Posts tonen met het label koninkrijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label koninkrijk. Alle posts tonen

vrijdag 18 september 2015

Boekbespreking: The Zero Marginal Cost Society (3): de fractal van Gods koninkrijk

Wat we volgens Rifkin zien doorheen de ontwikkeling van de mensheid (van steentijdstammen tot derde industriële revolutie) is dat de inherente sociale natuur van de mens steeds meer zichtbaar wordt en steeds meer dat 'anders' is in zich sluit. En deze ontwikkeling richting de Homo empathicus wordt niet bereikt door enkele individuen, is niet afhankelijk van onze eigen inzet. Het lijkt een ontwikkeling te zijn die zichzelf voortbrengt: nieuwe innovaties in communicatie, vervoer en energie leiden tot een nieuw bewustzijn bij de mens, en dat gaat leiden tot nieuwe innovaties. Het is niet van elkaar te scheiden: er is ontwikkeling op alle terreinen en die dragen allemaal aan elkaar bij. Het betekent ook dat het niet te stoppen is. Het is niet voor niets dat juist in deze tijd de Chaostheorie in opmars is, want deze lijkt dit proces prima te beschrijven.

Chaostheorie beschrijft hoe uit een chaotisch systeem bij een heel kleine verstoring al heel complexe patronen kunnen ontstaan, schijnbaar spontaan, zoals fractals. Dit blijkt op veel terreinen te gelden: het weer bijvoorbeeld. Maar ook bij de aanleg van organen in het lichaam. De werkelijkheid lijkt een fractalstructuur te hebben. Martin Brasier past het principe in Darwin's Lost World toe op de evolutie. Het ontstaan van leven kan namelijk worden beschouwd als het effect van een chaotisch systeem dat zoekt naar een equilibrium. Hierbij ontstaat toenemende complexiteit (een fractal). Dit geldt voor de vorming van een cel (veel complexer kan een structuur niet zijn) uit het chaotische chemische systeem van de 'oersoep'. De opkomst van meercellig leven was op gelijke wijze het effect van het complexe systeem van eencellig leven dat in een crisistoestand terechtkwam en een nieuwe evenwicht zocht. Dat evenwicht is nu, na bijna 600 miljoen jaar, nog steeds niet bereikt en de opkomst van mensen en het ontstaan van bewustzijn zijn steeds complexere uitingen van het naar evenwicht zoekende systeem: steeds verdere vertakkingen van de fractal.
Welke richting deze ontwikkeling van chaotische systemen uitgaat wordt bepaald door een 'strange attractor' - zoals de route die een lawine volgt, wordt bepaald door de valleien in een berghelling. Onder de chaos van onze wereld schuilt dus een principe, de 'strange attractor' dat als vanzelf' het menselijke bewustzijn voortbrengt. En dit bewustzijn ontwikkelt zich, zoals we zagen, nog steeds, naar steeds meer samenwerking en empathie! Mensen kunnen dit met hun bewuste handelen misschien tijdelijk tegenhouden, maar ze kunnen het niet stoppen. Wij behoren namelijk tot het systeem zelf, en niet tot de 'strange attractor' onder het systeem!

Zo zien we dus dat zonder dat het een bewuste keuze is, de beschikbaarheid van nieuwe technologie nu al bij jongere generaties leidt tot een andere manier van leven. Waarbij delen vanzelfsprekend is, toegang tot wat nodig is een recht, en iedereen er bij moet kunnen horen. Mijn jonge nichtje groeit op in een heel andere wereld dan ik, zonder dat een enkel persoon heeft gekozen dat die wereld er moet komen. De komst van de nieuwe wereld is een gegeven, inherent aan de 'strange attractor' onder onze wereld.
Ik zie hier een connectie met de sacramentele manier van naar de wereld kijken (versus de transactionele manier) en de manier waarop Jezus spreekt over het koninkrijk van God: een realiteit die al aanwezig is, maar nog zichtbaar aan het worden is. Als gist dat deeg doortrekt, en het hele deeg verandert, of als zaad in de akker. Wat als de 'strange attractor' die de schepping naar een steeds hoger organisatieniveau brengt en mensen naar een steeds hoger niveau van empathie, niets anders is dan de aanwezigheid van God, dan zijn koninkijk? Wat als wij er niet voor verantwoordelijk zijn, maar zijn aanwezigheid in de chaos uiteindelijk de nieuwe wereld daaruit voort laat komen? Wat als alles wat wij om ons heen zien opbloeien aan samenwerking en aan liefde uitingen zijn van dit proces, de eerste tekenen van wat nog gaat komen? Wat als God ooit alles zal zijn en in allen, en dat er dan geen tempel meer zal zijn, en geen handel, maar dat het Lam het licht van de mens zal zijn? Wat als deze aanwezigheid van God onder alle dingen, die door de geschiedenis heen leven brengt uit de dood, en complexiteit uit chaos, volmaakt is zichtbaar geworden in de dood en opstanding van Jezus, en nu al gedeeltelijk zichtbaar wordt in ons eigen leven, elke keer als we ervoor kiezen betekenis te creëren of elkaar lief te hebben?

Natuurlijk zullen er christenen zijn die deze manier van naar de wereld kijken te positief vinden, die erop wijzen dat volgens de bijbel alles slechter zal worden, eindigend in een apocalyps, waarna alles in vuur zal vergaan. De op dit moment standaard toekomstverwachting van de evangelische kerk is voortgekomen uit de Vergadering van Gelovigen, een van de kerken die opkwam tegelijk met het ontstaan van het kapitalisme. En die dus door hetzelfde escalerende 'wij-zij'-denken, het schaarstedenken, wordt gekenmerkt. Ik schreef hierover in mijn essay over de laatste Hunger Games-film.
De realiteit is echter dat dit niet de enig mogelijke interpretatie is van de schriften. Het is ook mogelijk aan te nemen dat de woorden van Jezus in Mattheus 24 en de beschrijvingen uit Openbaring bedoeld waren voor de gelovigen in die tijd, die hun eigen apocalyptische ervaringen zouden hebben: de val van Jeruzalem, en de christenvervolgingen in het Romeinse rijk. Zij kregen de aanmoediging hoop te houden, te blijven strijden tegen het oude wereldsysteem en te hopen op de toekomst die zou komen. Dezelfde aansporingen kunnen wij goed gebruiken in onze strijd. Niet tegen vlees en bloed, maar tegen overheden en machten in de hemelse gewesten: de mensonterende geest achter het kapitalisme en het fundamentalisme. Tegelijk zeggen de christenen die op deze andere manier de bijbel uitleggen dat we in de tijd leven van de regering van Christus ('het millennium'), waarin het koninkrijk (zij het onder tegenstand) steeds duidelijker zichtbaar wordt. Het is niet tegen te houden. En als het volledig zichtbaar is, de nieuwe wereld is gearriveerd, zal de Koning zelf komen en zullen wij hem tegemoet gaan om hem binnen te halen.
Ook deze uitleg is geen moderne inventie, maar heeft goede papieren in de geschiedenis van de kerk. Zou het dan kunnen zijn dat de nieuwe initiatieven die we om ons heen zien verschijnen, de komst van een empathische cultuur, niet een rijk van de antichrist is waar we weer bang voor hoeven zijn, maar juist een uiting van de komst van de koning, een teken dat zijn terugkeer nabij is? En zou het kunnen dat we de komst van deze nieuwe wereld niet kunnen tegenhouden, maar dat de uitnodiging is om eraan bij te dragen? Ook het koninkrijk van God wordt realiteit met of zonder ons, maar Jezus nodigt ons uit om ervoor open te staan 'als een kind', en het in ons leven al zichtbaar te laten worden. Dan worden we een korreltje in de fractal, een steen in de tempel die nu wordt gebouwd.
Ik schreef al eerder op mijn blog over deze dingen onder de titel 'Het spel verlaten'. En nu pas, tijdens het schrijven van deze wel heel uitgebreide boekbespreking, realiseer ik me dat die serie erover ging dat ik afscheid nam van de oude structuren gebaseerd op angst en het onder controle houden van mensen. Dat spel wilde ik niet meer meespelen. Maar pas nu zie ik de contouren opdoemen van het alternatief, en wat een fantastisch visioen is het! Dit is het waard om voor te leven! Je moet eerst het oude systeem verlaten, voor je oog kunt krijgen voor het nieuwe! Over wat dit betekent voor de kerk, zullen we met elkaar nog moeten nadenken. Het zal waarschijnlijk, net als in de nieuwe economie, gaan over samenwerking, netwerken, delen en toegang hebben tot. Ik ben benieuwd wat er op dat gebied allemaal gaat ontstaan.

Rifkin geeft in zijn boek allerlei inspirerende voorbeelden van de 'collaborative commons', de nieuwe manieren van samenwerken en van delen die voor de komende generaties steeds vanzelfsprekender worden. Ikzelf zoek al naar foto's op Morguefile en naar inspirerende kunst op Deviantart. Mijn vrouw luistert muziek en kijkt video's op Youtube. Mensen boeken geen hotelkamers meer, maar logeren bij anderen via couchsurfing en AirBnB, en ze delen auto's met elkaar via Greenwheels. En elke dag staan er in de krantjes artikelen over de opkomst van robots, het belang van empathie, en nieuwe ideeen op het internet, zoals Kickstarterprojecten en andere vormen van crowdfunding. Rifkin schrijft over nieuwe vormen van landbouw, waarbij mensen zich aansluiten bij coorperaties en samen inkopen gaan doen. Ze investeren samen in een boerderij en krijgen er groente voor terug. Een ander mooi initiatief dat hij beschrijft is een systeem waarbij moeders kinderkleding uitwisselen. In plaats van om de paar maanden nieuwe kleren te kopen (heel verkwistend), doen ze de oude kleren in een zak die ze opsturen. En ze krijgen een zak met kleding in een grotere maat terug. Het systeem werkt zo dat mensen ervoor beloond worden als ze niet versleten kleding opsturen. Prachtig om te lezen!
Dit soort verhalen leiden ertoe dat ik voor het eerst in lange tijd hoop heb voor de toekomst. Eindelijk kan ik er naar vooruitzien echt tot bloei te komen, in plaats van slechts te overleven. En het boek onthulde ook dat in mij een verborgen radicaal schuilt. Want ik geloof werkelijk in de uitgangspunten achter deze nieuwe economie. We zijn bedoeld om met elkaar te delen van onze overvloed (zoals in de tuin van Eden). En ook zijn muziek, ideeen en verhalen geen producten die op de markt verkocht kunnen worden, maar moet ieder mens er toegang toe kunnen hebben. De menselijke geest mag niet door het kapitalisme worden omheind. Een muzikant, en ook een schrijver, wil ook dat mensen kunnen delen in zijn/haar muziek, verhalen, ideeën. Aan de andere kant zal een samenleving die leeft op basis van overvloed mensen willen vrijstellen om muziek, verhalen en ideeen te genereren. Daarvoor zullen ze de muzikanten, schrijvers en denkers willen ondersteunen, maar op andere manieren. Dit zie je al in de wereld van de 'open source software', waar men bijvoorbeeld instructieboeken koopt, zodat de programmeurs nog meer gratis software kunnen maken. Zo zal het uiteindelijk voor een schrijver ook gaan. Nu zitten we nog tussen systemen in, en dus zal voorlopig nog voor boeken van mij betaald moeten worden, maar ik ga ook zoeken naar andere manieren om zoveel mogelijk mensen goede verhalen te laten lezen. Deze blog is daar eigenlijk al een voorbeeld van, met gratis gedichten, filmbesprekingen en essays! Ik ben al deel van de nieuwe wereld, zonder dat ik er bewust voor heb gekozen. Precies zoals het is met het Koninkrijk van God.

