Posts tonen met het label lijden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lijden. Alle posts tonen

maandag 8 februari 2016

Gedicht: Storm

Storm

Ik stap uit de trein en aarzel
een moment. De wind wil niet 
gaan liggen. De plaagstootjes
zijn ruw geworden, hij rukt
aan mijn hoed, mijn jas, mijn haren,
sleept me mee en duwt me zodat
ik wankel. Koude regen prikt
mijn wangen. Protest is zinloos.
Zelfs 's nachts liet hij me niet alleen
maar loeide om de flat en hield
me wakker. Gaat het zo dagen,
weken, totdat mijn weerstand breekt?
Zover laat ik het niet komen!
Nee, ik recht mijn rug, rol met mijn
schouders en loop: de ene voet,
de ander volgt en zo steeds door.
Mijn doel voor ogen, net zo lang
tot ik mijn huis bereik, de deur
zich opent, ik jou weer voor me zie.

vrijdag 16 oktober 2015

Gedicht: Herfstblad

Herfstblad

Niet langer eentonig groen
de bomen. Verval kleurt elk
blad anders, zet hem apart
van het geheel. De nerven
geel of rood. Gatenpatroon
uniek. Ik zie voor het eerst
hun eigenheid. Nu niet meer
verenigd in hun succes.
Bijzonder kwetsbaar. Even
vlammen ze op, in verzet
tegen de dood. Als toortsen
brandend tegen grauwe lucht,
hun wezen onderstreept door
vergankelijkheid. En straks
gelijk in bruine aarde,
identieke takken, zwart,
maanden onveranderlijk.
Totdat het weer lente wordt.

vrijdag 12 april 2013

Filmbespreking: Extremely Loud & Incredibly Close

Het was op mijn blog de laatste tijd erg rustig wat filmbesprekingen betreft. Ik ging zo op in het schrijven van de laatste hoofdstukken van De Krakenvorst, boek 1: Keruga, dat ik daar in het weekeinde niet mee wilde stoppen. Nu heb ik de tekst echter af, en heb ik weer tijd en aandacht voor andere schrijftaken. Zoals het herschrijven van De Derde Macht. Maar ook: filmbesprekingen. Ik vind het namelijk erg leuk om mijn gedachten over films met jullie te blijven delen. Ik blijf de mening toegedaan dat verhalen een van de belangrijkste manieren zijn, zo niet de belangrijkste, waarop wij veranderen. Niet zozeer omdat ze ons denken veranderen, niet op een rationele manier, maar omdat ze beelden in ons hart vormen, beelden waaruit onze verlangens ontstaan en waar ze aan refereren, en wij maken weer keuzes op basis van die verlangens. Wie denkt zomaar elk boek te kunnen lezen en elke film te kunnen kijken, zonder dat het hem iets doet, houdt zichzelf voor de gek. Verhalen doen wel degelijk iets met je. Daarom is het belangrijk er over na te denken wat. Voor mij helpt schrijven daarbij. De komende maanden hoop ik dus weer met enige regelmaat films te bespreken op mijn blog.

De eerste is Extremely Loud & Incredibly Close, een film uit 2011. Hoofdpersoon is het elfjarige jongetje Oskar Schell, die een jaar eerder zijn vader verloor op 11 september. Zijn vader was toen net aanwezig in een van de torens van het World Trade Center. Dat zoiets enorm traumatiserend is, spreekt vanzelf. Daar komt nog bij dat Oskar een geweldige band met zijn vader had: ze begrepen elkaar, zijn vader stimuleerde hem, en bemoedigde hem. En dat was weer belangrijk omdat er niet veel mensen zijn die Oskar begrijpen. Hij is niet per se een standaard elfjarige. En dan is er ook nog een geheim dat hij sinds die bewuste dag met zich meedraagt, een geheim dat hem dreigt te verteren.
Een van de dingen die zijn vader voor Oskar deed, was speurtochten uitzetten. Als Oskar op een dag in een blauwe vaas een sleutel vindt, realiseert hij zich dat zijn vader nog een laatste opdracht voor hem had. De enige andere aanwijzing is de naam ‘Black’. Dus Oskar vat het plan op om methodisch elke ‘Black’ in New York af te gaan, op zoek naar het slot waar de sleutel op past. Dat dwingt hem ertoe zijn eigen angsten te overwinnen. En het plan brengt hem in contact met bijzondere mensen. Niet in het minst de zwijgzame huurder van zijn oma, in het gebouw tegenover dat van zijn ouders, die een eigen geheim koestert.

Mijn vriendin en ik vonden dit een mooie film en hebben er een tijdje over zitten napraten. Dit was vanwege de goede acteerprestaties, van onder andere Tom Hanks en Sandra Bullock in kleine rollen en veteraan Max von Sydow (kwetsbaar en ontroerend). Verder is het verhaal mooi gemaakt, met een paar verrassende vondsten (zo kom je als kijker informatie waarvan je aanvankelijk denkt dat die erg belangrijk is, nooit te weten) en mooie beelden. De gebeurtenissen zijn misschien te toevallig om echt gebeurd te kunnen zijn, maar dit is geen probleem als je het verhaal ziet als een fabel over het verwerken van 11 september. Maar vooral vonden we de film mooi omdat we ons allebei (om verschillende redenen) herkenden in Oskar Schell. Voor mij was het alsof ik mijzelf als tien/twaalfjarige terugzag op het scherm. Eindelijk iemand in wie ik mij kon herkennen!

Ik heb een aantal recensies van deze film gelezen op de internationale filmdatabase IMDb en een van de meest voorkomende kritieken op deze film is dat mensen het moeilijk vonden met Oskar mee te leven. Ze vonden hem een vreemd jongetje, vonden hem vervelend en onaardig, zouden hem in het echt niet willen kennen, enzovoorts ... Alleen al om deze reden gaven ze lage scores aan de film. Wat ik niet kan begrijpen - ten eerste omdat het duidt op een gebrek aan empathisch vermogen als je alleen kunt meeleven met volkomen aangepaste, populaire kinderen, en ten tweede omdat ik Oskar juist wel heel goed kon begrijpen. Maar goed, ik was als kind ook niet echt heel aangepast of populair. En ja, ik ben daarom ook gepest. Misschien wel door dezelfde types die nu deze film afkraken omdat Oskar niet normaal is.
De komende paragrafen worden behoorlijk persoonlijk. Wie niet wil lezen over mijn jeugdervaringen en een stuk zelfanalyse moet verder naar beneden scrollen, waar ik het zal hebben over een mooie religieuze parallel die ik in deze film meende te ontwaren.
Over naar het persoonlijke deel van deze filmbespreking dan maar. Volgens heel wat filmbesprekingen zou Oskar (hoog functionerend) autistisch zijn. Dat zou zijn vreemde gedrag verklaren. Maar ik denk dat dit te makkelijk is. In de film zelf zegt Oskar dat hij is getest op het syndroom van Asperger, maar dat de testuitslagen geen uitsluitsel gaven. De film zegt dus niet definitief dat hij deze ‘stoornis’ heeft. Ik denk zelf ook dat hij op sommige momenten juist heel gevoelig uit de hoek komt, op een manier die niet autistisch is te noemen. Ik las op internet bijvoorbeeld het volgende: “I know a boy in real life, about the age as the Oskar character, who has Asperger's. I have interacted with him several times, and he acts in no way like this character did in the film. He smiles politely when I meet him, says hello very stiffly and uncomfortably, and then goes to investigate the plumbing or the train schedule or this favorite subject, birds. He doesn't engage me in dramatic dialogue, berate me on moral topics, or conduct searing, soul-searching monologues at rapid-fire speed until he is out of breath and spent. He barely remembers my name each time we interact, and he has trouble showing his feelings or expressing any sense of emotion. This may be one aspect of the syndrome, but having been in contact with someone who is not a character in a movie reciting a script I can say I had a hard time accepting Oskar as having Asperger's.
Meerdere mensen hebben aan mij gevraagd of ik niet ook autistisch ben. Zelfs mijn moeder - vorige week nog. Bovendien kan ik het vaak heel goed vinden met mensen op het (hoog functionerende) autistische spectrum (en wederzijds: in mij hebben ze iemand die heel geïnteresseerd is in hun eigen interessegebied!). En ik herken vaak ook dingen van mezelf in hen. Maar ik ben behoorlijk goed in het lezen van non-verbale communicatie, en pik best goed gevoelens op van anderen. Ik heb geen gebrek aan ‘spiegelneuronen’. Toch deed ik laatst een zelf-test op autistische kenmerken. Ook bij mij was die test niet definitief, maar met mijn puntenscore zat ik in de categorie waarvan bij 86 procent uiteindelijk Asperger zou worden aangetoond (mijn score zou hoger zijn geweest zonder de vragen naar het interpreteren van lichaamstaal en het oppikken van emoties, oh, en over het lezen van fictie. Aspergers zouden daar niet van houden). In een draad op een forum waar ik de link naar de test had gevonden, las ik de interessante opmerking dat mensen die hoog scoren op de Aspergertest, vaak ook hoog scoren op de test voor HSP (Highly Sensitive Person), of hoogsensitiviteit. Ook zouden heel wat mensen met de diagnose ‘hoog functionerend autistisch’ verkeerd zijn gediagnosticeerd: ze zouden hooggevoelig zijn, en niet autistisch! Ik deed vervolgens ook de zelftest voor HSP, en wie schetst mijn verbazing: ik scoorde enorm hoog. Dat was eigenlijk geen verrassing. Ik heb jaren geleden eens het boek van Elaine M. Aron gelezen over hoogsensitiviteit, en sindsdien weet ik het al: ik ben hooggevoelig. Maar deze week besefte ik (ook na het kijken van deze film) nog eens goed wat een invloed dat in mijn leven had en nog steeds heeft. En dat ik er ook daadwerkelijk rekening mee mag houden in mijn leven en het niet hoef te overschreeuwen.
Mijn voorzichtige suggestie is dat Oskar in de film ook hoogsensitief is. Dit verklaart niet al zijn eigenschappen, maar wel veel. Veel andere dingen komen voort uit zijn diepe trauma en schuldgevoel. We zien ook een aantal echt hoogsensitieve gedragingen: zo legt Oskar soms een voorwerp tegen zijn wang om het te voelen. Hij geniet van het aanraken van dingen. (Ik streek als kind al graag met mijn vinger over mos, vooral bloeiend mos. Een van mijn eerste woordjes was: ‘mosje’). Oskar ervaart prikkels als luide geluiden, en drukke omgevingen al snel als heel overweldigend (mooi in beeld gebracht). Ik voel me in een drukke supermarkt niet op mijn gemakt, en ervaar het geluid van een opgevoerde brommer, of een sirene, als fysiek pijnlijk. De wereld overweldigt me vaak. Oskar heeft zijn eigen manier gevonden om daarmee om te gaan (een tamboerijn). Ik had ook zo mijn manieren. Oskar is aan de ene kant bang voor mensen (dat herken ik ook), en is aan de andere kant soms veel te goed van vertrouwen (same here, als kind). Hij lijkt in een eigen wereld te leven, gebruikt heel moeilijke woorden en beschikt over detaillistische kennis over allerlei onderwerpen (eh, ik hoef niet uit te leggen waarom ik mezelf daar in herken, toch?). Zijn hooggevoeligheid maakt hem kwetsbaar, maar hij is tegelijk heel moedig - mede doordat zijn vader hem stimuleert durft hij het leven toch aan te gaan. Dat ontroerde mij wel (mijn ogen werden zelfs even vochtig). Ik wou dat ik ouders had gehad die me zo goed kenden en op zo’n goede manier stimuleerden. Wie niet hoogsensitief is, begrijpt misschien niet goed waarom Oskar zo moedig is (“Dat kan iedereen toch? Daar heeft hij toch geen tamboerijn voor nodig?”), maar ik weet beter. Oskar is een held!

