Posts tonen met het label zelfhaat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelfhaat. Alle posts tonen

maandag 23 november 2015

Gedicht: Vuur

Vuur

Ik zit als een kind gehurkt,
mijn armen om mijn knieën,
zacht wiegend. Rondom zwarte
sporen, en lijnen op de
verre wanden. In mijn borst
sluimert een verwoestend vuur
dat niet meer uit mag breken
of ik brand jou, bewaker,
teken jouw huid en doe je
schreeuwen. Jouw vlammen branden
net zo fel, en ik ben rood,
mijn haar verdwenen, de pijn
haast onverdraaglijk. Toch
mag ik niet klagen, ik moet
ze in mij absorberen,
ze bij de mijne voegen
voor jouw vrijheid. Hoewel ik
zwak ben, doe ik wat jij
niet kunt. Wie is er nu bang
voor mijn kracht? Wie weet, misschien
baan ik een weg naar buiten.
Want vuur kan ook heel mooi zijn.

zaterdag 17 oktober 2015

'De loser die wint ...' - The Making Of ... (3): Een been dat niet meewerkt

Ondertussen zijn we weer een week verder en is de titel van mijn boek veranderd. De uitgever stelde voor ervan te maken: 'De loser die wint ... Als God je verhaal vertelt'. Dat bekt toch net wat lekkerder en dekt tegelijk prima de lading. Ik heb van de week de laatste correcties in de proef aangebracht, en kreeg ook al de coverontwerpen onder ogen. Dat allemaal wil zeggen dat het moment van publicatie nu wel heel dichtbij komt. Dat is wel een raar idee, na bijna drie en een half jaar.

Tijdens het schrijven van dit boek werd ik zelf ook weer met mijn zwakheid geconfronteerd. Zoals mijn vrouw wel eens tegen me zegt: 'Je bent heel hard voor jezelf. Maar in je boek schrijf je juist dat dit niet uitmaakt. Ook al lukt het je niet aardig te zijn voor jezelf, God houdt toch van je en uiteindelijk zal alles goed komen."-of woorden van die strekking. Ze zegt ook wel eens: "Als ik al zo van je kan houden, met al die tekortkomingen die jij in jezelf denkt te zien, dan moet de liefde van God voor jou nog veel groter zijn! Denk je het eens in!" En ik weet dat ze gelijk heeft, maar toch lukt het me niet goed te ontspannen.
Lezers hebben het ook over 'Indrukwekkende Vrijheid' gezegd, dat het leek alsof ik nog tegen mezelf aan het preken was. Dat ik zelf nog niet vrij was toen ik het schreef. Dat klopt! Ik dacht bijvoorbeeld nog dat hetgene waar ik mee worstelde, verslaving of passiviteit was. Dat ik mezelf moest dwingen om goede of nuttige dingen te doen. Nou, laat ik maar zeggen dat ik heb ontdekt dat dit niet echt mijn probleem is. Ik vind het eerder moeilijk tot rust te komen. Vooral omdat ik me veel aantrek van de mening van anderen. Bijvoorbeeld op kantoor.
Zo was 2011 voor mij geen makkelijk jaar. Om te beginnen was de koers van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ingrijpend gewijzigd, van een wetenschappelijk tijdschrift naar een journalistiek vakblad met vaste rubrieken. Daarbij werd veel van mij gevraagd, onder andere om voor een deel van het blad verantwoordelijk te zijn. Aanvankelijk onder een eindredacteur, maar toen die werd ontslagen, bleek ik die verantwoordelijkheid opeens in mijn eentje te moeten dragen. Terwijl ik juist had aangegeven opnieuw last te hebben van slaapproblemen. Elke maand weer moest ik ervoor zorgen dat alle rubrieken gevuld waren, en er niets fout ging met de artikelen. En dat was funest voor mijn nachtrust. Slaap is altijd al mijn achilleshiel geweest, en dit jaar maakte ik opnieuw korte nachten, waarin ik acht of negen keer per nacht wakker werd. En toch ging ik door.
De stress had nog andere symptomen. Ik zweette bijvoorbeeld veel en had vaak hoofdpijn. Elke dag opnieuw kwam rond drie uur de man met de hamer langs. En sinds 2009 had ik ook nog eens last van vrij ernstige eczeem, die ik tot bloedens toe open krabde. Ik had zalfjes voorgeschreven gekregen, maar ik moest er elke dag aan denken die te smeren. En vooral als je toch al slecht slaapt en moe bent, wil dat er nog wel eens bij inschieten. Vooral die plek boven op mijn rechtervoet, toch al uit het zicht. Ik wreef er vaak over met mijn andere hak, en de plek schilferde helemaal af. Ik was er niet goed aan toe. Ik kreeg in die periode verkering met Bianca, en ze was zelfs bang dat ik me kapot zou werken. Ik zag namelijk elke keer dat we elkaar zagen lijkbleek en had elk weekeinde hoofdpijn. Ze kende me ook alleen met van de stress opgetrokken schouders. Ik wist echter niet wat ik eraan kon doen. Het Tijdschrift moest immers elke maand gemaakt worden, ik moest er zijn voor mijn vriendin, en ga zo maar door ... En dan heb ik het nog niet eens over alles wat ik volgens de kerk voor God zou moeten doen of laten!

