Posts tonen met het label schuldgevoel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schuldgevoel. Alle posts tonen

woensdag 22 april 2015

Gedicht: 'The hound of heaven'

'The hound of heaven'

Ik rende jaren lang zo snel
als mijn benen konden. Vluchtte
dwars door niet vergevend land.
Mijn longen brandden. Ogen prikten
van het zweet. Een speer doorstak
mijn zijde, maar ik gaf niet op,
negeerde blaren, krampen, dorst,
door de angst gedreven. Achter mij
meende ik te horen u, hijgend
als een panter, met prooi spelend.
Genietend van de jacht wist u
mij bij te houden, waar ik ook ging
door ravijnen of door dalen.
Dus ik mocht niet meer vertragen,
niet meer struikelen, niet rusten,
rondom me kijken, ademhalen,
of u zou mij grijpen, mij straffen
voor nalatigheid. Mij verlaten. 
Maar ik faalde, viel als dood 
ter aarde, kon niet meer presteren,
alleen nog wachten op mijn lot. 
Maar dat bleef uit. Ik keek voorzichtig op.
Ik zag niets achter mij dan leegte,
hoorde de echo. Ik was het zelf
die mij had opgejaagd. Mijn brul
had mij doen schrikken. Ik wou
mezelf ontlopen. U was nooit
in het geweld te vinden. Uw stem
klonk niet zo luid. Pas toen het stil werd
kon ik u verstaan. En het was goed.

vrijdag 23 mei 2014

Filmbespreking: The Wind Rises

Mijn favoriete regisseur is Hayao Miyazaki. Met Steven Spielberg op een goede tweede plaats. Maar niet in de buurt van de top, wat mij betreft. Spielberg heeft namelijk wel eens films gemaakt die mij persoonlijk niet veel zeggen, maar Miyazaki is elke keer raak. Elke film van hem overweldigt mij met prachtige beelden van wolken, vliegreizen, mythologische figuren en dromen, met idealistische karakters en sterke heldinnen, met verhalen met symbolische diepgang en bewogenheid om de wereld en om onze medemensen. Er zit geen misser tussen. In zijn thuisland Japan wordt hij ook terecht geroemd. Bij ons is het helaas nog geen evenement als er een nieuwe film van hem uitkomt. Vooral omdat hij animatiefilms maakt, en in het westen heerst nog steeds het vooroordeel dat animatiefilms voor kinderen zijn. Ja, Pixar maakt films die ook voor volwassenen leuk en interessant zijn, maar een volwassen film gemaakt met behulp van tekeningen? Die maken we niet op grote schaal. Onze vooroordelen houden ons tegen, terwijl animatie niet een genre is (zoals we in het westen denken), maar een medium. Een medium waarmee je verhalen kunt vertellen die in andere media onmogelijk te brengen zijn. In Japan voelen verhalenvertellers zich in dit opzicht gelukkig niet beperkt. En ik hoop dat er bij ons ook artiesten opstaan die zich het medium toe-eigenen.
Miyazaki zal helaas niet meer een doorbraak krijgen in Nederland, aangezien The Wind Rises naar zijn eigen zeggen zijn laatste film was. Hij gaat met pensioen. Nu heeft hij het al eerder aangekondigd (al rond de briljante film Princess Mononoke) en deden er geruchten de ronde over een vervolg op Porco Rosso (een film waaraan in deze film trouwens mooi gerefereerd wordt), dus ik weet niet hoe serieus zijn aankondiging is. Hij is een kunstenaar, en is zelfs al weer bezig een stripverhaal te tekenen, dus het is niet uitgesloten dat de inspiratie nog eens toeslaat. Aan de andere kant wordt hij inderdaad al ouder. En is deze film een passende afsluiting van zijn carrière. Het is een voor zijn doen erg originele film. Zijn eerste biografie en dus zijn eerste historische film. Realistisch, op een paar dromen na, en geen fantasywezens in zicht. Volwassen hoofdpersonen met volwassen dilemma’s. Het werk van een creatieveling die zich voortdurend blijft vernieuwen. Aan de andere kant is het duidelijk een terugblik van een kunstenaar op zijn carrière, door de ogen van een andere schepper, en de offers die hij daarvoor heeft moeten brengen. Was het allemaal de moeite waard? Heeft hij er het beste van gemaakt? En een recapitulatie van zijn belangrijke thema’s: wolkenluchten, vliegtuigen, het menselijke barbarisme, onze onmacht tegenover de natuur. Dit was waar het hem al die tijd om te doen was.

Hij heeft er ook nog eens een controversieel thema voor gekozen, want deze biografische film vertelt het verhaal van Jiroh Horikoshi, de ontwerper van de Zero. Het gevechtsvliegtuig dat in de tweede wereldoorlog dood en verderf zaaide en dat lang niet door de Amerikaanse luchtmacht geëvenaard kon worden. Jiroh was het echter niet te doen om een oorlogswapen te maken. Hij verlangde er als jongetje al naar te vliegen. Hij las ten tijde van de eerste wereldoorlog tijdschriften over de luchtvaart, en ontmoette in zijn dromen de Italiaanse vliegtuigbouwer Caproni. Maar hij was bijziend, en met een bril op kon hij nooit piloot worden. Zijn alternatief was vliegtuigontwerper te worden. Zoals veel industrieën werd ook de vliegtuigindustrie in Japan door het leger gefinancierd en aangestuurd. Japan maakte nog vliegtuigen van hout en niet van metaal en liep daardoor decennia achter op de concurrentie. Jiroh wordt met collega’s naar Duitsland gestuurd om bij Junkers te kijken, en krijgt dan de opdracht een jager te maken. Een paar van zijn ontwerpen falen, en langzaam begint hij het geloof in zijn eigen kunnen te verliezen. Dan ontmoet hij in een hotel het meisje Nahoko. Jaren eerder had hij haar al eens gezien, toen hij na de aardbeving van Tokyo hielp bij reddingswerkzaamheden. Nu bloeit er een romance op. Nahoko heeft echter een ziekte opgelopen, die in de tijd voor antibiotica werden uitgevonden, maar moeilijk te behandelen was. En de geheime politie begint ondertussen ook interesse te krijgen in Jiroh, omdat hij niet gelooft in Japans suprematie. Als Japan de oorlog aangaat, zal het land branden, net als het deed na de aardbeving ... Die visie weerhoudt hem er echter niet van het idee te gaan uitwerken dat hem nu in de greep begint te krijgen.

Dit is een prachtige film! Miyazaki is alleen maar beter geworden in het tekenen van wolkenluchten en zonsondergangen, maar ook in het waarnemen van druppels die op bladeren van weegbree vallen, of hoe bladzijdes worden omgeslagen in een boek. Zijn tekeningen dwingen je om zelf ook op deze details te letten en er de schoonheid van in te zien. De schoonheid van een visgraat, die Jiroh brengt tot zijn grootste idee. Maar de film is niet alleen visueel mooi. In Jiroh heeft Miyazaki een sympathieke hoofdpersoon geschapen, gedreven, vriendelijk, menselijk. Het was een plezier hem te volgen, en ik was geraakt door zijn relatie met Nahoko. Heel ontroerend. En mooie muziek. Ik heb de neiging om complimenten aaneen te gaan rijgen. Als je de film nog kunt gaan kijken in de bioscoop, doe het dan! Je zult er geen spijt van krijgen.

