Posts tonen met het label apocalytisch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label apocalytisch. Alle posts tonen

woensdag 16 september 2015

Boekbespreking: The Zero Marginal Cost Society (1): Het einde van het kapitalisme

Als het mogelijk was boeken zes sterren te geven, zou ik dat voor dit boek doen (wat suggereert dat mijn beoordelingssysteem voor boeken op Goodreads niet helemaal klopt). Ik overdrijf niet als ik zeg dat dit boek mijn leven heeft veranderd. Het is ook lang geleden dat ik hele pagina's van een boek aan mijn vrouw voorlas, of aan vrienden (en broers) toezond, omdat ik dacht dat ze wel wat inspiratie konden gebruiken. En dat voor een boek over economie! Wie mij een beetje kent weet dat ik altijd heb gezegd dat ik geen enkele interesse heb in dat onderwerp, een van de weinige onderwerpen waarvoor dat geldt. Ik ben net zo verrast als jullie!
Zelf zou ik het boek waarschijnlijk niet hebben uitgekozen, want de titel wekt de indruk dat het een behoorlijk technisch betoog wordt ('marginal costs', dat klinkt als economie, nietwaar?). Maar een vriend raadde me aan het boek te lezen. We hadden namelijk met elkaar gegeten in Rotterdam, en tijdens onze maaltijd had ik hem verteld dat ik vaak depressief wordt als ik nadenk over de toestand van de wereld, omdat ik wordt bestookt met doemscenario na doemscenario. Dan weer gaat het over klimaatverandering, die niet meer te stoppen zou zijn, dan weer over het uitsterven van diersoorten en het leeg raken van de zeeën, dan weer over de komende oliecrisis ('peak oil') of over de vluchtelingenproblematiek (we kunnen ze nu wel helpen, maar het probleem is daarmee niet opgelost). En dan zijn er ook nog christenen die overtuigd zijn dat de Heer eind september 2015 terugkomt. Zoals hij zou terugkomen in 2011 en in de jaren '70 en in het jaar 1000. Maar toch: een kennis van me ging deze zomer maar veel reizen, want stel je voor dat de profetieën gelijk hadden ... Ik vind deze negatieve scenario's echter heel ontmoedigend, en vraag me soms af of het zin heeft door te leven als onze toekomst alleen maar slechter wordt.
De vriend met wie ik aan het eten was, bracht hier tegenin dat er ook positievere verhalen waren te vertellen over onze wereld en de toekomst, en dit was een van de boeken die hij me aanraadde te lezen. Het andere was 'The improving state of the world' van Indur M. Gorlany. Al voor ik er aan toekwam ze te bestellen, had ik op basis van zijn opmerkingen al geconcludeerd dat we als menselijk ras een bias (vooroordeel) hebben ten gunste van apocalyptische scenario's. We houden van samenzweringstheorieën waarbij grote machten samenspannen om ons voor de gek te houden en te overheersen, en we denken dat alles beter was in het verleden. Dat is van alle tijden. Zelfs de Egyptenaren dachten dat hun jeugd moreel bankroet was, en in de 19e eeuw werd er ook geklaagd over de losgeslagen studenten. Nu zeggen mensen dat de jeugd geen werkelijk contact meer heeft, maar zich afsluit achter beeldschermen. Maar er zijn foto's van begin vorige eeuw waarin je mensen in een tram ziet zitten, allemaal achter een krant verborgen. Kennelijk willen mensen in een drukke omgeving zich gewoon afsluiten van prikkels en is het niet iets van deze tijd. Toch vertellen we deze verhalen graag. Mogelijk omdat de meeste mensen 'in het moment' leven, en dit soort verhalen de situatie op scherp stellen en spannend maken. Mogelijk eenvoudig omdat over vrede en rust en groei weinig spectaculairs te vertellen is. De kranten bevatten ook al sinds mensenheugenis vooral slecht nieuws.

Ondertussen is het echter heus niet allemaal slecht nieuws dat de bovenhand voert. Niet alleen is de mens in een paar duizend jaar in medisch en technologisch opzicht een heel stuk verder gekomen, en is het leven van heel veel mensen verbeterd - we leven langer en blijven langer gezond, zijn rijker dan koningen in de middeleeuwen en hebben zelfs recht op vakantie en gerechtelijke bijstand! Wij hebben het beter dan onze ouders en al helemaal dan onze voorouders. En dit geldt niet alleen in het westen. Over de hele wereld zijn ziekten uitgeroeid, daalt kindersterfte, daalt het aantal slachtoffers van geweld (het lijkt anders omdat we door de media meer te horen krijgen). Bovendien zijn dit niet slechts cosmetische veranderingen, het lijkt erop dat ons menselijke bewustzijn zich ook verder ontwikkelt. In de steentijd leefden mensen in groepen van maximaal 500. Mensen van buiten die groep werden als 'anderen' beschouwd, als minder menselijk, en werden dus bestreden. Zo leven huidige steentijdstammen nog steeds! Maar uiteindelijk leerden mensen de eigen groep uit te breiden en zagen ze de mensen van hun eigen religie als tot hun groep behorend (de familie van het geloof). Mensen die iets anders geloofden waren 'heidenen' of 'barbaren' en werden nog steeds bestreden. Uiteindelijk gingen mensen zien dat anderen uit hun eigen land, ook als ze iets anders geloofden dan zij, het beschermen waard waren. De nationale identiteit werd belangrijk: de landgenoot werd de broeder. En in een volgende stap: de rasgenoot (die zie je in de 19e eeuw, en daarom is soms literatuur uit die tijd in onze ogen racistisch. Wat deze thesis bewijst). De volgende stap was de opkomst van het psychologische inzicht: we gingen zien dat alle mensen, ongeacht afkomst, een innerlijk leven hadden. Ook als ze anders leefden dan wij, zelfs als ze zich misdadig gedroegen, of zich afzonderden, of juist heel sociaal waren. We kregen er oog voor hoe ze zo geworden waren, en begrip voor hun reis. Onze eigen grootouders missen dit inzicht vaak, en snappen niet waarom anderen uit andere culturen zo 'anders' doen dan zij. Zo recent is deze ontwikkeling!
Deze evolutie ging gepaard met innovaties in de beschikbaarheid van energie (landbouw, windmolens en watermolens, stoomkracht, olie en benzine), in transportmogelijkheden (het wiel, boten, treinen, vrachtwagens) en in communicatiemiddelen (nodig om de energiestromen en het transport te reguleren: het schrift, de drukpers, het telegram, de telefoon et cetera). Het zal niemand ontgaan dat deze innovaties doorgaan en wel in een steeds hoger tempo. Deze eeuw zag de opkomst van het internet als communicatiemiddel, waarmee het mogelijk was gegevens uit te wisselen met mensen aan de andere kant van de wereld, samen te werken zonder hoge kosten en toegang te krijgen tot boeken, muziek en video. Deze nieuwe communicatiemiddelen scheppen heel veel mogelijkheden, onder andere op het gebied van energie. Groene, vernieuwbare energie die door mensen zelf wordt opgewekt, wordt opgeslagen in de vorm van waterstof en wordt verspreid op een door mensen gedeeld 'energie internet', zal de marginale kosten van energie tot bijna nul laten dalen (marginale kosten: de kosten om meer van hetzelfde product te genereren). Energie zal dus niet langer kostbaar zijn, maar alom tegenwoordig. En dit maakt het mogelijk dat iedereen zijn eigen benodigdheden gaat produceren. 3D-printers zijn in opkomst. Hiermee kan iedereen, ook weer tegen materiaalkosten, in zijn/haar eigen behoeften voorzien. 3D-printers kunnen zelfs andere 3D-printers printen! We worden van 'consumers' dus 'prosumers'. Vervolgens zal de uitwisseling van goederen ook veel goedkoper worden door ontwikkelingen als het 'internet der dingen', wat de efficiëntste manier zal berekenen om energie te gebruiken en goederen van plek tot plek te krijgen, bijvoorbeeld middels 'drones'.

