Posts tonen met het label gemeenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gemeenschap. Alle posts tonen

dinsdag 11 juni 2013

Filmbespreking: Star Trek Into Darkness

Ik ben een Star Trek-fan. Een ‘trekkie’, zoals dat heet. De verhalen in de TV-series en films schetsen een beeld van een hoopvolle toekomst, waarin de mensheid haar onderlinge twisten heeft bijgelegd, waar de economie niet het laatste woord heeft en technologie voor bijna alles een oplossing biedt en waar vriendschapsbetrekkingen worden aangegaan met andere volken in het heelal, die soms niet eens veel op mensen lijken. Vanuit deze situatie gaan ontdekkingsreizigers op pad om het onbekende in kaart te brengen en nieuwe levensvormen en beschavingen te vinden.
Het is wel eens inspirerend een positief toekomstbeeld voorgeschoteld te krijgen. Het merendeel van de Science Fiction op TV en in de bioscoop is namelijk minder optimistisch over onze toekomst. Op allerlei manieren komt de mensheid ten einde, door zombies, door milieurampen of door buitenaardse invasies, en in de wereld die overblijft moeten ze een harde strijd voeren om te blijven overleven. Of mensen worden het slachtoffer van de onderlinge wreedheid van de mens, in structuren van dwang en controle. En als er dan al ontdekkingsreizen naar andere planeten worden georganiseerd vinden de mensen daar vaak alleen maar ellende. Monsters die na het eerste contact op gruwelijke wijze de menselijke ontdekkingsreizigers uitroeien. De recente film Prometheus is daarvan een voorbeeld. De ruimte is een gevaarlijke, dodelijke plek, die het niet beloont als mensen initiatief nemen. Een plek waar angst regeert.
Tegen deze achtergrond is de wereld van Star Trek een groot contrast. Het universum dat in deze films wordt getoond is er een waarnaar ik kan verlangen, een waar ik ook deel van zou willen uitmaken. En als deze wereld bedreigt wordt slaan voormalige vijanden hun handen ineen en smeden krachtige vriendschapsbanden om hun tegenstanders het hoofd te bieden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de laatste Star Trek-film, waarin een tijdreiziger uit de toekomst toesloeg in het hart van de mensheid en op het punt stond de Aarde te vernietigen. De mens Kirk en de vulcan Spock, die elkaar eerst niet konden luchten of zien, overwonnen hun verschillen, legden hun conflict bij, en werkten samen om het gevaar af te wenden. Ze werden hierbij geleid door een belofte die (net als de vijand) uit de toekomst kwam, de belofte dat hun vriendschap door het lot bestemd was. Ze kwamen dus niet alleen bij elkaar door de bedreiging (een negatieve reden), maar ook door de profetie dat hun vriendschap het heelal zou begunstigen (een positieve reden). En om hen heen vormden ze een nauwe groep, de bemanning van het ruimteschip Enterprise, die niet alleen zou vechten, maar vooral op ontdekkingstocht zou kunnen gaan, om nieuwe werelden te verkennen. Het lijkt me niet onredelijk om hier een vergelijking te trekken met het leven van christenen, die elkaar ook vinden om een belofte van buiten deze wereld, en een gemeenschap vormen die hun omgeving verandert, die onrecht bestrijdt en schoonheid vermenigvuldigt. De kerk.
Trouwe lezers van mijn blog knipperen waarschijnlijk met hun ogen als ik zo positief ben over de kerk. Maar mijn positieve geloof is ongeveinsd. Ik geloof dat de gemeenschap van gelovigen een kracht ten goede kan zijn, en zo ook bedoeld is door haar oprichter, Jezus, die van buiten de tijd naar de Aarde kwam. Maar rond zijn woorden en beloften is een structuur ontstaan, een instituut, opgezet door mensenhanden en dus feilbaar. In dit instituut gaan de vaste patronen weer werken die het menselijke handelen al vanaf het begin hebben gekenmerkt. Patronen van bedreiging, jaloezie en eer. Patronen van straf en beloning. Patronen van macht. In elke gemeenschap ontstaan er patronen en afspraken, dat is onvermijdelijk. Als ik mijn vrienden wil zien, moet ik ook met hen de agenda trekken en tot een overeenkomst komen. Maar als er sprake gaat zijn van machtsverhoudingen verdwijnt de vriendschap al snel. Dan wordt de ene persoon het middel waarmee de ander zijn invloed of positie wil verstevigen. Van een kostbaar mens wordt hij een pion in een schaakspel die zo kan worden opgeofferd. Deze bedreiging van binnenuit is nog veel gevaarlijker dan die van buitenaf. En haar te bestrijden vraagt om opoffering.

Zoals te verwachten was, komt de bedreiging voor de Aarde in deze Star Trek-film, de tweede in de nieuwe serie, inderdaad van binnenuit. In Londen wordt een aanslag gepleegd, waarbij talloze doden vallen. De dader is een agent van Star Fleet (de ruimtevaartorganisatie van de mensheid), John Harrison. Welke reden hij heeft om zich tegen zijn werkgevers te keren, is niet bekend. Na zijn terreurdaad vlucht hij naar Kronos, de thuiswereld van de Klingons. En net op het moment dat er een oorlog dreigt uit te breken tussen de mensheid en dit opvliegende ras, gekenmerkt door eergevoel. De jonge kapitein James T. Kirk krijgt de opdracht naar Kronos te reizen en de voortvluchtige agent met nieuwe fotontorpedo’s te bestoken. Een missie die hij maar al te graag wil uitvoeren, omdat ook zijn mentor, admiraal Pike, bij de aanslag om het leven is gekomen. Zijn vriend Spock weet hem echter op andere gedachten te brengen en hij arresteert John Harrison. Die blijkt te zijn gemanipuleerd. Iemand hoog in de organisatie van Star Fleet lijkt op een ruimteoorlog aan te sturen ...

Mijn verwachtingen voor deze film waren hooggespannen. De eerste in deze serie was zo goed en meeslepend, dat die me mijn liefde voor film teruggaf na een paar teleurstellende bioscoopervaringen. Om dat te overtreffen is wel veel om van een vervolg te verlangen. En inderdaad was deze film niet zo aangrijpend als de eerste, zelfs al zaten er voor zover ik kon zien minder grote gaten in het plot. Deze film neemt je als kijker niet zo sterk mee in de psychologie van Kirk en Spock, en gaat direct van start als actiefilm. Dat zorgde bij mij voor wat meer afstand van de gebeurtenissen. Verder leunt deze film in mijn ogen wat te veel op eerdere Star Trek films, met name ‘The Wrath of Khan’. Verwijzingen zijn prima (ik pikte een paar leuke wel op!), maar het kopieren van volledige plotelementen vind ik een beetje flauw. Ze werkten wel, maar maakten minder indruk dan in het origineel. Ook vond een in mijn ogen te groot deel van de film plaats op Aarde of op de sombere planeet Kronos, en waren veel nieuwe uniformen wel erg grijs. Het kleurpalet van deze film was een stuk grauwer dan de vorige. De 3D-effecten vond ik ten slotte niet allemaal even goed werken.
Maar dat wil niet zeggen dat ik niet enthousiast ben over de film. De acteurs waren allemaal weer erg goed en elk karakter had een belangrijke bijdrage. Zo vond ik de relatie tussen Spock en Uhura bijvoorbeeld aandoenlijk, en bracht Scotty veel humor in (al had ik graag een grotere rol willen zien van Karl Urban als dr. McCoy). Vooral Benedict Cumberbatch (uit Sherlock) in zijn rol als John Harrison is indrukwekkend. Die stem! De dreiging die hij in zijn woorden legt, deed de rillingen over mijn rug lopen. Fantastisch! Ik hoop hem in nog veel meer films te zien. Verder bevatte de film weer prachtige futuristische technologie (zoals dat hoort in een Star Trek-film), buitenaardse wezens (een soort enorme vis!) en andere werelden. Maar het mooist waren de beelden van de planeet Jupiter. De goed uitgedachte en uitgevoerde actiescènes (een sprong tussen twee ruimteschepen, een neerstortend ruimteschip zonder kunstmatige zwaartekracht!) hielden de spanning er goed in. En het slot beloofde heel wat voor de toekomst. Ik hoop dat we niet al te lang op een derde film in deze serie hoeven wachten!

Een van de thema’s in de film is hoe mensen morele beslissingen nemen. Is het goed om iemand op te offeren, omdat het belang van de velen uitgaat boven dat van de weinigen of de eenling, zoals Spock wel eens suggereert? Of laat je een vriend niet in de steek, zelfs als je daarvoor belangrijke regels moet overtreden, zoals Kirk dat in het begin van de film doet? Een andere filmrecensent heeft de verschillende ethische systemen die in deze film belicht worden al besproken, dus dat zal ik hier niet doen. Wel vind ik het heel mooi hoe zowel Kirk als Spock uiteindelijk tegen hun automatische manier van handelen lijken in te gaan. De reden die ze daarvoor geven is in beide gevallen: “Dit is wat jij gedaan zou hebben.” Ze hebben ontdekt dat ze niet blind kunnen varen op hun eigen patronen, maar dat ze de bijdrages van anderen nodig hebben om een goede keuze te kunnen maken. Ze hebben geleerd nederig te zijn, ook met hun morele, of ethische uitspraken - een voorwaarde om ook de standpunten van anderen te kunnen overwegen. En die nederigheid maakt hen niet zwakker, maar sterker! Kirks innerlijke kompas, zijn onderbuikgevoel, wordt in evenwicht gehouden door Spocks rationaliteit en zijn overwegingen over de gevolgen van daden, en vice versa, en beiden kunnen daardoor met meer overtuiging handelen.

Ik wil in deze bespreking een andere vraag stellen, en dat is de vraag wat een gemeenschap gezond maakt en houdt. Als de belangrijkste bedreigingen voor groepen mensen niet van buiten komen, maar van binnen, hoe kunnen we daar dan weerstand tegen bieden? In deze film worden verschillende benaderingen tegenover elkaar gesteld.
“Zou jij niet alles overhebben voor je familie?”, vraagt John Harrison op een gegeven moment aan kapitein Kirk. Het is een krachtig moment in de film, omdat je als kijker weet dat het ruimteschip de Enterprise en haar bemanning inderdaad heel belangrijk zijn voor Kirk. Ze is zijn huis, ze is zijn familie. En hij heeft al laten zien het vuur van een vulkaan en de toorn van de Star Fleet-leiding te willen trotseren om zijn vrienden te redden van gevaar. John Harrison heeft ook een bemanning die hij tegen gevaar wil beschermen. Ze dreigen te worden gebruikt als betaalmiddel in een conflict tussen beschavingen en dat wil hij tegen elke prijs voorkomen. Volgens Harrison is alles geoorloofd, als zijn vrienden en collega’s het maar overleven. Hij is bereid alles en iedereen daarvoor op te offeren. Hij pleegt de aanslag in Londen. Hij doodt een Star Fleet-kapitein en opent het vuur op een ander ruimteschip. Hij bedreigt de bemanning van de Enterprise. Hij laat een spoor van vernieling achter, alles voor zijn familie. Dit lijkt heel positief, tot je beseft dat Harrison niet bereid is zichzelf te offeren. Hij vindt zichzelf namelijk beter. Beter dan de burgers van de Aarde, beter dan de officieren van Star Fleet. Beter dan Kirk en Spock. Hij blijkt ook te behoren tot een groep mensen die zich ten doel hebben gesteld wezens die minder zijn dan zij uit te roeien. Ze zijn fascisten geworden. De eigen groep gaat voor, ieder ander moet lijden. Harrison denkt dat de bescherming van de familie gebaseerd is op macht. Maar hij komt bedrogen uit.
Kirk heeft ook alles over voor zijn bemanning, zijn familie. Maar niet het leven van onschuldigen. Niet het leven van andere individuen. Hier moet ik wat meer zeggen over het plot, dus als je geen enkele ‘spoiler’ wilt weten is het verstandig de komende paragraaf over te slaan. Maar ik probeer genoeg te verbergen om het spannend te houden! Als zijn schip gevaar loopt en zijn bemanning dreigt om te komen, zet Kirk inderdaad alles op het spel. Niet alles buiten hem, maar alles wat van hem zelf is. Zelfs zijn leven. “Het is een wonder”, zegt iemand als de aandrijving van het schip hersteld wordt en de zwaartekracht terugkeert.. “Er bestaan geen wonderen”, antwoordt Spock. Maar als hij bij de kernreactor van het schip komt, moet hij zijn woorden inslikken. Het wonder is tot stand gebracht door Kirk, die daarbij een dodelijke dosis radioactieve straling heeft opgelopen. Groter liefde heeft niemand, dan die zijn leven aflegt voor zijn vrienden, zei Jezus al in de bijbel. Het is een krachtige verwijzing naar Jezus, die ook alles overhad voor zijn schapen, zijn familie. Maar niet het leven van onschuldigen. Hij vernietigde niet de Romeinen of de priesters van de Joden, maar liet zichzelf doden, zodat zijn vrienden de dood konden ontlopen. En zijn dood werd de basis voor de christelijke gemeenschap, waaraan in de kerk nog steeds elke zondag wordt gedacht door middel van de avondmaalsviering. In een gemeenschap waarvan de leider zijn eigen leven heeft geofferd, is geen plaats voor manipulatie en machtsmisbruik. Het wapen tegen de corruptie van onze instituten is geen macht (die neemt van anderen), maar liefde (die geeft van zichzelf).