Het is ook een film die me aan het denken zette (anders had ik er ook geen filmbespreking over gemaakt), en wel omdat dit het verhaal is van de ontwerper van de Zero. Ik heb zelfs recensies gelezen waarin Miyazaki daarom als een Japans nationalist wordt afgeschilderd, of als iemand die voor de Japanse oorlogsvoering was. Die recensies moeten komen van mensen die geen van zijn eerdere films hebben gezien, want als er iemand pacifist is, is Miyazaki het wel. Waarom dan een film over de ontwerper van een oorlogswapen? Omdat er voor een creatief persoon niet iets dubbelers bestaat. Dit is namelijk wat Miyazaki bij zichzelf ziet. Hij geeft om de natuur, ziet wat wij mensen elkaar aandoen in de naam van geld als iets abominabels, en pleit voor een terugkeer naar waarden als opoffering en liefde. Maar hij werkt in een op geld en prestatie gerichte cultuur, waarin zijn films commerciële producten zijn, die miljoenen kosten en die worden beoordeeld naar de winst die ze maken. Hij moet mensen betalen in zijn bedrijf, en ze ontslaan als ze niet produceren. En blijkens interviews vraagt hij zich af of zijn films wel goed zijn voor kinderen. Hij raadt ouders aan hun kinderen niet meer dan 1 keer per jaar naar elke film te laten kijken, zodat de beelden uit de films niet hun verbeelding te veel vastleggen en ze vrij blijven hun eigen idealen te volgen. Maar welke gevolgen het kijken van animatiefilms ook hebben voor kinderen, hij kan niet stoppen te creëren en de beelden die hij voor ogen ziet in concrete vormen te vertalen. Hij zou zichzelf verliezen en depressief worden. Dus is hij bereid offers te brengen voor zijn creatieve idealen. Hij werkt van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, en zijn vrouw en zijn gezin lijden daar onder. En daar is hij zich van bewust. Het is dus niet voor niets dat hij ambivalente gevoelens heeft over zijn eigen creativiteit. En niet voor niets dat hij een hoofdpersoon schept die deze ambivalente gevoelens deelt. Al in de eerste scene van de film droomt de hoofdpersoon over de vrijheid en schoonheid van het vliegen. Maar de droom wordt onderbroken door een zeppelin, die bommen werpt, die Jiro’s vliegtuig vernietigen. Al vanaf het begin is de film zich ervan bewust dat wat wij mensen ook dromen, er altijd een duister randje aan zit.
Ikzelf denk hier de laatste weken ook over na. Ik ervaar mijn eigen creativiteit en scheppingsdrang soms ook als iets ambivalents. Ten eerste omdat ik deels mijn eigenwaarde ontleen aan het produceren. Ik denk dat ik pas waardevol ben als ik mijn fantasie omzet in concrete producten, in boeken, in blogberichten. Daarom zet ik mezelf vaak onder druk om een bepaalde productie te halen. Een x aantal boeken per jaar, een blogbericht per week. Maar zodra ik dat doe, en mezelf zulke eisen opleg, is het creëren geen vreugde meer voor me, maar wordt het een plicht, iets dat me stress oplevert. Ten tweede vind ik dat wat ik verzin of schrijf aan bepaalde eisen moet voldoen, en dan niet wat productiviteit betreft, maar moreel. Het moet christelijk zijn. Het moet een boodschap overbrengen. Het mag niet mensen aan het twijfelen brengen. Het moet rein en zuiver zijn. Maar als ik mezelf censureer, en mezelf ga afvragen of wat ik maak niet door mensen verkeerd geïnterpreteerd kan worden, of of het niet op de een of andere manier zondig is, damt dat mijn creativiteit ook in, verdwijnt de vreugde, en lopen mijn dromen weg als water. Maar het gevolg is dat ik depressief ben, en lusteloos, want mijn verbeelding en fantasie, de dromen die ik voor me zie, zijn wat mij in leven houdt. Ik kan er niet mee leven, maar ook niet zonder. Daarom sprak deze film me ook zo aan.
Alles wat een mens maakt, hoe mooi ook, kan namelijk voor kwade doeleinden worden ingezet. Er is in moreel opzicht niets mis met een vliegtuig. Ook niet met een vliegtuig dat een topsnelheid kan halen. Maar zoals alle werken van de mens kan het en zal het worden geperverteerd. Moet een creatieveling dan afzien van de vervulling van zijn dromen? Of mag je er op vertrouwen dat er uit wat je maakt ook schoonheid voorkomt, en dat wat je schept uiteindelijk ook voor anderen iets moois betekent? Of is dat iets wat je mag loslaten, en overgeven, omdat je er geen controle over hebt? Ik las van Stephen King dat hij een van zijn boeken heeft ingetrokken, omdat die ging over een schietpartij over een middelbare school, en een daadwerkelijke schutter aangaf dat boek gelezen te hebben. Maar was dat de fout van Stephen King? Er zijn ook mensen die de bijbel hebben misbruikt om bevolkingsgroepen te onderdrukken, slavernij te rechtvaardigen en kruistochten te houden. Is dat de schuld van de bijbelschrijvers? Is dat de schuld van God?

Volgens diezelfde bijbel laat God de zon schijnen over alle mensen, en doet hij het regenen over goeden en slechten. Hij geeft met gulle hand wat mooi is, wat waar is en wat liefdevol is. En de hoop van de bijbel is dat uiteindelijk deze dingen waardevoller en blijvender blijken te zijn dan de werken van het vlees, dan lelijkheid, leugen en haat. En als dat nu nog niet zo is, als wij zijn geschenken perverteren, blijft hij ons genade op genade schenken. Net zo is het met het werk van Jiro. Hij deed uitvindingen die gewoon goed en waar waren: verzonken klinknagels, een vorm van de vleugels, scharnieren en nieuwe ophangingsmechanismen. Die innovaties hebben de bouw van vliegtuigen vernieuwd. Ook na de oorlog. Ja, de Zero werd gebruikt om Amerikaanse en andere doelwitten aan te vallen. Als deze film het verhaal was van de Zero, zou hij ook volgens de hoofdpersoon, een tragedie zijn: geen van zijn vliegtuigen kwam terug uit de oorlog. Maar dit is het verhaal van het idee, en dat leidde later weer tot snellere, betere vliegtuigen. En al had Japan geen oorlog gevoerd, dan zouden de ideeen van Jiro toch een keer door een ander in jagers zijn toegepast, die net zo dodelijk en schadelijk zouden zijn geweest. Oorlogvoeren zit ons namelijk in het bloed. Als we er alleen knuppels voor kunnen gebruiken, gebruiken we knuppels. Als we jachtvliegtuigen tot onze beschikking hebben, gebruiken we jachtvliegtuigen. Dus zou Jiro dan nog steeds verantwoordelijk zijn geweest? Had hij, uit de angst dat iets van wat hij maakte ooit door iemand slecht kon worden gebruikt, zichzelf maar moeten begraven en zijn passie moeten binnenhouden?.
Ik geloof van niet. Net zoals ik niet geloof dat hij Nahoko links had moeten laten liggen, omdat ze ziek was, omdat ze zou wegkwijnen, omdat ze nog maar kort te leven had. Nahoko zelf lijkt te geloven dat Jiro haar alleen maar tot vrouw wil zolang ze mooi is, maar dat is niet zo. Jiro wist dat ze ziek was. Hij wist dat ze misschien maar heel even samen zouden zijn. Maar hij hield van haar. Dat betekende dat hij voor haar koos, zoals ze was: inclusief haar ziekte en het risico dat ze hem zou ontvallen. Hij genoot van de tijd die hij wel met haar zou hebben. Die was namelijk in zichzelf de moeite waard. Al zou het maar een maand zijn, al zou het maar een week zijn. Dat het tijdig was, en zou eindigen in bloed en ademloosheid, maakte de schoonheid van hun relatie niet minder.
En net zo is het met zijn liefde voor het vliegen en het maken van vliegtuigen. Het is een innerlijke drijfveer, een die hij niet kan ontkennen, en een waarvan hij weet dat ze goed is. Het is een verlangen naar de schoonheid van de schepping, de waarheid van de natuurkunde, en dit samen beleven met anderen. Dit verlangen stuwt hem op. In een van zijn dromen vraagt Caproni Jiro of hij wil leven in een wereld met piramides of zonder piramides. Hijzelf heeft gekozen voor een wereld met piramides. In een erg goede en inzichtsvolle recensie van deze film wordt hieraan deze uitleg gegeven: “The heart of Caproni’s implication is that the horrors required to realize beautiful things- as well as the horrors which result from them- must never be enough for us to do away with beautiful things altogether, as such a concession would mean resigning to the worst of our nature.”
Alles wat we maken is gevaarlijk. Alle keuzes die we maken zijn risicovol. Creativiteit is onvoorspelbaar. Dat geldt ook voor Gods creativiteit: die brengt immers ook aardbevingen, muskieten en supernova’s voort. Wat er gebeurt met onze creativiteit ligt echter buiten onze verantwoordelijkheid, daar gaat God over. Of we veel vrucht dragen of weinig, of er mensen door worden aangesproken of niet. Het is Gods zaak. Het schijnt dat Miyazaki in interviews heeft gezegd dat de moraal van deze film is ingegeven door het bijbelboek Prediker, en dan vooral de tekst: ‘Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat.’ (Prekiker 9:10). Ik snap waarom. Dit citaat past bij het thema van de film: als de wind opsteekt, moet je ervoor kiezen te leven. Je moet durven liefhebben, ook in het aangezicht van de dood. Je moet creatief durven zijn, ook al maak je misschien iets gevaarlijks. Want als je niet leeft, geen keuzes maakt, geen risico’s neemt, weet je een ding zeker: dan gebeurt er helemaal niets. In deze film steekt de wind een paar keer letterlijk op. Dezelfde wind die Jiro en Nahoko elkaar doet waarnemen, laait de brand in Tokyo op. De wind die hen opnieuw bij elkaar brengt, kondigt een regenbui aan. Maar een ding is zeker: als de wind opsteekt, kiest Jiro ervoor te leven, te kiezen, te scheppen. Hij doet wat zijn hand vind om te doen, uit zijn passie en overtuiging van wat goed en menselijk is, en hij draagt bij aan de schoonheid van de wereld, ook als er mensen zijn die zijn schepping misbruiken. Heeft hij de goede keuze gemaakt? Had hij in opstand moeten komen? Moet een ingenieur zich bemoeien met politiek? Misschien. Maar het maakt het niet verkeerd dat hij iets moois maakte.

