Posts tonen met het label persoonlijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijkheid. Alle posts tonen

vrijdag 21 februari 2014

Gedicht: sprookjesbal

Sprookjesbal

De weg was lang en steil
onder een duist're hemel.
Je voeten waren ruw,
je kleren vuil, je haar
verward, aaneen geklit,
toen je de poort bereikte
van het paleis. Je klopte,
bang te worden afgewezen
er niet te mogen zijn.
Was bijna omgekeerd.

Toen opende zich de deur,
ging je de drempel over
de warmte in. Je kleed
werd van je afgenomen.
Je werd vriendelijk onthaald,
zonder afkeer of verwijt,
meegevoerd naar spiegels
waar de dienaars stonden
al op je te wachten. Je liet
hen hun werk verrichten.

Hun handen veegden tranen
van je ogen, kleurden je
lippen rood, je wimpers zwart,
verfden je nagels. Je haar
werd zorgzaam opgestoken.
Ze hulden je in kant,
satijn, leer en brokaat,
hingen stenen aan je oren
bonden zilver om je hals,
bezet met diamanten.

In de reflectie zag je niet
langer wie je was, maar meer:
potentie werkelijkheid.
Hart bonzend schreed je door
naar binnen en naar buiten
in een balzaal groter dan
de wereld, de vervulling
van je diepste dromen.
Je zag hem naar je kijken,
glimlachend, zijn hand naar je uitgestrekt.

En toen begon de dans.

donderdag 5 december 2013

Over de drempel (6): de fluistering van het verlangen

Een week voor ons trouwen ontmoette ik in Amsterdam een vriend uit de Verenigde Staten. Ik had hem voor het eerst ontmoet in 2005 op een conferentie van John Eldredge (hij zat in het team, en was de forumcoördinator van het Ransomed Heart-forum waar ik toen actief was) en in 2007 zag ik hem weer op een conferentie in Australië. Onze derde ontmoeting vond plaats op een derde continent. De enige persoon tot nu toe die ik op drie continenten heb ontmoet. We bleken elkaar erg veel te vertellen te hebben. Zo hadden we allebei geworsteld met de evangelische kerk, en waren we allebei terecht gekomen in de Anglicaanse kerk (en ook bijna gelijktijdig!). We worstelden allebei met ons godsbeeld. En met ons zelfbeeld. Onder andere wat ons verlangen betrof. Want onze verkeerde beelden van God en de verlossing hadden ertoe geleid dat we ons verlangen onderdrukten, dat we onszelf niet de toestemming gaven onszelf te zijn. Maar daardoor verhinderden we niet alleen dat we een creatief, vruchtbaar (ook letterlijk!) leven leidden, we behandelden daardoor bovendien andere mensen minder respectvol.
Mijn vriend vertelde van zijn dochter in de tienerleeftijd. Ze had hem een keer toevertrouwd dat ze liever op dates ging met ongelovige jongens dan met jongens uit de kerk. Natuurlijk was hij daardoor erg geschrokken, zoals elke christelijke ouder dat zou doen. Maar hij was wijs genoeg zijn dochter om uitleg te vragen. Ze vertelde dat christelijke jongens niet naar haar durfden kijken. Ze keken opzij, ze wendden zich af. Het was duidelijk dat ze zich schaamden. Waarvoor? Voor het feit dat ze haar aantrekkelijk vonden. En dat ervoer zij als afwijzing en als reden om zich te schamen. De niet gelovige jongens zeiden eenvoudig tegen haar: ‘Je ziet er leuk uit. Zullen we een keer wat drinken?’. Ze schaamden zich niet voor haar of het effect dat zij op hen had. Ze voelde zich door hen geaccepteerd en gewaardeerd, als vrouw en als individu, en ze hoefde zichzelf ook niet te schamen voor haar seksualiteit. Het was voor haar veel meer ontspannen.

Als mensen hun verlangen op een voetstuk hebben staan en alleen leven voor de vervulling van hun eigen begeerte, zullen ze respectloos met andere mensen omgaan (die ze alleen zullen beoordelen naar de mate waarin ze hun begeerte bevredigen - een transactionele instelling). Maar het is ook respectloos als mensen hun eigen verlangen en dat wat het verlangen opwekt, afwijzen en veroordelen. Dat maakt van de interactie ook iets transactioneels (door mijn verlangen verdien ik straf, of de ander die mijn verlangen opwekt maakt mij slecht). Verlangen is echter wat ons mensen maakt. Verlangen is wat ons voortdrijft, tot handelen aanzet, maakt dat we het ene been voor het andere zetten. Verlangen is de brandstof van onze wil. Om te weten wie iemand is, moet je vragen wat hij of zij verlangt. Als we het verlangen op zich (in plaats van de manier waarop iemand een verlangen wil bevredigen) slecht vinden, afwijzen, veroordelen, wijzen we de kern van iemands identiteit af. En maken we iemand ten diepste passief. Want een mens zonder verlangen is een lege huls, in de greep van machten van buiten zichzelf. Dat geldt ook voor degene die het verlangen opwekt - die wordt gereduceerd tot bepaalde karakteristieken, en kan zichzelf niet meer zien als waardevol, compleet persoon, maar moet een deel van zichzelf afwijzen. Dit leidt tot heel ongezonde taferelen, waarvan het voorbeeld van de dochter van mijn Amerikaanse vriend, nog de minste is.
In de kerk waar ik opgroeide, werd seksueel verlangen als slecht weggezet. Zo kreeg ik het ten minste mee. De Bijbeltekst ‘wie een vrouw aankijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’ (Mattheus 5:28), werd zo uitgelegd dat het betekende dat wie een vrouw aantrekkelijk vond al overspel met haar had gepleegd. En het voelen van seksuele aantrekking werd zo ongeveer gebracht als de grootste zonde die mogelijk was. Voor iemand die het onderwijs van de kerk serieus nam en in zijn leven probeerde toe te passen, leidde dit in de puberteit natuurlijk tot schuldgevoel, schaamte en zelfafwijzing. Ik probeerde het verlangen te onderdrukken, maar hoe hard ik daar ook voor werkte, het stak steeds opnieuw de kop op. Ten slotte voelde ik me al een weekeinde lang diep schuldig als ik in  een tijdschriftenwinkel een superheldenstripboek (X-mannen) had doorgebladerd. Ik herinner me een e-mail aan een vriend waarin ik dat mijn ‘boezemzonde’ noemde (ik snap nu pas de ironie), waar ik maar niet van af kon komen.
En in mijn strijd tegen dit verlangen, begon ik ook al mijn andere verlangens te onderdrukken: mijn verlangen naar spannende verhalen (ik wilde graag Alistair MacLean boeken lezen, dus dat zou wel een verslaving zijn. Als ik een James Bond-film zag, fantaseerde ik over actiescènes, dus die moest ik overslaan), mijn verlangen naar creativiteit (ik stopte met schrijven), et cetera. In mijn stripbespreking van de geweldige ‘graphic novel’ Een Deken Van Sneeuw heb ik al eens betoogd dat onze verlangens met elkaar samenhangen: ons seksuele verlangen en ons verlangen om te scheppen, te creëren, zijn niet los te verkrijgen. Het onderdrukken van de een leidt tot het onderdrukken van de ander. Het verlangen is namelijk niet te scheiden: het is een enkel vuur dat binnen in ons brandt. En het is ook niet te scheiden van ons verlangen naar eenheid met God. Sommige christelijke mystici ervoeren Gods aanwezigheid niet voor niets in een haast seksuele extase. Zie bijvoorbeeld het beeld van de heilige Teresa van de Renaissance-kunstenaar Bernini in het plaatje hierboven.
Ik denk dat het daarom niet voor niets is dat als een samenleving (of kerk) mensen onder controle wil houden zowel de seksuele expressie als de artistieke expressie worden onderdrukt of beschaamd. Maar dat daar (bedoeld of onbedoeld) ook de religieuze expressie schade door ondervindt. In de kerk waar ik opgroeide werd in elk geval niet alleen neerbuigend en veroordelend gesproken over seks en kunst, maar ook over ‘bovennatuurlijke’ en ‘mystieke’ manieren om God te ervaren. We hadden de bijbel, uitgelegd door Darby en Kelly, en dat was genoeg. Volgens de kerk waarin ik opgroeide was individualiteit ook iets verdachts - we moesten sterven aan het vlees, ons eigen ik, onze wil, zodat gods Geest ongehinderd door ons heen kon werken. Waarom gods Geest er vervolgens voor zorgde dat de meest ‘geestelijke’ van de kerkleden mensen uit de gemeenschap uitsloten en op een kerkscheuring aanstuurden, hebben ze mij nooit uitgelegd.

Natuurlijk werd in de kerk betoogd dat man en vrouw in het huwelijk wel seks met elkaar mochten hebben. Ik ga ervan uit dat het volgens de kerk dan ook was toegestaan als man en vrouw naar elkaar te verlangen. Maar volgens mij is het niet mogelijk een verlangen opeens weer ‘aan te zetten’, na het jarenlang als slecht en zondig te hebben neergezet. Het is niet opeens ‘goed’ in andere omstandigheden. Zelfs als je het dan ‘goed’ noemt, kan de menselijke psychologie die omschakeling niet maken. Vooral niet als je voor vrouwen buiten je huwelijk nog steeds niks mag voelen of bij enige emotie jezelf moet veroordelen en afwijzen. Zo werken verlangens niet. Als je een muur rond je verlangen hebt opgetrokken en die met al je mentale kracht hebt bewaakt, kun je niet opeens in je huwelijk een klein stukje van de muur afbreken, en verwachten dat het verlangen dan opeens alleen door dat gaatje naar buiten komt. De muur is alleen volledig af te breken. Het is alles of niets. Je brengt jezelf tot expressie, of niet. Dit geldt ook voor de andere verlangens. Ik kon niet opeens mezelf toestaan alleen naar bepaalde verhalen te verlangen, of alleen christelijke films te waarderen. Of alleen non-fictie te willen schrijven. Het verlangen is alles of niets.
Dit heb ik het afgelopen jaar in de praktijk gemerkt. Pas in september 2012 gaf ik mezelf toestemming om me aan het schrijven van fictie te wijden. Het was een van de grootste omkeringen in mijn leven, eigenlijk nog belangrijker dan het ontmoeten van mijn vrouw en mijn huwelijk (alhoewel daar ook niet van te scheiden - dat ik een vrouw durfde aanspreken was ook al een sprong in het diepe voor me, en het kiezen voor het huwelijk ook een kiezen voor verlangen). Ik gaf mezelf toestemming om mijn liefde en passie voor het schrijven zonder enige belemmering te uiten. Ik voelde me daardoor meer mezelf dan in de tien jaar ervoor. Ik sliep zelfs beter. Maar (waarschijnlijk niet toevallig) leidde die toestemming om te schrijven tot toestemming op meer gebieden. Het leidde tot toestemming om mijn verlangen naar een andere kerk te volgen, naar toestemming om de boeken te lezen die ik wilde lezen, en naar toestemming om mijn eigen seksuele verlangen niet langer af te wijzen. Alles in een paar maanden tijd. Het was, moet ik zeggen, heel erg bevrijdend. Maar ook confronterend, omdat ik zag hoe diep mijn verlangen al die tijd opgesloten was geweest. Ik gaf mezelf eindelijk toestemming om er te zijn, helemaal, als Johan. Het is ook niet toevallig dat het gebeurde nadat ik in november 2012 en nogmaals in april 2013 tijdens het bidden de liefdevolle ogen van Jezus had gezien, en zijn acceptatie had gevoeld. Ik wist mij eindelijk geliefd gewoon als wie ik ben en kon dus ook mezelf accepteren in al mijn menselijkheid, inclusief mijn verlangen.
En dit was niet mogelijk zonder een sacramenteel beeld van de werkelijkheid, dat wil zeggen: een incarnationeel beeld van de werkelijkheid. God die mens wordt, zich toont op een manier die wij kunnen waarnemen, en daarmee laat zien wat ten diepste waar is voor ons allemaal. Want wat waar is voor Jezus, is waar voor ons. Incarnatie is een sacrament, werkelijke aanwezigheid, God met ons. Dat Jezus mens werd, betekent niet alleen dat het mens-zijn, het lichamelijke mens-zijn geheiligd is. Het betekent dat onze individualiteit geheiligd is, inclusief ons verlangen, inclusief onze seksualiteit. We maken van Jezus snel een soort super-mens, een buitenaards wezen onder ons, die niets te maken heeft met onze menselijke eigenschappen of zwakheden. Maar Jezus was mens, helemaal mens.
Lees wat Robert Farrar Capon schrijft in The Romance of the Word: “When we say that Jesus is perfectly human, we mean that he is completely human: his humanity is everyday, commongarden humanity IN COMPLETION. But see how alien that is to the common view. In spite of the promise of the resurrection of the body, we can imagine human nature as perfected only if we can somehow see it as abolished in favor of something spiffier, if we flesh him out in something other than ordinary flesh. When we imagine him as a child, for example, we somehow feel obliged to say that he was a little freak who never hid when his mother called him, who always put his toys away in his toy box, and who, when he got to the age at which boys have wet dreams, piously refused to have any ... The human race is, was, and probably always will be deeply unwilling to accept a human messiah. We don’t want to be saved in our humanity; we want to be fished out of it.” Laten we wel wezen, Jezus ging ook naar het toilet. Of deed het achter de bosjes. Hij was moe en viel in slaap in een boot. Hij weende. Wij hoeven ons dus ook niet te schamen voor deze door anderen soms als schaamtevol beschouwde uitingen van onze menselijkheid. En net zo had Jezus seksuele verlangens. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat zijn werk daardoor gemotiveerd werd, want de bijbel gebruikt meerdere malen voor het werk van Christus voor de gemeente de metafoor van bruidegom en bruid, en Openbaring eindigt met de bruiloft van het lam. Wij hoeven ons dus ook niet voor onze seksualiteit te schamen. We mogen ons eigen verlangen gewoon accepteren.