Genoeg over hoogsensitiviteit - ik hoop er nog vaker over te schrijven, als ik verder nadenk wat het betekent voor mijn leven. Het feit dat ik mezelf herkende in de hoofdpersoon was echter niet het enige dat de film in mijn ogen een succes maakte, ik vond het verhaal zelf ook ontroerend en zag er een mooie parallel in met de menselijke zoektocht naar God. Het is natuurlijk duidelijk dat het verhaal op een bepaald niveau een fabel is over de verwerking van 11 september - de film zegt niet alleen iets over het individuele effect van een gestorven vader, maar gaat ook breder over het effect van zulke rampen voor de mensheid. Oskar houdt op een bepaald punt in de film het volgende ‘nerdy’ betoog: Wat als de zon opeens zou verdwijnen? Het licht van de zon doet er acht minuten over om de Aarde te bereiken. Dus als de zon opeens zou verdwijnen, zouden we dat pas acht minuten later merken. Hij vergelijkt zijn vader met de zon, en zegt dat hij zoekt naar manieren om de ‘acht minuten’ langer te laten duren, om langer het gevoel te hebben dat zijn vader bij hem is, terwijl dat langzaam verdwijnt.
De vraag die mensen eigenlijk altijd stellen na een ramp als die van elf september is: “Waar was God?” Deze vraag is sinds de tweede wereldoorlog wel heel actueel geworden. ‘God na Auschwitz.’ Geconfronteerd met de gruwelijkste gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis -mensen die andere mensen met miljoenen uithongeren, martelen en vergassen, bevolkingsgroepen die worden uitgeroeid, verkrachtingen en moord, terrorisme en lijden (en natuurrampen, kernexplosies, aids en kanker)- ervaren de meeste mensen niet de aanwezigheid van God, maar juist zijn afwezigheid. Dit is trouwens van alle tijden, lees het boek Job maar. De afgelopen zeventig jaar hebben deze vraag echter wel heel acuut gemaakt. Juist op die momenten waarop we God het meest nodig hebben, wanneer ons leven op zijn grondvesten wankelt, als we behoefte hebben aan steun en troost, blijft de hemel zwijgen, en lijkt er niets anders te zijn dan ‘lucht en leegte’ (zoals Prediker al aangaf - ja, de bijbel kent deze ervaring van nutteloosheid. Er is inderdaad niets nieuws onder de zon.) De collectieve vraag die we ons stellen is: ‘Waar is God als het leven pijn doet?’ En het antwoord dringt zich op: misschien is hij er wel niet. Misschien is het heelal inderdaad leeg, is er alleen materie, is er geen God die zich om ons bekommert. Misschien is het leven inderdaad niets anders dan een nimmer aflatende strijd om het bestaan, waar de sterkste overleeft, en waar voor het individu niets anders overblijft dan te eten en te drinken, want morgen sterven wij. Dit is een nogal somber beeld op het leven, vooral voor mensen, die toch van nature betekeniszoekers zijn. Dus proberen we de ‘acht minuten’ te rekken - we zien de afgrond van leegte en betekenisloosheid onder ons opdoemen, en klampen ons aan elke strohalm vast om niet te hoeven toegeven dat we in existentieel opzicht alleen zijn.

Dit is wat Oskar doet met de sleutel die hij vindt in de vaas. Hij denkt dat dit een laatste boodschap is van zijn vader, en dus doet hij er alles aan om het slot te vinden waar de sleutel op past. Hij gunt zichzelf geen rust, maar gaat verder dan redelijk is. Hij is behoorlijk fundamentalistisch geworden waar het de sleutel betreft - er is geen tijd om bijvoorbeeld naar de film te gaan, en hij is hard tegen zijn moeder, die zijn zoektocht niet lijkt te begrijpen. Is het heel vergezocht als ik hier een parallel zie met hoe heel wat christenen omgaan met wat zij zien als de boodschap van God, de bijbel? Is de zekerheid die zij zo claimen te bezitten omtrent het woord van God niet in zeker opzicht een vergelijkbare angstreactie, ingegeven door het dreigende gevoel van Godsverlatenheid? Want ook christenen zijn niet blind, ook christenen kijken het journaal, en worden geconfronteerd met gebeurtenissen die op het eerste gezicht niet in verband te brengen zijn met een goede, almachtige God. En de psychologische reactie daarop is vaak het claimen van absolute zekerheid, een zekerheid die nergens door aan het wankelen kan worden gebracht. De bijbel moet worden verdedigd in felle discussies, waarbij de eigen interpretatie wordt gezien als absolute waarheid, en individuen die anders zijn dan de spreker worden beschadigd (denk aan discussies over homoseksualiteit onder christenen, of de rol van vrouwen in de kerk). Menzen zien de bijbel en hun theologie als het laatste bolwerk tegen de duisternis, als ook dit aan het wankelen wordt gebracht, vallen ze zelf. Fundamentalisme is een vorm van angst. Net als het opgeven van de hoop aan de andere kant dat is.
De sleutel blijkt geen boodschap van Oskars vader - en (ja, het is schokkend) net zo is de bijbel volgens mij niet Gods boodschap aan ons. Niet op de manier zoals hierboven beschreven. De bijbel is niets meer dan woorden gedrukt op papier. (Niet dat de bijbel niet waardevol is! Maar in zichzelf biedt de bijbel geen hoop - zoals inkt op papier nooit hoop kan bieden). Maar omdat Oskar zo vasthoudt aan de sleutel, omdat hij zich daar zo op fixeert, zo fundamentalistisch is, ziet hij niet dat de hoop die hij nodig heeft al lang aanwezig is. In de mensen die hij spreekt, die hem binnenlaten in hun huis, die hem opnemen in hun gezin, die voor hem bidden, hem een kraan laten besturen, die hun leven met hem delen en hem met respect behandelen. En in zijn moeder, die er bijna wanhopig op wacht dat Oskar haar binnenlaat en zijn pijn met haar deelt. Want als er iemand is die Oskars pijn kan herkennen en hem kan troosten is zij het, want zij kende immers dezelfde vader.
Oskar voelt zich losgesneden van ouderliefde, maar dat is hij niet werkelijk. Maar Oskar is niet in staat de liefde van zijn moeder te voelen, vanwege het geheim dat hij met zich meedraagt. Hij heeft iets nagelaten, iets dat hij nu al een jaar met zich meedraagt en waar hij zich enorm schuldig over voelt. Ik heb mij om veel kleinere dingen schuldig gevoeld (ja, ik heb hoogsensitief), en kon dit daarom enorm goed herkennen. Ik kon ook herkennen dat hij zich zelfs afzette tegen zijn moeder - omdat hij zich zo schuldig voelde. Dit schuldgevoel is een van de motoren achter zijn vasthoudende zoeken naar het slot. Zo werkt het met religie ook - ik weet dat een groot deel van mijn eigen moeten en behoren op religieus gebied voortkwam uit schuldgevoel. Ik dacht dat ik tekortschoot en dat ik dat kon opheffen door heel hard voor God te werken. Niet dat het schuldgevoel daar ooit door verdween, het betekende alleen dat ik nog veel harder moest werken. En de boodschappen die ik in de kerk ontving hielpen nooit dat schuldgevoel te verminderen, maar deden me alleen nog maar schuldiger voelen. Bijvoorbeeld als mensen zeiden dat ook als ik al christen was elke zonde die ik deed het lijden van Jezus aan het kruis nog zwaarder maakte. En ik werd er al elke zondag aan herinnerd dat het mijn zonden waren waarvoor hij zo had geleden. Ik was schuldig aan zijn dood en elke dag voegde ik daar door mijn zonden nog aan toe. Nee, dat is geen basis om jezelf te accepteren.

Het tragische in het verhaal is dat Oskar het gevoel had dat hij naar zijn vader toe tekort is geschoten, dat hij er niet voor zijn vader was toen die hem nodig had, terwijl het juist andersom was: zijn vader probeerde er juist te zijn voor Oskar, probeerde hem gerust te stellen, probeerde hem te zeggen dat hij van hem hield. Zo denken wij (of denk ik) ook vaak dat ik iets voor God moet doen, dat ik naar God toe tekort ben geschoten, dat God teleurgesteld in mij is. Terwijl niets verder van de waarheid kan zijn. Kijk naar de gelijkenissen die Jezus vertelt, en hoe hij omgaat met hoeren, tollenaars en melaatsen. God is niet teleurgesteld in hen of in mij. God is juist voor ons! Hij wil ons met hem verzoenen! Hij is op zoek naar ons. Wij hoeven niet iets voor hem te doen of te betekenen, Hij wil juist alles voor ons betekenen en doen. Wij hoeven hem niet lief te hebben. Hij heeft ons eerst liefgehad. En wij hebben lief, omdat Hij ons heeft liefgehad. Niet andersom! Nooit andersom! Oskars moeder houdt ook van Oskar, zelfs als hij lelijk naar haar is of haar kwetst met zijn woorden. Haar liefde voor hem verandert nooit!
Oskars instelling verandert pas als hij eerlijk is naar een van de mensen die hij ontmoet en zijn twijfels en schuldgevoel benoemt. En in een van de meest ontroerende scenes die ik de laatste tijd gezien heb, vraagt hij om vergeving. Het karakter spreekt vergeving uit. Wauw! Wat hebben we het nodig om dat te horen! Om te horen dat we vergeven zijn! Om te horen dat we er mogen zijn! Om die last van schuldgevoel kwijt te raken! We zouden dat soort dingen vaker tegen elkaar mogen zeggen! Ik geloof dat het een van de rollen van de kerk is in ons leven om die vergeving uit te spreken. Niet om ons weer lasten op te leggen, maar om Gods vergeving te communiceren. Dit karakter doet het namens de vader van Oskar, de kerk doet het namens de Vader.
En zo ontmoet Oskar zijn vader - niet via de sleutel, maar via mensen. Ik denk dat dit ook is hoe wij God blijven ontmoeten ook na Auschwitz en na 11 september.  We ontmoeten God in de personen met wie wij ons leven delen. In onze naaste. (God is altijd persoonlijk. Hij openbaart zich niet in een boek, maar in een persoon, de mens Jezus Christus. God is relationeel!) Niet voor niets zegt de bijbel dat we onze naaste moeten liefhebben, en zegt Jezus in Mattheus 25 confronterende dingen over hoe we Jezus ontmoeten als we onze naaste bezoeken, te eten geven of te drinken geven. Dit is essentieel! God is relatie (drie-eenheid) en relatie is dus een beeld van God, of zelfs goddelijk. Wie liefheeft kent God, zegt Johannes. Wie niet liefheeft kent God niet. En deze relaties, de liefde die we ervaren via mensen, is er nog steeds ook na bovengenoemde rampen. En ze vormen een teken dat de Goddelijke liefde er ook nog steeds is. Want hoe zouden mensen kunnen liefhebben, werkelijk liefhebben, in een universum dat volledig leeg zou zijn? Ook hier ligt de liefde van Oskars ouders echter uiteindelijk, ten grondslag aan de liefde die hij ervaart van de mensen die hij op zijn reis ontmoet. Oskars moeder speelt er een belangrijke rol in (hoe, dat ga ik hier niet uitleggen, je moet de film zelf maar kijken!).

