Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

woensdag 26 november 2014

Eerste lustrum van mijn blog

Vandaag is het vijf jaar geleden dat ik deze blog in het leven riep. Een paar jaar eerder had ik al eens enkele maanden geblogd op het weblog Tol Eressea, met filmbesprekingen en wetenschapsnieuws vooral draaiend om verwondering en verlangen, maar op die plek was al meer dan twee jaar geen bericht verschenen. Ik had aan de een of twee trouwe lezers wel beloofd dat ik door zou gaan met schrijven, maar het lukte me niet de discipline op te brengen. Het bloed bleef echter kruipen waar het niet gaan kon. Regelmatig zag ik films die me aan het denken zetten en waar ik mijn gedachten over op papier wilde zetten. En in 2010 zou een nieuw boek van mij verschijnen (het eerste sinds Het Wrak in 2002). Een zichzelf respecterend schrijver moest toch zeker op het internet te vinden zijn, zo bedacht ik me. De naam van mijn boek zou ook de naam worden van mijn blog: Indrukwekkende Vrijheid. De presentatie van de bundel Hete Hangijzers op 25 november 2009 was een mooie aanleiding voor het eerste bericht online. Het was niet veel meer dan een aankondiging.
De eerste maand had ik nog moeite om een goede manier van werken te vinden voor mijn blog. Ik plaatste wetenschapsnieuws en links, en probeerde het thema van mijn vorige blog weer centraal te stellen, maar dat bleek te beperkend. Ik besloot uiteindelijk te gaan voor een combinatie van overdenkingen (soms in de vorm van series), film- en boekbesprekingen en opsommingen van interessante links. Daarnaast plaatste ik berichten met foto’s. De eerste maanden zelfs gemiddeld een keer per dag. Mijn vrouw merkte wel eens op dat ze zich toen ze mijn blog voor het eerst las, afvroeg wanneer ik eigenlijk sliep. Het was ook wat te veel. Na mijn Indiareis in 2010 en de publicatie van mijn boek raakte ik in een dip en schreef ik een tijdje niet. Gelukkig lukte het me dit keer wel om de draad weer op te pakken. Om potentiële lezers van mijn berichten te bereiken had ik ondertussen Twitter ontdekt. Later kwam Facebook daar ook nog eens bij. Er ontstonden vaste tradities op mijn blog, zoals het ‘nieuwjaarsbericht’, waarin ik terugkeek op het afgelopen jaar en vooruitkeek naar het volgende jaar. En het ‘valentijnsdagbericht’, dat ik plaatste om mijn frustratie met die dag te uiten zolang ik zelf nog vrijgezel bleef. En de traditie van wel erg lange filmbesprekingen, tussen de 2500 en 3000 woorden. Tja, wie mijn blog bezoekt, weet ondertussen wel wat hij of zij kan verwachten, hoop ik.
Het is interessant, vind ik, berichten uit die eerste jaren weer te lezen. Ik herken veel van de thema’s waar ik nog steeds mee bezig ben: de liefde van God, de betekenis van vrijheid, worstelingen met de kerk, en analyse van mijn onzekerheden. Maar ik kan ook zien dat ik in die jaren een stuk verder ben gekomen op de toen ingeslagen weg, en dat er zich steeds nieuwe perspectieven aandienden van waaruit ik deze onderwerpen kon bezien. Zo deed op een bepaald moment het thema van het ‘Grote Verhaal’ de intrede, geïnspireerd door de kracht van verhalen om de overtuigingen en verlangens van mensen om te vormen. Dit leidde tot de langste serie berichten op mijn blog in het najaar van 2011 (‘Terug naar de basis’). En deze serie berichten is weer de basis voor een nieuw boek dat ik schreef in 2012, en waar nu een uitgever interesse in heeft (als het mij lukt het te herschrijven). De naam van mijn blog veranderde ik in de titel die je hierboven kunt zien staan. In 2013 werd ik geboeid door het verschil tussen een transactioneel wereldbeeld en een sacramenteel wereldbeeld, en ook dat werd het uitgangspunt voor enkele series van berichten en overdenkingen.
Sinds het najaar van 2012 ben ik me ook weer intensiever gaan bezighouden met het schrijven van fictie. Zo voltooide ik mijn project van SF-verhalen over de eindtijd, en mijn fantasyduologie ‘De Krakenvorst’ (dat ik nu naar uitgevers heb opgestuurd). Deze nadruk op fictie leidde ertoe dat ik minder tijd had voor mijn blog. De berichten met foto’s en links hadden al het onderspit gedolven, en ik concentreerde me nu op de filmbesprekingen. Daarnaast publiceerde ik een SF verhaal in delen, mijn persoonlijke boeken en films top 25, en begon ik met het publiceren van gedichten. Verder ging ik boeken recenseren op Goodreads. De frequentie van berichten op mijn blog is ondertussen gedaald tot drie of vier per maand. Veel beter vol te houden dan toen het er nog dertig waren. Hoewel ik minder schrijf voor mijn blog, merk ik bij mezelf nog steeds bij sommige films het onbedwingbare verlangen er een bespreking over te schrijven, en ook de inspiratie voor gedichten is nog niet opgedroogd. Voorlopig zal mijn blog dus op dezelfde voet blijven doorgaan. En wie weet welke transformatie hij doormaakt in de toekomst! Ik kan het niet voorspellen. Het enige dat ik weet is dat ik blij ben een plek te hebben op het internet om mijn hart te kunnen luchten, en ik ben er trots op dat al 52 mensen hebben aangegeven een volger te zijn van mijn blog. Op naar het volgende lustrum!

vrijdag 9 augustus 2013

Mijn favoriete boeken (3): de top 5!

Mijn vijf favoriete boeken. Dit zijn boeken waarover ik uren zou kunnen praten. Boeken die mijn verstand en mijn verbeelding hebben gevormd en hebben gekneed, en die ik regelmatig zal herlezen. Dit zijn de boeken die ik zou meenemen naar een onbewoond eiland. Zou iedereen deze boeken moeten lezen? Dat weet ik niet. Dat is ook afhankelijk van smaak en niveau. En wat mij aanspreekt, daar ben ik ondertussen ook wel achter, spreekt zeker niet iedereen op dezelfde manier aan. Aan de andere kant: lezers van mijn blog kunnen zich ondertussen wel een beeld vormen van mijn verbeeldingswereld en de mate waarin de hunne daarmee resoneert. En daarmee kunnen ze zelf ook prima de afweging maken of deze boeken ook voor hen betekenisvol kunnen zijn. Mij helpen ze in elk geval om mijn denken en mijn fantasie gezond te houden.

5    Kingdom, Grace, Judgment (Robert Farrar Capon)
Aan theologische boeken, of ‘bijbelstudieboeken’, kleeft nogal eens een saai sfeertje. Ze zijn per slot van rekening niet geschreven om te onderhouden, maar om te leren. Functie voor vorm. Lezen van zulke boeken hoort niet ‘leuk’ te zijn. Want het gaat om de inhoud. En ik heb jaren lang enorm veel van dit soort boeken gelezen: commentaren, studies, verhandelingen. Niet omdat ik ernaar uitkeek ze te lezen, maar omdat ik dat als goed intelligent en hoog opgeleid christen moest. Anders zou Gods volk door gebrek aan kennis ten onder gaan. De meeste boeken in deze categorie zijn behoorlijk taai. Maar dat zouden ze niet moeten zijn. Als het goede nieuws werkelijk goed nieuws is zou dat niet alleen moeten doorklinken in onze boodschap, maar ook in onze stijl van communiceren. Vorm en functie zijn namelijk niet te communiceren. We weten ondertussen allemaal dat de woorden maar een klein deel zijn van wat we communiceren en dat non-verbale communicatie minstens net zo veel overbrengt. Dus zouden boeken over die geweldige, levensveranderende waarheid van Gods onvoorwaardelijke liefde, onze dood aan onze kleine verhaaltjes en Jezus’ leven brengende opstanding ook in de manier van schrijven horen sprankelen van blijdschap, vreugde, levenslust.
Dat doen de boeken van Robert Farrar Capon, vooral dit boek (eigenlijk een verzameling van drie) over de gelijkenissen van Jezus. Capon is duidelijk enthousiast over wat hij in de bijbel gevonden heeft, met humor, terzijdes aan de lezer, voorbeelden en prachtige zinnen laat hij bij elke gelijkenis zien hoe radicaal die Gods liefde en genade verbeeldt. Zeker, soms is zijn uitleg speculatief, soms choquerend, maar voor wie de oorspronkelijke verhalen door eindeloze zondagsschoolvertellingen hun glans hebben verloren, is het een frisse bries die het stof opblaast en de vreugde van Jezus’ visie weer laat schijnen. Een van de weinige theologische boeken die ik ook na twee keer nog wil lezen, alleen al omdat het zo goed geschreven is. In Between Noon and Three vertelt Capon een eigen gelijkenis, die voor moderne lezers net zo choquerend is als de verhalen van Jezus in diens eigen tijd, en die ook de eenzijdige liefde van God illustreert. Warm aanbevolen!