Bianca had mij dus eigenlijk alleen maar gespannen (of zelfs overspannen) meegemaakt. Tot maart 2012 (toen we dus al meer dan vier maanden verkering hadden). Toen had ik namelijk een week vrij genomen  om een begin te maken aan mijn boek. Op onze vaste avond samen ging ik naar onze ontmoetingsplek op Utrecht CS. En Bianca's ogen werden groot. Want nu zag ze me met ontspannen schouders, en een rustig gezicht. Zelfs mijn stem was volgens haar anders. Zoveel effect had het dus op me om met schrijven bezig te zijn!
Na die week moest ik echter terug naar kantoor. Ik schreef in de trein en in de lunchpauze en schoot aardig op.  Maar mijn slaap werd wel weer slechter. En het eczeem op mijn voet bleef ik open krabben. Tot ik eind april ziek werd. Het begon met plotselinge koorts tijden een redactievergadering. Ik voelde me heel beroerd. De dag erna was ik weer goed genoeg om naar kantoor te gaan, maar 's middags keerde de koorts terug. Ik meldde me ziek. De treinreis was een marteling. Maar eigenwijs als ik was, dacht ik dat het vanzelf wel over zou gaan met genoeg paracetamols, dus ik nestelde me op de bank met de film Les Miserables uit 1998. Het was erg raar Fantine aan koorts te zien overlijden, terwijl ik duizelig op de bank zat. De volgende dag was het niet beter. De thermometer gaf 39,5 aan. Maar ik bleef hopen dat het wel mee zou vallen. Ik lag op bed, en had een fles water op de kast in de buurt gezet, maar ik voelde me te zwak om te gaan zitten en te drinken. Ik kon niks anders dan liggen. Berichtjes van mijn vriendin via facebook beantwoordde ik met eenregelige zinnen - niet met hele epistels zoals gebruikelijk. En mijn voet deed ondertussen ook pijn, maar ik keek er niet naar.
De dag erna was het nog steeds niet beter. En toen belde ik mijn ouders -allebei huisarts. Ik durfde bijna niet te vertellen dat ik dacht dat er iets met mijn been aan de hand was, omdat ik bang was dat ze me zouden zeggen dat ik niet goed voor mezelf gezorgd had, dat ik had moeten smeren, of iets dergelijks. Maar niets van dat alles gebeurde. Ze kwamen naar me toe, twee man sterk, en bekeken mijn been. Dat was helemaal rood en opgezwollen. Tot bijna twee keer de normale omtrek. Als ik erop ging staan, leek het alsof ik met naalden werd gestoken. Ik kon me bijna voorstellen hoe het was gemarteld te worden.
Wat was er aan de hand? Mijn ouders wisten het, ook al het ik er nooit van gehoord, maar daar waren zij huisarts voor: wondroos. Erysipelas. Als je een sterke maag hebt, moet je er maar eens op googelen, maar de plaatjes zijn niet prettig. Een bacteriële infectie van de diepe lagen van de huid. Waarschijnlijk het lichaam binnengekomen via de eczeemplek. En zonder antibiotica kan het dodelijk aflopen. Ik had bijvoorbeeld in shock kunnen raken. Of het weefsel had kunnen gaan afsterven! Gelukkig waren we er op tijd bij. Ik werd door mijn ouders meegenomen. Ik kreeg een zware antibioticakuur. Mijn been werd steeds gekoeld en ingezwachteld, om de druk te verminderen. Ik was, eigenlijk voor het eerst in mijn leven, werkelijk doodziek.
Langzaam ging het beter. De pijn nam af, mijn been was steeds minder opgezwollen, en de rode kleur trok een beetje weg. Ik kon er ook al een beetje op lopen. En zodra ik goed genoeg was om rechtop te zitten, ging ik verder met schrijven. Want uitzieken (of mezelf rust gunnen) zit niet in mijn systeem. Twee weken nadat ik ziek werd (mijn ouders vonden het eigenlijk nog te vroeg, want ik zat nog onder de antibiotica en was na een treinreis al doodmoe) ging ik naar kantoor. Die eerste dag was echter een ramp. Opmerkingen die ik kreeg, suggereerden dat ik me al eerder beter had moeten melden, dat ik te makkelijk met mijn ziekte was omgegaan. En ik voelde me daardoor zo wanhopig, dat ik spijt had dat ik op de vijftiende verdieping woonde. Want voor het eerst drong serieus de gedachte zich bij me op om over de reling van het balkon te springen. Ik wist die gelukkig dezelfde avond nog te verdringen. Zo belangrijk is mijn werk nou ook weer niet. Maar deze gedachten suggereerden wel hoe gevoelig ik nog steeds was voor kritiek. Hoe gevoelig ik was door anderen 'zwak' gevonden te worden.
De weken erna schreef ik mijn boek af. Ik had in de praktijk ondervonden wat het is 'zwak' te wezen. Niets anders te kunnen dan op bed liggen en voor me te laten zorgen. Mijn zelfverwaarlozing te laten zien, zonder bang te zijn voor oordeel, en met de gevolgen te leren omgaan. En ik moest leren mijn eigen 'zwakheid' te respecteren. Goed voor mezelf te zorgen. Niet teveel van mezelf te vragen. Die lessen leerde ik echter pas echt toen ik het najaar erop voor de tweede keer ziek werd, de week nadat ik Bianca ten huwelijk had gevraagd. Ik had met eczeem namelijk opnieuw verwaarloosd. Dit keer herkende ik de symptomen gelukkig eerder en durfde ik ook iets eerder om hulp te vragen. Ik realiseerde me toen ook wat ik moest doen om de stress tegen te gaan: schrijven! Daar zal ik echter op ingaan als ik de 'Making of ...' schrijf van 'De Krakenvorst'!

Van deze episode in 2012 heb ik littekens overgehouden. Sommige zijn voor mij goed te zien, namelijk de totaal donkere plek op mijn voet, waar het eczeem heeft gezeten. De vlekken daar zullen waarschijnlijk nooit meer verdwijnen. Gelukkig zit er altijd een schoen overheen. Andere zijn minder opvallend. Mijn rechterbeen heeft namelijk ook een klap opgelopen. Ik moet nu al jaren op warme dagen een steunkous dragen, want de bloedvaatjes zijn door de ontsteking beschadigd. En als ik sneetjes of wondjes oploop, kan de wondroos makkelijk terugkomen. Dit voorjaar nog had ik mijn been gestoten, en kleurde opeens mijn been weer rood, en werd warm. Gelukkig kreeg ik geen koorts, en kon ik door te koelen de zwelling terugdringen. Maar mijn been blijft 'wonky' en zal waarschijnlijk de rest van mijn leven niet blijven meewerken.
Het is voor mij een teken dat het (letterlijk) van levensbelang is dat ik leer mezelf te accepteren, inclusief de terreinen waarop ik mezelf als 'zwak' zie, waar ik denk dat ik eigenlijk harder voor mezelf moet zijn, mezelf moet dwingen te presteren of mee te kunnen komen met de rest. Ik ken uit eigen ervaring de consequenties, en voor mijn vrouw en voor mijn vrienden kan ik het niet riskeren nog eens ziek te worden. Dus heb ik mijn eigen boek nodig.
Ook dit keer is het een preek tegen mezelf. Ik heb het nodig te weten dat het verhaal dat God vertelt niet om mij en mijn prestaties draait, maar dat Hij mij betekenis geeft door zijn liefde, en dat die in geen enkel opzicht van mij afhankelijk is. Het verhaal loopt goed af, dat heeft Hij belooft, en noch mijn zwakheid, noch mijn kracht, kan daar enig verschil in maken. Dat maakt de boodschap van Jezus goed nieuws. Vooral voor mij.