En dus, als Oskar de liefde ervaren heeft van de mensen die hij ontmoet heeft, kan hij terugkeren naar zijn moeder, en accepteren dat zij al die tijd al zielsveel van hem hield. Hij keert terug en laat zich omarmen (let op: in de gedeelde ervaring van het lijden - daarin is Oskars moeder een beeld van Christus). Hij is geen wees geworden. En ook wij zijn door Jezus niet als wezen achtergelaten. De Heilige Geest, de trooster, werkt in ons, wekt liefde in ons op en doet ons elkaar liefhebben. We mogen terugkeren naar de Vader. Niet met de valse zekerheid van een fundamentalistisch vastklampen aan de ‘waarheid’, wat die ook moge zijn, maar met een openstellen voor liefde. Want, dat zegt de bijbel ook, God is helemaal geen waarheid. God is Liefde.
Elke film die me daaraan herinnert, is een goede film!

zondag 27 februari 2011

Filmbespreking: 127 Hours

Ik keek er vroeger naar uit om te gaan logeren bij mijn opa en oma. Niet alleen omdat ze zo dicht bij het bos woonden, waar je eindeloos kon wandelen en spelen, maar vooral vanwege de verzameling van heel wat jaargangen Het Beste (Later: Readers' Digest). Natuurlijk las ik daaruit alle moppen en grappige anecdotes, maar waar ik vooral van genoot waren de waargebeurde verhalen. Een man wordt meegesleurd door een kolkende rivier, een echtpaar verdwaalt in de bergen, een expeditie wordt overvallen door een sneeuwstorm, een schip kapseist in een storm ... Deze verhalen van een strijd tegen de natuur, en de strijd om te overleven spraken mijn verbeelding aan, niet in het minst omdat ik mezelf de vraag stelde: als ik zelf in zo'n situatie terecht zou komen, wat zou ik doen? Zou ik kalm blijven of in paniek raken? Zou ik op weg gaan om hulp te halen, of zou ik op mijn plek blijven? Waar zou ik toe bereid zijn om mijn leven of dat van iemand anders te redden? Vragen die allemaal uiteindelijk neerkomen op de kernvraag: wat voor persoon ben ik? Of: wie wil ik zijn? Levensbedreigende situaties, plotseling gevaar en grote risico's roepen dit soort vragen bijna vanzelfsprekend op. We nemen ons leven immers gemakkelijk voor lief, beschouwen zegeningen als vrienden, familie, geluk en werk als vanzelfsprekendheden. De waarde die we eraan hechten wordt voor onszelf pas helder, als ze van ons afgenomen dreigen te worden. Natuurlijk zijn dit soort verhalen ook gewoon erg spannend, maar ik denk niet dat ze alleen daarom steeds weer in Readers' Digest worden opgenomen. We hebben het als mensen nodig om te worden wakkergeschud uit ons alledaagse comfortabele leventje, om weer even bewust te kiezen dat wat we hebben te waarderen, voordat we weer indutten. En natuurlijk, dit soort verhalen gaat over de overlevers, degenen die ervoor hebben gekozen te blijven strijden, de mensen die niet bij de pakken bleven neerzitten, maar die tot het uiterste gingen om het leven te behouden. Door de verhalen te lezen, identificeren we ons met deze overlevers, deze helden. We stellen ons voor dat wij hetzelfde zouden doen, dat wij tot hetzelfde in staat zouden zijn, en dat helpt ons iets beter over onszelf te denken. Daarvoor dienen helden- en overlevingsverhalen.

Als ik in het nieuws hoor over mensen die een ramp hebben overleefd, denk ik nog steeds: "Daar zal wel een Het Beste-verhaal over worden geschreven." Ik herinner me dat ik dat dacht in 2003, bij het nieuws van een Amerikaanse bergbeklimmer, die zijn eigen hand had afgesneden nadat hij vijf dagen had vastgezeten onder een rotsblok. En dus was ik geïntrigeerd toen ik hoorde dat er van dit waargebeurde verhaal een film werd gemaakt. En nog wel door Danny Boyle, wiens films Sunshine en Slumdog Millionaire ik erg goed vond. Aan de andere kant ben ik geen horrorliefhebber, en vooral de gruwelijke geweldsfilms zoals de Saw-serie vind ik moreel verwerpelijk. Voor dat aspect van deze film was ik daarom huiverig. Met gemengde gevoelens ging ik dus naar de bioscoop. De film bleek geweldig goed gemaakt. Boyle splitst het scherm voor contrasterende beelden, gebruikt pompende muziek, kiest voor inventieve camerastandpunten (zoals van binnen uit een waterflesje) en past flashbacks en beelden uit hallucinaties toe. De film verveelt daardoor geen moment. Maar de flitsende beelden leiden niet teveel af van de kern van het verhaal. Acteur James Franco (voor mij vooral bekend uit de Spider-Manfilms) laat je met zijn karakter meeleven en meevoelen. Dat hij de kijker zo lang weet te boeien als enige acteur op het scherm is een knappe prestatie.
127 Hours begin met beelden van forensen en mensenmassa's - de drukke menigte uit de stad. Mensen die wel in elkaars nabijheid zijn, maar elkaar niet kennen, die langs elkaar heenlopen. Dan is daar Aron Ralston, een avontuurlijke twintiger, die in zijn eentje de natuur in trekt. Hij negeert de oproepen op zijn antwoordapparaat van zijn zus en zijn moeder, en kiest voor het isolement. Hij heeft genoeg aan zichzelf, en als man van deze tijd zet hij zichzelf voortdurend op de foto. Maar in zijn isolement is hij (hoewel hij zelf natuurlijk graag anders denkt) niet anders dan die forenzen en reizigers, die ook in hun eigen wereldje leven. Aron trekt op de fiets het nationale park Canyonlands in Utah in: een prachtig park met oranjerood gesteente onder een helder blauwe hemel, spaarzame woestijnbegroeiing en verborgen meren, en verschillende kronkelende ravijnen en rotsspleten, waar je als bergbeklimmer of canyoneer helemaal op jezelf bent aangewezen. Aron helpt twee jonge vrouwen op weg, laat zich uitnodigen voor een feestje, en daalt dan af in een ravijn. Daar gaat het echter goed mis, als een rotsblok los raakt, en Arons hand tegen de wand vast pint. Er is geen beweging in te krijgen. Als de ernst van de situatie tot Aron doordringt maakt hij de inventaris op. Hij heeft twee burrito's en wat chocolade als eten, een digitale filmcamera, wat touw en een enkel flesje water. Nauwelijks genoeg om het twee dagen mee te overleven. Zijn enige instrument is een goedkoop mes van Chinese makelij, waarmee hij probeert de rots weg te schrapen, zonder succes. En tot overmaat van ramp weet niemand waar hij uithangt. Hij heeft nergens een plan of een adres achtergelaten. Niet bij zijn ouders, niet bij zijn vrienden, niet bij zijn werk. Het zal dagen duren voor hij als vermist wordt opgegeven. Aron ziet zijn overlevingskansen met het uur teruglopen. En uiteindelijk beseft hij dat er, wil hij overleven, nog maar een ding opzit. Dat is niet prettig om te kijken, maar in plaats van een gruwel, wordt het een daad van hoop op overleving.

In een recensie over deze film werd het kijken een 'louterende' ervaring genoemd. Dat is boeiend. Hetzelfde werd namelijk gezegd over de film The Passion of the Christ van Mel Gibson. Wat maakt het nou zo louterend om te kijken naar iemand die gruwelijk geweld ondergaat? Is dat de gedachte dat het iemand anders betreft, en ben je als kijker blij dat jij het niet hebt meegemaakt? Laat het je jouw eigen leven en veiligheid appreciëren? Of is het wat ik schreef in mijn inleiding: dat dit soort films je ertoe brengt de juiste prioriteiten in je leven te stellen? Te kiezen voor wat echt belangrijk is?
Dat laatste speelt in dit geval zeker, vooral omdat de hoofdpersoon zelf zijn prioriteiten leert wijzigen in de loop van de film. Het is namelijk al snel duidelijk dat Aron in goed Nederlands een 'einzelgangner' is. Iemand die meent dat hij niemand nodig heeft, die aan zichzelf genoeg heeft. Hij heeft wel relaties, maar die houdt hij bewust oppervlakkig. In een terugblik blijkt dat hij een liefdesrelatie heeft gehad, maar dat die werd verbroken. Waarom? Omdat hij niet zijn hart wilde openen voor zijn geliefde. "Wat is de combinatie (van de kluis)?" wil ze weten. Hoe kom ik bij je binnen. Maar hij lacht erom, en opent zich niet werkelijk. Hij blijft buiten, op zichzelf, alleen. En is daar wel tevreden mee. Zelfs de twee toeristen die hij helpt merken dat. 'Volgens mij pasten wij niet in zijn dag', merkt er een op. Maar zijn keuze om zich af te sluiten voor relaties heeft gevolgen. Onze methodes hebben effect. Zo zit het leven in elkaar. Wie windt zaait zal storm oogsten. Het is als met een computerprogramma, dat steevast een bepaald resultaat zal geven. Net zo hebben onze aangeleerde patronen, onze vaste afweermechanismen, onze ingesleten gewoontes, bepaalde resultaten. En daar hebben we mee leren leven. We vinden ze vaak zelfs wel prettig. Tot we opeens tegen de gevolgen van onze keuzes aanlopen, geven we vaak eerst de omstandigheden de schuld. We zijn boos op de wereld, op andere mensen, gefrustreerd met onszelf. We schelden tegen de rots. Maar aan die omstandigheden kunnen we niets veranderen. Het enige waar we invloed op hebben is onze eigen 'programmatuur'. En bepaalde 'input' in het programma zal steevast leiden tot bepaalde resultaten. Zo is het met Aron: omdat hij zo op zichzelf vertrouwde en niemand bij zijn leven wilde betrekken, omdat hij zelfs niet wilde dat iemand zou weten waar hij aan het klimmen was, was hij ook totaal op zichzelf aangewezen toen het fout ging, en kon niemand hem helpen. Dat is wat hij begint te beseffen: "You know, I've been thinking. Everything is... just comes together. It's me. I chose this. I chose all this. This rock... this rock has been waiting for me my entire life. It's entire life, ever since it was a bit of meteorite a million, billion years ago. In space. It's been waiting, to come here. Right, right here. I've been moving towards it my entire life. The minute I was born, every breath that I've taken, every action has been leading me to this crack on the out surface." Door te kiezen voor een bepaalde manier van leven, koos hij voor de consequenties daarvan. Ik klaagde een keer bij een vriend over het feit dat ik nog steeds vrijgezel was, en dat ik het zo moeilijk vond daar iets aan te doen. Hij zei: "Maar het feit is: als je doet wat je altijd hebt gedaan, zul je krijgen wat je altijd hebt gekregen." Hoe moeilijk het ook is om jezelf te overwinnen en tegen ingesleten patronen in te gaan, het is de enige manier om andere resultaten te verkrijgen.
Zo ook voor Aron. Hij wil uiteindelijk niet in zijn eentje eindigen, op de bodem van een ravijn. Hij kiest voor relaties. Een visioen van een jongetje, een beeld van zijn toekomstige zoon, doet hem beseffen: dit wil ik voor geen enkele prijs missen. Hier wil ik voor leven, wat het ook mag kosten. En het kost veel. Het kost een deel van hemzelf. Het kost bloed, zweet en tranen. Veranderen is moeilijk, kiezen voor het leven vraagt een offer. Maar het is de moeite waard. Zoals het ook voor mij de moeite waard is om nachten wakker te liggen, in bed te woelen, en om te gaan met gierende zenuwen, als ik het initiatief wil nemen om iemand beter te leren kennen.