4    Orthodoxy (G.K. Chesterton)
Ik zie dit eigenlijk niet als een theologisch werk. Chesterton lees je voor je plezier. Dat je er dan ook nog wat door leert, is mooi meegenomen. Net als bij Capon proef je als lezer bij Chesterton de vreugde, levenslust en blijdschap die hij uit het goede nieuws als een spons heeft opgezogen tot hij er helemaal van doordrenkt is. Nu hoeft hij zijn pen maar op het papier te zetten en het komt uit de kleinste poriën naar buiten stromen. In zijn verhalen (The Man Who Was Thursday is een van mijn favorieten), in zijn essays (onder andere in Heretics), in zijn biografieen (zoals over Dickens) en in zijn apologetische boeken (The Everlasting Man).
De kroon op zijn werk is echter toch wel Orthodoxy. In mijn aantekenboekje heb ik pagina na pagina vol citaten overgeschreven. Chestertons ontdekking van het evangelie heeft hem zich niet van de wereld laten afkeren, maar deed hem juist nog meer houden van deze schepping, van elk blaadje, elk stroompje, elk individueel mens. Voor hem leven wij in een sprookjeswereld, waarin alles betekenis heeft, zoals in een verhaal. Het doet je als lezer verlangen de wereld zo te zien als Chesterton. Dat wil zeggen: als paradox - klein, maar toch groot. Zwak, maar toch sterk. Niets betekenend en toch van eeuwigheidswaarde. Hij ziet de wereld zo omdat hij in het evangelie diezelfde paradox ziet, in de menswording van Jezus, toen de ene almachtige God als baby in een stal lag. Dit is de reden voor blijdschap, voor loftrompetten. Dit is de ene mystieke sprong die de mens moet maken om voor altijd geestelijk gezond te zijn. Wie dit mysterie niet toelaat, verliest uiteindelijk zijn coherentie, zijn verstand. Chestertons werk zet de ramen open van het paleis van onze wereld en laat daarachter de tuinen zien die God heeft aangelegd. Dit boek te lezen en te herlezen is werkelijk een vreugde.

3    Les Miserables (Victor Hugo)
In mijn film top 25 kwam Les Miserables ook al op een hoge positie voor. En in deze lijst dus ook. En dat terwijl ik het boek nog maar een keer heb gelezen, en ook nog eens vrij kort geleden, afgelopen december om precies te zijn. En het lezen ervan was ook nog eens een behoorlijke uitdaging. Het boek telt namelijk in de uitgave die ik bezit meer dan 1200 bladzijden, en Hugo besteedt een groot deel ervan aan uitgebreide beschrijvingen van de slag bij Waterloo, de Parijse topografie, de gang van zaken in een klooster, de rioleringen onder Parijs, en de onrechtvaardigheid van het economische systeem. In behoorlijk lange zinnen ook nog eens. Geen wonder dat er ingekorte versies worden gepubliceerd.
Maar ik hoop niet dat lezers van mijn blog die ter hand zullen nemen. Ze geven misschien wel een beeld van het plot - maar het gaat bij een boek niet alleen om het plot. Dit boek schept een wereld. De wereld van Frankrijk in de eerste helft van de negentiende eeuw, met alle details die daarbij horen. Een wereld waarin mensen hun levens leiden, zo compleet als onze levens, levens die elkaar kruisen, zodat ze elkaar beïnvloeden, ten goede of ten kwade. En waarin die levens samen het getij van de geschiedenis vormen. Onze individuele keuzes, lijkt Hugo te willen betogen, bepalen samen welke kant onze maatschappij zich op beweegt. En welke keuzes kunnen tot een goede uitkomst leiden? De keuze voor zelfzuchtig gewin (het zelf centraal) van de Thenardiers? Zeker niet. De keuze voor wetten en regels (een onveranderlijke maatstaf buiten de mens centraal) van Javert? Zeker niet. Onverdiende genade? Dat alleen. Genade die doorwerkt in levens als een olievlek op een vijver en onvermoede hoeken en gaten bereikt. Uiteindelijk is dit niet het verhaal van Valjean, maar van de bisschop van Digne en zijn vrije keuze datgene los te laten wat hij bezat voor iemand die er geen recht op had. Hier herken ik verschillende gelijkenissen van Jezus in.
Dit bewogen boek heeft mij diep geraakt. Ik weet dat ik het binnen twee jaar wil herlezen, en daarna in mijn leven nog vaker. Als ik een beetje op Jean Valjean ga lijken in mijn leven, zou ik gelukkig sterven.

2    The Silmarillion (J.R.R. Tolkien)
Nee, The Lord of the Rings staat niet op deze lijst. Shockerend, nietwaar? Voor wie mij hoort citeren uit dat werk wel, kan ik me voorstellen. Maar eigenlijk citeer ik meer uit de films en het boek heb ik zes jaar geleden voor het laatst gelezen. En een nieuwe leesronde dient zich niet direct aan. Terwijl ik The Silmarillion ondertussen minstens net zo vaak gelezen heb, de laatste keer twee jaar geleden, en die wil ik wel weer opnieuw lezen. Maar het is veel moeilijker geschreven dan The Lord of the Rings, werpen mensen tegen. Het is geen roman volgens onze moderne definitie van een roman. Het bevat opsommingen van namen en ingewikkelde geschiedenissen. Het is niet spannend. Allemaal waar. Maar een werk hoeft niet spannend te zijn om te boeien. Wat mij aangrijpt in dit boek is de onverdunde mythische kracht ervan. Dit is het grootste voorbeeld van ‘world building’ dat ik ken, niet alleen een volledige wereld, maar een volledige mythologie (eigenlijk alleen geschreven om de talen die Tolkien verzon een thuis te bieden). En zoals elke mythologie bevat the Silmarillion alles wat ons mensen maakt. Onze grootheid en onze val, onze oorsprong en onze toekomst. Trots, zelfzucht, maar ook genade. Waar de verhalen uit Genesis door de schier eindeloze discussies tussen evolutionisten en creationisten zijn verworden tot dode teksten waarover alleen wordt gevraagd of ze ‘echt gebeurd’ zijn, brengt dit verhaal van Tolkien er de verwondering en glorie van over. Wat ik niet of nauwelijks meer kan vinden in de bijbel, die door onze moderne manier van denken (waarbij iets letterlijk ‘gebeurd’ moet zijn om ‘waar’ te zijn) is ontleed tot feitelijkheden, vind ik in het lied van Tolkiens goden, de opstandigheid van Melkor, de strijd om de Silmarillen, de opoffering van Aerendil. Nee, van The Silmarillion weet ik zeker dat het niet ‘echt gebeurd’ is, maar dat maakt het niet minder ‘waar’. En de mythologie van Tolkien laat gaten open voor die ene werkelijk aantoonbare mythische gebeurtenis in onze geschiedenis, de komst van de Ene in onze wereld en zijn dood en opstanding. Dat is het beste verhaal dat ooit verteld is, wist ook Tolkien, en tegelijk waar gebeurd. Een werk als The Silmarilion helpt me om daarin te geloven.

