Posts tonen met het label afhankelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label afhankelijkheid. Alle posts tonen

zaterdag 20 juli 2013

Gedicht: slapeloos

Slapeloos

Rode cijfers staren
me beschuldigend aan
Vanuit de nacht. Slaap
lijkt me te ontlopen.
Alweer. Ik was al moe.
Over enkele uren
klinkt het signaal.
Ik moet de dag betreden.
Produceren. Helder zijn.
Mijn zwakheid maar niet tonen.
Maar nu lig ik en hoor
de ventilator zoemen,
auto’s op de weg, een stem,
luid, niet voor mij bedoeld.
Wat nodig is ontgaat mij.
Ik wil mijn lot vergeten
maar de morgen is ver weg
de reis erheen nog lang.
Ik ben uitgeput wanneer
ik arriveer. Ochtendlicht
troost niet, geeft slechts respijt.
Ik weet: de zon gaat onder
en mijn strijd begint opnieuw.

donderdag 23 augustus 2012

Gerechtigheid 3: het werkelijke goede nieuws

In maart begon ik met het publiceren van een zevendelige serie die ik ooit schreef voor een mensenrechtenorganisatie. Nu is het alweer bijna september! Gelukkig zijn de losse overdenkingen ook apart te lezen. Deel 1 vind je hier, en deel 2 hier.

Het is nogal wat, een campagne voor gerechtigheid. Een kwartiertje bladeren in de krant, een half uurtje kijken naar het acht uur-journaal, een dag op Facebook: het is genoeg om je de moed in de schoenen te laten zinken. Waar moet je als individu immers beginnen? Hoe kan je ook maar iets doen om een eind te maken aan het lijden van zoveel mensen? Het kwaad is overweldigend. Als het op de ene plek ongedaan is gemaakt, steekt het ergens anders weer de kop op. Als op het ene continent een epidemie is bestreden, breekt ergens anders een hongersnood uit. Als het ene conflict voorbij is, begint het volgende. Alle hulp die we bieden, alle acties die we organiseren, alle inspanningen die we leveren, ze lijken een druppel op een gloeiende plaat. Het effect ervan is altijd slechts tijdelijk. Hoeveel we ook geven van ons geld, onze tijd en onze energie, het is nooit genoeg. Er blijft altijd meer nodig. Meer steun, meer inspanning, meer financiën. Als we ons al niet verschuilen achter een muur van cynisme, spoeden we onherroepelijk af op overspannenheid. Zo werkt het in ieder geval voor mij. Het is de reden waarom ik liever niet te veel wil weten van wat er op de wereld aan ongerechtigheid gebeurt. Het lijkt allemaal hopeloos, slecht nieuws.
 Maar ik zou geen overdenking schrijven voor deze website, als ik niet geloofde dat er goed nieuws te melden was: een boodschap die ons gevoel van zinloosheid verlicht, die betekenis verleent aan onze inspanningen, die hoop biedt op een blijvende verbetering voor ieder mens. Dit is het goede nieuws dat Jezus verkondigde: “De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij!” (Marcus 1:15). Het koninkrijk van God heeft ons bereikt (Lucas 10:9). Dit verandert de zaak. Dit zet alles wat we doen in een nieuw perspectief.

Wie de evangeliën leest, kan er niet omheen: het koninkrijk van God vormde de kern van Jezus’ boodschap, het ijkpunt waar hij steeds weer op terugkwam. Ons ongemak met de ongerechtigheid laat zien dat wij Jezus’ bedoeling niet hebben begrepen. We geloven in zijn dood en opstanding, maar we geloven niet wat die volgens Hem tot stand hebben gebracht: de vestiging van Gods regering op de Aarde. Een koninkrijk is namelijk niets anders dan het gebied waarin de wil van de koning gebeurt. Binnen de grenzen van Nederland vindt plaats wat de koningin besluit (ik weet dat de huidige politieke realiteit wat ingewikkelder is, maar het idee mag duidelijk zijn). Het koninkrijk van God is dus het gebied waar gebeurt wat God wil. Dat is waar Jezus op doelt in het ‘onze vader’: ‘Laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde, zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). Als het koninkrijk van God op een bepaalde plek arriveert, gebeurt daar de wil van God, zoals die nu al gebeurt in de hemel. En dat is het beste wat kan gebeuren. Dat is werkelijk goed. Dat geldt voor elk individu, elk gezin, elke organisatie en elke samenleving. Als Gods wil gebeurt, komen die tot hun eeuwige bestemming, hun ultieme ontplooiing, hun hemelse glorie. Jezus beschrijft wat zijn roeping was: ‘[God] heeft mij gezalfd om aan armen het goede nieuws te brengen … om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen’ (Lucas 4:18,19). Door zijn leven werd zichtbaar wat de wil van God was: blinden konden weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat werden gereinigd en doven konden weer horen, doden werden opgewekt en aan armen werd het goede nieuws bekendgemaakt (Lucas 7:22). Dit was wat God wilde, dit was wat Gods regering door Jezus heen tot stand bracht. En dit is wat Jezus voor ons beschikbaar heeft gemaakt door zijn dood en opstanding: als we ons bij hem aansluiten, worden we gered uit de macht van de duisternis en overgebracht naar het rijk van Gods geliefde zoon (Kolossenzen 1:13). Voortaan kan in ons en door ons heen de wil van God gebeuren.

Het koninkrijk van God is niet iets dat wij tot stand kunnen brengen, het is niet iets dat wij tevoorschijn kunnen roepen, dat wij kunnen maken of breken. Het is immers niet onze wil waarvan het afhankelijk is, maar die van God. Het enige dat wij kunnen doen om er deel aan te krijgen, is ons ervoor open te stellen. Jezus zei: “Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan” (Marcus 10:15). Toen nog meer dan nu, kwam niemand op het idee iets van een kind te verwachten. Ze konden niets produceren, ze konden niets verdienen, niets aan de samenleving bijdragen, ze konden alleen ontvangen. Pas dit voorjaar realiseerde ik me dat het verhaal over de ‘rijke jongeling’ hiermee in verband staat. Het probleem van deze man was niet dat hij niet in staat was alles op te geven, maar dat hij dacht dat hij iets kon doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven (Marcus 10:17). Hij meende dat hij door zich aan regels te houden, kon zorgen dat Gods wil in zijn leven gebeurde. Maar Jezus hield al van hem zonder dat hij ook maar iets deed. Hij hoefde het koninkrijk van God alleen maar als een geschenk te ontvangen, er ruimte voor te maken in zijn leven. Daarom is het voor rijken zo moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan (vers 23). Zij denken dat ze iets kunnen bereiken met hun eigen inspanningen, hun eigen tijd, hun eigen geld. Ze denken dat zij zelf verantwoordelijk kunnen zijn voor de gerechtigheid. Maar God is de enige die in staat is zijn wil te laten gebeuren. Alleen hij is verantwoordelijk voor zijn koninkrijk.

Het enige dat wij dus hoeven doen om te delen in Gods koninkrijk, is Hem te vragen zijn wil te laten gebeuren. We hoeven ons alleen aan hem beschikbaar te stellen, in elke situatie waarin we ons bevinden, elke dag opnieuw. Als we dat doen, verandert ons perspectief, dan krijgt ons leven een nieuwe basis, dan worden we opnieuw geboren. Pas als we niet langer op onszelf vertrouwen, maar op God, kunnen we het koninkrijk van God zien (Johannes 3:3,5). Dan zien we hoe de wil van God werkelijkheid wordt door wat we doen en wat we zeggen. Dan worden we verrast door de gevolgen van de meest eenvoudige daden van medemenselijkheid, van de kleinste woorden van liefde. Dan zien we wonderen die we niet hadden kunnen organiseren, blijvende veranderingen die we niet van te voren konden verwachten. Dan breken we niet onder de last van de gerechtigheid, maar vinden we rust voor onze zielen, en gaan we voort van kracht tot kracht, tot we voor God verschijnen in Sion, tot Gods koninkrijk wereldwijd werkelijkheid wordt (vergelijk Psalm 84:8).
Dit is pas werkelijk goed nieuws.

vrijdag 9 maart 2012

Filmbespreking: The Muppets

Het gebeurt nogal eens dat er een film gemaakt wordt van een boek/stripboek/TV-serie/computerspel waar ik als kind of tiener fan van was. En omdat ik toen, net als nu, nogal een liefhebber was van verhalen, en een brede interesse had, zijn dat er erg veel. Als ik naar zo’n film ga,  ben ik niet bijzonder objectief. Eigenlijk is dan voor mij het belangrijkste criterium bij het beoordelen ervan of hij recht doet aan het oorspronkelijke werk. Nee, ik ben niet van mening dat een film het verhaal uit het boek/stripboek/TV-serie slaafs moet volgen, of dat er geen gebeurtenissen mogen worden weggelaten, of dat motivaties van bepaalde karakters niet mogen worden veranderd. Film is een ander medium om een verhaal in te vertellen en wat werkt op papier, of over een lange periode in een serie, of in een spelsituatie, werkt misschien niet in de bioscoop. En een film moet in de eerste plaats een goede film zijn - anders kun je net zo goed het boek lezen.
Dus accepteer ik de weggelaten karakters en de andere motivatie van sommige hoofdfiguren in The Lord of the Rings, en denk ik niet dat het kwaad kan dat hele verhaallijnen achterwege zijn gelaten bij de Harry Potter-verfilmingen. Ik schrijf ook geen boze forumberichten op internet over het feit dat Kuifje in de recente film Kapitein Haddock in een totaal ander verband ontmoet dan in de stripverhalen, of dat de X-men andere kostuums hadden. Want hoewel de specifieke onderdelen van het verhaal in deze gevallen zijn aangepast of gewijzigd, is de sfeer hetzelfde. Datgene wat je als lezer of kijker aansprak in het oorspronkelijke verhaal: de thematiek, de interacties tussen de personen, de verbeelding, is ook in de nieuwe vertelling te vinden. Neem de recente TV-serie Sherlock, waarbij de beroemde detective wordt gesitueerd in het Londen van de 21ste eeuw (een grotere wijziging is nauwelijks denkbaar), maar waarbij mijn vriendin en ik elkaar aankeken en concludeerden: “Dit is echt Holmes.” Hij gebruikte misschien een mobiele telefoon, maar hij was dezelfde zelfverzekerde, onaangepaste, briljante man uit de verhalen van Arthur Conan Doyle, en zijn relatie met Watson had zo uit de boeken kunnen komen. Het hart van de verhalen uit de 19e eeuw was behouden gebleven (misschien nog meer dan in de recente bioscoopfilms, die Holmes iets te veel als actieheld weergeven).
Andere verfilmingen weten soms details wel goed te treffen, maar missen die elementen die het oorspronkelijke verhaal maakten tot wat het was. Van de tekenfilmserie G.I. Joe die ik trouw elke zaterdagmorgen keek toen ik klein was, was weinig terug te vinden in de recente bioscoopfilm. De Tomb Raider-films bevatten nauwelijks iets van de speurtochten en verkenningen die de spellen zo boeiend maken. En de laatste Narnia-film doet zo’n onrecht aan de motivatie van sommige karakters, dat ik de DVD nog geen enkele keer heb bekeken nadat ik de film in de bioscoop had gezien. En dat terwijl het oorspronkelijke verhaal zijn kracht juist ontleende aan de eigen unieke verbeeldingsvolle kern. Neem dat hart weg, en hoe veel de uiterlijkheden ook overeenkomen met die van het stripboek of de TV-serie, de nieuwe versie is gewoon niet hetzelfde. De nieuwe versie zal ook nooit mensen aanspreken zoals het oorspronkelijke werk dat deed. Eigenlijk is het een zombie-film geworden (niet een film over zombies, maar een film als een zombie): het lijkt van buiten nog wel op het levende verhaal, maar het is een dood produkt geworden, niet gedreven door verbeeldingskracht, maar door de commercie.
Dit maakt het tot de ultieme test voor een verfilming of zowel mensen die het oorspronkelijke werk kenden, als de fans van het eerste uur, de nieuwe versie omarmen, en bovendien of beiden dezelfde elementen waarderen. Als de kijkers van de recente film in hun reacties dezelfde dingen roemen als de fans als ze over de oudere versie hebben, is de vertaling naar het nieuwe medium goed gelukt. Dit lijkt in het geval van The Muppets het geval te zijn. Fans van The Muppet Show (zoals Jeffrey Overstreet en Steven Greijdanus) zijn erg positief, maar ook recensenten die de muppets niet kenden (anders dan van de korte parodiefilmpjes op het internet), zoals ondergetekende.