Toch blijft het de vraag in welk opzicht het een louterende ervaring is om te kijken naar iemand die lijdt. En is dat nou de loutering die het kruis van Christus teweeg brengt? Een nieuwe appreciatie van het leven, een herijking van onze prioriteiten? Is het effect van het kruis het effect van een overlevingsverhaal of avonturenverhaal? Ik denk dat het hierbij weer aardig is om te denken aan de discussies van Lewis en Tolkien. Mythes hebben een effect op hun lezers - ze spreken hun verbeelding aan, ze vullen hen met verlangen, ze veranderen hun geweten. De Mythe van Jezus heeft dit effect volgens Tolkien ook: het is Mythisch zoals de andere mythen mythisch zijn. Met dit verschil, dat deze Mythe werkelijkheid is. Niet alleen maar 'werkelijkheid' als in: 'waargebeurd' zoals de verhalen in Het Beste, hoewel het ook werkelijk is gebeurd op een aanwijsbare plaats en een aanwijsbare tijd, maar ook Werkelijkheid als in het object waar de verhalen afbeeldingen van zijn. De echte pijp, waarvan het schilderij de afbeelding is, de echte boom, waarvan die op de foto maar een plaatje is. De verhalen zijn afbeeldingen van het Ware Verhaal. Dat wil zeggen dat de effecten van het Ware Verhaal ook werkelijke effecten zijn, substantiele effecten, objectief in plaats van subjectief.
Het lijden van Jezus aan het kruis geeft ons inderdaad de opluchting dat wij zelf niet hoeven sterven - werkelijk niet, want de dood is overwonnen en wij hebben eeuwig leven, ook al sterven zij. Het lijden van Jezus geeft ons een nieuwe appreciatie van ons leven - werkelijk leven: wij delen in het leven van de eeuwigheid, leven in al zijn volheid, de ware, borrelende vreugde die hoort bij het koninkrijk van God is ons deel geworden. En het lijden van Jezus herijkt onze prioriteiten, werkelijk: we hebben een nieuwe gerichtheid gekregen. We zijn in staat gemaakt om lief te hebben. God, onze naaste en onszelf. We hebben lief, omdat God ons eerst heeft liefgehad. We kiezen voor relaties, omdat God voor ons heeft gekozen. We zijn nieuwe mensen geworden, niet alleen in overdrachtelijke zin, maar werkelijk. We zijn daadwerkelijk gelouterd, schoongewassen, gezuiverd. Het louterende effect van een film als 127 Hours helpt ons onze werkelijke loutering te herinneren, en te gaan leven op de manier die daarbij hoort, als gelouterde mensen.

woensdag 16 februari 2011

Planet X, energieke wespen, All Star Superman, fanatieke atheisten en zingeving

Schuilt er een grote gasplaneet in de Oortwolk (waar de kometen vandaan komen)?

Fascinerend: een wespensoort uit het midden-oosten zet zonlicht om in energie. Tot nu toe werd gedacht dat alleen planten en bacteriën dit konden via het proces van fotosynthese. De wesp blijkt gebruik te maken van de kleurstof xanthopterine. Het is de eerste diersoort waarvan bekend is dat die het licht van de zon gebruikt als energiebron, en dan niet alleen maar de warmte van de zon om op te warmen.

In 1000 voor Christus maakte een beschaving in Mexico al prachtige monumenten

De nieuwe Spider-Manfilm (getiteld The Amazing Spider-Man) gaat er steeds beter uitzien. 

Bovendien komt er een tekenfilm van mijn favoriete comicbook (in elk geval die ik de afgelopen tijd ontdekt heb): All Star Superman.

De top 25 horrorfilms volgens christelijke filmcritici.

Marillyne Robinson bepreekt het boek The God Delusion van Richard Dawkins.

Over atheisme: volgens Christianity Today zijn de redenen om niet te geloven net zo niet rationeel als die om wel te geloven. Veel van de enthousiaste atheisten blijken een slechte relatie met hun vader te hebben. Of ze willen niet geloven omdat ze hun leven niet willen veranderen op de manier die zou horen bij het geloof in een godheid. Ons gedrag beïnvloedt de manier waarop we denken, concludeert filosoof Alvin Plantinga. "Like everything else about us, our belief-forming faculties were designed to work a certain way. And given the appropriate conditions, we tend to form true beliefs about the things we perceive or reason about. But some things can impede cognitive function, and sin is one of these. The more we disobey and give ourselves over to vice, the less reliable our belief formation will be, particularly regarding moral and spiritual matters."

Op Jesus Creed wordt de vraag gesteld of de behoefte van de mens aan zingeving een argument is voor het bestaan van God. Daarvoor wordt de Joodse schrijver Victor Frankl aangehaald, die onder andere in het concentratiekamp heeft gezeten. Hij schrijft onder andere dat lijden zin moet hebben, wil het leven zin hebben: "Man’s search for meaning is the primary motivation in his life and not a “secondary rationalization” of instinctual drives. This meaning is unique and specific in that it must and can be fulfilled by him alone; only then does it achieve a significance which will satisfy his own will to meaning. There are some authors which will contend that meanings and values are “nothing but defense mechanisms, reaction formations, and sublimations.” But as for myself, I would not be willing to live merely for the sake of my “defense mechanisms,” nor would I be ready to die merely for the sake of my “reaction formations.” Er volgt een interessante discussie.

De Christian Monist vraagt zich af of er een grens is aan de hoeveelheid pijn die een mensenhart kan verdragen. Aan de hand van enkele aangrijpende voorbeelden maakt hij duidelijk dat we niet te snel een verklaring voor het lijden moeten zoeken. "The pain of loss here on earth is too great to dismiss under a narrative of all things work for the best. That verse is taken out of context. We should not make attempts to explain pain because to do such, is to diminish it.the hope of the true Christian isn't that our pain vanishes here or that we learn to "deal with it," but that we know someday, somewhere, somehow what's wrong will be made right again."

zondag 30 januari 2011

De verdediging van God

Het afgelopen weekeinde heb ik me een paar keer gemengd in een discussie die ontspon na een bericht op de christelijk satirische blog GoedGelovig (die ik al een paar jaar regelmatig volg). Naar aanleiding van een bericht over veronderstelde genezingen, kwam het gesprek op een manier die ik nog steeds niet helemaal begrijp op de vraag waarom God in de bijbel vaak zulke wrede dingen doet of laat doen. Omdat er onder het bericht nu al meer dan 1000 reacties hangen, waartussen mijn bijdragen verspreid zijn, heb ik mijn betoog hieronder voor mijn trouwe volgers samengevat. Voorbeelden van Gods wreedheden die door reageerders werden genoemd waren dat God David strafte voor zijn overspel met Batseba door zijn zoontje te laten sterven, of die vanwege de volkstelling van David de pest stuurt over het land, waaraan 70.000 mensen overlijden. Maar ook de opdracht aan de Israelieten om de volken in het land uit te roeien en de andere heilige oorlogen die keer op keer gevoerd werden vallen hieronder. En ik voeg zelf maar even het verhaal van de zondvloed toe als extreem voorbeeld. Is dit een God die wij mensen 'goed' of 'rechtvaardig' kunnen noemen? Of is God een moreel monster?
Dit is voor christenen een belangrijke vraag. Helaas heb ik het idee dat we veel te snel grijpen naar makkelijke verklaringen, die geen recht doen aan de ernst van het probleem. Zo hadden we laatst op de bijbelkring een discussie over Richteren 8:16,17, waar Gideon twee steden waarvan de inwoners hem niet wilden helpen straft, bij een stad door de inwoners uit te roeien. Ik merkte op dat het een van mijn grootste problemen is bij het lezen van het Oude Testament dat God zulke wrede dingen opdraagt of toelaat (in dit geval is het de vraag of God Gideon hiertoe de opdracht had gegeven, of dat het zijn eigen idee was - hij doet in dit hoofdstuk in elk geval niet meer zijn best de wil van God te achterhalen).
Een van mijn kringgenoten kwam vervolgens met redenen voor de uitroeiing. De steden waren slecht, ze dienden afgoden, er was sprake van ontucht en kinderoffers, ze zouden Israel verleiden - de hele rits van argumenten.
Maar, zo antwoordde ik, al die argumenten en 'verzachtende omstandigheden' kende ik al. Ze veranderen echter niets aan het feit dat het uitroeien van een stad met vrouwen en kinderen en al een wrede daad is. En daar moeten we wel wat mee als mensen die in God geloven. Wijzen op de slechtheid van mensen, of de dreiging voor Gods volk, is niet genoeg. Je kunt ook prima uitleggen waarom de kruistochten nodig waren (Het Oost-Romeinse rijk werd bedreigd, de christelijke cultuur was in gevaar et cetera), maar dat maakt de oorlog niet minder gruwelijk en wat de 'christelijke'  kruisvaarders in Jeruzalem uithaalden wordt hierdoor niet minder wreed. Hetzelfde geldt voor oorlogen in het algemeen. Er zullen best wel rechtvaardige oorlogen ('just wars') zijn en ik ben blij dat we van Hitler bevrijd zijn. Maar dat maakt het doodschieten van andere mensen niet minder problematisch. Als Jezus ons opdraagt onze vijanden lief te hebben, past daarbij dat we ze doden? Of roept Jezus ons niet op tot geweldloos verzet, zelfs als het tot onze eigen dood leidt (waarbij het zelf het voorbeeld heeft gegeven)? 

Laat ik om te beginnen maar aangeven dat ik geen sluitende verklaring heb van Gods handelen in het Oude Testament (en soms in het Nieuwe Testament, denk aan het verhaal van Ananias en Safira in Handelingen 5). Ik kan niet uitleggen waarom deze gebeurtenissen passen bij een goede en rechtvaardige God.
Maar het is volgens mij niet onze taak God te verdedigen. Een van de oudste boeken in de bijbel, het boek Job, is hieraan gewijd. Job, die altijd heel godsdienstig was, verloor alles wat hij had, tot en met zijn gezondheid. Waarom liet God dat toe? De vrienden van Job gingen proberen het handelen van God te rechtvaardigen. Waar ze uiteindelijk op uitkwamen, was de schuld bij Job te leggen, die wel iets verkeerds zou hebben gedaan, of God niet genoeg zou hebben gediend. Als hij maar kritisch genoeg naar zichzelf zou kijken, zou hij wel iets ontdekken wat zijn eigen lijden zou verklaren. Maar als God zelf spreekt, blijkt hij het niet met deze 'vrienden' van Job eens te zijn. Hij probeert echter niet zichzelf te rechtvaardigen, of rekenschap te geven van zijn handelen. Hij toont alleen zijn grootheid ten aanzien van Job en vraag Job wie hij is om God te beschuldigen. Job is daarvan onder de indruk en doet boete in zak en as. En Job heeft nooit begrepen waarom God toestond dat hij zo moest lijden. Ik concludeer hieruit dat ook wij niet voor Gods advocaat hoeven spelen. Onze pogingen om God te verdedigen leiden al vaak tot conclusies die de waarde van andere mensen kleineren of de goedheid of almacht van God in twijfel trekken. Het is beter om te zwijgen, zoals ook Jobs vrienden dat maar beter hadden kunnen volhouden.