Rifkin zelf houdt zich aan de principes in zijn boek: 'The Zero Marginal Cost Society' is gratis te lezen op PDF

vrijdag 6 december 2013

Over de drempel (7 en slot): De openbaring van het koninkrijk

Over het eind van de geschiedenis wordt in de bijbel gezegd dat ‘God zal zijn alles en in allen’ (1 Korintiers 15:28). Ik begreep deze uitspraak vroeger niet. Of in elk geval kon ik niet begrijpen hoe het met deze woorden geschetste toekomstbeeld iets aanlokkelijks kon zijn. Het leek namelijk een wel heel statische toekomst. Alsof de geschiedenis op dat moment tot stilstand zou zijn gekomen. Alsof vanaf dat moment niemand meer een initiatief zou kunnen nemen, er geen nieuw kunstwerk geschapen zou kunnen worden, geen nieuwe relaties zouden kunnen worden aangegaan, alsof alle dingen en alle mensen in God zouden zijn opgenomen en voortaan geen enkel eigen bestaan meer zou kunnen leiden. Het leven dat ik nu leidde was kennelijk onbedoeld chaotisch, vruchtbaar, origineel, maar als een hemelse archivaris zou God dan de rommel opruimen. De Borg uit Star Trek riepen voor mij hetzelfde angstgevoel op.
In deze toekomst zou ik bovendien niet mezelf kunnen zijn. Mijn persoonlijkheid had geen waarde. Mijn verlangens deden er niet toe. Ik heb in de kerk waarin ik opgroeide letterlijk dingen gehoord als dat ik in de eeuwigheid me niets meer van mijn leven op Aarde zou herinneren (een breuk in persoonlijke identiteit. Maar waarom zou ik me dan nu over dat leven druk maken?). Ik vond zelf onze kerkdiensten niet altijd even inspirerend, en keek niet uit naar een eeuwigheid van aanbidding. ‘Maar God zal er wel voor zorgen dat je dan wel van aanbidding houdt’, zeiden goedb edoelende mensen. Hij zou me dus hersenspoelen, mijn verlangens veranderen als ‘Big Brother’ in Orwells grimmige 1984. Ik hoorde dingen als zou ik in de eeuwigheid mijn familie en vrienden niet meer belangrijk vinden, en zelfs dat er in de eeuwigheid geen mannen of vrouwen zouden zijn, maar dat we allemaal neutraal zouden zijn - alsof mijn identiteit als man totaal geen betekenis had. Geen wonder dat ik niet naar de hemel uitkeek. Ik was alleen nog banger voor de eeuwige bewuste marteling van de hel, zoals we daarover hoorden - als ik niet de juiste leerstellingen over God geloofde zou hij mij tot in eeuwigheid zelf helse pijnen laten doorstaan. Dit roept wel vreemde vragen op over het karakter van God. Als God zo is, waarom zouden we dan de eeuwigheid in zijn gezelschap willen doorbrengen? Zou een eeuwigheid in het gezelschap van een almachtige sadist niet de hel zijn?
Ik moest erg lachen om een ‘spoken word’-stuk van christenartiest Larry Norman op een van zijn CD’s. Het gaat over een prediker die zijn publiek waarschuwt tegen de hel. Een van zijn toehoorders onderbreekt hem, en vraagt: ‘Preacher, is it true what you say, that hell is full of drink, cards and loose women?’ En de prediker antwoordt dat het zo is. De man slaakt een zucht en zegt: ‘If hell is filled with drink, cards and loose women, oh, death, where is thy sting!’ Ha! Het is toch vreemd als ons beeld van de hel aantrekkelijker is dan ons beeld van de hemel, of het koninkrijk van God.
Zelfs in gemeentes waar niet zo streng over de hel gepredikt wordt, zijn weinig christenen die naar de toekomst van God verlangen. Mensen hopen zelfs dat de Heer nog uitblijft, omdat volgens hen dit leven te prefereren is boven het toekomende leven. ‘Ik wil eerst nog zus en zo hebben meegemaakt’ (meestal het huwelijk). We moeten het er nu van nemen, eten en drinken, want morgen gaan we naar de hemel. Eigenlijk geen ander beeld dan dat van mensen die niet in de opstanding geloven (vergelijk 1 Korintiers 15:32). Het meest positieve dat mensen over de hemel kunnen zeggen, is dat er dan geen pijn zou zijn. Daarom zijn het vooral mensen met pijn of moeite die in deze kerken naar de hemel uitkijken (ik kreeg zelfs te horen dat ik zo naar de toekomst verlangde, omdat ik nog vrijgezel was). Maar de hemel is in deze visie nog steeds niet beter dan het niet-bestaan. Een statisch eeuwig zijn is niet wat ons van nature aanspreekt. En dat is dan reden om ons eigen verlangen, de basis van onze identiteit, nog verder te wantrouwen, en te onderdrukken. Want ons verlangen naar meer, naar schoonheid, betekenis en intimiteit, brengt ons voor ons gevoel alleen maar in problemen. We reduceren onszelf alvast tot bevelen opvolgende robots, omdat dat in de eeuwigheid alles zal zijn wat van ons zal overblijven. Resistance is futile.

Ik denk dat ons beeld van onze toekomst tekortschiet, omdat ons beeld van God tekortschiet. We zien onze toekomst niet als goed, omdat we ten diepste niet geloven dat God goed is. Oh, we geloven dat hij goed is, in de zin dat hij niet slecht is, dat kwaad en slechtheid in hem ontbreekt. Maar we geloven niet dat hij actief goed is. Dat hij ons liefheeft, dat wil zeggen: dat hij het beste voor ons verlangt en zich ook inzet om dat aan ons te geven. Dat hij een relatie met ons zou kunnen hebben. We zien God als de onbewogen beweger. Als de macht die alle gebeurtenissen in gang zet, maar zelf nergens door bewogen wordt. Die zelf niet gevoelig is, die niet geraakt wordt. Een macht zonder leven, innerlijk of aan de buitenkant. Eigenlijk zien we God niet als persoon, want we geloven niet dat God verlangens heeft. En verlangens zijn wat ons een wil geeft, wat ons tot personen maakt. Wat maakt dat we kunnen liefhebben.
Dat is niet het bijbelse beeld van God. Dat is niet het beeld van de drie-enige God, die tegen zichzelf zegt ‘laat ons ...’, die een bewegende, dynamische relatie IS. Dat is niet het beeld van de schepper, die uit het niets alles tot aanzijn roept, van het geringste snuitkevertje tot het verste melkwegstelsel, die creatief is. Dat is niet de God die deze schepping elke dag nog steeds actief onderhoudt. Dat is niet het beeld van de God die met zijn schepselen in de tuin wilde wandelen in de avondkoelte, hen wilde leren kennen, en met hen wilde lachen. Dat is niet het beeld van de God die toen zijn schepselen zich van hem afkeerden en voor de dood kozen, zodat ze blind werden voor zijn aanwezigheid in de schepping, zelf deel werd van hun wereld door mens te worden. Niet een zielloze, bevelen opvolgende robot, maar een volledig levend, enthousiast, verlangend mens. Dat is niet het beeld van de God wiens innerlijk in hem bewogen wordt als hij aan zijn troetelkinderen denkt (Jeremia 32), of die als de vader van de zoon hem tegemoet rent en hem zijn jas omhangt. Dat is niet de god die de dood overwint, en de mensen nieuw leven geeft en een nieuwe schepping maakt, waar gerechtigheid woont. Dat is niet de God die de bron is van elk leven, elke beweging, die zoals Chesterton vermoedde, gekenmerkt wordt door vreugde, door het genot zichzelf te zijn. De God die door theologen wordt beschreven als de ‘perichoresis’, de dans.
De God die zich heeft geopenbaard in Jezus Christus handelt, verlangt, heeft lief. Zo is God. We kunnen hem misschien niet beschrijven als een menselijk persoon, maar niet omdat hij minder persoonlijk zou zijn dan wij, maar juist omdat hij bovenpersoonlijk is. Zijn levenslust, zijn passie, zijn verlangen, zijn zo groot dat ze voortdurend uit zijn binnenste overstromen tot ze in ons terechtkomen, en ons in beweging brengen. Zijn verlangen is de muziek die maakt dat wij willen dansen.
Als dit de God is die uiteindelijk alles en in allen zal zijn, als zijn innerlijke leven de dans is waar wij allen deel van zullen uitmaken, is dat geen schrikbeeld. Dan wordt dat iets om naar te verlangen. Want dan betekent het dat wij niet minder onszelf zullen worden, maar meer. Dat we niet minder zullen verlangen, maar meer. Dat we niet minder creatief zullen zijn, maar meer. En dat we niet minder liefde zullen ervaren, maar meer. Tolkien zegt dat door het lezen van een goed sprookjesverhaal onze diepste verlangens worden vervuld, maar dat ze tegelijk ook oneindig worden aangescherpt (in Over Sprookjesverhalen). Zo zal het in de eeuwigheid ook zijn. En dat betekent dat we ons nooit zullen vervelen, want we worden niet opgenomen in een eeuwig computersysteem, maar in een eeuwig leven. Zodra we God zien als werkelijk goed, en zijn verlangens als werkelijk levensbrengend, wordt de toekomst er een om naar uit te kijken. Ook hier is het belangrijk welk beeld we van God hebben.

De grote, levende, persoonlijke God, de dansende drie-eenheid, vindt ons belangrijk. Daarom wordt in de bijbel niet gezegd dat wij naar de hemel gaan. Nee: er staat dat het nieuwe Jeruzalem, de stad van God uit de hemel zal neerdalen. Naar ons toe zal komen. God zal onder de mensen wonen. Johannes gebruikt in Openbaring sacramentele beelden. Hij zegt dat de mensen geen tempel meer nodig hebben, want God zelf zal onder hen wonen. Ze zullen geen zon of maan meer nodig hebben, want het lam, Jezus, zelf zal hun licht zijn. Dit wil volgens mij zeggen dat de hele werkelijkheid zichtbaar zal zijn. Gods koninkrijk, nu nog verborgen onder de grond van de geschiedenis, is dan openbaar. We zullen dan kennen, zoals we nu zelf gekend zijn. We zullen de beelden niet meer nodig hebben. Die hadden we natuurlijk nooit nodig in een transactionele zin. De Kerk, doop, avondmaal, priesters en huwelijk brengen (zoals ik eerder in deze serie betoogde) niets tot stand dat niet al realiteit was. Ze laten iets zien dat nog niet zichtbaar is, maar al wel realiteit is. En dan zal het voor elk oog zichtbaar zijn, zoals de engelen die Elisa aan zijn knecht liet zien. De schaduwen zijn vervlogen in het licht van de zon. In Hebreeen 9:23 noemt de auteur de tabernakel en haar inrichtingen ‘afbeeldingen’ - dat zijn al onze sacramenten. “Maar wat geschapen is, wankelt en verdwijnt, zodat alleen blijft wat onwankelbaar is.” (Hebreeen 12:27). Daarom zullen we ze uit onze handen laten vallen en er nooit meer aan terugdenken, als we de werkelijkheid zien: de onvoorwaardelijke liefde van God, die leven brengt uit de dood, ons leven, uit onze dood, door Jezus onze Heer.
Maar in zekere zin zijn wij zelf ook sacramenten waarin iets van God zichtbaar wordt. Gods grote verhaal wordt zichtbaar in ons kleine verhaal. En ook wat ons betreft zal in die tijd de werkelijkheid de schaduw vervangen. “We weten nog niet wat we zullen zijn, maar we weten dat we Hem gelijk zullen zijn”, zegt Johannes (1 Johannes 3:2). En Paulus voegt toe dat de hele schepping wacht op het openbaar worden van de “vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt” (Romeinen 8:23). Ook dit betekent niet dat we minder onszelf zullen zijn dan nu, maar juist meer. Want in elk van ons wordt iets heel specifieks en unieks van God zichtbaar, en dat zal dan volledig tot bloei komen. We zullen als God zijn juist in zijn leven en verlangen, in zijn vrijheid en de indruk die hij maakt op zijn omgeving. In De Grote Scheiding van C.S. Lewis ontmoet de hoofdpersoon een van de hemelbewoners. ‘Ik kan me nu niet meer herinneren of ze naakt was of gekleed’, moet hij toegeven. ‘Als ze naakt was, dan was het ongetwijfeld de bijna zichtbare sluier van haar hoffelijkheid en vreugde, waardoor mijn verbeelding de illusie vasthield dat achter haar een lange, blinkende mantel over het blijde gras golfde. Als ze gekleed was, was de illusie van naaktheid vast en zeker het gevolg van de helderheid van haar innerlijk, die door de kleding heen scheen.’ De bijbel suggereert dat we uit de dood zullen opstaan in ons lichaam, maar tegelijk lijkt dat in de bijbelse beschrijvingen meer te zijn dan ons lichaam. Het lichaam is verheerlijkt, glorieus. Het is een lichaam dat geen schaduw meer is, maar werkelijkheid, zo werkelijk dat het net als Jezus in zijn opstandingslichaam door tijd en ruimte kan verplaatsen en tussen de atomen van een muur kan doordringen.
We zullen na onze opstanding bovendien helemaal tot onze bestemming komen. Onze verlangens (zelf al sacramenten waarin de verlangens van God zichtbaar worden) zullen worden vervuld. En dat zal voor iedereen anders zijn. Mijn diepe verlangens zijn namelijk anders dan die van jou. Maar al onze verlangens zijn bedoeld om door God volkomen vervuld te worden. Daarom zegt Lewis in The problem of pain: ‘God will look to every soul like it first love, because He IS its first love’. Ik aarzel om meer te schrijven over dit onderwerp, omdat ik de neiging heb alles van C.S. Lewis te willen aanhalen. Lees van hem het essay ‘The Weight of Glory’. Hij zal je overtuigen dat God ons verlangen niet te sterk vindt, maar eerder te zwak. Dat ons verlangen is wat ons bij Hem doet uitkomen. Hij maakt ook duidelijk dat er geen jaloezie zal zijn in de eeuwigheid. Zoals het er ook nu niet hoeft te zijn, als iemand helemaal zichzelf is. Ik kan bijvoorbeeld nu ervan genieten dat iemand graag wil rotsklimmen en daar helemaal voor gaat, juist omdat ik mezelf toestemming heb gegeven mezelf te zijn, en dus niet hetzelfde hoef te winnen.