En opnieuw fungeert deze lange inleiding eigenlijk als commentaar op de film in kwestie. De film is niet alleen een terugkeer van de vilten poppen na meer dan tien jaar afwezig te zijn geweest (na een paar films die volgens de kenners het hart van de oorspronkelijke Muppets misten), de film gaat bovendien ook over hun eigen terugkeer! Hij bevat zelfs een ‘nieuwe versie’ van de Muppets, die wordt gedreven door commercie: The Moopets - een cynische herinterpretatie van de oorspronkelijke karakters, bedoeld om geld op te leveren voor de TV-stations. Maar ze kunnen, zelfs met de kracht van het grote geld achter hen, niet de harten winnen van de oorspronkelijke Muppetsfans, noch die van de moderne kijkers. Maar wat het hart was van de optredens van de muppets blijkt in de film ook de mensen aan te spreken die de poppen nog niet kenden. En dat geldt dus ook voor de film zelf.
De film gaat er niet van uit dat kijkers de muppets al door en door kennen, maar begint met de introductie van de twee broers Gary en Walter. Ze doen van jongs af alles samen. Gary is een forse dertiger, die een relatie heeft met de enthousiaste Mary: ze is zo levenslustig dat zelfs de kinderen in haar klas het jammer vinden dat ze op vakantie moeten. Walter is een muppet. Nu niet vragen hoe dat kan: de film doet dat ook niet, maar accepteert het als een feit. Walter was zich echter wel altijd bewust van het feit dat hij anders is dan alle anderen. Dat heb je in een klein Amerikaans dorp. Tot hij op televisie de Muppetshow ontdekte en op slag fan werd van Kermit de kikker, Miss Piggy, en de rest. De wetenschap dat er ergens op de wereld andere vilten poppen waren zoals hij gaf Walter de moed om ondanks pesterijen en tegenslag een leven op te bouwen. Nu kondigt Gary opeens aan om ter gelegenheid van zijn tiende jaar verkering met Mary op reis te gaan naar Los Angeles. Los Angeles, waar de Muppetstudio’s zijn. Walter wil mee: dit is zijn kans om zijn helden in het echt te zien. De drie arriveren uiteindelijk voor de vervallen studio, waar alleen nog goedkope rondleidingen worden gegeven voor toeristen die in de war zijn met de Hollywood studio’s. En het blijkt dat een geldbeluste directeur het recht krijgt op de grond waarop de studie is gebouwd als hij niet binnen korte termijn tien miljoen dollar ontvangt. De enige manier om dit plan te stoppen is de muppets weer bij elkaar te brengen. Dus gaan Gary en Walter op zoek naar de poppen. De eerste die ze vinden is Kermit, maar die ziet de kansen voor een reunieoptreden somber in. De muppets hebben volgens hem geen plek in de cynische TV-wereld van tegenwoordig. En ondertussen vraagt Mary zich af of Gary hun tienjarige jubileum niet uit het oog zal verliezen. Hij zal moeten kiezen: is hij een man of een muppet?

Hoewel ik de Muppetshow niet kende en geen van de oorspronkelijke films gezien heb, genoot ik vanaf de eerste minuten van deze film. Ik genoot van de humor, het ene moment ‘slapstick’, het andere moment subtiel. De ‘eighties robot’ deed me grinniken. Maar ik waardeerde ook de manier waarop de film omging met filmconventies. Niet alleen worden die op de hak genomen (een moment met een bus en een kerkkoor), de karakters zijn zich bovendien bewust van het feit dat ze in een film leven (‘travel by map’). De liedjes zijn fantastisch: slimme teksten met aanstekelijke melodieen, die je blijft neurien. Ze zijn geschreven door een van de leden van Flight of the Conchords en dat is te merken (google maar eens op ze en kijk via Youtube een paar van hun liedjes, zoals The Humans are Dead). Ik moest glimlachen bij de gastoptredens van bekende acteurs - en het was ook leuk om Sheldon uit The Big Bang Theory terug te zien in ‘Man or Muppet?’. Maar te midden van de chaos bleef deze film in emotioneel opzicht oprecht. De reis van Walter in het ontdekken van zijn talent en de verzoening tussen Kermit en miss Piggy raakten me werkelijk - ook al ging het om vilten poppen. Ook al wordt al het andere op de hak genomen, relaties neemt deze film serieus. En dat maakt dat je als kijker met een warm gevoel de bioscoop uitkomt. Deze film bevestigt elementen van het leven die echt belangrijk zijn. Voor mensen uit de jaren ’70 en ’80 (de hoogtijdagen van de muppets) en voor mensen van nu. En voor muppets.

Een paar van de lessen van deze film liggen behoorlijk aan de oppervlakte. Dat iedereen een talent heeft en die ook mag uitleven. Dat je moet kiezen wat of wie je prioriteit geeft (en dat dit te maken heeft met je identiteit). Dat er in onze wereld nog steeds ruimte is voor oprechte artiesten. Dat echte vrienden elkaar niet alleen laten. Allemaal mooi en waar. Ik wil echter een iet minder vanzelfsprekende parallel onder de aandacht brengen. Volgens mij kun je het gezelschap van de muppets zien als een beeld van de kerk. Dit zal niet door de makers bedoeld zijn, maar dit is een geval van ‘application’ (toepassing) in plaats van ‘interpretation’ (interpretatie). In de volgende paragrafen zal ik ook iets over het slot van de film schrijven, je bent gewaarschuwd.
De muppets zijn een gemeenschap die was ontstaan om wekelijkse TV-shows op te nemen. Shows waarmee de karakters behoorlijk populair werden (zowel in het echt als in de film). Maar de tijd heeft de muppets ingehaald. Hun TV-formule is volgens de netwerkbazen niet meer populair. Er kan meer geld worden verdiend met shows als ‘Punch the teacher’ - programma’s die de lagere driften van de mens uitbuiten om ze veel mogelijk te verdienen in zo kort mogelijke tijd. De individuele leden van de groep zijn uit elkaar gedreven. Sommige zijn heel succesvol op hun nieuwe positie, maar zijn hun passie kwijtgeraakt, andere proberen nog iets van hun vroegere glorie vast te houden in een cynische omgeving waar ze eigenlijk niet zichzelf kunnen zijn. Net zo worstelt de kerk met zijn identiteit, in een omgeving waarin het christelijk geloof niet meer actueel lijkt te zijn. Het voelt alsof de tijd het instituut kerk heeft ingehaald. Sommigen hebben het maar opgegeven en trekken zich terug in hun eigen wereldje, anderen proberen zich uit alle macht vast te klampen aan het instituut. Hun pogingen om zich af te zetten tegen de omgeving hebben iets schreeuwerigs.
In de film komen de Muppets bij elkaar, in eerste instantie met het doel geld te verdienen. Daar zijn hun inspanningen op gericht. De kerk wordt ook vaak beschouwd als een organisatie die een bepaald doel dient: de wereld bekeren, groter worden, geld binnenhalen. Ik heb het op deze blog vaker gehad over de kerk die probeert doelen te halen: die gaat functioneren als een bedrijf. Het individu moet dan wijken onder de vereisten van het doel. De waarde van mensen hangt af van hun bijdrage of inzet. Voor genade is in zo’n instituut geen plaats. Het doel heiligt immers de middelen.
Als het de muppets zou lukken 10 miljoen dollar binnen te halen, zou deze film het beeld bevestigen van een groep die bestaat om te produceren. Om geld te verdienen en succesvol te zijn. Maar het bijzondere van dit verhaal is dat het niet lukt. Bij lange na niet. De slechte industrieel heeft gewonnen. Hij krijgt het grondgebied van de muppetstudio. Het lijkt een desillusie voor de hoofdpersonen. Maar het is een desillusie waar ze uiteindelijk dankbaar voor zullen zijn, want omdat ze hun doel niet halen, krijgen ze weer oog voor wie ze werkelijk zijn, en waarom ze ooit een gemeenschap zijn gaan vormen. Ze zijn namelijk niet begonnen als organisatie om geld te verdienen, maar ze zijn begonnen als een gemeenschap die mensen blij wilde maken. De term ‘gemeenschap’ suggereert iets heel anders dan een ‘instituut’. Dit is een groep die bepaald wordt door de onderlinge relaties. Relaties tussen individuen, die elk iets unieks hebben bij te dragen. Niet productie (voor deze karakters geen functiewaarderingsgesprekken en SMART afspraken over hun competentieontwikkeling), maar persoonlijkheid. Wat belangrijk is, is niet wat ze doen, maar wie ze zijn (zo wordt Gonzo er niet op afgerekend dat zijn stunt - het gooien van een bowlingbal - totaal mislukt). Dit zijn totaal verschillende personen, die bij elkaar komen omdat ze door hetzelfde verlangen worden gedreven. Ze willen mensen laten lachen, ze willen mensen gelukkig maken, ze willen mensen hun zorgen laten vergeten. Ze zijn niet een bedrijf geworden dat dingen wil krijgen (geld, prestige, invloed). Ze zijn een gemeenschap die wil geven, die wil dienen. Ze zijn niet gericht op zichzelf, maar op de ander. Dit is wat hen samenbindt. En dat ontdekken ze als hun beoogde opbrengst niet wordt gehaald: het aantal mensen dat hen opwacht op straat laat zien dat het hun misschien niet is gelukt te krijgen, maar wel om te geven. En dat besef zorgt dat ze een gemeenschap blijven, ook na de film. En waarom kan zo’n schijnbaar door de tijd ingehaalde groep terugkomen? Omdat wat ze geven is wat mensen van alle tijden verlangen: acceptatie, liefde, schoonheid, creativiteit, betekenis.
Ik hoop dat kerken deze ontdekking ook doen: dat ze geen instituten zijn die iets moeten krijgen, die resultaten moeten halen, die de wereld moeten veranderen, dat ze geen bedrijven zijn, maar dat ze teruggaan naar de kern, dat ze veranderen in gemeenschappen. Gemeenschappen van mensen die hun hart willen openen voor anderen, die willen dienen, elkaar en de wereld. Gemeenschappen die niet worden opgericht volgens een plan om voorgeschreven ‘targets' te halen, maar gemeenschappen die als vanzelf ontstaan rond een gedeeld verlangen, een verlangen dat groter is dan elk individuele lid zelf. De kerk is een gemeenschap van mensen die ontstaat rond Christus en het besef van zijn dienende liefde. En in deze gemeenschap vinden mensen de vrijheid zichzelf te zijn en van zichzelf uit te delen. In deze gemeenschap vinden mensen hun identiteit - niet als productieslaven of werknemers, maar als vrienden, als geliefden.
En deze groepen, deze gemeenten, hebben de wereld wel degelijk iets te bieden. Want in 2000 jaar is de mens niet werkelijk veranderd. De mens verlangt nog steeds wat hij altijd al verlangde, ook in een tijd van cynisme en wantrouwen. Het hart van de mens is hetzelfde gebleven. En wat het hart van mensen nodig heeft, is alleen in dit soort gemeenschappen te vinden.