Houd deze plek in de gaten! Volgende week plaats ik een klein voorproefje van mijn boek!

zaterdag 14 maart 2015

Gedicht: vleierij

Vleierij

Je zegt het niet om mij te vleien
daarvan ben ik me bewust. Ik weet
dat juist jij steeds eerlijk bent, 
je woorden altijd weegt. Zorgvuldig.
Maar toch kan ik ze niet geloven:
dat ik schrijven kan, dat ik me niet
hoef te verstoppen, dat ik straal
in duisternis. Immers: wat als ik 
je serieus neem? Ernaar ga leven
en naast mijn schoenen loop? Vergeet
dat ik niks kan, gebroken ben,
een ander altijd beter is?

En wat als ik word gestraft? Mijn trots
kan ik beter verbergen. Ik breek
mezelf al van tevoren af.
Het is mijn glorie die ik vrees,
niet mijn tekort. Voor mijn kracht
vlucht ik nu weg, verstop me uit het zicht
onder de korenmaat. Het risico
dat ik niet goed ben, is te groot.
Ik kies de brede weg. Leun niet in
tegen mijn angst. Begraaf mijn talent
in zelfkritiek. Vergeet wat jij me zegt
juist omdat jij geen vleier bent.

dinsdag 13 januari 2015

Gedicht: Vijfde colonne

Vijfde colonne

Je hebt je goed verstopt,
doet je voor als deel van mij
niet te onderscheiden
van mijn gedachten. Je lijkt
te slapen. Zo stil lig je
dat ik je haast vergeet.

Mijn aandacht raakt verslapt.
Het leven zonder jou
is zwaar genoeg. Ik moet vechten
om overeind te blijven
elke dag. En mijn hart
blijft onverdedigd achter.

Dan komt er een signaal
onwetend uitgesproken
door mijn vrienden. Een plek
die me aan jou doet denken.
Het voldoet. Je activeert
je wapens en valt aan.

Zenuwcentra vallen
onder jouw terreur. Mijn maag
is tot een klomp bevroren.
Je propaganda klinkt
vertrouwd. Ik raak door jou
tegen mezelf gekeerd.

Na slapeloze nachten
keert het tij. De strijd
opnieuw door mij beslecht.
Maar je bent niet weg.
Je hebt je teruggetrokken
tot ik me weer veilig waan.

zaterdag 8 maart 2014

Het heilige evenwicht (2): Het is ook nooit goed!

Mijn vrouw en ik zagen in 2012 in de bioscoop opnames van het toneelstuk Frankenstein, geregisseerd door Danny Boyle, met Sherlock-acteur Benedict Cumberbatch in de hoofdrol als het monster (in een andere uitvoering, die we ook zagen, speelde hij dr. Frankenstein zelf, en speelde Johnny Lee Miller het monster. De laatste speelt Sherlock Holmes in de Amerikaanse serie Elementary. Maar dat allemaal terzijde). In het toneelstuk gaat dr. Frankenstein trouwen met zijn jeugdliefde. Hij heeft echter een geheim. Maar hij zal het zijn vrouw pas vertellen als ze getrouwd zijn! Na de plechtigheid, op hun huwelijksnacht komt het hoge woord eruit: Frankenstein heeft een levend wezen gecreëerd, maar is zijn belofte aan zijn schepsel, namelijk om hem een vrouw te maken, niet nagekomen. En nu heeft het wezen wraak gezworen. Als ze dat van te voren had geweten ...
Ook ik had een geheim dat ik pas na mijn huwelijk met mijn vrouw deelde. Nou ja, ze wist er wel van. Ik had haar namelijk verteld dat ik als tiener avonturenverhalen had geschreven. Ze was daar ook wel nieuwsgierig naar, maar ik had geaarzeld ze aan haar te laten lezen. Dat was voor als we samenwoonden, had ik besloten. Dus vorige maand was het zo ver en nam ze de ‘Avonturen van Joost, Cliff en Yoko’ ter hand. Zeven verhalen, getypt op een elektrische typemachine, over twee biologen en hun Japanse vriendin, die in allerlei gevaarlijke situaties verzeild raken. Zo komen ze dinosauriërs tegen, een witte haai, olifantenstropers en mensen uit de toekomst.
Ik was best zenuwachtig. Misschien vond ze het wel helemaal niets. Misschien vond ze ze kinderachtig. Maar niets van dat alles gebeurde. Mijn vrouw bleek zelfs enthousiast. Volgens haar waren de verhalen duidelijk van een getalenteerde jongen. Ik was volgens haar wel beter gaan schrijven door de tijd, en had wat meer inzicht gekregen in de psychologie van mijn karakters. Maar er was ook iets verloren gegaan. Ze had in mijn verhalen een Johan ontmoet die ze nog niet kende. Mijn oude verhalen hadden volgens haar een levendigheid die mijn recentere boeken misten. De hoofdpersonen stortten zich bijvoorbeeld in het avontuur. Maar terwijl ze in levensgevaar waren, verwonderden ze zich nog over bijzondere dieren en planten om hen heen. Ze hadden bovendien oog voor het andere geslacht - mijn hoofdpersonen zagen hoe aantrekkelijk de ander was. Ze durfden te handelen uit hun overtuiging. En ze herkende mij er in, mijn voorliefdes, mijn enthousiasme, mijn passie. Er was volgens haar niets in mijn verhalen waar ik me voor hoefde schamen.
Ik vertelde haar dat de verhalen inderdaad hoorden bij de ‘echte Johan’. Ik heb een verlangen naar avontuur, naar bijzondere omgevingen, bijzondere dieren, het beschermen van schoonheid en het doen wat goed is. En net als mijn hoofdpersonen was ik onder de indruk van sterke, zelfbewuste, avontuurlijke vrouwen. Dat is wat bij mij naar buiten komt als ik mezelf ben. Maar ik had inderdaad niet zo durven schrijven. Ik mocht namelijk niet zo zijn, zoals ik in het vorige deel van deze serie al schreef.
Al jaren las ik boeken over de liefde van God. Ik luisterde naar God tijdens het bidden. Anderen hadden woorden voor me over Gods liefde. Ik wist met mijn verstand wel dat ik geliefd was, zoals ik ben, maar ik kon mezelf niet de toestemming geven ook daadwerkelijk gewoon te zijn, gewoon te leven. Als mezelf. Als Johan.