Rifkin noemt al deze ontwikkelingen samen 'De Derde Industriële Revolutie'. En deze revolutie zal onze economie ook ingrijpend veranderen, zoals het bij elke eerdere revolutie ook is gebeurd. Wij zijn namelijk zo opgegroeid in een kapitalistische omgeving (in elk geval mijn eigen generatie, voor jongeren ligt dit al weer anders), dat we het als normaal zijn gaan beschouwen. Dit zou 'het einde van de geschiedenis zijn'. Maar het kapitalisme als systeem zoals we dat nu kennen, is van recente oorsprong. Over de loop van eeuwen heeft het steeds meer gebieden van het leven in zich opgenomen en op de marktplaats gebracht, zodat we nu betalen voor muziek, verhalen, water, transport, elektriciteit, en zelfs: spiritualiteit (denk aan televisiedominees en megakerken). Er zijn hekken omheen geplaatst: deze terreinen zijn niet langer het bezit van iedereen, maar worden geëxploiteerd door ondernemers. En wij, van deze generatie, weten niet anders dan dat alles gekocht en verkocht kan worden. Ik noem dat wel eens het 'transactionele wereldbeeld'. Maar het is nu al zichtbaar dat de kapitalistische economie aan het plaatsmaken voor een andere vorm. En wel een economie van overvloed in plaats van schaarste of tekort.
Door de gratis productie van hernieuwbare energie en de toegang tot efficiënt transport en eigen productie via 3D-printers hoeven we niet meer om muziek, boeken, water, elektriciteit en spiritualiteit te concurreren. Iedereen kan zelf voorzien in wat hij/zij nodig heeft om te overleven, zonder afhankelijk te zijn van bedrijven. In deze economie zal het belangrijker zijn toegang te hebben tot voorzieningen, dan om ze te bezitten (dit zie je nu al met media), en we zullen met elkaar willen delen in plaats van te moeten kopen, samenwerken in plaats van concurreren. We zullen de bronnen van de wereld niet zien als grondstoffen om commercieel te exploiteren of op de markt te brengen, maar als een gedeeld goed dat we als gemeenschap zullen beheren, zodat iedereen er op een duurzame manier van kan profiteren. Rifkin noemt dit de 'collaborative commons'. Het systeem van de 'Commons' is al eeuwenlang in vele culturen gangbaar. Bijvoorbeeld in Zwitserland, waar mensen uit een dorp hun alpenweide niet in bezit hebben, maar de weiden zien als een gedeeld goed en het ook zo beheren. Ze zorgen samen voor het onderhoud ervan, en verdelen de opbrengsten naar ratio. Op deze manier zijn deze weiden al meer dan 800 jaar duurzaam onderhouden, en zijn ze niet kaalgevreten en geërodeerd! Dit oude systeem zal waarschijnlijk weer in belang toenemen, als we ons milieu, maar ook onze cultuur en ons geloof gaan zien als gedeeld goed.

(wordt vervolgd!)

zondag 31 mei 2015

Filmbespreking: Twee toekomstperspectieven (2): Mad Max Fury Road

Dit is een wat onconventionele filmbespreking, aangezien ze zowel de film uit de titel behandelt, als de film die in deel 1 werd ge-analyseerd, project T. Niet alleen is het dus handig om dat artikel te lezen voordat je aan deze bent, ook heb je dit artikel nodig om al mijn ideeën over de eerste film mee te krijgen. Maar ik vond de films te goed op elkaar reageren om ze niet te combineren. Vooral vanwege de filmposters voor ‘ToxiCosmos 3’, die herhaaldelijk terugkeren in project T, en die bedoeld lijken als parodie op de Mad Max-films. Waarvan er nu dus ook een in de bioscoop draait: Mad Max Fury Road.
En deze is eigenlijk net zo zeer vernieuwend voor het genre als Project T. Niet vanwege het verhaal op zich, dat erg lijkt op dat van eerdere Mad Max-films en dergelijke verhalen. In deze film wordt deze overeenkomst echter een kracht, aangezien het een mythisch aspect geeft aan de gebeurtenissen. Wat vooral vernieuwend is, is dat een regisseur van 70, en een cameraman van 72, laten zien dat een film niet hoeft mee te doen met de mode of de trends van onze tijd, maar dat kwaliteit zich altijd onderscheidt. Dat het niet computereffecten, flitsende montage of ironie is dat een film een succes maakt, maar de kracht van het verhaal, overzichtelijke actie waarin echt iets op het spel staat en personen met wie je kunt meeleven. Er is een volledige analyse te schrijven hoe deze film laat zien dat we als mensen uiteindelijk willen engageren met echte werelden en dat computereffecten ons toch te veel op afstand houden. We zijn wezens van de tastbare werkelijkheid en niet van de abstracte wereld van de ideeën. En bovendien is de film gewoon geweldig gemaakt, vol fantastische ideeën, zoals de ronkende gitarist die de auto’s begeleidt. De filmmaker gelooft in zijn wereld, en dat spat er van af. Dat ook begeleidt door on-ironische epische muziek, en de combinatie is een glorieus filmspektakel dat mij in elk geval er weer aan herinnerde waarom ik films zo gaaf vind. En met name post-apocalyptische films.

Want de film speelt zich af na een serie van wereldomvattende rampen. Daarbij zijn de olievoorraden verdwenen, is het water opgeraakt, en zijn vrouwen onvruchtbaar geworden. In een uitgestrekt woestijnlandschap houden groepen mensen zich nog in leven, onder andere in de Citadel. Immortan Joe deelt daar de lakens (of beter: het water) uit. Hij is degene die de kraan kan opendraaien en controleert dus het leven van de mensen onder hem. Hij beheerst bovendien hun toekomst, want hij presenteert zich als een godheid, die zijn trouwe onderdanen een plek op de eeuwige snelwegen kan garanderen. Hij vindt het dan ook niet meer dan logisch dat hij over het leven van vijf vrouwen kan heersen, die hem gezonde nakomelingen moeten schenken. Zij denken er echter anders over, en spannen samen met Imperator Furiosa - die zelf ook een appeltje te schillen heeft met Immortan Joe. Als ze proberen te ontsnappen, komt er een achtervolging op gang. Een van de volgwagens voert een gemuilkorfde man met zich mee als levend infuus voor de chauffeur. Deze man is Max, en hij is op z’n zachtst gezegd niet blij met hoe hij wordt behandeld. Als zijn bewakers hun aandacht laten verslappen, grijpt hij zijn kans …

Ik houd van zowel rampenfilms als post-apocalyptische films. Ze lijken misschien op elkaar, maar er zit een belangrijk verschil tussen. Rampenfilms spelen zich af terwijl de wereld (of het schip, of de wolkenkrabber) vergaat. De hoofdpersonen hebben maar een doel, namelijk proberen te overleven. En als kijker stel ik mezelf de vraag: zou ik in deze omstandigheden overleven? Zou ik zo snel kunnen reageren als de hoofdpersonen, beschik ik over dezelfde vaardigheden, en zou ik iemand anders kunnen laten omkomen als ik zo mijn leven zou kunnen beschermen? De crisis die wij allemaal bijna dagelijks ervaren (hoe overleven we de dagelijkse ‘rat race’ en de uitdagingen waar we thuis of in de kerk voor staan) wordt in zo’n film op scherp gezet, en dat heeft een cathartisch effect. Toen ik erover nadacht, realiseerde ik me dat Project T eigenlijk een rampenfilm is, een waarin onze wereld bezig is te vergaan (er worden beelden getoond van overstromingen, atoomontploffingen, verlaten steden). De vraag die de hoofdpersoon zich stelt is hoe het valt te repareren. Hoe kan de mensheid overleven? Het is in essentie een mechanische vraag, die een mechanisch antwoord krijgt: als we er met voldoende optimisme hard aan werken krijgen we de wereld wel weer draaiend.
Dat is echter wat anders dan een post-apocalyptische film. Daarin zijn de overlevers al gescheiden van de verliezers. Iedereen die we zien heeft de beproeving doorstaan, heeft zichzelf dus bewezen. De crisis is voorbij, of anders gezegd: de crisis is de nieuwe werkelijkheid geworden. En de vraag is dus niet: hoe overleef ik, maar: hoe word ik van een overlevende weer een mens?