1    The Great Divorce (C.S. Lewis)
Voor trouwe lezers van mijn blog zal het vast geen grote verrassing zijn om een boek van C.S. Lewis op de eerste plek van deze lijst aan te treffen. Lewis blijft mijn grote voorbeeld en inspirator. Hij schreef SF-verhalen en fantasy, maar ook apologetische en theologische boeken, en een autobiografie, naast zijn academische werk. Hij schreef voor kinderen en volwassenen, voor leken en deskundigen. Hij hield lezingen voor de radio en discussieerde met SF-auteurs. Hij combineerde een levendige verbeelding, gevormd door het lezen van klassieke literatuur en populaire sprookjes, met een diep geworteld verlangen naar schoonheid of vreugde (‘Sehnsucht’), en een scherp intellect, dat niet aarzelde argumenten tegen het licht te houden. Zelf atheist geweest, verwierp hij makkelijke christelijke antwoorden (hij geloofde bijvoorbeeld in evolutie), maar hij wees ook atheisten op de onredelijkheid van hun overtuiging (namelijk dat als het heelal alleen uit materie bestaat, onze gedachten geen relatie hebben met de werkelijkheid). Dit alles destilleerde hij in uiteenlopende originele vertelvormen. Een allegorie (als John Bunyan’s Christenreis), brieven geschreven door een demon, en dit werk, geinspireerd door sciencefiction, waarin een busreiziger vanuit de hel een bezoek brengt aan de voorlanden van de hemel.
Het belangrijkste doel van dit werk is te laten zien hoe de zelfzucht van individuen hen ervan weerhoudt te kiezen voor het leven dat God hen gratis en voor niets aanbiedt. Het enige wat ze ervoor hoeven te doen is namelijk los te laten wat ze zo krampachtig vasthouden, zodat ze het als geschenk kunnen aannemen. Hierin volgt Lewis MacDonald (onder andere in Lilith, eerder in deze lijst. Maar MacDonald gelooft dat uiteindelijk iedereen door de liefde van God overtuigd zal worden zijn handen te openen. Lewis weet dat nog niet zo zeker). Niet voor niets komt MacDonald als karakter in dit verhaal voor!
Dit boek overtuigde me dat God werkelijk van alle mensen houdt en als de hel een deur heeft, die van binnen gesloten is. Ook leerde ik dat alles wat wij durven loslaten, durven doden, uiteindelijk in een nieuwe vorm uit die dood zal opstaan. Maar Lewis schetst ook een verbeeldingsvolle versie van het opstandingsleven - de nieuwe wereld is werkelijker, substantieler, dan de onze. En deze realiteit zal uiteindelijk de werkelijkheid vormen. Deze wereld waarin wij leven is, hoe mooi ook, slechts een schaduw van de opstandingswereld, waarnaar ze vooruit wijst. En die wereld zal werkelijk goed zijn, al lijkt hij nu soms nog hard en scherp voor onze in een zondige wereld gevormde zintuigen.
Als de verteller aan het eind ontwaakt, voel ik teleurstelling, want de zon stond op het punt om op te komen. Ah, ik verlang naar dat moment. En dat verlangen is voor een belangrijk deel opgewekt door C.S. Lewis.

donderdag 8 augustus 2013

Filmbespreking: Kingdom of Heaven

2005 was het jaar van Liam Neeson. In dat jaar speelde hij drie mentorfiguren in wel heel uiteenlopende films. En in alle drie de films stierf hij (al dan niet permanent). In Batman Begins was hij Ducard, die Bruce Wayne onder zijn hoede nam. In Narnia ontfermde hij zich als de stem van Aslan over de kinderen Pevensie. En in Kingdom of Heaven is hij kruisvader Godfrey die Balian aanneemt als zoon en hem leert zwaardvechten. De acteur is ook wel heel erg geschikt voor dit soort rollen. Hij beschikt over een serieuze overtuigingskracht, gekoppeld aan een duidelijke bewogenheid. Dat maakt hem geloofwaardig. Helaas is Orlando Bloom wat minder op zijn plek als ridder. Er is iets vlaks in zijn gezichtsuitdrukking, waardoor het niet altijd makkelijk is met hem mee te leven. Pas aan het eind van de film komt hij voor mijn gevoel meer tot leven. Gelukkig is hij omgeven door een groep fantastische acteurs, die de leemte opvullen, van de mooie Eva Green tot Edward Norton als de lepreuze koning Baldwin achter een zilveren masker. Ook Jeremy Irons heeft een prachtrol. Daarnaast zijn er de mooie omgevingen om naar te kijken - de film gaat van Frankrijk in de twaalfde eeuw naar Messina, door naar het beloofde land. En het voelt alsof je er als kijker echt bent, met een geloofwaardige middeleeuwse aankleding. De regisseur heeft een goed oog voor lichtval, vaak in mooie bundels. De oorlogsscenes zijn (net als in de andere historische film van Riddley Scott, Gladiator) prachtig in beeld gebracht, met in het slot een belegering die je op het puntje van je stoel doet zitten. Ik kijk zelf graag de ‘Director’s Cut’ van de film, omdat die een completer beeld geeft van de ontwikkelingen in het verhaal.

De film vertelt het verhaal van de jonge smid Balian. Hij krijgt de kans om met kruisvaarder Godfrey mee te gaan naar het beloofde land. Die kans grijpt hij met beide handen aan, want hij heeft juist zijn vrouw verloren, en heeft tot overmaat van ramp een misdaad begaan. Hij hoopt vergeving te kunnen vinden. Godfrey overlijdt aan een verwonding, maar niet voordat hij Balian tot ridder heeft geslagen en hem de heerschappij over Ibelin heeft overgedragen. Bovendien heeft hij Balian laten beloven de koning van Jeruzalem te dienen. Eenmaal in Jeruzalem ontdekt Balian dat die belofte niet zo makkelijk is na te komen. Jeruzalem is een smeltkroes van culturen waar de spanning te snijden is. De tempeliers sturen aan op oorlog, en de koning kan steeds maar net voorkomen dat strijdheer Saladin vanuit Damascus het land binnenvalt met zijn leger van 200.000 man. En de prinses Sybilla heeft een oogje op Balian. De jonge man vindt in Jeruzalem geen antwoord op zijn vraag aan God, maar wordt in plaats daarvan op de proef gesteld als hij de enige is die de inwoners van de stad kan redden van totale vernietiging.

Het is jammer dat er niet meer ridderfilms worden gemaakt, want het is een fascinerende periode van de geschiedenis. De botsing van beschavingen in het Midden-Oosten, de macht van de kerk botsend met individuele gewetens, het gevecht om menselijke waardigheid in een harde omgeving van ziekte en dood. Deze film toont de rauwe kantjes van de middeleeuwen, maar laat ook zien dat de mensen toen gewoon mensen waren, niet anders dan wij, met vaak dezelfde beslommeringen. En de kruistochten lenen zich erg goed voor een commentaar op religieuze conflicten van onze tijd, die zich nog steeds centreren rond dezelfde landen, het hart van de wereld, de oorsprong van de drie wereldgodsdiensten. Wie heeft er het meeste recht op het heilige land? Misschien geen van drieeen. Misschien wel alle drie. Want als alle drie net zo hard roepen dat hun overtuiging de enige ware is en alle andere gelovigen ketters die ter dood kunnen worden gebracht, wat maakt ze dan verschillend? Niet de mate waarin ze van hun gelijk overtuigd zijn. Fanatisme kan de strijd om de waarheid niet beslechten. Maar misschien draait het in het geloof niet om de ‘waarheid’. Misschien hoeven gelovigen uit de drie godsdiensten elkaar niet te bestrijden, maar kunnen ze samenkomen om wat hen en ieder mens bindt: de gouden regel, namelijk om anderen lief te hebben, de zwakken te beschermen en op te komen voor weduwen en wezen. Jakobus schreef al dat dit de ware godsdienst is.
Riddley Scott identificeert zich in interviews als agnost. Dat wil zeggen dat hij niet weet of God bestaat of niet - maar hij staat er in elk geval voor open. Aan de andere kant claimt hij dus ook geen religieuze zekerheid. Dat zorgt ervoor dat hij met een open blik naar de verschillende religies kan kijken, zonder een bril die hem gunstig stemt ten opzichte van de ene godsdienst, maar vijandig ten opzichte van de andere. Hij is immers agnostisch voor alle godsdiensten en hun goden. Dus worden in deze film de moslims niet als monsters afgeschilderd. Er is respect voor hun geloof. Ze worden getoond bij het bidden, en meerdere van hun aanvoerders blijken zelf ook respectvolle mannen, met bewogenheid, ook voor hun christelijke vijanden. Maar deze weergave is niet eenzijdig. Er zijn ook fanatieke moslims, die niets liever willen dan oorlog en de herovering van Jeruzalem. Dat is namelijk de wil van Allah, zeggen ze.
Maar hetzelfde zeggen de christenen die op oorlog aansturen. Deus Vult, God wil het, roepen de kruisvaarders, vlak voordat ze dood en verderf zaaien onder de moslims. Als christen draait mijn hart zich daarbij om. Maar het zijn niet alleen de ridders die dit roepen, ook de priesters, net zo fanatiek als de moslimfanatici. Een heiden doden is geen zonde, roept er een herhaaldelijk, het is de weg naar de hemel. Geen wonder dat de vrede van Jeruzalem zo fragiel is. Maar Scott is (zeker in de ‘directors cut’) niet alleen maar negatief over christenen. Al in het begin komt een bisschop voor die waarschuwt dat de wetten niet altijd zo ernstig moeten worden toegepast, en dat in naam van Christus veel gebeurt dat Christus zelf niet zou hebben goedgekeurd. Ook een Hospitaalridder die met Balian optrekt herhaalt dat. Hij houdt Balian voor dat hij Jezus niet moet gelijkstellen met zijn volgelingen. Ik moest denken aan het bekende citaat van Gandhi, die zei ‘I like your Christ, I do not like your christians’. Ik denk dat de regisseur dit citaat zou naspreken - hij heeft duidelijk respect voor Christus, die geweldloosheid predikte, en scheidt dit van de religie die in zijn naam is opgesprongen en volken uitroeit. Religie als machtsinstrument (wat het vaak wordt) wordt hier in zijn ontluistering ten toon gespreid. Wat mensen van hun geloof maken, zodra ze het zien als de bron van hun identiteit als onderscheiden van andere mensen (als volk, maar ook als individu), is een afgod, of ze nu Christenen zijn of Moslims. Dit geldt nu ook voor ons en onze kerken!