In dezelfde week dat mijn vrouw las in ‘De avonturen van Joost, Cliff en Yoko’, las ik een heel ander boek. Het boek ‘Toxic Parents’. Dat is een heftig boek, zoals je je misschien kunt voorstellen! Het kwam ook behoorlijk dichtbij. De schrijfster van het boek waarschuwt ervoor familieleden te snel te vergeven. Dat is anders dan je in veel christelijke boeken leest. Ze zag er geen kwaad in om af te zien van wraak. Dat kan heel gezond zijn. Maar volgens haar was het niet gezond om te snel je boosheid te laten varen, en te doen alsof de relatie met de ander weer hersteld is. Om te herstellen van misbruik is het voelen van de boosheid om wat je is aangedaan namelijk essentieel. De boosheid helpt je te identificeren waar je grenzen liggen, wanneer die worden overschreden en hoe graag je wilt voorkomen dat het nog eens gebeurt. Boosheid geeft de kracht om anderen de waarheid te zeggen. En het is de weg naar verdriet, verdriet om wat je is aangedaan, wat ook noodzakelijk is voor heling. Wie te snel vergeeft, loopt het risico de daden van de ander te bagatelliseren, en de gevolgen ervan uit het zicht te schuiven en te verbergen, zonder dat ermee is afgerekend. Soms zeg je dat je de ander vergeeft (vooral als die er om vraagt) nog voordat je zelf hebt beseft hoeveel pijn de daden van de ander je deden, en vooral welke boodschap je erdoor hebt meegekregen, en welke gevolgen ze voor je hebben gehad. En daardoor kunnen de effecten gewoon blijven doorgaan in je leven.
Dat besefte ik in elk geval wat betreft mijn verleden.
Een belangrijk iemand in mijn jeugd heeft me namelijk veel pijn gedaan. Deze persoon werd bijvoorbeeld snel boos, en begon te schreeuwen, als ik met lage cijfers thuis kwam van school. Ik was ook erg bang. Toen ik een keer een uurtje moest nablijven op school (door iets wat niet mijn schuld was: mijn klasgenoten hadden gezegd dat de bel was gegaan, en ik had hen geloofd), was ik zo overstuur dat ik dreigde met zelfmoord. Ik denk niet dat ik van plan was echt zelfmoord te plegen, maar als een tiener dat gaat roepen, is er toch iets ernstig mis. Deze persoon was bovendien heel kritisch. Ik heb een keer een verhaal dat ik had geschreven (over Joost en Cliff) laten lezen en dat werd afgedaan met ‘Wat een onzin’. Ik liep wel eens voorovergebogen, en kreeg dan een porrende vinger in mijn rug. ‘Wat moeten mensen wel niet van mij denken, als jij zo voorovergebogen loopt’, was de boodschap. Dat extra schaamte me niet zou helpen om rechtop te gaan lopen was kennelijk niet vanzelfsprekend. Dit gebeurde vele keren.
Maar het ergste gebeurde nadat deze persoon met mij mee was gegaan om een aquariumpomp te kopen. Ik was toen zestien, bijna zeventien. Ik keek de verkoper in de winkel niet aan. Daar was degene die me begeleidde niet blij mee. Ik kreeg een forse scheldkanonnade over me heen. ‘Als je nooit iemand aankijkt, zul je niet je mondelinge examens halen, zul je niet kunnen afstuderen, zul je geen baan vinden, zul je geen vrouw vinden’. Dat werd naar me geroepen. En toen: ‘Ik wil niet met je geassocieerd worden.’ Hard, pijnlijk. Zo ging het maar door, tot ik thuis huilend onder mijn bed lag. En toen riep deze persoon tegen me dat ik nu ook het filter moest installeren. Ik mocht niet huilen. Ik weet dit allemaal nog letterlijk, omdat ik het de dag nadat het gebeurde heb opgeschreven in de vorm van een kort verhaaltje. Het raakte me diep. Samen met een andere geschreeuwde opmerking van dezelfde persoon toen ik jaren later met mijn broers praatte over de Matrix-films: ‘Ik wil niet dat je mijn kinderen meesleurt in het verderf’. Alsof ik -omdat ik van films houd- niet tot die kinderen behoorde! Het hakte er bij mij diep in.
De persoon in kwestie heeft me al om vergeving gevraagd, en ik heb keer op keer gezegd dat ik vergeef, maar onze relatie blijft verstoord. Vooral omdat ik te snel heb vergeven en mijn boosheid dus geen kans heb gegeven om ruimte voor mezelf te claimen. Om te zeggen: ik accepteer niet dat dit over me gezegd wordt. En het heeft me ervan weerhouden het patroon te ontdekken in mijn leven dat het gevolg was van dit verbaal misbruik. De boodschap die ik meekreeg, was namelijk dat de echte Johan niet iemand was met wie deze persoon geassocieerd wilde worden. En dus dat ik moest veranderen, moest voldoen aan een bepaald ideaalbeeld (hoge cijfers, studeren, actief in de kerk, maatschappelijk acceptabel) voor deze situatie zou kunnen veranderen. Ik kreeg daarbij ook nog eens te horen dat ik zou moeten veranderen voordat een vrouw met mij geassocieerd zou willen worden. Ik zou mijn aquariums moeten wegdoen, ik zou mijn hobby’s moeten reduceren tot een vrij kwartiertje, et cetera. Geen wonder dat ik zo lang vrijgezel blijf. Voeg erbij dat mijn leeftijdsgenoten in de brugklas en ook daarna ook niet met mij geassocieerd wilden worden -ik werd namelijk gepest- en het is duidelijk dat de boodschap dat ik niet mezelf mocht zijn, er uiteindelijk bij mij diep in zat.