Ik ben samen met mijn vrouw behoorlijk bezig met persoonlijkheidstypetheorie, voornamelijk aan de hand van de Myers Briggs Type Indicator. Die levert voor je persoonlijkheid een code op van vier letters. Ik kom uit testen als een INFJ - het zeldzaamste persoonlijkheidstype, volgens de websites. In de beschrijvingen van dit persoonlijkheidstype staat vaak dat het van nature spiritueel is, gericht op de groei van zichzelf en van anderen, en begripsvol voor anderen, maar streng naar zichzelf toe. (Wees gerust, deze paragraaf zal ook over toekomstverwachting gaan. Al is er over MBTI, persoonlijkheid en geloof een hele nieuwe serie artikelen te schrijven!). Nu had ik het er met mijn vrouw over dat de eigenschappen van een INFJ me als gelovige een voordeel zouden kunnen bieden. En ik vroeg me af of dat niet betekende dat ik nog meer mijn best moest doen. Ik dacht dat het betekende dat ik niet tevreden kon zijn met wat ik al voor de heer deed, als het bij mijn persoonlijkheidstype hoorde. Ondertussen vroeg mijn vrouw zich af waarom er niet meer INFJ’s waren in de wereld, omdat de wereld meer serieuze, gewetensvolle wereldverbeteraars kan gebruiken.
Ik besloot het een keer aan God te vragen terwijl ik over straat naar huis liep. En ik kreeg in mijn gedachten antwoorden. Antwoorden die ik ook heel mooi zou vinden als ze uit mijn eigen gedachten voortkwamen, maar voor zover ik wist waren het geen voor mij natuurlijke gedachten. En ze kwamen met de klank die ik met Gods stem heb leren associëren. Ik vroeg aan de Heer waarom er niet meer INFJ’s waren. Het antwoord dat ik kreeg was dat God er niet meer nodig had. Kennelijk was het voldoende voor zijn plan dat 1 procent van de populatie INFJ is en zijn er meer nodig van praktische, handelende persoonlijkheidstypes. Toen ik de Heer om meer vroeg, kreeg ik in gedachten dat het zelfs niet goed zou zijn als er meer waren. Per slot van rekening worden ook Hitler, Osama Bin Laden en Ayatollah Khomeini gezien als INFJ’s, ze kunnen mensen inspireren tot het goede, maar kennelijk ook tot het kwade. Ik vroeg de Heer of ik omdat ik INFJ was meer moest presteren. Maar ik kreeg in gedachten dat het enige wat ik hoefde doen was mezelf te zijn. Ik zou vanzelf anderen inspireren, inzichten en gedachten delen met belangstellenden, schrijven en spreken. En omdat 1 procent van de populatie INFJ is, ‘hoef’ ik in principe maar 99 mensen te bereiken (dat bedacht ik zelf). Het bracht me rust - ik hoef me niet te verkopen, ik hoef mezelf niet succesvol te maken, ik hoef niet op anderen te lijken. Ik mag mezelf zijn.
Tenslotte vroeg ik aan de Heer in mijn gedachten of het eerlijk was als ik in de eeuwigheid zou krijgen wat ik verlangde, als ik inderdaad krijg wat mijn verlangen is, namelijk steeds dieper in de betekenis van God te mogen afdalen. Maar ik kreeg in gedachten dat niemand jaloers op mij zou zijn. Want andere mensen willen niet hetzelfde als ik. In de eeuwigheid zal de een op zijn plek komen in het zingen en muziek maken met anderen, de ander in het verkennen van nieuwe werelden, de ander in het steed dieper doordringen in de diepten van God. En niemand zal jaloers op hen zijn, want ze zullen allemaal zichzelf zijn. Dit geldt voor alle persoonlijkheidstypen. God zal hen allen op hun eigen manier vervullen. Ook dat nam een laag van mijn schuldgevoel weg, en ik kon vrij ademhalen. God houdt van mij omdat hij God is en daarvoor kiest. Dat heeft hij laten zien in Jezus’ dood en opstanding. Ik mag dat accepteren en leven in die liefde, en mezelf accepteren als Gods geliefde kind. In die acceptatie mag ik mezelf zijn, doen wat mijn hand vind om te doen, en de mensen in mijn omgeving liefhebben. Meer niet. Zo goed is het goede nieuws!

donderdag 8 augustus 2013

Filmbespreking: Kingdom of Heaven

2005 was het jaar van Liam Neeson. In dat jaar speelde hij drie mentorfiguren in wel heel uiteenlopende films. En in alle drie de films stierf hij (al dan niet permanent). In Batman Begins was hij Ducard, die Bruce Wayne onder zijn hoede nam. In Narnia ontfermde hij zich als de stem van Aslan over de kinderen Pevensie. En in Kingdom of Heaven is hij kruisvader Godfrey die Balian aanneemt als zoon en hem leert zwaardvechten. De acteur is ook wel heel erg geschikt voor dit soort rollen. Hij beschikt over een serieuze overtuigingskracht, gekoppeld aan een duidelijke bewogenheid. Dat maakt hem geloofwaardig. Helaas is Orlando Bloom wat minder op zijn plek als ridder. Er is iets vlaks in zijn gezichtsuitdrukking, waardoor het niet altijd makkelijk is met hem mee te leven. Pas aan het eind van de film komt hij voor mijn gevoel meer tot leven. Gelukkig is hij omgeven door een groep fantastische acteurs, die de leemte opvullen, van de mooie Eva Green tot Edward Norton als de lepreuze koning Baldwin achter een zilveren masker. Ook Jeremy Irons heeft een prachtrol. Daarnaast zijn er de mooie omgevingen om naar te kijken - de film gaat van Frankrijk in de twaalfde eeuw naar Messina, door naar het beloofde land. En het voelt alsof je er als kijker echt bent, met een geloofwaardige middeleeuwse aankleding. De regisseur heeft een goed oog voor lichtval, vaak in mooie bundels. De oorlogsscenes zijn (net als in de andere historische film van Riddley Scott, Gladiator) prachtig in beeld gebracht, met in het slot een belegering die je op het puntje van je stoel doet zitten. Ik kijk zelf graag de ‘Director’s Cut’ van de film, omdat die een completer beeld geeft van de ontwikkelingen in het verhaal.

De film vertelt het verhaal van de jonge smid Balian. Hij krijgt de kans om met kruisvaarder Godfrey mee te gaan naar het beloofde land. Die kans grijpt hij met beide handen aan, want hij heeft juist zijn vrouw verloren, en heeft tot overmaat van ramp een misdaad begaan. Hij hoopt vergeving te kunnen vinden. Godfrey overlijdt aan een verwonding, maar niet voordat hij Balian tot ridder heeft geslagen en hem de heerschappij over Ibelin heeft overgedragen. Bovendien heeft hij Balian laten beloven de koning van Jeruzalem te dienen. Eenmaal in Jeruzalem ontdekt Balian dat die belofte niet zo makkelijk is na te komen. Jeruzalem is een smeltkroes van culturen waar de spanning te snijden is. De tempeliers sturen aan op oorlog, en de koning kan steeds maar net voorkomen dat strijdheer Saladin vanuit Damascus het land binnenvalt met zijn leger van 200.000 man. En de prinses Sybilla heeft een oogje op Balian. De jonge man vindt in Jeruzalem geen antwoord op zijn vraag aan God, maar wordt in plaats daarvan op de proef gesteld als hij de enige is die de inwoners van de stad kan redden van totale vernietiging.

Het is jammer dat er niet meer ridderfilms worden gemaakt, want het is een fascinerende periode van de geschiedenis. De botsing van beschavingen in het Midden-Oosten, de macht van de kerk botsend met individuele gewetens, het gevecht om menselijke waardigheid in een harde omgeving van ziekte en dood. Deze film toont de rauwe kantjes van de middeleeuwen, maar laat ook zien dat de mensen toen gewoon mensen waren, niet anders dan wij, met vaak dezelfde beslommeringen. En de kruistochten lenen zich erg goed voor een commentaar op religieuze conflicten van onze tijd, die zich nog steeds centreren rond dezelfde landen, het hart van de wereld, de oorsprong van de drie wereldgodsdiensten. Wie heeft er het meeste recht op het heilige land? Misschien geen van drieeen. Misschien wel alle drie. Want als alle drie net zo hard roepen dat hun overtuiging de enige ware is en alle andere gelovigen ketters die ter dood kunnen worden gebracht, wat maakt ze dan verschillend? Niet de mate waarin ze van hun gelijk overtuigd zijn. Fanatisme kan de strijd om de waarheid niet beslechten. Maar misschien draait het in het geloof niet om de ‘waarheid’. Misschien hoeven gelovigen uit de drie godsdiensten elkaar niet te bestrijden, maar kunnen ze samenkomen om wat hen en ieder mens bindt: de gouden regel, namelijk om anderen lief te hebben, de zwakken te beschermen en op te komen voor weduwen en wezen. Jakobus schreef al dat dit de ware godsdienst is.
Riddley Scott identificeert zich in interviews als agnost. Dat wil zeggen dat hij niet weet of God bestaat of niet - maar hij staat er in elk geval voor open. Aan de andere kant claimt hij dus ook geen religieuze zekerheid. Dat zorgt ervoor dat hij met een open blik naar de verschillende religies kan kijken, zonder een bril die hem gunstig stemt ten opzichte van de ene godsdienst, maar vijandig ten opzichte van de andere. Hij is immers agnostisch voor alle godsdiensten en hun goden. Dus worden in deze film de moslims niet als monsters afgeschilderd. Er is respect voor hun geloof. Ze worden getoond bij het bidden, en meerdere van hun aanvoerders blijken zelf ook respectvolle mannen, met bewogenheid, ook voor hun christelijke vijanden. Maar deze weergave is niet eenzijdig. Er zijn ook fanatieke moslims, die niets liever willen dan oorlog en de herovering van Jeruzalem. Dat is namelijk de wil van Allah, zeggen ze.
Maar hetzelfde zeggen de christenen die op oorlog aansturen. Deus Vult, God wil het, roepen de kruisvaarders, vlak voordat ze dood en verderf zaaien onder de moslims. Als christen draait mijn hart zich daarbij om. Maar het zijn niet alleen de ridders die dit roepen, ook de priesters, net zo fanatiek als de moslimfanatici. Een heiden doden is geen zonde, roept er een herhaaldelijk, het is de weg naar de hemel. Geen wonder dat de vrede van Jeruzalem zo fragiel is. Maar Scott is (zeker in de ‘directors cut’) niet alleen maar negatief over christenen. Al in het begin komt een bisschop voor die waarschuwt dat de wetten niet altijd zo ernstig moeten worden toegepast, en dat in naam van Christus veel gebeurt dat Christus zelf niet zou hebben goedgekeurd. Ook een Hospitaalridder die met Balian optrekt herhaalt dat. Hij houdt Balian voor dat hij Jezus niet moet gelijkstellen met zijn volgelingen. Ik moest denken aan het bekende citaat van Gandhi, die zei ‘I like your Christ, I do not like your christians’. Ik denk dat de regisseur dit citaat zou naspreken - hij heeft duidelijk respect voor Christus, die geweldloosheid predikte, en scheidt dit van de religie die in zijn naam is opgesprongen en volken uitroeit. Religie als machtsinstrument (wat het vaak wordt) wordt hier in zijn ontluistering ten toon gespreid. Wat mensen van hun geloof maken, zodra ze het zien als de bron van hun identiteit als onderscheiden van andere mensen (als volk, maar ook als individu), is een afgod, of ze nu Christenen zijn of Moslims. Dit geldt nu ook voor ons en onze kerken!