Dit wil echter niet zeggen dat wij maar klakkeloos onszelf moeten opofferen, ongeacht tot welke familie of gemeenschap we behoren. We hoeven niet als vanzelf het belang van de groep boven onszelf te stellen. We hoeven niet zomaar over ons heen te laten lopen. Dit wordt in de film geïllustreerd door het karakter Carol Marcus. Zij is de dochter van Star Fleet-admiraal Marcus, die bezig is zijn positie binnen Star Fleet te versterken en die daarvoor de levens van onschuldigen wil opofferen. Hij vindt zijn familie ook heel belangrijk, dat blijkt als hij zijn dochter weg flitst van het gevaar. Hij wil niet dat haar iets overkomt.
Maar zij sluit zich niet bij hem aan. Als ze beseft wat hij van plan is, geeft ze hem zelfs een klap in het gezicht. Ze schaart zichzelf aan de zijde van de groep die admiraal Marcus wil vernietigen. Als hij hen kwaad wil aandoen, zal hij ook haar treffen. In deze film geeft Carol Marcus duidelijk haar grenzen aan. Wie haar familie is, wordt niet bepaald door bloedverwantschap. Ze geeft niet om de machtsinvloed van de groep waar ze bij hoort. Ze is niet zoals John Harrison. In plaats daarvan sluit ze zich aan bij een groep mensen die bij elkaar zijn gekomen uit vrije wil, uit vriendschap, mensen die bereid zijn hun eigen leven op het spel te zetten voor anderen. Mensen die niet willen dat onschuldigen schade lopen, maar die juist willen strijden voor vrede en rechtvaardigheid. Ze gaf een duidelijke grens aan en verdedigde die tegen elke prijs, zelfs als ze daarvoor tegen haar vader in moest gaan. Zelfs als ze haar leven ermee op het spel zet. Ze schaart zich aan de kant van Kirk. “Welkom bij je nieuwe familie”, zegt iemand tegen het eind van de film tegen haar. Om in de terminologie van de kerk te blijven: ze heeft het offer van de kapitein gezien, en dat heeft haar ertoe gebracht zich te bekeren en ‘uit het koninkrijk van de duisternis’ over te gaan in ‘het koninkrijk van het licht’.
Ook wij moeten, wat onze familie ook is, ons gezin of de kerk, de grens duidelijk stellen. We mogen niet over ons heen laten lopen door machtsmisbruikers, die over lijken gaan om hun eigen positie te verstevigen, maar kiezen voor mensen die elkaar en anderen liefhebben. Dan worden we niet overwonnen door machten van binnenuit en kunnen we uiteindelijk de mooie wereld om ons heen gaan verkennen. Moedig gaan waar niemand voor ons ooit gegaan is.

vrijdag 7 juni 2013

Weg van de kerk (2): Nu anglicaans?

Een paar punten waarom ik zo enthousiast ben over de anglicaanse kerk (in willekeurige volgorde).

- De aandacht voor schrijvers en filosofen in de dienst (citaten van Tolkien, Lewis en Kierkegaard, maar ook Peanuts). Het is een kerk waar ruimte is voor intellect en creativiteit.
- Een paar van mijn favoriete schrijvers zijn anglicaans. N.T. Wright, John Stott, C.S. Lewis, Adrian Plass, Alistair McGrath - om er een paar te noemen. Maar vlak voordat ik voor het eerst naar de anglicaanse kerk ging, las ik een boek van Brenee Brown over schaamte en kwetsbaarheid. Ik ontdekte dat zij ook een anglicaanse kerk bezocht. De wetenschap dat iemand uit deze kerk zo over kwetsbaarheid kon schrijven, maakte dat ik er ook meer vertrouwen in kreeg. Verder ontdekte ik dat een van de filmrecensenten die ik volg (van de One Minute Reviews) een anglicaanse voorganger is. In zo’n gezelschap voel ik me wel thuis! Zo wie zo komen de meeste andere schrijvers die ik graag lees uit een liturgische, sacramentele kerk (katholiek, orthodox, presbyteriaans, episcopaal-luthers): J.R.R. Tolkien, G.K Chesterton, Peter Kreeft, George McDonald, John C. Wright, Gene Wolfe, Brennan Manning en Madeleine L’Engle, maar ook iemand als Robert Farrar Capon.
- Ik hoef in deze kerk niet volmaakt te zijn. Sterker nog, men gaat ervan uit dat ik niet volmaakt ben. De dienst begint met een collectieve schuldbelijdenis, waarna de vergeving van God wordt uitgesproken. Wat ik benoem als ‘het verhaal van de zwakheid’, wordt hier beleefd.
- Het sacramentele denken (dat ook aansluit bij ‘het verhaal van de zwakheid’, dat ervan uitgaat dat God het is die in ons werkt, die ons uit de dood opwekt). Dit uit zich in het feit dat wekelijks het avondmaal wordt gevierd, en dat het avondmaal niet wordt gezien als alleen een symbool dat ons helpt terugdenken aan het offer van Jezus, maar als werkelijk representatief voor het offer van Christus. Delen in het avondmaal is op een reële manier het ontvangen van het lichaam en het bloed van Christus, en bewerkt daarom ook de verandering van de verlossing. Maar dat is niet het enige waardoor God werkt. God werkt ook door de schrift heen! Het woord wordt gelezen, niet zodat wij ermee aan de slag kunnen gaan, maar zodat het Woord (met hoofdletter) door het woord in ons kan werken. Daarom gaat men er ook bij staan. Zo zijn er meer punten waarbij het duidelijk is dat het er niet om gaat wat wij voor God kunnen of moeten doen, maar om het ontvangen wat God voor ons heeft gedaan en nog steeds doet.
- Mooi is daarom steeds de houding van het ontvangen. Bijvoorbeeld bij het deelnemen aan het avondmaal. Het raakt me echt om dat weer elke week te kunnen doen. En niet door (zoals bij de evangelische kerk die ik bezocht) bij een kruis te knielen en zelf brood en wijn te pakken, maar door brood en wijn te ontvangen. Het raakt me dat ik alleen mijn handen hoef te openen en dat het brood erin wordt gelegd met de woorden ‘Het lichaam van Christus’. En ik hoef alleen maar ‘Amen’ te zeggen. Geen ‘dank je wel’, want het gaat niet om degene die het brood geeft, maar alleen ‘amen’ - ‘zo is het’. De verlossing is iets dat Christus geeft, waar ik alleen maar mijn handen voor hoef te openen. Ik hoef het niet zelf te doen. En dat wordt in deze vorm heel duidelijk.
- Ik vind de liederen mooi. Ze draaien niet om onze reactie op het evangelie (zoals veel van de opwekkingsliederen). Ze uiten niet dat ikzelf blij of dankbaar ben, of enthousiast, of gelovig. Ze gaan over het werk van God, het werk van Christus, het werk van de Heilige Geest. Ze gaan over het goede nieuws. En ik kan ze zingen hoe ik mij ook voel! Ik kan ze zingen als belijdenis van de waarheid. Niet over mijn eigen gevoel (want dat is vaak niet zo zoals het in evangelische liederen wordt beschreven), maar de waarheid over Christus.
- Dit geldt voor de liturgie in het algemeen. Die bestaat voor grote delen (waar het niet gaat om het ‘ontvangen’) uit het samen met alle heiligen uitspreken van de waarheid, bijvoorbeeld in de geloofsbelijdenis, of in de lofprijzing. Elke zondag opnieuw spreek ik uit wat ik geloof. Dat Jezus is gestorven, dat hij is opgestaan, dat hij aan de rechterhand van de vader zit. Ik spreek uit dat God naar ons toe alleen maar genadig is. Ik spreek uit dat ik uitzie naar de opstanding en de wereld die komt (elke zondag minstens twee keer!).
- Wat ik vroeger dacht over liturgie, dat het door de herhaling een ‘vormpje’ wordt, dat niet echt meer zou worden beleefd door de mensen, wordt hier wel ontkracht. Ik let steeds op op de voorgangers. Maar die spreken de woorden elke keer uit vol overtuiging. Prachtig! Het zijn voor hen geen ‘dode’ maar ‘levende’ waarheden. Ze spreken over een realiteit waar ze volledig achter staan. Hier is geen woord vrijzinnigheid bij.
- Tegelijkertijd geloof ik dat waarheden juist door herhaling werkelijk deel van ons gaan uitmaken. Ze zijn nog niet tot je doorgedrongen als je ze een keer hebt gehoord en hebt beaamd. Intellectuele instemming is niet voldoende. Ze moeten landen in je hart en je leven gaan bepalen. Hier is het niet voldoende een keer het evangelie te horen, het evangelie moet steeds opnieuw worden ontvangen. Daarom zijn rituelen zo belangrijk!
- Het diverse gezelschap: de aanbidding is hier daadwerkelijk ‘uit elk geslacht en stam en volk en natie’. Engelsen, Amerikanen en Nederlanders zitten naast Indiers en mensen uit Afrika. En bovendien hebben we vrouwelijke voorgangers en sprekers. Hier wordt in praktijk gebracht dat er in Christus geen onderscheid is tussen man en vrouw, slaaf en vrije, jood en griek.
- Ik hoor elke zondag twee tot drie schriftgedeeltes (waarvan een uit een van de evangelien), die ik trouw meelees, en ik zing een van de psalmen mee, en daarnaast is een groot deel van de liturgie geciteerd uit de bijbel. Het mooie is dat er een kerkelijk jaar wordt gevolgd, waardoor door het jaar een groot deel van de bijbel aan bod komt, en de belangrijke momenten van het geloof allemaal aandacht krijgen!
- Verder is er bijna elke zondag gebed, voor de kerk, voor zieken, voor zendelingen. En eens per maand is er de mogelijkheid gebed te ontvangen voor genezing en heelheid. Veel mensen maken hier gebruik van, wat mooi is om te zien. Dat herinnert me eraan dat Leanne Payne, en Lin Button (die in Nederland conferenties verzorgt over innerlijke genezing), ook uit de Anglicaanse kerk afkomstig zijn. En Martin Tensen die deze conferenties organiseert bezoekt ook een anglicaanse kerk. Genezing en herstel wordt in deze kerk serieus genomen!
- Ook in de preken hoor ik het evangelie. Tot nu toe werd in elke preek expliciet verteld dat Jezus is gestorven en opgestaan. En in bijna elke preek werd de nadruk gelegd op de liefde van God voor elk van ons. Afgelopen zondag nog stelde de leider van de dienst dat het allemaal draaide om Jezus, dat hij degene is waar het om gaat in het christelijk geloof. En de spreekster legde er de nadruk op dat God ieder van ons liefheeft, niet als deel van een collectief, maar als individu, zoals we zijn. Het is de boodschap die langzaam bij me komt binnendruppelen. Dit is een plek waar ik kan leren het eindelijk te geloven, dat ik de geliefde van God ben.
- De hele drie-eenheid komt aan de orde in de diensten. God de Vader, de Zoon en ook de Heilige Geest. Ze hebben alle drie een belangrijke plek. En, een punt dat mijn verloofde inbracht: aan alle aspecten van God wordt aandacht besteed - God als Vader, maar ook God als Koning, of als Rechter. Er is ruimte voor ontzag, maar ook voor intimiteit. Dat evenwicht is mooi!
- De nadruk op schoonheid en mysterie, in de symbolen, maar ook in het mooie kerkgebouw, met een prachtige tuin, vlak bij de Scheveningse bosjes, in het prachtige gebrandschilderde raam, maar ook in de muziek! Het orgel speelt onder andere muziek van Bach. Er is een koor dat prachtig zingt. Soms zijn er andere instrumenten (viool, piano). Muziek (ook zonder tekst) wordt als belangrijk gezien. Schoonheid is voor mij een belangrijk thema. Schoonheid communiceert iets over de natuur van God, zonder dat het uitgelegd hoeft te worden. Ik merk dat dit een plek is waar dat herkend en gewaardeerd wordt. Geen wonder dat veel kunstenaars uit sacramentele, liturgische tradities komen. Ik sprak laatst met een kennis die ik ooit op het Flevofestival heb ontmoet waar ze een workshop tekstschrijven gaf. Ze blijkt voorgangster te zijn in een presbyteriaanse kerk. En ook zij gaf aan dat de ruimte voor schoonheid en mysterie daar heel belangrijk is. God werkt in mysterieuze wegen, die niet altijd voor ons in woorden te vatten zijn. En dat moeten we ook niet altijd proberen.
- De vriendelijkheid van de mensen. Dit kan misschien aan de Engelse volksaard liggen, maar er zijn veel mensen in deze kerk met een heel rustige, vriendelijke natuur. Bianca en ik werden direct verwelkomd, men vroeg geïnteresseerd naar ons en onze interesses, en de volgende keer werden we herkend. Zonder dat er direct druk op ons werd gelegd. Dit voelde heel verwelkomend. En ik geloof dat het minstens voor een deel voortkomt uit de theologie van deze kerk, en wat ze geloven over de liefde van God, die naar ons toe alleen maar genade is.
- De oproepen voor vrijwilligers komen bovendien niet manipulerend over, eerder uitnodigend (misschien kan ik me ook eens inzetten) en de collecte wordt niet aangekondigd. Soms heb ik niet eens door dat het al zover is. Ik voel me nergens toe gedwongen.
- Mooi onderdeel van de dienst: elkaar de zegen van God toewensen. De mensen om je heen de hand schudden, in de ogen kijken, en de zegen van God toewensen. Prachtig. Mijn verloofde zei dat ze dat vroeger ook het mooiste onderdeel vond van de katholieke kerk.