Maar er is een alternatief. Een betere wereld, die de koning van Jeruzalem en Saladin samen tot stand hebben weten te brengen. Een wereld waarin Jood, Christen en Moslim samen leven. Waar de machteloze een baron wordt en de machthebber een dienstknecht. Waar rechtvaardigheid heerst. Een plek waar mensen niet hun identiteit ontlenen aan wat ze geloven, maar aan hun liefde voor anderen. Dit is wat volgens ridder Godfrey te vinden is aan het einde van de kruistocht. Een omgekeerde wereld. Het koninkrijk van de hemel. Ik moest hierbij denken aan ‘The Kingdom of Summer’ uit de Arthur-verhalen van Stephen Lawhead. Ook dat werd voortdurend bedreigd en was uiteindelijk slechts een kort bestaan beschoren - want laten we eerlijk zijn: hoe lang kan het paradijs in onze wereld blijven bestaan? Maar hoe kort het ook bestond, toch was het waardevol, omdat het een profetie was. Als dit nu al, tijdelijk, tussen mensen mogelijk is, dan zal het ooit eens de hele Aarde kunnen bedekken, als de wateren de zee. Dat voorspelden de profeten, en hun profetie toont opvallende overeenkomsten met hoe het rijk van Jeruzalem wordt beschreven. Het is deze wereld waar ook Jezus over sprak in zijn gelijkenissen over het koninkrijk (waar de titel van de film ook vandaan komt!).
En het koninkrijk van Jeruzalem kan alleen bestaan op basis van de regels van het koninkrijk die Jezus in zijn bergrede uiteenzette. Het is een koninkrijk van het geweten, aldus Balian. Werkelijke godsdienst bevindt zich in het hoofd en in het hart, zegt de hospitaalridder. Hij glimlacht als Balian zegt de stem van God niet gehoord te hebben, en niet langer in God te geloven. Het gaat om juiste actie, zegt hij. Opkomen voor de weerloze, het verdedigen van de zwakke, goed te doen aan ieder. Zoals verwoord in de riddereed. Daarin is God aanwezig. Scott ontkent niet het bestaan van God (er is een interessante discussie over de brandende braamstruik van Mozes, die eindigt met een mysterie). Maar het belangrijkst is niet de vraag of God bestaat, maar of wij liefhebben. Dit is ook wat Jezus het belangrijkst vindt (de belangrijkste regels uit de wet zijn volgens hem God lief te hebben boven alles en de naaste (elke naaste, ook die uit andere godsdiensten) als jezelf). Een godsdienst die er niet toe leidt dat je jouw naaste respecteert en liefhebt, is geen ware dienst van God. Hij geeft meer om liefde dan om dogma. Lees de eerste brief van Johannes maar eens. Wie liefheeft, wat hij verder ook gelooft of niet gelooft, is uit God. Wie niet liefheeft, welke dogma’s hij ook mag aanhangen, is niet uit God. Balian omarmt dit radicale principe uiteindelijk. Zijn drijfveer is de wereld een betere plek te maken.

Zo goed zijn mensen echter helemaal niet! Balian is niet anders dan die mannen die op oorlog uitsturen. We kunnen niet uit onszelf goed doen. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt immers door ons eigen hart, aldus Solchenytzin. En dat weet ook Balian. De film begint er immers mee dat hij een afschuwelijke misdaad pleegt. Hoe kan dan de hoop van het koninkrijk der hemelen op zijn schouders rusten? Hoe kan hij leren liefhebben, niet alleen zijn vrienden, maar ook zijn vijanden? We kunnen onszelf niet redden, niet door religieuze plichtsbetrachting, maar ook niet door lief te hebben. We hebben immers nooit genoeg lief om aan de maatstaf van Gods perfectie te voldoen. Als we moeten liefhebben om daar onze redding mee te verdienen, zijn we gedoemd tot het oordeel. We zijn immers zelf ook schuldig. Balian weet dat. Er zijn soldaten achter hem aangestuurd en zij hebben het recht hem mee te nemen. En in dit dilemma ligt het hart van de film, en om deze reden is de rol van Liam Neeson hoewel klein, cruciaal. Want hoewel de soldaten het recht hadden Balian te nemen, had Godfrey datzelfde recht. En de vader nam het op voor zijn zoon, hoewel die het niet verdiend had.
In prachtige beelden ontfermt de vader zich over zijn zoon, spreekt vertrouwen in hem uit, en geeft hem een nieuwe identiteit. Hij slaat hem tot ridder. “Sta op als ridder!”, zegt hij. Deze nieuwe identiteit ontvangt Balian nog voordat hij iets heldhaftigs heeft gedaan, nog voor hij heeft laten zien dat hij in staat is anderen lief te hebben. Het is een verklaring over hem, die waar is, wat hij vervolgens ook doet. Zijn vader houdt van hem en noemt hem een ridder. Alles wat Balian vervolgens doet in de film, is gebaseerd op zijn nieuwe identiteit. Het thema wordt tegen het eind van de film herhaalt, als Balian zelf een groep strijders ridders maakt. Iemand vraagt aan hem: “Denk je echt dat een man die je een ridder maakt, daardoor een betere strijder wordt?” Balians antwoord is: “Ja!” En de kersverse ridders stralen (waarmee ze zijn woorden bewijzen). Een van hen is iemand die Balian van thuis kende, een grafdelver. Maar, zegt Balian: hij is niet meer de man die hij ooit was, zoals Balian dat ook niet meer is. Ze hebben een nieuwe identiteit in het koninkrijk der hemelen. En die nieuwe identiteit stelt hen in staat om Jeruzalem te verdedigen.
En dit is uiteindelijk de boodschap van het christelijk geloof. God vraagt geen onderwerping, zoals in de Islam. Hij spreekt onvoorwaardelijke aanvaarding uit, wat we ook hebben misdreven of ooit zullen misdrijven, zoals Godfrey (op aanraden van de Hospitaalridder) Balian onvoorwaardelijk aanvaardt. Dit heeft hij laten zien door tot ons te komen, mens te worden en zijn armen te spreiden aan het kruis (Godfrey sterft aan een wond in zijn zij, opgelopen toen hij Balian wilde redden). En vervolgens laat hij ons vrij om te kiezen (wat Sybilla aangeeft). Kiezen voor het pad dat leidt tot oorlog en vernietiging, van anderen en uiteindelijk van onszelf (zoals de fanatici aan beide zijden van het conflict), of kiezen voor het pad van de liefde voor ieder mens, het pad van zelfopoffering.  Balian moet zelf kiezen om Godfrey te volgen en in zijn ware identiteit te gaan leven. Net zo roept Jezus ons op om hem te volgen. Dezelfde eerste brief van Johannes die ik hierboven aanhaalde stelt dat we zeker kunnen zijn van onze identiteit: “Ziet welk een liefde de vader ons gegeven heeft dat wij kinderen van God genoemd zouden worden. En wij zijn het ook.” Omdat wij geliefde kinderen van God zijn, kunnen wij liefhebben “omdat Hij ons eerst heeft liefgehad”. En als wij liefhebben wordt, hoe tijdelijk en hoe fragiel ook, het koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar.