Hier begint het verhaal van Mad Max, die zichzelf in de opening van de film beschrijft als ‘A man reduced to a single instinct: to survive’. De mindset van de karakters uit Project T is zijn hele wereld geworden. Hij is zijn menselijkheid kwijtgeraakt om te kunnen blijven bestaan. Zelfs zijn naam lijkt van hem te zijn weggesleten. Anderen zijn bereid hun medemensen hun menselijkheid te ontnemen. Immortan Joe behandelt vrouwen als fokkoeien en als melkmachines, en Max zelf dient als levend infuus. Hiervoor wordt technologie gebruikt. Maar ook religie wordt toegepast om mensen te reduceren tot minder dan personen (zeg maar: als een techniek). Dit geldt voor de ‘war boys’ die een chromen hemel voorgespiegeld krijgen en vervolgens bereid zijn zich op te offeren als kanonnenvoer. En voor de populatie onderaan de citadel, die af en toe water over zich krijgen uitgestort. Maar Immortan Joe waarschuwt hen dat ze niet verslaafd moeten raken aan water, anders zouden ze de afwezigheid ervan niet kunnen verdragen. Het is een eerste levensbehoefte! Geen verslaving! Zo werken instituten. Fascinerend is dat Immortan Joe hier lijkt op de optimistische technologen van Project T: hij heeft installaties om groenten en fruit te kweken, techniek om water op te pompen, auto’s … Als van techniek en innovatie de oplossing wordt verwacht, is dit waar het toe kan leiden.
Furiosa, de vijf vrouwen en Max vluchten naar ‘het groene land’ en ‘het volk van de vele moeders’ - opnieuw een andere wereld waar de oplossing moet liggen. Een ander instituut dat het eerste moet vervangen. Maar -dit las ik in een erg goede recensie van de Washington Post- de hoop ligt niet in een instituut. De droom blijkt te vervliegen. Van deze ideale samenleving is niks over dan een groepje (opnieuw) overlevers. ‘As with many of its pop cultural cousins “Mad Max” is thoroughly postmodern. Oppression, we believe, is not countered and defeated by a stronger alternative religion. There’s no better regime.’

We zijn ons naïeve jaren ’60 optimisme kwijtgeraakt, en mijns inziens terecht. Hoop komt niet van nog meer organisatie, nog meer inspanning, nog meer ‘schouders eronder en doorzetten’. Maar waarvan dan wel? ‘We find meaning in small, humanizing interactions between individuals,’, schrijft The Washington Post, ‘not within institutional structures. That might look like Max choosing to take care of others, or it might look like former sex slaves and regime hacks discovering their humanity in small acts of kindness.’ In plaats van een ander instituut op te zoeken of zelf op te richten, een alternatief dat waarschijnlijk in dezelfde valkuilen zou vallen als de Citadel, besluit de groep terug te keren. Terug te gaan naar de plek die ze probeerden te ontvluchten. Met als doel om op die plek aanwezig te zijn. Niet om van anderen te nemen, maar om te geven. Furiosa, Max en de overlevenden van het ‘volk van de vele moeders’ kiezen ervoor waarde toe te kennen aan zaden die de rampen hebben overleefd, aan jonge vrouwen die zich niet langer als vee wilden laten behandelen, aan een ‘war boy’ die zijn wereld heeft zien instorten. Ze besluiten die ook als waardevol te behandelen, ook als het hun hun eigen bloed, hun eigen leven zou kosten. Aan het eind van de film kiest Max er daarom voor zijn bloed te geven aan een ander die op sterven ligt. Niet gedwongen, maar uit eigen beweging. En deze keuze geeft hem zijn identiteit terug. Dan noemt hij zijn volledige naam. Hij is weer een mens.
Vergelijk dit maar eens met de climax van Project T. In die film heeft Frank Walkers karakter veel parallellen met Mad Max: ook hij is een gedesillusioneerde man die zichzelf heeft gebarricadeerd en zelfs intermenselijk contact heeft opgeofferd om zijn eigen overleving veilig te stellen. Ook bij hem ligt een nare ervaring uit het verleden daarbij aan de wortel. En ook hij moet in de loop van het verhaal zich weer met de echte wereld en echte mensen gaan bezighouden. Maar Frank offert aan het einde niet zichzelf op. Het is het robotmeisje Athena dat zich opoffert, en dat hij vervolgens in een installatie laat vallen om die op te blazen. Nogal een verschil, en het illustreert waarom volgens mij Project T minder hoopvol is dan Mad Max. Want Frank heeft met iemand anders’ leven betaalt om de wereld en zichzelf te laten overleven. En ook al overleeft de wereld, de vraag is of hij daardoor menselijker is geworden.

Ik moest bij het peinzen over deze twee films denken aan het essay ‘Learning in War Time’ van C.S. Lewis. Hij schreef dit in de tweede wereldoorlog. Studenten aan de universiteit waren onrustig aan het worden. Ze meenden dat de enige betekenisvolle activiteit, was naar het front te gaan en daar te strijden. Literatuur bestuderen, aan techniek werken, wetenschap bewerken, dat zagen ze als vlucht van de werkelijkheid. Hoe konden ze het veroorloven daarmee bezig te zijn, als aan de overzijde van het kanaal mensen op leven en dood vochten? ‘How can you be so frivolous and selfish as to think of anything but the War?’ - hij trekt het zelfs breder: hoe kun je met kunst en wetenschap bezig zijn, als er mensen om je heen naar de hel gaan? Maar hij wijst erop dat de bijbel zegt: ‘Of u nu eet of drinkt, doet alles ter ere van God’. En dan zegt hij dat dit betekent dat ‘Christianity does not simply replace our natural life and substitute a new one: it is rather a new organisation that exploits, to its own supernatural ends, these natural materials.’ Het is een vernieuwing van het hart, niet van de vorm. De techniek en bronnen van de citadel in dienst van opoffering in plaats van exploitatie. Het doel is niet het overleven, maar het waarde toekennen aan andere mensen, aan de wereld om ons heen, om die te zien door de ogen van God en ze lief te hebben zoals God ze liefheeft. Dus zegt Lewis: ‘We can therefore pursue knowledge as such, and beauty as such, in the sure confidence that by so doing we are either advancing to the vision of God ourselves or indirecty helping others to do so. Humility no less than the appetite, encourages us to concentrate simply on the knowledge or the beauty, not too much concerning ourselves with their ultimate relevance to the vision of God.’ Ons doel is niet te overleven, want of we overleven of niet hebben we niet zelf in de hand. Het is om mens te zijn en lief te hebben. En te vertrouwen op God. Want wij zijn het niet die onszelf verlossen door de witte of de zwarte hond te eten te geven. Het is God die de witte hond doet overwinnen en ons en onze wereld zo’n waarde toekent dat hij ze uit de dood doet opstaan.
In het einde van Project T komen mensen in beeld die met kunst bezig zijn, met onderzoek, het het beschermen van diersoorten. Mensen die andere mensen, dieren, kunst, techniek, zien als waardevol. Zij krijgen een speldje waardoor ze naar de andere wereld worden gebracht. Maar dat was helemaal niet nodig geweest! Want omdat ze de wereld zagen als waardevol, en zich daarvoor inzetten, deden ze al alles wat nodig was. Ze waren niet afhankelijk van de organisatie van ‘Plus Ultra’. Sterker nog: nu werden ze weggenomen uit hun omgeving waar ze zich zo voor inspanden, voor het versterken van een andere organisatie. Weliswaar om uiteindelijk de wereld te redden, maar wat de film niet genoeg duidelijk maakt, is dat dat al was wat ze aan het doen waren! Ze gaven al van zichzelf, hun eigen bloed, om wat waardevol is te beschermen. Meer wordt niet van ons gevraagd.