Als God verdediging nodig heeft, als hij van onze beschuldiging aan zijn adres vrijgesproken moet worden, kan hij dat zelf het beste. Hij is groot genoeg om voor zichzelf op te komen. En volgens mij heeft hij ook rekenschap van zichzelf gegeven. In Jezus. In Hem is het hart van de vader zichtbaar geworden, tastbaar geworden. Jezus was (oneerbiedig gesproken) Gods ultieme verdediging. En die verdediging bestond uit een totale identificatie met het menselijke kwaad en het lijden dat daarvan het gevolg was, tot de dood toe. In Jezus maakte God zich een met alle onrechtvaardigheid, en alle wreedheid, alle ziekte, alle dood in al haar vormen. Al die dingen waar wij ons hier over opwinden zijn door Jezus intiem en in zijn eigen lichaam gekend. Ons lijden liet hem niet onberoerd, hij heeft het zichzelf als het ware 'persoonlijk aangetrokken'. Ook dat lijden uit het Oude Testament dat wij aan Hem toeschrijven en als wreed beschouwen. Hij heeft erover uitgeroepen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten.’ Jezus is werkelijk 'God met ons'.
En zoals N.T. Wright ergens schrijft: het kwaad verzamelde zich in een grote golf die zich op Jezus wierp, en werd aan het kruis uitgewist in het vuur van Gods liefde. Het kwaad verging tot stoom, tot niets. Het lijden is overwonnen. Jezus is uit de dood weer opgestaan. Dat is de hoopvolle boodschap van de bijbel, de belofte dat de liefde en het leven de overhand behalen, dat het kwaad niet het laatste woord heeft. Dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn waar gerechtigheid woont.

Jezus heeft in zijn dood en opstanding voor eens en altijd laten zien dat God inderdaad goed is en goede bedoelingen heeft ten aanzien van mensen. Alle mensen. Hierop moeten wij ons baseren als we praten over het lijden, het kwaad, en God. We moeten niet proberen allerlei teksten uit het Oude Testament met elkaar in overeenstemming te brengen, en laten zien waarom God toch gelijk had toen hij kinderen liet ombrengen. Voor de christen is namelijk niet de bijbel het woord van God, maar Jezus is het Woord. Zo is het altijd geweest. De christenen in de eerste generaties hadden niet eens een bijbel zoals wij die kennen. Zij baseerden hun geloof op de getuigenissen van de apostelen, die Jezus zelf hadden gezien. Ik geloof dus niet dat christenen gelovigen ‘van het boek’ moeten zijn, zoals de moslims dat volgens mij zijn, waarbij het boek de ware openbaring van God is en dus heilig. Als christenen op dezelfde manier met de bijbel omgaan, noemen we dat bibliolatrie. De levende God in wie ik geloof, die zich heeft geopenbaard in Jezus, die een relatie met mij wil aangaan, heeft zich in de loop van de geschiedenis ook laten zien aan (beperkte, feilbare) mensen, die vervolgens aan de hand daarvan boeken hebben geschreven. Maar die boeken zijn niet God zelf (en zijn dus ook niet onfeilbaar). Het gaat God om een relatie. En wij leren een ander mens ook niet werkelijk kennen door boeken over hem te lezen. Zo verzamel je alleen dode informatie (en de ervaringen van andere mensen). Je leert een persoon kennen als hij zich aan je voorstelt, als je een relatie aangaat. De bedoeling van Gods communicatie in Jezus (en in de bijbel) is om mensen bij Hem te betrekken, hen op te nemen in zijn eeuwige dans van liefde, niet om hen intellectuele kennis bij te brengen. De kennis maakt opgeblazen, de liefde sticht. In elk geval heeft Jezus meer autoriteit om ons beeld van God te bepalen dan het Oude Testament.

De bijbel en ook al die geschiedenissen die een wrede God suggereren, moeten we dus interpreteren met een Jezus-bril op, met het uitgangspunt dat God liefde is. En niet andersom. En als we dan gedwongen worden te kiezen tussen twee conclusies: of God is niet goed en liefdevol, of wat hier in deze bijbeltekst staat is misschien verkeerd overgeleverd/ingevoegd/overblijfsel van andere leer, dan moeten we kiezen voor de conclusie dat God goed is. Want dat is wat Jezus voor eens en altijd heeft laten zien.

Begrijp me goed: ik lees de bijbel graag. Ik vind ook het Oude Testament vaak heel mooi. Ik ben nu bezig in het boek Jesaja, en ik lees daarin veel over hoe God echt bewogen is over het kwaad, en over het lot van zijn volk, en hoe hij ook belooft zich over mensen te ontfermen. Hoe hij herstel belooft, dat niet van mensen afhangt. Hoewel ik sommige dingen niet begrijp of niet direct met elkaarin overeenstemming kan brengen, zie ik in de hele bijbel de vingerafdrukken terug van die persoonlijke, liefdevolle God die ik ook zie in Jezus.
En laten we ook niet vergeten dat liefde niet iets zachts is, dat alles maar toelaat en door de vingers ziet. De toorn van God is hoe zijn liefde er uitziet gezien uit het perspectief van het kwaad. God is er bewogen over dat mensen elkaar kwaad doen, het laat hem niet koud dat mensen elkaar haten of uitsluiten. Hij windt zich er (even menselijk gezegd) over op. Niet woede is namelijk het tegenovergestelde van liefde, maar onverschilligheid. Als ik bij mijn ouders een vaas omgooi, en ze reageren er niet op, dan was die vaas kennelijk niet belangrijk voor ze. Of misschien nog beter als voorbeeld: als ik mijn broer sla, en mijn ouders kijken niet op of om, is mijn broer kennelijk niet belangrijk voor ze. Dus niet alles wat we in het OT lezen over de toorn van God is in strijd met zijn liefde. De beschrijvingen van Gods toorn, kunnen ons zelfs helpen om te gaan met het kwaad in de wereld en het lijden dat mensen elkaar aandoen. Voor de oude gelovigen was Gods rechtvaardigheid, zijn bewogenheid, een troost.

Deze hele discussie laat mij persoonlijk niet onberoerd. Veertien jaar geleden verloor ik bijna mijn geloof door de vraag naar het lijden in de wereld. Ik studeerde biomedische wetenschappen en zag in het anatomisch museum misvormde babytjes op sterk water. Hoe kon God dat toestaan? Ik heb nooit zo getwijfeld als toen. Wat mij terugbracht naar God was niet een rationele verklaring, of een theologisch argument om God te verdedigen. Ik zat toen op een gospelkoor, en ik zong de solo in het lied ‘Yahweh is voor ons’, waarvan het refrein de regel bevatte: “Hij kent elke smart intens.” Op een avond landde dat in mij. Als ik al zo verdrietig en boos ben over die babytjes, over ziekte en lijden en dood, dan geldt dat nog sterker voor God. Als ik me er al zo over opwindt, dan God nog veel meer. Hij kent de smart intens. Hij is er niet onbewogen over. En hij zal daar naar handelen. Dat is wat Hij heeft laten zien in Jezus en zijn dood aan het kruis. En de opstanding wijst vooruit naar het herstel, dat zal komen. Daarop baseer ik mijn geloof.

P.S. Ook op de Internetmonk-website wordt gediscussieerd over de schijnbare wreedheid van God in het Oude Testament, en ook daar lopen de meningen onder de reageerders behoorlijk uiteen.

P.P.S. Wie verder over dit onderwerp door wil lezen kan terecht op een oude blog van een van mijn favoriete hedendaagse auteurs Greg Boyd, die hierover ook een serietje heeft geschreven (vanaf hier). Hij maakt grappig genoeg een aantal punten die ik ook maak.

maandag 6 september 2010

Hoop doet leven 2: Sprong in het diepe

Keuzes maken is relatief makkelijk als je zeker weet dat ze resultaat zullen hebben. Zo koos ik er meer dan drie jaar geleden voor te gaan eten volgens het paleolithisch principe (ook wel het ‘oermensdieet’ genoemd, en sterk verwant aan de nu populaire methode van dr. Frank, maar dat ter zijde). Ik wist al jaren dat mijn gewicht niet gezond was, maar wat ik ook deed, ik viel niet af. Ik kwam eerder aan en had steeds een grotere broek nodig. Ik meende dus lange tijd dat ik te dik was en dik zou blijven, wat ik ook deed. Tot ik in het begin van het jaar foto’s van mezelf terugzag uit de tijd van mijn afstuderen, waarop ik er slank uitzag. En voor het eerst realiseerde ik me dat ik mezelf misschien altijd als ‘dik’ had gezien (ook omdat ik op de middelbare school voor sloom en dik was uitgemaakt), maar dat ik het niet altijd was geweest. En als ik slank was geweest, kon ik het ook weer worden. Of in elk geval slanker. Toen kwam een goede vriend op bezoek en vertelde dat hij volgens een nieuw dieet at. De regels van het dieet hadden een voor mij overtuigende verklaring en het zou me niet te veel moeite kosten om me eraan te houden. Mijn vriend was er ook al gewicht door kwijt geraakt. Dus begon ik vanaf die dag als oermens te eten. En in iets meer dan een half jaar was ik dertig kilo kwijtgeraakt. Helaas is er sinds die tijd weer wat teruggekomen, laat ik dat eerlijkheidshalve maar toegeven, maar ik weet nu ook dat ik die extra kilo’s kwijt kan raken als ik me weer wat strakker houdt aan het paleolithisch principe. Ik weet nu wat het resultaat is van deze keuze.

Maar ook al had ik duidelijke redenen om aan te nemen dat dit dieet effectief zou zijn en mij zou helpen af te vallen, toch was het niet vanzelfsprekend dat ik met deze methode zou beginnen. Ik had immers vaker tevergeefs geprobeerd gewicht kwijt te raken en was daardoor teleurgesteld geraakt. Nog een teleurstelling zou heel zwaar zijn. En hoe kon ik zeker weten dat het me zou lukken deze techniek vol te houden? Dat kon ik immers van te voren niet zeggen. Mijn keuze was dus niet een logisch gevolg van de feiten, maar een sprong in geloof. Ik koos ervoor te geloven dat ik opnieuw slank kon worden. Ik koos ervoor te geloven dat de argumenten van mijn vriend voor zijn dieetmethode betrouwbaar waren. Ik koos ervoor te geloven dat ik de wilskracht kon opbrengen om zoveel vlees, vis, fruit, groente en noten te eten. En die keuze om te geloven, om in de uitkomst van mijn keuzes te vertrouwen hoewel ik geen absolute zekerheid had, stelde me in staat mijn pizza’s te laten staan. (En ik werd aangenaam verrast door het tempo waarin de kilo’s verdwenen. Ik bleek ondanks alles toch behoorlijk kleingelovig te zijn geweest.)