Bij deze opsomming zal ik sommige mooie dingen nog vergeten zijn, maar het is denk ik genoeg om te snappen waarom mijn verloofde en ik na vijf diensten nog steeds enthousiast zijn. We hebben een geestelijk thuis gevonden. Geen wonder dat ik dus nog even in de ‘cage phase’ zit. Uiteindelijk zal ik ook wel punten zien die een beetje ‘schuren’ (er is altijd wel wat), en ik zal me daar niet door van mijn stuk proberen te laten brengen, maar ik vermoed dat die niet zullen opwegen tegen wat ik hierboven opsomde. In elk geval heb ik er zin in komende zondag weer te gaan!

Aandachtige lezers van mijn blog hebben vast herkend dat wat mijn aanspreekt in de anglicaanse kerk aansluit bij wat ik de afgelopen jaren op mijn blog heb geschreven over mijn worsteling met de (evangelische) kerk en mijn zoektocht naar God en zijn genade. In een volgend bericht wil ik terugkijken op die zoektocht en een paar van mijn eerdere blogberichten citeren die licht werpen op mijn reis!

vrijdag 20 juli 2012

Filmbespreking: Lars and the Real Girl

Verhalen zijn belangrijk. Ze communiceren zaken die zakelijke boeken of wetenschappelijke artikelen niet kunnen overbrengen. Ze sluipen voorbij de draken van het rationalisme die volgens C.S. Lewis voor onze geest op wacht stonden, en spreken niet in de eerste plaats tot ons verstand, maar tot onze emoties, onze herinneringen, onze verbeelding. Het effect dat ze op ons hebben, gaat daarom ook dieper dan een betoog of preek ooit kan bewerkstelligen (behalve als er een goed verhaal in wordt vertaald). Ze geven ons een helderder inzicht in ons zelf dan een persoonlijkheidstest of analyse ooit zou kunnen.
Dat gebeurde bij mij toen ik Lars and the Real Girl keek. Als ik de film tien jaar geleden gezien had (als hij toen al gemaakt was), zou ik er depressieve gevoelens door hebben ontwikkeld, omdat hij me zou hebben geconfronteerd met mijn eigen frustraties en het daarmee gepaard gaande gevoel van onvermogen, de overtuiging dat ik mezelf nooit zou kunnen veranderen. De hoop die de film schetst voor zijn hoofdpersoon zou ik niet op mezelf hebben durven betrekken. Maar de film kwam voor mij nu op een goed moment, omdat ik er nu aan kon zien hoeveel ik de afgelopen tijd veranderd ben, en hoe ver ik ben gekomen. De film hielp me nu om op een goede manier compassie met mezelf en met mijn worsteling te hebben, en te geloven dat ik nog verder zou kunnen veranderen - omdat ik ook heb ontdekt wat de hoofdpersoon in de film ontdekt: dat ik geliefd ben.

De film gaat over Lars, een 27-jarige vrijgezel uit een van de noordelijke staten van Amerika. Hij is een trouwe kerkganger, heeft een wat saaie kantoorbaan, en leeft in de garage bij het huis van zijn ouders, waar zijn broer en schoonzus zijn ingetrokken. En hij wordt geplaagd door een verlammende angst voor intimiteit. Hij weigert bij zijn broer en schoonzus te ontbijten of te eten, en komt niet naar de feestjes die zijn collega’s organiseren. Als een meisje hem lijkt leuk te vinden, bevriest hij. En hij probeert elke vorm van fysiek contact te voorkomen. Hij ervaart aanraking als fysieke pijn, bekent hij later in de film, hij is er allergisch voor. Door deze angst raakt Lars in een steeds groter isolement. Dus wie schetst de verbazing van zijn familie als hij op een dag voor de deur staat, omdat hij bezoek heeft. Een vrouw, die hij heeft ontmoet via het internet. Ze is zendelinge. En ze zit in een rolstoel. Of ze mogen langskomen? Natuurlijk mag dat, maar dan krijgen zijn broer en schoonzus een nog grotere schok te verduren: Lars’ vriendin is een anatomisch correcte rubberen pop. Dat leidt natuurlijk tot bizarre situaties ...
Dit is niet een film die de aandacht op zichzelf vestigt. Als kijker ben je volledig gericht op de karakters op het scherm. Ryan Gosling speelt een gevoelige Lars. De pijn van zijn onzekerheid is heel herkenbaar in beeld gebracht, en de manier waarop hij opbloeit is ontroerend. Emily Mortimer is innemend, levenslustig en begripsvol, maar ook Paul Scheider is als Lars’ broer geloofwaardig. De kille winter van Minnesota is mooi in beeld gebracht. Waarin de film niet zo realistisch is, is het begrip dat iedereen heeft voor de situatie. Lars wordt nooit gepest, zelfs niet door zijn collega’s, die het spel meespelen, net als zijn kerkgenoten (waarbij ze in het einde wel erg ver gaan). Maar ik ben geneigd deze film niet te zien als een realistisch karakterdrama, maar als een fabel. En daarmee wordt het plattelandsdorp waar de film zich afspeelt een sprookjeslandschap, en in dat opzicht een stuk geloofwaardiger.

Ik was heel blij dat de film Lars niet aftekent als zielig, en dat niet de draak wordt gestoken met zijn diepe onzekerheid. Ik denk dat het voor veel mensen moeilijk is voor te stellen hoe diep sociale angst geworteld kan zijn, en hoe iemand daardoor eigenlijk gehandicapt wordt, niet in staat om in de relaties van het maatschappelijke leven te navigeren. Ik kan het me niet alleen voorstellen, ik weet het uit ervaring. Ik herkende heel veel van mezelf in Lars. Net als hij durfde ik niet bij mensen op de deur te kloppen - ik heb een keer drie kwartier op de gang heen en weer gelopen voor ik bij mijn stagebegeleider durfde binnenstappen - en durfde ik niet op te bellen, omdat ik dacht dat mensen dan boos op mij zouden worden (Ik had een halve dag buikpijn als ik moest telefoneren, zelfs al wist ik dat er speciaal mensen waren om de telefoon op te nemen, zoals bij de Informatiebeheergroep). En net als hij was ik ook bang om aangesproken te worden. Op bijbelstudieweekeindes stond ik in de pauzes bij de boekentafel, en had ik volgens mensen die mij toen kenden, een duidelijke uitstraling van: kom niet dichterbij. Net als Lars liep ik voorovergebogen en keek ik anderen niet aan, ook niet verkopers achter de kassa in de winkel. Net als Lars kon ik er niet tegen aangeraakt te worden. Tot een paar jaar geleden reageerde ik erg schrikachtig als mensen mij aanstootten, en begroette ik mensen met een uitgestoken hand om maar niet te hoeven zoenen. Als kind al wilde ik niets te maken hebben met stickers, en weigerde ik op mijn hand te schrijven. Aanraking deed inderdaad bijna fysiek pijn. En net als Lars durfde ik geen initiatief te nemen in relationeel opzicht. Het idee een meisje mee uit te vragen bezorgde me slapeloze nachten. Ik kon niet geloven dat iemand mij leuk zou vinden. “Maar dat is toch niet nodig?”, zei laatst een collega. “Je bent zo’n aardige kerel. Je hebt zo’n leuk gevoel voor humor.” Ze weet niet wat er in mij omgaat. En mijn op woordgrapjes gebaseerde humor is nu juist een van de overlevingsmechanismen waarmee ik mijn sociale angst probeer te verbergen.
Waar komt zo’n angst vandaan? Ik las op internet over ‘Reactive attachment disorder’ - een aandoening die ontstaat als kinderen in hun eerste jaren van hun ouders gescheiden zijn, en niet voldoende bevestiging of aanraking krijgen. Dit kan zich op twee manieren uiten - of kinderen hebben geen grenzen en zijn naar iedereen open en aanhankelijk, ook naar vreemden, of kinderen zijn voor iedereen bang en sluiten zich af. Ik schreef vorig jaar in mijn serie ‘Blast from the Past’ over mijn vroege ervaringen als kind: hoe ik direct na mijn geboorte van mijn moeder werd gescheiden en onder een UV-lamp werd gelegd, hoe ik twintig weken bij mijn opa en oma leefde omdat mijn moeder in het ziekenhuis lag. Hoe ik later werd gepest op de middelbare school en op christelijke zomerkampen. Genoeg om bij een kind de boodschap te doen postvatten dat het niets waard is - dat het geen liefde waard is, dat het geen leven waard is. Genoeg om iemand angstig in het leven te laten staan. Genoeg om iemand af te snijden van de mensen om hem of haar heen. Opgesloten in zichzelf. Ook de film refereert aan een traumatische gebeurtenis is Lars’ jonge jaren: zijn moeder is gestorven toen hij geboren werd, of kort daarna, en zijn vader was daarna erg verdrietig en wist niet hoe hij voor zijn zoons moest zorgen.
Hoe goed bedoeld ook, anderen kunnen iemand niet verlossen van zijn sociale angst. De pogingen van Lars’ schoonzus om hem bij hun activiteiten te betrekken, lopen op een fiasco uit. Bevestigende woorden doen alleen maar pijn -”Waarom heeft zo’n leuke man als jij geen vriendin?” - omdat hij ze toch niet kan geloven en zich daardoor alleen nog maar meer een mislukking voelt. Adviezen hebben een averechts effect. Ik weet dat de prikkende vinger van mijn moeder in mijn rug me niet rechtop liet lopen en alleen maar meer schaamte deed voelen. En de woorden ‘Maar niemand bijt je”, als ik moest opbellen, maakten de angst niet minder. En ook ik heb me schuldig gevoeld om het feit dat ik op mijn dertigste geen meisje durfde aanspreken, als anderen me vroegen waarom ik nog vrijgezel was.

De enige manier waarop iemand met zo’n diepe angst kan veranderen, is als hij of zij er zelf naar gaat verlangen. Als iemand geen genoegen meer neemt met afzondering en eenzaamheid. Ik kwam zelf een paar jaar geleden tot de conclusie: “I’m sick and tired of being sick and tired” (citaat uit The Mom Factor van Henry Cloud en John Townsend). De maat was vol. Ik wilde me niet voor eeuwig laten ketenen door pijn die ik in het verleden had opgelopen. Ook al moest ik er nachten van wakker liggen, ook al moest ik dingen doen die ik nog nooit in mijn leven had gedaan, ook al moest ik uit mijn ‘comfortzone’ komen, ik wilde niet langer buitengesloten zijn. Ik wilde leven. En ik was bereid daar ver voor te gaan.
Net als Lars. In sommige recensies wordt de indruk gewekt dat hij leidt aan een waandenkbeeld, dat hij is doorgeslagen, dat hij ziek is geworden. Maar ik weet dat de situatie eigenlijk andersom is: Lars wil juist niets anders dan gezond worden. Hij wil juist ontsnappen aan zijn isolement. Hij wil wanhopig graag met mensen durven praten, contact leggen met anderen, intiem zijn. Maar hij weet niet hoe. Dit is zijn laatste strohalm, in zijn beleving zijn laatste kans op herstel. Geen wonder dat hij er zo veel waarde aan hecht, dat de pop voor hem echt wordt. Zo waardevol is ze werkelijk voor hem. Het belangrijkste argument voor mijn interpretatie is de manier waarop Lars aan de pop komt. Hij bestelt de pop zelf via internet. De kist wordt bij hem afgeleverd (hij hoort het via de telefoon en weet waar het over gaat). Hij opent de verpakking zelf. Het was dus zijn eigen, bewuste keuze. Niet iets dat hem overkwam. En zijn methode heeft succes. Hij durft opeens mee te eten met zijn broer en schoonzus. Hij durft een feestje van een collega te bezoeken. Hij durft op het werk iemand aan te spreken. Hij durft serieuze gesprekken aan te gaan met zijn broer. Hij durft zich te laten aanraken. Wat voor andere mensen vanzelfsprekend is, kost hem grote moeite - zo’n grote moeite dat hij het niet kan zonder plastic pop aan zijn zijde. Hij schaamt zich er niet voor, laat zich er niet voor uitlachen - hij weet dat hij zonder de pop in zichzelf opgesloten zou zijn gebleven.
De pop is Lars’ reddingsboei. Maar de pop is niet wat hem uiteindelijk verandert. Dat kan de pop ook niet. Het is een pop. Plastic. Wat Lars uiteindelijk verandert is het feit dat anderen hem aanvaarden. Onvoorwaardelijk. Ook als hij een pop nodig heeft om zich onder de mensen te vertonen. Alleen deze liefde van zijn familie, zijn collega’s en zijn kerk, kan bij hem de boodschap laten landen dat hij er mag zijn. Dat hij waardevol is. Dat hij een plek heeft onder andere mensen. Dat hij niet alles onder controle hoeft te houden, maar dat hij vrij is om te leven. Vooral de scenes in de kerk zijn in dit opzicht mooi. Er is wel wat protest in de groep, maar al snel wordt geconcludeerd dat iedereen wel wat heeft. De een heeft een kleptomane vrouw gehad, de ander spaart speelgoedtreinen. Er is niemand ‘normaal’. Dus is er ruimte om Lars te ontvangen - met zijn ‘vriendin’. Hij wordt niet veroordeeld, hij wordt niet buitengesloten. Hij mag er zijn. En dat geneest. Want het communiceert dat Lars er bij God mag zijn. Dat hij door God waardevol wordt gevonden. Dat hij geliefd is - met zijn sociale angst en onzekerheid. Deze radicale inclusiviteit is waar het in de christelijke gemeenschap om draait, betoogt Richard Beck in een blog op Experimental Theology. Interessant genoeg is er in de reacties iemand die daartegen protesteert. De kerkgangers hadden Lars erop moeten wijzen dat zijn ‘vriendin’ een pop was. Ze hadden zijn leugen niet moeten bevestigen, maar hem confronteren met zijn gebrokenheid. Auch. Dat zou precies het tegenovergestelde bewerkt hebben. De pop was een symptoom, niet het probleem. De oorzaak lag dieper. En zo’n ‘eerlijkheid’ zou het probleem alleen maar hebben versterkt. Ze zou Lars’ een leugenaar hebben genoemd en hem hebben verweten dat hij anderen voor de gek hield. Hij zou zich daardoor alleen maar slechter zijn gaan voelen. Ik heb er vaker over geschreven, dat de kerk vaak de verantwoordelijkheid om te veranderen legt bij degene die ergens mee worstelt. Als ik worstel met wettische boodschappen, ben ik degene die op een andere manier zou moeten luisteren. Maar dat is juist het probleem. Dat kan ik niet en daarom worstel ik zo. Het middel is erger dan de kwaal.
Maar zoals een arts in de film zegt: op een bepaald moment zal Lars zelf de illusie niet meer nodig hebben, en dan zal die verdwijnen. Die verandering komt volledig van binnenuit. Als Lars’ ideeen en beelden over zichzelf zijn veranderd, en hij begint te geloven dat hij liefde waard is. Als hij gaat geloven dat anderen van hem kunnen houden. Als hij van zichzelf gaat houden. Ik moet denken aan iemand als Zacheus, de tollenaar. Die verandert niet omdat Jezus hem streng toespreekt. Hij verandert omdat Jezus bij hem in huis wil zijn, met hem wil eten, en hem accepteert. De ervaring van acceptatie brengt hem op een nieuwe weg, waarbij hij het niet meer nodig heeft anderen af te persen of met de Romeinen mee te werken.
(Daarmee zeg ik niet dat we gebrokenheid moeten ontkennen - niemand ontkent in de film dat Lars een probleem heeft, zoals ook niemand zou moeten ontkennen dat ik een probleem heb met wettische boodschappen. Jezus zal ook niet hebben gedaan alsof tollenaar zijn het beste beroep was van de wereld. Maar ik roep op om mensen niet af te wijzen, maar te accepteren, ook al zijn ze gebroken.)