Wat echter minstens zo ernstig was als de woorden van deze persoon, was hoe de boodschap overeenkwam met wat ik hoorde in de kerk. De redacteur met wie ik laatst praatte over mijn volgende boek noemde de gemeente waarin ik opgroeide een sekte. Zo ver zou ik niet per se willen gaan, maar sekte-achtige kwaliteiten had deze gemeenschap wel.
En de boodschap die ik daar kreeg was dat God ook niet met mij geassocieerd wilde worden. Dat kon hij niet. Ik was zondig, hij was heilig. Hij moest dus vanuit zijn natuur wel boos op mij zijn. Hij moest mij straffen. Hij kon niet anders. Ik was immers niet volmaakt. Wanneer ik ook meer een keer een leugentje om bestwil verteld had, verdiende ik al de toorn van God. Als ik een keer een snoepje had gestolen, of boos op een klasgenoot was geweest, dan moest ik eigenlijk al naar de hel. Als ik een keer een vrouw aantrekkelijk vond, dan was het beter dat ik een arm afhakte of een oog uitrukte. Ik kon het bij God gewoon niet goed doen. Als nakomeling van Adam was ik inherent besmet met het kwaad. En dat had alles in mij doortrokken. Er was per definitie niets goeds in mij, werd in de kerk geleerd. Mijn natuurlijke verlangens en talenten zaten God alleen maar in de weg. Als God me al gaven gaf, moesten het bovennatuurlijke gaven zijn. Ik mocht daarom niet trots zijn. Als ik al iets voor elkaar bracht, was het God die door mij heen werkte, niet ikzelf. In mij, dat is in mijn vlees, kon immers niets goeds zijn. Ik -de persoon Johan- moest dus verdwijnen.
Nu leerden we dat Jezus gelukkig voor ons mensen bij God tussenbeide was gekomen. Aan het kruis onderging hij de straf die wij verdiend hadden. Hij ging tussen zijn boze vader en ons in staan, en kreeg de klappen. We leerden dat we als het ware waren ‘bedekt’ met zijn bloed. Als God nu naar ons keek, zag hij Jezus, die volmaakt was, en niet ons. En zo konden we dan toch naar de hemel. Maar o wee als we ooit onder de bescherming van Jezus’ bloed vandaan zouden komen! Dan zou God direct weer zijn bliksems op mij moeten laten neerkomen. Hij kon mij immers nog steeds niet als mezelf in zijn aanwezigheid verdragen. Dus bleef ik bang voor God en probeerde ik door hard te werken en mezelf onder druk te zetten de echte Johan op wie God zo boos was te onderdrukken en te leven als de ‘geestelijke mens’ die God zo graag zag, een ideaalbeeld. Als ik daar iets van afweek, werd ik weer boos op mezelf (omdat God ook boos op me zou worden).
En zelfs dat leven als geestelijk mens kon ik niet goed doen, want ik merkte bij mezelf de neiging om trots te worden. En dat was in zichzelf weer een zonde. Ik snap nu achteraf niet waarom ik bleef geloven. Ja, ik wilde niet naar de hel, maar de hemel was nou niet echt een aanlokkelijk perspectief. De eeuwigheid doorbrengen met een God die je haatte als je jezelf was? Of die je zo veranderde dat je niet meer jezelf was, maar een ‘geestelijk mens’ die niets liever wilde dan lofliederen zingen? Het klinkt als de hel. Ik weet van mezelf dat ik de boodschappen van de kerk door een gekleurde bril heb waargenomen, maar laatst sprak ik met een vriend uit die periode. En hij vertelde dat hij dezelfde boodschap had meegekregen. En ook dat hij nog steeds veel moeite had om te geloven dat God goed is. En ik heb de afgelopen de kans gehad om te spreken in kerken die uit deze beweging zijn voortgekomen, en steeds komen er wel mensen naar me toe die zich in dit verhaal herkennen. Bovendien hoor ik dezelfde boodschappen in licht afgezwakte vorm terug in de evangelische kerk. ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten.’ Kortom, hij houdt niet van me zoals ik ben. Hij wil niet met me geassocieerd worden. En ‘Een man moet voor zijn vrouw niet alleen zijn verlangens opofferen, maar ook zijn dromen’ - je kunt maar beter ophouden jezelf te willen zijn. Voeg je bij het programma, alleen dan kan God zich met je associëren.
Maar over de boodschappen in de evangelische kerk heb ik in andere berichten wel genoeg geschreven. De kern was in elk geval voor mij dat God niet met mij geassocieerd wilde worden.

Het moge duidelijk zijn - de combinatie van deze twee boodschappen, thuis en in de kerk, maakte dat ik mezelf ging wantrouwen. De ware Johan, de Johan die enthousiast was, die hield van boeken, van schrijven, van aquariums, die soms onzeker was en onhandig, die het liefst nieuwe werelden wilde verkennen, dat was iemand met wie belangrijke mensen in mijn leven niet geassocieerd wilden worden. Dat was iemand met wie zelfs God niet geassocieerd wilde worden. Er moest dus wel iets verkeerds aan hem zijn. Daar ging ik dus naar zoeken. Ik kon immers niet van mij of van mijn verlangens concluderen dat ze goed konden zijn. De conclusie moest per definitie zijn dat ik slecht was. Dat stond bij voorbaat vast. Dus vond ik altijd wel nieuwe manieren om mezelf te veroordelen, en mezelf te blijven zien als vuil, zondig of gewoon tekortschietend.
Tegelijk moest ik zorgen dat ik iemand werd met wie deze mensen en met wie God wel geassocieerd wilden worden. Het korte verhaaltje dat ik schreef na de uitbarsting van de belangrijke persoon in mijn leven besloot ik met de uitspraak dat ik mijn hart hard zou maken. Ik zou nooit meer huilen, maar mezelf diep wegstoppen. En dat deed ik. Ik stopte mezelf steeds dieper weg, liet steeds meer van mezelf achter: mijn verhalen, mijn lezen, mijn passie. Ik leefde voor het halen van hoge cijfers, voor het slagen in mijn studie en voor het bereiken van een status als geestelijke broeder, die in de samenkomst kon voorgaan en bijbelstudies kon geven. Met zo iemand, maatschappelijk en geestelijk succesvol, zouden mensen en God zich misschien wel willen associëren.
Het is eigenlijk pijnlijk om het hier zo op te schrijven. Maar dat verdriet is nu juist belangrijk om te komen tot heling. In het volgende bericht meer over het pad naar genezing.