dinsdag 14 februari 2012

Valentijnsbericht: geen rollen, maar personen

Het is weer eens de veertiende februari, en hoewel het buiten grijs en kil is, de stoep glad, de bomen kaal en de bodem bedekt met smeltende stukjes sneeuw, vertellen de media en de winkels ons dat we per se romantisch moeten doen. Kaarten, etentjes, chocolade in een hartvormig doosje: wie niet iets leuks en origineels organiseert voor zijn of haar geliefde is een ‘loser’ (suggereert de commercie, die graag wil verdienen aan speciale Valentijnsarrangementen en -aanbiedingen). Romantiek is een prestatie geworden - en zoals ik eind vorig jaar schreef: moeten presteren is contraproductief. Het zorgt alleen maar voor de spanning om aan andermans verwachtingen (en die van de omgeving) te voldoen en is funest voor echte gezelligheid, en echte romantiek (die in mijn bescheiden mening zelfgekozen, gemeend en spontaan is).
Hoewel ik wat betreft mijn persoonlijke situatie voor het eerst in mijn leven in staat zou zijn om mee te doen met het Valentijnscircus, hebben mijn vriendin en ik ervoor gekozen om de gekte aan ons voorbij te laten gaan, en elkaar pas morgen te ontmoeten. Vanavond houd ik mij bezig met mijn aquariums, zonder dat er ook maar een flardje romantische muziek uit mijn radio klinkt. Maar er is een Valentijnstraditie waar ik me wel aan wil houden: mijn traditie om een bericht over relaties te schrijven op mijn blog. Ik kan nu niet meer ingaan op de voor- en nadelen van het vrijgezellenbestaan (en daar ben ik blij om, wil ik wel zeggen), maar toch vervult de hele wereld van de relaties tussen mannen en vrouwen me nog steeds met verbazing.

Vorige maand las ik bijvoorbeeld een artikel (en de commentaren erop) op de christelijke website Christianity Today. Het ging over het verschijnsel dat er nogal wat vrijgezelle dames zijn in de kerken die maar geen goede man kunnen vinden. Het probleem werd bij de mannen neergelegd: die wilden namelijk niet volwassen worden. Ze weigerden de verantwoordelijkheid te nemen voor een relatie en een gezin. In plaats daarvan bleven ze hangen in een verlengde adolescentie, waarbij ze in de kelder bij hun moeder computerspelletjes zaten te spelen en films zaten te kijken. Deze jongetjes moesten ernstig worden toegesproken, zodat ze zich zouden gaan schamen voor hun laksheid. Ze moesten ballen krijgen en hun plicht doen: de ‘zielige’ vrijgezelle vrouwen uit vragen, trouwen en kinderen krijgen. Het idee zou zijn dat als ze zich maar schuldig genoeg voelden, ze wel zouden veranderen. Ik denk dat deze benadering alleen maar averechts werkt. Schuldgevoel is, net als schaamte, nooit een goede motivator. Het zorgt ervoor dat de persoon in kwestie zich nog dieper in zijn schulp terugtrekt, terwijl de geslaagde macho man (en de vrijgezelle vrouw met hoge kwaliteitseisen) zichzelf nog eens een schouderklopje kunnen geven.
Ongeveer tegelijkertijd met dit artikel was er ophef over de voorganger Mark Driscoll uit Seattle, die ook nogal wat aparte ideeën heeft over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Ik zag bijvoorbeeld een videofragment van hem waarin hij uitviel tegen de mannen in zijn gemeente die in zijn ogen hun verantwoordelijkheid niet namen en niet de leiding hadden in hun gezin. Hij was er verbolgen over dat er in zijn gemeente vrijgezelle mannen waren, die niet de moed hadden om zich aan een dame te binden. Dat waren ‘sissies’ - ze moesten zichzelf snel gaan veranderen. Ondertussen houdt hij vrouwen voor dat ze hun man moeten dienen. Niet alleen in praktische zaken in het huishouden, maar ook op seksueel gebied. Zo moet volgens hem een vrouw zich niet ‘laten gaan’, maar zorgen dat ze voor haar man aantrekkelijk blijft. Anders zou het haar eigen schuld zijn als hij naar andere vrouwen zou gaan kijken. Ik hoef hier waarschijnlijk niet uit te leggen dat ik eigenlijk geen zin heb om meer van Driscoll te zien of te lezen. Ik voel me al minderwaardig genoeg zonder zijn tirades en zijn hele idee over vrouwen riekt naar misogynie.

Maar christenen zijn niet de enigen die mannen en vrouwen in een rollenpatroon willen dwingen. In de commentaren bij het stuk in Christianity Today werd gesuggereerd dat de jonge christenvrouwen het de mannen ook wel te makkelijk wilden maken. Ze moesten hogere eisen stellen (nog hoger? Aan mannen die passief blijven omdat ze denken toch al niet aan de eisen van de kerk en de maatschappij te kunnen voldoen?). Ze moesten zich houden aan ‘The Rules’. Dit is een set regels voor vrouwen met betrekking tot het daten. De vrouw mag bijvoorbeeld niet de man uitvragen, moet niet te snel terugbellen als de man belt, moet niet te enthousiast reageren. Ze moet hem op afstand houden, ‘hard to get’ zijn. Het idee is dan dat de man omdat hij nog harder zijn best voor haar moet doen, haar nog liever zal willen - en dus nog verliefder op haar zal worden. Daar tegenover staan voor mannen de regels van ‘The Game’. Het spel waarmee mannen vrouwen verliefd op zich kunnen laten worden. De man moet inderdaad niet laten merken dat hij een vrouw leuk vindt. Hij moet haar onzeker houden. Hij moet haar af en toe aanraken, op de arm, of even bij de hand nemen, maar niet te lang. Hij moet haar vertellen wat ze moet doen, en haar niet te veel inspraak geven. Hij moet haar plagen. De onzekerheid zal haar verliefd maken, want wat is verliefdheid anders dan onzekerheid? Als het het niet doet, komt de man terecht in de ‘friend zone’ en wordt hij niet gezien als romantische mogelijkheid, maar alleen als schouder om op uit te huilen.
Toen ik me had voorgenomen om mijn onzekerheid op relationeel gebied te overwinnen heb ik me verdiept in wat er van mannen verwacht wordt in ‘het spel’. Ik heb ook geprobeerd het in praktijk te brengen - maar zonder succes. Het past namelijk niet bij mij. Ten eerste omdat ik niet iemand wil manipuleren zodat die verliefd op mij zou worden. Ik wil helemaal geen ‘spel’ met iemand spelen. Ik wil een relatie met een echte vrouw, een echt persoon, die zelf voor mij heeft gekozen zonder dat ik haar gevoelens bewust heb bespeeld. En het woord ‘spel’ suggereert al dat ik in de relatie op basis van deze regels ook al niet mezelf zou kunnen zijn. Ik zou een rol spelen, en die zou ik eeuwig moeten volhouden. Want ik ben niet zo macho dat ik kan doen alsof ik niet geef om de ander. En mijn grote wens is om mezelf te kunnen zijn. Bovendien ben ik niet zo zelfverzekerd. Dus de andere partij mag ook wat initiatief nemen - als ik zou moeten blijven raden naar iemands gevoelens, geef ik de moed snel op.