Ik ga dus door met het schrijven van allebei de soorten verhalen: utopisch en dystopisch. Utopische verhalen waarin blijkt dat een perfecte organisatie en utopie soms kan zorgen dat mensen uit het oog verliezen wat werkelijk waardevol is, en zo minder zichzelf zijn. Dystopische verhalen waarin blijkt dat zolang mensen oog houden voor wat werkelijk waardevol is, zelfs de meest onmenselijke omstandigheden hen hun menselijkheid niet kunnen afnemen. We hebben beide boodschappen heel hard nodig.

maandag 10 november 2014

Filmbespreking: Interstellar

Hoe zouden Christopher Columbus en zijn medereizigers zich hebben gevoeld, toen ze na een lange reis over zee, plotseling land aan de horizon zagen. Een nieuwe wereld. Waar nog geen Europeaan voet had gezet (uitgezonderd wat Vikingen ver naar het noorden). Andere bomen, andere vogels, andere mensen. En alles moest nog worden ontdekt. Het lijkt me met niets te vergelijken: verwondering, verwachting, opwinding, spanning. Ik heb er al een voorproefje van als ik in de bergen van het pas afga en een kleine waterval vind, maar dat valt in het niets bij het binnentreden van een totaal nieuwe omgeving. Misschien dat sommige speleologen dat gevoel nog ervaren bij het binnentreden van nieuwe grotten, of diepzeeduikers, maar het aantal witte plekken op de kaart neemt nogal af.
De enige zee die we nog niet zijn overgestoken, en waar we ondertussen weten dat er nieuwe werelden liggen in overvloed, is die van de ruimte. Ja, we hebben de maan bezocht, en er rijden robots rond op mars (in zichzelf trouwens al een reden tot verwondering), maar denk aan de manen van Jupiter. Europa met zijn oceaan onder het ijs. Of die van Saturnus, zoals Titan met zeeën van methaan. En dan de planeten rond andere sterren. Waarvan er meerdere voor leven geschikt zouden moeten zijn. Ze prikkelen in elk geval mijn verbeelding. Ja, het vacuüm van de ruimte is niet zo makkelijk te overbruggen en gewichtsloosheid en straling doen de menselijke gezondheid geen goed. Maar Columbus en zijn mannen namen vergelijkbare risico’s (denk aan scheurbuik). En we weten inderdaad niet hoe de omstandigheden zijn op andere planeten (misschien wel gevaarlijk). Maar dat wist Columbus ook niet (er leefden bijvoorbeeld jaguars in Zuid-Amerika). En toch zijn we al veertig jaar niet naar de maan geweest. Plannen om mensen naar Mars te laten reizen worden uitgesteld. En van de sterren dromen we al helemaal niet meer.
Ik vind het teleurstellend, maar ja, ik ben dan ook diep van binnen een ontdekkingsreiziger. Mijn eerste verhalen die ik op school schreef gingen al over verre reizen en bijzondere ontdekkingen (een fietstocht door het Amazonewoud, de ontdekking van het monster van Loch Ness), en de hoofdpersonen van mijn latere avonturenverhalen drongen ook in nieuwe gebieden door. Zowel Neptunus als De Derde Macht gaan over ontdekkingsreizigers. En Het Wrak ook. Net als veel van mijn korte verhalen. De fantasie is nog de enige plek waarin de ervaring van het binnentreden van een nieuwe wereld mogelijk is. Het is de reden dat ik fan ben van science fiction-verhalen.
Maar ook dit genre lijkt de exploratiezucht te zijn vergeten. Er zijn meer films over postapocalyptische samenlevingen en grimmige onderdrukking met behulp van technologie, dan over de verkenning van ons heelal. En als er dan een keer een in de bioscoop komt, maakt de verwondering al heel snel plaats voor angst en afgrijzen. Of door de monsters die mensen aantreffen (zoals in Prometheus), of door de monsters die mensen zijn (Avatar). Films over andere werelden tekenen ze af als bedreiging, en maken de mensen die ze willen ontdekken belachelijk: het risico is het niet waard, lijkt de conclusie. Zijn we zo in onszelf en in onze wereld teleurgesteld? En dat terwijl deze verhalen en films ons juist hadden kunnen inspireren. Ze hadden onze fantasie kunnen prikkelen, ons verlangen kunnen aanwakkeren en ons weer enthousiast kunnen maken voor de wereld buiten ons.
Gelukkig komt er af en toe een film in de bioscoop die dit ook inderdaad doet. Zoals de nieuwste film van Christopher Nolan: Interstellar. De trailers maakten het al duidelijk, met de tagline ‘Mankind was born on earth, it was never meant to die there’. Deze film verontschuldigt zich niet voor de ontdekkingsdrang van de hoofdpersonen, de fascinatie met andere werelden, en de oproep aan de mens om weer te gaan dromen. En alleen daarom al zal ik hem van harte aanbevelen. Want volgens mij hebben we het weer nodig om te kunnen dromen.

Onze wereld is namelijk hard op weg te veranderen in de wereld uit Interstellar. Een wereld waar plantenziektes de meeste gewassen hebben uitgeroeid (behalve mais), en stofstormen razen over de velden die zijn overgebleven. De resterende mensen wijden zich toe aan de landbouw. NASA is opgeheven. Op school wordt verteld dat de maanlandingen in scene zijn gezet. Deze generatie is een verzorgende generatie, die geen verlangens koestert, behalve mais te verbouwen en de volgende generatie te helpen overleven. Voor wie het nieuws volgt, is het allemaal angstaanjagend realistisch. Dierenpopulaties zijn in veertig jaar met de helft afgenomen. Klimaatverandering vernietigt landbouwgrond. Grondstoffen raken in een hoog tempo op. Het is moeilijk om hoop te houden.
In de wereld van Interstellar is Cooper een uitzondering. Hij is volgens anderen veertig jaar te laat geboren (of te vroeg). Een testpiloot die nu gedwongen boer moet zijn. Maar die wel nog steeds het verlangen koestert naar nieuwe ontdekkingen. Hij heeft dan ook weinig aansporing nodig als hij een vreemde zwaartekrachtsanomalie aantreft, die een locatie in de bergen lijkt aan te wijzen. Hij volgt het spoor en bereikt een uiterst geheime installatie. Het blijkt dat wat is overgebleven van NASA een laatste ruimtereis aan het voorbereiden is. Een reis naar een ander sterrenstelsel. Vlak bij Saturnus is namelijk een wormgat opgedoken, en daarachter zijn al waarnemingen gedaan van mogelijk levensvatbare planeten, cirkelend om een zwart gat. De expeditie moet vaststellen of een daarvan gekoloniseerd zou kunnen worden. Cooper wordt gevraagd mee te gaan als piloot. Dat betekent echter wel dat hij zijn dochter op Aarde moet achterlaten. En zij heeft grote bedenkingen tegen zijn vertrek. Wat Cooper aanzag voor een anomalie, is volgens haar een geest, die met haar wil communiceren. De boodschap: ‘Blijf!’ Het lijkt een waarschuwing …