vrijdag 7 maart 2014

Het heilige evenwicht (1): Het eeuwige moeten

Geoffrey Chaucer, een van de bekendste vijftiende eeuwse schrijvers, heeft zijn Canterbury Tales nooit afgeschreven. Mijn vrouw is nu het werk van Chaucer aan het lezen, en vertelt mij al weken over zijn verhalen. Soms plat, soms diepgaand, maar altijd met scherp geobserveerde karakters, en veel humor. Chaucer hield edelen, ridders, herbergiers en soldaten een spiegel voor, waarin zij hun eigen gebreken en kleingeestigheden herkenden. Deze weerspiegeling is zo universeel, dat de verhalen ook nu nog worden gelezen en verfilmd. En Chaucer schreef gewoon mooi, met een enorme woordenschat. Het Engels dat hij gebruikt is iets te moeilijk voor mij, maar mijn vrouw smult er van. Laatst liet ze mij een gedeelte lezen, het stuk waarmee de Canterbury Tales eindigen. In die paar paragrafen trekt Chaucer al zijn werken terug. Ze waren frivool en platvloers, zegt hij, en brachten mensen niet tot Christus. Hij hoopt vergeven te worden voor het schrijven van de verhalen. Maar een paar van zijn stukken (onder andere een heiligenleven) blijft hij erkennen als van hem.
Dit is de in wat moderner Engels vertaalde tekst: “Now pray I to them all that listen to this little treatise or read it, that if there be any thing in it that pleases them, that thereof they thank our Lord Jesus Christ, from whom proceeds all wit and all goodness. And if there be any thing that displeases them, I pray them also that they blame it on the fault of my lack of wit and not to my will, that would much prefer to have said better if I had had cunning. For our book says, "All that is written is written for our doctrine," and that is my intent. Wherefore I beseech you meekly, for the mercy of God, that you pray for me that Christ have mercy on me and forgive me my sins; and namely of my translations and compositions of worldly vanities, the as is the book of Troilus; the book also of Fame; the book of the XXV. Ladies; the book of the Duchesse; the book of Saint Valentines day of the Parliament of Birds; the tales of Canterbury, those that tend toward sin; the book of the Lion; and many another book, if they were in my remembrance, and many a song and many a lecherous lyric, that Christ for his great mercy forgive me the sin. But of the translation of Boethius's Consolation of Philosophy, and other books of legends of saints, and homilies, and morality, and devotion, that thank I our Lord Jesus Christ and his blissful Mother, and all the saints of heaven, beseeching them that they from henceforth unto my life's end send me grace to bewail my sins and to study to the salvation of my soul, and grant me grace of true penitence, confession and satisfaction to do in this present life, through the benign grace of him that is king of kings and priest over all priests, that bought us with the precious blood of his heart, so that I may be one of them at the day of doom that shall be saved.”
Het schijnt dat Chaucer tot zijn dood niets meer heeft geschreven. Deze passage wordt daarom door Engelse literatuuurcritici beschouwd als een van de meest tragische uit de geschiedenis. Het schijnt dat wetenschappers er nog steeds over discussiëren waarom Chaucer zijn eigen werken aan de kant schoof en stopte met schrijven.

Voor mij is dat geen vraag. En de passage is voor mij om een andere reden tragisch, namelijk omdat hij me aan mijn eigen verleden doet denken. Ik dacht namelijk ook dat mijn liefde voor verhalen en mijn passie voor het schrijven me van God weg hielden en dat ik er dus mee moest stoppen. Er was nog niets van mij uitgegeven, dus heb ik nooit officieel werken van mezelf teruggetrokken, maar ik heb wel een verhaal waar ik aan werkte in de prullenbak gegooid, ‘De Groene Toren’ mijn eerste serieuze SF-roman. Iets waar ik nu nog spijt van heb.
Ergens tijdens mijn eindexamenjaar koos ik namelijk ‘echt’ voor God. We leerden namelijk in onze kerk dat als we in de kerk opgroeiden we ook nog eens zelf echt voor God moesten kiezen. Dat deed ik. Maar daar hoorden dingen bij. Een klasgenoot herinnerde me daar aan. ‘Als jij echt een christen bent’, zei ze, ‘zou je wel meer bijbel lezen.’ En die opmerking was het zetje dat ik nodig had. Het steentje ging rollen en werd al snel een landverschuiving. Ik begon bijbelstudieboeken te lezen. Niet af en toe eentje tussendoor, maar gepland, ingedeeld in mijn vrije tijd. Ik vond dat ik geen spannende boeken meer mocht lezen. Ik merkte namelijk dat ik boeken van Alistair MacLean uit de bibliotheek wilde halen, maar als ik dat zo graag wilde, dan zou het wel een verslaving zijn. Ik las in jongerentijdschriften dat alles waar je enthousiaster over was dan God een verslaving was. Dus borg ik mijn stripverhalen weg, en verbood ik het mezelf om naar films te kijken. Als ik een James Bond-film zag, wilde ik namelijk zelf ook autoachtervolgingen verzinnen. “Denk jij dat een hele dag niet christelijke romans lezen verkeerd is? En zo nee, waarom niet?” vroeg een vriend mij. “Is het te passen in teksten als: we moeten onze tijd uitkopen (Ef 6)?” Ik schreef ook niet langer verhalen, stopte ze weg in mappen in mijn kast. Gelukkig was ik niet zo ver heen dat ik ze allemaal weggooide!
Alleen wat geestelijk was, was waardevol. Ik las daarom elke dag vijf hoofdstukken uit de bijbel, memoriseerde dagelijks bijbelverzen, bezocht trouw alle bijeenkomsten van de studentenvereniging en alle samenkomsten van de kerk. Ik evangeliseerde trouw op de zaterdagmorgen en vond dat ik folders mee moest nemen naar de universiteit om vrienden te evangeliseren. Tegelijk werd ik heel kritisch op andere gelovigen, die niet zo fanatiek waren als ik. Ze luisterden bijvoorbeeld naar housemuziek, of droegen als man een oorbel. Dat was van de duivel, of in elk geval zou het zo niet horen. Op bijbelstudiekringen ging ik daar dan ook fel tegen tekeer. Ikzelf worstelde ondertussen met mijn ‘boezemzonde’ - ik keek in de tijdschriftenwinkel X-menstripboekjes in (vanwege het verhaal en vanwege de daarin getekende vrouwen). Ik werd dagenlang verteerd door schuldgevoel en schaamte als ik in overtreding was geweest. Zoals een huisgenoot in die periode tegen me zei: “Een streng geweten en een grote verbeelding zijn geen goede combinatie.” Deze situatie heeft zo’n vier jaar geduurd. Toen ontwikkelde ik slaapproblemen, en werd ik voor de eerste keer overspannen.