Ik schrijf de laatste weken veel over het vertrouwen op onze eigen wilskracht om onszelf en anderen te veranderen en over ‘heldenverhalen’ waar we onze identiteit aan ontlenen, maar waardoor we andere mensen niet zichzelf kunnen laten blijven, maar moeten veranderen of bestrijden. Deze dynamiek speelt ook tussen man en vrouw, zowel bij christenen, als in de rest van de wereld. Allebei proberen ze met technieken en regels de ander voor zichzelf te laten vallen. Maar ook: mensen die zich niet aan de verwachtingen of het ideaalplaatje houden (de zelfverzekerde man ‘in control’, de onderdanige vrouw), worden gekleineerd of krijgen een schuldgevoel aangepraat (dat doet niet alleen Mark Driscoll, ik heb op internetforums ook pijnlijke commentaren gelezen op mannen die weigerden het ‘spel’ te spelen). Het resultaat is dat zowel man als vrouw een rol gaat spelen. Hij en zij zijn niet zichzelf naar de ander, maar laten alleen zien wat zij denken dat de ander wil zien. Die heeft dan ook geen relatie met een echt persoon, maar met een toneelspeler of -speelster. Ik schreef al eerder dat dit een groot probleem is in de evangelische kerk, waar mensen een rol moeten spelen, maar het verziekt ook relaties.
Ik geloof dat het Verhaal van Jezus, het Verhaal van de Zwakheid, werkelijk goed nieuws is. Het is de aankondiging dat mensen (mannen/vrouwen, stoer of onzeker, macho of gamer) hun identiteit en betekenis niet meer hoeven ontlenen aan wie ze zijn of wat ze doen (hun ‘heldenverhaal’), maar dat deze ze gegeven worden door de liefde van God - het bewijs ervoor is de dood van Jezus. Tegelijk krijgt ieder mens de belofte dat zijn of haar leven niet van de eigen wilskracht afhangt, maar dat het de opstandingskracht van God in hem of haar is die ervoor zorgt dat de wil van God gebeurt, in de persoon zelf en in de wereld. Dit gaat in tegen alle regels en spellen uit onze maatschappij. Het is werkelijk subversief. Maar het brengt wel de hoop met zich mee dat mensen een echte relatie met elkaar kunnen hebben. Een relatie waarin beide partners de ander respecteren als persoon, en niet als ideaalbeeld. Een relatie waarin beide partners niet proberen de ander aan een ideaalbeeld te laten voldoen, maar juist voor de ander zoals die is klaar staan. Een relatie van twee gelijkwaardige personen die zich aan de ander geven - en die zo een beeld zijn van de drie-eenheid: een ondeelbare eenheid die een gevolg is van de gevende liefde van de drie personen.

Mensen denken dat de bijbel relaties tussen man en vrouw juist beschrijft als een hierarchie, waarbij de man de leiding heeft, en de vrouw de rol van huisvrouw moet spelen. Niets is verder van de waarheid. Zelfs het gedeelte uit Efeze dat hier vaak bij wordt aangehaald, wijst erop dat de man zijn vrouw moet liefhebben zoals Christus de gemeente heeft liefgehad, dat wil zeggen: als zijn eigen lichaam! Als je dat vergelijkt met de omliggende cultuur, waarin vrouwen meer als eigendom werden gezien dan als gelijkwaardige partner, is dit al heel erg subversief.
Maar Paulus (die vaak wordt gezien als vrouwenhater, volledig onterecht!) gaat nog veel verder in 1 Korintiers 7:1-4. Besef bij het lezen hoe de Grieken in die tijd over vrouwen dachten: vrouwen waren in hun ogen minderwaardig. Seks met vrouwen diende alleen om kinderen te verwekken, maar was eigenlijk iets dat niet pastte bij de status van mannen, dus het was goed om geen seks met vrouwen te hebben. Dat vrouwen ook plezier beleefden aan seks kwam niet eens bij ze op. Mannen hadden liever seks met andere mannen - vooral jonge mannen. Niet voor niets werd er in de gymnasiums naakt gesport. Voor mensen die leefden in deze omgeving schreef Paulus: “U zegt dat het goed is dat een man geen gemeenschap met een vrouw heeft. Maar om ontucht te vermijden moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. En een man moet zijn vrouw geven wat haar toekomt, evenals een vrouw haar man. Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap over zijn lichaam, maar zijn vrouw. Weiger elkaar de gemeenschap niet, of het moest zijn dat u er wederzijds mee instemt u enige tijd aan het gebed te wijden. Kom daarna echter weer samen.” Dat is revolutionair! Dit is een progressieve seksuele ethiek! De man moet de wensen van de vrouw bevredigen! De man moet zijn lichaam niet voor zichzelf houden, maar het geven aan zijn vrouw! Hij moet het haar naar de zin maken, en niet alleen eisen dat zij het hem naar de zin maakt. Kortom, volgens de bijbel is de relatie tussen man en vrouw - ook de seksuele relatie - een relatie tussen twee personen, van gelijke waarde en betekenis. “Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.” (Galaten 3:28). Dat wilde zeggen dat men in de kerk ook niet meer mocht discrimineren. De scheidsmuur was immers afgebroken. Iedereen was als persoon even waardevol.
Getuige de hierboven aangehaalde artikelen zijn deze woorden van Paulus nog steeds subversief in onze cultuur en ook in de christelijke kerk - overal waar van de relatie tussen man en vrouw een spel wordt gemaakt, waar het een hierarchische relatie wordt, gebaseerd op macht of gezag, en waar mensen niet als persoon worden beschouwd, maar als rol.

Van alle instemmende commentaren bij het artikel in Christianity Today waren er een of twee die een tegengeluid lieten horen tegen al die eigengerechtigde schrijvers die meenden dat de computerspelende ‘kind-man’ van tegenwoordig een schop onder zijn kont moest krijgen. Een vrouw had volgens mij het juiste idee. Ze zei dat -in plaats van deze mannen op de kop te zitten en een schuldgevoel aan te praten- zowel mannan als vrouwen hun best moesten doen om ze te bevestigen. Bevestig wie ze zijn, bevestig hun kwaliteiten, stimuleer ze in hun passies en interesses. Geef ze het vertrouwen dat ze (zoals ze zijn!) iets te bieden hebben en niet hoeven voldoen aan het ideaalbeeld van de perfecte man. Kortom, behandel ze als persoon, met het respect dat ze verdienen als persoon, en verwacht niet van ze dat ze perfect en bepaalde rol gaan spelen. Het zou zomaar kunnen dat deze mannen dan de vrijgezelle vrouwen in de kerk ook niet langer meer zien als ‘vrijgezelle kerkvrouwen’, onbereikbaar, of veeleisend, maar als personen, echte mensen. En dat ze bij elkaar komen, niet door een spel te spelen, niet door zich aan de regels te houden, maar door een relatie met elkaar aan te gaan. En als hij dan nog steeds achter de spelcomputer kruipt, is dat niet omdat hij onvolwassen is, maar omdat hij houdt van computerspellen.
Ik ben in elk geval blij dat ik er geen spel van heb gemaakt toen ik contact opnam met mijn huidige vriendin om met haar af te spreken, of toen ik haar verkering vroeg. En ik ben er blij om dat zij zich niet aan de regels hield, maar duidelijk liet merken dat zij me leuk vond en me beter wilde leren kennen. Ik weet dat ik bij haar mezelf kan zijn, en zij zegt dat zij bij mij zichzelf kan zijn. Dat is waar het om draait tussen mensen. En daar heb je geen hartvormige doosjes bonbons of rode ansichtkaarten voor nodig.

P.S. Lees ook dit openhartige bericht: 'I wish everything they keep telling us to do actually worked, really I do ... But this largely sexist idea that you guys – and it is the guys for the most part – seem to have about how all Christian men and all Christian women are wired – or ought to be wired –  just doesn’t work in the real world ... Many men actually like women as fellow human beings, and don’t think women are just for marrying, or leading around, or sticking their willies in. I put it to you that an awful lot of men – more than you probably think – don’t want to be leaders, of their wives or anyone else. And these are not broken men that need fixing. Another thing. Despite all that weaker vessel stuff, not all women are weaker than men, physically, mentally or spiritually ...  I’ll come back to church when you guys start healing and uniting all people, regardless of gender and sexual orientation, celebrating their humanity and diversity, and just stop with the generalisations, the misogyny, and the micro-managing sin via behaviour modification. It’s just boring." Het hele artikel is de moeite waard!

P.P.S. Voordat iedereen kritiek heeft op Christianity Today: ze schrijven gelukkig ook wel andere dingen over relaties - die mij gezonder in de oren klinken: "The model of the companionate marriage is rooted in permanence, not performance and so sees a potential mate as a partner instead of prey."

P.P.P.S. Mijn valentijnsbericht van 2011

P.P.P.P.S. Mijn valentijnsbericht van 2010

zondag 5 februari 2012

Boekbespreking: A Game of Thrones

Er zijn soms boeken waar je al jaren lang over hoort. Schrijvers die je graag leest rekenen ze tot hun favorieten of noemen ze als inspiratiebron. Op lijstjes van lezers van hun meest geliefde fantasyboeken staan ze steevast bovenaan. Als het gaat om realistische, epische, complexe fantasieverhalen vallen deze titels. En toch kom je er niet aan toe ze te lezen. Voor een deel is dat omdat de verhalen door hun fans als heel duister worden voorgesteld.  De schrijver aarzelt bijvoorbeeld niet om sympathieke hoofdpersonen te laten omkomen. Karakters hebben seks met elkaar, al dan niet geheel vrijwillig. Er zijn geen echte goede mensen in het verhaal, ga zo maar door. Klinkt niet echt gezellig allemaal. Dus kies je als je in de winkel staat toch een boek dat een wat minder gruwelijke indruk maakt.
Het blijft echter wel knagen. Je zou het toch een keer moeten lezen, vooral omdat mensen die je respecteert er enthousiast over zijn, en er bovendien een TV-serie van is gemaakt die je ook een keer wilt zien. Daarom schaf je het boek aan als je het tegenkomt bij de Slegte (lang leve tweede hands boekwinkels - ik hoop dat die niet verloren gaan bij de opkomst van het e-book). En dan blijkt dat je je woorden moet inslikken. - je bent in een klap fan geworden.
De impressie die de woorden van anderen hadden gewekt bleek misleidend. Het boek is niet een orgie van seks en geweld in een grimmige omgeving. Het is een prachtig verteld verhaal in een realistisch aandoende middeleeuwse wereld (waar inderdaad seks en dood een rol spelen), vol fascinerende karakters, zowel heel goede (Eddard Stark) als heel slechte (Joffrey Lannister) en alles er tussenin. Dat is allemaal gekoppeld aan interessante hints van magie, een goed uitgewerkt complot en filosofische overdenkingen over godsdienst en macht. En had ik gezegd dat het goed geschreven is? Het duurde even voor ik echt in het verhaal kwam, vooral omdat de schrijver elk hoofdstuk iemand anders als gezichtspuntkarakter opvoert en je langzaam de hoofdrolspelers leert kennen, maar uiteindelijkwil je weten hoe het afloopt met personen als Jon, Brandon en Tarya. Ik heb het over A Game of Thrones van G.R.R. Martin, het eerste deel van A Song of Ice and Fire, en een aanrader voor iedereen die wil lezen over mythische gebeurtenissen en fantastische plekken, maar ook over mensen met realistische menselijke drijfveren. Dat levert niet altijd een optimistisch boek op, maar wel een heel goed boek.