Ons eigen verlangen accepteren stelt ons in staat om de ander (man of vrouw) te zien als compleet menselijk wezen, in plaats van hem of haar af te wijzen om zijn of haar seksualiteit. Mijn vrouw heeft na al het onderwijs dat ik in de kerk had gekregen, flink op me moeten inpraten om me te overtuigen dat vrouwen het niet erg vinden om door mannen aantrekkelijk gevonden te worden, dat ze zich niet schamen als een man naar hen kijkt, dat ze dat zelfs waarderen en er veel voor doen. Ze gaf me als studiemateriaal het boek Bridget Jones’ Diary te lezen, van Helen Fielding. Ik heb het in vier treinreizen uitgelezen, met de spreekwoordelijke rode oortjes. Wat bleek? Vrouwen waren geen pure heiligen, die schrokken van mannelijke opwinding, maar ook geen prostituees, die er alleen maar op uit waren mannen tot zonde te verleiden. Vrouwen zijn gewoon en compleet mensen, inclusief een verlangen gezien te worden, begeerd te worden, geliefd te worden, inclusief een verlangen naar seksualiteit. En dat verlangen, ook het verlangen naar seks, is geheiligd door de vleeswording van Christus. Het is volledig geaccepteerd door God, wordt goedgekeurd, wordt toegejuicht (het boek Hooglied staat niet voor niets in de bijbel, en mijn pogingen als twintiger het allegorisch uit te leggen, waren behoorlijk misplaatst). In Openbaring wordt de kerk vergelen met een bruid die zich heeft mooi gemaakt voor haar man. Als dat niet een bevestiging is van dit verlangen, weet ik het ook niet. Dit zorgt ervoor dat ik niet bang hoef te zijn voor afwijzing door een vrouw, dat ik me niet hoef te schamen, maar ook dat ik een vrouw niet hoef te reduceren tot haar eigenschappen die mijn verlangen opwekken en zelf haar daarvoor afwijzen. Ik kan haar behandelen als volledig mens, als volledig individu, die zelf ook vrij is. Juist door de acceptatie van mijzelf en haar als seksuele wezens, kan ik haar volledig respecteren, zoals ik mezelf respecteer. Ook als ze ‘nee’ zegt tegen me. Daar is ze als individu immers vrij in. Alweer een voorbeeld hoe de radicale acceptatie die voortkomt uit de onvoorwaardelijke liefde van God, ons menselijke gedrag verandert.
Dit is overigens niet een betoog dat per se pleit voor seksualiteit buiten het huwelijk. Maar er is een groot verschil tussen het voelen van een verlangen en de manier waarop we het verlangen kiezen te vervullen. En dat onderscheid werd in de kerk waarin ik opgroeide veel te weinig gemaakt. Het idee bestond kennelijk dat het voelen van een verlangen automatisch leidde tot het in vervulling brengen ervan, ook als je daarvoor mensen respectloos moest behandelen, of hun keuzevrijheid moest afnemen. Een man die een vrouw aantrekkelijk vond, zou zich kennelijk niet kunnen inhouden om aan haar te zitten. Ik heb het in christelijke jongerentijdschriften gelezen, dat meisjes geen topjes met spaghettibandje zouden moeten dragen, omdat ze niet wisten wat ze daarmee tot stand brachten bij jongens. Ze zouden ze tot zonde verleiden. Dit is ook de reden dat in streng islamitische landen vrouwen een nikab of burkah moeten dragen, omdat mannen niet verantwoordelijk kunnen zijn voor hun eigen gedrag naar vrouwen toe. Deze visie is dus niet alleen denigrerend over vrouwen, maar ook over mannen. Alsof we tegen onszelf in bescherming moeten worden genomen en geen zeggingskracht hebben over ons gedrag. Maar dat is een leugen. Als ik mezelf zie als man, door God geliefd, waardevol zoals ik ben, kan ik ook afzien van de vervulling van een verlangen, wanneer dat niet respectvol zou zijn naar mezelf of naar anderen. De tekst uit Mattheus 5 die mij zo’n schrik aanjoeg, ging ook helemaal niet over onze menselijke reactie op schoonheid, maar over begeerte: de drang datgene wat je verlangt voor jezelf te bezitten, op te eisen. Dat is niet respectvol. Het is ons verlangen, vervormd door onze zelfzuchtige, transactionele manier van denken. Ons verlangen zou in plaats daarvan moeten worden geinspireerd door de liefde. Jezus was helemaal man, maar ging toch eerbaar om met een overspelige vrouw die hij midden op de dag in haar eentje tegenkwam bij de waterput, en met de prostituee die met haar haren zijn voeten waste. Maar hij maakte haar ook niet beschaamd over zichzelf. Zo kunnen wij ook zijn.

Als twintiger voelde ik me al schuldig over het feit dat ik stripboekjes doorbladerde met daarin aantrekkelijke getekende vrouwen. Ik schaamde me voor het effect dat vrouwelijke schoonheid op me had. Nu nam ik van mijn huwelijksreis in Londen uit de Forbidden Planet (een winkel met SF en fantasy-boeken, films en spullen) een ‘action figure’ mee van Commander Shepperd, de vrouwelijke hoofdpersoon van de Mass Effect-spellen die ik met veel plezier heb gespeeld (en waar ik vorig jaar een essay over heb geschreven), in futuristische uitrusting. De 'action figure' staat trots bij ons in de woonkamer. En elke keer als ik die zie, en kan toegeven dat ik haar pose mooi vind, glimlach ik vanwege de vrijheid die ik heb gevonden. Mijn vrouw is daar overigens ook behoorlijk blij mee, maar daar gaat dit blogbericht verder niet over.

vrijdag 19 april 2013

Filmbespreking: Oblivion

Als er een originele Science Fiction-film in de bioscoop verschijnt, is dat altijd iets om toe te juichen. Zo vaak gebeurt dat niet in deze tijd van vervolgen en nieuwe versies van oude verhalen. Niet dat ik die niet kijk, natuurlijk. De nieuwe Total Recall was bijvoorbeeld best vermakelijk, en ik ben nu al enthousiast over de volgende Star Trek-film. Maar als er een genre is dat juist vernieuwend zou moeten zijn, is dat de Science Fiction. Een goede SF-film zou je beelden moeten laten zien die je nooit eerder gezien hebt, en je laten nadenken over thema’s waar je niet eerder over hebt nagedacht. Een goede SF-film moet je geest openen voor nieuwe inzichten. Daarom is de voortdurende herhaling van onderwerpen soms wat teleurstellend. Er lijkt nu echter (na het succes van Avatar) een lichting originele SF-films aan te komen. Elysium (met Matt Damon), Gravity (van regisseur Alfonso Cuaron), zelfs Batman-regisseur Christopher Nolan werkt aan een ruimtefilm. Maar de eerste die uitkwam is Oblivion. Deze is nu eens een keer niet gebaseerd op een eerdere film, of een stripverhaal, of een boek, maar is verzonnen door de regisseur zelf.
Helaas is de regisseur van oorsprong architect, en geen science fiction-auteur. Het verhaal blijkt daarom niet bijzonder origineel te zijn. Er zijn invloeden merkbaar van onder andere Wall-E, The Matrix, The Omega Man, 2001, Independence Day en de recentere film Moon, om er maar een paar te noemen. Nu vind ik dat in zichzelf nog geen reden om de film minpunten toe te kennen - ik laat me voor mijn eigen verhalen ook graag inspireren door de werken van anderen. Het is de vraag of iemand ooit helemaal origineel is. Als scheppers staan we allemaal op de schouders van de scheppers voor ons. Er is er maar een die werkelijk uit het niets (ex nihilo) kon scheppen ... Maar dan nog verwacht je een eigen gebruik van het materiaal. Dat miste ik hier een beetje. De wendingen in het plot waren goed gevonden, maar lieten me niet van verbazing naar adem happen. De conclusie van de film was niet anders dan die van heel veel eerdere verhalen. Verder vond ik dat niet al het potentieel van het uitgangspunt werd uitgebuit. Zo krijgt de hoofdpersoon iets heel schokkends te horen, wat zijn beeld op de wereld en op hemzelf doet wankelen. Ik zou dit zelf in de conclusie hebben laten terugkomen, bijvoorbeeld in een belegering die volgt tegen het eind, of in de climax. Het zou een diep schokkend, emotioneel rijk plot hebben opgeleverd.
Verder waren de karakters niet echt diep. Als kijker moet je er maar van uitgaan dat je met ze mee moet leven, maar je krijgt er weinig reden voor. Motivaties worden niet duidelijk. En de meeste dialogen zijn er om het plot uit te leggen. (En een astronaut hoeft niet uitgelegd te krijgen dat Titan een maan van Saturnus is). Als zelfs Morgan Freeman zijn karakter geen leven kan meegeven, zegt dat toch wel wat. Dit maakte dat mijn verloofde de film wel onderhoudend vond, maar geen interesse had hem nog een keer te zien. Ik denk dat ook in SF het beste plot mede wordt gedreven door de motivaties van de karakters, en niet alleen iets is dat hen overkomt, van buitenaf.
Maar wat de beelden betreft, is deze film wel degelijk bijzonder geslaagd. Net als in zijn eerdere film Tron Legacy weet de regisseur een consistente wereld te scheppen, vol kloppende details, maar toch heel anders dan de onze (hier komt het juist goed uit dat hij architect is!). Strakke interieurs en ruimteschepen worden gecombineerd met beelden van lege, ruige natuur uit IJsland. Meerdere keren hield ik mijn adem in door de pracht van de beelden op het scherm. Ik heb zelf een behoorlijk visuele verbeelding en het zou me niet verbazen als scenes in volgende verhalen van me aan deze film zouden doen denken. Alleen al voor de beelden zou ik deze film meerdere malen willen zien. De muziek is trouwens ook prima. De hele film zou als videoclip kunnen fungeren. Omdat ik visuele schoonheid ook een belangrijk criterium vind voor een film, slaat mijn oordeel uiteindelijk dus positief uit (maar niet heel ver).

Oblivion speelt zich af aan het einde van de 21e eeuw. Zestig jaar geleden arriveerden er vanuit het duister van het heelal buitenaardse wezens, die de maan vernietigden en vervolgens een vernietigingsoorlog startten. De mensheid wist de invallers ternauwernood te verslaan, maar de Aarde bleek onbewoonbaar. De overlevenden werden ge-evacueerd naar Titan, de grootste maan van Saturnus, waar misschien wel geen leven, maar wel complexe organische moleculen aanwezig zijn. Op onze planeet zijn alleen nog een paar technici achtergebleven. Ze zorgen voor de vliegende robots die de enorme energiecentrales beschermen tegen de laatste buitenaardse wezens. Jack Harper is een van deze technici. Over twee weken zullen hij en zijn partner Victoria ook naar Titan mogen vertrekken. Eindelijk. Maar zo makkelijk gaat het natuurlijk niet. Een signaal, afkomstig van de buitenaardse wezens, voert Jack naar een neergestort ruimteschip. Daar vindt hij een capsule met een slapende astronaut. Hij herkent haar. Maar dat is onmogelijk. Het ruimteschip dateert namelijk nog van voor de oorlog. Als Julia wakker is geworden, zet ze Jacks leven op zijn kop: ze vertelt hem dat ze zijn vrouw is. Vastbesloten de waarheid te achterhalen, gaat Jack op zoek naar de zwarte doos van het ruimteschip. De buitenaardse wezens zijn hem echter voor en hebben een valstrik voor hem opgezet. Ze willen hem gebruiken om eens en voor altijd de overwinning te behalen.

Als ik het thema van deze film in een woord moet samenvatten, is dat ‘medeplichtigheid’. Dit is een film over het moment dat je beseft dat je dingen hebt gedaan waar je niet achter staat, omdat een systeem of organisatie dat van je vroeg. Het instituut heeft jou gebruikt voor zijn eigen doeleinden, maar in het proces ben jij je ziel verloren. Je was voor het systeem nooit een persoon. Je bent geworden tot een instrument, een wapen. Dat is de identiteit die de organisatie je heeft gegeven. En hoe kun je daar ooit aan ontsnappen?
Ik moest (vanzelfsprekend) denken aan de Duitse bevolking die er na de tweede wereldoorlog achter kwam dat ze een rol had gespeeld bij een geïndustrialiseerde, technische volkerenmoord. Al bestond zijn medeplichtigheid alleen maar uit hun zwijgen, of hun onwetendheid. Onwetendheid is geen excuus, maar maakt je juist kwetsbaar om gebruikt te worden. We hebben het niet geweten. Mensen waren deel van het Nazi-systeem en zijn gebruikt om dat machtiger te maken en zijn vijanden te bestrijden. Nazi-duitsland is natuurlijk een makkelijk voorbeeld van een demonisch systeem (misschien te makkelijk - we denken al snel dat hetzelfde ons niet zou kunnen overkomen). Maar er is een toepassing mogelijk op alle systemen, alle instituten. Ook de goedaardige dragen deze schaduwzijde met zich mee. Bedrijven (werknemers worden gebruikt om de doelstellingen van het bedrijf te behalen (winst), ook al moeten ze daar zelf door lijden (stress)), regeringen, scholen, verenigingen, en ja: kerken. Mijn wat cynische houding ten opzichte van religieuze instituten zal voor trouwe lezers van mijn blog niet als een verrassing komen. Mocht jij toevallig een geweldige kerk bezoeken, die geen van onderstaande kenmerken vertoont, prijs je dan gelukkig en zie dit als een waarschuwing (want elk systeem kan zich deze demonische kant op ontwikkelen).
Ik noemde systemen meerdere malen ‘demonisch’ - en niet alleen vanwege het shock-effect. Organisaties en instituten zijn entiteiten op een hoger organisatieniveau van het individu. Ze hebben echter (net als het individu) eigen doelen, eigen prioriteiten, eigen verlangens, eigen motivaties. Deze zijn niet afhankelijk van het individu. Niet voor niets spreken we bijvoorbeeld van een ‘bedrijfscultuur’. Bedrijven en organisaties kunnen daarom ook in rechtszaken als ‘rechtspersoon’ worden gezien, bijvoorbeeld in zaken tegen ‘de staat Nederland’, of in bedrijfsrecht. Bedrijven nemen beslissingen, landen trekken ten oorlog, beschavingen groeien en krimpen. Volgens verschillende theologen wordt in de bijbel over dit soort hogere entiteiten gesproken als ‘de overheden en de machten’, ‘de wereldheersers’. Ze hebben een persoonlijkheid, en worden ook zo behandeld. Als de bijbel zegt dat we niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en de machten, gaat het niet om een strijd tegen duivels met horens en hoeven, maar tegen onderdrukkende systemen en instituten die mensen hun individualiteit afnemen en hen uitbuiten voor hun eigen doeleinden (de groei van een kerk, territoriumuitbreiding). De belangrijkste vraag van het systeem in deze film is: ‘Zijn jullie een effectief team?’ En zodra het antwoord daarop ‘Nee’ is, breekt de hel los. Mensen zijn alleen maar belangrijk voor hun effectiviteit, hun producitiviteit. Niet voor wie ze zijn als individu.
In het bijbelboek Daniel wordt gesproken over de Engel van het Perzische rijk, in Openbaringen hebben verschillende kerken hun eigen engel. Dit zijn dan personificaties van de persoonsoverschrijdende entiteiten. Dat dit niet zo vreemd is, weet iedereen die wel eens groepsprocessen heeft gadegeslagen, of die gelezen heeft over sociale experimenten - om bij een groep te horen zijn mensen bereid om ver over hun eigen (morele) grenzen te gaan. De systemen hebben dus een religieus aspect, vooral als ze de individuen in het systeem een bepaalde identiteit verlenen (zoals iemand die lid is van een supportersvereniging daar zijn identiteit aan ontleent, en de supportersvereniging vervolgens daar een beorep op doet, bijvoorbeeld om tegen andere supporters te vechten). In deze film krijgt de hoofdpersoon zelfs letterlijk te horen: ‘I have created you. I am your God.’ Duidelijker kun je het niet krijgen. Systemen worden tot afgoden als we onze identiteit eraan ontlenen. Als we dat doen, winnen we misschien de veiligheid van het systeem, we winnen de wereld, maar we raken onze ziel kwijt.