Een docent suggereerde me dat ik niet langer zou doen wat ik van mezelf moest doen, maar dat ik zou doen wat ik graag wilde doen. Ik wist wel wat ik wilde: ik wilde schrijven. In die periode schreef ik Neptunus, Het Wrak en De Derde Macht en die zijn zelfs uitgegeven!
Maar het was niet meer als daarvoor. Ik kon mezelf namelijk nooit echt de vrijheid gunnen om te doen wat ik wilde. Want ik kon fantaseren, schrijven en verlangen in het algemeen niet als goed zien. Gelovige vrienden zeiden dat mijn schrijven wel eens mijn roeping zou kunnen zijn. Ik kon het niet accepteren. Hoe kon mijn schrijven voor God belangrijk zijn? Zelfs op een fantasybeurs kon ik niet zeggen dat ik schrijver ben, maar mompelde ik wat en draaide ik me om. Ik mocht het niet van mezelf claimen. Verder wilde ik graag film kijken, maar ook daarin legde ik mezelf beperkingen op (maar een film per week. En sommige films die mij erg aanspraken, mocht ik van mezelf niet kijken, omdat ze misschien slecht waren). Ik ging weer bidden en bijbellezen, en las ook al snel weer christelijke boeken. Ik mocht niet de SF-verhalen lezen die ik het liefst wilde, maar moest ze al snel weer afwisselen met ‘stichtelijke boeken’. Ik maakte er bovendien een punt van dat ik niet ‘doorsloeg’ op mijn interessegebieden. Ik mocht mijn verlangen niet volgen tot zijn logische conclusie. Als ik met mensen op fantasyfestivals of boekenbeursen liep, verontschuldigde ik me voor mijn uitroepen van enthousiasme, ik zwakte het af. Ik las op internetforums over mensen met meerdere aquariums in huis, en was dan altijd jaloers, toch vond ik niet dat ik er meer dan twee mocht hebben. Ook op andere gebieden drukte ik mijn verlangen altijd de kop in. Ik wist namelijk zeker dat er iets mis met mij was, dat mijn verlangen zoals ik dat ervoer verkeerd was. Ik liep rond met een diep, donker geheim in mij, wat niemand ooit mocht weten. En ik controleerde al mijn uitingen niet een, maar twee of drie maal om te zien of ze wel door de beugel konden. Niets kon spontaan zijn.
En nog steeds dwong ik mezelf dingen te doen die wel goed zouden zijn. Als het geen bijbelstudieboeken waren, dan waren het literaire klassiekers. Op mijn blog had iemand opgemerkt dat ik wel veel recente boeken noemde, en of ik niet ook klassiekers moest lezen (“want ook Lewis roept op tot het lezen van oude boeken.”). Dus ging ik negentiende eeuwse literatuur lezen. Sommige boeken waren echt goed, andere voelden voor mij als werk. Toch vond ik dat ik door moest gaan. Ik mocht immers niet af gaan op wat ik zelf wilde. Dus ploeterde ik weken door ‘War and Peace’ van Tolstoy, tot mijn vrouw vond dat ik wel heel chagrijnig uit mijn werk thuiskwam. Ook het schrijven van mijn blog was een moeten geworden, en ik voelde druk om in het weekeinde te werken aan stukken en bijvoorbeeld filmbesprekingen. Een ander voorbeeld was het diëten. Ik overtuigde mezelf ervan dat ik moest afvallen en hield me aan een heel strak regime (het oermensdieet). Ik zette mezelf onder druk. Ik moest dus nog steeds presteren van mezelf. Meerdere reageerders op mijn blog wezen er regelmatig op dat ik wel veel ‘moest’ van mezelf. Zelfs in stukken over genade, wist ik steeds weer bewoordingen te vinden die een naar mezelf toe verplichtend karakter hadden. Ik besprak onlangs bijvoorbeeld de opzet van mijn nieuwe boek ‘Wat als God je verhaal vertelt’ met de redacteur. Die merkte op dat ik wel heel vaak betoogde dat je pas naar iets kon verlangen als het betekenis had. Volgens hem kwam bij de meeste mensen verlangen spontaan bij hen op, zonder dat ze het moesten verantwoorden. Mijn vrouw legde de link en het kwam binnen als een klap: zoveel jaren na mijn overspannenheid moest ik mijn verlangens en mijn keuzes nog steeds naar mezelf toe verantwoorden!
Ik reageerde daarom ook overgevoelig op andere mensen die mij probeerden te vertellen dat ik dingen moest doen of laten. Bijvoorbeeld als ik op kantoor kritiek kreeg op mijn werk. Dat kon mij in een heftige negatieve spiraal doen belanden, en zelfs tot wanhoop drijven. Ik probeerde immers uit alle macht mijn werk goed te doen, omdat mijn zelfbeeld ervan af hing. Als ik het niet goed deed, suggereerde het voor mij dat ikzelf als persoon tekort schoot. En dan waren er de evangelische christenen die stelden dat ik stille tijd moest houden, of missionaire christenen die suggereerden dat ik hun werk moest gaan doen. Krantenberichten over hoe ik mezelf moest verkopen op het werk, hoe ik carrière moest maken, of hoe ik eruit moest zien. Zelfs mensen op twitter of facebook die vertelden op welke momenten ik eigenlijk berichten moest plaatsen of hoe ik als schrijver mezelf moest verkopen. Het stond hun natuurlijk vrij al deze dingen zelf te doen en hun enthousiasme te delen, maar ik vatte het persoonlijk op. Want hun claims waren voor mij altijd belangrijker dan wat ik zelf wilde en droegen dus de connotatie mee dat ik eigenlijk zoals zij moest zijn en dat ik zoals ik ben tekort schoot.
Voor mijn werk heb ik een keer meegedaan aan een persoonlijkheidstest. Ik scoorde op veel punten best redelijk, behalve op het onderdeel ‘zelfvertrouwen’. Op dat punt haalde ik de allerlaagste score die mogelijk was. Een ‘1’. En eigenlijk wist ik dat ook wel van mezelf. Ik was al jaren bewust van een negatief zelfbeeld, maar dat probleem is niet op basis van wilskracht op te lossen. Daarmee kun je niet omgaan door jezelf onder druk te zetten. Ik had in de jaren daarna dus ook niet het idee dat die score ooit werkelijk zou veranderen.
Op deze manier worstelen met jezelf is natuurlijk heel erg vermoeiend. Het zal je niet verbazen dat ik eigenlijk sinds mijn overspannenheid voortdurend met (winter)depressie en slaapproblemen heb geworsteld. Een nacht waarin ik maar twee keer wakker werd, was meestal een goede nacht en er waren hele periodes waarin ik acht keer per nacht ontwaakte, en moe wakker werd ‘s ochtends. Ik slikte eigenlijk bijna elke dag wel paracetamol tegen de hoofdpijn, worstelde met ‘de man met de hamer’ en mijn gezondheid ging zienderogen achteruit. Ik kreeg eczeem, die verergerde, en ik ontwikkelde in 2012 uiteindelijk tot twee keer toe wondroos, waardoor ik met extreme koorts op bed kwam te liggen. Het was een negatieve spiraal. Mijn vrouw heeft wel gezegd dat ze heel bezorgd over me was op de langere termijn. Ik wist echter niet hoe ik ooit uit deze vicieuze cirkel zou kunnen breken.

