Posts tonen met het label zelfacceptatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelfacceptatie. Alle posts tonen

maandag 15 februari 2016

Gedicht: Racen



Racen

Ik blijf staan hijgen, uitgeput,
mijn handen op mijn knieƫn.
Zij steekt, hart ratelt, mijn keel prikt,
maar hier is geen water. Je roept
me toe dat ik weer verder moet
op zere voeten, moet geven
wat ik nog aan kracht bezit,
die niet voor mezelf gebruiken
maar voor de finish gaan. Dichtbij
zou die nu zijn. Maar dat heb je
duizend keer gezegd. Een leugen
was het steeds, nooit kon ik rusten,
rondkijken waar ik mij bevond
tussen de bergen, zelf kiezen
voor een pad en dan maar kijken
waar dat voert. Wat is er voor mij
achter de eindstreep weggelegd?
Voor jou voldoening, je hebt mij
afdoende opgejaagd. Maar ik ben
opgebrand. Ja, anderen die
rennen met plezier, want dit is
waarvan zij houden. Mijn vreugde
ligt hier niet. Dus ik laat ze mij
voorbijgaan. Dan maar geen beker.
Ik les mijn dorst liever direct
knielend bij de bergbeek koel.

maandag 8 februari 2016

Gedicht: Storm

Storm

Ik stap uit de trein en aarzel
een moment. De wind wil niet 
gaan liggen. De plaagstootjes
zijn ruw geworden, hij rukt
aan mijn hoed, mijn jas, mijn haren,
sleept me mee en duwt me zodat
ik wankel. Koude regen prikt
mijn wangen. Protest is zinloos.
Zelfs 's nachts liet hij me niet alleen
maar loeide om de flat en hield
me wakker. Gaat het zo dagen,
weken, totdat mijn weerstand breekt?
Zover laat ik het niet komen!
Nee, ik recht mijn rug, rol met mijn
schouders en loop: de ene voet,
de ander volgt en zo steeds door.
Mijn doel voor ogen, net zo lang
tot ik mijn huis bereik, de deur
zich opent, ik jou weer voor me zie.

vrijdag 1 januari 2016

We gaan er weer voor dit jaar!

Weer een jaar afgesloten, weer een nieuw jaar om naar vooruit te kijken. Het lijkt nog maar net geleden dat ik mijn laatste nieuwjaarsbericht plaatste, maar dat schijnt bij het ouder worden te horen: de tijd glipt als water door je vingers. Toch zijn er weer 365 dagen geweest om in te leven, te lezen, te werken en te schrijven, en die zijn ook behoorlijk rijk gevuld geweest! Zoals ik gewend ben, vroeg ik in januari tijdens het wandelen aan God een bijbeltekst die het thema zou zijn voor het komende jaar. Het was dit keer: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven'. Nadenkend over deze woorden kwam ik tot de realisatie dat wat Hij me hiermee wilde zeggen, was dat Hij 'het leven' is - dat wil zeggen: het gewone, dagelijkse leven, (eten, werken, slapen) en dat ik me daarop mag richten in plaats van met mijn hoofd in de wolken te lopen, omdat Hij ook in het alledaagse volop aanwezig is en daarbij betrokken is. Nou, dat heb ik geweten!
Op het gebied van het alledaagse leven was 2015 namelijk helemaal niet makkelijk, en het was ook nodig dat ik mijn energie erop zou richten om goed voor mezelf te zorgen en keuzes te maken die voor mij en mijn vrouw gezondheid en levensvreugde zouden opleveren. Waar ik eerst geneigd was aan mijn grenzen voorbij te lopen en mijn lichamelijke en geestelijke welzijn te verwaarlozen, botste ik er nu volop tegenaan. Dat was bepaald niet prettig. Ik heb al langer geworsteld met stress en daaruit volgende slaapproblemen (zie al mijn vorige nieuwjaarsberichten), maar dit voorjaar werd het weer erger en erger. De symptomen stapelden zich op. Ik ging steeds slechter slapen, werd 's nachts badend in het zweet wakker, met bonkend hart. Ik had darmproblemen (het hield niet op met borrelen, en ik had last van brandend maagzuur), die steeds erger werden. In februari begon ik opeens een luide piep in mijn oren te horen, dag en nacht, die niet verdween, wat ik ook probeerde. Ik werd enorm moe, was af en toe overdag misselijk van vermoeidheid. En uiteindelijk kreeg ik er ook tintelingen bij in mijn vingers en mijn tenen (terwijl mijn eczeem ook weer wat begon op te spelen). Allemaal stressklachten. Ik wilde me echter niet ziek melden. Gelukkig ontdekte ik dat veel te maken had met hyperventilatie. Mijn vrouw merkte op dat ze al sinds onze verkering vond dat mijn ademhaling wel heel snel en oppervlakkig was. En ik werd me er zelf ook van bewust. Dus begon ik met ademhalingsoefeningen, elke dag, zo vaak ik kon.
Dat vergde ook mentale inspanning, maar de effecten waren duidelijk. Ik begon weer beter te slapen en de symptomen verdwenen. Mijn darmen kwamen tot rust en mijn eczeem speelde niet meer op (ik hoef niet eens meer te smeren!). Maar het moet niet bij symptoombestrijding blijven. Dit jaar heb ik veel bronnen van stress in mijn leven aangepakt. Mijn relatie met mijn ouders is sterk verbeterd en niet meer stressvol, ik neem meer tijd voor mezelf en heb er zelfs voor gezorgd dat mijn administratie zich niet langer opstapelt. En ook ben ik mezelf niet langer gaan verschuilen. Ik ben gaan staan voor wie ik ben, en werd zelfs boos. Dat had effect: ik sliep opeens weer goed! De 'man met de hamer' waar ik van gewend was dat hij om half drie 's middags langs kwam en me als een uitgewrongen vaatdoek deed voelen, kwam opeens langs 's avonds om half elf - mijn ritme was hersteld! De piep in mijn oor werd ook minder, behalve onder bepaalde omstandigheden. Mijn doel is dus nu om die omstandigheden ook zo veel mogelijk tot het verleden te laten horen. Ik heb veel te lang met stress en de gevolgen ervan geleefd.
Geloof was ook jarenlang een bron van stress voor me: met name het idee dat ik niet genoeg deed voor God. Dit jaar ben ik regelmatig naar de kerk gegaan (de Anglicaanse kerk voelt echt als geestelijk thuis), en dat was het wat religie betreft. Ik heb in de zomer tijdens een wandeling aan God gevraagd of het erg was dat ik niet zo vaak met hem sprak of religieus bezig was. Hij suggereerde dat ik Hem behandelde als een klein kind zijn vader, dat ik me door Hem bij de hand wilde houden en bij elke stap omkeek, of het wel goed was. Maar om echt zelfstandig te worden, zou ik hem moeten durven loslaten. Ik zou moeten leren fietsen zonder zijwieltjes, en leiderschap nemen over mijn eigen leven (iets waar mijn vriendin Chiat me ook aan herinnerde). Dit is geen teken van ongeloof, of afzetten tegen. Het is volwassenheid, en daar is God juist blij mee!

Okee, een lang verhaal over wat dit jaar me gebracht heeft. De rest houd ik dus voor het gemak maar kort! Dit jaar is bijvoorbeeld eindelijk de badkamer gedaan, waardoor we een week in de troep hebben gezeten, maar we lopen nu in elk geval niet het gevaar dat de tegels op ons hoofd vallen. Daarnaast heb ik genoten van onze muskusschildpad Sammie, die heel erg gegroeid is, maar zijn eigenwijze karakter niet heeft verloren. Mijn vrouw en ik houden veel van hem. Er is zelfs een vierde aquarium bij gekomen dit jaar! Een met slakkenhuisbroedende cichliden uit het tanganyikameer! Mijn favoriete vissen eigenlijk. En in mijn kleinste aquarium zwemmen dropgoerami's. Zeldzame en gevoelige visjes, die het heel goed doen!
Verder zijn Bianca en ik naar fantasyfestivals geweest, naar de dierentuin, naar Londen, naar stripbeurzen, naar het museum, en hebben we ge-'high tea'et. Ik heb veel gelezen (68 boeken), heb mijn liefde voor kruiswoordpuzzels herontdekt en ben vaak naar de film geweest (lang leven de Pathe-pas). Ik heb ook behoorlijk veel geschreven: 36 korte verhalen, 50 gedichten en 13 filmbesprekingen (en 68 boekrecensies op Goodreads). Natuurlijk was dit het jaar waarin ik de Trek Sagae-award won, een verhaal publiceerde in de bundel Ganymedes 15 (warm aanbevolen!), meewerkte aan het boek 'Woestijnvaders' (een tweede druk verschijnt binnenkort) en waarin mijn boek 'De loser die wint' eindelijk verscheen (laat me weten wat je ervan vindt!). Dat zijn voor mij toch wel de hoogtepunten van het jaar geweest.