Maar er is een alternatief. Een betere wereld, die de koning van Jeruzalem en Saladin samen tot stand hebben weten te brengen. Een wereld waarin Jood, Christen en Moslim samen leven. Waar de machteloze een baron wordt en de machthebber een dienstknecht. Waar rechtvaardigheid heerst. Een plek waar mensen niet hun identiteit ontlenen aan wat ze geloven, maar aan hun liefde voor anderen. Dit is wat volgens ridder Godfrey te vinden is aan het einde van de kruistocht. Een omgekeerde wereld. Het koninkrijk van de hemel. Ik moest hierbij denken aan ‘The Kingdom of Summer’ uit de Arthur-verhalen van Stephen Lawhead. Ook dat werd voortdurend bedreigd en was uiteindelijk slechts een kort bestaan beschoren - want laten we eerlijk zijn: hoe lang kan het paradijs in onze wereld blijven bestaan? Maar hoe kort het ook bestond, toch was het waardevol, omdat het een profetie was. Als dit nu al, tijdelijk, tussen mensen mogelijk is, dan zal het ooit eens de hele Aarde kunnen bedekken, als de wateren de zee. Dat voorspelden de profeten, en hun profetie toont opvallende overeenkomsten met hoe het rijk van Jeruzalem wordt beschreven. Het is deze wereld waar ook Jezus over sprak in zijn gelijkenissen over het koninkrijk (waar de titel van de film ook vandaan komt!).
En het koninkrijk van Jeruzalem kan alleen bestaan op basis van de regels van het koninkrijk die Jezus in zijn bergrede uiteenzette. Het is een koninkrijk van het geweten, aldus Balian. Werkelijke godsdienst bevindt zich in het hoofd en in het hart, zegt de hospitaalridder. Hij glimlacht als Balian zegt de stem van God niet gehoord te hebben, en niet langer in God te geloven. Het gaat om juiste actie, zegt hij. Opkomen voor de weerloze, het verdedigen van de zwakke, goed te doen aan ieder. Zoals verwoord in de riddereed. Daarin is God aanwezig. Scott ontkent niet het bestaan van God (er is een interessante discussie over de brandende braamstruik van Mozes, die eindigt met een mysterie). Maar het belangrijkst is niet de vraag of God bestaat, maar of wij liefhebben. Dit is ook wat Jezus het belangrijkst vindt (de belangrijkste regels uit de wet zijn volgens hem God lief te hebben boven alles en de naaste (elke naaste, ook die uit andere godsdiensten) als jezelf). Een godsdienst die er niet toe leidt dat je jouw naaste respecteert en liefhebt, is geen ware dienst van God. Hij geeft meer om liefde dan om dogma. Lees de eerste brief van Johannes maar eens. Wie liefheeft, wat hij verder ook gelooft of niet gelooft, is uit God. Wie niet liefheeft, welke dogma’s hij ook mag aanhangen, is niet uit God. Balian omarmt dit radicale principe uiteindelijk. Zijn drijfveer is de wereld een betere plek te maken.

Zo goed zijn mensen echter helemaal niet! Balian is niet anders dan die mannen die op oorlog uitsturen. We kunnen niet uit onszelf goed doen. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt immers door ons eigen hart, aldus Solchenytzin. En dat weet ook Balian. De film begint er immers mee dat hij een afschuwelijke misdaad pleegt. Hoe kan dan de hoop van het koninkrijk der hemelen op zijn schouders rusten? Hoe kan hij leren liefhebben, niet alleen zijn vrienden, maar ook zijn vijanden? We kunnen onszelf niet redden, niet door religieuze plichtsbetrachting, maar ook niet door lief te hebben. We hebben immers nooit genoeg lief om aan de maatstaf van Gods perfectie te voldoen. Als we moeten liefhebben om daar onze redding mee te verdienen, zijn we gedoemd tot het oordeel. We zijn immers zelf ook schuldig. Balian weet dat. Er zijn soldaten achter hem aangestuurd en zij hebben het recht hem mee te nemen. En in dit dilemma ligt het hart van de film, en om deze reden is de rol van Liam Neeson hoewel klein, cruciaal. Want hoewel de soldaten het recht hadden Balian te nemen, had Godfrey datzelfde recht. En de vader nam het op voor zijn zoon, hoewel die het niet verdiend had.
In prachtige beelden ontfermt de vader zich over zijn zoon, spreekt vertrouwen in hem uit, en geeft hem een nieuwe identiteit. Hij slaat hem tot ridder. “Sta op als ridder!”, zegt hij. Deze nieuwe identiteit ontvangt Balian nog voordat hij iets heldhaftigs heeft gedaan, nog voor hij heeft laten zien dat hij in staat is anderen lief te hebben. Het is een verklaring over hem, die waar is, wat hij vervolgens ook doet. Zijn vader houdt van hem en noemt hem een ridder. Alles wat Balian vervolgens doet in de film, is gebaseerd op zijn nieuwe identiteit. Het thema wordt tegen het eind van de film herhaalt, als Balian zelf een groep strijders ridders maakt. Iemand vraagt aan hem: “Denk je echt dat een man die je een ridder maakt, daardoor een betere strijder wordt?” Balians antwoord is: “Ja!” En de kersverse ridders stralen (waarmee ze zijn woorden bewijzen). Een van hen is iemand die Balian van thuis kende, een grafdelver. Maar, zegt Balian: hij is niet meer de man die hij ooit was, zoals Balian dat ook niet meer is. Ze hebben een nieuwe identiteit in het koninkrijk der hemelen. En die nieuwe identiteit stelt hen in staat om Jeruzalem te verdedigen.
En dit is uiteindelijk de boodschap van het christelijk geloof. God vraagt geen onderwerping, zoals in de Islam. Hij spreekt onvoorwaardelijke aanvaarding uit, wat we ook hebben misdreven of ooit zullen misdrijven, zoals Godfrey (op aanraden van de Hospitaalridder) Balian onvoorwaardelijk aanvaardt. Dit heeft hij laten zien door tot ons te komen, mens te worden en zijn armen te spreiden aan het kruis (Godfrey sterft aan een wond in zijn zij, opgelopen toen hij Balian wilde redden). En vervolgens laat hij ons vrij om te kiezen (wat Sybilla aangeeft). Kiezen voor het pad dat leidt tot oorlog en vernietiging, van anderen en uiteindelijk van onszelf (zoals de fanatici aan beide zijden van het conflict), of kiezen voor het pad van de liefde voor ieder mens, het pad van zelfopoffering.  Balian moet zelf kiezen om Godfrey te volgen en in zijn ware identiteit te gaan leven. Net zo roept Jezus ons op om hem te volgen. Dezelfde eerste brief van Johannes die ik hierboven aanhaalde stelt dat we zeker kunnen zijn van onze identiteit: “Ziet welk een liefde de vader ons gegeven heeft dat wij kinderen van God genoemd zouden worden. En wij zijn het ook.” Omdat wij geliefde kinderen van God zijn, kunnen wij liefhebben “omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”. En als wij liefhebben wordt, hoe tijdelijk en hoe fragiel ook, het koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar.

woensdag 7 augustus 2013

Mijn favoriete boeken (1): 25 tot 16

Vorige week plaatste ik op mijn blog een lijst met mijn 25 favoriete films. Deze week zijn de boeken aan de beurt. Het kiezen van een top 25 van boeken bleek niet eenvoudig. Ten eerste omdat ik mogelijk over lezen nog enthousiaster ben dan over het kijken van films (het gevoel van een boek in je handen ... er is niets beters). Ten tweede omdat de diversiteit van boeken groter is (dit is een lijst met zowel fictie als non-fictie). Ten derde zijn het er meer en ik besef dat ik de schatkamers van de wereldliteratuur uit de 19e eeuw en daarvoor nog nauwelijks heb aanbegoord! Ik heb om me te beperken, besloten van elke auteur maar een boek in de lijst op te nemen, anders bestond de helft uit boeken van C.S. Lewis en G.K. Chesterton. Volgens mij heb ik een aardige selectie weten te maken. Eervolle vermeldingen gaan naar Nieuwe Maan (Anton Koolhaas), A Tale of Two Cities (Charles Dickens), Deadhouse Gates (Steven Erikson), The Ragamuffin Gospel (Brennan Manning) en Repenting of Religion (Greg Boyd).

25 What’s so amazing about Grace? (Philip Yancey)
Ik las dit boek kort na mijn periode van overspannenheid voor het eerst en raakte er diep van onder de indruk. Sindsdien heb ik het nog twee keer gelezen en elke keer weer drong de boodschap van de genade dieper tot me door. Misschien wel omdat dit geen typisch ‘bijbelstudieboek’ is zoals ik dat tijdens mijn overspannenheid gewend was te lezen. Philip Yancey benadert de bijbel en het christelijk geloof met een vernieuwende journalistieke insteek. Hij combineert (jawel) bijbelteksten met citaten uit films en literatuur (onder andere Babette’s Feast en Les Miserables), met gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis, met persoonlijke anekdotes, en met gesprekken met deskundigen. In dit boek behandelt hij het onderwerp ‘genade’. Zijn verhaal herkende ik direct: opgegroeid in een behoorlijk wettische kerkgemeenschap en daarop afgebrand, zocht Yancey naar wat dan wel de kern was van de christelijke boodschap. Dat was volgens hem de onvoorwaardelijke liefde van God - niet voor goede mensen, maar voor ‘bastards’. Die waarheid verandert levens. Zij veranderde het leven van Yancey, en uiteindelijk ook die van mij. Maar omdat genade kwetsbaar is, raakt ze in onze wereld van verdienste en verplichting makkelijk ondergesneeuwd. Daarom blijven boeken als deze onmisbaar.

24    Green Mars (Kim Stanley Robinson)
Deel twee van de Mars-trilogie van Kim Stanley Robinson. De eerste twee delen van deze serie (Red Mars en Green Mars) haalde ik ooit goedkoop bij de Slegte vandaan in Nederlandse uitvoering. Ik verslond ze en vond gelukkig later deel drie, Blue Mars, in het Engels. Robinson combineert een uitvoerige kennis van Mars (de samenstelling en de topografie) met goed doordachte speculaties, politiek bewustzijn en fascinerende karakters. Honderd astronauten komen op Mars en beginnen met het moeilijke proces om de planeet bewoonbaar te maken. Naarmate er meer kolonisten komen, ontstaan er ook politieke spanningen. In dit tweede boek komen die tot een confrontatie, die eindigt met een vrij Mars. Het derde boek vond ik minder spannend. Wie later dit jaar mijn eigen boek ‘De Derde Macht’ leest, komt daarin enkele elementen uit dit boek tegen, zo inspirerend vond ik het. Ik kwam onder de indruk van deze andere wereld, met enorme ravijnen en hoge vulkanen, maar ook van de diversiteit van beschavingen en samenlevingsvormen die op zo’n nieuwe wereld tot bloei kan komen, en de hoop dat onderlinge verschillen ooit overwonnen zullen kunnen worden. Ik hoop ze snel nog een keer te kunnen lezen en weer  in mijn verbeelding in die fascinerende nieuwe wereld te kunnen rondlopen.

23    A Storm of Swords (George R.R. Martin)
De boeken in de serie ‘A Song of Ice and Fire’ van George R.R. Martin behoren tot de beste die ik de afgelopen paar jaar heb gelezen. Ik heb getwijfeld of ik in plaats van deze serie ‘Tales From The Malazan Book of the Fallen’ van Steven Erikson zou moeten opnemen in mijn top 25 -die is namelijk ook erg goed, met epische verhalen die miljoenen jaren bestrijken en tal van aangrijpende karakters. Maar die serie bevat iets te veel filosoferende karakters en is soms iets te gruwelijk om hem echt tot mijn favorieten te laten horen. Ik weet ook niet of ik die nog een keer wil lezen. George R.R. Martin was bovendien eerder met zijn realistische middeleeuws aandoende wereld, waarin hij aantoont dat een fantasyland als in The Lord of the Rings en zijn immitaties nog te idealistisch is.
In het echte leven delven mensen die het goede willen vaak het onderspit, treffen tijd en toeval allen, en zijn de meeste mensen uit op hun eigen gewin. Dat wil niet zeggen dat er geen goedheid is, maar die is in dezelfde persoon vaak gecombineerd met minder goede eigenschappen. En bovendien zorgt een machtspositie er vaak voor dat ook goede leiders gedwongen worden tot slechte beslissingen. Het blijken de zwakken, de mensen die over het hoofd worden gezien, de kinderen, die de toorts moeten dragen. Een fascinerende wereld, vol boeiende karakters (onder andere de erudiete dwerg Tyrion). Dit derde boek heeft de meeste verrassingen. Helaas waren de laatste twee boeken wat saai, daar had een redacteur volgens mij naar moeten kijken, want er konden een paar verhaallijnen worden weggelaten. Maar ik kijk erg uit naar deel zes, The Winds of Winter. Hopelijk komt die niet pas over vijf jaar ...

22    Sailing to Sarantium (Guy Gavriel Kay)
Guy Gavriel Kay is een emotionele schrijver. Hij hielp Christopher Tolkien bij het samenstellen van The Silmarillion (hoger op deze lijst terug te vinden) en begon daarna zelf eigen verhalen te schrijven. Eerst nog verhalen waarin personen uit onze wereld in een fantasiewereld terecht komen, daarna verhalen losjes geïnspireerd door onze eigen geschiedenis. De traditionele fantasyelementen komen daarbij steeds verder op de achtergrond en maken plaats voor sympathieke karakters, die soms moeilijke beslissingen moeten nemen.
In Sailing to Sarantium grijpt Kay terug op de geschiedenis van het Byzantijnse rijk, en hij weeft daardoorheen een mystiek verhaal over natuurgoden. In dat alles raakt een mozaïeklegger betrokken die een tempel moet gaan versieren. Hij heeft een persoonlijke tragedie te verwerken, en raakt betrokken bij de keizer en zijn gemalin. Uiteindelijk gaat het erover hoe een gewond mens weer besluit te gaan leven, en dat proces is adembenemend goed in beeld gebracht. De wereld van dit verhaal is ook geloofwaardig weergegeven - bijvoorbeeld de rellen rond de wagenrennen voelen heel echt. Uiteindelijk ga je werkelijk om de hoofdpersonen geven, en dat is het hoogste compliment dat ik dit boek kan geven. Wat betreft emotionele ‘impact’ kan Kay zich meten met William Horwood, die een zelfde doorvoelde manier van schrijven heeft, maar zich hoger op deze lijst bevindt. De boeken Tigana en A Song for Arbonne vind ik ook heel erg mooi. Die zijn wat meer traditionele fantasy, maar hebben elk een origineel uitgangspunt en dezelfde doorvoelde karakters.