Het verhaal speelt zich af op het continent Westeros. Zestien jaar geleden verdreef Robert Baratheon daar de wrede drakenkoning en roeide zijn nageslacht uit. Hij nam plaats op de ijzeren troon om te regeren over de zeven koninkrijken. Maar dat bleek niet zo eenvoudig - verschillende partijen in het rijk streven naar macht, niet in het minst de Lannisters. Als de rechterhand van de konink omkomt, reist hij af naar het Noorden, naar Winterfell, om de hulp in te roepen van zijn oude vriend en kameraad Eddard Stark. Die wil liever niet weg uit zijn kasteel, maar zijn grote eergevoel maakt dat hij niet anders kan. Samen met zijn twee dochters reist hij naar het zuiden. Zijn zoons en zijn vrouw blijven achter om in zijn plaats te regeren. Eddard Stark ontdekt al snel dat de dood van zijn voorganger niet natuurlijk was. Er wordt verraad voorbereid, en de samenzweerders zijn bereid tot het uiterste gaan om hun geheim te bewaken. Koning Robert weet echter van niets, en Stark durft hem nog niet in vertrouwen te nemen. Bovendien is Starks dochter beloofd aan de zoon van Robert, Joffrey, wiens moeder een van de hoofdverdachten is.
Tegelijkertijd zint in het land over de zee de laatste overlevende van de drakenkoningen op wraak. Door zijn zus uit te huwelijken aan de heerser van een ruitervolk, hoopt hij een leger op de been te kunnen krijgen om de Zeven Koninkrijken weer aan zich te onderwerpen. Ondertussen roert het ver in het Noorden, aan de andere kant van de enorme ijsmuur. De verkenners die dat gebied zijn ingezonden zijn nooit meer teruggekomen, en er gaan geruchten de ronde van bovennatuurlijke gebeurtenissen. Jon, de bastaardzoon van Eddard Stark, heeft zich aangemeld bij de zwartgeklede ridderorde die de muur bewaakt, en ontdekt al snel hoe groot de dreiging is. De seizoenen op Westeros zijn namelijk onregelmatig: ze kunnen jaren en jaren duren. Na een lange zomer, volgt vaak een lange winter. En de zomer duurt al bijna tien jaar ... Niet voor niets hebben de Starks een onheilspellende zinspreuk: “Winter is coming ...

De beste fantasyboeken zijn de verhalen die je aan het denken zetten over je eigen leven, die in de termen van Tolkien ‘toepasbaar’ zijn, en dat geldt voor A Game of Thrones. Wat het thema is blijkt al uit de titel. Een spel om de troon. De auteur heeft aangegeven geïnspireerd te zijn door de Wars of the Roses uit de Engelse middeleeuwen, waarin de huizen van York en Lancaster met elkaar streden om de troon. De machthebbers voeren strijd om te bepalen wie er mag regeren. Er wordt gemanipuleerd, gedreigd, gemoord, en gestreden. Het is als een schaakspel, waarbij partijen zorgvuldig hun strategie opzetten om uiteindelijk de tegenstander een vernietigende slag te kunnen toebrengen.
Als lezer heb je al snel door dat er een goede en een slechte groep is. De Lannisters en hun onderdanen zijn meedogenloos. Het zijn openlijke machtswellustelingen die zonder enige scrupules hun plannen voortzetten - ze gaan zelfs zo ver een jongetje van acht uit een raam te duwen om hun geheimen te bewaren. Tegenover hen staan de Starks. Als er iemand een held lijkt, is het Eddard Stark. Hij is loyaal, trouw en heeft vooral een heel sterk eergevoel. Hij wil doen wat goed is. Ik was bereid om met hem mee te leven. Maar wat blijkt? Eddard Starks ‘goede’ daden hebben net zulke gruwelijke consequenties als de ‘slechte’ daden van de Lannisters. Zijn eergevoel brengt hem ertoe keuzes te maken die familieleden van hem het leven kunnen kosten. En bovendien maakt het hem blind voor de plots van mensen met minder eergevoel dan hij. Door zijn drang om de waarheid de overwinning te laten behalen, zorgt hij dat er een oorlog uitbreekt. En oorlogen leiden tot plunderingen, en  veldslagen. Stark heeft dan wel een moraal, hij is en blijft een machthebber. En daarom kan hij niet zien wat zijn ‘goede’ keuzes betekenen voor de gewone mensen zonder macht of betekenis. Zoals iemand in het verhaal verzucht: “Why is it always the innocents who suffer the most, while you high lords play your game of thrones?

Ik schrijf nogal veel over wilskracht op mijn blog, en daar moest ik bij het lezen van dit boek regelmatig aan denken. De Lannisters willen de troon, de Starks willen het goede doen, maar beide vertrouwen op hun eigen kracht om hun doel te bereiken. En beide brengen daardoor kwaad in de wereld. Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis. Het is waar wat wel eens wordt gezegd: Macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut. In dit verhaal willen de Starks hun visie op wat goed en eervol is aan hun wereld opleggen, maar dat is precies waar het fout gaat: ze willen het opleggen. En dat betekent automatisch dat ze onderdrukkend zullen zijn voor mensen die het niet precies eens zijn met hun beeld van wat goed en eervol is (zo voelt Eddard zich in de eerste pagina’s gedwongen een deserteur te onthoofden, want dat is wat de wet eist. Maar de lezer weet dat deze man reden heeft om uit angst te vluchten. Hij krijgt echter niet eens de kans zijn kant van het verhaal te vertellen). Denk ook aan een karakter in een ander fantasyverhaal, Gandalf, die de ene ring krijgt aangeboden. Hij weigert. “Understand, Frodo, I would use this ring from a desire to do good”, is zijn verklaring. “But through me it would wield a power too great and terrible to imagine.” Gandalf zou met behulp van de ring zijn beeld van wat goed is aan de wereld opleggen, maar zou daarmee net zo zeer een onderdrukker zijn als aartsslechterik Sauron.
De Starks ontlenen hun identiteit, hun zelfbeeld, aan hun morele karakter. Dit is hun ‘heldenverhaal’ waarmee ze symbolisch de dood hopen te overleven, dit is wat hen betekenis geeft in het aanzien van het betekenisloze einde van het leven. Hun morele goedheid komt dus (net als de morele slechtheid van de Lannisters) voort uit hun angst voor de dood en verspreidt daardoor zelf ook de dood. Richard Beck legt op zijn blog Experimental Theology scherp uit hoe dit in zijn werk gaat: “Our lives are experienced as "significant" because we create cultural hero systems. And yet, our hero system isn't the only one on offer. Every culture has its own values and goods, is its own hero system, that help define what a "meaningful" life looks like. This poses a problem. Our hero systems only "work" if we experience them as immune to death, as something eternal and timeless. In this, our hero systems are religious in nature. In fact, for most of us our hero system is our religion. So when hero systems and the gods supporting them come into contact we experience an existential threat. The existence of other ways of life, other values, and other gods threatens to relativize our own values and god. If there are many gods how can I be sure my god is the one true god? Pressed further, how can I be sure that all of these gods aren't just figments of our imaginations to help us cope with our death anxiety? Suddenly we feel the existential floor open up beneath us. The ideological Other, in posing an implicit critique of my hero system, threatens me to the core, attacks the very source of my self-esteem. So what do we do in the face of that threat? It's pretty simple. We demonize the Other. Rather than endure the existential discomfort it's easier to double-down on our worldview and to see the Others as malevolent agents. We aggress against the Other. In mild forms, we see the Other as confused or mistaken, a target for evangelism. More strongly, the Other is an enemy we have to forcibly eliminate. This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.

Als christenen zijn we geneigd in dezelfde val te lopen. We ontlenen onze eigenwaarde aan de waarheid van onze dogma’s, en verbranden vervolgens ketters op de brandstapel (terwijl we onszelf in elk geval heel recht in de leer weten). Of we ontlenen onze eigenwaarde aan onze moraal, en sluiten vervolgens homo’s, prostituees en andere zondaars uit van onze eredienst (want de homo is de ‘ander’ en dus bedreigend). Maar ondertussen leven wij in elk geval heilig. Maar het gaat in het christelijke geloof niet om de juiste leerstellingen. En het gaat ook niet om moreel gedrag. Laat me dat nog een keer stellen: het gaat er in het christelijk geloof niet om of je ‘goed’ leeft. Het verschil tussen de mensen die in Gods koninkrijk thuishoren en die daar niet in thuishoren, is niet dat tussen morele en immorele mensen.
Kijk naar de gelijkenis die Jezus vertelt over de Farizeeer en de tollenaar, die beiden in de tempel komen om te bidden. In de zondagsschool hebben we geleerd de Farizeeen te zien als schurken. We zien ze als huichelaars, die van binnen slecht zijn. Maar de realiteit is dat het de mensen waren met het hoogste morele niveau van Israel. Robert Farrar Capon schrijft over deze gelijkenis in Kingdom, Grace, Judgement (Sorry, ik kon het niet laten hem nog een keer te citeren. Dit is echt de laatste keer! (voorlopig)): “The pharisee is not only good, he is religious. And not just hypocritically religious, either. His outward righteousness is matched by an inward discipline. He fastst twice a week and he puts his money where his mouth is: ten percent off the top for God. If you know where to find a dozen or two such upstanding citizens, I know several parishes that will accept delivery of them, no questions asked and all Jesus’ parables to the contrary notwithstanding. But best of all, this pharisee thanks God for his happy state ... Jesus shows us the Pharisee in the very act of giving God the glory!
De Farizeeer was een goed mens. Toch werd hij niet gerechtvaardigd. Maar dat had niets te maken met zijn ‘goedheid’. Net zoals het feit dat de Tollenaar door God geaccepteerd werd er natuurlijk niets mee te maken dat hij een moreel twijfelachtig leven leidde. Redding, rechtvaardiging, heiliging, leven - het is allemaal een geschenk van God, gegeven omdat Hij daarvoor kiest, en niet om iets wat wij doen. Dat is wat genade betekent, dat is wat liefde doet. Maar je kunt deze dingen alleen ontvangen als je beseft dat je er geen recht op kunt laten gelden, als je ophoudt ze te willen bereiken met je eigen wilskracht. Je kunt de prijs alleen ontvangen als je weigert het spel te spelen. In de woorden van Capon: “Jesus is saying that as far as the Pharisee’s ability to win a game of justification with God is concerned, he is no better off than the publican. As a matter of fact, the Pharisee is worse off; because while they’re both losers, the publican at least has the sense to recognize the fact and trust God’s offer of a free drink. The point of the parable is that they are both dead, and their only hope is someone who can raise the dead.