Maar waarom kunnen dit soort instituten zoveel macht over mensen uitoefenen? Als ze zo slecht zijn, werpen we ze toch omver? Maar dat gebeurde niet met Nazi-Duitsland, dat gebeurt niet met bedrijven en het gebeurt niet met kerken. Vaak groeien ze zelfs. Want het systeem neemt niet alleen iets weg, het geeft er natuurlijk ook iets voor terug. In deze film zien we dat terug bij Victoria, de partner van hoofdpersoon Jack. En ook hier zie ik sterke parallellen met religieuze systemen. Zo wordt Victoria een beloning in de toekomst voorgehouden. Als ze goed presteert, zal de missieleiding met haar een drankje drinken op Titan. Ze moet nu volhouden, om zo meteen te kunnen genieten. De belofte van toekomstige beloning is gekoppeld aan straf voor het niet effectief zijn. Beloning en straf zijn externe motivatoren, die mensen niet werkelijk veranderen, maar ze in feite hun vrijheid en identiteit afnemen. Dit is te zien bij Victoria die elke dag strak volhoudt dat ze in een paradijs leeft (‘another day in paradise’), in een poging zichzelf te overtuigen, zelfs als de realiteit anders is - ze wil immers niet de toekomstige beloning mislopen. Die beloning is er alleen voor hen, omdat ze zo goed functioneren. Dat maakt hen bijzonder. Het systeem heeft de wereld onderverdeeld in de ‘goeien’ en de ‘vijanden’. Over deze vijanden weet Victoria niets, behalve dat het systeem heeft gezegd dat ze een bedreiging zijn voor haar beloning. En dus hoeft ze ze ook niet te leren kennen, maar kan ze tevreden zijn met ze te bestrijden.
Hieraan gekoppeld is een angst voor ‘verontreiniging’. Niets van het aardoppervlak mag haar wereldje binnenkomen. Zelfs als Jack een bloem voor haar meeneemt, kan Victoria niets anders doen dan die weggooien. Het leidt af van hun effectiviteit. Ik meen dat ik niet overdreven cynisch ben, als ik hierbij moet denken aan de ‘verontreinigingsleer’ die we kenden in de kerk waarin in opgroeide, waar we bang waren om onrein te worden als we bijvoorbeeld in een andere kerk aan het avondmaal zaten. We ontleenden daaraan onze identiteit. Zo geldt het ook voor Victoria. Let op: ze draagt het symbool van het systeem op haar kleren, als was het een religieus symbool zoals een kruis. Ze identificeert zich met het systeem. Maar haar identiteit staat in dienst van het systeem - ze heeft de identiteit van een effectieve werker, en dus is ze voortdurend aan het werk voor het instituut. Ze heeft allerlei taken. Er is geen moment om te rusten, te ontspannen. Dat is prettig, want zo hoeft ze geen confronterende vragen onder ogen te zien.
Die vragen wil ze niet onder ogen zien. “The questions I ask, she doesn't,” verzucht Jack. “The things I wonder about, she won't.”

Wat maakt Jack verschillend? De film speelt met het idee van herinneringen die genetisch worden doorgegeven. Zo werken onze genen natuurlijk niet. Maar op een andere manier worden wel ‘herinneringen’ doorgegeven, namelijk via de kunst, via literatuur. En ook dat gebeurt in deze film. De herinneringen wekken verlangen op bij Jack. Een verlangen naar schoonheid, naar waarheid en naar intimiteit. Naar een menselijk leven. Een bestaan dat meer is dan het dienen van het systeem. Een bestaan dat om meer draait dan een toekomstige beloning. Een bestaan dat echt is. Verlangen is een interne motivatie, en eigenlijk de enige motivatie die ons vrijheid kan brengen. Als Jack dit verlangen gaat volgen, komt hij allereerst in conflict met zichzelf (in deze film zelfs letterlijk). Zijn identiteit was namelijk verweven met het systeem, het systeem had macht over hem. En hij moet dus worstelen met dat deel van zichzelf dat nog wel gelooft in de beloning die het systeem hem voorhoudt, en de dreiging van straf door het systeem als hij niet meer effectief is. Dit is de worsteling tussen de geest en het vlees, waar Paulus over spreekt in Galaten 5 ‘Want deze twee staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt’. Maar zelfs als Jack zichzelf heeft overwonnen (als hij is gestorven aan zichzelf), wil het systeem hem niet zomaar laten gaan. Als hij werkelijk vrij wil zijn, zal hij zich aan de wereld van het systeem moeten onttrekken. Nog een bijbelse verwijzing: zoals Jezus volgens Hebreeen ‘buiten de legerplaats’ ging om gekruisigd te worden. Jacks vrijheid en identiteit en het bestaan van het systeem zijn onverenigbaar. Een van de twee zal eraan moeten geloven. Om vrij te worden, moet Jack dus bereid zijn te sterven. Zo dramatisch is het voor ons vaak niet, maar het voelt wel als een stukje sterven als je het systeem achter laat en je identiteit als deel van het systeem afzweert. Het voelt als sterven om toe te geven wat je gedaan hebt als deel van het systeem, om aan anderen te belijden dat je hen pijn hebt gedaan door de meningen van het systeem over hen te verkondigen, om vergeving te vragen. Je moet bereid zijn af te gaan in de ogen van anderen. Om op te staan tegen de mensen die anderen kwaad willen doen, om hardop te schreeuwen dat de keizer geen kleren aan heeft. Dit vraagt moed, maar het is noodzakelijk. Wie werkelijk wil leven, moet bereid zijn te sterven. (Ook dit is iets wat Jezus al zei).
Dit thema wordt in de film verwoord door een citaat uit The Lays of Ancient Rome van de dichter Macauley: ‘How can man die better: than facing fearful odds, for the ashes of his fathers, and the temples of his Gods?’ Er is een ander boek dat in deze film duidelijk in beeld komt, en dat is het boek A Tale of Two Cities van Charles Dickens. Volgens mij is dat niet toevallig! Want waar gaat dit boek over? Over een systeem dat mensen hun vrijheid en hun leven ontneemt! En over iemand die bereid is te sterven, zodat iemand die heel erg op hem lijkt kan leven (de parallellen zijn wel heel duidelijk). Ik denk dat Jack hem na zou zeggen: ‘It’s a far better thing that I do, than I have ever done, It’s a far better rest that I go to, than I have ever known’.
En wat gebeurt er na deze dood (sterven aan de wereld, zoals de bijbel het noemt)? Welnu, daarop volgt de opstanding. Een leven buiten het systeem, in een wereld die gebaseerd is op schoonheid, waarheid en intimiteit. Deze film bevat daarvan een prachtig beeld, dat bij meerdere kijkers naar ik heb begrepen de tranen in de ogen bracht. Ik moest bij de paradijselijke beelden (inclusief nieuw leven) denken aan Openbaringen, dat over het nieuwe Jeruzalem zegt dat daar geen tempel meer zal zijn! (De tempel is het beeld van religieuze systemen - Jezus heeft die hun macht ontnomen, bij zijn dood, toen het gordijn voor het (lege!) heilige der heiligen van boven naar beneden scheurde. Nu zijn ze er nog wel, maar hun lege hart is blootgelegd en ooit zullen ze helemaal verdwijnen). Ook de Zon en de Maan zullen er niet meer zijn (ook dit zijn in de bijbel net als de sterren beelden van machthebbers en systemen). Het Lam zelf is hun licht, zegt de bijbel. Een lam oefent geen macht uit. Een lam is geen systeem dat anderen kan gebruiken voor zijn eigen doeleinden.
God toont zich naar ons niet als een tempel, niet als een zon, maar als een lam. God is namelijk geen systeem, geen kerk, geen organisatie. Hij wil ons niet gebruiken voor zijn eigen doeleinden. God is relatie. God is liefde. En hij nodigt ons uit om daar deel aan te hebben. Als we daaraan onze identiteit ontlenen, door ons door hem te laten liefhebben en zelf onze naasten lief te hebben, worden we pas helemaal onszelf. Waar systemen ons onze ziel ontroven, worden we allen zo werkelijk bezield. Tot deze conclusie komt ook de film: ‘If there is a soul, it is made from the love we share.'

vrijdag 12 april 2013

Filmbespreking: Extremely Loud & Incredibly Close

Het was op mijn blog de laatste tijd erg rustig wat filmbesprekingen betreft. Ik ging zo op in het schrijven van de laatste hoofdstukken van De Krakenvorst, boek 1: Keruga, dat ik daar in het weekeinde niet mee wilde stoppen. Nu heb ik de tekst echter af, en heb ik weer tijd en aandacht voor andere schrijftaken. Zoals het herschrijven van De Derde Macht. Maar ook: filmbesprekingen. Ik vind het namelijk erg leuk om mijn gedachten over films met jullie te blijven delen. Ik blijf de mening toegedaan dat verhalen een van de belangrijkste manieren zijn, zo niet de belangrijkste, waarop wij veranderen. Niet zozeer omdat ze ons denken veranderen, niet op een rationele manier, maar omdat ze beelden in ons hart vormen, beelden waaruit onze verlangens ontstaan en waar ze aan refereren, en wij maken weer keuzes op basis van die verlangens. Wie denkt zomaar elk boek te kunnen lezen en elke film te kunnen kijken, zonder dat het hem iets doet, houdt zichzelf voor de gek. Verhalen doen wel degelijk iets met je. Daarom is het belangrijk er over na te denken wat. Voor mij helpt schrijven daarbij. De komende maanden hoop ik dus weer met enige regelmaat films te bespreken op mijn blog.

De eerste is Extremely Loud & Incredibly Close, een film uit 2011. Hoofdpersoon is het elfjarige jongetje Oskar Schell, die een jaar eerder zijn vader verloor op 11 september. Zijn vader was toen net aanwezig in een van de torens van het World Trade Center. Dat zoiets enorm traumatiserend is, spreekt vanzelf. Daar komt nog bij dat Oskar een geweldige band met zijn vader had: ze begrepen elkaar, zijn vader stimuleerde hem, en bemoedigde hem. En dat was weer belangrijk omdat er niet veel mensen zijn die Oskar begrijpen. Hij is niet per se een standaard elfjarige. En dan is er ook nog een geheim dat hij sinds die bewuste dag met zich meedraagt, een geheim dat hem dreigt te verteren.
Een van de dingen die zijn vader voor Oskar deed, was speurtochten uitzetten. Als Oskar op een dag in een blauwe vaas een sleutel vindt, realiseert hij zich dat zijn vader nog een laatste opdracht voor hem had. De enige andere aanwijzing is de naam ‘Black’. Dus Oskar vat het plan op om methodisch elke ‘Black’ in New York af te gaan, op zoek naar het slot waar de sleutel op past. Dat dwingt hem ertoe zijn eigen angsten te overwinnen. En het plan brengt hem in contact met bijzondere mensen. Niet in het minst de zwijgzame huurder van zijn oma, in het gebouw tegenover dat van zijn ouders, die een eigen geheim koestert.

Mijn vriendin en ik vonden dit een mooie film en hebben er een tijdje over zitten napraten. Dit was vanwege de goede acteerprestaties, van onder andere Tom Hanks en Sandra Bullock in kleine rollen en veteraan Max von Sydow (kwetsbaar en ontroerend). Verder is het verhaal mooi gemaakt, met een paar verrassende vondsten (zo kom je als kijker informatie waarvan je aanvankelijk denkt dat die erg belangrijk is, nooit te weten) en mooie beelden. De gebeurtenissen zijn misschien te toevallig om echt gebeurd te kunnen zijn, maar dit is geen probleem als je het verhaal ziet als een fabel over het verwerken van 11 september. Maar vooral vonden we de film mooi omdat we ons allebei (om verschillende redenen) herkenden in Oskar Schell. Voor mij was het alsof ik mijzelf als tien/twaalfjarige terugzag op het scherm. Eindelijk iemand in wie ik mij kon herkennen!