21    The Golden Transcendence (John C. Wright)
Sciencefiction is bij uitstek de literatuur van de verwondering. Daar waar de fantasy de moraliteit van sprookjesverhalen en 19e eeuwse literatuur heeft overgenomen, heeft de sciencefiction de verwondering over andere werelden en andere vormen van intelligentie in de twintigste eeuw ingevoerd. Reizen naar andere planeten, ontmoetingen met andere intelligenties, ontdekkingen in de verre toekomst - science fiction verruimt ons denken, zoals sprookjes dat eerst deden. Science fiction laat ons met grote ogen kijken naar de wereld om ons heen, leert ons te denken in mogelijkheden en waarschuwt ons voor te snelle oordelen - over mensen die anders zijn dan wij, en over onze eigen technologische mogelijkheden.
John C. Wright is een van de moderne generatie SF-schrijvers die in dit opzicht voorop loopt. Anders dan sommige andere SF-schrijvers laat hij mensen in zijn verre toekomst wel menselijke verlangens houden zoals wij (de toekomsten van anderen zoals Stephen Baxter, waarin de mens uiteindelijk verdwijnt, vind ik niet zo inspirerend), maar hun wereld is niet zoals de onze. In dit verhaal bijvoorbeeld is het zonnestelsel gekoloniseerd, projecteren mensen hun persoonlijkheden in meervoud, kan iedereen zijn eigen werkelijkheid vormgeven en nemen intelligente computers steeds meer verantwoordelijkheden over. Maar in de loop van de tijd lijkt de progressie van de mens tot stilstand te zijn gekomen. Phoeton, de hoofdpersoon, is een deel van zijn geheugen verloren. Het blijkt dat hij het zelf heeft gewist. Hij moet het terugvinden, om een nihilistische binnendringer van buiten het zonnestelsel te stoppen. Dit derde boek van drie (de serie begint met The Golden Age) is het beste. Elke pagina bevat nieuwe ideeën, met enthousiasme gebracht, elk genoeg voor een compleet verhaal. Uiteindelijk is dit boek hoopvol. Toen hij het schreef was de auteur atheïst, maar toch herkende ik in hem iets van mijn eigen hoop op de toekomst. Zijn andere boeken zijn net zo ‘mind blowing’, al kunnen zijn karakters soms wat plat zijn.

20    Water, wijn en waarheid (Henk Medema)
Een van de belangrijkste inzichten die ik in mijn leven heb verkregen, vond ik in dit boek van Henk P. Medema (de enige Nederlandse auteur op dit lijstje, en ik heb de eer in hem een mentorfiguur te mogen zien). In dit boek legt hij voor christelijke lezers uit wat het postmodernisme inhoudt. Niet met het doel het te verwerpen en het oude bolwerk te versterken, maar met het doel ervan te leren, zodat christenen kunnen herkennen hoezeer ze worden ingeperkt door aannames uit de ‘moderne’ cultuur (de nadruk op verstandelijke instemming met leerstellingen, het geloof in een te kennen absolute waarheid) en hoe ze de kern van het geloof (de onvoorwaardelijke liefde van een persoonlijke God) kunnen beleven en verwoorden op een manier die aansluit bij mensen van onze tijd. Namelijk door   de bijbel te gaan zien en beleven als een ‘groot verhaal’ dat ons betekenis geeft, en anderen daarbij te gaan betrekken.
Dat dit boek mijn denken over verhalen heeft beïnvloed moge duidelijk zijn. Bovendien gaf het mij woorden voor mijn onvrede bij het kerkgenootschap waarin ik opgroeide en wees het mij een weg naar buiten waarbij ik niet mijn geloof hoefde verliezen. Dit boek heeft in de afgelopen jaren nog niets van zijn relevantie verloren. Medema schrijft bovendien erg plezierig, met persoonlijke voorbeelden en citaten uit de wereldliteratuur, die je ernaar verlangen de oorspronkelijke werken ook te lezen. Verder schrijft hij met een duidelijke bewogenheid, die dit werk meer maakt dan een filosofische verandering. Hij wil niet alleen maar dat zijn lezers op de laatste bladzijde aangekomen, iets meer weten, maar dat ze zijn getransformeerd. Zoals volgens hem het lezen van en leven in het Grote Verhaal zelf mensen verandert.

19    The Journey of Desire (John Eldredge)
John Eldredge begon in het theater, en dat is nog steeds te merken in zijn boeken, die duidelijk de werken zijn van een gevoelsmens. En een liefhebber van verhalen. En iemand die weet wat het is om te verlangen naar een leven van schoonheid, avontuur en intimiteit. Ik las als eerste zijn bekende ‘Wild at Heart’, maar vond daarna ook zijn andere boeken, waarvan deze toch wel de meeste indruk op me maakte.
Ik heb The Journey of Desire ook meermalen herlezen. Het was elke keer weer balsem voor mijn ziel. Want Eldredge brengt iets terug in de wereld van het christelijke geloof dat er in de loop van tweeduizend jaar religieus plichtbetoon en dor dogmatisme uit leek te zijn verdwenen. En wel: verlangen. Alles wat we doen en kiezen wordt immers gedreven door ons verlangen. Maar in de kerk wordt vaak gesuggereerd dat we ons verlangen moeten wantrouwen, zelfs moeten afzweren. Als we dat doen stoppen we echter met leven, want wat motiveert ons dan? In plaats daarvan wil God dat we onze kleine verlangens naar pietluttigheden opgeven en gaan verlangen naar wat werkelijk mooi, waar en goed is: wat God voor ons heeft weggelegd. Uiteindelijk is het ons verlangen dat ons naar God brengt, niet onze angst voor straf, of onze hoop op beloning. We zien dat God het beste is dat er is, en rusten niet voor we hem ontmoet hebben. Daar zijn we voor geschapen. Die bestemming bereiken we pas na de opstanding, bij de wederoprichting van alle dingen, maar nu al vangen we glimpen op. Glimpen die ons op weg laten gaan, weg bij de dorre plekken waar we geen leven krijgen, volgend het visioen van levend water. Gelardeerd met filmcitaten en lyrisch taalgebruik (en Eldredge is fan van George MacDonald) wordt de lezer mee op reis genomen. Bij mij leidde het lezen van dit boek ertoe dat ik meer durfde gaan verlangen. En dat is altijd goed.

18    Watership Down (Richard Adams)
Een episch verhaal over konijnen op zoek naar een nieuw thuis, en zoals alle epische verhalen tegelijk een commentaar op de manieren waarop mensen samenleven en de weg naar een echt samenzijn, niet gebaseerd op consumptie en afhankelijkheid, niet op onderwerping en controle, maar op gelijkheid en liefde. In een vijandige wereld, vol roofdieren, is het makkelijk te vluchten in passiviteit en het hoofd in het zand steken (als je toevallig in een eerste wereld land loopt), maar dat kan plotseling slecht aflopen. Je kunt ook kiezen voor een totalitair systeem dat de strijd aangaat met zijn omgeving, maar dan verliezen individuen hun persoonlijkheid. Op basis van het visioen van Fiver gaan Hazel en zijn groepje metgezellen (waaronder zelfs een meeuw, een viering van diversiteit) op zoek naar het beloofde land. Om die vrijheid te vinden zullen ze echter offers moeten brengen. Bij dat alles lijken de verhalen over Frith en El-Harairah niet meer dan legenden. Maar wie gaf Fiver dat visioen? Dat alles beelden beschreven, met oog voor het Engelse landschap, met karakters die je bijblijven. Dit is geen kinderboek, maar een klassieker om vele malen te lezen. De film is ook mooi! Ik heb ook genoten van The Plague Dogs.

17    Lilith (George MacDonald)
De naam van George MacDonald was ik al vaker tegengekomen, onder andere in biografieën van C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien, die beiden door hem en door zijn sprookjes werden geïnspireerd. Lewis zei zelfs dat zijn verbeelding door een van MacDonalds werken gedoopt werd, voor hij zelf christen was geworden. Verder werd hij in de boeken van John Eldredge geregeld aangehaald. Daarom besloot ik zelf hem ook te gaan lezen. De Unspoken Sermons zijn heel mooi, maar wat moeilijk door het archaische taalgebruik, en At The Back of the Northwind is een prachtig victoriaans sprookje met een diepe laag. Dit boek is echter tot nu toe de beste die ik van hem heb gelezen.
De jonge Arthur Vane volgt in de bibliotheek van zijn huis een oude man door een spiegel en komt terecht in een  andere wereld. Daar ontmoet hij de voorouders van het menselijk geslacht, en de eerste vrouw van Adam, Lilith, die een strijd voert tegen kinderen om zelf jong te kunnen blijven. Hij moet leren dat wie wil blijven leven, ervoor moet kiezen te gaan slapen. En dat blijkt moeilijk. Een boek met een rijke symboliek (soms zelfs wat macaber), en mooi taalgebruik, met zinnen die je bijblijven. Een boek ook dat de ultieme goedheid van de liefhebbende God toont, niet intellectueel maar in beelden. In dat opzicht lijkt het op The Shack (William Paul Young blijkt ook door MacDonald te zijn beinvloed!). The Shack had bijna op deze lijst gestaan, maar is stilistisch niet zo sterk als dit boek van MacDonald. Wie zijn of haar verbeelding wil laten dopen, kan hier terecht. Ikzelf zal mijn innerlijke wereld vaker in de werken van MacDonald willen onderdompelen. En ik vermoed dat het boek over tien jaar heel wat hoger op deze lijst zal zijn uitgekomen.

16    Everything you ever wanted to know about heaven but were afraid to ask (Peter Kreeft)
Peter Kreeft is in veel opzichten de opvolger van C.S. Lewis. Hij schrijft over de onderwerpen waar Lewis over schreef: waarom we zouden geloven, of we de wereld echt kunnen kennen, de betekenis van ons verlangen en de goddelijkheid van Jezus, laat zich daarbij inspireren door oudere denkers en klassieke literatuur en kiest vaak voor alternatieve vormen, zoals dialogen met Socrates, of een gesprek tussen Aldous Huxley, John F. Kennedy en ja, C.S. Lewis. C.S. Lewis en Tolkien worden in zijn boeken in elk geval regelmatig aangehaald. Kreeft is katholiek, maar zijn boeken gaan net als die van Lewis over ‘mere christianity’, maar met de beeldende rijkdom en diepgang die ik eigenlijk alleen ken van de ‘hoog liturgische’ schrijvers.
In dit boek beantwoordt Kreeft vragen over de hemel, op een creatieve, speculatieve manier, maar zonder het contact met de rede en de bijbel te verliezen. Hij schept een beeld van een toekomst die werkelijk goed is, waar we naar kunnen verlangen. Sinds ik N.T. Wright’s Surprised By Hope heb gelezen, denk ik dat dit beeld van de hemel te ‘immaterieel’ is, en dat het herstel van de Aardse dingen belangrijker is dan Kreeft het voorstelt, maar wat dit boek over de hemel zegt, kan heel goed worden overgebracht naar het koninkrijk dat komt. De combinatie van beelden en inzichten schept een visioen dat werkelijk mooi is en ons aandrijft om nu al te leven als burgers van die wereld.