maandag 21 januari 2013

Filmbespreking: Les Miserables

Wie filmrecensies leest op internet, ontdekt al snel dat de meningen over Les Miserables verdeeld zijn. Ik bezoek bijvoorbeeld vaak een filmforum. Een recensent wiens mening ik meestal wel waardeer, bleek helemaal niet positief over de film. Hij vond dat hij in de bioscoop onderworpen was aan rauwe emotie, en dat er te veel close ups waren en geen overzichtsbeelden. Ook anderen waren heel kritisch. Aan de andere kant hoorde ik van kennissen uit de Verenigde Staten dat het een geweldige film was - ze waren er tot tranen door geroerd en hadden de film al meerdere malen gezien. Ik vond dat opvallend. Het is niet zo heel vaak dat een film door critici met de grond gelijk wordt gemaakt, terwijl het algemene publiek er dol op is.
Zo’n kloof tussen de mening van de professionele ‘critici’ en de mening van het publiek was in dit geval echter te verwachten. Het oorspronkelijke boek, Les Miserables, van de Franse auteur Victor Hugo, werd ook door de critici afgewezen - het was volgens hen te sensationeel. Maar het boek werd wel een verkoopsucces. Hetzelfde gebeurde bij de musical op basis van het boek. Theaterrecensenten waren kritisch, maar de musical was zo populair dat hij in Londen nog steeds draait, na 25 jaar! Hoewel de critici er niet warm of koud van worden, smullen de normale mensen ervan - en komen ernaar terug. En nu gebeurt hetzelfde met de film.
Interesant genoeg was iets vergelijkbaars eerder dit jaar waar te nemen toen de tweede CD van de band Mumford and Sons uitkwam. Muziekrecensenten brandden de plaat af, maar het publiek bleek enthousiast. Ik ook trouwens, de CD van Mumford and Sons bevindt zich nog steeds in mijn platenspeler. In dit geval werd het fenomeen van de kloof tussen de mening van de critici en de mening van de luisteraars ook opgemerkt door schrijvers. Die identificeerden Mumford and Sons als voorbeeld van de ‘New Sincerity’. De nieuwe oprechtheid. De band zingt eerlijke teksten over liefde, en leven, maar ook over falen, zonde en eerlijkheid naar anderen. Teksten over genezing en vergeving. En dat zonder ironie. Het lijkt alsof ze echt geloven wat ze zeggen. Kan dat wel?
Ik denk dat de Westerse Cultuur heel lang heeft gedreven op cynisme en ironie. De laatste decennia moesten er steeds vraagtekens worden gesteld bij elk ‘grote verhaal’. Waarheidsclaims moesten worden ontleed en worden teruggebracht tot verlangen naar macht (en andere freudiaanse motivaties). Oprechte opoffering voor een ander kon niet bestaan, echt heldendom moest worden vervangen door de ‘anti-held’. Wie iets serieus zei, moest er een knipoog achteraan geven.
Neem bijvoorbeeld de manier waarop in de Nederlandse Literatuur met geloof wordt omgegaan. Heel lang konden mensen alleen over het christendom schrijven als ze er kritisch over waren. Schrijvers als Jan Wolkers en Maarten ‘t Hart hadden succes bij het literaire establishment toen ze afrekenden met hun religieuze achtergrond. En grotendeels terecht, trouwens, want de kerk heeft ook heel wat gedaan om kritiek te verdienen. Maar het werd wel eenzijdig. In dit soort boeken bleken er geen kerken te zijn die niet stijf, onderdrukkend of schijnheilig waren. Alle ouderlingen legden onschuldige mensen regels op waar ze zichzelf niet aan hielden. Elke voorganger predikte alleen de wet. En elke hoofdpersoon werd er zonder geloof alleen maar beter op. Het was ‘not done’ om iets positiefs te schrijven over religie. Zelfs christenen leerden om hun boodschap te brengen met een kwinkslag, zich ervan bewust dat ze er niet teveel gewicht aan moesten verlenen. Maar nu zijn er dus weer mensen die over de levensvragen durven praten zonder ironisch sausje, zoals Mumford and sons. Er worden boeken geschreven over geloof (‘Eat, pray, love’ om er maar een te noemen) en die worden door velen gelezen. En in de bioscoop verschijnen films die geloofsvragen stellen: Cloud Atlas, Life of Pi en dus nu Les Miserables - een film met een sympathieke bisschop, vol gebeden, kruizen en meldingen van Christus. Een film zonder ironie.
En de kijkers stromen toe. Kijkers die niet de recensies lezen, die niet op de hoogte zijn van het culturele discours, en die zich niets aantrekken van de critici. Kijkers die dus ook niet hebben meegekregen dat ze niet eerlijk mogen zijn over hun levensvragen en dat ze niet oprecht mogen spreken over hun verlangen naar betekenis. Kijkers die willen geloven. Het volk houdt zich niet aan de mening van de critici. Het volk houdt zich niet aan de laatste mode. Het volk wordt gedreven door oudere drijfveren dan trends die elke paar jaar wisselen. “Goede literatuur (volgens de standaarden van de critici) kan ons de geest van een enkel mens leren kennen”, betoogde G.K. Chesterton daarom in Heretics. “Slechte literatuur (volgens de critici, oftewel ‘lectuur’) kan ons de geest van heel veel mensen leren kennen. Een goede roman leert ons de waarheid over zijn held; maar een slechte roman leert ons de waarheid over zijn lezers ... de basale aannames en eeuwige drijfveren van de mens kunnen worden gevonden in stuiverromans en novellettes van twee cent.”
De burger heeft geen smaak, zeggen ze de critici. Net zoals de Farizeeën zich verheven voelden boven ‘de massa die de wet niet kent’ (Johannes 7:49_. Maar dat volk was dichter bij de waarheid dan zij ooit waren.
Dat geldt ook voor Les Miserables. En G.K. Chesterton -die de ‘apostel van het gezonde verstand’ werd genoemd, en op de hoogte was van het denken van de gewone mensen - legt uit waarom. Hij zegt dat in het boek Les Miserables (zoals in de rest van het werk van Victor Hugo) alles betekenis heeft. "In other novelists all these details are dead; in Hugo they are all alive. In Hugo we may be certain that the sandy waste will be made typical, in some wild way, of the type and tribe of characters to which it gives birth; we may be certain that the furniture in the room will be packed with symbolism like an antique chapel. There will be something human and horrible about the tree, something significant and psychological about the three-legged stool. This is no exaggeration; in this sense it is literally true that there is not a dull line in Hugo." Daarom is Hugo volgens Chesterton een mysticus.
Hugo beschrijft in detail het leven van een priester op het Franse platteland, de slag bij Waterloo, het ontwerp van het Parijse riool, de verschillende categorieën straatschoffie en het leven in een streng klooster - maar die details zijn niet overbodig. Ze doen er allemaal toe. Voor Hugo zijn er geen toevalligheden. Gebeurtenissen zijn geen ironische samenloop van omstandigheden, maar beschikkingen van het lot. En zijn lange paragrafen over de ontwikkeling van het menselijke ras, het bestrijden van armoede, het belang van onderwijs en de glorieuze toekomst van Europa in de twintigste eeuw meent hij ook allemaal oprecht. Als bands als Mumford and Sons representanten zijn van The New Sincerity, is Hugo een voorbeeld van de oude oprechtheid. Hij is een onbeschaamd idealist. Een romanticus - maar niet een die in het romantische vlucht uit de wereld, maar een die het romantische in de wereld ziet. Een die net als Chesterton zelf zegt: ‘Romance is the deepest thing in life.
En dit idealisme, waar hij zich niet voor verontschuldigt, is wat volgens mij niet goed valt bij critici. We geloven niet meer in pure liefde, we voelen ons ongemakkelijk bij welgemeende liefdadigheid, en als we een volwassen man een kind zien helpen denken we er ook het onze van. We zijn onze onschuld verloren. Maar Hugo is wel een gelovige! Niet dat hij zijn hoofd in het zand steekt. Hij is geen wereldvreemde wereldverbeteraar, hij negeert niet het kwaad in de wereld, en ontkent niet dat verbetering moeilijk zal zijn. Maar hij is niet bereid die stemmen het laatste woord te geven. Het is beter te hopen dan te wanhopen, is zijn mening. Maar wij hebben de wanhoop omarmd. ‘Laten we eten en drinken’, zegt onze cultuur met 1 Korintiers 15:32. ‘Want morgen sterven wij’. In zo’n cultuur zijn een boek, een musical en een film als Les Miserables een (naar mijn mening broodnodig) licht in de duisternis.