Uiteindelijk komen al onze keuzes neer op een sprong in het diepe, een sprong in geloof. We kennen de toekomst niet, en hoe veel we ook weten en hoe veel we kunnen berekenen of beredeneren, echt zeker van het resultaat kunnen we nooit zijn. Er zijn altijd meer factoren in het spel dan onze handelingen. De keuzes van andere mensen bijvoorbeeld, die misschien het tegenovergestelde als wij, of in elk geval niet meewerken met onze plannen. En de macht van tijd en toeval in het algemeen (die volgens de schrijver van Prediker immers allen treffen). De mens wikt, luidt de uitspraak, maar God, of het lot, of tijd en toeval, beschikt.
Er kan altijd iets tussenbeide komen, al is het maar de vlinder die in Brazilië met de vleugels wappert en zo een storm veroorzaakt die mijn strandwandeling in het water gooit. Wij mensen zijn te beperkte schepselen om alle vleugelbewegingen van alle vlinders in Brazilië in onze toekomstvoorspellingen mee te nemen. We kunnen er voordat we een beslissing nemen dus nooit op vertrouwen dat inderdaad gebeurt wat wij willen dat er gebeurt. Een tiener kan kiezen voor een opleiding in de verwachting later onderzoeker te zullen worden, maar in de laatste stage wordt hij overspannen en blijkt hij een andere carrière te moeten kiezen. Twee mensen trouwen in de hoop dat ze samen oud zullen worden, maar een week later komt een van hen onder een auto, of krijgt kanker. De vakantie naar Frankrijk, waar de zon had moeten schijnen, wordt een drama als gevolg van de overmatige regenval. Het avondje uit waar je naar had uitgezien wordt een drama omdat je partner iets moet opbiechten. De ander zegt ‘nee’, terwijl je had uitgekeken naar een ‘ja’.

Bij elk initiatief dat je neemt is er dus het risico dat jouw hoop niet vervuld wordt en je verwachting niet uitkomt. Mensen zijn echter notoire risicomijders (zoals eigenlijk alle dieren). We hebben een krachtig instinct tot zelfbescherming. Onze eerste neiging is om ons leven te beschermen. En ook een verlangen dat beschaamd wordt, een wens die niet vervult zou worden, zien we als een bedreiging van ons ik, van ons leven. Al onze ingebakken beschermingsystemen komen daarom in actie om ons ertoe te bewegen het gevaar te ontlopen. Als we niets doen weten we ook niet wat er gebeurt, maar dan raken we ten minste niet kwijt wat we al hebben, is volgens mij de onbewuste redenatie. Hoe meer er van onze keuze afhangt, en hoe groter de door ons ingeschatte kans op een ongewenst resultaat, hoe sterker onze instinctmatige weerstand tegen het te nemen initiatief.
Deze weerstand uit zich in de vorm van angst. Onze maag trekt zich samen, het zweet breekt ons uit, we liggen ‘s nachts te woelen in bed, piekergedachten volgen steeds het zelfde rondje van vertrouwde argumenten, en we worden verleid om afleiding te zoeken in films, voedsel, of andere verslavingen. Als we ons hoofd in het zand steken, gaat onze gelegenheid om te handelen vanzelf voorbij en kunnen we door met ons veilige leventje. Hoe kleiner ons geloof in een goede uitkomst, hoe sterker de angst, en hoe groter onze neiging de keuze uit de weg te gaan. Onze zelfbescherming verhindert ons om onze verlangens te volgen, en om te doen waarvan we weten dat het goed is.

Toen ik laatst in een situatie was dat ik iets wilde doen, maar het niet durfde omdat ik niet wist wat er zou gebeuren, kwam tijdens een gebed het verhaal van Jezus in de tuin van Getsemane in mijn gedachten. "Hij liep weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad: ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’ Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond." ( Lukas 22:44). Ik begreep eigenlijk voor het eerst een beetje waarom Jezus bloed zweette. Hij wist wat de goede keuze was. Hij wist wat God van hem vroeg. Maar hij wist ook dat het hem zijn leven zou kosten, en wel op een bijzonder pijnlijke manier. Zijn instinct van zelfbescherming protesteerde daartegen.
Dat Jezus bang was, was geen zonde. Soms zien wij als christenen onze angst als iets negatiefs, of als geestelijke strijd of aanvechting. Dat suggereert dat onze menselijkheid en ons individuele bestaan, dat onze angst probeert te beschermen, kennelijk niet belangrijk zijn. Het feit dat Jezus hier openlijk voor God en zijn discipelen zijn angst toont en bespreekbaar maakt, laat zien dat ook wij ons niet voor onze angst hoeven schamen. Ons leven en onze individualiteit zijn belangrijk en het beschermen waard. Bang zijn voor risico’s hoort er dus bij.
Jezus veroordeelt nergens zijn eigen angst, schaamt zich er niet voor en probeert de angst ook niet te ontvluchten of te verdoven (later in de geschiedenis weigert hij pijnstillende middelen in te nemen). Maar hij laat zich uiteindelijk door zijn angst niet weerhouden van het nemen van initiatief. Hij laat zich niet verlammen of onvrij maken. Hij laat zich niet beïnvloeden door zijn automatische neiging tot zelfbescherming. Anders gezegd: hij houdt zich er dood voor, of hij sterft eraan. Als Jezus zegt: ‘Vader, laat niet wat ik wil, maar wat u wilt, gebeuren’, zegt hij niet dat hij als een robot wil zijn. Nee, het is zijn actieve, bewuste beslissing om te doen wat God van hem vraagt. Het is een uiting van zijn vrijheid als mens. De wil waarover hij spreekt die niet moet gebeuren, is de wil van zijn neiging tot zelfbescherming, de angst die hem influistert het risico uit de weg te gaan en de pijn te vermijden.

Ik geloof dat hierin de betekenis ligt van het bijbelgedeelte dat ons oproept ons leven niet lief te hebben: "Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven" (Johannes 12:25). Dat wil niet zeggen dat we onszelf tot willoze robots reduceren, die geen inspraak hebben in ons eigen leven. Het doel is immers het eeuwige leven, niet de eeuwige levenloosheid. Dit vers wil zeggen dat we niet tegen elke prijs elk risico vermijden en niet onze eigen veiligheid stellen boven het doen van het goede, boven het zoeken van wat werkelijk waarheid, schoonheid en gerechtigheid is. Je sterft aan jezelf, je hebt je leven niet lief, als je ondanks je angst voor confrontatie, toch iemand durft te vertellen dat hij je pijn heeft gedaan. Je sterft aan jezelf als je ondanks je angst boos aangekeken te worden, toch in een personeelbijeenkomst de directeur durft tegen te spreken. Je sterft aan jezelf als je ondanks je angst voor teleurstelling, toch durft te solliciteren voor die nieuwe baan, of als je ondanks je angst voor schaamte, toch die dakloze naar de opvang durft te brengen. Je sterft aan jezelf als je ondanks je angst voor afwijzing, toch op zoek gaat naar een levenspartner, omdat je weet dat het niet goed is dat een mens alleen is.
Als je deze dingen doet, volg je in de voetsporen van Jezus. Ook al schreeuwt elke vezel in je: ‘Niet doen!’, ook al roept elke hersencel je op te vluchten in andere activiteiten, je doet wat Paulus schreef: " schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient" (Filippenzen 4:8). Dit is wat Paulus even daarvoor omschreef als ‘delen in Jezus' lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood’ (Filippenzen 3:10). Hij wilde net als Jezus het zoeken van de goede wil van God stellen boven zijn neiging tot zelfbescherming, ook als dat betekende dat hij zou kunnen lijden en zelfs sterven. En dat kon hij doen ‘in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan' (v11).
Jezus zelf was in staat te kiezen voor de wil van God, en zijn dood tegemoet te zien, omdat hij wist waar het einde van zijn zelfbescherming toe zou leiden. ‘Denkend aan de vreugde die voor hem in het verschiet lag, liet hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis' (Hebreeen 12:2).
Jezus wist dat het resultaat van zijn keuze, hoeveel het hem ook zou kosten, welk risico hij ook liep, de moeite waard zou zijn. Daar was hij zeker van. God had hem namelijk beloofd dat hij uit de dood zou opstaan, en dat dit de inleiding zou zijn tot het herstel van alle dingen. Zijn opoffering zou niet voor niets zijn. En dat is de belofte waar onze hoop op gebaseerd is, dat wat er ook gebeurt als wij initiatief nemen, of gebeurt wat wij wensen, of dat onze verlangens worden gefrustreerd, of de omstanders en omstandigheden ons tegenwerken of meewerken, het resultaat de moeite waard zal zijn. Dat wat wij ook doen, hoeveel risico wij ook nemen, en hoe wij ons leven ook op het spel zetten, het niet tevergeefs zal zijn. Het besef dat "door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn" (1Korintiers 15:58). Daardoor kunnen we met een gerust hart de sprong in het diepe wagen.
Meer over de belofte van de opstanding in de volgende aflevering.

zaterdag 1 mei 2010

Boekbespreking: To Green Angel Tower Storm

Als je "A" zegt, moet je "B" zeggen. Als je de eerste drie delen van een fantasieserie op je blog besproken hebt, moet je ook wat aandacht besteden aan het vierde. Alleen voor het gevoel in elk geval compleet te zijn geweest. Want ik geloof niet dat mijn lezers de ontknoping van mijn serie besprekingen nou erg gemist hebben. En bovendien: als je de eerste drie boeken hebt gelezen, heb je geen bespreking van het vierde deel meer nodig om ook dat te lezen. Dan wil je gewoon weten hoe het afloopt. Maar ik ben nu eenmaal een beetje een compulsief obsessieve blogger: als ik ergens aan begin moet ik het ook afmaken. Dus laat ik jullie ook weten wat ik vond van het slot van de serie Memory, Sorrow and Thorn van Tad Williams.

In dit deel komen alle verhaallijnen langzaam maar zeker samen, als de plannen van de machtsbeluste priester Pryrates, de door wanhoop gedreven koning Elias en de mysterieuze ondode Stormkoning hun vervulling naderen, en de rebellen onder leiding van prins Josua uit alle macht proberen er een stokje voor te steken.
Prinses Miriamele weet dat haar oom Josua en zijn bondgenoten van plan zijn haar vader aan te vallen in zijn kasteel de Hayholt. Ze weet ook dat ze hem zullen doden als hij zijn positie niet opgeeft. En ze beseft dat zijn verbitterde woede voortkomt uit verdriet over de dood van zijn vrouw, haar moeder, jaren geleden. Dus sluipt ze weg uit het kamp van de rebellen, om te proberen koning Elias op andere gedachten te brengen.
Voormalig keukenhulpje en kersverse ridder Simon vergezelt haar. Hij heeft zich immers aangeboden als haar beschermer. En hij hoopt in het graf van de vorige koning Prester John het legendarische zwaard Minneyar te kunnen vinden. De oude profetie van Nisses, de Svardenvierd, suggereerde namelijk dat de overwinning alleen mogelijk zou zijn als alle drie de zwaarden van buiten de wereld elkaar zouden vinden. Maar de grafheuvel blijkt leeg te zijn, en na een onverwachte instorting blijft Simon alleen achter in de onderaardse wirwar van tunnels en gangen onder het oude kasteel.
Ondertussen reist prins Josua af naar de zuidelijke staat Nabban, het enige mensenrijk dat nog een leger op de been kan brengen dat groot genoeg is om koning Elias te weerstaan. En hij heeft een belangrijke troefkaart: de ridder Camaris, ooit dood geacht, is teruggevonden en heeft bovendien weer de beschikking over Thorn, zijn legendarische zwaard. De ridder zelf raakt echter steeds verder bezeten door het zwaard, dat hem een weg opstuurt die hij liever niet zou willen gaan.
De elfachtige Sithi, onder leiding van Jiriki, zijn uitgetrokken tegen hun 'neven' de Norns. Die hebben zich in het vroegere kasteel van Josua gevestigd en werken daar aan een mysterieus project. Wat volgt is een bovennatuurlijke belegering. Tot de strijders behoren de Hernystiri-graaf Eolair, en de prinses Maegwin. De laatste dreigt haar greep op de werkelijkheid te verliezen en Eolair is bang dat ze zal sterven voor hij haar heeft kunnen zeggen hoeveel hij van haar houdt ...
En in de gangen onder de Hayholt schuilen nog steeds de schoonmaakster Rachel en de blinde graaf Guthwulf, die beiden nog een rol te spelen hebben in de ontknoping ...