zondag 9 september 2012

Filmbespreking: Tangled

Vorige maand waren mijn vriendin en ik op Castlefest: een driedaags fantasyfestival op de Keukenhof in Lisse (heb geduld, het verband met de film uit de titel zal duidelijk worden). Ook zonder tulpen is dit een prachtig park, met frisse grasvelden en oude bomen, en in het midden een kasteeltje dat zo uit een sprookje zou kunnen komen. Er is een ommuurde tuin met oude kassen en moerbeibomen, en slingerende paden. En deze dagen was er nog meer. Overal kraampjes met boeken, kleren en fantasyattributen, maar ook middeleeuwse ambachten, ouderwets snoep en ‘gebakken lucht’. Houten stalletjes verkochten niet de op festivals gebruikelijke friet, maar heerlijk vlees van een hangende grill, en andere smakelijke hapjes. Er waren meerdere podia, waar folkbands speelden, vaak met oude instrumenten, zoals luiten en draailieren en doedelzakken. Keltisch aandoende klanken dreven over het festivalterrein, soms vrolijk, soms droevig, maar altijd doorleefd. Op andere plekken werden zwaardgevechten nagespeeld, zetten mensen zich aan obscure gezelschapsspelletjes, of brachten auteurs hun eigen boeken aan de man.
Het meest bijzondere aspect van Castlefest waren echter de mensen: veel van de bezoekers gaan namelijk verkleed. Sommigen hebben het hele jaar gewerkt aan hun outfit. We zagen middeleeuwse prinsessen, barbaarse strijders, vampiers en negentiende eeuwse ontdekkingsreizigers, kobolden en feeen, heel wat piraten en steampunk-karakters uitgedost met koperen tandwielen en stoomtechniek. Een bijna authentieke Napoleontische soldaat stond naast een Ierse Druide. Er waren Goths en Metalliefhebbers in hun eigen uitrusting. Er liep zelfs een karakter rond in Star Trek-uniform.
Mijn vriendin en ik keken onze ogen uit. Een van de dingen die ons opviel was dat de kleren van de meeste bezoekers ook echt bij hen pasten. Ze drukten iets uit van hun innerlijk. Je kreeg het idee dat ze op dit festival even konden zijn wie ze werkelijk wilden zijn, dat ze aan de buitenwereld konden laten zien hoe hun binnenwereld eruitzag. Voor veel van hen was dit echter dan de spijkerbroek en overhemd die ze naar kantoor aandeden. Maar tegelijk werd er niemand buitengesloten. Dit festival was niet exclusief voor Gothicliefhebbers, of voor prinsessenfans, of voor steampunkadepten. Ook superhelden waren welkom. Iedereen praatte met iedereen. Het gaf niet of je kleren goedkoop waren of het werk van maanden. Het gaf zelfs niet als je je helemaal niet verkleed had. Niemand werd scheef aangekeken, er viel geen onvertogen woord. Zelfs niet toen het opeens begon te regenen en iedereen met elkaar onder de bomen probeerde te schuilen. Hier werd je geaccepteerd zoals je was. Zelfs leeftijd was geen probleem. Er liepen oude echtparen rond als hun favoriete karakters uit Lord of the Rings, en peuters  zagen eruit als Engelse lords, terwijl hun iets oudere broers en zussen naar een poppenkastspel keken.
Iedereen die met een kinderlijke blik van verwondering en verbeelding naar de wereld kijkt, zou zich hier welkom voelen. Dat gevoel kwam pas echt tot uiting voor de podia, waar jong en oud, Goth en elf, meedeed aan de vrolijke volksdansen. Star Wars-liefhebber bewoog arm in arm met Disney-prinses op de muziek. Ik wilde dat ik de dansen kende, want hun plezier was duidelijk zichtbaar. Mijn vriendin en ik besloten dat we volgend jaar naar Castlefest zullen terugkeren, en dat we dan zelf ook verkleed gaan, op een manier die echt bij ons past.

Nadat mijn vriendin en ik samen Tangled hadden gekeken, praatten we nog even na over de film. “Als ik niet op Castlefest was geweest”, zei ze, “had ik gedacht dat zoiets alleen maar in films voorkomt.” We hadden het over een scene halverwege de film, als de karakters terechtkomen in de hoofdstad, waar net een feest aan de gang is. Er klinkt vrolijke muziek, mensen dansen, jong en oud, sommige op blote voeten. Jonge meisjes vlechten bloemen in hun haar. Er wordt gegeten en gedronken. Iemand schildert een prachtig schilderij op straat. Iedereen doet mee, wie nog wat aarzelt wordt in de kring getrokken (anderen liggen in de bibliotheek op de vloer te lezen - er is ook ruimte voor introverte mensen). En aan het eind van het feest worden er honderden, duizenden lampionnen opgelaten, een prachtig gezicht tegen de donkere avondhemel.
Inderdaad, het lijkt te mooi om waar te zijn. Dat kan alleen in een kinderfilm. Wij weten dat het leven niet zo is. We rekenen op teleurstelling, op afwijzing, op frustratie. Dat we in gezelschap van anderen ooit echt onszelf zouden kunnen zijn. En genieten van prachtige kostuums, nagespeelde verhalen, en goede gesprekken lijkt een naïeve droom. En het leven is ook niet altijd zo. Het is niet verwonderlijk dat fantasyliefhebbers in zulke aantallen op Castlefest en de Fantasyfair afkomen - die ongedwongenheid en vreugde ervaren ze niet elke dag. En ook Castlefest is voor sommigen waarschijnlijk een teleurstelling - bijvoorbeeld als je kostuum geruineert raakt door de regen, of omdat je niet van je honingwijn kunt genieten door de wespen (die in augustus nu eenmaal in actie komen).
Maar Castlefest laat wel zien dat het een droom is die werkelijkheid kan worden. Onze verlangens naar schoonheid, avontuur en intimiteit zijn niet tevergeefs. Ze kunnen vervuld worden. Misschien niet volledig, maar we kunnen in elk geval een voorproefje krijgen. Het enige dat we hoeven doen (en tegelijk is dit het moeilijkste wat er is), is “Nee” zeggen tegen mensen en machten die ons voor hun eigen doeleinden weghouden van onze echte verlangens en onze ware identiteit, en ons vervolgens openstellen voor wat goed en waardevol is, voor het Grote Verhaal, voor de Werkelijkheid. Hiertoe moet je alles loslaten waar je je aan vastklampt, je valse zekerheden, de kleine verhalen waar je zelfbeeld van afhangt, het imago dat je aan de wereld toont. Elk masker moet af, anderen zullen je kennen bij je echte naam, er is geen verstoppen meer mogelijk. Dit voelt misschien als sterven, maar alleen zo vind je je ware thuis. Alleen zo kom je werkelijk tot leven.

Tangled is de vijftigste avondvullende animatiefilm van Disney, en past naadloos in de traditie van klassiekers als De Kleine Zeemeermin en Beauty and the Beast. Deze film is gemaakt met de computer en niet getekend, maar voor het verhaal maakt dat geen verschil. De karakters zijn behoorlijk levensecht, met een heldin die niet alleen maar passief is, en een grotere rol voor de held dan in de meeste andere tekenfilms. Er zijn hilarische dieren, die dit keer niet praten, maar door nonverbale communicatie een blijvende indruk achterlaten (het is niet verwonderlijk dat ze de hoofdrol spelen in de korte vervolgfilm Tangled Ever After). De muziek is mooi, met een paar gevoelige en en paar hilarische liedjes, die ikzelf in elk geval lang bleef neuriën. De schurk van het verhaal is slecht, maar heeft nu eens een persoonlijke motivatie, in plaats van over het koninkrijk te willen regeren. Het einde van de film is spannend en emotioneel vervullend. In sommige opzichten is het sprookje misschien wat clichematig (de heldin die met haar liefde een vagebond kan veranderen in een trouwe echtgenoot), maar ik kan eerlijk zeggen dat dit een van mijn favoriete films is, en dat ik hem nog regelmatig ga kijken.

Het verhaal draait om Rapunzel, die is opgegroeid in een hoge toren, in een afgezonderde vallei, die ze nog nooit heeft verlaten. Ze schildert, leest, kookt en maakt schoon, zonder over haar situatie te klagen. En elke avond kamt moeder Gothel haar (uitzonderlijk lange) haren, terwijl Rapunzel voor haar zingt. De jonge vrouw weet niet anders dan dat dit is hoe haar leven er hoort uit te zien. Maar er knaagt iets aan haar. Een keer per jaar ziet ze namelijk in de verte gele lichtjes opstijgen, een prachtig schouwspel. Het doet iets met haar. Ze zou dolgraag naar de lichten gaan kijken. Maar volgens haar moeder is de wereld buiten de toren veel te gevaarlijk voor haar, vol enge monsters en gevaarlijke wezens. Op de dag voor haar achttiende verjaardag klimt echter een man tegen haar toren op, de beruchte dief Flynn Rider, op zoek naar een schuilplaats. Hij heeft niet op de aanwezigheid van Rapunzel gerekend. Ze overmeestert de vrijbuiter en verstopt zijn buit. Om die terug te krijgen, moet hij beloven haar mee te nemen naar de opstijgende lichten. En zo verlaat het meisje voor het eerst haar thuis. Ze heeft echter buiten haar moeder gerekend. Het haar van Rapunzel heeft namelijk een magische eigenschap - het kan de effecten van de tijd ongedaan maken. Moeder Gothel gebruikt het om haar jeugdige schoonheid in stand te houden. Ze is bereid over lijken te gaan om haar dochter terug te krijgen in haar toren. Rapunzel ontdekt ondertussen dat de vrouw die ze ‘moeder’ noemde, helemaal geen familie van haar is en dat het geen toeval is dat de avond dat ze de gele lichtjes ziet tegen de donkere hemel, de avond is van haar verjaardag ...

When will my life begin?”, vraagt Rapunzel zich in het begin van de film af. Ze heeft het niet eens slecht in haar toren. Ze krijgt te eten, heeft een bed, mooie kleren, en verf om mee te schilderen. Ze heeft bovendien een moeder die zegt van haar te houden. “I love you more”, zegt Rapunzel gemeend terug. “I love you most”, antwoordt moeder Gothel. Maar toch is dit bestaan niet helemaal bevredigend. Rapunzel verlangt naar meer. Ze kan niet eens goed onder woorden brengen waar ze dan naar verlangt. Ja, ze wil met eigen ogen de lichten zien die op haar verjaardag verschijnen. Maar dat is maar een van de uitingsvormen van het verlangen, niet het verlangen zelf. Ergens beseft ze dat ze niet bedoeld was voor een leven in eenzame opsluiting. Een leven waarbij ze niet eens het gras onder haar voeten mag voelen, of de regen op haar gezicht. Een leven waarbij ze geen risico mag lopen, geen keuzes voor zichzelf mag maken, geen vrienden mag hebben.  Ze verlangt naar echte schoonheid (niet alleen schilderijen op de muur), naar echte relaties (niet alleen een ‘moeder’ die slechts om haar geeft vanwege haar magische haar), naar echte waarheid (in plaats van de ontwijkende antwoorden en valse liefdesverklaringen die ze nu krijgt).
Deze verlangens zijn universeel, betoogt de film. Ieder mens heeft ze, zelfs de boeven en vrijbuiters die samenkomen in herberg The Snugly Duckling - ook die koesteren allemaal een droom, een verlangen naar iets dat echt is en waardevol. Het leven dat ze leiden is een leugen, ze zijn niet zichzelf als ze anderen beroven en met elkaar vechten. Ze zullen pas echt zichzelf worden als ze ontdekken wat hun diepste verlangen is, en daar naar gaan leven. Sommigen zijn zich nog niet van dat diepe verlangen bewust - zoals Flynn Rider, die zegt te dromen van geld en een eiland waar hij op een hangmat kan liggen. Hij verschuilt zich achter een valse identiteit. Maar in de loop van de film ontdekt hij dat ook hij verlangt naar echte schoonheid, waarheid en intimiteit. En dat hij tot leven komt als hij die gaat nastreven - hoe gevaarlijk dat ook is.
De diepe verlangens geven aan voor welk leven mensen bestemd zijn - ook al ziet hun leven er nu niet zo uit. Dit is ook voor ons realiteit. We leven niet in een volmaakte wereld en de meeste van onze dromen zien we nooit in vervulling gaan. Dat betekent niet dat onze dromen tevergeefs zijn. Het betekent alleen dat de wereld niet is zoals die bedoeld was. De wereld is vervormd geraakt, door leugens en manipulatie, door zelfzucht, door kleine verhalen. Dit blijkt uit het verhaal van Rapunzel. Ze is namelijk niet in gevangenschap geboren. Ze is de dochter van een koning en een koningin, die van haar hielden, en nog steeds om haar treuren. Ze was bedoeld lid te zijn van een echt gezin. Dat is de werkelijkheid. Het leven dat moeder Gothel haar voorhoudt is een misleiding. Moeder Gothel zegt van Rapunzel te houden, maar in werkelijkheid wil ze alleen iets van Rapunzel gedaan krijgen. Ze is voor haar jeugdige schoonheid en levenskracht van het meisje afhankelijk. En daarom manipuleert ze haar. Ze maakt haar bang voor de buitenwereld, overdrijft de gevaren, en prent haar in dat alleen zij haar ‘dochter’ kan beschermen. “Mother knows best”, zingt ze onheilspellend. Wie inzicht wil krijgen in manipulatietechnieken moet deze film kijken. Het eist van Rapunzel moed om daar tegenin te gaan, om de leugen te ontmaskeren, en op eigen benen te staan. Maar als ze eenmaal de waarheid heeft leren kennen, kan ze onmogelijk meer terug ...
Dit geldt ook voor ons. Jezus vertelde niet voor niets gelijkenissen over het koninkrijk van God. “Dit is de wereld waar jullie voor bedoeld zijn”, is wat hij wilde zeggen. “Het rijk van de wereld, van de Romeinen en de Farizeeën, is een leugen, bedoeld om jullie gevangen te houden. Stap eruit en ga leven als burgers van Gods koninkrijk. Dat is de moeite waard, zelfs al moet je ervoor sterven. Er is namelijk een kracht die religie en politieke macht niet kennen, die sterker is dan de dood. De kracht van opstanding, die werkt in mensen die durven toegeven dat ze zwak zijn, die durven ernaar te verlangen.”

