo van houdt (en wordt de beste van de klas), repareert zijn bromfiets, en bezoekt eindelijk een van de toneelvoorstellingen van Mary Jane. Hij geniet eindelijk van zijn leven. En hij vindt de vrijheid om eerlijk te zijn naar zijn tante May. Hij wil het geheim van zijn schaamte niet meer alleen met zich meedragen, maar besluit het met anderen te delen. Het lijkt met Peter voor de wind te gaan. Maar dat is maar schijn. Hij ziet namelijk hoe iemand op straat beroofd wordt, en realiseert zich dan dat hij daar niet zomaar aan voorbij kan lopen. Zijn verlangen om Spider-Man te zijn was niet alleen maar gebaseerd op schuldgevoel, maar ook op een positief verlangen om iets goeds te doen voor andere mensen. Hoe hij het ook probeert, hij kan echter zijn krachten niet meer terugkrijgen. Hoe hij zich ook inspant.
Ook dat herken ik wel. Na mijn overspannenheid volgde een periode van vrijheid, van ontspanning, van soms pijnlijke eerlijkheid. Maar het was de ontspanning van het negatieve, ontspanning omdat er iets ontbrak in mijn leven - de eeuwige overheersing van het schuldgevoel, de rust van het niet meer behoren te werken. Er was iets van mijn afgevallen. Maar ik ervoer ook een leegte. Er was niet iets positiefs terug gekomen in mijn leven. Ik was stuurloos geworden. Ik heb geprobeerd te schrijven, maar ik kon zelfs dat niet omarmen als mijn roeping, als iets dat bij mij paste. Ik zei dat ik eigenlijk verhalen wilde schrijven, maar het lukte me niet. De inspiratie leek verdwenen. De behorens kwamen steeds weer terug. De vrijheid was dus van korte duur.

Twee dingen leiden voor Peter uiteindelijk tot werkelijke vrijheid. Ten eerste de onvoorwaardelijke liefde die hij ervaart van zijn tante. Ze vergeeft hem voor zijn rol in de dood van zijn oom, en zegt hem dat ze van hem houdt. Zoals hij is, superheld of niet. Ze is niet in hem teleurgesteld. Voor haar hoeft hij niets te doen. Hij hoeft niet te presteren. Hij hoeft helemaal niets. De opluchting bij Peter Parker is op zijn gezicht te zien. Onvoorwaardelijke acceptatie is de eerste stap naar vrijheid. Zolang Peter dat nog niet had ervaren, zou zijn vrijheid alleen de vrijheid zijn van het ontbreken van overheersing, niet de vrijheid van het werkelijk jezelf kunnen zijn. Want Peter geloofde nog niet dat het genoeg was echt zichzelf te zijn. Hij wist alleen dat hij zich niet meer kon laten overheersen door zijn schuldgevoelens. Als zijn tante May zegt dat hij geliefd is, ook als hij niets doet, is hij pas echt vrij om iets te gaan doen. Positieve vrijheid. De vrijheid van leven in overeenstemming met wie je bent.
De tweede ontdekking die Peter doet is dat hij om te leven in overeenstemming met wie hij is niet afhankelijk is van omstandigheden buiten hem om. Hij is niet afhankelijk van zijn krachten als Spider-Man. Hij is niet afhankelijk van het superheldenpak dat hij gemaakt heeft. Er hoeft niet aan voorwaarden te worden voldaan voor hij zichzelf kan zijn. Hij kan ook als de eenvoudige Peter Parker al het goede doen.
Ook deze dingen herken ik heel sterk. Een groot deel van mijn geestelijke reis van de afgelopen jaren was te leren ontdekken dat God onvoorwaardelijk van mijn houdt, dat hij van mijn houdt zoals ik ben, niet zoals ik zou moeten zijn. Ontdekken dat ik hem niet kan teleurstellen, omdat hij alles weet wat ik heb gedaan en ooit zal doen, en toch van mij houdt. Ontdekken dat ook als ik nooit meer iets zou presteren, dat hij mij in zijn armen sluit als zijn geliefde zoon. Die liefde maakt me vrij om rond te kijken naar wat ik wil doen. Die liefde maakt me vrij om eenvoudig te schrijven, om te tekenen, om te bloggen. Ik mag doen wat ik wil, want Gods liefde is onvoorwaardelijk.
En om te doen wat ik wil, ben ik niet afhankelijk van anderen. Ik stopte ooit met schrijven nadat een manuscript door een uitgever was afgewezen. Ik dacht dat ik om door te gaan met schrijven afhankelijk was van publicatie. Ik meende dat ik afhankelijk was van erkenning. Maar dat was niet zo. Ook al zou niemand mijn verhalen lezen, ook al zou ik ze alleen voor mezelf schrijven, ik zou ze mogen schrijven. Om mijn creativiteit uit te leven heb ik niets anders nodig dan papier en een potlood (of een MacBook air, dat werkt ook). Het zijn niet mijn omstandigheden die mij bepalen. Of er ooit nog iets van mij wordt uitgegeven, of niet, ik ben schrijver. Zoals Peter Parker een held is, of hij ooit nog Spider-Man kan worden of niet.

En dan is er dat moment waarop Peter Parker daadwerkelijk weer Spider-Man wordt. Zijn vriendin wordt bedreigd. Op dat moment weet hij het opeens: dit is wie ik ben. Dit is wat ik wil. Op dat moment is hij helemaal niet met zichzelf bezig (zoals eerder, toen hij ook probeerde om weer Spider-Man te worden). Hij denkt niet aan zichzelf, hij denkt alleen aan Mary Jane. En hij breekt door een hele laag puin heen. Hij is Spider-Man!
Dat moment kwam voor mij afgelopen jaar, toen ik voor de tweede keer ziek thuislag met wondroos. Ik realiseerde mij dat als ik dood zou gaan (zo ernstig was het gelukkig niet, maar wondroos is toch niet mis) ik vooral spijt zou hebben van het feit dat ik geen verhalen zou hebben geschreven. Ik had het er al jaren over dat ik weer wilde schrijven, maar ik deed het niet. Ik dacht dat het was omdat ik geen inspiratie meer had, dat er geen ideeën kwamen. Maar de realiteit was dat ik mezelf geen toestemming gaf om dag en nacht over mijn verhalen te denken. Ik stond mezelf in de weg. Toen ik besloot om weer te schrijven en mezelf de toestemming gaf te doen wat ik het liefst wilde, begonnen de ideeën weer als vanouds te borrelen. En hoe veel ik ook schreef, ik werd er niet overspannen van. In plaats van slechter te slapen omdat ik zo hard werkte, sliep ik er beter door. Mijn schouders waren minder opgetrokken en ik was (volgens mijn vriendin) vrolijker. Ik was meer mezelf. Want ik had mezelf toestemming gegeven om te schrijven. Dit was net zo’n moment als Peter die door het puin breekt.
Het is ook een keuze waarop ik niet meer terug zal komen. Zoals Peter op dat moment wist dat hij Spider-Man was, weet ik dat ik schrijver ben. Niemand kan dat van me af pakken. Deze keuze was namelijk niet gemaakt doordat ik me op mezelf richtte, ik maakte de keuze niet omdat ik iets wilde bewijzen. Zoals Peter was ik niet op mezelf gericht. Ik was gericht op het schrijven, zoals Peter was gericht op Mary Jane. En omdat ik op iets buiten mezelf gericht was, was ik werkelijk vrij. Er was geen sprake meer van schuldgevoel en verplichting, zoals eerst. Ik mocht gewoon doen wat ik wilde doen. Voor Peter was dat Spider-Man zijn, voor mij was dat schrijven.