Ik vond hierin een antwoord voor mijn eigen onrust. Ik hoef niet te produceren om waardevol te zijn, ik hoef niet een bepaald aantal boeken op mijn naam te hebben of elke week een blogbericht te schrijven. Ik ben al waardevol, alleen maar om wie ik ben. En ik hoef ook niet in gewetensnood te verkeren of alles wat ik schrijf en teken en verzin wel ‘door de beugel kan’, of dat het genoeg tot stand brengt. Daar gaat God over. Wat ik mag doen is leven met overgave. Genieten van de schoonheid van de wereld, denken, lezen, praten met mensen. En als de wind opsteekt, en de inspiratie komt, mag ik tekenen, schrijven, praten en leven naar hartelust. Het was een boodschap die ik nodig had.

Nog een erg goede recensie vind je hier!

maandag 16 september 2013

Gedicht: Valse herders

Valse herders

Ik ben te vaak geslagen
in uw naam. De stok
kwam telkens neer als ik
mij roerde, strafte mij
voor individualiteit.
Als ik mijn werk deed, kreeg ik
eten, water als ik lachte.
Ruw werd ik in de mal gedrukt
die uit uw woord was afgeleid.

Mijn meesters droegen uw gezicht
als masker, geloofwaardig.
Zo leerde ik het vrezen,
pijn te verwachten
als ik u zie, maar niet
het laten blijken,
doen alsof ik heilig ben,
terwijl ik sidder in het donker
waar mijn ziel zich heeft verstopt.

Als u roept moet ik wel komen
- staart tussen de benen.
U spreekt, stelt mij gerust.
Maar ik hoor hun stem
opnieuw. Ook zo begaan
met mijn eeuwig heil.
Dat was waarom ze mij dreven,
geen rust gunden. En nu
bent u voor mij verpest.

U zult mij moeten trainen.
Ik kan zelf niet het patroon
doorbreken, u scheiden van
het aangeleerde beeld.
Ik ben te bang voor fouten
wil niet weer dood
liggen blijven. Veroordeelt
u mij dus niet, maar til mij op.
Weest u mijn goede herder.

donderdag 6 juni 2013

Weg van de kerk (1): ooit evangelisch ...

Het schijnt dat mensen die van kerk veranderen soms door een ‘cage phase’ gaan, een periode van soms wel zes maanden waarin ze iedereen lastig vallen met enthousiaste verhalen over hun nieuwe geestelijk thuis, kritiek hebben op alles wat met hun oude kerk te maken heeft en nogal scherp zijn op theologische twistpunten en puntjes. Meestal wordt dit woord gebruikt voor mensen die calvinist zijn geworden. Maar volgens mij duidt het op een breder fenomeen, waar iedereen die een levensveranderende ontdekking heeft gedaan mee te maken krijgt. Het wordt door andere mensen vooral als vervelend ervaren omdat zij op een andere plek zijn op hun reis en diezelfde ontdekking nog niet hebben gedaan en mogelijk ook nooit willen doen of zullen doen. En omdat de persoon in de ‘cage phase’ daar geen begrip voor kan opbrengen.
Welnu, ik ben me terdege bewust van het feit dat ik me op dit moment in de ‘cage phase’ bevind. Ik ben namelijk sinds anderhalve maand van kerk veranderd. En voor het eerst in jaren ben ik enthousiast over de kerk. Ik kijk er zelfs naar uit om op zondag weer te gaan! En dat is voor mij een unicum. Trouwe lezers van mijn blog (er zijn er misschien nog wel een paar) weten van mijn moeite met de evangelische kerk. In 2010 maakte ik zelfs de keuze gewoon niet meer op zondag naar de dienst te gaan. In 2011 ging ik weer een paar keer, maar ook daar hield ik snel weer mee op. Het was voor mij niet makkelijk om niet naar de kerk te gaan. Op basis van wat ik uit de bijbel heb geleerd, geloof ik dat het heel belangrijk is met andere christenen samen te komen. Ik ben ervan overtuigd dat geloven en het vieren van dat geloof een gemeenschappelijke activiteit is. En ik ben me ervan bewust dat ik het vlammetje van mijn vertrouwen in God in mijn eentje moeilijk levend kan houden. Toch voel ik me al tijden niet meer 'evangelisch'.