Op het werk gebeurden behoorlijk stressvolle dingen, met een collega die met zwangerschapsverlof ging, een leidinggevende die vertrok en een directeur die de organisatie ook verliet. Ik heb wel mooie artikelen kunnen schrijven (onder andere over klimaatverandering en de rol van de veeteelt daarin) en dat hoop ik ook het komende jaar te kunnen doen. Maar dan een dag per week minder, want per 1 januari werk ik nog maar drie dagen! De extra vrije dag kan ik goed gebruiken voor mijn schrijfactiviteiten, want dat worden er niet minder. Zoals lezers van mijn blog wel weten heb ik namelijk een contract voor de publicatie van mijn fantasyduologie 'De Krakenvorst'. Het eerste deel 'Keruga' verschijnt dit jaar bij uitgeverij Macc. Verder ga ik mijn gedachten over het sacramentele wereldbeeld (waarin wat Jezus deed een teken is van wat altijd en in alle tijden al waar was en is) uitwerken tot een nieuw studieboek. Ik heb verhalen opgestuurd voor drie verschillende wedstrijden en voor de volgende Ganymedes-bundel en ga dit jaar ook weer aan vier verhalenwedstrijden meedoen (misschien zelfs wel meer). Daarnaast wil ik dit jaar een bundeling gaan maken van mijn beste gedichten en die uitbrengen, misschien via een 'publishing on demand'-service. Ik hoop ook de kans te krijgen lezingen te geven. Op zaterdag 30 januari houd ik alvast van 14.00 tot 15.00 uur een signeersessie bij de 'Bijbel-In' in Delft - wil je een gesigneerde versie van mijn boek of wil je nog een exemplaar van 'Neptunus' of 'De Derde Macht', kom dan daar even langs!
Verder komt dit jaar rond mijn veertigste verjaardag een van mijn grootste verlangens uit. Dan zal ik namelijk met mijn beste vriend een bezoek brengen aan de Eagle and Child, de plek waar de Inklings bijeenkwamen, en daar het glas heffen op mijn grote voorbeelden: C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien. En ook de andere sporen die zij in Oxford hebben achtergelaten zullen we bezoeken. Noem het gerust een bedevaart. Er staat dit jaar geen nieuw aquarium op de planning, maar ik zal wel weer lekker veel boeken lezen, naar de film gaan, series kijken, op het balkon zitten en van het leven genieten. En hopelijk kan ik volgend jaar op nieuwjaarsdag terugkijken en schrijven dat de stress nu echt tot het verleden behoort en de symptomen daarvan ook. Maar ook als dat niet het geval is, ga ik wel van het komende jaar met volle teugen genieten. Eerste stap? De traditionele badjasdag, met dit keer de Batmanfilms van Christopher Nolan op het programma.

vrijdag 4 december 2015

Gedicht: Halverwege

Halverwege

Ik heb tot de helft gespeeld,
zelfs nog na de rust. Ik deed
mijn best te overwinnen,
scoorde een keer en hield 
een doelschop tegen. Maar nu 
ben ik moe. Mijn knie doet pijn 
van een trap: een teamgenoot
haalde me neer. En toen ik
miste, werd er gescholden. 
Toch hield ik vol, mijn kaken
op elkaar. Tot nu. Het is
nog gelijkspel. Mijn passie
heeft geen verschil gemaakt
en het duurt nog lang voordat
de fluittoon klinkt. Ik kan niet
verder rennen. Ik zet me
schrap voor wat komen gaat.
Niets. Het blijkt een spel te zijn
zonder verliezers. Plezier
was het doel en achteraf
een feest, de tegenstanders
zijn ook uitgenodigd. Nu
mag ik kiezen: zit ik neer
of doe ik wat ik nog kan?

woensdag 2 december 2015

Gedicht: Windstil

Windstil

De lucht is zwart, ononderbroken
hangen wolken boven mij. De zee
toont niets dan duister als een spiegel
glad. Geen wind om mij voort te stuwen.
Ik voer uit toen het nog licht was en
ik wist waarheen ik moest gaan.
Nu lig ik stil. Ik heb mijn kompas
verloren, zie aan de horizon
geen land. Hoe kan ik ooit komen
waar ik word verwacht? Zonder opdracht
zit ik aan de riemen. Kapitein
van mijn eigen leven. Voortaan vrij
elke kant uit te reizen, zoekend
mijn bestemming, niet meer opgejaagd.
En achter mij fluistert u zachtjes:
'Het is goed.'

maandag 23 november 2015

Gedicht: Vuur

Vuur

Ik zit als een kind gehurkt,
mijn armen om mijn knieƫn,
zacht wiegend. Rondom zwarte
sporen, en lijnen op de
verre wanden. In mijn borst
sluimert een verwoestend vuur
dat niet meer uit mag breken
of ik brand jou, bewaker,
teken jouw huid en doe je
schreeuwen. Jouw vlammen branden
net zo fel, en ik ben rood,
mijn haar verdwenen, de pijn
haast onverdraaglijk. Toch
mag ik niet klagen, ik moet
ze in mij absorberen,
ze bij de mijne voegen
voor jouw vrijheid. Hoewel ik
zwak ben, doe ik wat jij
niet kunt. Wie is er nu bang
voor mijn kracht? Wie weet, misschien
baan ik een weg naar buiten.
Want vuur kan ook heel mooi zijn.

woensdag 21 oktober 2015

Gedicht: Verdediging

Verdediging

Ik heb eens goed gekeken
maar ik sta hier helemaal
niet wankel. Ik kijk neer op
de toegangsweg en weet dat
ik dikke muren heb en
pijlen, pek, water genoeg
om je te weerstaan zo lang
dat je ooit op moet geven.
Dat ik niet sterk genoeg was
bleek lasterpraat. Je spionnen
heb ik betrapt, verbannen
uit mijn rijk. Ze kunnen niet
meer liegen, sabotage 
plegen of gif verspreiden.
Ik ben gemotiveerd om
vol te houden. Ik zie aan
de horizon banieren
waaien. Ik word snel ontzet.

zaterdag 17 oktober 2015

'De loser die wint ...' - The Making Of ... (3): Een been dat niet meewerkt

Ondertussen zijn we weer een week verder en is de titel van mijn boek veranderd. De uitgever stelde voor ervan te maken: 'De loser die wint ... Als God je verhaal vertelt'. Dat bekt toch net wat lekkerder en dekt tegelijk prima de lading. Ik heb van de week de laatste correcties in de proef aangebracht, en kreeg ook al de coverontwerpen onder ogen. Dat allemaal wil zeggen dat het moment van publicatie nu wel heel dichtbij komt. Dat is wel een raar idee, na bijna drie en een half jaar.

Tijdens het schrijven van dit boek werd ik zelf ook weer met mijn zwakheid geconfronteerd. Zoals mijn vrouw wel eens tegen me zegt: 'Je bent heel hard voor jezelf. Maar in je boek schrijf je juist dat dit niet uitmaakt. Ook al lukt het je niet aardig te zijn voor jezelf, God houdt toch van je en uiteindelijk zal alles goed komen."-of woorden van die strekking. Ze zegt ook wel eens: "Als ik al zo van je kan houden, met al die tekortkomingen die jij in jezelf denkt te zien, dan moet de liefde van God voor jou nog veel groter zijn! Denk je het eens in!" En ik weet dat ze gelijk heeft, maar toch lukt het me niet goed te ontspannen.
Lezers hebben het ook over 'Indrukwekkende Vrijheid' gezegd, dat het leek alsof ik nog tegen mezelf aan het preken was. Dat ik zelf nog niet vrij was toen ik het schreef. Dat klopt! Ik dacht bijvoorbeeld nog dat hetgene waar ik mee worstelde, verslaving of passiviteit was. Dat ik mezelf moest dwingen om goede of nuttige dingen te doen. Nou, laat ik maar zeggen dat ik heb ontdekt dat dit niet echt mijn probleem is. Ik vind het eerder moeilijk tot rust te komen. Vooral omdat ik me veel aantrek van de mening van anderen. Bijvoorbeeld op kantoor.
Zo was 2011 voor mij geen makkelijk jaar. Om te beginnen was de koers van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ingrijpend gewijzigd, van een wetenschappelijk tijdschrift naar een journalistiek vakblad met vaste rubrieken. Daarbij werd veel van mij gevraagd, onder andere om voor een deel van het blad verantwoordelijk te zijn. Aanvankelijk onder een eindredacteur, maar toen die werd ontslagen, bleek ik die verantwoordelijkheid opeens in mijn eentje te moeten dragen. Terwijl ik juist had aangegeven opnieuw last te hebben van slaapproblemen. Elke maand weer moest ik ervoor zorgen dat alle rubrieken gevuld waren, en er niets fout ging met de artikelen. En dat was funest voor mijn nachtrust. Slaap is altijd al mijn achilleshiel geweest, en dit jaar maakte ik opnieuw korte nachten, waarin ik acht of negen keer per nacht wakker werd. En toch ging ik door.
De stress had nog andere symptomen. Ik zweette bijvoorbeeld veel en had vaak hoofdpijn. Elke dag opnieuw kwam rond drie uur de man met de hamer langs. En sinds 2009 had ik ook nog eens last van vrij ernstige eczeem, die ik tot bloedens toe open krabde. Ik had zalfjes voorgeschreven gekregen, maar ik moest er elke dag aan denken die te smeren. En vooral als je toch al slecht slaapt en moe bent, wil dat er nog wel eens bij inschieten. Vooral die plek boven op mijn rechtervoet, toch al uit het zicht. Ik wreef er vaak over met mijn andere hak, en de plek schilferde helemaal af. Ik was er niet goed aan toe. Ik kreeg in die periode verkering met Bianca, en ze was zelfs bang dat ik me kapot zou werken. Ik zag namelijk elke keer dat we elkaar zagen lijkbleek en had elk weekeinde hoofdpijn. Ze kende me ook alleen met van de stress opgetrokken schouders. Ik wist echter niet wat ik eraan kon doen. Het Tijdschrift moest immers elke maand gemaakt worden, ik moest er zijn voor mijn vriendin, en ga zo maar door ... En dan heb ik het nog niet eens over alles wat ik volgens de kerk voor God zou moeten doen of laten!