En ondertussen keek ik met nostalgie terug op mijn tijd op de middelbare school. Dat was eigenlijk helemaal niet zo’n beste tijd: ik werd gepest, was deel van een strenge kerk en er gebeurden andere dingen die me pijn deden. Toch was ik enthousiast over de verhalen die ik schreef, hoe ik op de fiets zat plotontwikkelingen te bedenken. Hoe ik stripverhalen tekende, puur voor mijn eigen plezier, alleen of samen met mijn broer. Hoe ik hele verhalen uitspeelde, en avonturen beleefde met de lego (ik ben nog enthousiast over voertuigen die ik bouwde). Ik mocht helemaal doorslaan van mezelf: in mijn aquariumhobby, in het schrijven, in het lezen. Ik was helemaal mezelf.
Mijn vrouw vindt het leuk om me enthousiast te horen over het verleden, maar ze zou graag willen dat ik ‘nostalgisch’ praat over dingen die ik nu doe. Dat ik ook eens kan zeggen: ‘vorig jaar, toen ik zo lekker onbezorgd met mijn stripverhaal bezig kon zijn’. In plaats van steeds te werken aan zaken die ik mezelf heb opgelegd (zelfs als dat bloggen is). Ze zei laatst bovendien dat ze sinds we elkaar kennen, nog nooit heeft meegemaakt dat ik een dag niets heb gedaan. Volgens haar ben ik altijd aan het werk, ook als ik niet op mijn werk zit. Ik heb altijd gedacht dat ik eigenlijk passief ben, en dat ik mezelf alleen tot daden aan kan zetten door mezelf te dwingen. Dat ik mezelf ertoe moest zetten nuttige dingen te doen, en dat ik voor God moest produceren. Maar dat is dus wel heel erg vermoeiend (en ik reageer ook jaloers als ik op twitter lees van full time christenen die oproepen tot missionair werk, en zich dan gunnen om elke voetbalwedstrijd te kijken. Alsof je tijd zou kunnen hebben om je te ontspannen als je aan al die dingen ‘moet’ werken. Vooral naast je werk). Die reactie is natuurlijk niet rationeel, maar komt voort uit mijn gebrokenheid.
Wat ik me de laatste jaren steeds beter realiseer is dat mijn stress niet voorkomt uit het te veel werken. Ik kan namelijk heel veel. Er zit in mij een motor die me tot creativiteit aanzet, en mijn enthousiasme over verhalen, aquariums, schoonheid en intimiteit raakt niet uitgeput. Nee, ik ben gestrest omdat ik mijn energie kwijt ben aan het onderdrukken van mezelf. Ik probeer uit alle macht mijn enthousiasme en verlangens in te dammen, ik duw met al mijn kracht op het deksel van de put, en probeer te voorkomen dat de ‘echte Johan’ zich uit. Om overspannen te worden hoef je niet te veel te doen, het is genoeg het verkeerde te doen. En eigenlijk ben ik sinds mijn eerste overspannenheid in meer of mindere mate het verkeerde blijven doen, omdat ik niet werkelijk durfde geloven wat God al van het begin tegen me zei: dat ik onvoorwaardelijk geliefd ben, dat ik zijn geliefde zoon ben in wie hij welbehagen heeft, en dat ik dat al was voordat ik ook maar iets had gepresteerd of nagelaten.

De laatste weken is er iets veranderd, waardoor ik eigenlijk voor het eerst deze vrijheid ervaar. Ik ervaar een rust en ruimte in mijn gedachten die ik sinds mijn tienertijd eigenlijk niet meer heb meegemaakt. En ik voel me vrij om te creëren en te scheppen, zoals ik dat lang niet heb gemerkt. De reden voor deze verandering zijn enkele ontdekkingen die ik gedaan heb over mezelf, mijn jeugd, en wat ik over God ben gaan geloven, namelijk dat zijn liefde sacramenteel is en niet transactioneel. In de volgende berichten van deze serie hoop ik deze ontdekkingen met jullie te delen.