September vorig jaar wandelde ik naar de stad. Ik vroeg in mijn gedachten aan God: ‘Wat kan ik doen om u beter te leren kennen?’ - het antwoord dat in mij boven kwam: ‘Door naar de kerk te gaan.’ Het kwam direct en het klonk als de waarheid. Vooral omdat ik het niet zelf verzonnen kon hebben. Ik had namelijk niet lang daarvoor op mijn blog geschreven dat ik geen enkel verlangen meer had om naar de kerk te gaan. Maar op dat moment besefte ik opeens dat ik al die tijd het idee had gehad dat het christelijke leven iets was wat ik zelf moest doen. Ik moest zelf alles kunnen: bijbellezen, bidden, getuigen, studeren et cetera. Maar ik wist dat ik daarvan overspannen werd, en dat ik om gezond te zijn verhalen moest schrijven. In de kerk kan ik echter genieten van de gaven van andere mensen, die juist graag bijbelstudie doen. Ik hoor teksten uit de bijbel, en bid met anderen, en tijdens de week ben ik vervolgens vrij om de heer te dienen op de manier die bij mij past. Ik accepteerde dat het inderdaad voor mij de manier was om God beter te leren kennen.
Omdat ik daarvoor gewend was naar de evangelische kerk te gaan, ging ik daarnaar terug. Maar eigenlijk was ik toen al van plan om rond te kijken naar een andere kerk, want ik wist eigenlijk al dat ik me niet meer evangelisch voelde. Het was echter te makkelijk om steeds naar dezelfde kerk te blijven gaan. De eerste twee diensten waren bovendien goed, met boodschappen die voor mij en voor mijn verloofde betekenisvol waren (ik geloof ook dat ik deze moest horen). Maar daarna ontstond hetzelfde patroon dat mij al eerder deed besluiten om niet meer naar de kerk te gaan. Ik zat op mijn stoel heen en weer te schuiven bij boodschappen die me vertelden dat ik meer ‘dit’ moest doen en minder ‘dat’, en ik hoorde niets over Jezus of over het goede nieuws.
Ik las het programma van een mannenconferentie, georganiseerd door een groep die zichzelf naar vrijheid heeft genoemd (ironisch), dat stelde dat een echte man alles zou opofferen voor zijn vrouw ‘niet alleen zijn verlangens, maar ook zijn dromen’. En ik besefte dat dit de visie is van de evangelische kerk, dat ik mezelf moest kwijtraken. Dat maakte me misselijk. Bovendien ontdekte ik opnieuw het verschil tussen ‘moeten’ en ‘behoren’ en identificeerde ik veel van de boodschappen in de kerk als ‘behorens’, in feite manipulerende boodschappen die mij ertoe brachten om dingen te doen zonder dat ik er werkelijk uit mezelf voor gemotiveerd was. Ik raakte opnieuw in een negatieve spiraal. Op een etentje met mensen uit de kerk vertelde ik hoe ik niet goed in staat ben om bepaalde boodschappen ‘buiten me’ te houden. Mijn denken is als een mobile. Een nieuwe gedachte hang ik erin en dan merk ik hoe de andere onderdelen bewegen. Pas als het evenwicht verstoord raakt, kan ik de gedachte als negatief beoordelen en afwijzen. Ik heb dus niet een filter waardoor ik zo’n boodschap van te voren kan tegenhouden. Iemand in de groep die coacht en trainingen geeft vertelde dat meer mensen zo in elkaar zitten. Hij noemde ze ‘systeemdenkers’.  En hij zei dat de enige manier van zulke mensen om zichzelf tegen voor hen negatieve boodschappen te beschermen, is te vertrekken uit de omgeving waar die boodschappen worden gebracht. Dat was voor mij de bevestiging en we stopten met naar de kerk gaan. Maar ik had toch echt ‘gehoord’ dat ik de kerk moest bezoeken om God beter te leren kennen! Dat leidde tot een innerlijk conflict, dat kan ik je wel zeggen.

Een goede vriend met wie ik over deze dingen praatte en die zelf ook wel eens moeite heeft met de evangelische kerk, stuurde me het adres van een anglicaanse kerk in Den Haag, die ook nog eens makkelijk met de tram bereikbaar was. Mijn verloofde en ik togen erheen, de laatste zondag van april, een beetje zenuwachtig. En we waren ook nog eens te laat omdat we bij de verkeerde halte uitstapten. Maar er was een bank speciaal voor laatkomers en dat stelde me gerust.
We maakten een prachtige dienst mee. Een paar keer stootten we elkaar aan en fluisterden we: dat was precies waar we naar zochten! In de liturgie kwam meerdere keren het evangelie voor. Er werden gedeeltes uit de bijbel gelezen. Er was zalving voor genezing en heelheid, en het avondmaal werd gevierd. En in de preek werd The Hobbit aangehaald, en het ging erover hoe Jezus vanaf het kruis niet naar ons kijkt met ogen van veroordeling, maar met ogen vol liefde. En hoe dat ons verandert. Wauw! We werden ook nog eens heel vriendelijk aangesproken door de mensen in de kerk. Ikzelf had ook een ervaring van Gods aanwezigheid tijdens de dienst. Ik ervoer zelf hoe Jezus met liefde naar me keek. En ik vroeg hem in gedachten waarom ik die ervaring niet had gehad in de evangelische kerk. Wat toen in me opkwam was: ‘Omdat ze hier samenkomen in mijn naam.’ Dat was inderdaad wat de dienst karakteriseerde: het draaide om Jezus. Meer dan ik in de evangelische kerk had meegemaakt. Daar is de Heer natuurlijk ook aanwezig, zoals Hij overal is, maar het draait er in mijn ervaring niet om hem en zijn aanwezigheid, maar meer om onze reactie op hem en wat wij behoren te doen. Hier stond hij in het midden.
Er stonden tranen in mijn ogen. Aan het begin van dit jaar had ik de Heer gebeden om een tekst voor 2013. Nog voor ik klaar was met het uitspreken van die vraag, kreeg ik in gedachten: ‘Komt tot mij allen die vermoeid en belast zijn, en ik zal u rust geven.’ En in deze dienst in de anglicaanse kerk kwam ik eindelijk tot rust. Hier kon ik eenvoudig zijn, zonder iets te hoeven, en de liefde van de Heer ervaren.
Mijn verloofde was ook erg geraakt door de dienst, omdat ze in een katholiek gezin is opgegroeid en nog veel affiniteit heeft met de vormen en symbolen van de katholieke kerk, alhoewel ze uit leerstellig oogpunt niet meer achter het gezag van de Paus kan staan (hoe goed de huidige paus ook is, trouwens!). Zij had al sinds enkele jaren de indruk dat ze van de Heer mocht zoeken naar een ‘katholiek-achtige’ kerk, maar ze dacht dat de evangelische kerk dat al was. Ze wist namelijk niet dat de anglicaanse kerk bestond. Dit bleek precies te zijn waar ze naar verlangde.

Mijn verloofde en ik waren allebei erg enthousiast, maar een enkele zwaluw maakt nog geen zomer. De volgende dienst was ook weer bijzonder. De dienst erna werd C.S. Lewis uitgebreid geciteerd. De keer erna was er weer zalving, en de keer erna ging het weer over de liefde van de Heer. We hebben vijf diensten meegemaakt, en die waren allemaal prachtig, bemoedigend en draaiden om het evangelie. Ik had me erop ingesteld dat ik ook teleurstellende ervaringen zou hebben, dat niet alle preken even goed zouden zijn, maar tot nu toe is dat nog niet uitgekomen. We hebben daarom besloten dat we deze zomer zo vaak mogelijk naar de anglicaanse kerk zullen gaan, en in het najaar zullen besluiten of we ons definitief bij de kerk gaan aansluiten. Eigenlijk hebben we die keuze nu al gemaakt, vermoed ik, maar omdat ik soms mezelf overschat geven we het de tijd, zodat ik niet roep ‘dit is de beste kerk van de wereld’ om er een maand later weer op af te knappen. Maar deze kerk voelt voor mij als een antwoord op mijn gebed. En daar ben ik dankbaar voor.

In deel twee een paar punten waarom ik zo enthousiast ben over de anglicaanse kerk ...

vrijdag 3 februari 2012

Liefde verandert mensen 1: Wat niet werkt ...