Les Miserables vertelt het verhaal van Jean Valjean, die aan het begin van de negentiende eeuw na negentien dwangarbeid eindelijk vrijkomt. En dat terwijl hij alleen maar een brood had gestolen. Nu wordt hij beschouwd als een gevaarlijk crimineel. Niemand wil hem welkom heten, nergens vindt hij werk. Uiteindelijk wordt hij ontvangen door de bisschop Bienvenue. Maar hij is gaan geloven in wat zijn papieren over hem zeggen, en doet wat bewaker Javert had gezegd dat hij zou doen: hij steelt het zilver van de bisschop. Hij komt er echter niet ver mee. In ketens wordt hij teruggebracht. Maar de bestolen man doet iets totaal onverwachts. Hij geeft Valjean geen straf, zoals hij verdiend had, hij geeft hem zelfs de twee zilveren kandelaren. En hij roept hem op van deze tweede kans gebruik te maken. Met het zilver heeft hij Valjeans ziel gekocht voor God. Diep geraakt kiest Valjean ervoor een nieuwe koers in te slaan. Hij neemt de identiteit aan van ‘meneer Madeleine’, start een fabriek en wordt zelfs burgemeester. Ondertussen ondersteunt hij de armen. Acht jaar gaat het hem voor de wind. Dan komt een van de arbeidsters in zijn fabriek, Fantine, op straat te staan en wordt ziek. Valjean belooft voor haar dochter Colette te zorgen. Ondertussen is Javert aangesteld als inspecteur bij de politie. En hij houdt ‘meneer Madeleine’ nauwlettend in de gaten. Als hij ontdekt dat het in werkelijkheid gaat om Jean Valjean, zet hij natuurlijk de achtervolging in. Valjean kan niet anders dan met Colette in zijn armen vluchten naar Parijs en weer een andere identiteit aannemen. Hij denkt ontsnapt te zijn aan de wet, maar in 1832, terwijl er rellen uitbreken en barricades worden opgericht in de straten, wanneer Colette de liefde van haar leven ontmoet, loopt Valjean opnieuw Javert tegen het lijf ...

Ik heb afgelopen december het boek Les Miserables gelezen (in Engelse vertaling) en dat boek is hoog binnengekomen in mijn persoonlijke lijst van favorieten. De eerste keer dat ik de film keek was ik daarom in mijn gedachten aan het vergelijken. En ik moet eerlijk zeggen dat in dit geval het boek beter is. Het telt meer dan 1200 pagina’s en de film is nauwelijks drie uur lang. Dus geeft het boek veel achtergrond die in de film ontbreekt. Hoe kwam de bisschop ertoe Valjean zijn zilver mee te geven? Je leest het in het boek. Waarom had Fantine haar dochter achtergelaten bij de Thenardiers? Het verhaal uit het boek is hartverscheurend. Hoe kwam het dat Marius de Thenardiers kende? (het boek geeft het antwoord, en het heeft te maken met Waterloo). Werden Marius en Cosette na een enkele blik al verliefd? Het boek beschrijft een proces van een jaar. De film heeft wel elementen van het boek verwerkt. Zo komt de opa van Marius even in beeld. Maar alleen in het boek leer je waarom Marius geen liefdadigheid van hem wil ontvangen. De dronken student die in de film naast leider Enjolras komt te staan, wordt in het boek een tragische held. Valjean klimt met een touw van een lantaarn over de muur van een klooster, maar hoe hij zich daar voordoet als broer van de tuinman Fauchelevent, waardoor hij ook nog levend begraven dreigt te worden, staat alleen in het boek. Ik ga het boek binnen een paar jaar nog een keer herlezen, heb ik me al voorgenomen.
Maar deze bespreking gaat over de film, niet over het boek. En de film is absoluut de moeite waard. Dit is de eerste musicalverfilming waarbij de stemmen zijn opgenomen tijdens het filmen (in andere musicalfilms wordt de zang apart opgenomen, maar daardoor krijgen de stemmen niet dezelfde emotie mee die de acteur aan zijn rol geeft). De gok heeft goed uitgepakt. De liederen dragen veel (soms hartverscheurende) emotie. Vooral ‘I dreamed a dream’ is aangrijpend. Ook omdat Anne Hathaway zo goed speelt. Verder is Hugh Jackman een innemende, geloofwaardige Jean Valjean. Russell Crowe is wat minder als Javert. Sacha Baron Cohen en Helena Bonham Carter zijn grappig als herbergiersduo de Thenardiers. De camera zoomt in op de gezichten van de acteurs, maar dit werkt juist erg goed, omdat het de emoties zo goed overbrengt. En dit is niet in de eerste plaats een historische film, maar een emotionele film. Hij vertelt niet de geschiedenis van de revolutie, maar de geschiedenis van een hart.  Verder vond ik de vele verwijzingen naar het kruis mooi en de manier waarop de film eerlijk was over de religieuze motivaties van de karakters. Mijn voornaamste kritiek is (behalve het tekort aan diepgang vergeleken met het boek) dat de keuze van Marius voor Cosette in plaats van Eponine totaal niet geloofwaardig is. Ook dit is in het boek beter weergegeven (natuurlijk).

De film toont prachtig het verschil tussen een leven gebaseerd op de wet en een bestaan dat wordt gevormd door genade. De wet moet hier niet alleen worden gezien in religieuze zin, maar lijkt te duiden op alle systemen, of het nu de religieuze wet is (Javert ziet zijn wetsijver in elk geval ook in religieuze termen), de juridische wet, of de economische wet. Elk systeem ontneemt mensen hun persoonlijkheid, en maakt ze tot een nummer, een radertje in het geheel. Mensen worden slaven van de wet, of ze nu dwangarbeider zijn of prostituee. Hier tegenover staat de genade, die mensen juist ziet als persoon, als individu, en hen behandelt als waardevol en betekenisvol, ongeacht wat ze gedaan hebben. Dit heeft verreikende gevolgen. Wie zo’n liefde ervaart, wil zelf ook gaan liefhebben. En wie een ander liefheeft, ziet het aangezicht van God. Ik zou hier een volledig essay over kunnen schrijven, maar tegelijk is over dit aspect van het verhaal al veel geschreven, onder andere door Philip Yancey in zijn boek ‘What’s so amazing about grace?’ (een aanrader). In dit bericht laat ik het thema verder liggen en richt ik mij op het hoopvolle einde van het verhaal.
Eerder in de film is de revolutie op niets uitgelopen. De Parijse bevolking heeft zich niet aangesloten bij het studentenverzet en de barricade is onder de voet gelopen door de soldaten van het onderdrukkende regime. De idealisten met wie we meeleefden, liggen dood naast elkaar op de grond. Het is makkelijk om het idealisme van Hugo belachelijk te maken. De twintigste eeuw bracht namelijk nieuwe oorlogen voor Europa, oorlogen die de conflicten uit de negentiende eeuw overschaduwden. Van eenheid en gerechtigheid was lange tijd geen sprake. En zelfs in de eenentwintigste eeuw is er nog sprake van ongerechtigheid en crisis. Maar ik denk dat het daarom betekenisvol is dat Hugo schreef over een mislukte revolutie. Dat hij zijn hoofdpersonen niet de overwinning liet halen. Als er een nieuwe tijd zal aanbreken voor Europa, zal dat niet gebeuren zonder moeite en mislukkingen. Degenen die zich sterk maken voor vernieuwing, zullen de vruchten van hun werk vaak niet proeven. Dit alles maakt Hugo echter niet moedeloos. Hij gelooft namelijk dat de uiteindelijke vervulling van zijn ideaal niet van mensen afhangt, maar van God. En God doet wat Hij heeft beloofd.
Ook de film eindigt daarom hoopvol. In de slotscène heeft de barricade zich over heel Parijs uitgebreid en in een ied wordt de kijker uitgenodigd zich bij de vrijheidsstrijders te voegen. De revolutie waar ze voor gingen, komt er nu echt! Maar ze zingen nu niet meer over Parijs alleen. Ze zingen over de toekomst die er komt, in de tuin van de Heer, waar zwaarden zullen zijn gesmeed tot ploegijzers. En we zien op deze barricade iedereen die een rol heeft gespeeld in de film, iedereen die was onderdrukt, iedereen die het onderspit heeft gedolven. Hun levens hadden betekenis, ondanks hun schijnbare falen dragen ze bij aan de wereld die komt. En luid zingend kijken ze de verte in, terwijl hun blik verandert in een van verwondering en blijdschap.
Christenen kunnen net als Hugo uiteindelijk niet cynisch zijn. We moeten eerlijk zijn - we zien mislukkingen overal om ons heen, plannen die afbranden, vrienden die ziek worden, kinderen die dood gaan. Oorlogen en geruchten van oorlogen. Maar dit alles is niet het einde. God heeft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde beloofd, waar gerechtigheid woont. Het is makkelijk dat beeld terzijde te schuiven. We beschermen ons hart met cynisme. Want wat als God niet blijkt te bestaan? Wat als we tevergeefs verlangen? Maar aan de andere kant: wat als onze levens werkelijk verlost zullen worden? Wat als iedereen die een rol heeft gespeeld in ons verhaal daarvoor eer zal ontvangen? Wat als zelfs onze mislukkingen en fouten aan de komst van het koninkrijk zullen bijdragen? Durven we dat verlangen te voelen? Durven we ons leven vorm te geven volgens dat ideaal? Durven we voor die hoop te leven? En te sterven?
Dit is wat het betekent te geloven: we geloven dat God deze toekomst werkelijkheid zal laten worden. Dat het niet van ons afhangt, maar van Hem. En wij brengen ons leven er nu al mee in overeenstemming. Dat geloof is het antwoord op cynisme. Dit vertrouwen is de nieuwe oprechtheid.