Aan mijn hooggespannen verwachtingen kon deze film niet totaal recht doen. Dat ligt een beetje aan de stijl van Christopher Nolan, die een beetje klinisch is, en zelfs bij intense actiescènes een emotionele afstand houdt. Maar in andere opzichten was ik aangenaam verrast. De lange aanloop van de film, die zich op Aarde afspeelt, met in mijn ogen geloofwaardige familierelaties. Het mysterie van de geest. Verschillende ideologische discussies, die leiden tot spanningen tussen de hoofdpersonen. De interessante gevolgen van ruimtereizen voor tijdsbeleving en de weergave van andere kosmologische fenomenen. Een onverwachte gastrol van een van mijn favoriete acteurs. Van andere aspecten wist ik dat ze goed zouden zijn: de reis door de ruimte. De planeet Saturnus. Buitenaardse werelden die niet lijken op de onze. Goed acteerspel van Matthew McConaughy. Imposante muziek. Ik werd helaas een beetje uit het verhaal gehaald door een zwart gat, waarvan de zwaartekracht wel de tijd verstoorde, maar niet de hoofdpersonen uit elkaar trok (wat toch had gemoeten). Aan de andere kant heb ik ook een verhaal geschreven over een tocht door een zwart gat, dus de pot verwijt de ketel. En ik vond het einde niet helemaal recht doen aan wat ervoor kwam. Het klopte wat het plot betrof wel (hoewel het wat klinisch was), maar thematisch voor mijn gevoel niet. Ik zal hier later in de filmbespreking op terugkomen.

Het verhaal van deze film zou zijn gebaseerd op de ideeën van theoretisch natuurkundige Kip Thorne. En ik denk dat veel mensen die kritiek hebben op deze film, en op het einde ervan, zich niet realiseren met welke vragen de wetenschap zich op dit moment bezighoudt. Het gaat namelijk niet om het vallen van bollen van een scheve toren, of reacties in een reageerbuisje. De vragen die wetenschappers stellen zijn veel fundamenteler. Het gaat om de verschillende natuurkrachten en of die wellicht tot een enkele basis te herleiden zijn. Het gaat om de eerste microseconden na de oerknal en hoe de natuurwetten toen ‘uitkristalliseerden’. Het gaat om de vraag hoe het kan dat die natuurwetten het ontstaan van (intelligent) leven mogelijk maken. Ideeën om hiervoor verklaringen te geven, postuleren het bestaan van parallelle universa (zoveel dat alles wat mogelijk is, ook bestaat), waarvan wij toevallig in een bewoonbare leven. Anderen suggereren dat leven en intelligentie zelf de reden zijn voor de leven mogelijk makende eigenschappen van ons heelal. Er is een groep van wetenschappers die suggereert dat ‘leven’ een eigen ‘natuurkracht’ is, die ook moet worden meegenomen bij het zoeken naar de ‘grand unifying theory’. Anderen gaan verder, en stellen dat intelligentie, het kunnen begrijpen van het heelal, ook realiteit heeft (en geen illusie is, voortgebracht door zenuwcellen), en dus ook deel moet uitmaken van de ‘grand unifying theory’. En uitgaande van het idee uit quantummechanica dat een waarnemer bepaalt hoe een quantumfunctie uiteindelijk uiteenvalt, zeggen zij dat het universum levensvatbaar is voor ‘waarnemers’, omdat er ‘waarnemers’ zijn. Ze postuleren zelfs een verre toekomst waarin alle materie in het heelal deel uitmaakt van intelligentie. Die dus tegen de stroom van de tijd in, door het waarnemen ervan, de geschiedenis bepaalt.
Deze ideeën zijn controversieel, maar worden wel serieus genomen. Want anders zijn er maar twee mogelijkheden: dat alles wel heel toevallig is, of dat er een ontwerper is (en beide zijn niet echt wetenschappelijke uitspraken). Wie hierover een vrij toegankelijk boek wil lezen, raad ik ‘The Goldilocks Enigma’ aan van Paul Davies (zie mijn recensie). Ik herkende veel van de theorieën uit dit boek in Interstellar, van het serieus nemen van menselijke intelligentie (en nog radicaler: liefde) als werkelijke, relevante eigenschappen van ons universum tot het idee van een doorontwikkelde intelligentie die haar eigen verleden bepaalt aan toe. De film lijkt vergezocht, maar is het dus helemaal niet.
En ik vind het zelf wel fascinerend dat menselijkheid, intelligentie en liefde, nu eens serieus genomen worden in de science fiction. Ik moest denken aan C.S. Lewis, die in ‘Miracles’ ook suggereert dat het feit dat wij personen zijn, niet een toevallig voortvloeisel is van bewegingen van atomen in onze hersenen, maar daar los van staat. Ons denken wordt niet veroorzaakt door atoombewegingen, maar zet zelf atomen in beweging. Maar (anders dan Lewis betoogt) hoeft dat niet te betekenen dat ons denken ‘bovennatuurlijk’ is. Waar het wel op duidt, volgens mij, is dat dit heelal niet slechts ‘materieel’ is (het is in elk geval niet zo eenvoudig als ‘atomen’ en ‘energie’, denk aan de begrippen van ‘donkere materie’ en ‘donkere energie’, en bizarre zware deeltjes die toch geen interactie aangaan met reguliere materie). Het heelal is niet koud en dood als een aflopend uurwerk, maar een levende plek. Een plek waar achter de atomen en fotonen begrip en liefde zindert. En dat suggereert de aanwezigheid van persoonlijkheid, van een persoon. (Coopers dochter Murph zegt het van haar ‘geest’, dat ze die geen ‘geest’ noemt omdat ze er bang van is, maar omdat ze hem als persoon ervaart).