Ik heb een aantal recensies van deze film gelezen op de internationale filmdatabase IMDb en een van de meest voorkomende kritieken op deze film is dat mensen het moeilijk vonden met Oskar mee te leven. Ze vonden hem een vreemd jongetje, vonden hem vervelend en onaardig, zouden hem in het echt niet willen kennen, enzovoorts ... Alleen al om deze reden gaven ze lage scores aan de film. Wat ik niet kan begrijpen - ten eerste omdat het duidt op een gebrek aan empathisch vermogen als je alleen kunt meeleven met volkomen aangepaste, populaire kinderen, en ten tweede omdat ik Oskar juist wel heel goed kon begrijpen. Maar goed, ik was als kind ook niet echt heel aangepast of populair. En ja, ik ben daarom ook gepest. Misschien wel door dezelfde types die nu deze film afkraken omdat Oskar niet normaal is.
De komende paragrafen worden behoorlijk persoonlijk. Wie niet wil lezen over mijn jeugdervaringen en een stuk zelfanalyse moet verder naar beneden scrollen, waar ik het zal hebben over een mooie religieuze parallel die ik in deze film meende te ontwaren.
Over naar het persoonlijke deel van deze filmbespreking dan maar. Volgens heel wat filmbesprekingen zou Oskar (hoog functionerend) autistisch zijn. Dat zou zijn vreemde gedrag verklaren. Maar ik denk dat dit te makkelijk is. In de film zelf zegt Oskar dat hij is getest op het syndroom van Asperger, maar dat de testuitslagen geen uitsluitsel gaven. De film zegt dus niet definitief dat hij deze ‘stoornis’ heeft. Ik denk zelf ook dat hij op sommige momenten juist heel gevoelig uit de hoek komt, op een manier die niet autistisch is te noemen. Ik las op internet bijvoorbeeld het volgende: “I know a boy in real life, about the age as the Oskar character, who has Asperger's. I have interacted with him several times, and he acts in no way like this character did in the film. He smiles politely when I meet him, says hello very stiffly and uncomfortably, and then goes to investigate the plumbing or the train schedule or this favorite subject, birds. He doesn't engage me in dramatic dialogue, berate me on moral topics, or conduct searing, soul-searching monologues at rapid-fire speed until he is out of breath and spent. He barely remembers my name each time we interact, and he has trouble showing his feelings or expressing any sense of emotion. This may be one aspect of the syndrome, but having been in contact with someone who is not a character in a movie reciting a script I can say I had a hard time accepting Oskar as having Asperger's.
Meerdere mensen hebben aan mij gevraagd of ik niet ook autistisch ben. Zelfs mijn moeder - vorige week nog. Bovendien kan ik het vaak heel goed vinden met mensen op het (hoog functionerende) autistische spectrum (en wederzijds: in mij hebben ze iemand die heel geïnteresseerd is in hun eigen interessegebied!). En ik herken vaak ook dingen van mezelf in hen. Maar ik ben behoorlijk goed in het lezen van non-verbale communicatie, en pik best goed gevoelens op van anderen. Ik heb geen gebrek aan ‘spiegelneuronen’. Toch deed ik laatst een zelf-test op autistische kenmerken. Ook bij mij was die test niet definitief, maar met mijn puntenscore zat ik in de categorie waarvan bij 86 procent uiteindelijk Asperger zou worden aangetoond (mijn score zou hoger zijn geweest zonder de vragen naar het interpreteren van lichaamstaal en het oppikken van emoties, oh, en over het lezen van fictie. Aspergers zouden daar niet van houden). In een draad op een forum waar ik de link naar de test had gevonden, las ik de interessante opmerking dat mensen die hoog scoren op de Aspergertest, vaak ook hoog scoren op de test voor HSP (Highly Sensitive Person), of hoogsensitiviteit. Ook zouden heel wat mensen met de diagnose ‘hoog functionerend autistisch’ verkeerd zijn gediagnosticeerd: ze zouden hooggevoelig zijn, en niet autistisch! Ik deed vervolgens ook de zelftest voor HSP, en wie schetst mijn verbazing: ik scoorde enorm hoog. Dat was eigenlijk geen verrassing. Ik heb jaren geleden eens het boek van Elaine M. Aron gelezen over hoogsensitiviteit, en sindsdien weet ik het al: ik ben hooggevoelig. Maar deze week besefte ik (ook na het kijken van deze film) nog eens goed wat een invloed dat in mijn leven had en nog steeds heeft. En dat ik er ook daadwerkelijk rekening mee mag houden in mijn leven en het niet hoef te overschreeuwen.
Mijn voorzichtige suggestie is dat Oskar in de film ook hoogsensitief is. Dit verklaart niet al zijn eigenschappen, maar wel veel. Veel andere dingen komen voort uit zijn diepe trauma en schuldgevoel. We zien ook een aantal echt hoogsensitieve gedragingen: zo legt Oskar soms een voorwerp tegen zijn wang om het te voelen. Hij geniet van het aanraken van dingen. (Ik streek als kind al graag met mijn vinger over mos, vooral bloeiend mos. Een van mijn eerste woordjes was: ‘mosje’). Oskar ervaart prikkels als luide geluiden, en drukke omgevingen al snel als heel overweldigend (mooi in beeld gebracht). Ik voel me in een drukke supermarkt niet op mijn gemakt, en ervaar het geluid van een opgevoerde brommer, of een sirene, als fysiek pijnlijk. De wereld overweldigt me vaak. Oskar heeft zijn eigen manier gevonden om daarmee om te gaan (een tamboerijn). Ik had ook zo mijn manieren. Oskar is aan de ene kant bang voor mensen (dat herken ik ook), en is aan de andere kant soms veel te goed van vertrouwen (same here, als kind). Hij lijkt in een eigen wereld te leven, gebruikt heel moeilijke woorden en beschikt over detaillistische kennis over allerlei onderwerpen (eh, ik hoef niet uit te leggen waarom ik mezelf daar in herken, toch?). Zijn hooggevoeligheid maakt hem kwetsbaar, maar hij is tegelijk heel moedig - mede doordat zijn vader hem stimuleert durft hij het leven toch aan te gaan. Dat ontroerde mij wel (mijn ogen werden zelfs even vochtig). Ik wou dat ik ouders had gehad die me zo goed kenden en op zo’n goede manier stimuleerden. Wie niet hoogsensitief is, begrijpt misschien niet goed waarom Oskar zo moedig is (“Dat kan iedereen toch? Daar heeft hij toch geen tamboerijn voor nodig?”), maar ik weet beter. Oskar is een held!

Genoeg over hoogsensitiviteit - ik hoop er nog vaker over te schrijven, als ik verder nadenk wat het betekent voor mijn leven. Het feit dat ik mezelf herkende in de hoofdpersoon was echter niet het enige dat de film in mijn ogen een succes maakte, ik vond het verhaal zelf ook ontroerend en zag er een mooie parallel in met de menselijke zoektocht naar God. Het is natuurlijk duidelijk dat het verhaal op een bepaald niveau een fabel is over de verwerking van 11 september - de film zegt niet alleen iets over het individuele effect van een gestorven vader, maar gaat ook breder over het effect van zulke rampen voor de mensheid. Oskar houdt op een bepaald punt in de film het volgende ‘nerdy’ betoog: Wat als de zon opeens zou verdwijnen? Het licht van de zon doet er acht minuten over om de Aarde te bereiken. Dus als de zon opeens zou verdwijnen, zouden we dat pas acht minuten later merken. Hij vergelijkt zijn vader met de zon, en zegt dat hij zoekt naar manieren om de ‘acht minuten’ langer te laten duren, om langer het gevoel te hebben dat zijn vader bij hem is, terwijl dat langzaam verdwijnt.
De vraag die mensen eigenlijk altijd stellen na een ramp als die van elf september is: “Waar was God?” Deze vraag is sinds de tweede wereldoorlog wel heel actueel geworden. ‘God na Auschwitz.’ Geconfronteerd met de gruwelijkste gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis -mensen die andere mensen met miljoenen uithongeren, martelen en vergassen, bevolkingsgroepen die worden uitgeroeid, verkrachtingen en moord, terrorisme en lijden (en natuurrampen, kernexplosies, aids en kanker)- ervaren de meeste mensen niet de aanwezigheid van God, maar juist zijn afwezigheid. Dit is trouwens van alle tijden, lees het boek Job maar. De afgelopen zeventig jaar hebben deze vraag echter wel heel acuut gemaakt. Juist op die momenten waarop we God het meest nodig hebben, wanneer ons leven op zijn grondvesten wankelt, als we behoefte hebben aan steun en troost, blijft de hemel zwijgen, en lijkt er niets anders te zijn dan ‘lucht en leegte’ (zoals Prediker al aangaf - ja, de bijbel kent deze ervaring van nutteloosheid. Er is inderdaad niets nieuws onder de zon.) De collectieve vraag die we ons stellen is: ‘Waar is God als het leven pijn doet?’ En het antwoord dringt zich op: misschien is hij er wel niet. Misschien is het heelal inderdaad leeg, is er alleen materie, is er geen God die zich om ons bekommert. Misschien is het leven inderdaad niets anders dan een nimmer aflatende strijd om het bestaan, waar de sterkste overleeft, en waar voor het individu niets anders overblijft dan te eten en te drinken, want morgen sterven wij. Dit is een nogal somber beeld op het leven, vooral voor mensen, die toch van nature betekeniszoekers zijn. Dus proberen we de ‘acht minuten’ te rekken - we zien de afgrond van leegte en betekenisloosheid onder ons opdoemen, en klampen ons aan elke strohalm vast om niet te hoeven toegeven dat we in existentieel opzicht alleen zijn.

Dit is wat Oskar doet met de sleutel die hij vindt in de vaas. Hij denkt dat dit een laatste boodschap is van zijn vader, en dus doet hij er alles aan om het slot te vinden waar de sleutel op past. Hij gunt zichzelf geen rust, maar gaat verder dan redelijk is. Hij is behoorlijk fundamentalistisch geworden waar het de sleutel betreft - er is geen tijd om bijvoorbeeld naar de film te gaan, en hij is hard tegen zijn moeder, die zijn zoektocht niet lijkt te begrijpen. Is het heel vergezocht als ik hier een parallel zie met hoe heel wat christenen omgaan met wat zij zien als de boodschap van God, de bijbel? Is de zekerheid die zij zo claimen te bezitten omtrent het woord van God niet in zeker opzicht een vergelijkbare angstreactie, ingegeven door het dreigende gevoel van Godsverlatenheid? Want ook christenen zijn niet blind, ook christenen kijken het journaal, en worden geconfronteerd met gebeurtenissen die op het eerste gezicht niet in verband te brengen zijn met een goede, almachtige God. En de psychologische reactie daarop is vaak het claimen van absolute zekerheid, een zekerheid die nergens door aan het wankelen kan worden gebracht. De bijbel moet worden verdedigd in felle discussies, waarbij de eigen interpretatie wordt gezien als absolute waarheid, en individuen die anders zijn dan de spreker worden beschadigd (denk aan discussies over homoseksualiteit onder christenen, of de rol van vrouwen in de kerk). Menzen zien de bijbel en hun theologie als het laatste bolwerk tegen de duisternis, als ook dit aan het wankelen wordt gebracht, vallen ze zelf. Fundamentalisme is een vorm van angst. Net als het opgeven van de hoop aan de andere kant dat is.
De sleutel blijkt geen boodschap van Oskars vader - en (ja, het is schokkend) net zo is de bijbel volgens mij niet Gods boodschap aan ons. Niet op de manier zoals hierboven beschreven. De bijbel is niets meer dan woorden gedrukt op papier. (Niet dat de bijbel niet waardevol is! Maar in zichzelf biedt de bijbel geen hoop - zoals inkt op papier nooit hoop kan bieden). Maar omdat Oskar zo vasthoudt aan de sleutel, omdat hij zich daar zo op fixeert, zo fundamentalistisch is, ziet hij niet dat de hoop die hij nodig heeft al lang aanwezig is. In de mensen die hij spreekt, die hem binnenlaten in hun huis, die hem opnemen in hun gezin, die voor hem bidden, hem een kraan laten besturen, die hun leven met hem delen en hem met respect behandelen. En in zijn moeder, die er bijna wanhopig op wacht dat Oskar haar binnenlaat en zijn pijn met haar deelt. Want als er iemand is die Oskars pijn kan herkennen en hem kan troosten is zij het, want zij kende immers dezelfde vader.
Oskar voelt zich losgesneden van ouderliefde, maar dat is hij niet werkelijk. Maar Oskar is niet in staat de liefde van zijn moeder te voelen, vanwege het geheim dat hij met zich meedraagt. Hij heeft iets nagelaten, iets dat hij nu al een jaar met zich meedraagt en waar hij zich enorm schuldig over voelt. Ik heb mij om veel kleinere dingen schuldig gevoeld (ja, ik heb hoogsensitief), en kon dit daarom enorm goed herkennen. Ik kon ook herkennen dat hij zich zelfs afzette tegen zijn moeder - omdat hij zich zo schuldig voelde. Dit schuldgevoel is een van de motoren achter zijn vasthoudende zoeken naar het slot. Zo werkt het met religie ook - ik weet dat een groot deel van mijn eigen moeten en behoren op religieus gebied voortkwam uit schuldgevoel. Ik dacht dat ik tekortschoot en dat ik dat kon opheffen door heel hard voor God te werken. Niet dat het schuldgevoel daar ooit door verdween, het betekende alleen dat ik nog veel harder moest werken. En de boodschappen die ik in de kerk ontving hielpen nooit dat schuldgevoel te verminderen, maar deden me alleen nog maar schuldiger voelen. Bijvoorbeeld als mensen zeiden dat ook als ik al christen was elke zonde die ik deed het lijden van Jezus aan het kruis nog zwaarder maakte. En ik werd er al elke zondag aan herinnerd dat het mijn zonden waren waarvoor hij zo had geleden. Ik was schuldig aan zijn dood en elke dag voegde ik daar door mijn zonden nog aan toe. Nee, dat is geen basis om jezelf te accepteren.