Ik ben zelf de afgelopen jaren gelukkig wel veranderd. Ik reageer niet meer zo schrikachtig als iemand mij aanstoot. Ik durf te telefoneren en bij mensen aan te bellen. Ik durfde een vrouw uit te vragen en heb nu verkering met een lieve en mooie vriendin. Ik durf steeds meer mezelf te zijn. Dat heb ik niet aan mezelf te danken. Ik ben me er steeds meer van bewust dat de enige reden voor mijn groei, is dat ik steeds meer ben gaan geloven dat God van mij houdt zoals ik ben. Dat ik werkelijk geaccepteerd ben. Inclusief mijn (in mijn ogen) tekortkomingen en zwakheden. Dat God mij niet alleen accepteert, maar werkelijk van mij houdt. Zoals een vader houdt van zijn kinderen en niet in hen teleurgesteld is. Dat Gods liefde werkelijk onvoorwaardelijk is. Dat is voor mij steeds meer realiteit geworden. En daardoor kan ik geloven dat andere mensen mij ook accepteren. Dat ik voor hen niet volmaakt hoef te zijn. Dat anderen mij ook waarde toekennen. Dat anderen van mij kunnen houden. En daardoor kan ik ook mijzelf gaan accepteren - met mijn tekortkomingen. Daardoor kan ik ook eindelijk mezelf zijn -zonder mezelf te haten- een geliefd kind van God. Gods liefdevolle omarming vult aan wat tekortschoot en geeft mij een basis om op te staan. Die aanvaarding was er natuurlijk altijd al, zoals ook Lars altijd al geaccepteerd en geliefd was. Maar pas toen hij besloot zijn eigen isolement niet langer te accepteren en in actie te komen, kon hij zich voor die aanvaarding en liefde openstellen. Zo kon Gods liefde en aanvaarding pas bij mij binnenkomen, pas bij mij landen, toen ik niet langer ‘sick and tired’ wilde zijn, toen ik me wilde openstellen voor verandering. Die keuze is alles wat nodig is om te gaan groeien.
De wortels van sociale angst zitten diep. Herstel vindt niet van het ene op het andere moment plaats. Ook bij mij zit nog veel onzekerheid. Ik denk nog steeds dat anderen zomaar boos op mij kunnen worden. Ik duik nog steeds wel eens schichtig weg als iemand te dicht bij dreigt te komen. Maar ik weet wel zekerder dan ooit dat God van mij houdt. En daarom geloof ik dat ik verder zal groeien. Dat het waard is risico’s te nemen. Dat ik mezelf kan zijn. Ook Lars is aan het eind van de film niet volkomen hersteld, maar hij is gaan geloven dat hij geaccepteerd is. En dat geloof is voor hem genoeg om het avontuur van het leven aan te durven.

dinsdag 6 maart 2012

Liefde van buiten, liefde van binnen 2

In mijn vorige bericht schreef ik hoe ik ermee werd geconfronteerd dat ik nog zoveel ‘moet’ van mezelf en hoe die ongezonde gedrevenheid in me er niet alleen voor zorgt dat de liefde van God niet tot me doordringt, maar ook nog eens van mijn schrijven over vrijheid een ‘moeten’ maakt. Het ziet er somber uit voor de held. Maar dan neemt het verhaal een wending.
Dit keer was het om te beginnen een situatie met familie. Een opmerking van een naast familielid deed me beseffen dat ik nog steeds hoopte door deze persoon in mijn identiteit bevestigd te worden. Het verlangen naar een positief woord, naar instemming met mijn keuzes en daden, vormde nog steeds een belangrijke drijfveer in mijn leven. Een deel van het ‘moeten’ dat ik mezelf opleg, is hierop terug te voeren. Maar nu realiseerde ik me helder en definitief dat ik de bevestiging waar ik naar verlangde nooit van deze persoon zou ontvangen. De ander zou nooit kunnen zeggen dat ik goed ben zoals ik ben, en zou nooit goedkeuring uitspreken over die dingen die voor mij belangrijk zijn (lezen, films, schrijven, verbeelding, relationeel kerk zijn). Ik heb geen reden om te verwachten dat de persoon in kwestie ooit zal veranderen. Maar als ik toch nooit bevestigd zal worden door dit familielid, kan ik ook ophouden me in te spannen om bevestiging te krijgen. Ik kan gewoon mijn leven leiden, en doen wat ik belangrijk vindt, zonder me druk te maken over wat de ander ervan vindt, want die is er toch niet tevreden mee.
Ongeveer gelijktijdig was er een situatie op mijn werk, die me weer confronteerde met negatieve gedachten over mezelf en waardoor ik chagrijnig op kantoor zat (ik zal vast niet de enige zijn die dat soort dingen meemaakt). Hoewel ik merkte dat ik me er minder door in de put liet brengen dan vroeger het geval zou zijn geweest, moest ik toch bij mezelf te rade gaan waar mijn prioriteiten lagen. Want door de situatie op het werk werd ik er weer eens mee geconfronteerd dat ik mezelf buiten kantoortijd ook wel veel druk opleg. En veel ervan onnodig, omdat het voortkomt uit het afzetten tegen die innerlijke stem van het ‘moeten’. (Gelukkig bleek de situatie deze week niet zo ernstig te zijn als ik vreesde, en was ik vandaag zelfs vrolijk op kantoor!)

Waar het persoonlijke verhaal van mijn gesprekspartner drie weken geleden mij confronteerde met mijn innerlijke gebrokenheid, gaf het mij echter ook de hoop dat ook bij mij zo’n diepe innerlijke verandering kan optreden. Ook mijn hart kan aangeraakt worden. Het idee van het ‘moeten’ kan ook bij mij eindelijk zijn greep op mijn leven verliezen. Ook ik kan volledig overtuigd raken van de liefde van God. Nu niet als een boodschap van buitenaf, die schraapt aan het beton van mijn dove intellect, maar als een waarheid van binnenuit, die als gist in het deeg mijn hele leven doortrekt en tot uiting komt in al mijn woorden en daden. Ik heb dat zelf nog niet zo ervaren, maar ik realiseerde (voor het eerst) dat ik geloofde dat het mogelijk was. Dat ik werkelijk geloofde dat die stemmen tot zwijgen gebracht kunnen worden. En dat ik daarnaar verlangde. Dat ik ernaar verlangde om eindelijk zonder het ‘moeten’ te leven - in ‘effortless freedom’ (zoals een Amerikaanse vriendin het omschreef).
Deze innerlijke verandering is er echter niet een die ik met mijn inspanningen tot stand kan brengen. Dat is nu juist wat ik in al die artikelen van de afgelopen maanden betoogde: dat het niet van mijn wilskracht afhangt. (Maar dat ik er zo veel over schreef, met het idee mezelf te kunnen overtuigen, was weer een daad van mijn wilskracht en dus een illusie). Zoals mijn gesprekspartner er door overvallen werd, zo zal ik er ook door worden verrast. Ik kan het namelijk niet zelf bewerken, het is een openbaring van God. Het is iets dat God in mij doet. Het is ZIJN liefde die in mijn hart zal worden uitgestort door de Heilige Geest.
Ik geloof dat God niet van mij vraagt dat ik mij in allerlei bochten wring om door Hem geliefd te worden. Ik geloof dat Hij alleen van mij vraagt dat ik me voor Hem openstel. Zoals met zijn koninkrijk verlangt hij ernaar dat ik me voor Hem openstel, als een kind. Hij wil dat ik ophoud mijn handen gesloten te houden rondom mijn eigen ‘moeten’, mijn eigen ‘heldenverhaal’. Hij wil dat ik dat loslaat, dat ik ‘sterf’ aan dat moeten, in de hoop op zijn opstandingskracht, het scheppende woord van zijn liefde, dat mij een nieuwe identiteit kan geven. Dit gaat -vermoed ik nu- dieper dan ik tot nu toe vermoed heb. Het is werkelijk een soort sterven, want het omvat zelfs het opgeven van de hoop dat ik iets kan bijdragen aan mijn eigen verandering en omkering. Ik moet zelf het idee opgeven dat ik door het preken tegen mezelf, het voortdurend schrijven van nieuwe blogs, mijzelf kan veranderen (ironisch genoeg precies wat ik betoog: dat ik mezelf niet kan veranderen). Wat God vraagt is dat alles los te laten. Het is werkelijk een vorm van overgave.
Maar ik geloof dat God zo groot is dat hij leven kan brengen uit de dood. En dat maakt deze zelf-overgave niet alleen heel moeilijk (ik vind het niet voor niets zo moeilijk niets te ‘moeten’, zelfs niet niet te moeten prediken tegen mezelf), maar tegelijk ook heel makkelijk, heel rustgevend. Iemand wees me dit weekeinde opnieuw op de tekst uit Micha 4:4: “Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt, want de HEER van de hemelse machten heeft gesproken." Ik heb hier op mijn blog al eens over geschreven , maar ik was het eigenlijk al weer een beetje vergeten (zo overtuigend is de stem van het ‘moeten’ kennelijk). Het is blijkens deze bijbeltekst Gods bedoeling dat ik rust ervaar. In Gods eeuwige koninkrijk hoef ik me niet uit te sloven tot ik van vermoeidheid neerval (wat de stem in mijn binnenste me wel laat doen), maar mag ik rustig in de schaduw zitten met een boek, zonder bang te zijn dat iemand me roept om te gaan werken. Pas als ik in die rust ben ingegaan, als ik ervaar wat Jezus zegt - “Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven” (Matteus 11) - kan ik tot mijn vervulling komen. Dan ben ik namelijk vrij om te doen wat mijn hand vindt om te doen, om vrucht te dragen - de vrucht die God in mijn tot stand brengt.

Wat zijn van deze overwegingen de praktische consequenties? Niet op volgorde van belangrijkheid, maar op de volgorde waarin ze nu in mijn hoofd opkomen: ik wil me niet meer zo afzetten tegen de evangelische kerk. Nee, ik ben het niet eens met alles wat in dat systeem gebeurt, en ik denk dat er negatieve patronen aan te wijzen zijn (patronen die het moeten versterken). Maar het is niet mijn taak mensen te overtuigen uit de kerk weg te gaan. Ik kan mensen daar niet van overtuigen. Dat leidt alleen maar tot ongezonde onenigheid. Bovendien komt mijn bekeringsdrang voort uit de ongezonde basis van tegen mezelf te moeten preken. Ik kan alleen maar mijn verhaal vertellen en dat getuigenis zijn werk laten doen. Degenen die graag en met plezier op zondag naar een dienst gaan, moeten zeker blijven gaan! Kennelijk levert het ze iets goeds en waardevols op. Ikzelf merk op zondagochtend echter geen enkele neiging meer om naar de dienst te gaan. Er is geen enkele hersencel meer die me in beweging probeert te zetten, geen spoortje schuldgevoel of verplichting meer.
Wat ik daarentegen wel verlang, is om deel te zijn van een groep mensen die samen zoeken naar de liefde van de Heer. De huiskerk in Almere, waar ik nu steeds vaker kom, is zo’n groep. Deze mensen geloven heel diep dat God van hen houdt, en ze houden ook van elkaar. Daar wil ik graag bijhoren. Per slot van rekening leren we de liefde van God kennen uit de liefde die we voor elkaar hebben. Het is dan ook mijn bedoeling om me in de loop van 2013 ook werkelijk bij deze groep te kunnen aansluiten.