Dat vond ik een relevant punt in het script. Liefde is namelijk altijd persoonlijk. Niet abstract. Er worden twee mogelijke motivaties tegenover de liefde gezet. De eerste is die van de overleving van de soort. Als er niet individuele kolonisten naar een andere planeet gebracht kunnen worden, moet in elk geval de menselijke soort blijven bestaan. Al is het door het opkweken van eerder ingevroren bevruchte eicellen met behulp van draagmoeders. In plaats van liefde voor concrete individuen, wordt gesuggereerd dat de mens moet opgroeien tot ‘liefde voor de soort’.
Degenen die dit voorstellen klinken als het karakter Weston in het boek ‘Out of the Silent Planet’ van C.S. Lewis. Hij vindt ook dat hij, zelfs als hij de slechtste dingen doet aan individuen, toch gedreven wordt door liefde, omdat hij wil dat de mens zich over het heelal verspreidt. Lees het maar in zijn eigen woorden: “Life is greater than any system of morality; her claims are absolute. It is not by tribal taboos and copy-book maxims that she has pursued her relentless march from the amoeba to man and from man to civilization.She has ruthlessly broken down all obstacles and liquidated all failures and today in her highest form civilized man - and in me as his representative, she presses forward to that interplanetary leap which will, perhaps, place her for ever beyond the reach of death. It is in her right, the right, or, if you will, the might of Life herself, that I am prepared without flinching to plant the flag of man on the soil of Malacandra: to march on, step by step, superseding, where necessary, the lower forms of life that we find, claiming planet after planet, system after system, till our posterity - whatever strange form and yet unguessed mentality they have assumed - dwell in the universe wherever the universe is habitable.” C.S. Lewis maakt die houding subtiel belachelijk door de vertaling die Ransom geeft.
De vergissing is natuurlijk dat we als mensen personen zijn en onze liefde dus ook persoonlijk is. En wat we liefhebben is ook concreet, persoonlijk, buiten ons. Ja, we kunnen vechten voor idealen, maar als dat ten koste gaat van individuen, is dat geen liefde. Als we individuen opofferen voor iets abstracts, zijn we liefdeloos. Dan staan we aan de kant van de duivel en niet van God. Ook in deze film offeren de voorstanders van het ‘redden van de soort’ individuen op voor hun ideaal, door ze niet de waarheid te vertellen, en te scheiden van hun geliefden. Een teken dat deze benadering niet een liefdevolle motivatie is.
Een heel andere motivatie is die van de individuele overleving. Een karakter betoogt zelf dat onze hechting aan individuen, zoals kinderen, onze overlevingsdrift bevordert. Als we in onze laatste momenten onze geliefden voor ons zien, geeft dat ons de kracht om nog iets harder te vechten. Zo staat zelfs onze hechting aan anderen ten dienst van onszelf. Dit karakter betoogt dat alles wat mensen doen, zelfs ‘liefde’, uiteindelijk zelfzuchtig is. En ook dit karakter is bereid anderen op te offeren voor zijn eigen overleving. Uiteindelijk lijkt het zelfs bereid de hele mensheid op te offeren, om zelf maar in leven te blijven. 
Cooper laat echter zien dat zijn liefde voor zijn kinderen niet ingegeven is door overlevingsdrang. Want om hen de kans te geven te overleven, is hij bereid zichzelf op te offeren. Hij stelt het slagen van zijn missie boven zijn eigen voortbestaan, zelfs boven het terugzien van zijn kinderen. Hij wil in de diepste diepte verdwijnen, als zij maar gered worden. Zoals Jezus het zegt: ‘Groter liefde heeft geen, dan wie zijn leven opgeeft voor zijn vrienden.’ Liefde wordt uiteindelijk gekenmerkt door wat je bereid bent van je zelf op te geven voor je concrete, persoonlijke geliefde. Tot aan je leven toe.
En ik geloof dat deze onzelfzuchtige liefde voor concrete individuen de grondslag is van het universum.

Maar in het slot van de film, hoe slim het ook is geschreven, wordt dit punt, waarschijnlijk onbedoeld, volledig onderuit gehaald (ik geef hier een paar plotpunten weg, dus pas op!). De film wil een te afgerond verhaal vertellen, en sluit zijn eigen wereld dus hermetisch af. In plaats van een open universum, met een persoonlijke liefde achter het universum, waarin alles mogelijk is, blijkt het heelal toch klein te zijn. Ondanks alle dimensies, is het beperkt. De mens en zijn intelligentie en zijn liefde, blijkt toch alles wat er is. En intelligentie en liefde worden daardoor toch weer gereduceerd tot causaliteit. Gebeurtenissen blijken elkaar abstract te moeten opvolgen. En de macht achter het universum blijkt te worden gedreven door overlevingsdrift. Want als Cooper niet geslaagd was, zou die macht ook niet hebben bestaan. De slang heeft zich in zijn eigen staart gebeten en dus zichzelf opgegeten. De film die zo hoopvol en inspirerend wilde zijn (en wat mij betreft gedurende twee uur ook was), blijkt uiteindelijk toch net zo kil en deprimerend als alle andere sciencefiction films. Jammer. Als dit verhaal al zo mooi verteld kon worden, hoe gaaf zou dan een werkelijk hoopvol verhaal niet kunnen zijn?

vrijdag 19 april 2013

Filmbespreking: Oblivion

Als er een originele Science Fiction-film in de bioscoop verschijnt, is dat altijd iets om toe te juichen. Zo vaak gebeurt dat niet in deze tijd van vervolgen en nieuwe versies van oude verhalen. Niet dat ik die niet kijk, natuurlijk. De nieuwe Total Recall was bijvoorbeeld best vermakelijk, en ik ben nu al enthousiast over de volgende Star Trek-film. Maar als er een genre is dat juist vernieuwend zou moeten zijn, is dat de Science Fiction. Een goede SF-film zou je beelden moeten laten zien die je nooit eerder gezien hebt, en je laten nadenken over thema’s waar je niet eerder over hebt nagedacht. Een goede SF-film moet je geest openen voor nieuwe inzichten. Daarom is de voortdurende herhaling van onderwerpen soms wat teleurstellend. Er lijkt nu echter (na het succes van Avatar) een lichting originele SF-films aan te komen. Elysium (met Matt Damon), Gravity (van regisseur Alfonso Cuaron), zelfs Batman-regisseur Christopher Nolan werkt aan een ruimtefilm. Maar de eerste die uitkwam is Oblivion. Deze is nu eens een keer niet gebaseerd op een eerdere film, of een stripverhaal, of een boek, maar is verzonnen door de regisseur zelf.
Helaas is de regisseur van oorsprong architect, en geen science fiction-auteur. Het verhaal blijkt daarom niet bijzonder origineel te zijn. Er zijn invloeden merkbaar van onder andere Wall-E, The Matrix, The Omega Man, 2001, Independence Day en de recentere film Moon, om er maar een paar te noemen. Nu vind ik dat in zichzelf nog geen reden om de film minpunten toe te kennen - ik laat me voor mijn eigen verhalen ook graag inspireren door de werken van anderen. Het is de vraag of iemand ooit helemaal origineel is. Als scheppers staan we allemaal op de schouders van de scheppers voor ons. Er is er maar een die werkelijk uit het niets (ex nihilo) kon scheppen ... Maar dan nog verwacht je een eigen gebruik van het materiaal. Dat miste ik hier een beetje. De wendingen in het plot waren goed gevonden, maar lieten me niet van verbazing naar adem happen. De conclusie van de film was niet anders dan die van heel veel eerdere verhalen. Verder vond ik dat niet al het potentieel van het uitgangspunt werd uitgebuit. Zo krijgt de hoofdpersoon iets heel schokkends te horen, wat zijn beeld op de wereld en op hemzelf doet wankelen. Ik zou dit zelf in de conclusie hebben laten terugkomen, bijvoorbeeld in een belegering die volgt tegen het eind, of in de climax. Het zou een diep schokkend, emotioneel rijk plot hebben opgeleverd.
Verder waren de karakters niet echt diep. Als kijker moet je er maar van uitgaan dat je met ze mee moet leven, maar je krijgt er weinig reden voor. Motivaties worden niet duidelijk. En de meeste dialogen zijn er om het plot uit te leggen. (En een astronaut hoeft niet uitgelegd te krijgen dat Titan een maan van Saturnus is). Als zelfs Morgan Freeman zijn karakter geen leven kan meegeven, zegt dat toch wel wat. Dit maakte dat mijn verloofde de film wel onderhoudend vond, maar geen interesse had hem nog een keer te zien. Ik denk dat ook in SF het beste plot mede wordt gedreven door de motivaties van de karakters, en niet alleen iets is dat hen overkomt, van buitenaf.
Maar wat de beelden betreft, is deze film wel degelijk bijzonder geslaagd. Net als in zijn eerdere film Tron Legacy weet de regisseur een consistente wereld te scheppen, vol kloppende details, maar toch heel anders dan de onze (hier komt het juist goed uit dat hij architect is!). Strakke interieurs en ruimteschepen worden gecombineerd met beelden van lege, ruige natuur uit IJsland. Meerdere keren hield ik mijn adem in door de pracht van de beelden op het scherm. Ik heb zelf een behoorlijk visuele verbeelding en het zou me niet verbazen als scenes in volgende verhalen van me aan deze film zouden doen denken. Alleen al voor de beelden zou ik deze film meerdere malen willen zien. De muziek is trouwens ook prima. De hele film zou als videoclip kunnen fungeren. Omdat ik visuele schoonheid ook een belangrijk criterium vind voor een film, slaat mijn oordeel uiteindelijk dus positief uit (maar niet heel ver).