De enige manier om het koninkrijk van God te ontvangen is er als een kind voor open te staan. Dat is niet wat we graag willen horen, vooral niet als onze wilskracht op gebieden in ons leven tot succes heeft geleid, als we macht hebben verkregen, of rijkdom, of respect voor onze moraliteit. Dat is waarom de bekende ‘rijke jongeling’ van Jezus wegging, en de Farizeeen (hoe goed en religieus ze ook waren) met de politieke machthebbers samenspanden om Jezus ter dood te brengen. Jezus was de ‘ander’ die het ‘heldenverhaal’ waaraan ze hun betekenis ontleenden aan het wankelen bracht. Dus moest hij sterven. Maar wie zich openstelden voor zijn boodschap, de mensen die bereid waren hem te volgen, waren degenen die naar wereldse maatstaven mislukt waren. De machtelozen en verschopten, de zieken en misvormden, de hoeren en de tollenaars. ‘The last, the least, the little and the lost’. Zij laten zich nergens op voorstaan, ze doen niet mee aan het ‘spel van de tronen’, zij accepteren wat ze ontvangen van God of van het leven.
Interessant genoeg komen dit soort karakters ook voor in A Game of Thrones. Zij zijn degenen die oog hebben voor andere mensen, die oprecht liefde kunnen tonen, die zich niet laten verblinden door de beloftes en schone schijn van de machthebbers, die de dreiging van de winter serieus nemen, en die zichzelf kunnen opofferen. Een bastaardzoon die door zijn moeder gehaat wordt, een verlamd jongetje dat nooit meer ridder zal worden, een dwerg die door iedereen als minderwaardig wordt beschouwd, een onteerde ridder op een ander continent, een dochter die niet voldoet aan de heersende schoonheidsmaatstaven en geen standaard prinsesje kan zijn, een dikke jongen die weet van zichzelf dat hij een lafaard is ... de mensen die buiten het spel staan. Als het verhaal een goede afloop kent (dat weet ik na het eerste deel natuurlijk nog niet), zal het komen als een uiting van genade via deze machtelozen, en niet als de uitwerking van de macht van de tronen.
Zo zal het uiteindelijk ook in deze schepping zijn. De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten (en niet de goeden de eersten, maar de zwakken). Ik ben erg benieuwd naar het tweede deel van deze serie.

zaterdag 23 juli 2011

Tijd voor een feestje 2

Morgen is het weer zondag. En ik ga opnieuw naar de kerk. Nu niet omdat een van mijn vrienden spreekt of omdat de zangdienst over een voor mij interessant thema als ‘schepping’ gaat. Maar omdat ik bewust met gelovigen wil samenkomen. Ik mag dan mijn vraagtekens hebben bij sommige aspecten van de organisatie van de kerk en ik mag dan liever preken over andere onderwerpen willen horen, het feit is dat ik in de kerk heel veel mensen ken die ernaar verlangen de liefde van God beter te kennen en te leven uit een besef van genade. En het ontmoeten van die mensen -tijdens de dienst of tijdens de koffie- helpt mij om zelf op die dingen gericht te blijven. Let wel, ik weet niet of ik op de lange termijn bij deze kerk aangesloten zal blijven. Ik verlang nog steeds naar een meer kleinschalige, meer organische vorm van gemeentezijn. En ik hoop die ook een keer te vinden. Ik weet dat er geen perfecte kerk bestaat. Maar ik ben idealist - ik laat me niet door zo iets als realisme mijn dromen afnemen.
Ik blijf bovendien bij mijn hierboven al genoemde bezwaren. Het feit is dat ik me vaak schuldig voel bij preken die me vertellen wat ik allemaal moet of niet zou moeten doen, en dat ik eerder slechter over mezelf ga denken dan beter. Zoals ik in een eerder bericht op deze blog al opmerkte geloof ik niet dat bij een conflict tussen mijn ervaring en de kerk, het probleem volledig aan mijn kant ligt. Nogmaals, als ik allergisch reageer op huisstofmijt en anderen niet, betekent dat niet dat er geen huisstofmijt is. Ik blijf erbij dat sommige boodschappen daadwerkelijk manipulatief en beschadigend zijn, ook al ben ik de enige die zich erdoor gemanipuleerd en beschadigd voelt.
Wat ik dus ook niet meer wil, is van de kerk verwachten dat die verantwoordelijk is voor mijn herstel. Dat ik genezing zal ervaren puur door in de kerkbank te zitten, of dat ik daardoor op de een of andere manier een beter christen zou worden. Daardoor zou ik de kerk een verantwoordelijkheid geven die alleen aan God toebehoort. Ik zou de kerk een macht of invloed over mij geven die alleen God mag hebben. Ik creeer zo mijn eigen afhankelijkheid van de kerk. En doordat ik dat daadwerkelijk heb gedaan, heb ik me tegen de kerk afgezet toen die me niet gaf wat ik ervan verwachtte. Als in een ongezonde relatie, waarbij ik verwacht dat de ander mij gelukkig maakt, en mijn liefde dus voorwaardelijk is. Mijn verhouding tot de kerk was ongezond. En dat ik me vervolgens onttrok aan de geloofsgemeenschap was een symptoom van die ongezonde relatie. Hoewel ik daardoor niet meer blootstond aan voor mij beschadigende of beschuldigende boodschappen, liep ik ook veel goede, bemoedigende boodschappen mis - boodschappen die wel degelijk ook van het podium klinken (zoals afgelopen week). Ik kreeg zelf niets meer. En God was ook niet meer in staat om door de mensen uit de kerk tot mij te spreken.
Maar nog belangrijker: ik bracht zelf ook niets meer in de kerk in, ik deelde niet aan de geloofsgemeenschap uit van mijn gaven. Ik had niet alleen mezelf van de kerk afgesneden, maar ik had ook de kerk van mij afgesneden, en ervoor gezorgd dat in het geheel van de gemeente mijn unieke bijdrage ontbrak. Andere mensen moesten dat mislopen. Mijn keuze was, als je dat zo beziet, eigenlijk egoïstisch (alweer: een teken van een ongezonde relatie). Liefde is niet zozeer een kwestie van ontvangen, van het krijgen van waardering, maar van geven, van jezelf opofferen voor de ander. En zo zou ook onze omgang met de kerk niet zozeer moeten draaien om wat wij in de dienst kunnen krijgen maar om wat wij kunnen geven, aanbidding aan God en bemoediging aan anderen. Zoals we in een relatie als het goed is op de ander gericht zijn, zouden we ook in de kerk gericht moeten zijn op de anderen, en uitdelen van wat wij hebben ontvangen. En als iedereen uitdeelt, zal ook iedereen ontvangen. Ik geloof dat God er dan voor kan zorgen dat iedereen krijgt wat hij nodig heeft. Zo wordt het een feest.

Hierover ging ook de preek van Samuel vorige week. Hij vertelde hoe bij een typische Nederlandse verjaardag de gastheer of gastvrouw vaak de hele avond in de weer is om het iedereen naar de zin te maken. Hij/zij schenkt koffie in, snijdt de taart aan, en deelt chips en cola uit (of bier en wijn). Hij haalt stoelen van zolder als er tekort zijn, zorgt dat er leuke muziek is, probeert iedereen welkom te heten. En dat is nog niet het enige: voor het feest begint heeft hij het huis schoongemaakt, de kamer ingericht en boodschappen gedaan (en misschien wel zelf taart gebakken). En als het afgelopen is, wacht er de klus van het opruimen, en dan ook nog de afwas. Ik weet heel goed hoe veel werk dat is: het is de reden dat ik toch maar een keer per jaar een feestje houd, ondanks dat ik er altijd erg van geniet. Je bent zo een weekeinde zoet met alles. En dan heb ik het nog niet op de kosten van alle hapjes en drankjes, die er ook nog een keer bijkomen. Samuel riep dan ook op om niet te blijven zitten, maar aan te bieden mee te helpen. Om ook eens in te schenken, of de afwas te doen (ik kan je verzekeren dat dit door de gastheer gewaardeerd wordt). De oproep is om bij te dragen aan het feest.
Maar in dit geval hebben we het nog steeds over een verjaardagsfeest dat door een enkel persoon georganiseerd wordt, en waarvoor de gasten zich niet verantwoordelijk voelen. Het zijn dan ook vaak dezelfden die aanbieden mee te helpen, namelijk degenen die zich ongemakkelijk voelen dat iemand zich zo uitslooft en die zich schuldig voelen dat zij niets doen. Maar je kunt ook samen besluiten feest te vieren. Een feest waarbij iedereen iets meeneemt. Een feest waarbij iedereen iets doet, waarbij iedereen uitdeelt. Een ‘American party’ - zoals we dat soms noemen. Bij zo’n feest wordt je verrast: er heeft iemand ijstaart gemaakt, of iemand heeft een gitaar meegenomen. Er kunnen bijzondere dingen gebeuren, spontane ontmoetingen, bizarre combinaties. Aan de andere kant kan het soms niet aan je verwachtingen voldoen: iedereen heeft hetzelfde, er is alleen maar cola, en de gesprekken gaan over niets anders dan voetbal. Het punt is echter dat je als deelnemer aan zo’n feest niet de positie hebt om iets van het feest te eisen. Als je verwachtingen hebt van het feest, zullen die vroeg of laat teleurgesteld worden. Je hebt er namelijk geen controle over. Je bent alleen verantwoordelijk voor wat je zelf naar het feest meeneemt. De rest moet je overlaten aan de anderen, daar moet je je door laten verrassen. Je kunt het alleen ontvangen zoals het komt. De ene keer zal blijken dat jij het meest moet geven, de andere keer wordt je door de creativiteit van de anderen overdonderd. Kortom, bij zo’n feest is het onmogelijk om een ongezonde afhankelijkheid van het feest vol te houden. Je kunt zo’n feest niet vieren als je egoïstisch bent. Bij zo’n feest kun je alleen maar vrijgevig zijn, en genieten van wat je onverwacht ontvangt. Je moet dus op de ander gericht zijn.