Een van de belangrijke vragen die aan de grondslag liggen van religie is hoe mensen hun gedrag kunnen veranderen. Oh, gelovigen zullen zeggen dat het hen in de eerste instantie om God gaat, maar de praktijk is anders. In de praktijk gaat het bij het geloven om een andere manier van leven. De boodschap van de godsdiensten zoals we die horen is een morele: dit is wat mensen moeten doen om goed te zijn, dit is wat mensen moeten laten om acceptabel te zijn. Van het loslaten van de begeerte in het boedhisme, tot het houden aan allerlei taboes in animistische religies, van de tien geboden en de reinheidswetten in het jodendom, tot de vijf zuilen van de Islam. Godsdiensten prediken een ideaal. En het christelijk geloof is hiervan niet uitgezonderd. Het is bijna een gevleugeld gezegde, dat het christendom er vooral om bekend staat wat je allemaal niet meer mag als je tot geloof bent gekomen. En tegelijk moet er voortaan van alles. Bezoek maar een een gemiddelde evangelische kerkdienst. De preek zal vaker gaan over iets dat je meer zou moeten doen, of iets dat je minder zou moeten doen, over het morele en religieuze ideaalbeeld, dan over Gods genade en zijn liefde, zoals die in Jezus is geopenbaard.
Maar ik schrijf dit blogbericht niet om daar nog weer een keer op in te gaan. Waar ik dit keer op wil wijzen is de verkeerde aanname die aan deze morele boodschap ten grondslag ligt. Die aanname is in feite een heel moderne aanname, namelijk die van de maakbaarheid van de mens. Het is een heel ‘positief’ mensbeeld (‘positief’ tussen aanhalingstekens, omdat het geen correct mensbeeld is) - namelijk dat mensen controle hebben over hun gedrag, dat al hun keuzes vrij zijn, en dat als ze maar zouden willen, ze tot alles in staat zijn. Mijn moeder zei het vroeger wel eens, als een van ons zei: “Ik kan het niet”: “Ik wil niet, daarom kan ik niet.” Het is de gedachte achter de Amerikaanse droom: dat elke krantenjongen als hij het maar echt wilde, kon uitgroeien tot miljonair. De mens kan doen wat hij wil. Hij kan voldoen aan elke verwachting van hemzelf, anderen en de maatschappij. Evangelische christenen geloven dat ook: mensen kunnen een godsvruchtig leven leiden, als ze het maar willen. Ze kunnen zichzelf ertoe zetten om te bidden, bijbellezen, naar de dienst komen, geld geven, evangeliseren. Ze kunnen verleidingen weerstaan (vooral die op seksueel gebied). En dat allemaal terwijl ze ook nog eens voldoen aan alle verwachtingen van de maatschappij van tegenwoordig - want onze samenleving heeft haar eigen idealen: geen overgewicht, goede baan, leuke kinderen, geen haar onder je oksels en ga zo maar door. Gelovigen kunnen (net als moderne mensen) hun eigen gedrag managen - wat gebracht wordt is een boodschap van ‘zondemanagement’.

Het mensbeeld dat aan deze prediking ten grondslag ligt blijkt echter niet te kloppen volgens wetenschappers. Een goed leven leiden en het weerstaan van verleidingen, is niet een kwestie van ‘gewoon de keuze maken het koekje te laten staan’, ‘gewoon de computer niet aanzetten’, ‘gewoon elke week twee keer naar de sportschool’. Het is dus ook niet een kwestie van ‘gewoon elke dag je bijbel lezen’, ‘gewoon vaker evangeliseren’, of ‘gewoon niet naar verkeerde beelden kijken’. De mens blijkt niet zoveel controle te hebben over het eigen gedrag als mensen denken. Kijk maar eens naar het recente onderzoek naar verlangens, waarover ik las in een Bericht op Sciencedaily. Daarbij werden 205 volwassenen voorzien van apparaatjes waarop ze dagelijks moesten aangeven waarnaar ze verlangden. In totaal werden 7.827 momenten van verlangen gemeld. Wat bleek? Het onderzoek bevestigde de eerdere studies naar ‘ego-depletion’- het uitgeput raken van de wilskracht- waar ik ook al eens naar verwezen heb. Want hoe vaker mensen een verleiding hadden weerstaan, en hoe korter dat geleden was, hoe minder succes ze hadden bij het weerstaan van een volgende verleiding, ongeacht op welk gebied. Dus als iemand de verleiding om op Facebook te kijken had weerstaan, vond hij het daarna moeilijker om niet een swirl te eten op het station. Gedurende de dag neemt onze wilskracht af, en dus zullen onze pogingen om onszelf onder controle te houden vaker falen (Wat kan verklaren waarom zoveel mensen ‘s avonds laat naar porno kijken, of gaan snacken).
'Ego depletion' zorgt er niet alleen voor dat je verleidingen niet kunt weerstaan, maar ook dat je goede intenties niet kunt uitvoeren. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat van alle nieuwe leden van sportscholen een op de acht zich in januari opgeeft, en in veel fitnesscentra is het in de eerste weken van het jaar 30 tot 50 procent drukker vergeleken met de rest van het jaar. Iedereen weet dat beweging gezond is, en neemt zich dus voor te gaan sporten. Maar de meeste van deze nieuwe enthousiastelingen zien in April geen sportschool meer van binnen - tegen juni houdt nog maar minder dan 40 procent zich aan zijn of haar goede voornemens- het is ze niet gelukt vol te houden. Ikzelf begin er maar niet eens aan. Maar veel andere mensen zijn optimistischer over hun wilskracht. Ze denken onterecht dat zij het zullen volhouden als ze er eenmaal voor hebben gekozen. In een wetenschappelijk onderzoek kregen nieuwe leden van een sportschool de keuze tussen twee mogelijkheden: 10 dollar per bezoek aan het fitnesscentrum, of 70 dollar voor een maandabonnement. De meesten kozen het maandabonnement, om vervolgens maar vier keer per maand te gaan sporten. Daardoor betaalden ze 70 procent meer per sessie dan wanneer ze voor de eerste optie hadden gekozen. Ze dachten van te voren dat ze vaker in de sportzaal zouden staan te zweten. Een van de oorzaken is ‘hyperbolic discounting’ - het eenvoudige gegeven dat we als mensen meer aandacht geven aan geluk op de korte termijn dan gevolgen op de lange termijn. Als mensen de keuze krijgen tussen een kleine beloning binnen een dag, en een grotere beloning binnen een jaar, kiezen ze vaker de eerste. Dat verklaart waarom mensen het sporten altijd tot morgen blijven uitstellen - voor vandaag vinden we dat uurtje uitrusten op de bank veel aantrekkelijker. Maar ook de ‘ego-depletion’ - het opraken van onze wilskracht speelt een rol. Gaan sporten betekent niet alleen dat je er tijd voor moet vrijmaken. Je moet er ook wilskracht aan besteden, en voor mensen die van bewegen geen gewoonte hebben gemaakt, kost het behoorlijk wat van die beperkte voorraad.
Wat het nog moeilijker maakt om verleiding te weerstaan (of een goed voornemen vol te houden) is dat ons lichaam ons niet waarschuwt voor het opraken van onze voorraad wilskracht. Er is geen eenduidig of helder gevoel dat als alarmsignaal kan dienen dat je je wilskracht moet bijvullen. Het is zelfs andersom: als onze wilskracht uitgeput raakt, beleven we alles veel intenser (inclusief onze verlangens). Een laag niveau van wilskracht lijkt de volumeknop van onze ervaringen omhoog te draaien. Zo blijkt uit het eerste onderzoek dat mensen van wie de wilskracht is uitgeput omdat ze bijvoorbeeld geen koekjes mochten eten, meer geëmotioneerd raakten bij het kijken van een gevoelige film, en dat ze koud water als pijnlijker ervoeren tijdens een onderdompelingstest. Hun verlangens om een cadeautje open te maken, of koekjes te blijven eten was ook toegenomen. Dus hoe lager onze wilskracht, hoe sterker we de verlangens voelen! Hoe meer we de verleiding proberen te weerstaan, hoe groter de kans dat we daar uiteindelijk in falen. Als we snoepen (of in evangelisch christelijke termen: zondigen) is dat dus geen moreel falen, maar is onze energie gewoon op - we zijn te moe om tegen onze verlangens in te gaan, goed of slecht.