Ten tweede wil ik inderdaad een stap terugdoen. Ik wil minder ‘moeten’. Ik wil meer open ruimte in mijn leven brengen - ruimte om te leven, om te genieten, om mezelf te zijn. Daarbij hoort dat ik minder zal bloggen. Ik merk namelijk dat ik niet aan twee schrijfprojecten tegelijk kan werken. Mijn blog voelt nu toch een beetje aan als een verplichting die ik mezelf heb opgelegd. En ik merk dat ik eigenlijk graag mijn verhalenbundel wil afmaken. En ik wil mijn serie blogberichten van eind vorig jaar ('Terug naar de basis') tot een boek gaan bewerken. Daar ligt op dit moment mijn verlangen. Dat wil zeggen dat de frequentie van nieuwe berichten op mijn blog zal dalen. Ik ga nog een aantal stukken die ik een paar jaar geleden op een andere website zette, herpubliceren. Maar daarna wil ik voorlopig alleen maximaal eens per week en misschien wel minder vaak een filmbespreking plaatsen (en ik zal elke week wat foto’s online zetten, en wat links).
Ik zoek daarnaast naar manieren om mijn sociale media gebruik terug te dringen, omdat ik merk dat dit ook voor meer onrust in mijn leven zorgt. Twitter is leuk, maar leidt ook af en rust, goede gesprekken en een goed boek op z’n tijd zijn veel rustgevender dan het steeds ‘checken’ van nieuwe berichtjes. Die rust heb ik nodig, en ik merk dat ik daar bewust voor moet kiezen om die te krijgen. Beter: ik WIL daar voor kiezen.

Ten derde hoop ik een deel van mijn tijd ook werkelijk te gebruiken om de rust op te zoeken. Zo heb ik de afgelopen tijd een paar keer mijn fotocamera weer meegenomen naar kantoor om in de lunchpauze te fotograferen. En dat was voor mij werkelijk ontspannend. Ik merk bovendien dat ik als ik me toelaat om echt zo te ontspannen, weer ga verlangen naar de stem van God, dat ik weer tot hem begin te spreken en weer naar hem begin te luisteren. Weliswaar nog aarzelend, maar niet alleen groeit het verlangen, alleen in de rust groeit de ruimte die God kan vullen. Ik kan niets doen om mezelf te veranderen - zelfs niet door blogs aan mezelf te schrijven. Ik kan alleen de gelegenheden creeeren voor God om mij te veranderen, en vervolgens op Hem wachten. God kan immers niet spreken als ik niet luister, of liever, hij spreekt wel, maar hij kan praten als Brugman, omdat het toch niet tot me doordringt. Hij gebruikt immers - ontdekte Elia - het geluid als het suizen van een zachte koelte, niet de storm, de aardbeving of het vuur. In de rust ben ik soms stil genoeg en aandachtig genoeg om Hem te horen. Dan ben ik open voor dat moment dat Hij zijn liefde diep in mijn hart laat doordringen. Dan wordt de liefde van God een keer niet een waarheid die ik steeds van buitenaf tegen mezelf moet prediken, maar een zekerheid van binnen waaraan ik nooit meer zal twijfelen. En als dat niet gebeurt, is het misschien juist de worsteling om me steeds op nieuw over te geven en steeds opnieuw de rust te zoeken waarin ik niets moet, waardoor God mij verandert. In elk geval verlang ik ernaar, en dat is het enige dat nodig is.

maandag 31 oktober 2011

Filmbespreking: The Soloist

Een journalist bij de prestigieuze krant de LA Times (gevestigd in, jawel, Los Angeles) moet elke dag opnieuw zijn column afleveren. Om steeds opnieuw met een nieuw verhaal te komen, dat is niet eenvoudig. Uiteindelijk droogt de inspiratie wat op. Zijn eindredacteur stuurt Steve Lopez dan ook achter onderwerpen aan die op z’n zachtst gezegd minder verheffend aan, zoals bloed geven bij een bloedbank. Steve laat het zich gezeggen. Hij heeft toch weinig energie meer. Hij is gescheiden (zijn eindredacteur is zijn ex), hij belt zijn studerende zoon niet, en hoewel de wasberen zijn tuin kapot graven heeft hij weinig zin er iets aan te doen. Op een dag hoort hij op straat muziek. Bij een standbeeld van de componist Beethoven staat een zwerver, met een volgeladen winkelwagen en een viool met twee snaren. In de woordenstroom van de duidelijk niet honderd procent geestelijk gezonde muzikant vangt hij het woord Juillard op: de naam van een prestigieus conservatorium in New York. Enig navragen leert Steve dat de zwerver inderdaad op deze school les heeft gehad. Voila: een verhaal! De journalist raakt steeds meer betrokken bij Nathaniel Ayers. Hij zorgt dat hij een cello krijgt, regelt voor hem een kamer bij een opvangcentrum, en vraagt iemand om hem les te geven. Steve wil proberen de muzikale carriere van de zwerver weer op poten te krijgen. Maar daarmee zet hij de prille vriendschap op het spel ...

The Soloist is niet een grootse film. Het verhaal is niet groots: een columnist en een zwerver die met elkaar omgaan - gelukkig weten we sinds de Lord of the Rings-films dat zelfs de kleinste persoon (of het kleinste verhaal) een groot verschil kan maken. Maar de manier van filmen is ook niet groots. Geen spectaculaire shots die de aandacht trekken. De kleuren zijn helder - zoals dat past bij het zonsovergoten Los Angeles - de schaduwen hard. De regisseur zet zichzelf niet op de voorgrond. Bij deze film gaat het om de acteurs. Robert Downey Junior zet een cynisch geworden schrijver neer, die moet ontdekken dat hij de wereld niet kan veranderen. En Jamie Foxx speelt Nathaniel Ayers overtuigend. Deze man is verward, is schizofreen, en zal dat ook blijven, maar hij verliest daarmee niet zijn menselijkheid. Zijn liefde voor de muziek is ontroerend en mooi in beeld gebracht (al had de symbolische lichtshow niet gehoeven - ze hadden de camera ook op het gezicht van de acteur gericht hebben kunnen houden).
Wat mij echter tegenstaat aan de film was wat ik na afloop ontdekte toen ik op het internet naar informatie zocht. Het blijkt namelijk dat dit verhaal gebaseerd is op echte gebeurtenissen. Maar er zijn nogal wat dingen in veranderd. Steve Lopez was helemaal niet gescheiden en werkte al helemaal niet samen met zijn ex-vrouw. De cello-instructeur was helemaal geen sentimentele kerkganger. En Nathaniel had op het conservatorium niet de cello bespeeld, maar de bas. Hij is nooit meer bas gaan spelen, maar had zichzelf de viool en de cello leren bespelen toen hij al op straat leefde. Ik snap dat sommige veranderingen een verhaal beter kunnen laten lopen, maar ik geloof dat de werkelijke gebeurtenissen al mooi genoeg waren zonder er kunstmatig drama aan toe te voegen.
Hoe dan ook, de film liet mij met tranen in de ogen achter. Wat mij betreft een aanrader.

Tijdens het kijken van de film moest ik denken aan een jeugdvriend van me, met wie ik tijdens mijn lagere en middelbare school periode veel optrok. We hadden allebei een levendige fantasie en verzonnen talloze avonturen. Ik ben boeken gaan schrijven, omdat hij het idee had een keer samen een verhaal te schrijven. We zouden om de beurt een bladzijde afleveren. Mijn vriend hield er na twee rondes al mee op, maar ik was toen al zo in beslag genomen door het plot, dat ik besloot het in mijn eentje af te maken. Mijn vriend had echter een psychiatrische aandoening, waardoor hij zijn ouders tot wanhoop dreef en uiteindelijk van opvang naar opvang ging. Ik wist niet wat ik ermee aan moest - ik heb hem bijvoorbeeld nooit in een opvangcentrum opgezocht. Ik voelde me namelijk machteloos en ongemakkelijk. Ik wist niet hoe ik hem kon helpen. Daarvoor schaamde ik me. Onlangs kregen we voor het eerst in jaren weer contact en vertelde mijn vriend me dat hij toch met veel plezier aan ons contact terugdacht en me als echte vriend beschouwde. Na het kijken van deze film vermoed ik dat dit is, juist omdat ik hem niet kon of wilde veranderen, juist omdat ik mijn machteloosheid toegaf. Ik kon alleen maar een vriend zijn. Meer niet. Maar dat was genoeg.
Mensen lijken soms geneigd andere mensen niet als gelijken te behandelen. Steve Lopez ziet Nathaniel Ayers in het begin van de film vooral als onderwerp voor zijn verhaal. In plaats van een compleet persoon, een doel in zichzelf, is de muzikant voor hem een middel geworden - een middel om zijn column nieuw leven in te blazen en zijn carrière op te krikken. Hij gebruikt de ander om zichzelf te verhogen, het gaat om wat hij ontvangt. Vervolgens slaat Steve om naar het andere uiterste. Hij wil Nathaniel veranderen. Als hij maar genoeg geeft, genoeg organiseert, genoeg hulp inroept, kan hij de man wel van zijn ziekte genezen, kan hij hem wel maken tot de veelbelovende muzikant die hij ooit was. Hij zal het wel organiseren. Steve wordt god, en Nathaniel zijn onderdaan - die hij ook letterlijk opdrachten geeft. Nog steeds is de ander voor hem een project en geen persoon. Steve staat nog steeds boven hem en niet naast hem. Dat wordt gesymboliseerd in de namen die ze voor elkaar gebruiken. Steve noemt de man, die minstens zo oud is als hij zelf, bij zijn voornaam: Nathaniel. De ander noemt hem beleeft: Mr. Lopez. Hun relatie is niet in evenwicht. Dat kan natuurlijk niet goed aflopen. De begeleider van het opvanghuis waar Nathaniel terechtkomt, voorspelt het al: als de ander je als god ziet, wat als je hem teleurstelt? Wat als de aanbeden ander van zijn voetstuk valt?
We denken allemaal dat we als god kunnen zijn, dat we - als we maar genoeg ons best doen - onszelf en anderen aan ons ideaalbeeld kunnen laten voldoen. Dit is een instelling die overal in onze maatschappij te vinden is, en ook in de (evangelische) kerk. We geloven in de maakbaarheid van de mens. Als we maar meer werken, een opleiding volgen, de juiste kleren dragen, genoeg sporten, dan krijgen we de levenspartner waar we naar verlangen, de baan die bij ons past, en die tweede auto op de oprit. Of als we maar genoeg bidden, bijbel lezen, evangeliseren of ons schuldig voelen, geeft God ons gezondheid en welvaart, en vinden we misschien wel een glansrijke carrière als zendeling of prediker. Wij zijn in staat om daadwerkelijke verandering tot stand te brengen. Dat dit een verwording is van de christelijke boodschap, moge duidelijk zijn. Het was nooit de bedoeling dat we god zouden zijn, niet voor anderen, en niet voor onszelf. Jezus predikte niet dat we succesvol zouden zijn als we hem zouden volgen, of dat anderen naar ons zouden opkijken. Hij voorspelde ook niet dat we een morele natie zouden kunnen opbouwen, of de wereld voor Hem zouden kunnen winnen. Hij riep zijn volgelingen op de minste te willen zijn, zich niet te stellen boven de zwakken, de zieken en de zondaars, maar naast hen te gaan staan, af te dalen op hun eigen niveau. Hij hield zijn toehoorders voor dat ze zouden lijden, dat ze zouden worden vervolgd en veracht, dat ze tot het uitschot van de Aarde gerekend zouden worden. En hij voorspelde dat de wereld niet beter zou worden, maar slechter, dat de kerk niet zou overwinnen, maar dat ze zou lijken te verliezen. Dat het de vraag was of hij het geloof zou vinden als hij terugkwam. Paulus zei dat hij niet trots was op zijn eigen kracht, maar op zijn eigen zwakheid. Want daarin werd op een bijzondere, onvoorspelbare manier de kracht van God zichtbaar.

Ik las op de Internetmonkwebsite het volgende stukje over een karakter uit het boek Brideshead Revisited van Evelyn Waugh: “Lord Sebastian Flyte, the aristocratic, handsome, wealthy, socially prominent and attractive figure the narrator meets at Oxford.In an ordinary novel (or made-for-TV movie), we’d have a happy ending where Sebastian sobers up, meets a lovely girl , settles down to marriage and family life and buckles down to the successful career that his education and status in society deserve. Or if we were still going with the religion angle, he’d become a wildly successful society preacher saving the souls of bright young things like he was, or a cardinal, or end up as a male equivalent of Mother Teresa (or maybe St. Damien of Molokai, only without the leprosy, because leprosy isn’t glamorous when you’re the one suffering from it). Either way, he’d have a glittering, fulfilling career and a visible and measurable by the standards of the world record of achievement, whether in the service of God or Mammon.
What does Evelyn Waugh do with him? He succumbs to his alcoholism, goes abroad to lead a dissolute life with pathetic little attempts to make some kind of a go of things and finally ends up in Morocco trying to join a monastery because he wants to be a missionary to lepers or cannibals or savages of some description. This is impossible, of course, because he’s not fit for it, and eventually he ends up – after bouts of drinking and falling ill – being taken in by the monks and given a pity job as a kind of under-porter, halfway between being a lay man and being a religious, and (through the character of Sebastian’s youngest sister, Cordelia, telling Sebastian’s uncomprehending friend Charles about where he ended up and in what state), Waugh forecasts his life: unexceptional save for his periodic falls off the wagon and shame-faced return to the monastery, years going by like this, getting older, becoming something of a joke to the novices and tolerated affectionately by the older monks, “a familiar figure pottering round with his broom and his bunch of keys” and “He’ll  develop little eccentricities of devotion, intense personal cults of his own; he’ll be found in the chapel at odd times and missed when he’s expected” until his eventual death which will be no more edifying nor uplifting than his life and the best his sister can anticipate for him is that “Then one morning, after one of his drinking bouts, he’ll be picked up at the gate dying, and show by a mere flicker of the eyelid that he is conscious when they give him the last sacraments.  It’s not such a bad way of getting through one’s life.” Waugh also has Cordelia tell Charles “The Superior simply said, ‘I did not think there was anything I could do to help him except pray.’  He was a very holy old man and recognized it in others.” “Holiness?”  “Oh yes, Charles, that’s what you’ve got to understand about Sebastian” and “I’ve  seen others like him, and I believe they are very near and dear to God.