zondag 2 september 2012

Filmbespreking: Elizabeth

We worden als mensen nogal eens ingeperkt door onze ervaring. We kennen de wereld om ons heen. Onze stad, de marktkraampjes, de volle trein op weg naar kantoor. Die ervaren we als werkelijkheid, die heeft voor ons substantie. En van de mensen die we dagelijks zien, hebben we het gevoel dat we ze kennen. We kunnen onszelf op hen projecteren, en ons voorstellen dat ze dezelfde gedachten koesteren, dat ze dezelfde verlangens hebben, dat ze angstig zijn en liefhebben zoals wij dat doen. We ervaren ze als ademende, levende personen en gaan zo met ze om. Maar het wordt anders als we van mensen gescheiden zijn, of het nu is door een fysieke afstand, of door tijd. We lezen over een andere cultuur, bijvoorbeeld die van Japan of van de Inuit, en over hun voor ons aparte gebruiken en hun bevreemdende cultuur. Maar kennis over mensen is niet hetzelfde als het kennen van mensen. De Japanners of de Inuit blijven voor ons abstract. Het zijn eenheden, geen mensen. Een encyclopedie of een volkenkundig museum helpt ons niet over hen te denken als mensen zoals wij, die liefhebben, verdriet hebben, ambitieus zijn of juist niet. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis. We kunnen lezen over de middeleeuwen, de volksverhuizingen, de kathedralenbouwers, de epidemieën en de koningen, maar die kennis is onpersoonlijk. Al snel denken we dat mensen in die tijd dommer waren, minder ver ontwikkeld, simpele zielen of onschuldiger. Het is moeilijk over ze te denken als echte, levende, ademende mensen zoals wij. Het blijft een ‘ver van mijn bed show’.
Om de kloof van de abstractie te overbruggen hebben we iets anders nodig dan feiten. Het kan alleen door de mensen echt te ontmoeten. Door op reis te gaan naar een andere cultuur en twee weken bij Indiers te logeren bijvoorbeeld - daardoor krijgen de mensen op dat subcontinent een gezicht. Ze worden individuen, persoonlijkheden. Maar dat is niet altijd mogelijk, vooral niet als de afstand er een is in de tijd. Dan is fictie de aangewezen oplossing. Verhalen laten ons meeleven met individuele mensen, laten ons delen in hun pijn, vreugde en moed, laten ons voelen waarom eer nu zo belangrijk voor hen is, of waarom ze minder geven om welvaart dan wij. Een verhaal stelt ons in staat om ons door middel van de verbeelding te verplaatsen in de schoenen van een ander, en daardoor tegelijkertijd de ander te zien als een mens zoals wij. Dit is een belangrijke functie van fictie. Deskundigen spreken over de ‘theory of mind’ - de wetenschap dat een ander zichzelf als persoon ervaart, net zoals jij dat doet. Het is bekend uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen die verhalen lezen, sterker scoren op testen over de ‘theory of mind’ en ook empathischer zijn. Ze zijn ook eerder geneigd om anderen te helpen. Je zou kunnen zeggen dat verhalen ons menselijk maken, of anders gezegd: dat verhalen ons helpen om anderen te zien als mensen.
Dit verklaart waarom historische films mij zo aanspreken. Op een bepaald moment tijdens het kijken realiseer ik me dat deze mensen, met hun worstelingen, hun verlangen en hun twijfel, werkelijk hebben bestaan, bijna vijfhonderd jaar geleden. En andersom, dat de mensen van 1500 jaar geleden waarover ik lees in de geschiedenisboeken geen pionnen waren of robots die een koers volgden die voor hen was vastgelegd (de koers die de geschiedenis nu eenmaal moest lopen om te leiden tot onze tijd), maar dat ze individuen waren die hun eigen ideeën navolgden, met andere concurreerden, en teleurstelling ervoeren of juist grote vreugde. Hoewel de geschiedenis voor mij lijkt vast te staan, was de toekomst voor hen open. Dit ervoer ik bijvoorbeeld bij het kijken van de al wat oudere film Elizabeth.

De film speelt zich af in het Engeland van de zestiende eeuw. Net als elders in Europa heeft de reformatie diepe voren getrokken. De film begint met de levende verbranding van drie protestantse ketters. De katholieke koningin Mary Tudor wordt echter opgevolgd door de protestantse Elizabeth. Een levenslustige jonge vrouw, die verliefd is op een sympathieke edelman Sir Robert Dudley. Het ziet er echter naar uit dat haar regering van korte duur zal zijn. Het land is arm en er dreigt oorlog, bijvoorbeeld met bloody Mary, de koningin van Schotland. De katholieke bisschoppen zijn niet blij met haar ideeën over de gewetensvrijheid van individuen en de Paus dringt zelfs aan op een gewelddadige oplossing. De graaf van Norfolk, een van de belangrijkste edelen, aast ondertussen zelf op de troon. De enige manier om haar positie te behouden, is te trouwen. Of met de Franse Graaf van Anjou (die op zijn minst flamboyant is te noemen), of met de Spaanse koning. Haar advisieur William Cecil houdt haar voor dat haar lichaam nu niet meer van zichzelf is, maar van de staat. Ze is een vrouw in een mannenwereld en wordt daar ook regelmatig aan herinnerd. Ondertussen hoopt Sir Robert haar te kunnen blijven zien. De enige die werkelijk haar belangen op het oog lijkt te hebben is Sir Francis Walsingham, die als haar lijfwacht op een doortastende manier afrekent met bedreigingen van binnen en buiten het hof. Uiteindelijk moet de jonge koningin een groot offer brengen om haar land voor onheil te behoeden.

Deze film had makkelijk in het lijstje van mooie films kunnen staan dat ik laatst op mijn blog plaatste. De aankleding van de film is prachtig, met fantastische kostuums en imposante decors. Er speelt ook een heel scala goede acteurs in mee. Van Richard Attenborough (zelf ook regisseur, en broer van David), tot Joseph Fiennes (die later Luther speelde), Geoffrey Rush (zoals altijd briljant) en Christopher Eccleston (gepast dreigend en doortastend, in 2003 Dr. Who.). Emily Mortimer (uit Lars and the Real Girl) is een van de dienstmeisjes van de koningin, en zelfs de latere James Bond Daniel Craig heeft een rolletje. Cate Blanchett is een stralende koningin Elizabeth (deze rol is duidelijk een voorloper van Galadriel), maar een die ook haar doortastendheid overtuigend weet te brengen. Misschien toont de film niet de lelijke kant van de middeleeuwen wat betreft scheve tanden, pest en luizen, maar ketterverbrandingen, martelingen en de gevolgen van de oorlog worden wel in beeld gebracht. Aan het eind van de film wordt er een samenzwering ontmaskerd, maar hoe die precies in elkaar zat was me niet heel duidelijk, en ook niet wat de rol van Sir Robert nu precies was. Ik heb ook begrepen dat de film de volgorde van gebeurtenissen hier en daar omdraait en zich wat vrijheid veroorlooft in de ontmoetingen van de koningin. Dat maakt de film niet minder. Om op abstract niveau te weten wat precies gebeurde kun je vinden op Wikipedia. Om je een beeld te vormen van wat een vrouw van vlees en bloed moet doen en laten op de troon van Engeland in de zestiende eeuw, kijk je deze film.