Dit komt overeen met wat Paulus zegt in Romeinen 7 - een gedeelte dat zijn tijd ver vooruit is, omdat de apostel precies beschrijft wat de hierboven genoemde onderzoekers nu te weten zijn gekomen. In Romeinen 6 heeft hij uitgelegd waarom christenen niet moeten zondigen. Dat leidt namelijk tot de dood. In plaats daarvan moeten ze rechtvaardigheid nastreven, want dat leidt tot leven. So far, so good. We weten allemaal het ideaalbeeld. Het christelijke ideaalbeeld (goed gedrag, niet zondigen) en het ideaalbeeld van de moderne samenleving (huisje, boompje, beestje, gezond eten, sporten et cetera). We weten ook waarom we er aan moeten voldoen. We hebben voldoende gehoord hoe slecht zonde voor ons is, en we begrijpen ook waarom bijbellezen goed voor ons zou zijn en waarom we voor de armen zouden moeten zorgen zoals Jezus ons opdraagt. Net zoals we weten waarom lichaamsbeweging gezond is, waarom overgewicht ongezond is, waarom roken zo slecht is en acht uur slaap per dag goed.
Het probleem zit hem echt niet in onze kennis - zoals Paulus zegt: “De wet is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12). Voor het gemak negeer ik maar even het feit dat veel van deze opgelegde idealen totaal niet realistisch zijn. Niet de idealen uit de maatschappij - zie de ophef over de beeldbewerking van foto’s in tijdschriften, en de weigering om interviews met oude, dikke of lelijke mensen te plaatsen, zie de opmars van plastische chirurgie. Er moet bovendien zoveel dat het nooit in de beschikbare tijd zou passen! En ook niet de idealen uit de evangelische kerk: in zijn boek Classic Christianity noemt Bob George  het ideaal dat wordt gepresenteerd de ‘phantom christian’ - niemand kan alles dat van een gelovige gevraagd wordt: taken in de kerk, meerdere uren bidden per dag, zich inzetten voor goede doelen et cetera et cetera. Het past gewoon niet in 24 uur.
Het punt is dat we niet in staat zijn om in overeenstemming met onze kennis te handelen. Zo moet in de Verenigde Staten in fastfoodrestaurant bij gerechten het aantal calorieën vermeld staan. Het idee is dat mensen dan minder gaan eten. Dit blijkt niet het geval te zijn. Sterker nog, als mensen iets gezonds eten, krijgen ze uiteindelijk meer calorieën binnen, omdat ze denken dat ze dan ook wel dat ijsje of die frisdrank kunnen nemen. Dit is ook wat Paulus concludeert: “Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik ... innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft” (Romeinen 7:19-23). Let wel: Paulus spreekt in de tegenwoordige tijd. Hij is christen, en hij wil ook heel graag doen wat goed is, en laten wat slecht is. Hij kan het alleen niet. Zijn wilskracht schiet tekort, hij lijdt aan ‘ego depletion’.

Dat mensen zichzelf niet kunnen veranderen, dat ze slechte gewoontes niet kunnen opgeven, en dat ze niet zelf kunnen doen wat goed voor ze is, is een impopulaire gedachte. Onze wereld hangt nog steeds aan het ‘progressiedenken’, dat ooit werd ingegeven door een interpretatie van de evolutietheorie (overigens foutief: er is in de evolutie geen sprake van progressie - de huidige bacterieen zijn net zo goed het resultaat van al die miljarden jaren ontwikkeling als wij). Als moderne mensen denken dat we onszelf kunnen verbeteren. Volgens de Mockingbirdblog was dit de reden dat Sigmund Freud verguisd werd: hij beweerde dat de mens beheerst werd door negatieve impulsen. “Freud’s ideas are rejected today because they imply that the human animal is ineradicably flawed ...Freud’s unforgivable sin was in locating the source of human disorder within human beings themselves. The painful conflicts in which humans have been entangled throughout their history and pre-history do not come only from oppression, poverty, inequality or lack of education. They originate in permanent flaws of the human animal.
Maar ook moderne evangelische christenen hebben weerstand tegen dit idee - dat merkte ik toen ik nog op bijbelkring zat en het over dit soort onderwerpen had (wat ik terugkreeg was altijd dat het aan mij lag en ik zelf op een andere manier naar preken moest luisteren) en in de reacties op mijn blogberichten over dit thema. Evangelische christenen geloven in een ‘theology of glory’ - een theologie van succes, van groei, van verbetering. Maar deze theologie wordt niet alleen tegengesproken door de wetenschap, maar ook door de bijbel, onder andere in Romeinen. De hervormers zaten veel dichter bij de waarheid - vooral iemand als Luther, die spreekt over de ‘gebondenheid van de wil’ - precies wat Paulus beschrijft, en wat het onderzoek over ‘ego depletion’ aantoont. Hij was voorstander van een ‘theology of the cross’ - een theologie van het toegeven van zwakheid, van falen, van armoede en lijden. En van afhankelijkheid van God voor rechtvaardiging en heiligmaking. Dit is een theologie die een aanstoot is voor de wereldse mensen van de moderne maatschappij, en voor de religieuze mensen van de kerkelijke systemen. En misschien daarom juist goed nieuws (vergelijk 1 Korintiers 1:22,23). Ik hoop dat evangelische christenen hun uitgangspunten eens onder de loep gaan nemen - want de tactiek die ze nu gebruiken om het gedrag van mensen te veranderen is gedoemd te falen.

Zowel de moderne mens, als de evangelische kerk, realiseert zich namelijk dat we uit onszelf niet gaan voldoen aan het ons voor ogen gestelde ideaalbeeld. Maar omdat ze geloven dat we dat wel moeten kunnen, zoeken ze technieken om dat doel te bereiken. Zo weten we dat sporten gezond is, maar we doen het niet. Dus onderzoekt men hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen blijven sporten. Uit een studie uit 2009 blijkt bijvoorbeeld dat mensen vaker blijven sporten als ze daarvoor beloond worden met geld. Als je een keer gaat sporten, merk je niet direct dat je je daardoor fitter voelt of dat je slanker wordt. Maar als je na het sporten geld krijgt, heb je direct resultaat. Beloning hield mij ook op de been toen ik terwijl ik op de middelbare school zat mezelf probeerde te motiveren om hard te lopen - mijn stripboekencollectie groeide in die jaren snel! Aan de andere kant: wie gaat jou betalen voor het sporten? Meestal moet je er zelf behoorlijk wat voor neerleggen! De andere manier om mensen te motiveren is door ze te straffen. Zo hebben een paar studenten van Harvard een programma gestart onder de naam ‘Gym Pact’. Als je de fitness overslaat heb je een contract met jezelf overtreden, is hun redenatie, dus moet je straf krijgen voor je nalatigheid. Dus het ‘Gym Pact’ programma haalt minstens 5 dollar van je credit card als je niet je doel haalt in de week. Dit blijkt mensen te kunnen motiveren te blijven sporten.
Beloning en straf zijn beide externe motivatietechnieken. Christenen gebruiken ze ook. Als je goed leeft, is God blij met je, en wordt je erkend door de kerk. Als je slecht leeft, moet je je schuldig voelen. Schuldgevoel is een krachtig motivatiemiddel en wordt daarom nogal eens opgewekt in religies. Ik weet dat ik het vaak gebruikte. En ook dat ik me maar wat trots voelde als ik uit de bijbel las of drie keer per week naar de kerk ging (beloning).
Ik denk echter dat externe motivatiemiddelen gedoemd zijn te falen. Ze blijven immers een beroep doen op je eigen wilskracht om een doel te halen. En dus raakt de wilskracht nog steeds uitgeput. Je bent dus wel aan het sporten, omdat er anders geld van je rekening wordt afgeschreven, maar ben je dan nog wel in staat om gezond te eten (als daar niet ook een straf op staat)? Of om een boze opmerking tegen een gezinslid in te slikken, of om de verleiding om te sjoemelen met het invullen van een formulier te weerstaan? Dit geldt ook voor de evangelische motivatiemiddelen. Ik werd niet voor niets overspannen - het geloof dat God van mij hield als ik goed leefde en mijn schuldgevoel als ik faalde, bleken me niet te beschermen tegen algehele uitputting. De batterij raakte leeg.
Nu wordt er in de artikelen over wilskracht gesteld dat we onze wilskracht kunnen trainen als een spier. En sommige evangelische christenen wijzen op de geestelijke disciplines. Maar het punt is: zelfs het gaan beginnen met het trainen van je wilskracht, doet een beroep op je wilskracht! Het je gaan houden aan disciplines doet een beroep op je discipline! Is dat niet ironisch? Wie weinig wilskracht heeft, zal nooit meer gaan ontwikkelen, ook al wil hij dat wel. Hij zal het trainen ervan niet volhouden (zoals hij ook het sporten niet volhoudt, ondanks zijn goede intenties). Paulus omschrijft deze crisis dramatisch: “Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?” (Romeinen 7:24).
Ik geloof dat het tijd is voor een nieuwe theologie in de evangelische kerk. Een theologie die niet draait om een moraal, maar om een persoon: God! Een theologie die niet gebaseerd is op externe motivatie, straf en beloning, maar op liefde.