In recensies die ik vond op Internet klaagden sommigen over de eerste boeken dat het leek alsof alle goede karakters de avonturen zouden overleven. Dat zou de spanning wegnemen. De schrijver was kennelijk niet in staat om afscheid te nemen van zijn geliefde personages. Maar deze klagende critici hadden kennelijk vergeten dat de wijze Morgenes in het eerste deel het lootje legde (en niet uit de dood terugkeerde), en in deel twee de oudste moeder van de Sithi en de ridder Haestan. Ze zouden hun woorden bovendien hebben moeten bewaren tot na dit laatste deel. Het begint namelijk met de dood van een van de meer fascinerende karakters, de intrigerende Geloe, en dat is nog maar het begin. Ook karakters waarvan je als lezer vrij zeker bent dat die het wel zullen overleven, worden door de gebeurtenissen ingehaald. Niemand ontsnapt helemaal ongeschonden aan de consequenties van Elias' en Pryrates' plannen.
Die plannen blijken bovendien anders dan de verdedigers hadden verwacht. Hun eigen pogingen om de macht van de koning en de rode priester te verbreken blijken alleen maar aan de eindoverwinning van hun tegenstanders te hebben bijgedragen. Ze zijn gemanipuleerd. Ze hadden vertrouwd op oude overleveringen, die een heel ander doel bleken te hebben dan mee te werken aan de overwinning van het goede.
Uiteindelijk ziet het er somber uit voor de wereld. De terugkeer van Ineluki, de Stormkoning, lijkt een voldongen feit, en daarmee de onderwerping en vernietiging van de hele mensheid. Zelfs Pryrates komt erachter dat hij zich heeft bemoeid met machten die hij beter alleen had kunnen laten. Ik hoop dat ik niet uit de school klap als ik laat doorschemeren dat het boek ondanks alles wel goed afloopt. Bijna alle fantaysverhalen van dit type lopen gelukkig goed af. Wat belangrijk is, is hoe het goede einde tot stand komt. Wat is het geheim dat het kwaad uitdrijft? Waardoor wordt het onheil tegengegaan? Zoals in de beste verhalen is dat niet slechts door fysieke kracht, intelligentie of dom toeval. Het is door vergeving. Als twee van de meest gekwelde karakters uit het verhaal, met de meeste reden om te haten, besluiten om af te zien van hun toorn en de ander verzoening aan te bieden, is zelfs de Stormkoning machteloos. Daarin schuilt een groot geheim. Dit is het geheim van de zwakheid. Het geheim waardoor je jezelf niet ziet als beter, sterker of waardevoller dan de ander. Het geheim waardoor je de ander ziet als medeschepsel en medemens en niet alleen als het kwaad zelf. Het geheim waardoor je liever het onderspit delft en vernietigd wordt, dan de ander te haten en af te wijzen. Het geheim dat ten diepste is gebaseerd op dat van de God die hetzelfde deed, die liever zelf stierf dan ons de gevolgen van onze opstand en controle te laten ervaren.

zondag 25 april 2010

Het is niet eerlijk ...

Dinsdagavond reisde ik per trein van Frankfurt naar Utrecht. Hoe dat precies zo kwam, zal ik later nog wel eens op deze blog uit de doeken doen. Laat ik het er nu maar op houden dat een zekere aswolk vanuit IJsland had geleid tot een interessante terugreis. Na een van de vele overstapmomenten bevond ik me uiteindelijk na bijna drie weken weer eens in een Nederlandse trein. En daar lagen nog stapels Spitsen, Persen en Metro's. Geen betere manier om het gevoel te hebben weer in Nederland te zijn, dan het doorbladeren van een Nederlandse krant. Behalve het geijkte nieuws over de vulkaan, verschillende popsterren en dergelijke, las ik in de Pers een stukje op basis van wetenschappelijk onderzoek. Nu is het natuurlijk de vraag of een krantenartikeltje een erg betrouwbare weergave is van de resultaten van wetenschappelijke studies, maar laten we er nu maar even van uitgaan van wel. Het is namelijk de bedoeling dat dit een serieus blogbericht wordt. Het artikeltje ging over de voorkeursbehandeling van mooie mensen (of de benadeling van lelijke mensen). Onderzoek had volgens dit artikel aangetoond dat fysiek minder mooie mensen inderdaad minder succesvolle banen kregen. Minder mooie vrouwen trouwden met minder rijke mannen. Ze werden ook minder snel aangenomen bij bijvoorbeeld horecazaken en winkels. Winkels die bij de selectieprocedure niet letten op het uiterlijk bleken minder goede verkoopcijfers te hebben dan winkels die er wel een punt van maakten alleen knappe dames aan te nemen. En lelijke mannen hadden het helemaal moeilijk zowel wat betreft carriere als wat betreft hun relatiekansen. Volgens de schrijvers zat de menselijke neiging knappe mensen beter te behandelen zo diep in onze genen dat dit wel nooit zou veranderen. Mensen met een minder mooi uiterlijk moeten zich er maar mee verzoenen dat ze in onze maatschappij aan het kortste eind trekken.
Dit soort gegevens zorgen er altijd voor dat ik me ongemakkelijk voel. Of iemand in zijn carriere of in zijn relaties succesvol is, wordt kennelijk bepaald door een factor die (in elk geval gedeeltelijk) buiten zijn eigen controle ligt. Iemand die knap is en dus een knappe of rijke partner aan de haak slaat en eerder op hoge posities wordt aangenomen, heeft daar zelf niet veel voor hoeven doen. Iemand die lelijk is en dus met een minder betaalde baan en een minder aantrekkelijke partner genoegen moet nemen, kon het zelf niet helpen. De toevallige samenstelling van zijn genetische materiaal viel kennelijk voor hem of haar ongunstig uit, en dus moet hij of zij maar leven met de consequenties.  De een heeft geluk, de ander pech. Het is niet eerlijk. Ons rechtvaardigheidsgevoel stelt dat alle mensen gelijke kansen zouden moeten hebben. Gelijke behandeling, dat is ons mantra. Geen discriminatie. Maar, suggereert het onderzoek, zelfs al vind ik het niet eerlijk, zelfs al wil ik mensen gelijk behandelen, dan nog zal ikzelf er (net als de hele maatschappij) instinctief toe geneigd blijven fysiek knappe mensen te bevoordelen en bevooroordeeld te zijn tegen fysiek onaantrekkelijke mensen. Door de een zal ik me sneller iets laten aansmeren in een winkel, de ander zal ik eerder negeren als die me iets vraagt op straat. Ik ben zelf deel van het oneerlijke systeem.
We denken bijna instinctief dat we als mensen recht hebben op gelijke kansen als elke andere mens. Elk mens heeft een unieke waarde en zou op een gelijke manier moeten worden behandeld als elk ander mens. Er is niets dat de ene mens uit zichzelf meer recht geeft op geluk en gezondheid en maatschappelijk succes dan anderen, en niets dat een ander automatisch uitsluit van een menswaardig bestaan, vrede en een respectvolle behandeling. We beseffen kennelijk dat de waarde van de mens is gelegen in zijn uniciteit als persoon, als denkend wezen dat zich van zichzelf bewust is en een eigen blik heeft op de wereld. Dit rechtvaardigheidsgevoel wordt door veel mensen gedeeld, door de hele maatschappij in alle geledingen. Niemand is a priori beter dan anderen (we hebben gelukkig geen kastensysteem bij ons, zoals in India, en proberen niet meer te doen aan discriminatie en terecht). Maar dit ideaal van gelijkheid voor God en voor andere mensen blijkt geen werkelijkheid. In de realiteit zijn er dus wel verschillen, ook in onze maatschappij, tussen de kansen voor lelijke en knappe mensen. De werkelijkheid is oneerlijk.
Het is echter niet het enige dat oneerlijk is, realiseerde ik me toen ik even over het artikel had nagedacht. Waarom wordt de een met een erfelijke aandoening of afwijking geboren en de ander niet? Waarom ontwikkelt de een kanker en de ander niet? Waarom leeft de een in India in armoede en is de ander een kind van rijke ouders in het westen? Waarom komt de een ter wereld in een dictatuur als Noord-Korea en de ander in een democratie als de onze? Waarom leeft de een op Haiti en komt om bij een aardbeving en woont de ander op goed geheide huizen in de Hollandse klei? Het is oneerlijk. Daarom vragen mensen bij ziektes, natuurrampen en oorlogen al snel: hoe kan God het toelaten? Hoe kan God het toelaten dat mensen zoveel pech hadden, terwijl ze niets verkeerds hebben gedaan? Hoe kan God het toelaten dat anderen zoveel geluk hebben, terwijl ze niets hebben gedaan om het te verdienen? Waarom ik wel en hij niet? Waarom hij wel en ik niet?