Bianca had mij dus eigenlijk alleen maar gespannen (of zelfs overspannen) meegemaakt. Tot maart 2012 (toen we dus al meer dan vier maanden verkering hadden). Toen had ik namelijk een week vrij genomen  om een begin te maken aan mijn boek. Op onze vaste avond samen ging ik naar onze ontmoetingsplek op Utrecht CS. En Bianca's ogen werden groot. Want nu zag ze me met ontspannen schouders, en een rustig gezicht. Zelfs mijn stem was volgens haar anders. Zoveel effect had het dus op me om met schrijven bezig te zijn!
Na die week moest ik echter terug naar kantoor. Ik schreef in de trein en in de lunchpauze en schoot aardig op.  Maar mijn slaap werd wel weer slechter. En het eczeem op mijn voet bleef ik open krabben. Tot ik eind april ziek werd. Het begon met plotselinge koorts tijden een redactievergadering. Ik voelde me heel beroerd. De dag erna was ik weer goed genoeg om naar kantoor te gaan, maar 's middags keerde de koorts terug. Ik meldde me ziek. De treinreis was een marteling. Maar eigenwijs als ik was, dacht ik dat het vanzelf wel over zou gaan met genoeg paracetamols, dus ik nestelde me op de bank met de film Les Miserables uit 1998. Het was erg raar Fantine aan koorts te zien overlijden, terwijl ik duizelig op de bank zat. De volgende dag was het niet beter. De thermometer gaf 39,5 aan. Maar ik bleef hopen dat het wel mee zou vallen. Ik lag op bed, en had een fles water op de kast in de buurt gezet, maar ik voelde me te zwak om te gaan zitten en te drinken. Ik kon niks anders dan liggen. Berichtjes van mijn vriendin via facebook beantwoordde ik met eenregelige zinnen - niet met hele epistels zoals gebruikelijk. En mijn voet deed ondertussen ook pijn, maar ik keek er niet naar.
De dag erna was het nog steeds niet beter. En toen belde ik mijn ouders -allebei huisarts. Ik durfde bijna niet te vertellen dat ik dacht dat er iets met mijn been aan de hand was, omdat ik bang was dat ze me zouden zeggen dat ik niet goed voor mezelf gezorgd had, dat ik had moeten smeren, of iets dergelijks. Maar niets van dat alles gebeurde. Ze kwamen naar me toe, twee man sterk, en bekeken mijn been. Dat was helemaal rood en opgezwollen. Tot bijna twee keer de normale omtrek. Als ik erop ging staan, leek het alsof ik met naalden werd gestoken. Ik kon me bijna voorstellen hoe het was gemarteld te worden.
Wat was er aan de hand? Mijn ouders wisten het, ook al het ik er nooit van gehoord, maar daar waren zij huisarts voor: wondroos. Erysipelas. Als je een sterke maag hebt, moet je er maar eens op googelen, maar de plaatjes zijn niet prettig. Een bacteriƫle infectie van de diepe lagen van de huid. Waarschijnlijk het lichaam binnengekomen via de eczeemplek. En zonder antibiotica kan het dodelijk aflopen. Ik had bijvoorbeeld in shock kunnen raken. Of het weefsel had kunnen gaan afsterven! Gelukkig waren we er op tijd bij. Ik werd door mijn ouders meegenomen. Ik kreeg een zware antibioticakuur. Mijn been werd steeds gekoeld en ingezwachteld, om de druk te verminderen. Ik was, eigenlijk voor het eerst in mijn leven, werkelijk doodziek.
Langzaam ging het beter. De pijn nam af, mijn been was steeds minder opgezwollen, en de rode kleur trok een beetje weg. Ik kon er ook al een beetje op lopen. En zodra ik goed genoeg was om rechtop te zitten, ging ik verder met schrijven. Want uitzieken (of mezelf rust gunnen) zit niet in mijn systeem. Twee weken nadat ik ziek werd (mijn ouders vonden het eigenlijk nog te vroeg, want ik zat nog onder de antibiotica en was na een treinreis al doodmoe) ging ik naar kantoor. Die eerste dag was echter een ramp. Opmerkingen die ik kreeg, suggereerden dat ik me al eerder beter had moeten melden, dat ik te makkelijk met mijn ziekte was omgegaan. En ik voelde me daardoor zo wanhopig, dat ik spijt had dat ik op de vijftiende verdieping woonde. Want voor het eerst drong serieus de gedachte zich bij me op om over de reling van het balkon te springen. Ik wist die gelukkig dezelfde avond nog te verdringen. Zo belangrijk is mijn werk nou ook weer niet. Maar deze gedachten suggereerden wel hoe gevoelig ik nog steeds was voor kritiek. Hoe gevoelig ik was door anderen 'zwak' gevonden te worden.
De weken erna schreef ik mijn boek af. Ik had in de praktijk ondervonden wat het is 'zwak' te wezen. Niets anders te kunnen dan op bed liggen en voor me te laten zorgen. Mijn zelfverwaarlozing te laten zien, zonder bang te zijn voor oordeel, en met de gevolgen te leren omgaan. En ik moest leren mijn eigen 'zwakheid' te respecteren. Goed voor mezelf te zorgen. Niet teveel van mezelf te vragen. Die lessen leerde ik echter pas echt toen ik het najaar erop voor de tweede keer ziek werd, de week nadat ik Bianca ten huwelijk had gevraagd. Ik had met eczeem namelijk opnieuw verwaarloosd. Dit keer herkende ik de symptomen gelukkig eerder en durfde ik ook iets eerder om hulp te vragen. Ik realiseerde me toen ook wat ik moest doen om de stress tegen te gaan: schrijven! Daar zal ik echter op ingaan als ik de 'Making of ...' schrijf van 'De Krakenvorst'!

Van deze episode in 2012 heb ik littekens overgehouden. Sommige zijn voor mij goed te zien, namelijk de totaal donkere plek op mijn voet, waar het eczeem heeft gezeten. De vlekken daar zullen waarschijnlijk nooit meer verdwijnen. Gelukkig zit er altijd een schoen overheen. Andere zijn minder opvallend. Mijn rechterbeen heeft namelijk ook een klap opgelopen. Ik moet nu al jaren op warme dagen een steunkous dragen, want de bloedvaatjes zijn door de ontsteking beschadigd. En als ik sneetjes of wondjes oploop, kan de wondroos makkelijk terugkomen. Dit voorjaar nog had ik mijn been gestoten, en kleurde opeens mijn been weer rood, en werd warm. Gelukkig kreeg ik geen koorts, en kon ik door te koelen de zwelling terugdringen. Maar mijn been blijft 'wonky' en zal waarschijnlijk de rest van mijn leven niet blijven meewerken.
Het is voor mij een teken dat het (letterlijk) van levensbelang is dat ik leer mezelf te accepteren, inclusief de terreinen waarop ik mezelf als 'zwak' zie, waar ik denk dat ik eigenlijk harder voor mezelf moet zijn, mezelf moet dwingen te presteren of mee te kunnen komen met de rest. Ik ken uit eigen ervaring de consequenties, en voor mijn vrouw en voor mijn vrienden kan ik het niet riskeren nog eens ziek te worden. Dus heb ik mijn eigen boek nodig.
Ook dit keer is het een preek tegen mezelf. Ik heb het nodig te weten dat het verhaal dat God vertelt niet om mij en mijn prestaties draait, maar dat Hij mij betekenis geeft door zijn liefde, en dat die in geen enkel opzicht van mij afhankelijk is. Het verhaal loopt goed af, dat heeft Hij belooft, en noch mijn zwakheid, noch mijn kracht, kan daar enig verschil in maken. Dat maakt de boodschap van Jezus goed nieuws. Vooral voor mij.

Houd deze plek in de gaten! Volgende week plaats ik een klein voorproefje van mijn boek!

zondag 12 juli 2015

Gedicht: Terugblik

Terugblik

Vanaf de hoogte kijk ik
terug naar vanwaar ik kwam:
een landschap uitgespreid
in de diepte. De toppen
van bergen boven de mist.
Maar ik heb ze nooit bereikt.
Ik had droog kunnen lopen
in plaats van steeds te waden
door het moeras. Ik zag niet
dat er een andere weg was.
Miste het teken, zag het
aan voor een waarschuwingsbord.
Ik zag niet de vergezichten,
door anderen aangeprezen.
Stootte mijn benen, modder
kleefde aan mij, bloedzuigers
lieten mij maar node los.
Ik overleefde, vond kracht
onvermoed zonder de strijd 
en nieuwe metgezellen.
Ik zal het pad van de jeugd
nooit volgen. Herinnering
blijft altijd vocht bevatten
en geen warmte. Teruggaan
is onmogelijk. Maar dit is
een nieuwe start. De zon 
schijnt op mij, een briesje woelt
in mijn haren en ik zie
nu niet meer onbereikbaar
de bestemming voor mij.

maandag 22 juni 2015

Het spel verlaten (5 en slot): Verantwoordelijke volwassenen

Ik had nooit gedacht dat ik nog eens vijf essays van meer dan tweeduizend woorden elk zou schrijven naar aanleiding van Tron Legacy, maar de film bleek voor mij een mooie kapstok voor ideeĆ«n die al langer in mijn gedachten rond slingerden. Zoals bij elke filmbespreking kan ik niet zeggen of de filmmakers deze uitleg letterlijk voor ogen hadden bij het opnemen en monteren. Maar dat is (zoals ik betoogde) niet doorslaggevend. George MacDonald heeft ooit gezegd dat terwijl Gods werk niet meer kan betekenen dan Hij bedoelde, dat van de mens wel meer moet betekenen dan hij bedoelde. “Een mens kan heel goed zelf een waarheid ontdekken in wat hij schreef, want hij had te maken met zaken die voortkwamen uit gedachten hoger dan de zijne.” In het verhaal wordt voor mij iets van de waarheid onder alle dingen zichtbaar, mijn verlangen wordt erdoor opgewekt, en dat is mijns inziens wat telt.
Het laatste beeld uit deze film dat ik wil aanstippen komt uit het einde van het verhaal. Ik had al aangestipt dat Sam aan het eind van het verhaal zijn volwassen verantwoordelijkheid op zich neemt. Hij durft initiatieven te gaan nemen, zich te bemoeien met zijn erfdeel, en een relatie met een vrouw aan te gaan. Hij is niet langer een recalcitrant kind, dat afhankelijk is van de goedkeuring van zijn vader, die helaas is uitgebleven, maar hij kan op eigen benen staan. Hij is zeker van zijn eigen waarde. Daarom is aan het einde van de film zijn vader ook niet bij hem. Maar hij draagt om zijn hals wel een ketting, met daaraan een USB-stick. Ook al ziet en spreekt hij zijn vader niet meer, hij hoeft alleen maar naar die stick te kijken om aan zijn vader herinnerd te worden. Sterker nog: die stick bevat een kopie van de computerwereld die zijn vader gemaakt heeft. Het is een symbolische herinnering en tegelijk de wereld zelf! Zolang Sam de USB-stick ziet en kan aanraken, kan hij niet twijfelen aan wat hij heeft meegemaakt, en wat zijn vader hem vertelde. Het is echt, en dat blijkt uit de stick, hoe klein het apparaatje ook lijkt en hoe levenloos het er van buiten ook uitziet. Het is het enige dat Sam nodig heeft om zijn leven als volwassen man te gaan leiden.