woensdag 25 mei 2011

Doe wat je wilt 2: Niet moeten slapen

Ook dit bericht begin ik met een bekentenis, maar nu niet over mijn dieet. Het is namelijk niet alleen zo dat ik de laatste tijd behoorlijk ongezond eet, met mijn slaap is het ook niet zo best gesteld. Van het voorjaar heb ik een paar maanden lang slecht geslapen. Daarna weer een paar weken beter, zodat ik me weer uitgerust voelde, maar de laatste twee weken is het weer raak. Het is een combinatie van vaak wakker worden ‘s nachts en te laat naar bed gaan. Dit weekeinde was bijvoorbeeld zwaar: ik had een koortsig gevoel en hoofdpijn, puur van de vermoeidheid. Ik was zo duf dat ik niet eens aan het schrijven van dit bericht toekwam, moet je nagaan! De nacht van zondag op maandag was door onvoorziene omstandigheden vervolgens nogal stressvol en maandag op mijn werk was ik niet op mijn vrolijkst. Maar ik had mijn energie hard nodig om mijn vakantie voor te bereiden. Dus -en hier komt het punt van mijn anekdote- besloot ik te proberen maandagavond in elk geval zo vroeg naar bed te gaan dat ik acht uur slaap zou halen.
Ik had beter moeten weten. Dat betekende namelijk dat ik er de hele avond mee bezig was. Tijdens het schoonmaken van mijn aquariums keek ik al een paar keer op de klok en rekende ik uit wanneer ik ermee klaar zou zijn - zodat ik nog tijd had om een Star Trek-aflevering te kijken. Toen Star Trek afgelopen was, keek ik snel weer naar de tijd - niet te lang internetten, snel gaan douchen, dan haalde ik het. Inderdaad lag ik om elf uur op bed. Maar van slapen kwam het niet. Waar ik me eerder die dag zo moe had gevoeld dat ik zo in slaap had kunnen vallen, lag ik nu te woelen. Mijn nacht was onrustig.
Pas nadat ik er een paar keer uit was geweest, bedacht ik me dat dit nu net een illustratie was van het probleem waar ik over wilde schrijven. Want juist omdat ik zo bezig was geweest met het op tijd naar bed gaan, omdat ik me op een bepaalde tijd had gericht en me had ingespannen die te halen, kon ik niet slapen. Mijn motivatie was er een van buitenaf geweest. Ik MOEST op tijd naar bed, omdat ik acht uur MOEST slapen en dus MOEST ik me haasten bij het schoonmaken van mijn aquariums en de rest van mijn avondbesteding. Wat zou er zijn gebeurd als ik een half uur later naar bed zou zijn gegaan, en zeven en een half uur in plaats van acht uur op bed had gelegen? Niets dramatisch. Waarschijnlijk (realiseerde ik me achteraf) zou ik beter hebben geslapen en me de volgende ochtend fitter hebben gevoeld. Maar omdat ik me die deadline had gesteld, zou ik mezelf hebben afgewezen, als het niet was gelukt. Ik zou boos op mezelf zijn geweest, en me schuldig hebben gevoeld, als ik bijvoorbeeld net als op andere avonden te lang achter de computer zou zijn blijven zitten. Ik zou mezelf hebben veroordeeld, en dat wilde ik voorkomen.
Ik had een scheidslijn aangebracht tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. Om elf uur naar bed was ‘goed’ - als ik dat haalde was ik zelf dus ‘goed’. Na elven was ‘slecht’ - als ik faalde was ik zelf dus ook ‘slecht’. En omdat ik al niet zo zeker ben van mezelf en mijn eigenwaarde, kon ik dat natuurlijk niet laten gebeuren. Ik MOCHT niet slecht zijn. Gevolg was uiteindelijk dat ik voldeed aan de eis van buitenaf - maar niet dat bereikte wat ik eigenlijk nodig had: slaap. Trouwens, als ik had gefaald, zou ik waarschijnlijk ook niet goed hebben geslapen, omdat ik dan boos was geweest op mezelf, en zou hebben liggen uitrekenen hoeveel uur ik nog wel had voordat de wekker ging. Beide opties - het halen van het doel en het niet halen ervan - zouden hetzelfde effect hebben gehad, namelijk dat ik uiteindelijk niet goed kon slapen. Ik was hoe dan ook een ellendig mens.
Ik heb hetzelfde principe op andere gebieden in mijn leven in werking gezien. Steeds heeft het verbinden van een oordeel aan het bereiken van een doel het effect dat zelfs al valt het oordeel over de activiteit gunstig uit, het doel erachter niet wordt bereikt. Dat gold bijvoorbeeld voor de eisen die ik mezelf stelde toen ik nog veel bijbelstudie deed. Ik bedacht me van te voren hoe lang ik over een bepaald bijbelstudieboek zou moeten doen, en welk boek ik daarna zou lezen (ik had tot anderhalf jaar in het voren bedacht wat ik zou bestuderen - dat ging inderdaad een beetje ver). Vervolgens wist ik dus ongeveer hoeveel bladzijdes ik per avond gelezen moest hebben. Vaak lukte het niet dat aantal pagina’s te halen. Dan was ik gefrustreerd. Ik moest mijn planning weer bijstellen. Soms lukte het me het aantal pagina’s voor die avond te halen, of zelfs meer! Dan was ik trots op mezelf, en paste ik mijn schema weer gunstig bij. Maar ik leerde God niet beter kennen door de bijbel. Ik verzamelde kennis, en ik beoordeelde mezelf naar de kennis die ik verworven had, maar ik kwam niet dichter bij God - wat toch het doel is van het lezen van de bijbel.
Net zo is het voor mij funest om eisen te verbinden aan het schrijven. Ik heb bijvoorbeeld de neiging me te vergelijken met andere schrijvers, en mezelf dan te beoordelen - ‘Ik ben niet zo goed als die en die’ - en vervolgens lukt het me niet meer om te schrijven. Ik heb wel eens de eis opgelegd gekregen om in plaats van een fantasyboek (waar ik destijds mee bezig was) een thriller te schrijven die zich in deze tijd afspeelt. Dat lukte me niet. Ik kwam niet verder dan een enkele pagina. Ook merk ik dat ik soms bij het schrijven ga tellen hoeveel woorden ik per dag geschreven heb en dat ga vergelijken. Maar dat komt de kwaliteit van wat ik schrijf niet ten goede. Ik ben meer bezig met hoeveel woorden ik haal per dag dan met wat ik eigenlijk wil zeggen. Bovendien leidt het er toe dat ik eigenlijk geen zin meer heb in schrijven, omdat ik er geen zin in heb mezelf teleur te stellen en niet aan mijn eigen minimumeisen te voldoen.