De vraag naar het verschil in succes tussen mooie en lelijke mensen, is dus niet anders dan de vraag naar het lijden. Oftewel: waarom het kwaad goede mensen treft. En dat is een vraag waar een groot deel van de bijbel aan gewijd is (lees het boek Job en een heel aantal van de Psalmen maar na) en veel filosofen hun hoofd over hebben gebroken. Het antwoord kan ik in dit bericht daarom ook niet geven. Maar in het kort: ons instinctieve rechtvaardigheidsgevoel is waardevol. De Anglicaanse theoloog N.T. Wright gebruikt het in Simply Christian als argument om in God te geloven. En hij heeft een punt. Uit onze waarnemingen van de natuur komt het namelijk niet voort, daar heerst het recht van de sterkste, de overleving van degene met de beste genen. Wij vinden dat echter oneerlijk. Ons verlangen naar rechtvaardigheid moet dus voorkomen van iets buiten de natuur. Het is de bijbel die stelt dat elk mens is geschapen naar het beeld van God, volgens de natuur van God. Dat is wat de mens waarde verleent, en daarom heeft ook elk mens even veel waarde als ieder ander.
De realiteit is echter dat we leven in een gevallen schepping. De gebrokenheid die onze wereld kenmerkt heeft ervoor gezorgd dat de wereld onrechtvaardig is geworden. De een heeft voordeel boven de ander. De mens met het ene uiterlijk heeft succes, de mens met het andere uiterlijk is een mislukking. De een krijgt kanker, de ander geneest. De een wordt geboren in Bagdad, de ander in New York. Tijd en toeval treffen allen, suggereert de Prediker. Het is als een vogelnet dat plotseling dichtvalt. De ene vogel wordt gevangen, de ander kan nog even verder vliegen. Onze onvrede over deze oneerlijke situatie sluit aan bij de boodschap van de bijbel, die stelt dat dit inderdaad niet is zoals God het bedoeld heeft. Het is inderdaad niet goed! Ons ongemakkelijke gevoel suggereert dat we onze schepping een moment zien door de bril van God.
De hoop die de bijbel geeft is dat in Gods koninkrijk geen onderscheid meer zal zijn op basis van toevallige factoren. Dan zal voor ieder mens de wil van God realiteit worden, en zal God 'alles en in allen zijn'. Dan zal volgens de profetieen zelfs de gecastreerde weer nageslacht voortbrengen, zullen de lammen dansen en de stommen juichen en zullen de mensen uit de heidense volken delen in dezelfde zegeningen als het volk van God. Deze vernieuwing is al begonnen in deze tijd, door het werk van Jezus. Zijn dood en opstanding gelden voor ieder mens evenveel. Daarom is er in Christus  'geen man of vrouw, geen slaaf of vrije en geen jood of griek' meer: iedereen is even waardevol. God maakt geen onderscheid tussen mooie en minder mooie mensen.
Ons fysieke uiterlijk is maar een omstandigheid. Paulus schrijft in Fillipenzen dat hij heeft geleerd om in alle omstandigheden tevreden te zijn, in overvloed en in gebrek. Hij ontleent zijn waarde namelijk niet aan zijn succes in de wereld, aan  zijn maatschappelijk succes of status. Zijn betekenis is niet afhankelijk van zijn gezondheid, zijn relaties of zijn salaris. Zijn tevredenheid is niet gebaseerd op deze factoren die kunnen worden beïnvloed door het toeval. Factoren die kunnen worden beïnvloed door zoiets als uiterlijk (en de historische bronnen suggereren dat Paulus een kleine, niet bijster knappe man geweest moet zijn). Zijn betekenis is alleen en geheel gelegen in de liefde van God voor hem. God houdt van hem in alle omstandigheden. God houdt van mensen die knap zijn en succes hebben, en evenveel van mensen die lelijk zijn en geen succes hebben. God houdt van mensen in het rijke westen en in het arme zuiden. Hij houdt van mensen die gezond zijn en van mensen die ziek zijn. De omstandigheden zeggen niets over het aan- of afwezig zijn van de liefde van God. We weten dat God van ons houdt omdat Jezus is gekomen en aan het kruis die liefde heeft bewezen. Dat is de basis voor ons vertrouwen, in elke omstandigheid. Zieke mensen, gezonde mensen, rijke mensen, arme mensen, lelijke mensen, knappe mensen, voor hen allemaal geldt dat God hen vraagt er eenvoudig voor te kiezen te vertrouwen op de onvoorwaardelijke liefde van God.
En tegelijk blijft het de uitdaging voor ons te anticiperen op het komende koninkrijk van God, waar deze oneerlijke situatie er niet meer zal zijn. In onze relaties, die een afspiegeling zouden moeten vormen van de wereld van de eeuwigheid, zouden we een begin moeten maken met de vernieuwing. Dat wil zeggen dat we als volgelingen van de rechtvaardige God zelf ook werk gaan maken van gerechtigheid. Wetend dat het ooit waar zal zijn voor de hele wereld, proberen we nu al iedereen te zien als waardevol beelddrager van God, en te behandelen op een manier die daarbij hoort. In 2 Korintiers 5:16 zegt Paulus: 'Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van de wereld.' Waar we kunnen helpen we mensen die in armoede leven of die ziek zijn. En waar we ons bewust zijn dat we mensen negeren of links laten liggen omdat ze niet mooi zijn, kiezen we er bewust voor om wel naar ze te luisteren en respect voor ze te hebben. Zo laten we zien hoe radicaal anders de liefde van God is.

zondag 17 januari 2010

Doorgaan


Toen ik nog in Leiden in een studentenhuis woonde draaiden we wel eens een plaat van André van Duin. (Niet afhaken: dit bericht wordt nog wel serieus. En ik ga ook Tolkien aanhalen. En tja, een beetje associëren is soms wel leuk). Op dit plaat stond ook het liedje 'Doorgaan'. Dat zongen we wel eens tijdens de afwas.
Vrij onzinnig, maar ik moest er wel even aan denken toen ik nadacht over wat ik wilde schrijven, namelijk: hoe kunnen we doorgaan (daar heb je 'em) als er dingen gebeuren zoals die aardbeving in Haiti. Of zoals de oorlogen die overal op de wereld nog steeds aan de gang zijn. Of zoals de epidemieën die de ronde doen. Of zoals abortus, kanker, mensenhandel, vervuiling, leugens in de politiek, kloof tussen arm en rijk, broeikaseffect, 'peak oil' en manipulatie op de werkvloer. Wat heeft het voor zin. Moeten we zoals André zingt doorgaan 'het graan heeft de orkaan doorstaan door door te gaan, dus kunnen we doorgaan'? Of is er een betere reden om de handdoek niet in de ring te gooien?
Als ik berichten lees zoals van de week over Haïti bekruipen me namelijk wel eens vage schuldgevoelens. Hoe kan ik hier in Nederland doorgaan (ja, ja) met mijn werk, mijn hobbies, mijn vriendschappen, terwijl aan de andere kant van de wereld mensen liggen te creperen onder het beton, terwijl bendeleden de schaarse grondstoffen roven, terwijl kinderen drinken van rioolwater bij gebrek aan beter, terwijl de hoop van een land de grond wordt ingeslagen? Wat moet mijn reactie zijn? Hoe kan ik rechtvaardigen dat ik zaterdagmiddag gezellig koffie zit te drinken met een vriend, terwijl er mensen van honger omkomen? Hoe kan ik een paar uur besteden aan het schrijven van een SF-verhaal, terwijl we als mensen ons milieu om zeep helpen door vervuiling? Hoe kan ik genieten van een goede maaltijd, terwijl er onschuldige kinderen op dit moment worden misbruikt door verknipte mensen? Zijn mijn passies, mijn verlangens, mijn tijdsbestedingen niet een vlucht tegenover de koude, harde realiteit van het leven? Steek ik niet mijn hoofd in het zand?

We moeten ons van deze vragen rekenschap geven, want het kan inderdaad een vlucht zijn, het ontlopen van onze verantwoordelijkheid en het negeren van de nood van onze medemens. We moeten niet willens en wetens onwetend willen zijn (ooh ... mooie zin!). We moeten de wereld recht en eerlijk in de ogen willen kijken en de ander daadwerkelijk zien als mens, die ons respect en onze liefde nodig heeft. Maar tegelijk moeten we ons niet laten ontmoedigen door de chaos en onvoorspelbaarheid van het heelal. We moeten ons niet laten intimideren door de gruwelen waartoe onze medemensen in staat zijn, en ons niet cynisch laten maken door de dodelijke gevolgen van het toeval. In het zicht van de schijnbaar zinloze, gewelddadige, onpersoonlijke wereld tegenover ons, is het juist van onnoemelijk groot belang dat wij leven als vrije, waardevolle, liefhebbende mensen. Dat wij schoonheid bewonderen en maken, dat wij gerechtigheid nastreven en herkennen, dat wij intimiteit beschermen en aangaan. Dat we in het gezicht van het verderf de vlag opheffen van de goedheid van Gods schepping.

Ik moet denken aan een stukje uit de tweede Lord of the Rings-film. Frodo is ontmoedigd. De reis valt hem zwaar. Geconfronteerd met de macht van de boosaardige Sauron, de vernietiging die de orks aanbrengen, de verwoesting van de wereld, en zijn eigen zwakheid (hij heeft bijna toegegeven aan de verleiding de ring aan de ringgeest te geven), ziet hij geen reden meer om door te gaan. Sam wijst op de helden van de verhalen. "Folks in those stories had lots of chances of turning back, only they didn't. They kept going. Because they were holding on to something." Frodo zucht en vraagt: "What are we holding on to then, Sam?" En Sam antwoordt: "That there's some good in this world, Mr. Frodo ... and it's worth fighting for." Ze zien op dat moment geen bewijs dat het goede er werkelijk is, of dat er een kans is dat het de overhand behaalt, maar toch kiezen ze ervoor om door te gaan. (Hun vertrouwen wordt bevestigd als ze uiteindelijk door een gat in het wolkendek een ster zien. Een teken dat hoe uitzichtsloos hun situatie ook is, de werkelijkheid groter is dan Midden-Aarde zelf, en dat die grotere werkelijkheid, de sterrenhemel, gekenmerkt wordt door goede, mooie en ware dingen.)
Door vast te houden aan de verlangens die ons mens maken, door te blijven vechten voor schoonheid, waarheid en intimiteit, door te creëren in plaats van af te breken, door anderen te helpen in plaats van alleen onszelf, door relaties aan te gaan in plaats van ons te isoleren, verzetten we ons dus tegen de schijnbare zinloosheid van het heelal. We rebelleren tegen de vloek van de vergankelijkheid die volgens Romeinen 8 de schepping laat kreunen als in barensnood. We plaatsen onze vlag op een heuvel te midden van het cynisme, en proclameren dat er iets is om voor te vechten, iets om voor te sterven. Dat we mensen zijn en mensen willen blijven. Elk moment van schoonheid, van waarheid, van intimiteit is een heldendaad! In het gezicht van rampen als Haiti, laten we zien dat we niet ontmoedigd kunnen worden, dat we niet kunnen worden banggemaakt, maar dat we geloven. Geloven dat er inderdaad iets goeds is in deze wereld. En dat dit het waard is om na te streven.

En dit is geen vergeefse verzetsdaad. Het is niet als het Noorse Ragnarok, de godenschemering, waar de machten van orde een laatste heldhaftige verzetsdaad plegen tegen de overweldigende machten van de chaos en uiteindelijk het onderspit delven. Het is niet een verzet tegen de rede in. Het is een daad van geloof. Geloof dat God uiteindelijk groter is dan het onheil. Dat wat God belooft uiteindelijk waargemaakt zal worden. Dat het herstel van alle dingen eens plaats zal vinden, en dat onze keuzes nu dat uiteindelijke herstel mogen reflecteren. Dat wat ons nu ook overkomt, de overwinning vaststaat.Dat de crisis waar wij voor staan, niet het einde is, maar precies wat Romeinen 8 zegt: barensweeën, de stuiptrekkingen van de oude wereldorde voor het verschijnen van de regering van God.
In onze keuzes, in ons nastreven van schoonheid, waarheid en intimiteit, grijpen we vooruit op het herstel dat komt, op de wil van God die zal gebeuren en de schoonheid, waarheid en intimiteit die kenmerken zijn van het koninkrijk van God. We kiezen ervoor om die nu al in praktijk te brengen. We tonen onze werkelijke alliantie. We zijn een getuigenis aan de machten van de duisternis dat de nacht niet eeuwig zal duren. Ons licht is nu misschien nog zwak, labiel, als een nachtkaars uitgeblazen. Maar het is de voorbode van de dageraad, die zal aanbreken en die alle schaduwen zal wegvagen.

Dit is geen theodicee. Ik heb in dit stukje niet verklaard waarom er lijden is, waarom er aardbevingen zijn, en waarom het zo oneerlijk lijkt dat zo'n arm land erdoor getroffen wordt. Maar ik hoop dat ik wel heb gesuggereerd waarom we in het gezicht hiervan niet de moed moeten verliezen. We mogen doorgaan.