De bijbel suggereert dat God wil dat we volwassenen zijn. De profeten in het Oude Testament suggereren dat God IsraĆ«l deed opgroeien tot volwassene, maar teleurgesteld was dat het volk zich als kind bleef gedragen. Het Nieuwe Testament zegt dat we tot ‘volle wasdom’ moeten komen. En in HebreeĆ«n merkt Paulus op dat het niet de bedoeling is dat we melk moeten blijven drinken, maar vast voedsel moeten aankunnen. In de kerk worden gelovigen echter vaak kinderen gehouden. Een ‘kinderlijk geloof’ wordt opgehemeld boven zelf nadenken, vragen stellen, een eigen mening vormen.
In werkelijkheid is dit niet anders dan een systeem van controle, dat ook gebruikt wordt in gezinnen waar sprake is van misbruiksituaties. Ik had het hier laatst met iemand over, die in zo’n gezin is opgegroeid, met ouders die voortdurend over haar grenzen heen kwamen. Ze vertelde dat haar ouders haar bewust in het stadium van ‘magisch denken’ van een kind hielden. Ze maakten haar wijs dat als zij slechte of boze gedachten had, dat er dan slechte dingen zouden gebeuren. Ze vertelden haar dat ze over alle gedachten eerlijk moest zijn, omdat mensen toch wel aan haar konden zien wat ze dacht. Ze moest alle vragen beantwoorden, en mocht niet naderhand van idee veranderen. Ze voelde zich dus gedwongen ook als volwassene al haar ideeĆ«n en gedachten te openbaren en iedereen er over te laten oordelen. En ze voelde zich diep schuldig bij een slechte gedachte, omdat ze bang was dat die noodzakelijk ook waarheid zou worden. Bovendien kon ze die ideeĆ«n niet corrigeren, omdat ze niet mocht vertrouwen op gezond verstand of de wetenschap. Dat had ze dan wel op school geleerd, maar haar ouders wisten wel beter. Natuurlijk was voor mij als buitenstaander te zien hoe haar ouders deze ideeĆ«n gebruikten om haar te manipuleren. Ze had immers niet de vrijheid om zelf over haar gedachten te oordelen en te kiezen of ze ze werkelijkheid wilde maken (door ze uit te voeren of uit te spreken). Hierdoor waren haar ouders in staat om haar van alles wijs te maken - en andere mensen ook. Zoals je een kind van alles kunt wijsmaken. Een kind heeft ook nog niet geleerd dat het zijn ideeĆ«n mag toetsen en mag wijzigen, dat het zelf ‘eigenaar’ is van de eigen binnenwereld. En dat het zelf verantwoordelijk is voor hoe de binnenwereld de buitenwereld beĆÆnvloedt. De ouders van degene met wie ik sprak, hadden haar doen geloven dat die verantwoordelijkheid bij hen lag, en niet bij haar.
Ik zag een sterke overeenkomst met hoe ik was opgevoed in de evangelische kerk. Want ik had hetzelfde ‘magische’ idee meegekregen, namelijk dat als er een bepaald verlangen of idee in mij opkwam, dat gelijkstond aan het plegen van een zonde. De gedachte had dezelfde morele lading als de daad zelf. Ik kan echter niet verantwoordelijk zijn voor de gedachten die in mijn opkomen, ik kan niet verantwoordelijk zijn voor waar ik naar verlang. En dus moest ik ook mijn innerlijke leven, mijn verbeelding, laten beoordelen door de kerk, door de leer. De mening van anderen was altijd belangrijker dan die van mij. Ik mocht niet vertrouwen op mijn eigen denken, of mijn waarnemingen. De wetenschap werd gewantrouwd, de kerk was de enige bron van zekerheid. De kerk nam dus de rol van een ouderfiguur in. Ik moest elke gedachte wegen naar de normen van de kerk, en als er een verkeerde tussen doorglipte, moest ik boete doen en om vergeving vragen alsof ik een misdrijf begaan had. Ik stopte bijvoorbeeld met het tekenen van stripverhalen samen met mijn broer, omdat er wel eens mensen in doodgingen (de hoofdpersoon was Ewout Jansen, geheim agent 008), en een verhaal schrijven waarin iemand doodging, was gelijk aan iemand vermoorden. Maar ik mocht ook geen verlangen voelen naar een vrouw! Want dat verlangen stond gelijk aan overspel! Dus bij elk glimpje verlangen dat opborrelde, ging ik doen wat de kerk mijn voorschreef: bidden, bijbel lezen, evangeliseren - alles om maar als een ‘goed christen’ te worden gezien. Door mij in het magische denken van een kind te houden, kreeg de kerk voor elkaar dat ik me voor haar inzette en haar doelen boven de mijne stelde. Net als degene met wie ik sprak over misbruik de doelen van haar ouders diende, en hun vernederende woorden en daden heel lang accepteerde, omdat ze geestelijk gezien een kind werd gehouden, en haar verantwoordelijkheid door hen was overgenomen. Het is manipulatie!
Ik ben geen kind meer. Ik doe niet meer automatisch alles wat in mij opkomt. Ik ben verantwoordelijk voor mijn daden. Ik kan ervoor kiezen anderen met respect te behandelen als waardevolle individuen. Ik kan beslissen God lief te willen hebben boven alles, en mijn naaste als mezelf. En dat betekent dat ik ook vrij ben in mijn denken. Ik hoef niet meer politieagent te zijn voor alles wat in mijn opkomt, of alles zomaar te delen. Ik mag alles denken, en vervolgens kiezen wat ik ervan wil zeggen of in praktijk brengen. Dit las ik op een forum: “There's a (very false) assumption in society that what we imagine is what we want, unconsciously or consciously. As anyone who's been through proper treatment for intrustive thoughts will tell you, a thought or an imagining does not equal a desire. The imagination is mental play for people of all ages. It allows us to have experienes we might not otherwise have "in real life," as it were. I can enjoy imagining being a double agent on a deadly mission to preserve world peace or something, whether it's all in my own head or with the aid of a piece of media. But I'll be damned if I ever do such a thing in real life, no only for the complete lack of plausibility, but because it's not something I have the least bit of interest in pursuing.” Het verhelderde een boel! Dit had ik in de kerk echter niet geleerd! De kerk was er nooit van uitgegaan dat ik voor mijn eigen handelen verantwoordelijk zou kunnen zijn. De kerk vertrouwde me niet. De kerk wilde mij een kind houden.

Let er overigens op dat er in beide gevallen, bij ouders die schuldig zijn aan misbruik, en bij een controlerende, fundamentalistische kerk, een sterk transactioneel element in de relatie zit. De relatie tussen kind en ouder is immers ongelijk. Het kind kan de ouder boos maken, en verdient dan straf. Of het kan de opgedragen karweitjes doen, en dan beloond worden. En als het niet de karweitjes doet, dan zwaait er wat. Voor het kind voelt dit als absoluut, omdat het in alles van de ouder afhankelijk is. Het kan niet op eigen benen staan. Dus moet het gehoorzamen. Het kan niet in twijfel trekken wat de ouder zegt. Een goede ouder zal dat wel toelaten en het kind eigen keuzes laten maken, maar een slechte ouder doet dat niet, omdat die zo macht over het kind behoudt (waardoor de opvoeding bijvoorbeeld makkelijker wordt). Ikzelf was bijvoorbeeld tot in mijn twintiger jaren heel bang dat een van mijn ouders boos op mij zou worden, bijvoorbeeld als ik een laag cijfer zou halen tijdens mijn studie, of als ik mijn baan zou kwijtraken. Ik ging, ook al was ik wat leeftijd betreft al lang volwassen, met hen om als was ik een klein kind en kon ik hun goedkeuring of acceptatie verdienen door aan hun verwachtingen te voldoen. En daardoor liet ik me door hen controleren en was ik niet in staat mijn eigen leven te leiden. Zoals ik me ook lange tijd door de kerk liet controleren in plaats van mijn eigen prioriteiten te stellen.
De laatste tijd is mijn relatie met mijn ouders echter enorm verbeterd. Ik heb namelijk besloten dat ik van mijn kant als volwassene met ze wil omgaan. Dat wil zeggen dat ik mezelf zie als verantwoordelijk voor mijn eigen leven, voor mijn eigen keuzes. Ik hoef geen verantwoording meer aan ze af te leggen, ook niet voor mijn overtuigingen of plannen. Ik heb er lang genoeg over nagedacht, en ben niet kinderlijk impulsief. Ik vertrouw mezelf. En ik verwacht van hen niet meer dat ze mij moeten goedkeuren, of dat ze het eens moeten zijn met alles wat ik doe of denk. Zij zijn ook volwassen, hebben hun eigen overtuigingen en voorkeuren, en die wil ik respecteren. Mijn ouders mogen zichzelf zijn. Maar ik zal ook mezelf blijven. Als volwassenen van beide kanten kunnen we elkaar in de ogen kijken, en met elkaar praten en van elkaar leren. En soms botsen we, en zijn we het niet met elkaar eens, maar dat kan als volwassenen!
Van mijn kant ben ik minder transactioneel geworden, maar meer sacramenteel. Ik wil mijn liefde voor mijn ouders laten zien, niet om door hun bevestigd te worden, maar omdat ik van ze houd. En dus spreken we soms iets af, gaan we bijvoorbeeld naar de stad of het museum. Maar als dat een paar maanden niet gebeurt, voel ik me ook niet schuldig. Van mijn kant uit probeer ik hun liefde ook te zien in wat ze doen en zeggen, en het niet op te vatten als een transactie, waarbij ze in ruil voor hun acceptatie van mij een ‘braaf’ gedrag verwachten. Het is voor mij een bevredigende ontwikkeling. Ik zie bijvoorbeeld steeds meer eigenschappen in mijn ouders die ik van mezelf herken, en kan ze steeds meer als mens waarderen. Maar ook mijn ouders zij er volgens mij blij mee, want ze zijn net als ik veel meer ontspannen als we bij elkaar zijn, durven vrijer te lachen, en durven ook vaker contact op te nemen. Ja, ze genieten ervan om met een volwassen zoon om te gaan.