Castlefest is voor mij een beeld van het Koninkrijk, van het leven waarvoor ik bedoeld ben.   Een leven van echte schoonheid, echt avontuur, echte relaties. Van dansen op de muziek. Van echt mezelf kunnen zijn, samen met anderen. Ook de kerk is bedoeld om de realiteit van Gods koninkrijk te laten zien aan de wereld. De kerk is een doorbraak van Gods realiteit in de onze, een uiting van Gods regering midden in vijandig terrein. Maar helaas tonen kerken vaak niet het leven en de vreugde die daarbij horen.
De eerste keer dat ik op Castlefest was, nu zes jaar geleden, had ik hoofdpijn. Ik zat op het grasveld een eindje van het hoofdpodium met wat water, om bij te komen. Achter mij hoorde ik mensen over het geloof praten. Ik spitste mijn oren. Maar wat ze zeiden deed mij pijn. Ze gebruikten nogal negatieve woorden over de kerk. De kerk was een plek van hypocrieten, waar ze niks mee te maken wilden hebben. Homo’s en andersdenkenden werden er uitgesloten. Ze vloekten. Ik werd er treurig van. Zo zien mensen de gemeenschap van gelovigen. En ik moest ze gelijk geven - ik ben ook beschadigd in de kerk waar ik opgroeide.
De kerk lijkt vaak meer op moeder Gothel dan op Castlefest. De kerk is een systeem geworden, een organisatie, die afhankelijk is van haar leden. De structuur heeft iets van mensen nodig - geld, inzet, toewijding - om te kunnen bestaan. En zorgt vervolgens dat ze deze dingen krijgt. Door mensen te vertellen dat de buitenwereld slecht is, dat alleen toewijding aan het systeem hen zekerheid kan geven, dat ze geliefd zijn omdat ze zich zo hard inzetten of zoveel geven. Maar het is een valse liefde, zoals die van moeder Gothel. Het instituut gaat boven het individu. De persoon wordt ondergeschikt aan de organisatie, en kan niet zichzelf zijn (veel bezoekers van Castlefest zouden niet worden verwelkomd in een gemiddelde geloofsgemeenschap, in elk geval niet zonder zich aan te passen). Dat is pijnlijk. Zouden we als gelovigen niet moeten vechten om anderen te bevrijden van deze machten buiten hen die hun identiteit afnemen - of het nu religieuze organisaties zijn of politieke, of andere machthebbers? Zouden we niet ons leven voor hen moeten overhebben? Zouden we hen niet in contact willen brengen met het echte leven? Het ware Koninkrijk? Zouden we ze niet gewoon kunnen liefhebben, zoals ze zijn? Is dat niet wat we ten diepste verlangen?
C.S. Lewis zei al dat God onze verlangens niet te groot vindt, maar eerder te klein. Daar wordt ik aan herinnerd bij een film als Tangled, en bij een evenement als Castlefest. Zolang we iets minder verlangen dan Gods werkelijkheid, blijven we gevangen in een leugen.

zondag 2 september 2012

Filmbespreking: Elizabeth

We worden als mensen nogal eens ingeperkt door onze ervaring. We kennen de wereld om ons heen. Onze stad, de marktkraampjes, de volle trein op weg naar kantoor. Die ervaren we als werkelijkheid, die heeft voor ons substantie. En van de mensen die we dagelijks zien, hebben we het gevoel dat we ze kennen. We kunnen onszelf op hen projecteren, en ons voorstellen dat ze dezelfde gedachten koesteren, dat ze dezelfde verlangens hebben, dat ze angstig zijn en liefhebben zoals wij dat doen. We ervaren ze als ademende, levende personen en gaan zo met ze om. Maar het wordt anders als we van mensen gescheiden zijn, of het nu is door een fysieke afstand, of door tijd. We lezen over een andere cultuur, bijvoorbeeld die van Japan of van de Inuit, en over hun voor ons aparte gebruiken en hun bevreemdende cultuur. Maar kennis over mensen is niet hetzelfde als het kennen van mensen. De Japanners of de Inuit blijven voor ons abstract. Het zijn eenheden, geen mensen. Een encyclopedie of een volkenkundig museum helpt ons niet over hen te denken als mensen zoals wij, die liefhebben, verdriet hebben, ambitieus zijn of juist niet. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis. We kunnen lezen over de middeleeuwen, de volksverhuizingen, de kathedralenbouwers, de epidemieën en de koningen, maar die kennis is onpersoonlijk. Al snel denken we dat mensen in die tijd dommer waren, minder ver ontwikkeld, simpele zielen of onschuldiger. Het is moeilijk over ze te denken als echte, levende, ademende mensen zoals wij. Het blijft een ‘ver van mijn bed show’.
Om de kloof van de abstractie te overbruggen hebben we iets anders nodig dan feiten. Het kan alleen door de mensen echt te ontmoeten. Door op reis te gaan naar een andere cultuur en twee weken bij Indiers te logeren bijvoorbeeld - daardoor krijgen de mensen op dat subcontinent een gezicht. Ze worden individuen, persoonlijkheden. Maar dat is niet altijd mogelijk, vooral niet als de afstand er een is in de tijd. Dan is fictie de aangewezen oplossing. Verhalen laten ons meeleven met individuele mensen, laten ons delen in hun pijn, vreugde en moed, laten ons voelen waarom eer nu zo belangrijk voor hen is, of waarom ze minder geven om welvaart dan wij. Een verhaal stelt ons in staat om ons door middel van de verbeelding te verplaatsen in de schoenen van een ander, en daardoor tegelijkertijd de ander te zien als een mens zoals wij. Dit is een belangrijke functie van fictie. Deskundigen spreken over de ‘theory of mind’ - de wetenschap dat een ander zichzelf als persoon ervaart, net zoals jij dat doet. Het is bekend uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen die verhalen lezen, sterker scoren op testen over de ‘theory of mind’ en ook empathischer zijn. Ze zijn ook eerder geneigd om anderen te helpen. Je zou kunnen zeggen dat verhalen ons menselijk maken, of anders gezegd: dat verhalen ons helpen om anderen te zien als mensen.
Dit verklaart waarom historische films mij zo aanspreken. Op een bepaald moment tijdens het kijken realiseer ik me dat deze mensen, met hun worstelingen, hun verlangen en hun twijfel, werkelijk hebben bestaan, bijna vijfhonderd jaar geleden. En andersom, dat de mensen van 1500 jaar geleden waarover ik lees in de geschiedenisboeken geen pionnen waren of robots die een koers volgden die voor hen was vastgelegd (de koers die de geschiedenis nu eenmaal moest lopen om te leiden tot onze tijd), maar dat ze individuen waren die hun eigen ideeën navolgden, met andere concurreerden, en teleurstelling ervoeren of juist grote vreugde. Hoewel de geschiedenis voor mij lijkt vast te staan, was de toekomst voor hen open. Dit ervoer ik bijvoorbeeld bij het kijken van de al wat oudere film Elizabeth.

De film speelt zich af in het Engeland van de zestiende eeuw. Net als elders in Europa heeft de reformatie diepe voren getrokken. De film begint met de levende verbranding van drie protestantse ketters. De katholieke koningin Mary Tudor wordt echter opgevolgd door de protestantse Elizabeth. Een levenslustige jonge vrouw, die verliefd is op een sympathieke edelman Sir Robert Dudley. Het ziet er echter naar uit dat haar regering van korte duur zal zijn. Het land is arm en er dreigt oorlog, bijvoorbeeld met bloody Mary, de koningin van Schotland. De katholieke bisschoppen zijn niet blij met haar ideeën over de gewetensvrijheid van individuen en de Paus dringt zelfs aan op een gewelddadige oplossing. De graaf van Norfolk, een van de belangrijkste edelen, aast ondertussen zelf op de troon. De enige manier om haar positie te behouden, is te trouwen. Of met de Franse Graaf van Anjou (die op zijn minst flamboyant is te noemen), of met de Spaanse koning. Haar advisieur William Cecil houdt haar voor dat haar lichaam nu niet meer van zichzelf is, maar van de staat. Ze is een vrouw in een mannenwereld en wordt daar ook regelmatig aan herinnerd. Ondertussen hoopt Sir Robert haar te kunnen blijven zien. De enige die werkelijk haar belangen op het oog lijkt te hebben is Sir Francis Walsingham, die als haar lijfwacht op een doortastende manier afrekent met bedreigingen van binnen en buiten het hof. Uiteindelijk moet de jonge koningin een groot offer brengen om haar land voor onheil te behoeden.

Deze film had makkelijk in het lijstje van mooie films kunnen staan dat ik laatst op mijn blog plaatste. De aankleding van de film is prachtig, met fantastische kostuums en imposante decors. Er speelt ook een heel scala goede acteurs in mee. Van Richard Attenborough (zelf ook regisseur, en broer van David), tot Joseph Fiennes (die later Luther speelde), Geoffrey Rush (zoals altijd briljant) en Christopher Eccleston (gepast dreigend en doortastend, in 2003 Dr. Who.). Emily Mortimer (uit Lars and the Real Girl) is een van de dienstmeisjes van de koningin, en zelfs de latere James Bond Daniel Craig heeft een rolletje. Cate Blanchett is een stralende koningin Elizabeth (deze rol is duidelijk een voorloper van Galadriel), maar een die ook haar doortastendheid overtuigend weet te brengen. Misschien toont de film niet de lelijke kant van de middeleeuwen wat betreft scheve tanden, pest en luizen, maar ketterverbrandingen, martelingen en de gevolgen van de oorlog worden wel in beeld gebracht. Aan het eind van de film wordt er een samenzwering ontmaskerd, maar hoe die precies in elkaar zat was me niet heel duidelijk, en ook niet wat de rol van Sir Robert nu precies was. Ik heb ook begrepen dat de film de volgorde van gebeurtenissen hier en daar omdraait en zich wat vrijheid veroorlooft in de ontmoetingen van de koningin. Dat maakt de film niet minder. Om op abstract niveau te weten wat precies gebeurde kun je vinden op Wikipedia. Om je een beeld te vormen van wat een vrouw van vlees en bloed moet doen en laten op de troon van Engeland in de zestiende eeuw, kijk je deze film.

Tijdens het kijken van de film dacht ik een paar keer: hee, dit soort situaties ken ik uit A Game of Thrones en de vervolgen daarvan. Een strijd om de troonopvolging, verschillende huizen van edelen met conflicterende belangen, diplomatiek inzetten van huwelijken en relaties, en bloederig verraad. Ik verwijs daarom graag naar mijn bespreking van A Game of Thrones. Daarin schreef ik: “Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis.” Onze heldenverhalen, waar wij betekenis aan ontlenen, leiden ertoe dat wijzelf onvrij zijn, en dat wij anderen hun vrijheid ontnemen (hun heldenverhaal bedreigt het onze immers). Ik citeer Richard Beck: “This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.” Ditzelfde principe wordt ook op een krachtige wijze in beeld gebracht in deze film. In A Game of Thrones lees je over de gevolgen van de menselijke machtsuitoefening op de zwakken en de machtelozen. Deze film toont de vernietigende effecten ervan op de individuele mens en zijn persoonlijkheid.
Eerst wordt Elizabeth in beeld gebracht als een levendige jonge vrouw. Ze bevindt zich in een idyllische, bijna paradijselijke situatie, waar ze danst met haar geliefde Sir Robert. Ze heeft hoop op een werkelijke relatie met de man met wie ze houdt. (De keren dat deze karakters dansen hebben een symbolisch karakter, denk ik. Ze worden namelijk steeds ongemakkelijker door de film heen). Bovendien is ze werkelijk overtuigd gelovige. Zelfs als ze gevangen wordt genomen en bedreigd wordt, houdt ze vast aan haar protestantse overtuigingen. Wanneer haar zus haar vraagt Engeland katholiek te houden, antwoordt ze dat ze zal handelen zoals haar geweten haar ingeeft. Wanneer ze hoort dat ze koningin wordt, reageert ze met oprechte dankbaarheid aan God. Ze is iemand die kan liefhebben, God en een ander individu. En ze probeert ook zo te regeren, uit het hart, niet uit kille berekening. Maar als koningin bevindt ze zich op een positie waar dat niet is vol te houden. Er wordt van haar verwacht dat ze de positie van Engeland beschermt en verstevigt. Er wordt van haar verwacht dat ze macht uitoefent ten dienste van de staat. Daarvoor moet ze trouwen met iemand die haar maar een of twee keer per jaar zou zien (de koning van Spanje) of met iemand die zich graag als vrouw verkleedt (de Franse Anjou). Haar liefde voor Robert is ondergeschikt aan het verhaal van Engeland. En anderen verwachten dat ze macht uitoefent ten dienste van de kerk, katholiek of protestant. Ze bespeelt de edelen prima, wijst hen op hun hypocrisie, maar het verhaal van de macht krijgt uiteindelijk de overhand. De religieuze machten zijn bereid de toevlucht te nemen tot moord om hun positie te beschermen. En Elizabeth kan hen alleen met de wapenen van de macht bestrijden, en moet daarbij ingaan tegen haar geweten. Ze moet de machiavellistische Walsingham de vrije hand geven om de katholieke samenzweerders te doden. En ze moet de toevlucht nemen tot de subversie van religieuze beeldtaal om haar plek op de troon te behouden. Ze wordt zelf een religieus figuur, om mensen ervan te weerhouden op grond van hun religie tegen Engeland te kiezen. Op dat moment, zegt ze, is ze getrouwd met Engeland. Ze heeft haar lange haren afgeknipt, heeft haar gezicht wit gemaakt, en draagt een witte jurk. Haar levenslustige persoonlijkheid is gesublimeerd, haar liefde voor Robert is weggedrukt. Ze is nu een belichaming van een ideaal, een abstractie, in plaats van een persoon. Ze is haar positie. Dat is wat macht doet met mensen. Dat is de betekenis van het gezegde dat macht corrumpeert, en dat absolute macht absoluut corrumpeert.