Het tragische in het verhaal is dat Oskar het gevoel had dat hij naar zijn vader toe tekort is geschoten, dat hij er niet voor zijn vader was toen die hem nodig had, terwijl het juist andersom was: zijn vader probeerde er juist te zijn voor Oskar, probeerde hem gerust te stellen, probeerde hem te zeggen dat hij van hem hield. Zo denken wij (of denk ik) ook vaak dat ik iets voor God moet doen, dat ik naar God toe tekort ben geschoten, dat God teleurgesteld in mij is. Terwijl niets verder van de waarheid kan zijn. Kijk naar de gelijkenissen die Jezus vertelt, en hoe hij omgaat met hoeren, tollenaars en melaatsen. God is niet teleurgesteld in hen of in mij. God is juist voor ons! Hij wil ons met hem verzoenen! Hij is op zoek naar ons. Wij hoeven niet iets voor hem te doen of te betekenen, Hij wil juist alles voor ons betekenen en doen. Wij hoeven hem niet lief te hebben. Hij heeft ons eerst liefgehad. En wij hebben lief, omdat Hij ons heeft liefgehad. Niet andersom! Nooit andersom! Oskars moeder houdt ook van Oskar, zelfs als hij lelijk naar haar is of haar kwetst met zijn woorden. Haar liefde voor hem verandert nooit!
Oskars instelling verandert pas als hij eerlijk is naar een van de mensen die hij ontmoet en zijn twijfels en schuldgevoel benoemt. En in een van de meest ontroerende scenes die ik de laatste tijd gezien heb, vraagt hij om vergeving. Het karakter spreekt vergeving uit. Wauw! Wat hebben we het nodig om dat te horen! Om te horen dat we vergeven zijn! Om te horen dat we er mogen zijn! Om die last van schuldgevoel kwijt te raken! We zouden dat soort dingen vaker tegen elkaar mogen zeggen! Ik geloof dat het een van de rollen van de kerk is in ons leven om die vergeving uit te spreken. Niet om ons weer lasten op te leggen, maar om Gods vergeving te communiceren. Dit karakter doet het namens de vader van Oskar, de kerk doet het namens de Vader.
En zo ontmoet Oskar zijn vader - niet via de sleutel, maar via mensen. Ik denk dat dit ook is hoe wij God blijven ontmoeten ook na Auschwitz en na 11 september.  We ontmoeten God in de personen met wie wij ons leven delen. In onze naaste. (God is altijd persoonlijk. Hij openbaart zich niet in een boek, maar in een persoon, de mens Jezus Christus. God is relationeel!) Niet voor niets zegt de bijbel dat we onze naaste moeten liefhebben, en zegt Jezus in Mattheus 25 confronterende dingen over hoe we Jezus ontmoeten als we onze naaste bezoeken, te eten geven of te drinken geven. Dit is essentieel! God is relatie (drie-eenheid) en relatie is dus een beeld van God, of zelfs goddelijk. Wie liefheeft kent God, zegt Johannes. Wie niet liefheeft kent God niet. En deze relaties, de liefde die we ervaren via mensen, is er nog steeds ook na bovengenoemde rampen. En ze vormen een teken dat de Goddelijke liefde er ook nog steeds is. Want hoe zouden mensen kunnen liefhebben, werkelijk liefhebben, in een universum dat volledig leeg zou zijn? Ook hier ligt de liefde van Oskars ouders echter uiteindelijk, ten grondslag aan de liefde die hij ervaart van de mensen die hij op zijn reis ontmoet. Oskars moeder speelt er een belangrijke rol in (hoe, dat ga ik hier niet uitleggen, je moet de film zelf maar kijken!).

En dus, als Oskar de liefde ervaren heeft van de mensen die hij ontmoet heeft, kan hij terugkeren naar zijn moeder, en accepteren dat zij al die tijd al zielsveel van hem hield. Hij keert terug en laat zich omarmen (let op: in de gedeelde ervaring van het lijden - daarin is Oskars moeder een beeld van Christus). Hij is geen wees geworden. En ook wij zijn door Jezus niet als wezen achtergelaten. De Heilige Geest, de trooster, werkt in ons, wekt liefde in ons op en doet ons elkaar liefhebben. We mogen terugkeren naar de Vader. Niet met de valse zekerheid van een fundamentalistisch vastklampen aan de ‘waarheid’, wat die ook moge zijn, maar met een openstellen voor liefde. Want, dat zegt de bijbel ook, God is helemaal geen waarheid. God is Liefde.
Elke film die me daaraan herinnert, is een goede film!

maandag 4 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 2: het vlees, de wet en het goede nieuws

Boodschappen die mij proberen duidelijk te maken dat ik iets ‘BEHOOR’ te doen of niet te doen, zijn in essentie manipulatief, omdat ze mij het recht op een eigen oordeel ontnemen. Daarom denk ik dat daar geen plaats voor is in het christelijke geloof. Maar voordat je nu geërgerd van dit essay weg klikt, laat ik duidelijk stellen dat ik geloof dat de bijbel duidelijk is dat er een manier van leven is die door God niet bedoeld is, namelijk dat wij onze lusten volgen en daardoor andere mensen hun vrijheid en waardigheid ontnemen of onszelf kwaad doen. Dit leven noemt de bijbel het ‘vlees’. Ik meen dat dit de ‘behorens’ zijn die ons door ons verlangen worden opgelegd - en als we zoals Mr. Rochester denken dat we onze verlangens ten koste van alles (ook ten koste van andere mensen) behoren te bevredigen, leven we uit het vlees. En: ‘Het is bekend wat het vlees allemaal teweegbrengt: ontucht, zeleoosheid en losbandigheid, afgoderij en toerij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen en nog meer van dat soort dingen’ (Galaten 5:19v). Deze manier van leven leidt tot de dood van onszelf en van anderen (‘wie op de akker van zijn zondige natuur zaait, oogst de dood’ (6:8)). De bijbel roept ons daarom op het vlees te laten afsterven. Dat wil volgens mij zeggen dat als we om ons verlangen te vervullen, onszelf of anderen zonder respect zouden moeten behandelen, we ervoor kiezen het niet doen. Want de mens is belangrijker dan het tijdelijke plezier van een vervuld verlangen.
De bijbel is er volgens mij net zo duidelijk over dat er een manier van leven is die hoort bij hoe mensen bedoeld zijn: een leven gebaseerd op het liefhebben, van God boven alles en je naaste als jezelf. Daarom dat God in de bijbel ook aanstuurt op verandering van mensen, tot deze manier van leven in hen zichtbaar wordt. Wie liefheeft heeft de wet vervuld, dat is het doel van God. Ook al heb ik het op mijn blog heel veel over de genade, en lijk ik zelfs voor de oppervlakkige lezer antinomianistisch, ik geloof wel degelijk dat God wil dat we op een bepaalde manier leven. Maar ik geloof niet dat deze manier van leven te bereiken is door motivatie van buitenaf, door boodschappen van ‘behoren’. Het gaat namelijk om liefde. En liefde is vrijwillig, liefde laat zich niet dwingen. Het IK WIL dat de basis is van ons handelen, kan niet van buitenaf veranderd worden. De wet heeft daar geen invloed op. We kunnen niet opeens iets anders gaan willen, omdat dat hoort. Regels, straf en beloning hebben er geen invloed op - wat we dan willen is namelijk niet goed te doen, maar straf ontlopen of beloond worden. Of bij de groep horen, of een goed christen gevonden worden. En dat is iets heel anders. Dat is niet wat God wil. Het leidt ook niet tot blijvende verandering. St. John Rivers probeert Jane Eyre op deze manier te veranderen, maar Jane heeft heel goed door dat de wet haar tot een vloek zou worden, en haar zou laten sterven. De wet is, net als het vlees, uiteindelijk dodelijk (‘Iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt’, Galaten 3:10).

Daarom dat God al in het oude testament, toen mensen nog onder de wet leefden, beloofde dat er een ander, een nieuw verbond zou komen. ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden ‘Leer de HEER kennen’, want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al.’ (Jeremia 31:33v). En: ‘Ik zal hen een van hart en een van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich noot meer van mij zullen afkeren’ (32:40). En in Ezechiel: ‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mij wetten leven en mijn regels in acht nemen.’ (36:26v).
Dit alles is vervuld in het Nieuwe Testament. Jezus kwam om het nieuwe verbond in werking te stellen. En hoe deed hij dat? Door mensen lief te hebben. Kijk hoe hij met mensen omgaat in de evangeliën, welke verhalen hij vertelt. Hoeren, tollenaars, melaatsen krijgen van hem geen ‘behorens’ opgelegd. Ze horen dat ze vergeven zijn, dat ze geliefd zijn, dat ze oneindig waardevol zijn voor God. Zo waardevol dat Hij zich met hen identificeert -in hun zwakheid. En omdat ze van zichzelf gaan geloven dat ze waardevol zijn, krijgen ze respect voor zichzelf en voor anderen. Ze gaan anderen liefhebben, zoals God hen liefheeft. Zaccheus verkoopt zijn bezit niet omdat Jezus hem had verteld dat hij dat ‘hoorde’ te doen, maar omdat hij het zelf wilde. Zijn verlangen was veranderd.
Ook Paulus in zijn brieven legt eerst uit wat het evangelie heeft gedaan, hoe wij van uitgeslotenen in de aanwezigheid van de Vader zijn gebracht, hoe we hoewel we dood waren, met Jezus uit de dood zijn opgestaan en met Jezus zijn gezeten aan Gods rechterhand. Hij vertelt dat niets ons meer kan scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze heer. Dit is het goede nieuws. En als we dat echt gaan geloven, als we die waarheid echt tot ons laten doordringen, zal ons verlangen gaan veranderen. Dan zullen we ons niet langer willen laten regeren door onze zelfzuchtige verlangens (zoals Mr. Rochester), maar willen we anderen en onszelf met respect behandelen. En we zullen ons niet meer onder controle te hoeven houden met regels en verplichtingen (zoals St. John Rivers) omdat de liefde de angst heeft uitgedreven. “Volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf” (een indicatie van ‘behoren’ is dat er altijd een vorm van angst onder schuilt). Dit betekent dat we werkelijk vrij zijn! Om vrij te zijn heeft Christus ons vrij gemaakt. In plaats daarvan zullen we liefhebben ‘omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (1 Johannes 4:18v). Eerst verandert ons verlangen, dan pas ons gedrag. ‘De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geluld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft’ (Galaten 5:22,23). Maar ons verlangen verandert niet door de wet, maar alleen door het goede nieuws - ‘wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet’ (v18). Daarom denk ik dat alle preken met ‘behorens’ in de kerk niet effectief zijn. Mensen zouden veel ingrijpender veranderen als ze het goede nieuws horen.

Dit zie ik ook terug bij Jane Eyre. Ze weigert namelijk om op het voorstel van Mr. Rochester in te gaan, ook al betekent dat dat ze berooid door het land moet zwerven. En waarom doet ze dat? Omdat ze zichzelf respecteert. “I care for myself. The more solitary, the more friendless, the more unsystained I am, the more I will respect myself. I will keep the law given by God; sanctioned by man. I will hold to the principles received by me when I was sane, and not mad, as I am now. Laws and principles are not for the times when there is no temptation: they are for such moments as this, when body and soul rise in mutiny against their rigour; stringent are they; inviolate they shall be. If at my individual convenience I might break them, what would be their worth? They have a worth- so I have always believed; and if I cannot believe it now, it is because I am insane.” Nog even voorbijziend aan het feit dat het in de negentiende eeuw waarschijnlijk een behoorlijke schok was dat een vrouw zichzelf zo respecteerde en zichzelf zo waardevol vond, wordt hier de basis zichtbaar van Jane Eyre’s karakter. Ze houdt zich aan de huwelijkswet, niet omdat het ‘behoort’, maar omdat ze zichzelf en anderen zo waardevol vindt en zo respecteert dat ze zich aan deze wet wil houden. Uit haar conversatie met St. John Rivers weten we namelijk dat ze zich niet houdt aan regels puur omdat iemand ze oplegt. Hij haalt er zelfs bijbelteksten bij aan om haar ertoe te brengen met hem te trouwen en naar India te gaan. Volgens hem is het de wil van God. Maar ook dan zegt ze ‘Nee’. Ze houdt dus niet de regels omdat het regels zijn, maar omdat ze ziet dat deze regel gebaseerd is op echte liefde en echt respect voor mensen. Dat is wat ze wil en daarom kiest ze ervoor deze regel te houden. Ze MOET het, omdat ze het WIL. Zoals ze zag dat de woorden van St. John Rivers wel met bijbelteksten ondersteund waren, maar niet haar als persoon respecteerden en haar waardigheid niet respecteerden, en ze daarom niet met hem kon trouwen. Ze MOEST hem pijn doen door hem af te wijzen, zoals ze haar eigen verlangen naar Mr. Rochester MOEST ontkennen. Omdat ze zichzelf en hen met respect WILDE behandelen.
Jane is twee keer in staat een ‘behoren’ te weerstaan. Een ‘behoren’ dat voortkomt uit het zelfzuchtige verlangen (uit het ‘vlees’ zou de bijbel zeggen), en een ‘behoren’ dat voortkomt uit de regels (uit de ‘wet’ zou de bijbel zeggen). Waarom was ze daartoe in staat? Omdat ze geloofde in God. Haar geloof in God was anders dan het geloof van Mr. Rochester, of St. John Rivers. Die hadden beide eigenlijk een overeenkomend beeld van God. Allebei geloofden ze in een God die de daden van mensen woog en ze overeenkomstig zou belonen dan wel straffen. Mr. Rochester geloofde daarom dat hij toch al verdoemd was en alles kon doen wat hij verlangde, en St. John Rivers geloofde dat God hem zou belonen in de eeuwigheid als hij zendeling werd. Maar Jane heeft een heel ander Godsbeeld. Dat blijkt als ze afscheid neemt van St. John. Ze zegt daar: ‘I mounted to my chamber; locked myself in; fell on my knees; and prayed in my way - a different way to St. Johns, but effective in its own fashion. I seemed to penetrate very near a Mighty Spirit; and my soul rushed out in gratitute at His feet. I rose from the tanksgiving- took a resolve - and lay down, unscared enlightened - eager but for the daylight.
Dat verschilt nogal van de God tot wie St. John bidt (of tegen wie hij minipreekjes afsteekt). Dit is een God waarvan Jane weet en ervaart dat Hij er voor haar is, dat Hij van haar houdt. Daarom dat ze opstaat met dankbaarheid. Zelfs al zou ze niet de juiste keuze gemaakt hebben, deze God respecteert haar als persoon en wijst haar niet af. En daarom kan ze handelen met respect voor zichzelf. En voor anderen (het is tekenend dat het boek eindigt met St. John - het feit dat Jane hem afwees, wil niet zeggen dat ze hem niet respecteert. Ze laat hem in zijn waarde, zoals ze zichzelf in haar waarde laat).