Oblivion speelt zich af aan het einde van de 21e eeuw. Zestig jaar geleden arriveerden er vanuit het duister van het heelal buitenaardse wezens, die de maan vernietigden en vervolgens een vernietigingsoorlog startten. De mensheid wist de invallers ternauwernood te verslaan, maar de Aarde bleek onbewoonbaar. De overlevenden werden ge-evacueerd naar Titan, de grootste maan van Saturnus, waar misschien wel geen leven, maar wel complexe organische moleculen aanwezig zijn. Op onze planeet zijn alleen nog een paar technici achtergebleven. Ze zorgen voor de vliegende robots die de enorme energiecentrales beschermen tegen de laatste buitenaardse wezens. Jack Harper is een van deze technici. Over twee weken zullen hij en zijn partner Victoria ook naar Titan mogen vertrekken. Eindelijk. Maar zo makkelijk gaat het natuurlijk niet. Een signaal, afkomstig van de buitenaardse wezens, voert Jack naar een neergestort ruimteschip. Daar vindt hij een capsule met een slapende astronaut. Hij herkent haar. Maar dat is onmogelijk. Het ruimteschip dateert namelijk nog van voor de oorlog. Als Julia wakker is geworden, zet ze Jacks leven op zijn kop: ze vertelt hem dat ze zijn vrouw is. Vastbesloten de waarheid te achterhalen, gaat Jack op zoek naar de zwarte doos van het ruimteschip. De buitenaardse wezens zijn hem echter voor en hebben een valstrik voor hem opgezet. Ze willen hem gebruiken om eens en voor altijd de overwinning te behalen.

Als ik het thema van deze film in een woord moet samenvatten, is dat ‘medeplichtigheid’. Dit is een film over het moment dat je beseft dat je dingen hebt gedaan waar je niet achter staat, omdat een systeem of organisatie dat van je vroeg. Het instituut heeft jou gebruikt voor zijn eigen doeleinden, maar in het proces ben jij je ziel verloren. Je was voor het systeem nooit een persoon. Je bent geworden tot een instrument, een wapen. Dat is de identiteit die de organisatie je heeft gegeven. En hoe kun je daar ooit aan ontsnappen?
Ik moest (vanzelfsprekend) denken aan de Duitse bevolking die er na de tweede wereldoorlog achter kwam dat ze een rol had gespeeld bij een geïndustrialiseerde, technische volkerenmoord. Al bestond zijn medeplichtigheid alleen maar uit hun zwijgen, of hun onwetendheid. Onwetendheid is geen excuus, maar maakt je juist kwetsbaar om gebruikt te worden. We hebben het niet geweten. Mensen waren deel van het Nazi-systeem en zijn gebruikt om dat machtiger te maken en zijn vijanden te bestrijden. Nazi-duitsland is natuurlijk een makkelijk voorbeeld van een demonisch systeem (misschien te makkelijk - we denken al snel dat hetzelfde ons niet zou kunnen overkomen). Maar er is een toepassing mogelijk op alle systemen, alle instituten. Ook de goedaardige dragen deze schaduwzijde met zich mee. Bedrijven (werknemers worden gebruikt om de doelstellingen van het bedrijf te behalen (winst), ook al moeten ze daar zelf door lijden (stress)), regeringen, scholen, verenigingen, en ja: kerken. Mijn wat cynische houding ten opzichte van religieuze instituten zal voor trouwe lezers van mijn blog niet als een verrassing komen. Mocht jij toevallig een geweldige kerk bezoeken, die geen van onderstaande kenmerken vertoont, prijs je dan gelukkig en zie dit als een waarschuwing (want elk systeem kan zich deze demonische kant op ontwikkelen).
Ik noemde systemen meerdere malen ‘demonisch’ - en niet alleen vanwege het shock-effect. Organisaties en instituten zijn entiteiten op een hoger organisatieniveau van het individu. Ze hebben echter (net als het individu) eigen doelen, eigen prioriteiten, eigen verlangens, eigen motivaties. Deze zijn niet afhankelijk van het individu. Niet voor niets spreken we bijvoorbeeld van een ‘bedrijfscultuur’. Bedrijven en organisaties kunnen daarom ook in rechtszaken als ‘rechtspersoon’ worden gezien, bijvoorbeeld in zaken tegen ‘de staat Nederland’, of in bedrijfsrecht. Bedrijven nemen beslissingen, landen trekken ten oorlog, beschavingen groeien en krimpen. Volgens verschillende theologen wordt in de bijbel over dit soort hogere entiteiten gesproken als ‘de overheden en de machten’, ‘de wereldheersers’. Ze hebben een persoonlijkheid, en worden ook zo behandeld. Als de bijbel zegt dat we niet te strijden hebben tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en de machten, gaat het niet om een strijd tegen duivels met horens en hoeven, maar tegen onderdrukkende systemen en instituten die mensen hun individualiteit afnemen en hen uitbuiten voor hun eigen doeleinden (de groei van een kerk, territoriumuitbreiding). De belangrijkste vraag van het systeem in deze film is: ‘Zijn jullie een effectief team?’ En zodra het antwoord daarop ‘Nee’ is, breekt de hel los. Mensen zijn alleen maar belangrijk voor hun effectiviteit, hun producitiviteit. Niet voor wie ze zijn als individu.
In het bijbelboek Daniel wordt gesproken over de Engel van het Perzische rijk, in Openbaringen hebben verschillende kerken hun eigen engel. Dit zijn dan personificaties van de persoonsoverschrijdende entiteiten. Dat dit niet zo vreemd is, weet iedereen die wel eens groepsprocessen heeft gadegeslagen, of die gelezen heeft over sociale experimenten - om bij een groep te horen zijn mensen bereid om ver over hun eigen (morele) grenzen te gaan. De systemen hebben dus een religieus aspect, vooral als ze de individuen in het systeem een bepaalde identiteit verlenen (zoals iemand die lid is van een supportersvereniging daar zijn identiteit aan ontleent, en de supportersvereniging vervolgens daar een beorep op doet, bijvoorbeeld om tegen andere supporters te vechten). In deze film krijgt de hoofdpersoon zelfs letterlijk te horen: ‘I have created you. I am your God.’ Duidelijker kun je het niet krijgen. Systemen worden tot afgoden als we onze identiteit eraan ontlenen. Als we dat doen, winnen we misschien de veiligheid van het systeem, we winnen de wereld, maar we raken onze ziel kwijt.