De ironie is natuurlijk dat haar beslissing om de maagdelijke koningin te worden succes oplevert voor Engeland. Dat gaat een gouden eeuw in, met ongekende welvaart, succesvolle expansie in de wereld en een Anglicaanse kerk die de staat niet meer bedreigde. Het verhaal van Engeland eindigt met een overwinning. Maar een ‘happy end’ is het volgens mij niet. Want het verhaal van Engeland is niet het Verhaal van de Werkelijkheid. Het is niet het Ware Verhaal. Het is een klein verhaal, en degene die van Engeland zijn eigen verhaal maakt, die zijn leven laat draaien om het succes van Engeland, dient eigenlijk een afgod. Hoe mooi en succesvol Engeland ook is, het is het niet waard dat ook maar een mens zijn of haar geweten dicht schroeit om het te redden. Het is het niet waard dat een mens er een ander mens voor ombrengt, of dat iemand haar eigen liefde ervoor ontkent. Christenen geloven dat ze in een groter verhaal leven. In HET grote verhaal. Daarom zijn ze wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hoewel ze leven als burgers van het Romeinse rijk, vereren ze de keizer daarvan niet als God, en worden ze liever uitgestoten dan hun eigen geweten geweld aan te doen. Wie oprecht wil leven in het grote verhaal kan niet tegelijk het wereldsysteem blijven dienen. Niemand kan twee heren dienen, zei Jezus al.
Maar ook de kerk kan het verhaal van iemands leven worden. En ook de kerk blijkt dan een te klein verhaal. Wie zijn leven laat draaien om het succes van een kerk, om het ledenaantal of zelfs het voortbestaan, dienst eigenlijk een afgod. In dit verhaal wordt de katholieke kerk als voorbeeld opgevoerd, maar het geldt eigenlijk ook voor protestante kerken, pinksterkerken en huiskerken (en zelfs voor het idee van kerkloos christen-zijn). Als je leven daarom gaat draaien, en je in naam van de kerk andere mensen pijn doet, uitsluit of veroordeelt, leef je niet langer in het Grote Verhaal. Dan leef je in een verhaal dat geen leven kan brengen. Dat alleen maar tot de dood leidt, voor jou en voor anderen. Walsingham (die zelf niet gelooft, maar denkt dat in het heelal niets anders is dan de mens en diens gedachten), heeft het verschil scherp door. Hij zegt tegen een katholieke priester: “Is your God such a worldly god that he must play at politics in the filth of conspiracy? Is he not divine?” Hij zag in dat deze man niet God diende, maar een god met een kleine ‘g’: de kerk.

Elizabeth besluit het spel mee te spelen. Ze dient Engeland. Ze houdt zich aan de religieuze verhalen van mensen. En ze draagt daarvan de pijnlijke gevolgen. Was er iets anders mogelijk? Ik weet het niet. Wij kunnen ons ook niet uit de wereld terugtrekken. We moeten ook gewoon ons werk doen, onze hypotheek betalen. We zijn deel van allerlei systemen. Maar aan de andere kant zijn we geen burgers maar ‘bijwoners’, vreemdelingen. Ons ware vaderland is het Koninkrijk van God. Ergens in die dubbelheid ligt de waarheid. Als we ons werkelijk geliefd weten, als we ons realiseren dat we leven in het Verhaal dat God vertelt, als onze betekenis rust op Jezus’ dood en opstanding, dan kunnen we de verhalen van Engeland, van de kerk, van onze carrière of onze financiën zien voor wat ze werkelijk zijn: kleine verhalen, gedoemde projecten, vaten die geen water houden. We kunnen ze relativeren. We worden dan niet langer geregeerd door deze verhalen, maar zijn vrij om er voor te kiezen iets te doen dat goed is voor Engeland, of om dat te weigeren. We zijn vrij om te kiezen bij een kerk te horen, maar ook vrij om er weg te gaan als ons geweten dat vraagt. We zijn vrij om anderen als waardevolle individuen te behandelen, in plaats van ze te martelen. We zijn vrij om te leven en lief te hebben, in plaats van ons aan een ideaal te onderwerpen. Ik breng dit niet altijd in praktijk, maar ik verlang er wel naar. Ik wil niet eindigen als Elizabeth. Als gevoelloos standbeeld, in plaats van een geliefd mens.

donderdag 23 augustus 2012

Gerechtigheid 3: het werkelijke goede nieuws

In maart begon ik met het publiceren van een zevendelige serie die ik ooit schreef voor een mensenrechtenorganisatie. Nu is het alweer bijna september! Gelukkig zijn de losse overdenkingen ook apart te lezen. Deel 1 vind je hier, en deel 2 hier.

Het is nogal wat, een campagne voor gerechtigheid. Een kwartiertje bladeren in de krant, een half uurtje kijken naar het acht uur-journaal, een dag op Facebook: het is genoeg om je de moed in de schoenen te laten zinken. Waar moet je als individu immers beginnen? Hoe kan je ook maar iets doen om een eind te maken aan het lijden van zoveel mensen? Het kwaad is overweldigend. Als het op de ene plek ongedaan is gemaakt, steekt het ergens anders weer de kop op. Als op het ene continent een epidemie is bestreden, breekt ergens anders een hongersnood uit. Als het ene conflict voorbij is, begint het volgende. Alle hulp die we bieden, alle acties die we organiseren, alle inspanningen die we leveren, ze lijken een druppel op een gloeiende plaat. Het effect ervan is altijd slechts tijdelijk. Hoeveel we ook geven van ons geld, onze tijd en onze energie, het is nooit genoeg. Er blijft altijd meer nodig. Meer steun, meer inspanning, meer financiën. Als we ons al niet verschuilen achter een muur van cynisme, spoeden we onherroepelijk af op overspannenheid. Zo werkt het in ieder geval voor mij. Het is de reden waarom ik liever niet te veel wil weten van wat er op de wereld aan ongerechtigheid gebeurt. Het lijkt allemaal hopeloos, slecht nieuws.
 Maar ik zou geen overdenking schrijven voor deze website, als ik niet geloofde dat er goed nieuws te melden was: een boodschap die ons gevoel van zinloosheid verlicht, die betekenis verleent aan onze inspanningen, die hoop biedt op een blijvende verbetering voor ieder mens. Dit is het goede nieuws dat Jezus verkondigde: “De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij!” (Marcus 1:15). Het koninkrijk van God heeft ons bereikt (Lucas 10:9). Dit verandert de zaak. Dit zet alles wat we doen in een nieuw perspectief.

Wie de evangeliën leest, kan er niet omheen: het koninkrijk van God vormde de kern van Jezus’ boodschap, het ijkpunt waar hij steeds weer op terugkwam. Ons ongemak met de ongerechtigheid laat zien dat wij Jezus’ bedoeling niet hebben begrepen. We geloven in zijn dood en opstanding, maar we geloven niet wat die volgens Hem tot stand hebben gebracht: de vestiging van Gods regering op de Aarde. Een koninkrijk is namelijk niets anders dan het gebied waarin de wil van de koning gebeurt. Binnen de grenzen van Nederland vindt plaats wat de koningin besluit (ik weet dat de huidige politieke realiteit wat ingewikkelder is, maar het idee mag duidelijk zijn). Het koninkrijk van God is dus het gebied waar gebeurt wat God wil. Dat is waar Jezus op doelt in het ‘onze vader’: ‘Laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde, zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). Als het koninkrijk van God op een bepaalde plek arriveert, gebeurt daar de wil van God, zoals die nu al gebeurt in de hemel. En dat is het beste wat kan gebeuren. Dat is werkelijk goed. Dat geldt voor elk individu, elk gezin, elke organisatie en elke samenleving. Als Gods wil gebeurt, komen die tot hun eeuwige bestemming, hun ultieme ontplooiing, hun hemelse glorie. Jezus beschrijft wat zijn roeping was: ‘[God] heeft mij gezalfd om aan armen het goede nieuws te brengen … om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen’ (Lucas 4:18,19). Door zijn leven werd zichtbaar wat de wil van God was: blinden konden weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat werden gereinigd en doven konden weer horen, doden werden opgewekt en aan armen werd het goede nieuws bekendgemaakt (Lucas 7:22). Dit was wat God wilde, dit was wat Gods regering door Jezus heen tot stand bracht. En dit is wat Jezus voor ons beschikbaar heeft gemaakt door zijn dood en opstanding: als we ons bij hem aansluiten, worden we gered uit de macht van de duisternis en overgebracht naar het rijk van Gods geliefde zoon (Kolossenzen 1:13). Voortaan kan in ons en door ons heen de wil van God gebeuren.

Het koninkrijk van God is niet iets dat wij tot stand kunnen brengen, het is niet iets dat wij tevoorschijn kunnen roepen, dat wij kunnen maken of breken. Het is immers niet onze wil waarvan het afhankelijk is, maar die van God. Het enige dat wij kunnen doen om er deel aan te krijgen, is ons ervoor open te stellen. Jezus zei: “Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan” (Marcus 10:15). Toen nog meer dan nu, kwam niemand op het idee iets van een kind te verwachten. Ze konden niets produceren, ze konden niets verdienen, niets aan de samenleving bijdragen, ze konden alleen ontvangen. Pas dit voorjaar realiseerde ik me dat het verhaal over de ‘rijke jongeling’ hiermee in verband staat. Het probleem van deze man was niet dat hij niet in staat was alles op te geven, maar dat hij dacht dat hij iets kon doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven (Marcus 10:17). Hij meende dat hij door zich aan regels te houden, kon zorgen dat Gods wil in zijn leven gebeurde. Maar Jezus hield al van hem zonder dat hij ook maar iets deed. Hij hoefde het koninkrijk van God alleen maar als een geschenk te ontvangen, er ruimte voor te maken in zijn leven. Daarom is het voor rijken zo moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan (vers 23). Zij denken dat ze iets kunnen bereiken met hun eigen inspanningen, hun eigen tijd, hun eigen geld. Ze denken dat zij zelf verantwoordelijk kunnen zijn voor de gerechtigheid. Maar God is de enige die in staat is zijn wil te laten gebeuren. Alleen hij is verantwoordelijk voor zijn koninkrijk.

Het enige dat wij dus hoeven doen om te delen in Gods koninkrijk, is Hem te vragen zijn wil te laten gebeuren. We hoeven ons alleen aan hem beschikbaar te stellen, in elke situatie waarin we ons bevinden, elke dag opnieuw. Als we dat doen, verandert ons perspectief, dan krijgt ons leven een nieuwe basis, dan worden we opnieuw geboren. Pas als we niet langer op onszelf vertrouwen, maar op God, kunnen we het koninkrijk van God zien (Johannes 3:3,5). Dan zien we hoe de wil van God werkelijkheid wordt door wat we doen en wat we zeggen. Dan worden we verrast door de gevolgen van de meest eenvoudige daden van medemenselijkheid, van de kleinste woorden van liefde. Dan zien we wonderen die we niet hadden kunnen organiseren, blijvende veranderingen die we niet van te voren konden verwachten. Dan breken we niet onder de last van de gerechtigheid, maar vinden we rust voor onze zielen, en gaan we voort van kracht tot kracht, tot we voor God verschijnen in Sion, tot Gods koninkrijk wereldwijd werkelijkheid wordt (vergelijk Psalm 84:8).
Dit is pas werkelijk goed nieuws.