Veel mensen gaan naar de kerk omdat ze er iets willen ontvangen. Ik hoor het vaak genoeg: mensen willen ‘geestelijk voedsel’, ze willen bemoedigd worden om de week weer door te kunnen. Ze stellen eisen aan de kerk, ze leggen de kerk verwachtingen op, en ze beoordelen de kerk naar de mate waarin ze dat voedsel of die bemoediging ontvangen hebben. Tijdens mijn reis naar Amerika sprak ik met mijn reisgenoot over onze ervaringen in de kerk. Hij zei dat een huisgemeente of organische kerk voor hem geen kerk kon zijn. Want hij ontmoette God het best tijdens de massale samenzang, onder begeleiding van een goede band. Daar kon hij toch niet zonder. Ik hield me toen stil, maar later bedacht ik dat mijn vriend op deze manier heel veel eisen stelde aan de kerk. Om in zijn geestelijke behoefte te voorzien moest een kerk eigenlijk aan heel veel voorwaarden voldoen. Er moest ten eerste een zaal zijn, met een podium en een geluidssysteem. Er moest een band zijn en zangers, die ook moesten oefenen om goede muziek neer te zetten. Er moesten geluidstechnici zijn, die ook goed waren getraind. Er moest geld zijn om de copyrights van de opwekkingsbundel te betalen - en ga zo maar door. Omdat hij van de kerk verlangde dat hij er kon zingen met een goede band, verlangde hij eigenlijk dat de kerk voor hem een heleboel zou organiseren. En dat als er niet genoeg vrijwilligers waren om te musiceren, niet genoeg technici om het geluid te doen, of geen geld genoeg voor luidsprekers, dat de kerk dan mensen daartoe zou oproepen, eventueel manipulatief, om in zijn behoefte te kunnen voorzien. Om hem tevreden te stellen, zouden heel veel mensen zich (onbetaald natuurlijk) moeten inzetten.
Maar volgens mij is de kerk er niet om in onze behoeftes te voorzien. De kerk is er niet om ons de aanbiddingservaring te geven die wij nodig hebben. Als mijn vriend zo graag met een grote groep mensen wilde zingen onder begeleiding van een goede band, zou hij ook naar praiseavonden kunnen gaan. Hij zou naar een aanbiddingsconcert kunnen gaan. Ja, hij zou misschien moeten betalen. Maar het is ergens ook logisch dat je betaalt voor iets dat jij nodig hebt, iets dat jij verlangt. Ik verwacht ook niet dat mensen mij gratis boeken en DVD’s geven, ik ben bereid ervoor te betalen. Als ik iets gratis krijg, is dat genade. Daar kan ik nooit aanspraak op maken. Ik moet dus zelf ook niet van de kerk verwachten dat die mijn innerlijke gebrokenheid geneest, ik moet niet van de kerk therapie eisen. Als ik dat graag wil hebben, kan ik het zelf zoeken, mensen vragen die levenservaring hebben, of er desnoods voor betalen. Kortom, ik geloof dat de kerk overgestructureerd en overgeorganiseerd is (waardoor er steeds open vacatures zijn en mensen gedrongen moeten worden meer te geven of te helpen), omdat we onze verwachtingen te veel bij de kerk neerleggen. Als we de kerk zouden loslaten, als we onze eisen en verwachtingen van het samenzijn zouden loslaten, zouden we met een veel simpeler, eenvoudiger vorm tevreden kunnen zijn. Want dan zou het niet meer gaan om wat wij er krijgen, maar om wat we er kunnen geven.

En ik geloof dat hoe eenvoudiger de structuur van de kerk is, hoe simpeler de vorm, hoe makkelijker het is voor iedereen om daadwerkelijk iets bij te dragen op een manier die bij hem of haar past. Als niets hoeft, kan alles. In een vorm van huiskerk of organische kerk, of hoe je het ook wilt beschrijven, kan iedereen daadwerkelijk zijn of haar steentje bijdragen. Iedereen kan delen wat hij of zij heeft meegemaakt met de heer, iedereen kan bidden of vragen om gebed, iedereen kan een stukje uit de bijbel lezen, of een lied laten horen, of zelf zingen, kan een podcast van internet laten horen die hij of zij die week geluisterd heeft, kan een scène uit een film laten zien, kan een arm om iemand heenslaan die het nodig heeft, of kan gewoon aanwezig zijn (want soms is onze aanwezigheid hetgeen dat we te geven hebben). In zo’n vorm of structuur komt het niet aan op de paar mensen op het podium die eigenlijk worden gedwongen om aan de verwachtingen van een paar honderd kerkgangers te voldoen. In zo’n vorm of structuur geeft iedereen van zichzelf. Als u samenkomt, heeft ieder iets, zegt Paulus dan ook (let op: ook hij gaat ervan uit dat mensen samenkomen, niet om iets te ontvangen, maar om iets te geven, ter opbouw van de gemeente).
Huiskerkgoeroe Frank Viola (ik raad zijn boeken van harte aan, ook al denk ik in sommige opzichten net wat anders dan hij) wijst erop dat in het Nieuwe Testament heel vaak het woord ‘elkaar’ valt als het over de gemeente heeft: bemoedig elkaar, spreek tot elkaar met psalmen en geestelijke liederen, et cetera, et cetera. Viola beschrijft het leven van de (huis)kerk dan ook als ‘one anothering’. Het woord elkaar suggereert al dat het in het leven van de kerk niet gaat om eenrichtingsverkeer (van het podium naar de zaal, wat toch vaak de realiteit is in de gemiddelde zondagsdienst), maar om twee-, drie-, vier-, vijfrichtingsverkeer (afhankelijk van het aantal aanwezigen). Het leven van de kerk is een gemeenschappelijk leven, waarbij iedereen iets te geven heeft aan alle anderen, en waarbij iedereen dus ook van alle anderen ontvangt. Dat is hoe het er in een gemeenschap aan toe gaat. Dat is hoe het eraan toegaat in een lichaam (waar elk lichaamsdeel van alle andere lichaamsdelen afhankelijk is, en zelf ook voor alle andere lichaamsdelen noodzakelijk is). Dat is hoe het eraan toegaat op een feest.

Voor mezelf betekent dit dat ik de heling van mijn innerlijke pijn en mijn tekort aan zelfaanvaarding bij God moet zoeken, en niet moet verwachten dat de kerk daarvoor kan zorgen. Dat ik op die manier de kerk loslaat, bevrijd van mijn eisen. Waardoor ik (hopelijk) in staat ben om in de kerk, in welke vorm dan ook, mezelf te zijn. Dat ik me niet meer schuldig voel door boodschappen die bij mij op de verkeerde knoppen drukken. Dat ik me niet meer tekort voel schieten als er weer een oproep wordt gedaan om alle vacatures te vullen. Maar dat ik de gemeenschap van de gelovigen opzoek om anderen te ontmoeten en van mezelf te geven - op een manier die bij mij past, al is het alleen mijn aanwezigheid. En dat ik ervoor opensta om van anderen te ontvangen, niet wat ik van ze eis, maar wat zij hebben te geven. Dat ik opensta voor echte liefde, werkelijk feest.

vrijdag 21 januari 2011

Dansen met God

Laat ik het maar toegeven: ik zit niet altijd lekker in mijn vel. De laatste weken bevatten hoogtepunten, en op sommige gebieden heb ik initiatief genomen, maar toch ben ik niet tevreden. Ik vind het moeilijk om op tijd naar bed te gaan, omdat ik te lang blijf internetten. Het schoonmaken van mijn huis blijft vaak te lang liggen, net als dat van mijn aquariums. Ik heb weinig inspiratie voor het schrijven van nieuwe verhalen, hoe veel ik ook van schrijven houdt. Ik moet actie ondernemen op het gebied van gezondheid (onder andere eindelijk een keer bij de tandarts langs), maar zelfs als ik weet dat het nodig is, doe ik het niet. Verleidingen waar ik maanden niet aan heb toegegeven, steken hun kop weer op. En ik voel me schuldig omdat ik zo weinig de tijd neem om naar God te luisteren. Omdat ik een vast ochtendritme heb lukt het me wel bijna elke dag een hoofdstuk uit de bijbel te lezen, maar bidden schiet er vaak bij in. Ook als ik naar de trein loop, of terug naar huis, terwijl dat vroeger de momenten waren dat ik contact met God ervoer. Ik twijfel er daardoor aan of ik wel een goed christen ben. In het afgelopen najaar waren er zelfs momenten dat ik bang was mijn geloof kwijt te raken. Ik voel me een mislukkeling.
Ik mailde hierover vorige week met een kennis van me uit de Verenigde Staten, die ik al een tijd niet had gesproken of geschreven. Hij was zelf vorig jaar ook door een donkere periode gegaan: zijn vrouw was ziek geweest, en hij zelf was ontslagen bij de christelijke organisatie waar hij werkte. In die periode had hij een boek gelezen van de christelijke psychiater Gerald May (die ik in mijn boek ook een paar keer aanhaal) over ‘De donkere nacht van de ziel’. Een van de lessen die hij daaruit had geleerd was dat het niet onze verantwoordelijkheid is om uit die nacht van de ziel te komen. “For all the seeking God that I have done," schreef hij, "It is ultimately God who seeks me.  It is His job to come for me even more than it is my job to find Him.  If you were doubting the existence of God, then you must aim all that you have at learning what is true, but the real work of the truth comes in His initiative... His revelation... not our figuring it out."
Dat gaf een opluchting! Misschien hangt het niet allemaal van mij af. Misschien kan ik mijn schuldgevoel en mijn plichtgevoel laten varen, en in plaats daarvan God de ruimte geven om met mij aan de slag te gaan.

God is inderdaad naar ons toe degene die actie onderneemt, suggereert C.S. Lewis in Miracles. Hij heeft het over ‘God die ons misschien met oneindige snelheid nadert, de jager, de koning, de echtgenoot … ’ Lewis neemt hiermee stelling tegen het Deisme, een stroming in de theologie die na de tijd van de Verlichting opgeld deed. Aanhangers hiervan stelden dat God ooit, in een ver verleden, het heelal had gemaakt en de natuurwetten had ingesteld. En het vervolgens aan zichzelf had overgelaten. Het mechanisme van het heelal liep af als dat van een opgewonden horloge. God greep niet meer in. Hij had geen rol in de beweging van sterren en planeten, van zwaluwen en muggen. Hij was ook niet betrokken bij de levens van mensen. Hij bleef onbewogen, ver weg. Wij waren op onszelf aangewezen. Het was onze verantwoordelijkheid om er het beste van te maken.
Dat is niet het beeld van God zoals dat wordt getoond in de bijbel. Maar elke keer als wij denken dat ons geestelijke leven onze eigen verantwoordelijkheid is, als wij menen dat de groei van de kerk van ons afhangt, dat het onze taak is mensen tot geloof te brengen of de wereld ten goede te veranderen, laten we zien dat we eigenlijk Deisten zijn. Als we denken dat wij zelf moeten zorgen dat we goede christenen worden, of dat onze manier van bidden of de omvang van onze giften ervoor zullen zorgen dat God ons zegent, tonen we dat we geloven dat God niet handelt in de schepping, maar alleen wij. De bezorgdheid over wat wij doen, denken of geven komt voort uit het geloof dat het uiteindelijk op ons aankomt. Het geloof dat wij op onszelf zijn aangewezen. Het komt voort uit ongeloof.