Dit is het geheim van de genade: ons succes is geen maatstaf voor de liefde van God voor ons. We kunnen van ons voetstuk afkomen. Wat we ook ontvangen, het blijft altijd een geschenk. In deze film is de muziek een krachtig symbool van genade. Het komt van een onwaarschijnlijke bron: een schizofrene zwerver, wiens viool maar twee snaren heeft. Maar het brengt iets tot stand in de toehoorder. Hij begint met zijn voet te bewegen, zijn lippen krommen zich tot een glimlach. En hij komt in actie. Niet omdat het moet, niet omdat hij verplicht wordt, maar omdat hij het wil. De muziek heeft hem veranderd. Steve Lopez zorgt dat Nathaniel Ayers een optreden in een concerthal kan bijwonen. Tijdens dat optreden kijkt hij niet naar de muzikanten, maar naar zijn metgezel, en hij verwondert zich over de overgave waarmee hij van de muziek geniet
"It was such an unbelievable experience," zegt Steve later tegen zijn ex-vrouw. "We're listening to the same music, but ... But no. You see him, it's one thing, but you feel him ... I'm watching him. He's watching the music. And while they're playing I say: 'My God, there is something higher out there and he lives in it, and he's with it.' I've never even experienced it, but I can tell ... I don't even know what you call it ..."
Het antwoord van zijn vrouw? "Grace."
De genade leidt er uiteindelijk toe dat Steve van zijn voetstuk afkomt, en het opgeeft Nathaniel te moeten veranderen. Hij accepteert de situatie en wordt wat de andere op dat moment nodig heeft: een vriend. Hij behandelt hem voortaan met het respect waarmee Nathaniel hem behandelt.
Genade verandert mensen. Vergeving verandert mensen. De liefde van mensen die degenen die hen pijn deden of teleurstelden een tweede kans geven, brengt daadwerkelijke verandering tot stand. Acteur Robert Downey Jr. weet dat als geen ander. Hij was verslaafd aan drank en drugs en zijn carrière zat in het slop. Hij was op weg naar de afgrond. Maar een andere acteur en regisseur, Mel Gibson, was bereid een risico te nemen. “When I couldn’t get sober, he told me not to give up hope and encouraged me to find my faith. It didn’t have to be his or anyone else’s as long as it was rooted in forgiveness. And I couldn’t get hired, so he cast me in the lead of a movie that was actually developed for him. He kept a roof over my head and food on the table and most importantly he said if I accepted responsibility for my wrongdoing and embraced that part of my soul that was ugly – hugging the cactus he calls it — he said that if I hugged the cactus long enough, I’d become a man.”I did and it worked.” Gibson ging naast hem staan, respecteerde hem als mens, niet als project, en toonde opofferende liefde. Het was genade. En daardoor veranderde het hart van Downey Jr. Nu kon hij zelf genade doorgeven, en wel aan degene die hem genade had bewezen. Dit is wat de acteur zei over Mel Gibson bij een uitreiking eerder dit jaar: “All he asked in return was that someday I help the next guy in some small way. It’s reasonable to assume at the time he didn’t imagine the next guy would be him or that someday was tonight. So anyway on this special occasion and in light of the recent holidays including Columbus Day, I would ask that you join me, unless you are completely without sin in which case you picked the wrong f—ing industry, in forgiving my friend his trespasses and offering him the same clean slate you have me, allowing him to continue his great and ongoing contribution to our collective art without shame. He’s hugged the cactus long enough.” Genade brengt genade voort.
Zo wordt genade - die geen verandering eist, maar aan mensen liefde geeft zonder iets terug te verwachten - als een olievlek die zich uitbreidt - tot het koninkrijk van God ‘als uit zichzelf’ is verschenen. Ook dit wordt symbolisch in beeld gebracht in de film, in een scene tijdens de aftiteling. De scene is opgenomen in het opvangcentrum. Maar zijn bewoners, die eerst in beeld waren als geestezieke daklozen, als slachtoffers, als patienten, zijn nu alleen te zien als mensen, als gelijken. Steve Lopez en zijn (niet langer ex)-vrouw bevinden zich onder hen, niet boven hen. Er klinkt namelijk muziek, en iedereen danst. Ook wij zullen ooit dansen op het ongedwongen ritme van de genade. Ik kijk er naar uit.

zaterdag 23 juli 2011

Tijd voor een feestje 2

Morgen is het weer zondag. En ik ga opnieuw naar de kerk. Nu niet omdat een van mijn vrienden spreekt of omdat de zangdienst over een voor mij interessant thema als ‘schepping’ gaat. Maar omdat ik bewust met gelovigen wil samenkomen. Ik mag dan mijn vraagtekens hebben bij sommige aspecten van de organisatie van de kerk en ik mag dan liever preken over andere onderwerpen willen horen, het feit is dat ik in de kerk heel veel mensen ken die ernaar verlangen de liefde van God beter te kennen en te leven uit een besef van genade. En het ontmoeten van die mensen -tijdens de dienst of tijdens de koffie- helpt mij om zelf op die dingen gericht te blijven. Let wel, ik weet niet of ik op de lange termijn bij deze kerk aangesloten zal blijven. Ik verlang nog steeds naar een meer kleinschalige, meer organische vorm van gemeentezijn. En ik hoop die ook een keer te vinden. Ik weet dat er geen perfecte kerk bestaat. Maar ik ben idealist - ik laat me niet door zo iets als realisme mijn dromen afnemen.
Ik blijf bovendien bij mijn hierboven al genoemde bezwaren. Het feit is dat ik me vaak schuldig voel bij preken die me vertellen wat ik allemaal moet of niet zou moeten doen, en dat ik eerder slechter over mezelf ga denken dan beter. Zoals ik in een eerder bericht op deze blog al opmerkte geloof ik niet dat bij een conflict tussen mijn ervaring en de kerk, het probleem volledig aan mijn kant ligt. Nogmaals, als ik allergisch reageer op huisstofmijt en anderen niet, betekent dat niet dat er geen huisstofmijt is. Ik blijf erbij dat sommige boodschappen daadwerkelijk manipulatief en beschadigend zijn, ook al ben ik de enige die zich erdoor gemanipuleerd en beschadigd voelt.
Wat ik dus ook niet meer wil, is van de kerk verwachten dat die verantwoordelijk is voor mijn herstel. Dat ik genezing zal ervaren puur door in de kerkbank te zitten, of dat ik daardoor op de een of andere manier een beter christen zou worden. Daardoor zou ik de kerk een verantwoordelijkheid geven die alleen aan God toebehoort. Ik zou de kerk een macht of invloed over mij geven die alleen God mag hebben. Ik creeer zo mijn eigen afhankelijkheid van de kerk. En doordat ik dat daadwerkelijk heb gedaan, heb ik me tegen de kerk afgezet toen die me niet gaf wat ik ervan verwachtte. Als in een ongezonde relatie, waarbij ik verwacht dat de ander mij gelukkig maakt, en mijn liefde dus voorwaardelijk is. Mijn verhouding tot de kerk was ongezond. En dat ik me vervolgens onttrok aan de geloofsgemeenschap was een symptoom van die ongezonde relatie. Hoewel ik daardoor niet meer blootstond aan voor mij beschadigende of beschuldigende boodschappen, liep ik ook veel goede, bemoedigende boodschappen mis - boodschappen die wel degelijk ook van het podium klinken (zoals afgelopen week). Ik kreeg zelf niets meer. En God was ook niet meer in staat om door de mensen uit de kerk tot mij te spreken.
Maar nog belangrijker: ik bracht zelf ook niets meer in de kerk in, ik deelde niet aan de geloofsgemeenschap uit van mijn gaven. Ik had niet alleen mezelf van de kerk afgesneden, maar ik had ook de kerk van mij afgesneden, en ervoor gezorgd dat in het geheel van de gemeente mijn unieke bijdrage ontbrak. Andere mensen moesten dat mislopen. Mijn keuze was, als je dat zo beziet, eigenlijk egoïstisch (alweer: een teken van een ongezonde relatie). Liefde is niet zozeer een kwestie van ontvangen, van het krijgen van waardering, maar van geven, van jezelf opofferen voor de ander. En zo zou ook onze omgang met de kerk niet zozeer moeten draaien om wat wij in de dienst kunnen krijgen maar om wat wij kunnen geven, aanbidding aan God en bemoediging aan anderen. Zoals we in een relatie als het goed is op de ander gericht zijn, zouden we ook in de kerk gericht moeten zijn op de anderen, en uitdelen van wat wij hebben ontvangen. En als iedereen uitdeelt, zal ook iedereen ontvangen. Ik geloof dat God er dan voor kan zorgen dat iedereen krijgt wat hij nodig heeft. Zo wordt het een feest.

Hierover ging ook de preek van Samuel vorige week. Hij vertelde hoe bij een typische Nederlandse verjaardag de gastheer of gastvrouw vaak de hele avond in de weer is om het iedereen naar de zin te maken. Hij/zij schenkt koffie in, snijdt de taart aan, en deelt chips en cola uit (of bier en wijn). Hij haalt stoelen van zolder als er tekort zijn, zorgt dat er leuke muziek is, probeert iedereen welkom te heten. En dat is nog niet het enige: voor het feest begint heeft hij het huis schoongemaakt, de kamer ingericht en boodschappen gedaan (en misschien wel zelf taart gebakken). En als het afgelopen is, wacht er de klus van het opruimen, en dan ook nog de afwas. Ik weet heel goed hoe veel werk dat is: het is de reden dat ik toch maar een keer per jaar een feestje houd, ondanks dat ik er altijd erg van geniet. Je bent zo een weekeinde zoet met alles. En dan heb ik het nog niet op de kosten van alle hapjes en drankjes, die er ook nog een keer bijkomen. Samuel riep dan ook op om niet te blijven zitten, maar aan te bieden mee te helpen. Om ook eens in te schenken, of de afwas te doen (ik kan je verzekeren dat dit door de gastheer gewaardeerd wordt). De oproep is om bij te dragen aan het feest.
Maar in dit geval hebben we het nog steeds over een verjaardagsfeest dat door een enkel persoon georganiseerd wordt, en waarvoor de gasten zich niet verantwoordelijk voelen. Het zijn dan ook vaak dezelfden die aanbieden mee te helpen, namelijk degenen die zich ongemakkelijk voelen dat iemand zich zo uitslooft en die zich schuldig voelen dat zij niets doen. Maar je kunt ook samen besluiten feest te vieren. Een feest waarbij iedereen iets meeneemt. Een feest waarbij iedereen iets doet, waarbij iedereen uitdeelt. Een ‘American party’ - zoals we dat soms noemen. Bij zo’n feest wordt je verrast: er heeft iemand ijstaart gemaakt, of iemand heeft een gitaar meegenomen. Er kunnen bijzondere dingen gebeuren, spontane ontmoetingen, bizarre combinaties. Aan de andere kant kan het soms niet aan je verwachtingen voldoen: iedereen heeft hetzelfde, er is alleen maar cola, en de gesprekken gaan over niets anders dan voetbal. Het punt is echter dat je als deelnemer aan zo’n feest niet de positie hebt om iets van het feest te eisen. Als je verwachtingen hebt van het feest, zullen die vroeg of laat teleurgesteld worden. Je hebt er namelijk geen controle over. Je bent alleen verantwoordelijk voor wat je zelf naar het feest meeneemt. De rest moet je overlaten aan de anderen, daar moet je je door laten verrassen. Je kunt het alleen ontvangen zoals het komt. De ene keer zal blijken dat jij het meest moet geven, de andere keer wordt je door de creativiteit van de anderen overdonderd. Kortom, bij zo’n feest is het onmogelijk om een ongezonde afhankelijkheid van het feest vol te houden. Je kunt zo’n feest niet vieren als je egoïstisch bent. Bij zo’n feest kun je alleen maar vrijgevig zijn, en genieten van wat je onverwacht ontvangt. Je moet dus op de ander gericht zijn.