Jane had dit godsbeeld niet van zichzelf - ze groeide juist op als wees in een hard huishouden. Niet de beste omgeving om respect te leren. Maar ik geloof dat het is terug te voeren op haar eerste vriendin Helen Burns. Niet voor niets heeft Charlotte Bronte zoveel aandacht besteed aan deze vriendschap. Dit is de basis om de rest van het werk te interpreteren. Goed, wat dogma’s betreft zou ik als ik muggenzifterig was op haar overtuigingen wel wat aan te merken kunnen hebben (maar daar moet ik nog een keer een ander essay over schrijven) en ze maakt niet echt melding van Jezus - degene door wie wij de Vader hebben leren kennen op de manier zoals Helen Hem beschrijft. Maar hoe Helen God beschrijft, is hoe ik hem heb leren kennen - door Jezus en in mijn gebeden. Als Jane vraagt: ‘Where Is God? What is God?’, antwoordt Helen: ‘My Maker and yours, who will never destroy what He created. I rely implicitly on His power, and confide wholly in His goodness: I count the hours till that eventful one arrives which shall restore me to Him, reveal Him to me.’ En dan vraagt Jane: ‘You are sure then Helen, that there is such a place as heaven, and that our souls can get to it when we die?’. Helen antwoordt: ‘I am sure there is a future state; I believe God is good; I can resign my immortal part to Him without any misgiving. God is my father; God is my friend: I love Him; I believe He loves me.” Jane vraagt: “And shall I see you again, Helen, when I die?”. Ze antwoordt: “You will come to the same region of happiness: be received by the same mighty, universal Parent, no doubt, dear Jane.”
Dit is wat Jane is gaan geloven. Voor haar heeft Gods liefde inderdaad de angst uitgebannen. Ze verlangt niet meer naar beloning voor haar inspanning, en is niet meer bang om door God gestraft te worden. In plaats daarvan weet ze dat God van haar houdt, en haar nooit zal vernietigen, maar haar bij zich wil hebben in zijn eeuwigheid. God is haar vriend, en zal zichzelf aan Haar openbaren. Ze heeft van God waardigheid gekregen, zoals ieder mens van God waarde heeft gekregen. En daarom WIL ze zichzelf en anderen met waardigheid behandelen, ook al MOET ze daarvoor zichzelf soms ontkennen, en anderen pijn doen door ze af te wijzen. Maar ze BEHOORT niets meer. Ze is vrij!

Ik wil ook op deze manier leven. Ik BEHOOR niet meer bijbelstudie te doen of te bidden - ik hoef mezelf niet meer onder druk te zetten om daar mijn tijd mee te vullen. Of God van mij houdt hangt er niet van af. Maar ik realiseer me dat mijn diepste verlangen is om te schrijven. Dat WIL ik, zoals ik nooit heb willen bijbelstudie doen, en daarom MOET ik er tijd voor maken. Daarom MOET ik er elke dag voor zitten. Dat past bij mij. Het is niet iets dat ik BEHOOR. Ik ga er niet aan onderdoor, ik kom er juist door tot leven. Maar net zo WIL ik anderen respecteren. Ik WIL anderen zien zoals God ze ziet. Daarom MOET ik soms dingen doen die in eerste instantie ongemakkelijk zijn, uit mijn comfortzone komen, bijvoorbeeld om een zwerver niet als minder dan menselijk af te schudden, maar hem of haar echt in de ogen te kijken. Maar ook hier ga ik niet aan ten onder, het is voor mij geen verplichting die mij overspannen maakt, want het is niet iets dat ik BEHOOR. Ik geloof zelfs dat ik er uiteindelijk meer mens door wordt, en niet minder. Want we zijn het meest mens als we liefhebben, zoals God ons heeft liefgehad. God, de universele Ouder, die ons en hen ooit zal ontvangen in zijn huis van blijdschap.

donderdag 20 december 2012

Gamebespreking: Mass Effect

Eergisteren was een belangrijke dag. Toen speelde ik namelijk twee computerspellen uit. Een ervan was een schietspel, gesitueerd tijdens de koude oorlog, wat bestond uit spectaculaire actiescenes aan elkaar verbonden door een dun verhaaltje over hersenspoeling en nazi-geheimen, dat zo uit een ouderwetse James Bond-film had kunnen komen (als Bond voor de CIA werkte en in Vietnam opereerde). Toen ik de controller van mijn Playstation 3 neerlegde had ik een voldaan gevoel, zoals altijd als je een taak voltooid hebt, maar ik heb geen moment nagedacht over het verhaal. Het zei niets over mijn leven, het bood geen inzichten in het menselijke bestaan, en het bracht me er niet toe nieuwe standpunten te formuleren over ethische kwesties. Het had net zo goed Pac-Man kunnen zijn, of Donkey Kong (maar dan met machinegeweren en granaten). Ik zou er in elk geval geen essay van meer dan tweeduizend woorden over kunnen schrijven. Ook over veel andere games zou ik dat niet kunnen, daarom heb ik het op mijn blog ook nog niet gedaan.
Ik ben bijvoorbeeld fan van de Uncharted-serie, waarbij avonturier Nathan Drake als een moderne Indiana Jones op zoek gaat naar allerlei legendarische schatten. Maar hoewel het spel er prachtig uitziet en de tussenfilmpjes niet alleen mooi zijn geanimeerd, maar ook goed zijn geacteerd, werd ik niet geraakt door het verhaal als verhaal. Ik was toch vooral bezig met het onder de knieën krijgen van de besturing, het tot een goede afloop brengen van schietgevechten, en het oplossen van puzzels. Ik leefde echter nooit werkelijk emotioneel mee met de hoofdpersoon. Niet zoals ik met de hoofdpersoon van een film doe. Dat heeft er misschien mee te maken dat ik aan de ene kant door de ogen van mijn karakter keek, maar aan de andere kant geen keuzes voor hem kon maken. Ik kon alleen een vaste route volgen, vaste opdrachten volbrengen. Ik kon niet kiezen met wie ik wel en niet wilde praten, of welk risico ik wel of niet bereid was te nemen. Over risico’s gesproken: die bestonden op het vaste pad dat ik volgde eigenlijk niet. Zelfs in de gevaarlijkste situaties wist ik dat mijn karakter het zou overleven, zelfs al ging hij dood. Hij zou een paar minuten eerder in het spel weer terugkeren, en ik zou de scene nog een keer doormaken, en nu beter mijn best doen te overleven. Ook als ik een puzzel fout oploste, kon ik het gewoon opnieuw doen. Er stond eigenlijk niets op het spel- behalve het spel (een van de spellen wist ik niet uit te spelen. Maar mijn emotie was frustratie over de moeilijkheid, niet onzekerheid over de afloop).
Vreemd genoeg creëert deze manier van een verhaal beleven dus een afstand die groter is dan als je hetzelfde verhaal op het scherm ziet, gespeeld door Indiana Jones. Omdat je zelf niet aan de knoppen zit, geloof je in elk geval zolang de film duurt dat er de kans bestaat dat hij tussen de krokodillen terechtkomt. Het is misschien de natuur van een spel - dat draait om het behalen van punten, het vergelijken met anderen, het testen van je kunnen. In mijn bespreking van de briljante animatiefilm Wreck-it Ralph schrijf ik hier ook over.
Maar het feit dat ik toch een lange gamebespreking schrijf op mijn blog, suggereert dat er games zijn die deze beperkingen ontstijgen en niet langer ‘spellen’ zijn in de beperkte zin van het woord. Van bezigheden om je vaardigheden te ontwikkelen en de competitie aan te gaan met anderen worden ze interactieve verhalen, die elk effect op de speler hebben die een goede film heeft op een kijker en die een meeslepend boek heeft op de lezer. Dat wil zeggen dat je een moment vergeet dat je aan het spelen bent, en werkelijk in de wereld van het spel leeft. Je wordt ondergedompeld in het verhaal. En dat doet wat met je. Je wordt ontroerd, je wordt aan het denken gezet, je hecht je aan de personen, je wordt veranderd. En je denkt ook als het spel afgelopen is nog na over het plot, de karakters, en de consequenties voor je eigen blik op het leven. Ik durf te zeggen dat dit soort spellen inderdaad de stap maken van entertainment naar literatuur. Dat ze het etiket ‘kunst’ mogen dragen, omdat ze met de speler doen wat ‘kunst’ doet - schokken, confronteren, uitdagen, en ontzag opwekken. Deze spellen moeten serieus worden genomen. Ze moeten worden besproken. Niet alleen in termen van aantallen pixels en spelduur, als in veel spelrecensies, maar ook in termen van literaire analyse. Er moeten essays, zelfs boeken, over worden geschreven. Een van de spellen waarover dat mijns inziens makkelijk zou kunnen (net zo makkelijk als er boeken over de thema’s van The Matrix konden worden geschreven) is het spel (of liever de spelserie) die ik ook uitspeelde afgelopen dinsdag, namelijk Mass Effect 3.

De Mass Effect-serie wordt wel eens de Star Wars van deze generatie genoemd. Maar die vergelijking is nog wat voorbarig. Aan de ene kant zijn veel meer mensen zich bewust van Star Wars, want er zijn nog altijd meer mensen die films kijken dan die computerspellen spelen. Maar aan de andere kant is het verhaal van Mass Effect dieper, met belangwekkender thema’s dan The Force, en zonder irritante karakters als Jar Jar Binks. Een ding hebben deze twee fictieve universa wel gemeen: ze beslaan een heel melkwegstelsel, vol unieke rassen en volken. In het geval van Mass Effect is het ons eigen  stelsel. De mensen van de Aarde zijn de ruimte gaan verkennen. Daarbij ontdekten ze dat ze niet alleen waren. Sterker nog, overal bleken wezens te leven. Sommige verder gevorderd dan de mens, maar niet zo heel veel verder. De verschillende beschavingen zijn met elkaar verbonden door Mass Effect relays - installaties die door een vroegere beschaving zijn achtergelaten, waardoor het mogelijk is sneller dan het licht van stelsel naar stelsel te reizen. Een grote groep rassen vormt een gemeenschap, gecentreerd rond de Citadel, een enorm ruimtestation, waar ook de Aarde een ambassade heeft. Zo ver, zo goed, zou je in vernederlandst Engels zeggen. Er is echter een reden dat er geen beschavingen zijn die veel verder zijn gevorderd dan de mens. Elke vijftigduizend jaar worden namelijk alle rassen die ruimtevaart kennen uitgeroeid door een ras van machine-intelligenties, de Reapers geheten. Ze ‘oogsten’ de ver gevorderde beschavingen, en laten de minder ver gevorderde zich verder ontwikkelen tot de volgende ‘oogst’. En de laatste ‘oogst’ was bijna vijftigduizend jaar geleden. De speler krijgt als Commander Shepperd de taak de volgende ‘oogst’ tegen te houden. Dit is niet makkelijk. Allereerst moeten er ruzies en conflicten tussen verschillende rassen worden beslecht. Rassen die zelf ook worden aangevallen, en niet geneigd zijn de Aarde ter hulp te komen. Daarna moet een wapen worden afgebouwd, waarvan de blauwdrukken zijn overgeleverd uit de vorige cyclus. De meest intelligente beschaving van toen, de Proteans, kreeg niet de kans het te gebruiken, maar de mensheid heeft misschien meer geluk. Terwijl de verzetsbeweging op Aarde zich uit alle macht verzet tegen een invasie van reapers, reist Shepperd met een groep vrienden heen en weer door het heelal, in een race tegen de tijd ...