Deze ervaring heeft me ervan overtuigd dat God ook belang hecht aan een volwassen relatie met ons. Ja, we blijven zijn kinderen (ik blijf ook kind van mijn ouders), maar dat wil niet zeggen dat we kinderlijk blijven. Jezus noemt ons niet langer zijn slaven, maar zijn vrienden. En in Galaten zegt de wet toezicht op ons hield, als op minderjarige kinderen, “maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht” (Galaten 3:25). In het Oude Testament gaat God met zijn mensen niet om als met kinderen, maar als met vrienden. Hij discussieert met Abraham, met Mozes, met Job. Hij blijft in die gesprekken zichzelf, maar hij laat hen ook zichzelf blijven. Hij accepteert het als ze weerwoord geven, maar laat ook zijn eigen glorie zien als ze hem in twijfel trekken. De vonken vliegen er soms van af! Maar, zoals God tegen Mozes zegt in de bioscoopfilm van laatst: “And still, here we are, talking …
In de Joodse geloofsbeleving is het veel gebruikelijker om met God te discussieren. Er zijn zelfs gevallen bekend van een rechtszaak tegen God, zelfs na de holocaust, waarbij de deelnemers besloten dat God wel wat uit te leggen had. En waarna ze daarna gewoon gingen bidden. Op deze manier met God omgaan is alleen mogelijk op basis van wederzijds respect, en dat is sacramenteel, niet transactioneel. Door zijn onvoorwaardelijke liefde creƫert God een speelveld waarin wij daadwerkelijk vrij zijn. Waarin we mogen experimenteren, fouten maken, en van onze fouten leren. Waarbij we onze grenzen mogen ontdekken, en ontdekken wat onze verlangens zijn. Waarbij we mogen opgroeien. Want dat is nodig om volwassen te worden. Zoals goede ouders hun kinderen als tieners liefdevol de vrijheid geven een eigen identiteit te ontwikkelen, door ze duidelijk te maken dat hun liefde niet voorwaardelijk is, zo doet God het met ons ook. Hij is als de vader in de gelijkenis, die de armen opent om ons thuis te verwelkomen, wat we ook hebben gedaan. Hij respecteert altijd onze keuzes.
Wat is de rol van de kerk hier dan in? De kerk is, als het goed is, de plek waar we herinnerd worden aan die onvoorwaardelijke liefde van God, die ons in onze identiteit kan brengen. De kerk stelt, als het goed is, geen voorwaarden en houdt ons niet kinderlijk, maar biedt ons de tekenen aan van Gods liefde aan. In het woord, in brood en in wijn. Dat zijn de zichtbare tekenen van de onzichtbare waarheid, die altijd waar is, ongeacht wat zichtbaar is, namelijk dat God van ons houdt, en ons uit de dood weer levend maakt. Het enige dat van ons gevraagd wordt, is onze handen op te houden en het te ontvangen. Om ‘Amen’ te zeggen als de bedienaar van het sacrament zegt: ‘Dit is het lichaam van Christus’, of ‘Dit is het bloed van Christus’. Niet ‘Dank je wel’ - dat zou weer een transactie suggereren, en dat is hier niet aan de orde. We zeggen: ‘Zo is het’, want zo is het. God houdt van ons, of we nu dankbaar zijn of niet. En dan mogen we in de zekerheid van die liefde de kerk weer uitgaan en gaan leven.
Als Gods volwassen kinderen. 

zaterdag 20 juni 2015

Het spel verlaten (3): Het grootste privilege

Mijn vrouw heeft een heel andere opvoeding gehad dan ik. Zo is ze niet in een evangelische kerk opgegroeid. Dat zorgde ervoor dat ze sommige kanten van mij niet goed begreep. Want zij ziet mij als een sympathieke, leuke man, die enorm veel voor haar over heeft, altijd een luisterend oor heeft, goede ideeĆ«n heeft, heel creatief is, veel weet over diverse onderwerpen, gepassioneerd is op heel veel terreinen, anderen in hun waarde laat en die werkelijk goed is. Terwijl ik voortdurend worstel met het gevoel dat ik tekortschiet, dat ik te weinig doe voor God, dat ik zondig of pervers ben. Ik leg mezelf en alles wat ik doe of denk op een weegschaaltje, en ben steeds bezorgd dat het misschien niet goed zou zijn. Een grote bron van stress in mijn leven, en voor haar onbegrijpelijk. Tot ze deze blog van Samantha Field las over de kenmerken van een fundamentalistische kerk: “Fundamentalists rely almost exclusively on shame as their motivation for ethics and morality. In Christian fundamentalist theology, humans are incapable of truly responding to positive motivators like trust or love. According to them, each of us is a lowly worm that must be brutalized into compliance. This springs from the belief that we’re basically all a hair’s breadth away from being a child molester.”

“Zo gaat het bij jou ook”, zei ze. “Je denkt dat je maar een verkeerde keuze hoeft te maken, en je trekt al plunderend en verkrachtend door Delft, of zinkt weg in een poel van verderf en verslaving.” Zij maakt zich hier helemaal geen zorgen om, want volgens haar ben ik gewoon niet zo. Net zo lachten studievrienden om me toen ik zei dat ik misschien geen playstation moest kopen, omdat ik er wel eens verslaafd aan kon raken. Zij kenden me beter dan ik mezelf kende. Het punt is: ik mag niet over mezelf denken dat ik een goed mens ben. Ik moet mezelf zien als iemand die ten allen tijde onrein is, in wie niets goeds schuilt. Mijn hart is arglistig, is wat ik heb meegekregen. Als een kind een koekje steelt, laat hij daarmee al zien de straf van God te verdienen (eeuwige pijniging), want God is heilig, en kan zelfs het kleinste onrecht niet verdragen. Dus inderdaad: of ik nu een enkele zonde doe of volledig pervers ben, het maakt niet uit: ik ben het oordeel waard. Ik liep laatst naar het station in Delft en kwam voorbij een straatevangelist. Bij hem stond een auto, met posters en stickers, die uitdroegen dat ik voor Jezus moest kiezen. Er stond ook een lijst bij voor wie die boodschap bestemd was: ‘Moordenaars, overspeligen, dieven, …’ Ik heb de lijst niet eens helemaal gelezen. De boodschap was duidelijk. Ik kon wel van mezelf denken dat ik een goed iemand ben, voor God hoor ik thuis in deze categorie van verderfelijke mensen. En alles wat ik doe, evenzo. Wat ik zelf wil, de verlangens die uit mezelf opkomen, zijn ‘het vlees’. Ik moet eraan sterven, en alleen doen wat God wil dat ik doe, zogenoemde geestelijke activiteiten. Bijvoorbeeld liefde kon niet uit mezelf opkomen, dat moest God geven. Dus geloofde ik echt dat mensen buiten de kerk, bijvoorbeeld mijn studievrienden, elkaar niet echt konden liefhebben. Dat ze om volledig zelfzuchtige redenen bij elkaar bleven en elkaar trouw waren. Want alleen christenen konden echt liefhebben …
Net zo voor mijn talenten, mijn passies, waar ik goed in ben en wat ik graag doe. Dat zijn ‘natuurlijke gaven’, en dus in de kerk en voor God waardeloos. In het oordeel zullen ze door het vuur vergaan. Alleen de ‘geestelijke gaven’, die de Heilige Geest op bovennatuurlijke wijze schenkt, hebben voor God waarde. Ik moest als de dood zijn voor trots, want dat was de oorspronkelijke zonde. Als ik iets heel leuk vond, of blij was dat ik iets gepresteerd had, zou het dus tussen mezelf en God in komen te staan. Zo stopte artiest Keith Green met piano spelen, omdat hij het idee had dat hij het te graag deed! En dat was voor ons een voorbeeld van radicaliteit. Dus hield ik op een gegeven moment op met schrijven. En met het lezen van spannende boeken. Ik moest immers mezelf steeds afvragen of ik het boek ook zou lezen als Jezus over mijn schouder zou meekijken. Wat als Jezus op dit moment zou terugkomen? Wat zou hij dan van je denken als hij je zo aantreft? Koppel daaraan mijn Godsbeeld van een overgevoelige, in boosheid exploderende God, en het is duidelijk waar mijn worsteling vandaan komt.
De kerk heeft me niet geleerd dat ik met vertrouwen in het leven kan staan. Ik zou wellicht nooit hebben geblaakt van zelfvertrouwen, want mezelf bevragen hoort een beetje bij mijn persoonlijkheid, maar ik zou wel mezelf meer kunnen hebben geaccepteerd. Mijn fouten hebben kunnen relativeren en kunnen glimlachen om mijn onzekerheden. Ik zou met moed en zonder mezelf bij voorbaat te verbergen met andere mensen hebben kunnen omgaan. Ik zou me niet hebben geschaamd voor mijn passie en mijn schrijven met meer mensen hebben gedeeld. Maar dat kon niet, want de kerk leerde dat ik aan mezelf moest twijfelen. Ik sprak hier laatst over met vrienden en die zeiden dat dit niet alleen mijn ervaring was. Ook zij hadden dit meegekregen: de kerk had hen niet bevestigd in hun waarde als mens en als individu, maar ze geleerd zichzelf en hun eigen behoeften als waardeloos en zinloos te zien. En ook zij ervoeren daarvan nog steeds de gevolgen. Het was ook een van de redenen dat ze de evangelische kerk hadden verlaten, aangezien die hetzelfde wantrouwen vaak overdraagt.
De boodschap van de kerk voegde zich in mijn geval bij andere ervaringen in mijn vroege jeugd. Met name een boze ouderfiguur, die kon exploderen bij kleine vergissingen of momenten van falen, en waar ik heel angstig van werd. Iemand die zich bovendien niet met mij wilde associƫren omdat ik uit mijn onzekerheid anderen niet durfde aankijken. Dat brak mijn gevoel van eigenwaarde behoorlijk af. Net als het pesten op de middelbare school en op christelijke zomerkampen. Dat de jongens boos waren als ik in hun team was met volleybal, omdat ze dan zouden verliezen, was nog het minste. Het achternazitten, de namen, me tegen de muur duwen en onder de tafels, dat was pijnlijk. Ik was anders en dus was ik geen respect waard.