Maar waarom kunnen dit soort instituten zoveel macht over mensen uitoefenen? Als ze zo slecht zijn, werpen we ze toch omver? Maar dat gebeurde niet met Nazi-Duitsland, dat gebeurt niet met bedrijven en het gebeurt niet met kerken. Vaak groeien ze zelfs. Want het systeem neemt niet alleen iets weg, het geeft er natuurlijk ook iets voor terug. In deze film zien we dat terug bij Victoria, de partner van hoofdpersoon Jack. En ook hier zie ik sterke parallellen met religieuze systemen. Zo wordt Victoria een beloning in de toekomst voorgehouden. Als ze goed presteert, zal de missieleiding met haar een drankje drinken op Titan. Ze moet nu volhouden, om zo meteen te kunnen genieten. De belofte van toekomstige beloning is gekoppeld aan straf voor het niet effectief zijn. Beloning en straf zijn externe motivatoren, die mensen niet werkelijk veranderen, maar ze in feite hun vrijheid en identiteit afnemen. Dit is te zien bij Victoria die elke dag strak volhoudt dat ze in een paradijs leeft (‘another day in paradise’), in een poging zichzelf te overtuigen, zelfs als de realiteit anders is - ze wil immers niet de toekomstige beloning mislopen. Die beloning is er alleen voor hen, omdat ze zo goed functioneren. Dat maakt hen bijzonder. Het systeem heeft de wereld onderverdeeld in de ‘goeien’ en de ‘vijanden’. Over deze vijanden weet Victoria niets, behalve dat het systeem heeft gezegd dat ze een bedreiging zijn voor haar beloning. En dus hoeft ze ze ook niet te leren kennen, maar kan ze tevreden zijn met ze te bestrijden.
Hieraan gekoppeld is een angst voor ‘verontreiniging’. Niets van het aardoppervlak mag haar wereldje binnenkomen. Zelfs als Jack een bloem voor haar meeneemt, kan Victoria niets anders doen dan die weggooien. Het leidt af van hun effectiviteit. Ik meen dat ik niet overdreven cynisch ben, als ik hierbij moet denken aan de ‘verontreinigingsleer’ die we kenden in de kerk waarin in opgroeide, waar we bang waren om onrein te worden als we bijvoorbeeld in een andere kerk aan het avondmaal zaten. We ontleenden daaraan onze identiteit. Zo geldt het ook voor Victoria. Let op: ze draagt het symbool van het systeem op haar kleren, als was het een religieus symbool zoals een kruis. Ze identificeert zich met het systeem. Maar haar identiteit staat in dienst van het systeem - ze heeft de identiteit van een effectieve werker, en dus is ze voortdurend aan het werk voor het instituut. Ze heeft allerlei taken. Er is geen moment om te rusten, te ontspannen. Dat is prettig, want zo hoeft ze geen confronterende vragen onder ogen te zien.
Die vragen wil ze niet onder ogen zien. “The questions I ask, she doesn't,” verzucht Jack. “The things I wonder about, she won't.”

Wat maakt Jack verschillend? De film speelt met het idee van herinneringen die genetisch worden doorgegeven. Zo werken onze genen natuurlijk niet. Maar op een andere manier worden wel ‘herinneringen’ doorgegeven, namelijk via de kunst, via literatuur. En ook dat gebeurt in deze film. De herinneringen wekken verlangen op bij Jack. Een verlangen naar schoonheid, naar waarheid en naar intimiteit. Naar een menselijk leven. Een bestaan dat meer is dan het dienen van het systeem. Een bestaan dat om meer draait dan een toekomstige beloning. Een bestaan dat echt is. Verlangen is een interne motivatie, en eigenlijk de enige motivatie die ons vrijheid kan brengen. Als Jack dit verlangen gaat volgen, komt hij allereerst in conflict met zichzelf (in deze film zelfs letterlijk). Zijn identiteit was namelijk verweven met het systeem, het systeem had macht over hem. En hij moet dus worstelen met dat deel van zichzelf dat nog wel gelooft in de beloning die het systeem hem voorhoudt, en de dreiging van straf door het systeem als hij niet meer effectief is. Dit is de worsteling tussen de geest en het vlees, waar Paulus over spreekt in Galaten 5 ‘Want deze twee staan tegenover elkaar, zodat u niet doet wat u wilt’. Maar zelfs als Jack zichzelf heeft overwonnen (als hij is gestorven aan zichzelf), wil het systeem hem niet zomaar laten gaan. Als hij werkelijk vrij wil zijn, zal hij zich aan de wereld van het systeem moeten onttrekken. Nog een bijbelse verwijzing: zoals Jezus volgens Hebreeen ‘buiten de legerplaats’ ging om gekruisigd te worden. Jacks vrijheid en identiteit en het bestaan van het systeem zijn onverenigbaar. Een van de twee zal eraan moeten geloven. Om vrij te worden, moet Jack dus bereid zijn te sterven. Zo dramatisch is het voor ons vaak niet, maar het voelt wel als een stukje sterven als je het systeem achter laat en je identiteit als deel van het systeem afzweert. Het voelt als sterven om toe te geven wat je gedaan hebt als deel van het systeem, om aan anderen te belijden dat je hen pijn hebt gedaan door de meningen van het systeem over hen te verkondigen, om vergeving te vragen. Je moet bereid zijn af te gaan in de ogen van anderen. Om op te staan tegen de mensen die anderen kwaad willen doen, om hardop te schreeuwen dat de keizer geen kleren aan heeft. Dit vraagt moed, maar het is noodzakelijk. Wie werkelijk wil leven, moet bereid zijn te sterven. (Ook dit is iets wat Jezus al zei).
Dit thema wordt in de film verwoord door een citaat uit The Lays of Ancient Rome van de dichter Macauley: ‘How can man die better: than facing fearful odds, for the ashes of his fathers, and the temples of his Gods?’ Er is een ander boek dat in deze film duidelijk in beeld komt, en dat is het boek A Tale of Two Cities van Charles Dickens. Volgens mij is dat niet toevallig! Want waar gaat dit boek over? Over een systeem dat mensen hun vrijheid en hun leven ontneemt! En over iemand die bereid is te sterven, zodat iemand die heel erg op hem lijkt kan leven (de parallellen zijn wel heel duidelijk). Ik denk dat Jack hem na zou zeggen: ‘It’s a far better thing that I do, than I have ever done, It’s a far better rest that I go to, than I have ever known’.
En wat gebeurt er na deze dood (sterven aan de wereld, zoals de bijbel het noemt)? Welnu, daarop volgt de opstanding. Een leven buiten het systeem, in een wereld die gebaseerd is op schoonheid, waarheid en intimiteit. Deze film bevat daarvan een prachtig beeld, dat bij meerdere kijkers naar ik heb begrepen de tranen in de ogen bracht. Ik moest bij de paradijselijke beelden (inclusief nieuw leven) denken aan Openbaringen, dat over het nieuwe Jeruzalem zegt dat daar geen tempel meer zal zijn! (De tempel is het beeld van religieuze systemen - Jezus heeft die hun macht ontnomen, bij zijn dood, toen het gordijn voor het (lege!) heilige der heiligen van boven naar beneden scheurde. Nu zijn ze er nog wel, maar hun lege hart is blootgelegd en ooit zullen ze helemaal verdwijnen). Ook de Zon en de Maan zullen er niet meer zijn (ook dit zijn in de bijbel net als de sterren beelden van machthebbers en systemen). Het Lam zelf is hun licht, zegt de bijbel. Een lam oefent geen macht uit. Een lam is geen systeem dat anderen kan gebruiken voor zijn eigen doeleinden.
God toont zich naar ons niet als een tempel, niet als een zon, maar als een lam. God is namelijk geen systeem, geen kerk, geen organisatie. Hij wil ons niet gebruiken voor zijn eigen doeleinden. God is relatie. God is liefde. En hij nodigt ons uit om daar deel aan te hebben. Als we daaraan onze identiteit ontlenen, door ons door hem te laten liefhebben en zelf onze naasten lief te hebben, worden we pas helemaal onszelf. Waar systemen ons onze ziel ontroven, worden we allen zo werkelijk bezield. Tot deze conclusie komt ook de film: ‘If there is a soul, it is made from the love we share.'