Deze korte samenvatting doet geen recht aan de fascinerende queestes, de uitdagingen waar je voor komt te staan, en de complexiteit van de verschillende facties die met elkaar strijden om de macht, waaronder de organisatie Cerberus, die van de gelegenheid gebruik wil maken voor een en altijd de menselijke suprematie veilig te tellen en denkt ook Shepperd voor die taak te kunnen winnen ... Ik ben al over de duizend woorden heen. Een uitputtend verslag zal dit niet worden. Voor een bespreking over het spel als spel verwijs ik je graag naar andere plekken op het web. Wel wil ik opmerken dat de toekomstwereld uit het spel gedetailleerd is opgezet, vol interessante details, die het heel geloofwaardig maken. Verder zijn veel ‘zijqueestes’, vooral in het tweede deel, erg goed als op zichzelf staande SF-verhalen, soms zelfs beter dan de gemiddelde aflevering van een SF-serie. En anders dan bij het schietspel dat ik ook uitspeelde, was ik persoonlijk bij het verhaal betrokken en bleef het in mijn gedachten hangen toen het was afgelopen. Voor ik het uitgebreider over de verschillende thema’s uit het spel heb, zal ik eerst proberen te verwoorden wat dan de verschillen zijn met andere spellen waardoor ik hierdoor wel werd ondergedompeld in het verhaal.
Het begint al met de keuzes die je voor je karakter kunt maken: je kunt het geslacht van je eigen Shepperd kiezen, hoe hij/zj eruitziet en hoe hij/zij zich kleedt - en zo zie je hem/haar ook in het hele spel, inclusief elk tussenfilmpje. Dit is niet zomaar een karakter. Het is jouw karakter. Dit effect wordt nog versterkt doordat je kunt kiezen uit verschillende achtergrondsverhalen voor je personage, en die keuzes leiden ook nog tot een of twee plotontwikkelingen. Koppel hieraan dat Shepperd redelijk realistisch wordt weergegeven (niet als karikatuur, maar bijna ‘life like’) en identificeren wordt heel makkelijk. Bovendien kun je je eigen karakter ook meenemen naar de volgende spellen in je serie - je speelt je eigen Shepperd dus door verschillende avonturen heen.
Ook de keuzes die je in het ene spel maakt, werken door in het volgende - en je maakt op veel momenten keuzes. Aan de ene kant minder belangrijke. In elke conversatie heb je keuzemogelijkheden, waardoor je niet het idee hebt dat je een vast script volgt, maar dat je ook echt zelf het gesprek leidt. Je kunt bovendien vaak kiezen tussen twee manieren van reageren: bruut of vriendelijk. Ikzelf koos ervoor vriendelijk te spelen. Behalve tegen huurlingen - daarvan besloot ik dat ik ze niet mocht. Maar je maakt ook belangrijkere keuzes. Keuzes om een ras wel of niet te genezen van een kunstmatig virus dat hen onvruchtbaar maakt, keuzes om een gevaarlijk wezen wel of niet in leven te laten, keuzes om wel of niet te helpen in een strijd tussen een zwervend volk en de door hen gemaakte robots die hen hebben verjaagd. Deze keuzes zijn niet ongedaan te maken, en hebben dus ook consequenties voor het verloop van het spel.
Ik merkte dat ik af en toe de controller opzij moest leggen om na te denken wat in een bepaalde situatie de juiste keuze was. Ik maakte niet altijd de keuze die het makkelijkst tot overwinnen zou leiden, maar koos soms voor een omslachtige wijze omdat die moreel beter was. In andere situaties voerde ik meer dan een half uur een gesprek met een karakter over alle dimensies van een bepaalde keuze - en dat gesprek was even boeiend als de heftigste actiescene. Als een verhaal je zo gaat bezighouden, begint het literair te worden.
Het verhaal is aan de ene kant lineair, aan de andere kant heb je veel vrijheid. Je kunt als Shepperd drinken aan de bar, je piloot helpen met zijn relatie met een kunstmatige intelligentie, en zelfs een aquarium bevolken en onderhouden! (In Mass Effect 2 vergat ik voor mijn virtuele vissen te zorgen. Toen ik uiteindelijk terug kwam in mijn cabine waren ze dood. Ik voelde me er werkelijk rot over. In Mass Effect 3 kon ik voor heel wat geld een ‘aquariumverzorger’ aanschaffen. Maar toch kwam ik vaak terug op mijn cabine om ze zelf eten te geven. Ik had mijn lesje geleerd).
Doordat je keuzemogelijkheden echt aanvoeren, en ook gevolgen hebben voor de andere karakters in het spel, ga je ook om hen geven. De gesprekken die je voert hebben vaak ook een emotionele basis. Het is zelfs mogelijk in het spel je karakter relaties te laten aangaan met andere karakters - het is je niet verplicht als speler, maar de mogelijkheid is er (ik maakte er deze ronde geen gebruik van - maar een volgende keer wil ik er wel mee experimenteren). En mede door het goede acteerwerk wat betreft de stemmen voelen deze interacties nog echt aan ook. De vriendschappen tussen Shepperd en iemand als Garrus of Tali (voor wie het spel gespeeld heeft) raakten me echt. En door je keuzes kunnen deze personen sterven. En dan komen ze niet terug in het verhaal. Dan raak je ze echt kwijt. Dat geeft zelfs de actiescenes een dreiging die ze bij de gemiddelde shooter niet hebben. Zelf kom je wel weer tot leven, maar als je een van je vrienden laat doodgaan moet je het rest van het spel zonder hen doen. Dat geeft je wat om voor te vechten.
Als je op een website als DeviantArt zoekt naar ‘Mass Effect’ vind je heel veel tekeningen en schilderijen van fans over Mass Effect, vaak met hun eigen Shepperd, of de andere karakters. Ook verhalen van ‘hun missies’. Spelers zijn zo gehecht geraakt aan dit universum dat het hun verbeelding blijft bezighouden. Ze klaagden dan ook toen aan het einde van het spel geen ‘closure’ werd gegeven voor sommige van de karakters. De makers van het spel hebben toen een nieuw einde uitgebracht om hen tevreden te stellen. (Ik vond het originele einde ook wel prima, maar elke kans om langer bij deze karakters te zijn is meegenomen natuurlijk).

Voor een computerspel snijdt Mass Effect behoorlijk diepe thema’s aan. Het overkoepelende thema van de speltrilogie is volgens mij de vraag of biologische intelligentie en machine-intelligentie verschillend zijn, en de gevolgen van een conflict tussen verschillende intelligenties. Het begint er al mee dat de mensheid terechtkomt in een heelal dat hem behoorlijk vijandig gezind is. Er zijn buitenaardse rassen die heel oorlogzuchtig zijn, en zich ook nog eens snel voortplanten. waardoor ze als een golf over het melkwegstelsel zouden kunnen stromen en alles vernietigen. Een ander ras bestaat alleen uit vrouwen, die met mannen van alle rassen kunnen paren, maar alleen nakomelingen van hun eigen soort voortbrengen. Een ander ras kan alleen blijven bestaan in een soort duikpakken, omdat hun immuunsysteem zo is verzwakt dat ze van de geringste infectie al zullen doodgaan. Zij zijn van hun thuisplaneet verdreven door de robots die ze zelf gemaakt hebben. En dat is nog even buiten de ‘reapers’ gerekend, die elke vijftigduizend jaar langskomen.
Geen wonder dat een groep als Cerberus zich opwerpt voor de verdediging van de menselijke beschaving. Haar leider, de ‘Illusive Man’ wil de mensheid koste wat het kost beschermen, en de beste manier om dat te doen is de mens de machtigste te maken in het melkwegstelsel. Desnoods ten koste van andere rassen. In de loop van het spel ontdek je hoe ver Cerberus bereid is te gaan. Al snel rijst de vraag op of ze nog wel om mensen geven als individuen, of zelfs als bevolking van de Aarde, maar alleen nog als theorie, als idee. Ze experimenteren met zichzelf, en ontdoen zichzelf daarmee eigenlijk van hun menselijkheid. Uiteindelijk is hun ideaal een lege huls geworden. Ze vechten eigenlijk alleen nog maar om macht.
Ik moest denken aan het karakter Weston in ‘Out of the Silent Planet’, het eerste deel van Lewis’ ruimtetrilogie, die zich ook sterk maakt voor de toekomst van de mensheid, maar niets lijkt te geven om mensen. Hij verandert daardoor in een ‘onmens’. Ditzelfde gebeurt met de ‘Illusive Man’ - al blijft hij steeds met argumenten komen die ergens, ergens redelijk klinken. De mensheid mag er namelijk wel degelijk zijn, en mensen mogen wel degelijk voor zichzelf en voor hun belangen als individu en groep opkomen, maar niet ten koste van andere individuen en andere rassen. Zoals Shepperd in zijn/haar interacties met haar ploeggenoten van andere rassen merkt zijn individuen van andere vormen en andere kleuren net zo goed individuen, en is een mens niet beter of meer waard dan een Krogan. Hieruit komen verschillende ethische keuzes uit voort, bijvoorbeeld over de moraliteit van het genezen van een virus dat het bovengenoemde oorlogszuchtige ras onvruchtbaar maakt. Ik schreef hier al over in mijn recensie van de film Avatar, waarbij sommigen de makers ervan beschuldigden dat die ‘tegen de mensheid’ was, maar waarover ik betoogde dat in dit geval de wezens die er niet uitzagen als mensen menselijker waren dan de wezens die er wel als mensen uitzagen, maar zich onmenselijk gedroegen.

Maar als dit geldt voor verschillende rassen van verschillende planeten, geldt dit ook voor andere soorten intelligentie. Biologische intelligenties maken in dit verhaal machine-intelligenties. Maar omdat ze deze gemaakt hebben, denken ze het recht te hebben ze te controleren, ze als ‘machines’ te behandelen. Zodra een wezen echter zelfbewustzijn heeft verkregen, en in staat is zelf te kiezen wat het wel of niet belangrijk vindt, is het een persoon. Of het nu een monsterlijk wezen op een andere planeet is, een mens, of een robot. Zodra een wezen kan kiezen tussen goed en kwaad, moet een mens het als mens behandelen. Ook de machine-intelligentie. Zo scherp zijn de grenzen immers niet. Zijn de biologische hersenen niet ook een machine? Zou je ze niet terug kunnen brengen tot verbindingen tussen neuronen, neuro-transmitters, elektrische signalen? Het bewustzijn is een niet biologische eigenschap die opkomt (emerget) uit de biologische complexiteit, maar die niet zonder de materiele drager kan bestaan, en verdwijnt als de materie verdwijnt. Als een computer net zo veel verbindingen zou kunnen bevatten als het menselijke brein, en computerprogramma’s net zo ingewikkeld zouden zijn, zou er ook bewustzijn uit kunnen oprijzen. Als deze werkelijk kan kiezen, is deze net zo waardevol als een biologisch bewustzijn en dus het beschermen waard.
Het spel speelt hier op verschillende manieren mee. Het conflict tussen de robots, de Geth en hun makers, de Quarians, die ze van hun planeet hebben verdreven, had ik al genoemd. De robots blijken hier niet zo duidelijk de slechteriken, het blijkt dat de makers zelf aanleiding hadden gegeven voor het conflict. En dan sta je opeens voor de mogelijkheid om de oorlogszuchtige Geth te ‘herprogrammeren’. Maar als je dat doet, tast je dan niet hun individualiteit en keuzevrijheid aan? Daar moest ik wel over nadenken.
Dan is er de intelligentie van het schip, die uiteindelijk een zelfstandig leven gaat leiden, eigen keuzes kan maken en zelfs een relatie kan aangaan met de piloot. Deze EDI komt bij je om vragen te stellen over wat het betekent mens te zijn, en deze gesprekken doen je inderdaad beseffen dat je te maken hebt met een uniek persoon. Aan de andere kant wordt in het spel een mens als computer gebruikt in een virtuele omgeving en worden ook biologische wezens misbruikt voor eigen doeleinden - maar als een biologisch wezen zo niet mag worden behandeld, waarom een robot wel?
Je bent als commandant Shepperd in het spel ook al uit de dood gered en gereconstrueerd. Eigenlijk ben je, realiseer je je opeens, zelf ook een machine geworden. Maar je ervaart jezelf wel als menselijk - Hoe beïnvloedt dat je keuzes?
En dan zijn er de ‘reapers’. Ook machines, ook ooit gebouwd door biologische wezens. Wat drijft hen om steeds weer terug te keren en beschavingen uit te roeien. Uiteindelijk ontdek je ook hun motivatie, die te maken heeft met het feit dat biologische intelligenties de machine-intelligenties niet als hun gelijken willen beschouwen (en dus vice-versa ook maar niet). Als Shepperd sta je dan voor een keuze. Vernietig je elke machine-intelligentie, ook de Geth en EDI? Controleer je de reapers en ontneem je ze zo hun keuzevrijheid? Of kies je voor synthese - voor het samengaan van biologische intelligentie en machine-intelligentie? Of kies je ervoor om niets te doen? Een interessante vraag, maar ik wist al vrij snel wat ik moest kiezen. Want zoals mijn favoriete stripheldin al zei: “Een verschillend uiterlijk doet er weinig toe, zolang het denken maar gericht is op hetzelfde goede doel.” Ik koos voor het einde van de cyclus, en een nieuw begin.