Dit alles is natuurlijk niet bevorderlijk om als mens en individu tot bloei te komen. We hebben tegenwoordig in onze maatschappij veel oog voor het privilege van bepaalde groepen in onze maatschappij. Zo hebben nog steeds mannen voordelen boven vrouwen - gemiddeld schijnen vrouwen bijvoorbeeld minder te verdienen voor hetzelfde werk, en we zijn ook bereid minder te betalen voor wat we ‘vrouwenberoepen’ noemen (zorg en onderwijs: terwijl die heel belangrijk zijn!). Wie als man geboren wordt, heeft dus een privilege. Ik denk dat het belangrijk is ons hiervan bewust te zijn, zodat we de kloof kunnen proberen te dichten. Denk ook aan het privilege van autochtone, blanke Nederlanders. Puur het hebben van een bepaalde huidskleur kan je een groot voordeel geven in het leven, dat je vaak niet eens merkt, omdat alles vanzelf gaat. Terwijl iemand met een donkere huidskleur in dezelfde levensfasen tegen vooroordelen aanloopt, niet makkelijk vertrouwd wordt, en niet dezelfde kansen krijgt. Ook hiervan wil ik me als blanke man bewust zijn en zien dat het voor sommigen niet eerlijk is, zodat ik niet zelf eraan bijdraag. Maar toen ik het hierover had met mijn vrouw, kwamen we tot de conclusie dat het grootste privilege toebehoort aan mensen die als kind in een liefdevol gezin zijn opgegroeid. Al zijn ze vrouw, homo of allochtoon: als ze thuis hebben meegekregen dat ze inherent betekenisvol en liefde waard zijn, dat hun keuzes respect verdienen, en dat ze in staat zijn tegenslag te overwinnen om een goed leven te leiden, kunnen ze de nadelen die ze vanuit hun geslacht, geaardheid of afkomst ondervinden overwinnen. Ze kunnen het beste maken van hun situatie, en laten zich door tegenwind niet ervan weerhouden te genieten en lief te hebben. Maar ook al ben je man, hetero en blank, als je door kritische, boze ouders bent opgevoed, bent gepest, of in de kerk te horen hebt gekregen dat je niets waard bent, dan kun je nog zoveel onzichtbare voordelen hebben, je zult toch vaak falen, je zult struikelen. Je loopt de race met een verzwikte enkel, kritiek komt diep in je ziel binnen, je ziet de kansen niet die voor je liggen, je durft geen risico’s te nemen, je wordt boos en vervreemdt anderen van je en je ontwikkelt gezondheidsklachten.
Maar onze maatschappij heeft nauwelijks oog voor dit privilege. Want (net als bij de andere privileges - mannen, hetero’s en blanken willen vaak niet toegeven dat hun leven makkelijker loopt omdat ze man, hetero en blank zijn) willen we geloven dat ons succes het gevolg is van onze eigen inspanning. We willen geloven dat we het alleen aan ons eigen harde werken, onze eigen wilskracht te danken hebben dat we een leuke baan, lieve kinderen en een slank lichaam hebben. En wie dat niet heeft, heeft het aan zichzelf en zijn gebrek aan wilskracht te wijten. Het is waarom discriminatie van dikke mensen nog steeds niet taboe is.
Laatst was in het nieuws dat een derde van alle artsen in staat wil zijn medische hulp te weigeren aan mensen met een ongezonde levensstijl. Wie rookt, te zwaar is of geen conditie heeft, had maar harder moeten werken. Nu mag hij in elk geval voortaan niet meer genieten van het leven, en zich geen verzetje meer gunnen. Alsof er geen onderliggende redenen zijn waarom mensen naar een sigaret of naar eten grijpen, alsof stress in zichzelf niet dik maakt en depressie de zin in sport niet onderuit haalt. Alsof het niet moeilijk is gezond te eten als je weinig geld hebt, omdat ongezond eten nu eenmaal goedkoop en makkelijk is. Nee, maar de gezonde, gelukkige mensen moeten vooral niet het idee krijgen dat het slechts ‘geluk’ is dat ze zo zijn, dat als ze in een ander gezin waren opgegroeid ze net zo ongezond of onsuccesvol zouden zijn, dat ze er geen recht op zouden hebben. De waarheid is dat ze tot een geprivilegieerde groep behoren, namelijk van de mensen die met liefde en geloof in zichzelf zijn opgevoed. Niet iedereen deelt dat privilege.

In Tron Legacy wordt Sam opgezocht door een oude vriend van zijn vader, Alan Bradley. Sam heeft veel geld, omdat zijn vader eigenaar was van een groot bedrijf en hij nu de aandelen heeft. Maar Alan merkt op dat hij woont in een omgebouwde scheepscontainer. Hij is niet getrouwd, heeft geen vriendin, maar alleen een hond. Hij heeft zijn opleiding niet afgemaakt. Hij doet eens per jaar een inbraak in ‘zijn’ bedrijf en haalt stunts uit om het management te pesten, maar bemoeit zich verder niet met de koers ervan. Hij zoekt de kick van de adrenaline, maar negeert het feit dat hij onder de blauwe plekken zit. En hij heeft geen plannen voor de toekomst. Sam suggereert dat Alan beter maar weer kan gaan, en ze elkaar voor de vorm over een paar jaar wel weer een keer kunnen ontmoeten.
Maar Alan heeft een troef achter de hand. Een boodschap die van Sams vader zou kunnen zijn. En dat zet het verhaal in gang. Sam komt terecht bij zijn vader, die hij al twintig jaar niet heeft gezien. Maar eerst lijkt Kevin Flynn hem te negeren (in de snelle computerwereld is voor Kevin Flynn nog veel meer tijd voorbijgegaan, is de suggestie), en voor Sam is dat een zware klap. Vooral als ook zijn vader teleurgesteld lijkt in hem en in wat hij van zijn leven gemaakt heeft. Dus probeert hij zich alsnog aan zijn vader te bewijzen. Dat loopt echter verkeerd, hij doet namelijk precies wat vijand Clu verwachtte dat hij zou doen, en brengt alles in gevaar. Maar Kevin Flynn komt en redt hem. “Waarom?”, wil Sam weten. “Terwijl ik alles in gevaar bracht?” Kevin legt een hand op Sams schouder: “You are my son.” En daarmee is alles gezegd. En daarmee weet Sam ook dat hoe zijn leven ook gelopen is, welke kansen hij ook heeft laten schieten, welke vergissingen hij ook heeft gemaakt, hij nooit de liefde van zijn vader kan verspelen. Zijn vader houdt van hem. En is bereid dat te laten zien, ook al kost het hem veel. Het kan niet verklaard worden door Sams gedrag, en Sam hoeft er niks voor terug te doen. Want hij is Kevins zoon.
Aan het einde van de film (dit zal voor niemand een ‘spoiler’ zijn, denk ik), is er in Sam wat veranderd. Ook al ziet hij zijn vader niet meer, hij weet nu van zichzelf dat hij liefde waard is en betekenis vol is voor zijn vader, en hij is zichzelf nu ook gaan zien. Hij wil meer verantwoordelijkheid nemen, zijn positie in het familiebedrijf gaan innemen, en relaties aangaan met andere mensen. Een hele verandering! En dat alleen omdat zijn vader hem liet weten van hem te houden. Zelfs al zou hij falen, of weer terugvallen, hij weet dat hij die liefde nooit kan verspelen. En dus durft hij te leven.