De bijbel toont daarentegen een God die initiatief neemt, die initieert. Hij is de schepper, niet alleen in een oneindig ver verleden, maar voortdurend. Zijn creatieve arbeid gaat altijd door. Hij is steeds bezig zijn doelen te verwezenlijken, zijn wil te laten gebeuren, op de Aarde, zoals in de hemel. Daarover schrijven de psalmisten, als ze God prijzen omdat hij de brullende leeuwen op tijd te eten geeft. Daarover schrijft de auteur van Job, als hij zich erover verwondert dat God de hemelsluizen opent, het doet regenen en sneeuwen. Dat God struisvogel en de ezel hun weg wijst. De geschiedenis van Israel toont een God die heel nauw betrokken is bij het wedervaren van zijn volk. Die hen corrigeert als ze van Hem afdwalen, en die hem redt als ze tot hem om hulp roepen. De profeten herinneren hun publiek er steeds weer aan dat God een actuele realiteit is. Dat hij dichtbij is. En dat hij reageert op het gedrag en de woorden van mensen. In een bekend verhaal is de stad waar de profeet Elisa verblijft door de vijand omsingelt en raakt de dienstknecht van de profeet in paniek. ‘Open hem zijn ogen’, bidt Elisa dan en vervolgens ziet de knecht dat de stad beschermd wordt door vurige strijdwagens, door het leger van de Heer.
Keer op keer is de boodschap van het Oude Testament dat mensen op God moeten vertrouwen. Dat ze niet uit eigen kracht moeten proberen de overwinning te behalen, dat ze niet moeten denken dat de overleving van Gods volk van hun inspanning afhangt. Het is God die redt. In het verhaal van Gideon moet de vrijheidsstrijder het grootste deel van zijn leger wegsturen, omdat God niet wil dat men zal denken dat het volk alleen door de kracht van mensen is bevrijd. Wie in de bijbel denkt zelf verantwoordelijk te zijn voor de vrijheid of de welvaart van zichzelf of van Gods volk, komt steevast ten val.
Het Nieuwe Testament gaat met deze thematiek nog een stapje verder. Het beschrijft hoe God mens wordt. God komt naar de mensen toe. Dit is het grootste initiatief dat God kan nemen. Niet de mens moet naar God opklimmen. Hij daalt naar ons toe. Hij zoekt ons op, niet andersom. Zijn naam is Immanuel, God met ons. En hij brengt ons in zijn realiteit, hij geeft ons het leven van de eeuwigheid. Daar konden wij niets aan bijdragen, omdat we dood waren. Het is volledig zijn werk. In Miracles vergelijkt Lewis Jezus met een parelduiker ‘die zich eerst uitkleedt, dan door de lucht flitst en met een plons verdwijnt, naar de diepte schiet… onder steeds grotere druk naar het doodse gebied van slik en zwadder en verrotting; dan weer omhoog, met bijna barstende longen terug naar licht en kleur, tot hij plotseling weer bovenkomt, met druipend in zijn hand het kostbare voorwerp waarvoor hij naar beneden ging.’
Vervolgens belooft God dat zijn wil in onze levens zal gebeuren, dat zijn koninkrijk in ons zichtbaar wordt, en dat wij vrucht zullen dragen. Maar nergens legt hij ons dat op als een taak die wij moeten uitvoeren. Net zoals Israel in het Oude Testament op God moest vertrouwen, moeten wij erop vertrouwen dat God doet wat Hij heeft beloofd. Hij zorgt ervoor dat zijn wil in ons leven gebeurt, hij zorgt ervoor dat wij vrucht dragen. Hij is degene die zijn koninkrijk tot realiteit maakt, in de wereld en in ons. Het is niet ons koninkrijk, maar het zijne. Het hangt niet van ons af. Gods wil zal gebeuren, zijn koninkrijk zal komen, of wij er nu aan meewerken of niet.
De verhalen die Jezus vertelt, de gelijkenissen, tonen God in een actieve rol. Hij is de zaaier, die het land bewerkt en inzaait. (En zijn woorden zijn het zaad van het koninkrijk). Hij is de visser die het net ophaalt. Hij is de Samaritaan, die zich ontfermt over het slachtoffer van een roofoverval. Hij is de koning die de verlamden, de blinden en de tollenaars van de heggen en wegen laat halen om bij het feest te zijn. Hij is de herder die op zoek gaat naar het verdwaalde schaap. Hij is de vrouw die haar huis uitveegt. Hij is de vader die zijn zoon kleedt met een prachtig kleed, hem een ring omdoet en het gemeste kalf slacht. De mens speelt in deze verhalen de passieve rol. De mens is de aarde die het zaad ontvangt, en waarin het opgroeit, zonder dat de aarde daar effect op kan uitoefenen. De mens is de vis, die in het net is gezwommen en niet kan voorkomen dat hij wordt opgetild. De mens is de half doodgeslagen man aan de kant van de weg, die niet eens meer de kracht heeft een hand op te tellen, en zich moet laten verzorgen door een Samaritaan. De mens is de uitgestotene, die uit zichzelf nooit op een feest van de koning terecht zou komen, maar nu wordt meegenomen. De mens is het schaap dat nooit meer de weg naar huis zou terugvinden, de munt die niet spontaan onder de kast zal uitrollen. De mens is de zoon, die elk recht de liefde van de vader verspeeld heeft, en de omhelzing die hij ontvangt niet kon verdienen.

Kortom, God is in deze verhalen de handelende partij, degene die van zichzelf geeft, die leidt. Hij is degene die ons leven, adem en alles geeft. Hij is (om archetypisch te spreken) de man (de jager, de koning, de echtgenoot, in de woorden van Lewis). Wij zijn in deze verhalen degenen die ontvangen. Degenen die volgen. Degenen die God op ons in laten werken, hem zijn gang laten gaan in ons en door ons heen. Wij zijn (opnieuw archetypisch) vrouwelijk. “God is zo mannelijk”, stelt Lewis in This Hideous Strength, “Dat wij allemaal, mannen en vrouwen, vergeleken met Hem vrouwelijk zijn.” Het is ten opzichte van God dus niet onze verantwoordelijkheid om te handelen, om te geven. Het is onze verantwoordelijkheid om te wachten, om te ontvangen. In Markus 10 zegt Jezus dat wie bij zijn koninkrijk wil horen, moet worden als een kind. In de tijd van Jezus was een kind nu net iemand die niet meetelde, die niets kon doen, die niets kon eisen, die niet nuttig was, maar eerder lastig (daarom dat de discipelen de moeders met hun kinderen bij Jezus wilden wegsturen). Het enige dat kinderen konden was ontvangen wat hun ouders hen wilden geven. Net zo moesten Jezus’ volgelingen zich als een kind openstellen voor het koninkrijk van God. Dat was het enige. Ze moesten zichzelf ervoor openstellen, het willen ontvangen. Ze moesten de Koning de ruimte geven in hun leven aan het werk te gaan.

Een vriend van mij gaf mij gisteravond een voorbeeld dat onze rol ten opzichte van God mooi duidelijk maakte. We hadden het over dansen, en hoe dat een mooie metafoor is voor het leven. Bij dansen is het de man die leidt. Mijn vriend vertelde over zijn favoriete danspartner. Als er iets fout ging in de dans, zei hij, vroeg zij zich af wat ze verkeerd had gedaan. Ze gaf zichzelf de schuld. Maar hij corrigeerde haar. Het was immers zijn verantwoordelijkheid om te leiden. Als ze iets deed dat hij niet bedoeld had, zou hij op een andere manier een signaal moeten geven. Zij hoefde alleen te letten op de signalen die hij gaf en daarop reageren. Bovendien: als zij teveel ging letten op haar eigen voetenwerk, en haar eigen rol in de dans ging beoordelen, zou ze minder aandacht hebben voor zijn signalen, zijn leiding, en zou het zelfs vaker misgaan. Een echt goede danser kan zo goed leiden, dat zelfs iemand die niet kan dansen over de dansvloer zwiert. Maar alleen als ze niet nadenkt of ze wel kan dansen, en niet naar beneden kijkt hoe haar voeten bewegen. Als ze openstaat voor haar danspartner, neemt hij haar op in de dans, en heeft ze de tijd van haar leven.
Net zo is het niet onze verantwoordelijkheid dat Gods wil gebeurt. Het koninkrijk van God is een dans, en de Koning zelf is onze danspartner. Wij kunnen dansen als de besten als we Hem zijn gang laten gaan. Wij hoeven alleen maar oplettend te zijn en te reageren op zijn signalen. Dat betekent in praktisch opzicht dat ik mijn bezorgdheid of ik wel genoeg bid of uit de bijbellees kan laten varen, dat ik mijn gepieker over mijn eigen goedheid en mijn karaktergroei kan loslaten. Dat ik niet bezig hoef te zijn met wat ik fout doe, en hoe vaak, en dat ik me niet hoef te vergelijken met anderen. Al die dingen zorgen er alleen maar voor dat ik niet meer open ben voor de signalen van mijn danspartner. Ik kan me het best laten leiden als ik al die dingen loslaat. Als ik niet meer bezorgd ben (niet voor niets zegt Jezus dat een paar keer in de bergrede), als ik in het moment leef en open ben voor het initiatief van God, als ik me beschikbaar stel, kan God zijn wil in en door mij laten gebeuren. Dan merk ik misschien dat ik opeens zin heb om de bijbel te lezen, of om een vriendin op te bellen, of om mijn huis schoon te maken. Dan heb ik opeens de energie om een dag te organiseren voor vrienden, of om vrijwilligerswerk te doen. Dan wil ik misschien zingen, of met God praten in de natuur. Dan gebeurt de wil van God in mijn leven en draag ik vrucht. Dan kan ik dansen.