Ik was aangedaan bij de laatste beelden van het spel. En ik kijk ernaar uit het nog een keer te spelen, nog een keer rond te lopen op de Citadel, nog een keer met mijn strijdmakkers te praten, en nog een keer het universum te redden. Maar ik weet ook dat ik op het eind niet een andere keuze zal maken. Iedereen is waardevol.

zondag 2 september 2012

Filmbespreking: Elizabeth

We worden als mensen nogal eens ingeperkt door onze ervaring. We kennen de wereld om ons heen. Onze stad, de marktkraampjes, de volle trein op weg naar kantoor. Die ervaren we als werkelijkheid, die heeft voor ons substantie. En van de mensen die we dagelijks zien, hebben we het gevoel dat we ze kennen. We kunnen onszelf op hen projecteren, en ons voorstellen dat ze dezelfde gedachten koesteren, dat ze dezelfde verlangens hebben, dat ze angstig zijn en liefhebben zoals wij dat doen. We ervaren ze als ademende, levende personen en gaan zo met ze om. Maar het wordt anders als we van mensen gescheiden zijn, of het nu is door een fysieke afstand, of door tijd. We lezen over een andere cultuur, bijvoorbeeld die van Japan of van de Inuit, en over hun voor ons aparte gebruiken en hun bevreemdende cultuur. Maar kennis over mensen is niet hetzelfde als het kennen van mensen. De Japanners of de Inuit blijven voor ons abstract. Het zijn eenheden, geen mensen. Een encyclopedie of een volkenkundig museum helpt ons niet over hen te denken als mensen zoals wij, die liefhebben, verdriet hebben, ambitieus zijn of juist niet. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis. We kunnen lezen over de middeleeuwen, de volksverhuizingen, de kathedralenbouwers, de epidemieën en de koningen, maar die kennis is onpersoonlijk. Al snel denken we dat mensen in die tijd dommer waren, minder ver ontwikkeld, simpele zielen of onschuldiger. Het is moeilijk over ze te denken als echte, levende, ademende mensen zoals wij. Het blijft een ‘ver van mijn bed show’.
Om de kloof van de abstractie te overbruggen hebben we iets anders nodig dan feiten. Het kan alleen door de mensen echt te ontmoeten. Door op reis te gaan naar een andere cultuur en twee weken bij Indiers te logeren bijvoorbeeld - daardoor krijgen de mensen op dat subcontinent een gezicht. Ze worden individuen, persoonlijkheden. Maar dat is niet altijd mogelijk, vooral niet als de afstand er een is in de tijd. Dan is fictie de aangewezen oplossing. Verhalen laten ons meeleven met individuele mensen, laten ons delen in hun pijn, vreugde en moed, laten ons voelen waarom eer nu zo belangrijk voor hen is, of waarom ze minder geven om welvaart dan wij. Een verhaal stelt ons in staat om ons door middel van de verbeelding te verplaatsen in de schoenen van een ander, en daardoor tegelijkertijd de ander te zien als een mens zoals wij. Dit is een belangrijke functie van fictie. Deskundigen spreken over de ‘theory of mind’ - de wetenschap dat een ander zichzelf als persoon ervaart, net zoals jij dat doet. Het is bekend uit wetenschappelijk onderzoek dat mensen die verhalen lezen, sterker scoren op testen over de ‘theory of mind’ en ook empathischer zijn. Ze zijn ook eerder geneigd om anderen te helpen. Je zou kunnen zeggen dat verhalen ons menselijk maken, of anders gezegd: dat verhalen ons helpen om anderen te zien als mensen.
Dit verklaart waarom historische films mij zo aanspreken. Op een bepaald moment tijdens het kijken realiseer ik me dat deze mensen, met hun worstelingen, hun verlangen en hun twijfel, werkelijk hebben bestaan, bijna vijfhonderd jaar geleden. En andersom, dat de mensen van 1500 jaar geleden waarover ik lees in de geschiedenisboeken geen pionnen waren of robots die een koers volgden die voor hen was vastgelegd (de koers die de geschiedenis nu eenmaal moest lopen om te leiden tot onze tijd), maar dat ze individuen waren die hun eigen ideeën navolgden, met andere concurreerden, en teleurstelling ervoeren of juist grote vreugde. Hoewel de geschiedenis voor mij lijkt vast te staan, was de toekomst voor hen open. Dit ervoer ik bijvoorbeeld bij het kijken van de al wat oudere film Elizabeth.

De film speelt zich af in het Engeland van de zestiende eeuw. Net als elders in Europa heeft de reformatie diepe voren getrokken. De film begint met de levende verbranding van drie protestantse ketters. De katholieke koningin Mary Tudor wordt echter opgevolgd door de protestantse Elizabeth. Een levenslustige jonge vrouw, die verliefd is op een sympathieke edelman Sir Robert Dudley. Het ziet er echter naar uit dat haar regering van korte duur zal zijn. Het land is arm en er dreigt oorlog, bijvoorbeeld met bloody Mary, de koningin van Schotland. De katholieke bisschoppen zijn niet blij met haar ideeën over de gewetensvrijheid van individuen en de Paus dringt zelfs aan op een gewelddadige oplossing. De graaf van Norfolk, een van de belangrijkste edelen, aast ondertussen zelf op de troon. De enige manier om haar positie te behouden, is te trouwen. Of met de Franse Graaf van Anjou (die op zijn minst flamboyant is te noemen), of met de Spaanse koning. Haar advisieur William Cecil houdt haar voor dat haar lichaam nu niet meer van zichzelf is, maar van de staat. Ze is een vrouw in een mannenwereld en wordt daar ook regelmatig aan herinnerd. Ondertussen hoopt Sir Robert haar te kunnen blijven zien. De enige die werkelijk haar belangen op het oog lijkt te hebben is Sir Francis Walsingham, die als haar lijfwacht op een doortastende manier afrekent met bedreigingen van binnen en buiten het hof. Uiteindelijk moet de jonge koningin een groot offer brengen om haar land voor onheil te behoeden.

Deze film had makkelijk in het lijstje van mooie films kunnen staan dat ik laatst op mijn blog plaatste. De aankleding van de film is prachtig, met fantastische kostuums en imposante decors. Er speelt ook een heel scala goede acteurs in mee. Van Richard Attenborough (zelf ook regisseur, en broer van David), tot Joseph Fiennes (die later Luther speelde), Geoffrey Rush (zoals altijd briljant) en Christopher Eccleston (gepast dreigend en doortastend, in 2003 Dr. Who.). Emily Mortimer (uit Lars and the Real Girl) is een van de dienstmeisjes van de koningin, en zelfs de latere James Bond Daniel Craig heeft een rolletje. Cate Blanchett is een stralende koningin Elizabeth (deze rol is duidelijk een voorloper van Galadriel), maar een die ook haar doortastendheid overtuigend weet te brengen. Misschien toont de film niet de lelijke kant van de middeleeuwen wat betreft scheve tanden, pest en luizen, maar ketterverbrandingen, martelingen en de gevolgen van de oorlog worden wel in beeld gebracht. Aan het eind van de film wordt er een samenzwering ontmaskerd, maar hoe die precies in elkaar zat was me niet heel duidelijk, en ook niet wat de rol van Sir Robert nu precies was. Ik heb ook begrepen dat de film de volgorde van gebeurtenissen hier en daar omdraait en zich wat vrijheid veroorlooft in de ontmoetingen van de koningin. Dat maakt de film niet minder. Om op abstract niveau te weten wat precies gebeurde kun je vinden op Wikipedia. Om je een beeld te vormen van wat een vrouw van vlees en bloed moet doen en laten op de troon van Engeland in de zestiende eeuw, kijk je deze film.

Tijdens het kijken van de film dacht ik een paar keer: hee, dit soort situaties ken ik uit A Game of Thrones en de vervolgen daarvan. Een strijd om de troonopvolging, verschillende huizen van edelen met conflicterende belangen, diplomatiek inzetten van huwelijken en relaties, en bloederig verraad. Ik verwijs daarom graag naar mijn bespreking van A Game of Thrones. Daarin schreef ik: “Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis.” Onze heldenverhalen, waar wij betekenis aan ontlenen, leiden ertoe dat wijzelf onvrij zijn, en dat wij anderen hun vrijheid ontnemen (hun heldenverhaal bedreigt het onze immers). Ik citeer Richard Beck: “This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.” Ditzelfde principe wordt ook op een krachtige wijze in beeld gebracht in deze film. In A Game of Thrones lees je over de gevolgen van de menselijke machtsuitoefening op de zwakken en de machtelozen. Deze film toont de vernietigende effecten ervan op de individuele mens en zijn persoonlijkheid.
Eerst wordt Elizabeth in beeld gebracht als een levendige jonge vrouw. Ze bevindt zich in een idyllische, bijna paradijselijke situatie, waar ze danst met haar geliefde Sir Robert. Ze heeft hoop op een werkelijke relatie met de man met wie ze houdt. (De keren dat deze karakters dansen hebben een symbolisch karakter, denk ik. Ze worden namelijk steeds ongemakkelijker door de film heen). Bovendien is ze werkelijk overtuigd gelovige. Zelfs als ze gevangen wordt genomen en bedreigd wordt, houdt ze vast aan haar protestantse overtuigingen. Wanneer haar zus haar vraagt Engeland katholiek te houden, antwoordt ze dat ze zal handelen zoals haar geweten haar ingeeft. Wanneer ze hoort dat ze koningin wordt, reageert ze met oprechte dankbaarheid aan God. Ze is iemand die kan liefhebben, God en een ander individu. En ze probeert ook zo te regeren, uit het hart, niet uit kille berekening. Maar als koningin bevindt ze zich op een positie waar dat niet is vol te houden. Er wordt van haar verwacht dat ze de positie van Engeland beschermt en verstevigt. Er wordt van haar verwacht dat ze macht uitoefent ten dienste van de staat. Daarvoor moet ze trouwen met iemand die haar maar een of twee keer per jaar zou zien (de koning van Spanje) of met iemand die zich graag als vrouw verkleedt (de Franse Anjou). Haar liefde voor Robert is ondergeschikt aan het verhaal van Engeland. En anderen verwachten dat ze macht uitoefent ten dienste van de kerk, katholiek of protestant. Ze bespeelt de edelen prima, wijst hen op hun hypocrisie, maar het verhaal van de macht krijgt uiteindelijk de overhand. De religieuze machten zijn bereid de toevlucht te nemen tot moord om hun positie te beschermen. En Elizabeth kan hen alleen met de wapenen van de macht bestrijden, en moet daarbij ingaan tegen haar geweten. Ze moet de machiavellistische Walsingham de vrije hand geven om de katholieke samenzweerders te doden. En ze moet de toevlucht nemen tot de subversie van religieuze beeldtaal om haar plek op de troon te behouden. Ze wordt zelf een religieus figuur, om mensen ervan te weerhouden op grond van hun religie tegen Engeland te kiezen. Op dat moment, zegt ze, is ze getrouwd met Engeland. Ze heeft haar lange haren afgeknipt, heeft haar gezicht wit gemaakt, en draagt een witte jurk. Haar levenslustige persoonlijkheid is gesublimeerd, haar liefde voor Robert is weggedrukt. Ze is nu een belichaming van een ideaal, een abstractie, in plaats van een persoon. Ze is haar positie. Dat is wat macht doet met mensen. Dat is de betekenis van het gezegde dat macht corrumpeert, en dat absolute macht absoluut corrumpeert.

De ironie is natuurlijk dat haar beslissing om de maagdelijke koningin te worden succes oplevert voor Engeland. Dat gaat een gouden eeuw in, met ongekende welvaart, succesvolle expansie in de wereld en een Anglicaanse kerk die de staat niet meer bedreigde. Het verhaal van Engeland eindigt met een overwinning. Maar een ‘happy end’ is het volgens mij niet. Want het verhaal van Engeland is niet het Verhaal van de Werkelijkheid. Het is niet het Ware Verhaal. Het is een klein verhaal, en degene die van Engeland zijn eigen verhaal maakt, die zijn leven laat draaien om het succes van Engeland, dient eigenlijk een afgod. Hoe mooi en succesvol Engeland ook is, het is het niet waard dat ook maar een mens zijn of haar geweten dicht schroeit om het te redden. Het is het niet waard dat een mens er een ander mens voor ombrengt, of dat iemand haar eigen liefde ervoor ontkent. Christenen geloven dat ze in een groter verhaal leven. In HET grote verhaal. Daarom zijn ze wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hoewel ze leven als burgers van het Romeinse rijk, vereren ze de keizer daarvan niet als God, en worden ze liever uitgestoten dan hun eigen geweten geweld aan te doen. Wie oprecht wil leven in het grote verhaal kan niet tegelijk het wereldsysteem blijven dienen. Niemand kan twee heren dienen, zei Jezus al.
Maar ook de kerk kan het verhaal van iemands leven worden. En ook de kerk blijkt dan een te klein verhaal. Wie zijn leven laat draaien om het succes van een kerk, om het ledenaantal of zelfs het voortbestaan, dienst eigenlijk een afgod. In dit verhaal wordt de katholieke kerk als voorbeeld opgevoerd, maar het geldt eigenlijk ook voor protestante kerken, pinksterkerken en huiskerken (en zelfs voor het idee van kerkloos christen-zijn). Als je leven daarom gaat draaien, en je in naam van de kerk andere mensen pijn doet, uitsluit of veroordeelt, leef je niet langer in het Grote Verhaal. Dan leef je in een verhaal dat geen leven kan brengen. Dat alleen maar tot de dood leidt, voor jou en voor anderen. Walsingham (die zelf niet gelooft, maar denkt dat in het heelal niets anders is dan de mens en diens gedachten), heeft het verschil scherp door. Hij zegt tegen een katholieke priester: “Is your God such a worldly god that he must play at politics in the filth of conspiracy? Is he not divine?” Hij zag in dat deze man niet God diende, maar een god met een kleine ‘g’: de kerk.

Elizabeth besluit het spel mee te spelen. Ze dient Engeland. Ze houdt zich aan de religieuze verhalen van mensen. En ze draagt daarvan de pijnlijke gevolgen. Was er iets anders mogelijk? Ik weet het niet. Wij kunnen ons ook niet uit de wereld terugtrekken. We moeten ook gewoon ons werk doen, onze hypotheek betalen. We zijn deel van allerlei systemen. Maar aan de andere kant zijn we geen burgers maar ‘bijwoners’, vreemdelingen. Ons ware vaderland is het Koninkrijk van God. Ergens in die dubbelheid ligt de waarheid. Als we ons werkelijk geliefd weten, als we ons realiseren dat we leven in het Verhaal dat God vertelt, als onze betekenis rust op Jezus’ dood en opstanding, dan kunnen we de verhalen van Engeland, van de kerk, van onze carrière of onze financiën zien voor wat ze werkelijk zijn: kleine verhalen, gedoemde projecten, vaten die geen water houden. We kunnen ze relativeren. We worden dan niet langer geregeerd door deze verhalen, maar zijn vrij om er voor te kiezen iets te doen dat goed is voor Engeland, of om dat te weigeren. We zijn vrij om te kiezen bij een kerk te horen, maar ook vrij om er weg te gaan als ons geweten dat vraagt. We zijn vrij om anderen als waardevolle individuen te behandelen, in plaats van ze te martelen. We zijn vrij om te leven en lief te hebben, in plaats van ons aan een ideaal te onderwerpen. Ik breng dit niet altijd in praktijk, maar ik verlang er wel naar. Ik wil niet eindigen als Elizabeth. Als gevoelloos standbeeld, in plaats van een geliefd mens.