Ik zie hierin een reflectie van het goede nieuws. Kwam Jezus niet juist naar de minder-geprivilegieerden van de Aarde, de herders (uitgestotenen), de buitenlanders (tovenaars), de hoeren, tollenaars, melaatsen, kinderen, de overspelige vrouw en de blinde aan de kant van de weg, om ze te zeggen dat het koninkrijk was gekomen, ook voor hen? Dat God in hen welbehagen had? Dat de ‘armen van Geest’ nu gelukzalig waren? Dat de laatsten de eersten zouden zijn? Dat God van hen houdt, zonder enige voorwaarde, en hen uit de dood (hun leven was vaak al een levende dood) zou laten opstaan, zonder dat het hen iets zou kosten? Was dat niet waarom Jezus zich aan het kruis liet oprichten, om allen tot zich te trekken? Onze opmerkingen als ‘God houdt van je, maar hij houdt te veel van je om je zo te laten’, en ‘God houdt van je en hij heeft een plan met je leven’ zijn opmerkingen voor geprivilegieerden. Waarom kan de boodschap niet gewoon zijn: ‘God houdt van je.’ Daaruit komt immers alles voort! Dat doet ons rechtop lopen en geeft ons de moed het leven in de ogen te kijken. Dat wordt de bron van levend water die in ons binnenste opborrelt. Dat is wat uiteindelijk ook in onze handel en wandel zichtbaar zal gaan worden. En elke preek die ermee in strijd is, elke tweet die ons de boodschap geeft dat we niet goed genoeg zijn, of meer moeten presteren, moeten we als gif verwerpen. “Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel - vervloekt is hij!” (Galaten 1:8).

Wordt vervolgd …

woensdag 18 maart 2015

Gedicht: Bepakking

Foto: Morguefile.
Bepakking

Heel lang liep ik kromgebogen
over het smalle pad. Hijgend
op de steile stukken. Zwetend
in de zon rond 't middaguur.
Mijn spieren deden pijn. 'S Nachts
kon ik niet slapen. Mijn blik 
bleef maar dwalen naar het pak
dat in de schaduw wachtte.

Eerst werd ik ruw gedwongen
andermans last te dragen.
Daarna werd ik gevraagd, maar ik
dacht nog dat het moest. Ik pakte
achtergelaten tassen,
hees zware stenen op mijn rug.
Ik was ze voor. Niemand zei nu
dat ik betekenisloos zou zijn.

Mijn knieƫn zijn kapot. Schouders
kraken onder het geweld
waar ik voor kies. Nog even 
en ik blijf liggen in de berm
waar ieder aan voorbijloopt
onder een eigen juk. Dus werp ik
mijn bepakking af. Draag slechts
wat ik zelf nodig heb. En ren!

zaterdag 14 maart 2015

Gedicht: vleierij

Vleierij

Je zegt het niet om mij te vleien
daarvan ben ik me bewust. Ik weet
dat juist jij steeds eerlijk bent, 
je woorden altijd weegt. Zorgvuldig.
Maar toch kan ik ze niet geloven:
dat ik schrijven kan, dat ik me niet
hoef te verstoppen, dat ik straal
in duisternis. Immers: wat als ik 
je serieus neem? Ernaar ga leven
en naast mijn schoenen loop? Vergeet
dat ik niks kan, gebroken ben,
een ander altijd beter is?

En wat als ik word gestraft? Mijn trots
kan ik beter verbergen. Ik breek
mezelf al van tevoren af.
Het is mijn glorie die ik vrees,
niet mijn tekort. Voor mijn kracht
vlucht ik nu weg, verstop me uit het zicht
onder de korenmaat. Het risico
dat ik niet goed ben, is te groot.
Ik kies de brede weg. Leun niet in
tegen mijn angst. Begraaf mijn talent
in zelfkritiek. Vergeet wat jij me zegt
juist omdat jij geen vleier bent.

woensdag 17 december 2014

Filmbespreking: Anastasia

De laatste jaren ben ik me gaan verdiepen in de Russische literatuur. Niet dat je daar teveel van moet voorstellen. In Oorlog en Vrede kwam ik maar tot de helft. Gelukkig bleek daar een film van te zijn gemaakt, met Audrey Hepburn in een van de hoofdrollen, en die was ook onderhoudend. Net als de verfilming van Anna Karenina niet lang geleden. Deze boeken en films hebben iets fascinerends. En ik ben volgen mij niet de enige die dat voelt (anders zouden de films niet gemaakt worden natuurlijk). Een van de redenen is natuurlijk dat het gaat om briljante auteurs. Maar waarom zijn zoveel schrijvers uit Rusland zo groot geworden, maar lezen we geen Indiase of Chinese schrijvers uit dezelfde tijd? Dat komt volgens mij omdat Rusland een unieke plek inneemt in de verbeelding. Het is namelijk bekend en vreemd tegelijk. Terwijl India en China vooral vreemd zijn, met onbegrijpelijke rituelen en gewoontes. Chinese mensen staan veel dichter op elkaar in een rij dan wij. Dat schept afstand. En natuurlijk is het goed om die afstand te overbruggen, maar dat kost wel moeite. Rusland daarentegen was sinds de opkomst van de Tsaren op Europa gericht. Liet Peter de Grote zich niet in Nederland scholen in de scheepsbouw? Hoewel hun land heel AziĆ« bestreek, vormden ze hun cultuur naar die van ons. Ze reden in paard en wagen (of arrenslee), hielden soirees en bals, lazen dezelfde boeken. Zelfs hun uiterlijk verschilt niet veel van ons. Als we over hen lezen, zijn er veel symbolen die we begrijpen en wegwijzers die ons het verhaal binnen voeren. Maar die zijn er voor bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Canada ook. En toch zijn daar minder schrijvers die voor ons op dezelfde hoogte kunnen staan als de Russen. Daar komt het aspect van de vreemdheid om de hoek kijken. De Amerikanen ‘zijn’ ons, richten hun leven in op basis van dezelfde waarden, hebben dezelfde prioriteiten. De Russen zijn geen Europeanen. Nooit geweest. Ze hebben de vormen van hun cultuur op de onze doen lijken, maar daaronder schuilt iets dat aantrekkelijk anders is. Iets dat we niet direct begrijpen, iets dat ons uitdaagt, waar we van terugdeinzen, of dat ons inspireert. De Amerikaanse cultuur is ook wel anders, maar dat is er een van individualisme en kapitalisme. De Russische cultuur is er een van mystiek. Voor de Russen zijn er zaken belangrijker dan het individu, al was het alleen maar ‘moedertje Rusland’. Maar vaker nog is het een ideaal (dat van het communisme), of het geloof (de voor ons mystiek aandoende orthodoxe kerk). Er lijkt voor de Russen een diep gevoel te bestaan dat ze leven in een werkelijkheid die hun individualiteit overstijgt. Misschien komt het omdat hun land zo groot is dat de grenzen ervan niet te bevatten zijn? Of dat het weer zo koud kan zijn? Dit maakt in elk geval dat ze geen kille rationalisten kunnen zijn (zelfs niet wie zich wel als rationeel presenteert, bijvoorbeeld in de boeken van Dostoyevsky), maar dat ze hun leven laten leiden door die henzelf overstijgende realiteit. En voor ons, westerlingen, die leven in overzichtelijke ingepolderde landjes, waar alles begrijpelijke proporties heeft, maakt dit van Rusland als vanzelf een sprookjesland. Het geeft aan de Russische verhalen een glans van vreemdheid, die we niet werkelijk kunnen begrijpen, waardoor er voor ons onvoorspelbare dingen in kunnen gebeuren. De kus van de grootinquisiteur, bijvoorbeeld, wonderen, opofferingen, grote gebaren in naam van een ideaal, en ook: grote woorden over God die niet pretentieus aanvoelen. Ik weet niet of ik in het Rusland van Dostoyevsky of Tolstoy zou willen wonen, ik weet wel dat ik erover wil lezen.

Dit alles verklaart waarom je als kijker niet met de ogen knippert als Anastasia in de gelijknamige animatiefilm de ogen opslaat ten hemel en roept: ‘Geef me een teken.’ Dit is Rusland. Deze animatiefilm van Don Bluth bevat zowel het vertrouwde Europese van Rusland, met auto’s, balzalen, etiquette, treinstations et cetera, als het vreemde: de tovenaar Raspoetin, revoluties, grandeur, en andere sprookjesachtige elementen. Het filmhoesje doet misschien vermoeden dat het gaat om een Disneyfilm, maar wie dat verwacht, komt bedrogen uit. De tekeningen zijn anders dan die in Disneyfilms, schokkeriger en hoekiger, terwijl bijvoorbeeld bosdiertjes weer een stap terug zijn in kinderlijkheid. Maar deze animatiestudio had nu eenmaal minder budget ter beschikking dan de Disneyfilms. De film houdt zich ook minder aan het Disneyrecept voor animatiefilms. De schurk is duivelser dan die in Disneyfilms, en de beelden zijn soms gruwelijker. En omdat de hoofdpersonen ouder zijn dan de gemiddelde Disneyhelden (of in elk geval als ouder worden geanimeerd) sluipen er ook meer verwijzingen binnen naar flirten en seks. De aanwezigheid van pratende diertjes als ‘side kicks’ maakt het echter moeilijker de film als tiener- of volwassen film te zien (dezelfde studio deed dat later veel beter met Titan AE). Wel is de film prachtig gemaakt, waarbij computerbeelden heel aardig met de tekeningen zijn verweven, zodat er prachtige achtergronden op het doek zijn getoverd. Van treinongelukken tot talloze dansers, tot tot leven gekomen standbeelden. En in een tijd waarin Disney zijn heldinnen nog door een man liet redden, hoe levenslustig en assertief ze ook waren (denk aan Ariel), is de hoofdpersoon van deze film geen ‘damsel in distress’, maar is zij het die de slechterik confronteert als de mannelijke held is uitgeschakeld. Wij kennen ondertussen Katniss Everdeen natuurlijk, dus voor ons is het niet nieuw meer, maar ik zou graag meer van dit type verhalen zien.