Tijdens het kijken van de film dacht ik een paar keer: hee, dit soort situaties ken ik uit A Game of Thrones en de vervolgen daarvan. Een strijd om de troonopvolging, verschillende huizen van edelen met conflicterende belangen, diplomatiek inzetten van huwelijken en relaties, en bloederig verraad. Ik verwijs daarom graag naar mijn bespreking van A Game of Thrones. Daarin schreef ik: “Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis.” Onze heldenverhalen, waar wij betekenis aan ontlenen, leiden ertoe dat wijzelf onvrij zijn, en dat wij anderen hun vrijheid ontnemen (hun heldenverhaal bedreigt het onze immers). Ik citeer Richard Beck: “This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.” Ditzelfde principe wordt ook op een krachtige wijze in beeld gebracht in deze film. In A Game of Thrones lees je over de gevolgen van de menselijke machtsuitoefening op de zwakken en de machtelozen. Deze film toont de vernietigende effecten ervan op de individuele mens en zijn persoonlijkheid.
Eerst wordt Elizabeth in beeld gebracht als een levendige jonge vrouw. Ze bevindt zich in een idyllische, bijna paradijselijke situatie, waar ze danst met haar geliefde Sir Robert. Ze heeft hoop op een werkelijke relatie met de man met wie ze houdt. (De keren dat deze karakters dansen hebben een symbolisch karakter, denk ik. Ze worden namelijk steeds ongemakkelijker door de film heen). Bovendien is ze werkelijk overtuigd gelovige. Zelfs als ze gevangen wordt genomen en bedreigd wordt, houdt ze vast aan haar protestantse overtuigingen. Wanneer haar zus haar vraagt Engeland katholiek te houden, antwoordt ze dat ze zal handelen zoals haar geweten haar ingeeft. Wanneer ze hoort dat ze koningin wordt, reageert ze met oprechte dankbaarheid aan God. Ze is iemand die kan liefhebben, God en een ander individu. En ze probeert ook zo te regeren, uit het hart, niet uit kille berekening. Maar als koningin bevindt ze zich op een positie waar dat niet is vol te houden. Er wordt van haar verwacht dat ze de positie van Engeland beschermt en verstevigt. Er wordt van haar verwacht dat ze macht uitoefent ten dienste van de staat. Daarvoor moet ze trouwen met iemand die haar maar een of twee keer per jaar zou zien (de koning van Spanje) of met iemand die zich graag als vrouw verkleedt (de Franse Anjou). Haar liefde voor Robert is ondergeschikt aan het verhaal van Engeland. En anderen verwachten dat ze macht uitoefent ten dienste van de kerk, katholiek of protestant. Ze bespeelt de edelen prima, wijst hen op hun hypocrisie, maar het verhaal van de macht krijgt uiteindelijk de overhand. De religieuze machten zijn bereid de toevlucht te nemen tot moord om hun positie te beschermen. En Elizabeth kan hen alleen met de wapenen van de macht bestrijden, en moet daarbij ingaan tegen haar geweten. Ze moet de machiavellistische Walsingham de vrije hand geven om de katholieke samenzweerders te doden. En ze moet de toevlucht nemen tot de subversie van religieuze beeldtaal om haar plek op de troon te behouden. Ze wordt zelf een religieus figuur, om mensen ervan te weerhouden op grond van hun religie tegen Engeland te kiezen. Op dat moment, zegt ze, is ze getrouwd met Engeland. Ze heeft haar lange haren afgeknipt, heeft haar gezicht wit gemaakt, en draagt een witte jurk. Haar levenslustige persoonlijkheid is gesublimeerd, haar liefde voor Robert is weggedrukt. Ze is nu een belichaming van een ideaal, een abstractie, in plaats van een persoon. Ze is haar positie. Dat is wat macht doet met mensen. Dat is de betekenis van het gezegde dat macht corrumpeert, en dat absolute macht absoluut corrumpeert.

De ironie is natuurlijk dat haar beslissing om de maagdelijke koningin te worden succes oplevert voor Engeland. Dat gaat een gouden eeuw in, met ongekende welvaart, succesvolle expansie in de wereld en een Anglicaanse kerk die de staat niet meer bedreigde. Het verhaal van Engeland eindigt met een overwinning. Maar een ‘happy end’ is het volgens mij niet. Want het verhaal van Engeland is niet het Verhaal van de Werkelijkheid. Het is niet het Ware Verhaal. Het is een klein verhaal, en degene die van Engeland zijn eigen verhaal maakt, die zijn leven laat draaien om het succes van Engeland, dient eigenlijk een afgod. Hoe mooi en succesvol Engeland ook is, het is het niet waard dat ook maar een mens zijn of haar geweten dicht schroeit om het te redden. Het is het niet waard dat een mens er een ander mens voor ombrengt, of dat iemand haar eigen liefde ervoor ontkent. Christenen geloven dat ze in een groter verhaal leven. In HET grote verhaal. Daarom zijn ze wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hoewel ze leven als burgers van het Romeinse rijk, vereren ze de keizer daarvan niet als God, en worden ze liever uitgestoten dan hun eigen geweten geweld aan te doen. Wie oprecht wil leven in het grote verhaal kan niet tegelijk het wereldsysteem blijven dienen. Niemand kan twee heren dienen, zei Jezus al.
Maar ook de kerk kan het verhaal van iemands leven worden. En ook de kerk blijkt dan een te klein verhaal. Wie zijn leven laat draaien om het succes van een kerk, om het ledenaantal of zelfs het voortbestaan, dienst eigenlijk een afgod. In dit verhaal wordt de katholieke kerk als voorbeeld opgevoerd, maar het geldt eigenlijk ook voor protestante kerken, pinksterkerken en huiskerken (en zelfs voor het idee van kerkloos christen-zijn). Als je leven daarom gaat draaien, en je in naam van de kerk andere mensen pijn doet, uitsluit of veroordeelt, leef je niet langer in het Grote Verhaal. Dan leef je in een verhaal dat geen leven kan brengen. Dat alleen maar tot de dood leidt, voor jou en voor anderen. Walsingham (die zelf niet gelooft, maar denkt dat in het heelal niets anders is dan de mens en diens gedachten), heeft het verschil scherp door. Hij zegt tegen een katholieke priester: “Is your God such a worldly god that he must play at politics in the filth of conspiracy? Is he not divine?” Hij zag in dat deze man niet God diende, maar een god met een kleine ‘g’: de kerk.

Elizabeth besluit het spel mee te spelen. Ze dient Engeland. Ze houdt zich aan de religieuze verhalen van mensen. En ze draagt daarvan de pijnlijke gevolgen. Was er iets anders mogelijk? Ik weet het niet. Wij kunnen ons ook niet uit de wereld terugtrekken. We moeten ook gewoon ons werk doen, onze hypotheek betalen. We zijn deel van allerlei systemen. Maar aan de andere kant zijn we geen burgers maar ‘bijwoners’, vreemdelingen. Ons ware vaderland is het Koninkrijk van God. Ergens in die dubbelheid ligt de waarheid. Als we ons werkelijk geliefd weten, als we ons realiseren dat we leven in het Verhaal dat God vertelt, als onze betekenis rust op Jezus’ dood en opstanding, dan kunnen we de verhalen van Engeland, van de kerk, van onze carrière of onze financiën zien voor wat ze werkelijk zijn: kleine verhalen, gedoemde projecten, vaten die geen water houden. We kunnen ze relativeren. We worden dan niet langer geregeerd door deze verhalen, maar zijn vrij om er voor te kiezen iets te doen dat goed is voor Engeland, of om dat te weigeren. We zijn vrij om te kiezen bij een kerk te horen, maar ook vrij om er weg te gaan als ons geweten dat vraagt. We zijn vrij om anderen als waardevolle individuen te behandelen, in plaats van ze te martelen. We zijn vrij om te leven en lief te hebben, in plaats van ons aan een ideaal te onderwerpen. Ik breng dit niet altijd in praktijk, maar ik verlang er wel naar. Ik wil niet eindigen als Elizabeth. Als gevoelloos standbeeld, in plaats van een geliefd mens.