Veel mensen gaan naar de kerk omdat ze er iets willen ontvangen. Ik hoor het vaak genoeg: mensen willen ‘geestelijk voedsel’, ze willen bemoedigd worden om de week weer door te kunnen. Ze stellen eisen aan de kerk, ze leggen de kerk verwachtingen op, en ze beoordelen de kerk naar de mate waarin ze dat voedsel of die bemoediging ontvangen hebben. Tijdens mijn reis naar Amerika sprak ik met mijn reisgenoot over onze ervaringen in de kerk. Hij zei dat een huisgemeente of organische kerk voor hem geen kerk kon zijn. Want hij ontmoette God het best tijdens de massale samenzang, onder begeleiding van een goede band. Daar kon hij toch niet zonder. Ik hield me toen stil, maar later bedacht ik dat mijn vriend op deze manier heel veel eisen stelde aan de kerk. Om in zijn geestelijke behoefte te voorzien moest een kerk eigenlijk aan heel veel voorwaarden voldoen. Er moest ten eerste een zaal zijn, met een podium en een geluidssysteem. Er moest een band zijn en zangers, die ook moesten oefenen om goede muziek neer te zetten. Er moesten geluidstechnici zijn, die ook goed waren getraind. Er moest geld zijn om de copyrights van de opwekkingsbundel te betalen - en ga zo maar door. Omdat hij van de kerk verlangde dat hij er kon zingen met een goede band, verlangde hij eigenlijk dat de kerk voor hem een heleboel zou organiseren. En dat als er niet genoeg vrijwilligers waren om te musiceren, niet genoeg technici om het geluid te doen, of geen geld genoeg voor luidsprekers, dat de kerk dan mensen daartoe zou oproepen, eventueel manipulatief, om in zijn behoefte te kunnen voorzien. Om hem tevreden te stellen, zouden heel veel mensen zich (onbetaald natuurlijk) moeten inzetten.
Maar volgens mij is de kerk er niet om in onze behoeftes te voorzien. De kerk is er niet om ons de aanbiddingservaring te geven die wij nodig hebben. Als mijn vriend zo graag met een grote groep mensen wilde zingen onder begeleiding van een goede band, zou hij ook naar praiseavonden kunnen gaan. Hij zou naar een aanbiddingsconcert kunnen gaan. Ja, hij zou misschien moeten betalen. Maar het is ergens ook logisch dat je betaalt voor iets dat jij nodig hebt, iets dat jij verlangt. Ik verwacht ook niet dat mensen mij gratis boeken en DVD’s geven, ik ben bereid ervoor te betalen. Als ik iets gratis krijg, is dat genade. Daar kan ik nooit aanspraak op maken. Ik moet dus zelf ook niet van de kerk verwachten dat die mijn innerlijke gebrokenheid geneest, ik moet niet van de kerk therapie eisen. Als ik dat graag wil hebben, kan ik het zelf zoeken, mensen vragen die levenservaring hebben, of er desnoods voor betalen. Kortom, ik geloof dat de kerk overgestructureerd en overgeorganiseerd is (waardoor er steeds open vacatures zijn en mensen gedrongen moeten worden meer te geven of te helpen), omdat we onze verwachtingen te veel bij de kerk neerleggen. Als we de kerk zouden loslaten, als we onze eisen en verwachtingen van het samenzijn zouden loslaten, zouden we met een veel simpeler, eenvoudiger vorm tevreden kunnen zijn. Want dan zou het niet meer gaan om wat wij er krijgen, maar om wat we er kunnen geven.

En ik geloof dat hoe eenvoudiger de structuur van de kerk is, hoe simpeler de vorm, hoe makkelijker het is voor iedereen om daadwerkelijk iets bij te dragen op een manier die bij hem of haar past. Als niets hoeft, kan alles. In een vorm van huiskerk of organische kerk, of hoe je het ook wilt beschrijven, kan iedereen daadwerkelijk zijn of haar steentje bijdragen. Iedereen kan delen wat hij of zij heeft meegemaakt met de heer, iedereen kan bidden of vragen om gebed, iedereen kan een stukje uit de bijbel lezen, of een lied laten horen, of zelf zingen, kan een podcast van internet laten horen die hij of zij die week geluisterd heeft, kan een scène uit een film laten zien, kan een arm om iemand heenslaan die het nodig heeft, of kan gewoon aanwezig zijn (want soms is onze aanwezigheid hetgeen dat we te geven hebben). In zo’n vorm of structuur komt het niet aan op de paar mensen op het podium die eigenlijk worden gedwongen om aan de verwachtingen van een paar honderd kerkgangers te voldoen. In zo’n vorm of structuur geeft iedereen van zichzelf. Als u samenkomt, heeft ieder iets, zegt Paulus dan ook (let op: ook hij gaat ervan uit dat mensen samenkomen, niet om iets te ontvangen, maar om iets te geven, ter opbouw van de gemeente).
Huiskerkgoeroe Frank Viola (ik raad zijn boeken van harte aan, ook al denk ik in sommige opzichten net wat anders dan hij) wijst erop dat in het Nieuwe Testament heel vaak het woord ‘elkaar’ valt als het over de gemeente heeft: bemoedig elkaar, spreek tot elkaar met psalmen en geestelijke liederen, et cetera, et cetera. Viola beschrijft het leven van de (huis)kerk dan ook als ‘one anothering’. Het woord elkaar suggereert al dat het in het leven van de kerk niet gaat om eenrichtingsverkeer (van het podium naar de zaal, wat toch vaak de realiteit is in de gemiddelde zondagsdienst), maar om twee-, drie-, vier-, vijfrichtingsverkeer (afhankelijk van het aantal aanwezigen). Het leven van de kerk is een gemeenschappelijk leven, waarbij iedereen iets te geven heeft aan alle anderen, en waarbij iedereen dus ook van alle anderen ontvangt. Dat is hoe het er in een gemeenschap aan toe gaat. Dat is hoe het eraan toegaat in een lichaam (waar elk lichaamsdeel van alle andere lichaamsdelen afhankelijk is, en zelf ook voor alle andere lichaamsdelen noodzakelijk is). Dat is hoe het eraan toegaat op een feest.

Voor mezelf betekent dit dat ik de heling van mijn innerlijke pijn en mijn tekort aan zelfaanvaarding bij God moet zoeken, en niet moet verwachten dat de kerk daarvoor kan zorgen. Dat ik op die manier de kerk loslaat, bevrijd van mijn eisen. Waardoor ik (hopelijk) in staat ben om in de kerk, in welke vorm dan ook, mezelf te zijn. Dat ik me niet meer schuldig voel door boodschappen die bij mij op de verkeerde knoppen drukken. Dat ik me niet meer tekort voel schieten als er weer een oproep wordt gedaan om alle vacatures te vullen. Maar dat ik de gemeenschap van de gelovigen opzoek om anderen te ontmoeten en van mezelf te geven - op een manier die bij mij past, al is het alleen mijn aanwezigheid. En dat ik ervoor opensta om van anderen te ontvangen, niet wat ik van ze eis, maar wat zij hebben te geven. Dat ik opensta voor echte liefde, werkelijk feest.

zondag 17 juli 2011

Tijd voor een feestje (1)

Ik was vanmorgen in de kerk. Nu geloof ik dat de Kerk (met hoofdletter 'K') een realiteit is die onafhankelijk is van onze gebouwen en definities, en dat we deze realiteit overal ervaren waar we met 'twee of drie' samen zijn en het goede nieuws van Gods koninkrijk met elkaar delen. Maar vanochtend was ik weer eens naar de gemeente waar ik tot een jaar geleden bijna elke zondag kwam. Ik denk namelijk wel dat het goed is om op een regelmatige basis doelbewust samen te komen met andere gelovigen, en ik merkte dat ik dat de laatste tijd toch wel had gemist. En bovendien wist ik dat de zangdienst zou gaan over Gods grootheid in de schepping (geleid door wetenschapper/zangleider Cees Dekker) en dat de preek zou worden verzorgd door jongerenwerker Samuel Gerrets, met wie ik onder andere een liefde voor comicbooks en anime deel.
Ik moest wel wat overwinnen om weer in het gebouw binnen te stappen, na lang afwezig te zijn geweest. Toevallig (?) trof ik in de entree oud kringgenoten die een paar jaar geleden naar Vaassen waren verhuisd en deze ene zondag weer een keer in Delft waren, en bij de keuken stond een vriend van me op koffie te wachten, en ik kon naast hem zitten in de kerk. Het was een prachtige dienst. De aanbidding was inderdaad indrukwekkend, vooral omdat de zangleider beelden van de Hubbletelescoop en andere foto's van planeten en sterren bij de teksten projecteerde (waarbij ik mijn vriend naast me verbaasde met mijn astronomische kennis - 'Hee dat is de maan Europa! En dat is Io!').
En de preek was ook mooi - het thema was 'feest' - en ik denk dat het uniek was in de geschiedenis van deze kerk dat er op het podium een letterlijk Nederlands verjaardagsfeestje werd gevierd (compleet met chips en cola en verjaardagshoedjes). Het was hilarisch!

Maar de boodschap van Samuel was wel serieus - namelijk dat we het een beetje verleerd lijken te zijn om feest te vieren. De joden kunnen dat wel - ze hebben een kalender vol feesten! En wij zitten maar in een kringetje onze koffie te drinken ... De mooiste feesten, zei Samuel, zijn die feesten waarbij het karakter van de jarige, of de jubilaris, of het pas getrouwde stel, tot uiting komt en gevierd wordt - in de muziek, of in de speeches of in de stukjes, of gewoon door aan elkaar te vragen: "Hee, waar ken jij die en die eigenlijk van?"
Prachtig: ik denk dat de samenkomsten van de kerk ook bedoeld zijn als feesten (compleet met eten, als ik 1 Korintiers mag geloven) waarin de grootheid van God gevierd wordt, waarbij we aan elkaar vertellen wat Hij voor ons betekent, hoe we Hem hebben leren kennen, en waar Zijn karakter zichtbaar wordt. Het draait bij een feest niet om de bezoeker, maar om de reden waarom feest wordt gevierd. Dat maakt het avondmaal ook zo'n belangrijk onderdeel van het kerk. Jezus stelde het in, zodat zijn volgelingen aan Hem zouden denken als ze bij elkaar waren. Maar het was oorspronkelijk niet een statig ritueel, maar onderdeel van een maaltijd. Ik moest eraan denken toen bij het feestje op het podium chips en cola werden uitgedeeld. Brood en wijn zouden niet (of niet standaard) de aanleiding moeten zijn voor stille, zwaarmoedige overpeinzingen, maar zouden als het ware de 'smeerolie' moeten zijn van ons samenzijn, we zouden het avondmaal als een feest moeten vieren! Misschien inderdaad samen eten - zoals de eerste christenen dat deden. We hebben reden genoeg om feest te vieren - we vieren een goede boodschap!

Maar waarom ervaren we dan de reguliere kerkdienst zo weinig als een 'feest'? Ik zelf (ook al genoot ik van de dienst vanmorgen) zou het samenzijn niet als feest beschrijven, ondanks de feestelijke muziek en de boeiende preek waarbij veel werd gelachen. Als ik naar een concert ga, noem ik dat ook niet een feest. En als ik naar een cabaretvoorstelling ga, of een lezing, noem ik dat ook geen feest. Zulke bijeenkomsten hebben een ander karakter. Ze zijn eenrichtingsverkeer: van het podium naar de zaal. Oh, je kunt meezingen, en je kunt reageren op de toespraak, maar wat ontbreekt voor echte feestelijkheid is interactie. Het kan best zijn dat er tijdens een concert of een voorstelling een 'feeststemming' ontstaat. Maar dat gebeurt pas als de aandacht van de bezoekers niet meer op het podium is gericht, maar op elkaar. Als bijvoorbeeld het publiek gaat dansen, en als er opeens een polonaise wordt gehouden. Ik heb op deze blog eerder geschreven over de metafoor van de dans: bij dansen is er sprake van op elkaar reageren, elkaar aanvullen. Dans is in essentie iets relationeels, iets gemeenschappelijks. Ik denk dat daarom de joodse vieringen ook veel feestelijker zijn dan de onze: ze dansen erbij! Dat kan heel gestileerd en vormelijk zijn, maar er is in elk geval (ook al worden er rituelen gevolgd) interactie met elkaar. Een feest, of het nu een polonaise is tijdens een concert van Jan Smit, of een rituele dans op een Joodse bruiloft, ontstaat als mensen ophouden individueel met de muziek of de boodschap bezig te zijn, maar de muziek of de boodschap met elkaar gaan delen. Er ontstaat een geheel dat meer is dan de som van de delen - een gemeenschap, een community.
Samuel las tijdens zijn preek bijvoorbeeld een heel aantal reacties voor van twitteraars, die hadden gereageerd op zijn vraag 'Wat is er nodig voor een goed feest?' - de rode draad was toch: gesprekken, goede contacten, leuke mensen. Ik hoorde ook dat het uit onderzoek zou zijn gebleken dat mensen op een feest toch het meest genieten van gesprekken, en ik weet dat het in elk geval voor mij zelf geldt. Ik geniet ervan om met mensen te praten op een feestje. De mooiste momenten op mijn eigen verjaardagsfeestjes zijn als de meeste mensen al weer weg zijn en ik niet meer met eten en drinken heen en weer loop, maar als er nog een groepje van drie, vier of vijf over zijn. Dan zijn de goede gesprekken er opeens, gesprekken van hart tot hart, het ene moment oppervlakkig, het andere moment diepgaand. En je voelt je dan opeens met die anderen verbonden - je voelt je een gemeenschap. Alle andere aspecten die horen bij het feest (eten, drinken, muziek) ondersteunen de relaties, ze dienen er allemaal toe het onderlinge contact mogelijk te maken. Anders gezegd: het gaat tijdens het feest niet om het eten, het drinken of de muziek, het gaat om de mensen.