Het verhaal begint aan het hof van Tsaar Nicolaas, aan het begin van de 20ste eeuw. Hij heeft de valse monnik Raspoetin tegen zich in het harnas gejaagd, en de man spreekt een duivelse vloek uit: hij voorspelt het einde van alle Romanovs. Niet veel later breekt inderdaad de revolutie uit. Het paleis wordt bestormd, en alleen de moeder van de Tsaar weet te ontkomen. Op haar vlucht raakte ze gescheiden van Anastasia, de dochter van de Tsaar en haar kleindochter. Aangekomen in Parijs  looft ze een beloning uit voor wie haar kan herenigen met haar dochter. Maar de enigen die ze ziet zijn fraudeurs, die een meisje van de straat plukken, die laten praten als een prinses, en doen alsof het gaat om Anastasia. De oude vrouw prikt altijd feilloos door de praatjes van de ‘con artists’ heen. Na tien jaar geeft ze de moed op. Blijven hopen doet te veel pijn. Juist dan is Dimitri op weg naar Parijs. Hij heeft zijn zinnen gezet op het niet onaanzienlijke geldbedrag, en heeft een meisje gevonden dat heel goed zou kunnen doen alsof ze de verdwenen prinses is. Deze Anya weet zelf niet wat haar afkomst is, want ze is alles kwijt wat voor haar achtste gebeurd is. Misschien zouden ze elkaar wel eens kunnen helpen … Hun reis wordt echter vanuit het dodenrijk nauwlettend in de gaten gehouden door de geest van Raspoetin, die vastbesloten lijkt de ontmoeting tussen Anya en de moeder van de Tsaar te verhinderen.

Ik wil hier niet schrijven over de ontwikkeling van Dimitri, die begint als iemand die het met de wet niet zo nauw vindt, en dan opeens verliefd wordt op Anya. Maar hij leert dat echte liefde nog een stap verder gaat. Natuurlijk, net als in de Disneyfilms wordt hier de ‘liefde op het eerste gezicht’ verheerlijkt, maar waar in Disneyfilms die liefde vaak niet verder wordt bevraagd, ontdekt de hoofdpersoon hier tijdens de reis dat zijn egoĆÆstische verliefdheid overgaat in echte liefde. En echte liefde is bereid afstand te doen van eigen gewin, en moed te tonen, ook als het betekent dat je afscheid moet nemen van de geliefde. Of in elk geval de keus bij de geliefde neer te leggen. Deze vertoning van nederigheid is echte liefde, en een stuk volwassener dan veel Disneyhelden zouden kunnen zijn.
Maar waar ik tijdens het kijken van de film vooral door werd gegrepen was het verhaal van Anya, oftewel Anastasia. Vanaf het begin van de film bestaat er namelijk geen enkele twijfel over dat het weesmeisje in werkelijkheid de prinses is. De spanning van de film bestaat daarom niet uit de vraag wat haar identiteit is, maar of ze er wel achter zal komen wat haar identiteit is (een behoorlijk verschil). Als kijker zien we iemand die door omstandigheden buiten haar eigen toedoen het leven dat bij haar hoorde is kwijtgeraakt. Hoewel ze een prinses was, is ze opgevoed in een nogal onguur ogend weeshuis, en is haar hoogste ideaal een baan in een visfabriek. We hebben intuĆÆtief het gevoel dat in deze situatie iets niet klopt. We zien ook nog eens de slechte machten die haar in onwetendheid willen laten, en als dat niet zou lukken, haar willen doden voor ze ontdekt wie ze is. En dus is onze hoop als kijker, dat de onrechtvaardigheid dat haar werkelijke identiteit haar is ontstolen, ongedaan zal worden gemaakt. Daaruit bestaat het gelukkige einde, de eucatastrofe.
Ik moest hierbij denken aan het bekende citaat van G.K. Chesterton: ‘We ondervinden allemaal dezelfde mentale rampspoed. We zijn allemaal vergeten wie we werkelijk zijn’ (Orthodoxie). De tragiek van ons verhaal is niet zozeer dat we ophielden geliefde kinderen van God te zijn, of dat we niet langer beelddrager van God waren. De tragiek is dat we zelf niet langer wisten of geloofden wie we werkelijk zijn. We raakten onze werkelijke identiteit kwijt, de identiteit van het schepsel van God, dat hij had gemaakt om in eeuwige gemeenschap met hem te leven, aan hem gelijk in onze mogelijkheid God, elkaar en de schepping lief te hebben. Onze identiteit van zijn geliefden, die hij hun zonden niet aanrekent, maar kwijtscheld, en die altijd toegang hebben tot de troon van zijn genade. Onze identiteit van scheppers (met kleine s) onder de Schepper, die zijn schepping tot bloei zouden brengen. En omdat we ons niet meer van die identiteit bewust waren, leefden we een minder leven: het leven van opstandige, alleen bezig met ons eigen gewin, zelfs al is het ten koste van de ander of de schepping; het leven van tijdelijke creaturen bezig met tijdelijke beslommeringen: geld, seks en macht. En luide stemmen in onze omgeving houden ons voor dat dit onze identiteit is. Stemmen als die van de vrouw van het weeshuis, die Anya voorhoudt dat ze nooit iets anders kan zijn dan een fabrieksarbeidster. Stemmen als die van het bureaucratische systeem van Sovjet Rusland, die haar zonder visum niet laten gaan: je bent deel van het systeem, niet meer. En stemmen als die van de demonische Raspoetin, die uit boosheid om zijn eigen lot, haar wil zien lijden. Dat is wat de demonische machten immers doen: ons voorliegen dat we minder zijn dan we zijn, dat we geen hoop mogen hebben ooit geliefd te zijn, dat we op onszelf zijn aangewezen, zonder gemeenschap te kunnen ervaren. Dit is onze mentale rampspoed.
Maar er is een andere macht in onze wereld, die ons niet in onze verloren toestand laat. De stem die op meerdere manieren tot ons spreekt: in schoonheid, in de stem van ons geweten, in het bestaan van liefde. In ons verlangen, onze ‘sehnsucht’, ‘Joy’, in de benaming van Lewis. Dit wordt gesymboliseerd in de hanger van Anya, met de woorden ‘Together in Paris’. Lewis wijst erop dat het aanwezig zijn van een sleutel aangeeft dat er een slot moet bestaan. Dat als we in ons een verlangen opmerken dat niet op Aarde vervuld kan worden, dit wijst op het bestaan van een hemelse vervulling. Door deze sleutel weet Anya dat het leven meer moet zijn dan ploeteren in fabrieken voor de staat. Dat het leven betekenis moet hebben. En daardoor gaat ze daarnaar op zoek. En in die zoektocht wordt ze geleid door een bovennatuurlijke macht. Anders dan die van Raspoetin, die via demonen rechtstreeks ingrijpt om haar tegen te houden. Als Anya roept om een teken, lijkt het alsof ze geen antwoord krijgt. Een zwerfhondje, Pooka, duikt op en probeert met haar te spelen. Ze wil hem eerst bij zich wegjagen, omdat ze ingespannen op een teken aan het wachten is. Maar dan dringt het tot haar door: het hondje is zelf het teken! Onbeduidend, onopvallend. Zo is ook de aanwezigheid van God in de wereld. ‘Left handed power’, noemt Robert Farrar Capon dat: geen rechtstreeks ingrijpen, maar vrij laten. De enige zekerheid die deze macht heeft, is dat de wil van de geliefde niet wordt beschadigd. Anya is steeds vrij om niet naar God te luisteren, om te luisteren naar haar dromen die haar afsnijdroutes beloven (die dodelijk zouden aflopen). Maar hoe vaak het ook slecht dreigt af te lopen, Pooka geeft niet op. Het hondje is werkelijk de held van de film, zie je als je oplet. Het hondje is het teken dat haar naar St. Petersburg leidt, het waarschuwt meerdere malen voor gevaar, het maakt Dimitri wakker, zodat die haar kan redden, en leidt haar in een doolhof tot de eindconfrontatie. Een hondje dat zo’n grote rol speelt? Dat in feite verantwoordelijk is voor de goede afloop? Ik zie dat als de onopvallende hand van God in onze geschiedenis. God die tot ons fluistert, die ons kansen geeft om te ontdekken wie we van eeuwigheid af zijn.
En uiteindelijk gaat Anya zich herinneren wie ze is. Hoe gebeurt dat? Door te gaan handelen als prinses, door de jurken te dragen, te leren dansen, te leren spreken als prinses. Dan komen de herinneringen boven. En zo kan ze uiteindelijk haar identiteit claimen, in contact met haar grootmoeder. Zodat het met ons volgens mij ook: zelfs al geloven we het zelf nog maar nauwelijks, denken we dat we geen liefde waard zijn, dat we zondig zijn, dat we maar ‘vleesmachines’ zijn - als we gaan leven alsof we Gods kinderen zijn, die hij onvoorwaardelijk liefheeft en hij in hun unieke identiteit en waardigheid wil brengen, zullen we het uiteindelijk ook gaan geloven. Als we de andere mensen om ons heen, en de schepping, gaan behandelen op een manier die past bij beelddragers van God, zullen ze ook werkelijk beelddragers van God voor ons gaan worden. Leven uit je nieuwe identiteit, noemen predikers dit. Maar dan moet je niet zien als bijbelteksten uit je hoofd leren en saai naar kerkdiensten gaan, maar juist liefhebben: God, je naaste en jezelf, genieten van de overvloed van goedheid en die beschermen, koesteren en tot groei brengen. Leven als geliefde, zelfs als je het nog niet helemaal gelooft. En hoe meer je dat doet, leeft in het koninkrijk van God, hoe werkelijker het voor je wordt. Dit is leven in geloof. En uiteindelijk zullen we, net al Anya, thuiskomen en onze verloren familie, onze vader, in de ogen kijken en eindelijk weten wie we zijn. We zullen allemaal onze nieuwe naam horen, een naam die niemand kent dan God en degene die de naam ontvangt, dat belooft Openbaringen. Het is een ‘happy end’ en deze film herinnerde me daar krachtig aan.