En dat is wat ik mis in de reguliere kerkdienst, hoe mooi de muziek ook is, en hoe mooi de preek ook is - ik mis de relatie, ik mis de interactie met mijn mede gelovigen, ik mis de dans. En daarom blijf ik erbij dat ik eigenlijk twee opties zie: of een vorm van relationele kerk/huiskerk, waarbij een kleine groep mensen bij elkaar komt, het leven samen deelt, en elkaar over Jezus vertelt - eventueel in combinatie met samen eten. Of een traditionele kerk waarbij de aanwezigen via de rituelen samen de liturgie vieren, samen opstaan, samen knielen, samen de woorden van het evangelie uitspreken - katholiek of orthodox of anglicaans. Want ook een gestileerde, rituele dans blijft een dans. De onderlinge verbinding is in beide vormen belangrijk. Zolang we maar niet in ons eentje naar het podium hoeven blijven kijken. Zolang er maar sprake is van echte gemeenschap. Dan is het feest.
Ik heb me voorgenomen om kortere berichten op mijn blog te gaan schrijven, daarom houd ik het voor nu hierbij. Later deze week hoop ik te schrijven over een tweede aspect dat Samuel in zijn preek aanhaalde, namelijk dat bij een echt gezellig feest niet een enkel persoon al het werk hoeft te doen (omdat die dan niet van het feest kan genieten), maar iedereen iets bijdraagt ...

woensdag 30 maart 2011

Boekbespreking: De Ideale Kerk

Het is weer eens bewezen: mond-tot-mondreclame is de beste vorm van marketing. Ik wordt namelijk niet echt enthousiast om een boek te lezen als ik posters met plaatsjes van de auteur zie op bushaltes en reclameborden, of bij advertenties in de krant. Een goede recensie in een krant of tijdschrift weet in elk geval mijn aandacht te trekken, maar resulteert vaak niet in aanschaf van het boek in kwestie. Veel positieve recensies van lezers op een website als Amazon helpen al veel beter. Nog sterker is een aanbeveling op een blog die ik volg. Ik heb al meerdere malen boeken gelezen die voorbijkwamen op de Internetmonkwebsite. Maar de grootste kans dat ik een boek ga lezen, is als een vriend of familielid er niet over kan ophouden, vooral als ik wat betreft interesses en smaak met de betreffende persoon op een lijn zit. Dat was het geval met dit boek van Larry Crabb. Een van mijn broers was er al weken enthousiast over. Hij stuurde me citaten uit het boek, en zei dat hij het snel een tweede keer wilde lezen. Maar gelukkig was hij bereid het eerst aan mij uit te lenen. Omdat ik iets sneller lees dan hij, heeft hij het snel weer terug.

Laat ik om te beginnen zeggen dat ik de Nederlandse titel niet echt geweldig vind. Ik moet erbij denken aan de gevleugelde uitdrukking over de volmaakte kerk. Zodra je die gevonden hebt, is hij niet meer volmaakt. Afgaande op de inhoud van het boek zou Larry Crabb het met die uitspraak volkomen eens zijn. De Engelse titel stemt beter overeen met het betoog: ‘Real Church’. Echtheid, eerlijkheid en waarheid, dat is waar Crabb naar op zoek is. En dat is iets heel anders dan perfectie, dan gelikte organisatie, dan uitwendige idealen. Een rommelige, misschien zelfs ruzie-achtige, elkaar schurende groep mensen die werkelijk op elkaar betrokken zijn, en verlangen naar genade, is een duidelijkere expressie van de kerk van Christus dan een glad geproduceerd optreden op zondagmorgen, waar de aan de buitenkant keurige kerkgangers een boodschap krijgen hoe ze betere christenen kunnen worden, of hoe ze de wereld moeten veranderen, of hoe ze naar de hemel kunnen als ze doodgaan. Dit is dus geen boek met praktische tips over het organiseren van een kerk, en ook geen traktaat hoe mensen zich schuldig moeten voelen als ze de zondagmorgendienst overslaan. Maar dat zullen lezers van deze blog ook niet hebben verwacht van een boek dat hier besproken wordt. Ikzelf zet ook vraagtekens bij de kerk zoals die als instituut is komen vast te liggen. Dat is trouwens waar Crabb het boek mee begint. Hij stelt zichzelf de vraag waarom hij niet meer op zondag naar de dienst wil. De rest van het boek is zijn poging om een antwoord op die vraag te formuleren, en te proberen te schetsen naar wat voor soort gemeenschap hij dan wel verlangt. Dit alles is opgeschreven in korte hoofdstukjes, opgesteld in een conversationele stijl, meer als brieven aan de lezer dan als bijbelstudies of overdenkingen. Dat maakt het boek wat minder diepgravend dan ik zou hebben gewenst, maar wel weer persoonlijker. Het is geen studieboek over de kerk, dat moge duidelijk zijn, maar een gepassioneerde oproep aan kerkleden om het verlangen naar ware christelijke gemeenschap en liefde te laten opbloeien. Het eindigt daarom ook niet met een praktische conclusie, met duidelijke handvatten hoe een ideale kerk is op te zetten, of hoe je gelijkgestemde gelovigen kunt vinden. Crabb zet duidelijker in op de individuele gesteldheid van de christen en de gesteldheid van zijn gemeenschap- het gaat erom de gerichtheid van beiden te onderzoeken, niet om weer een nieuwe structuur van de grond te krijgen. De auteur is niet voor niets psycholoog. Dit maakt het boek naar mijn bescheiden mening ook waardevol voor gelovigen die nog wel enthousiast zijn over hun traditionele gemeente, of die niets zien in huiskerken of groepen (daar is Crabb zelf ook niet onverdeeld enthousiast over). Dit boek heeft geen kritiek op de vorm, maar op de inhoud. En ook de aanbevelingen zijn gericht op de inhoud, niet de vorm. Liefhebbers van de kerk in welke uitingsvorm dan ook hoeven dus niet bang te zijn door dit boek tegen het hoofd te worden gestoten, hoewel de auteur vaak dezelfde vragen stelt als kerkverlaters en ‘post church’-christenen. En zelfs als mensen zelf die vragen niet stellen, lijkt het me geen slechte zaak als ze zich kunnen verplaatsen in de belevingswereld van hen voor wie ze wel leven.
Het kwam overigens wel een beetje als een verrassing om een dergelijk boek te lezen van de hand van Larry Crabb. Hij is per slot van rekening een evangelische veelschrijver op het gebied van pastorale onderwerpen (ik heb meerdere boeken van hem in de kast staan) en wordt door heel wat andere auteurs instemmend geciteerd. Hij was een ‘middle of the road’ christelijke auteur, van wie niet veel schokkends kon komen. In mijn mentale boekenkast had ik hem dus alvast ingedeeld bij de kerkmensen, auteurs die de gangbare evangelische terminologie hanteren, die de standaard dogma’s zonder vragen aannemen en de gang van zaken in de christelijke wereld ondersteunen. Daaruit blijkt overigens dat het lang geleden is dat ik iets van hem gelezen heb, want onder andere in Van Binnen Uit wijst hij er al op dat niet het uiterlijke christelijke gedrag is wat telt, maar de situatie in ons hart, met zijn donkere en lichte plekken. Tijd om dat boek te herlezen, maar dat ter zijde.

Bij het lezen van dit boek ontdekte ik dat Crabb een verleden heeft gehad bij de Plymouth Brethren (zoals de Vergadering van Gelovigen in de Angelsaksische wereld heet), en daar is weggegaan omdat een nieuwe vrouwelijke bekeerling werd gedwongen hoofdbedekking te dragen. Dat gaf herkenning. Het is trouwens interessant dat meerdere mensen uit de emerging church en organische kerk-hoek banden hebben met de Vergadering. Een opvoeding in deze kerk laat volgens mij bepaalde sporen achter, die leiden tot een ontevredenheid met de vaste vormen en structuren van georganiseerde kerken en een verlangen naar eenvoudig ‘samenkomen rond de Heer’. Dat is wat ik bij mezelf herken, gecombineerd met een zeker onrustig cynisme over het falen van het ‘kerkgenootschap’ dat zo begon volgens het ideaal, maar zelf ook verstarde tot een vorm, een structuur. Ik weet niet of ex-vergaderingbroeders ooit zullen kunnen zeggen dat ze hebben gevonden wat ze zochten. Aan de andere kant: als we dat van iets in deze gebroken, corrupte werkelijkheid zouden zeggen, zouden we aangeven tevreden te zijn met iets minder dan de volmaakte glorie van de Eeuwigheid. Dan is het beter om te blijven verlangen naar meer, wat precies is waar Crabb in dit boek op aanstuurt. De kerk is volgens hem een gemeenschap van christenen die verlangen naar meer dan een ‘beter leven nu’, naar meer dan het liefhebben van God om er zelf beter van te worden. De kerk zou moeten bestaan uit mensen die liefhebben om wille van God. Christenen die er van overtuigd zijn dat God beter is dan enig ander aards substituut. Crabb hamert erop dat wij allemaal verslaafd zijn, ten diepste aan onszelf. We ervaren een diepe leegte, die we op onze eigen voorwaarden proberen te vullen. Een van de manieren om die leegte te vullen is religie: gelikte diensten, emotionele ervaringen. Een ware kerk ontmaskert de leegheid van alle mindere geliefden, en wakkert het verlangen aan naar de Werkelijkheid, de Waarheid waarvoor we zijn geschapen.
Verder bleek Larry Crabb bekend met Brennan Manning, zowel zijn boeken als zijn persoon, een auteur die veel oog heeft voor genade en de onvoorwaardelijke liefde van Jezus voor zondaars, voor zwervers aan de troon van Gods liefde. Crabb pleit in navolging van Manning voor een onthutsende eerlijkheid. Genade is alleen effectief, betoogt hij, als die de hel in ons eigen hart openbaart. Als er een spoortje zelfgenoegzaamheid in ons overblijft, verliest de genade van God zijn glans al. Te vaak doen we ons in de kerk vromer voor dan we zijn, terwijl we in werkelijkheid leeg zijn, zondig, falend. Ik schrijf dit een dag nadat ik zelf weer voor een verleiding ben gevallen, en terwijl ik me bijna misselijk voel van vermoeidheid omdat ik al een tijdlang slecht slaap. Ik ben een wrak en ik heb genade nodig. Genade is niet iets dat mensen mij kunnen geven, maar wel iets waar mijn mede-gelovigen mij aan kunnen herinneren. Maar alleen als zij ook gebroken zijn, eerlijk zijn over hun falen, en hun eigen behoefte aan genade en niets dan genade openlijk erkennen. Belijd elkaar uw zonden (in een wederkerig proces) schrijft Jacobus, en u zult genezing ontvangen. Dat is het visioen dat Crabb schetst. Een aansprekend visioen. Maar ook een visioen dat rauw is, ongepolijst. Een visioen dat van mij vraagt mijn vroomheid vaarwel te zeggen, elke illusie op persoonlijke eer en lof van mensen te laten varen, en mijn hart voor anderen te openen, de lelijkheid van binnen incluis. Pas in deze eerlijkheid, zoals iemand als Manning die beschrijft van groepen van de Anonieme Alcoholisten, in de niets verhullende erkenning van het eigen onvermogen, ontstaat de ruimte voor heling.

Ten slotte bleek Crabb ook nog eens geïnspireerd door The Shack (De Uitnodiging). Dit boek van theologie in verhaalvorm heeft veel kritiek over zich heen gekregen (vooral uit gereformeerde hoek), maar is voor mij een prachtige omschrijving (in menselijke taal) van de niet manipulerende, gevende, gelijkwaardige en vooral blijde liefde tussen de personen van de drie-eenheid. Het presenteert de Vader, de Zoon en de Heilige Geest als levende, dynamische en actieve wezens, die elkaar niet overheersen of dienen vanuit een hiërarchische positie, als personen die boven of onder elkaar staan, maar die elkaar dienen uit vrije keuze, vanuit een positie van gelijkheid, en die enorm van elkaar genieten. Dit wordt ook wel de dans van de drie-eenheid genoemd, het diepste wezen van de mysterieuze God die Liefde IS. De God die in zijn diepste wezen wordt gekenmerkt door relatie. Het evangelie volgens deze visie is dat wij, mensen, zijn geschapen om deel uit te maken van deze dans, deze ‘perichoresis’ in theologische taal. Wij hebben er echter voor gekozen om in ons eentje te dansen, om onszelf niet uit te storten in liefde aan anderen, maar de belangrijkste rol voor onszelf te eisen. We hebben gekozen voor hierarchie in plaats van relatie. Maar zolang we ons isoleren van de Goddelijke, dansende gemeenschap zijn we afgesneden van de bron van het leven. Want elk leven in het universum vindt zijn oorsprong en bestemming in het mysterie van de liefde in het hart van de drie-eenheid. De dood en opstanding van Jezus hadden tot doel ons weer op te nemen in die levenbrengende dans. In Jezus werd de muziek van het hart van God zichtbaar, tastbaar, voelbaar. Jezus was de uitgestoken hand van God, waarmee hij ons weer de dansvloer op wil trekken, ons in zijn bewegende, vreugdevolle gemeenschap wil opnemen. En als we ons laten omarmen, ons laten meenemen op de muziek van Gods liefde, komt het leven van God door ons heen tot uitdrukking, dan breidt de dans zich als het ware door ons uit naar buiten. En dan ontstaat de kerk, betoogt Crabb. “God,” zegt hij, “is een feest dat gevierd wordt. En ik ben uitgenodigd op dat feest ... ik kan me naar het feest begeven door niets anders te verlangen dan in mijn diepste wezen gevormd te worden door de Geest, zodat ik tot vreugde van de Vader meer als Jezus zal worden ... Een samenkomst wordt een kerk, wanneer een groep christenen samen de muziek van het hemelse feest en de lach van God zelf hoort, en onhandig met de Drie-eenheid begint te dansen, om zo de hemelse manier van handelen in de relaties en omstandigheden van het leven op aarde te brengen.” Daar zeg ik ‘Amen’ op.

Hoe dit alles vorm krijgt in de praktijk? Dat kan meen ik, met Larry Crabb, op allerlei manieren. Dat kan in de rituelen van een orthodoxe of katholieke kerk, in de gezangen en de liturgie van een traditionele protestantse kerk, in de aanbidding van een evangelische gemeente, of in een gesprek van persoon tot persoon, van hart tot hart, met iemand die ook de muziek van God heeft gehoord zoals die is geopenbaard in Jezus. Er is niet een enkele vorm die ‘goed’ is of ‘slecht’. Waar het om gaat zijn mensen die de muziek hebben gehoord, en sindsdien ten diepste naar niets anders meer verlangen.