Motivatie van buitenaf gaat eigenlijk altijd gepaard met een oordeel. Het is altijd een maatstaf. Voldoe je eraan, dan ben je ‘goed’ en krijg je een beloning. Schiet je tekort, dan ben je ‘slecht’ en verdien je straf. Het is de motivatietechniek die wordt gebruikt door Sinterklaas: ‘Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.’ Het is de motivatie van het voortdurend vergelijken met een ideaal, van voortdurende zelfverbetering en van voortdurend proberen te worden wat je niet bent. Maar met die voortdurende pogingen om  ‘goed’ te worden bevonden volgens een meetlat buiten jezelf, verlies je datgene wat niet voortkomt uit het worden, maar uit het zijn. Je verliest datgene wat ontspringt aan wie je bent, als persoon, zonder dat je het dwingt of verplicht. Je verliest de spontaniteit, de ‘flow’ van de creativiteit, de onbezorgdheid van het spel, de lichtvoetigheid van een gesprek met vrienden dat overal en nergens over kan gaan, de rust van het genieten van een madeliefje of een zonsondergang. Je verliest de gezondheid van de mens die gewoon zichzelf IS. Die schoonheid opmerkt, die intimiteit kan beleven, en die de waarheid uitspreekt en doet (eenvoudig omdat hij niet oneerlijk hoeft te zijn over het al dan niet voldoen aan de eisen).
Motivatie van buitenaf leidt tot een van twee resultaten: trots op het ‘goede’ oordeel en zelfingenomenheid, of frustratie en zelfverachting vanwege het ‘slechte’ oordeel. Beide zorgen ervoor dat iemand zichzelf ziet als beter dan anderen of als slechter dan anderen. Beide zorgen ervoor dat iemand niet zichzelf is. Beide zijn vormen van onvrijheid en dus van dood. Ja, zo heftig is het - het organische, spontane leven wordt onderdrukt en het gedwongen, mechanische keurslijf vormt voortaan de mens. God zei het tegen de eerste mensen: Op de dag dat u van deze vrucht eet, zult u sterven. Dit was de dood waar Hij het over had. Niet een letterlijke dood - want Adam leefde nog bijna duizend jaar - maar een einde aan de stroom van het leven, die zich niet bezig hield met het voldoen aan een eis van buitenaf, maar die voortkwam uit een staat van gewoon ‘zijn’, uit de verlangens van het hart, de motivatie van binnenuit. En dat einde aan het spontane leven,  aan het leven van binnenuit, kwam door het eten van de vrucht van de kennis van goed en kwaad.
Er is nogal wat discussie over wat deze vrucht en het eten ervan precies inhield, en waarom de slang de mensen voorhield dat ze - zodra ze ervan aten - als God zouden zijn. Een van de beste verklaringen vind ik die van Greg Boyd, die in navolging van Dietrich Bonhoeffer stelt dat de boom van de kennis van goed en kwaad stond voor het oordelen. Het onderscheid willen maken tussen goed en kwaad. De introductie van de meetlat. En dat leidde tot de dood. Want voorheen hoefde Adam nergens aan te voldoen. God had hem geen eis opgelegd, geen stappenplan gegeven, geen ‘targets’ vastgesteld. In plaats van een eis waaraan hij moest voldoen, in plaats van een oordeel, en straf en beloning, gaf God Adam een volmacht - hij mocht eten van alle vruchten in het veld, hij mocht de dieren namen geven die hij wilde, hij mocht de Aarde vullen en hij mocht heerser zijn over de schepping. Hij mocht initiatief nemen, zonder bang te hoeven zijn afgerekend te worden op wat hij presteerde. Hij mocht creatief zijn, zonder te hoeven vrezen voor de recensies. Hij mocht leven op basis van zijn hartsverlangen - wat zijn hand vond om te doen, dat mocht hij doen - op basis van motivatie van binnenuit, in plaats van geregeerd te worden van buitenaf. Dat mocht hij doen, zo kon hij leven, omdat hij leefde in een diepe, oprechte afhankelijkheid van God. God wandelde met Adam en Eva in de avondkoelte. De eerste mensen wisten van zichzelf dat God van ze hield, dat ze waardevol waren, dat ze er mochten zijn, precies zoals ze waren. En op basis van die liefde hielden ze van hun schepper, God, en wilden ze Hem kennen en volgen. Ze hielden niets voor hem verborgen, maar betrokken hem bij al hun beslissingen. En omdat ze zichzelf geliefd wisten, hielden ze ook van elkaar, omdat ze wisten dat God zelf ook onvoorwaardelijk van de ander hield. Ze legden elkaar geen eisen op, oordeelden en veroordeelden elkaar niet, maar deelden het leven zonder zich ooit te schamen.
De slang kon onze voorouders pas verleiden om te oordelen, hij kon ze er pas van overtuigen dat ze moesten voldoen aan uitwendige maatstaven, nadat hij ze had laten twijfelen aan de onvoorwaardelijke liefde van God. De tegenstander maakte God zwart, stelde het voor alsof God iets voor de mensen verborgen hield, alsof hij ze naief wilde houden en ze voor zijn eigen doeleinden wilde gebruiken. Nog anders verwoord: de duivel kreeg het voor elkaar dat Adam en Eva oordeelden over God, dat ze zelfs God wilden houden aan hun eigen maatstaven. En daarmee was voor hen de weg vrij om ook over elkaar te oordelen en over zichzelf te oordelen. Want wat is schaamte anders dan een oordeel over jezelf? ‘Ik ben niet goed’, is de gedachte achter schaamte, en de volgende stap is datgene te bedekken wat niet goed zou zijn. Bedekken met vijgenbladen of kleren, zoals in het geval van dit verhaal, of bedekken met inspanning, heiligheid, en hard werken, of juist losbandigheid, leugens (‘ik ben niet degene die slecht is, nee, die vrouw die u mij hebt gegeven .... of die slang ...’) en passiviteit.

Het goede nieuws van het evangelie is nu dat er een einde is gekomen aan het oordeel. Dit is de waarheid die Paulus bespreekt in Romeinen 8, de waarheid die hem uit zijn impasse helpt. Er is geen veroordeling meer voor hen die in Christus Jezus zijn! Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Hoe zal hij, die zelfs zijn eigen zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het die rechtvaardigt, wie is het die veroordeelt? Dood noch leven, engelen, machten, noch krachten,  heden noch toekomst, hoogte, noch diepte. nog enig ander schepsel kunnen ons scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer. Gods liefde is volmaakt. Dus hoeven we niet meer bang te zijn voor straf. Want de liefde drijft de vrees uit. We hoeven dus voortaan niet meer over onszelf te denken in termen van ‘goed’ of ‘slecht’. We hoeven ons niet meer af te vragen of we voldoen aan een of ander ideaal, of we een niveau van perfectie bereikt hebben. We hoeven ons ook niet meer met andere mensen te vergelijken. Elke uitwendige motivatie is zijn kracht ontnomen. ‘Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen’ (Kolossenzen 2:14) Nog steeds is de wet goed, zoals Paulus al zei, en rechtvaardig. In de wet, en in de bergrede en in de brieven van Paulus kunnen we lezen hoe het er uitziet om van mensen te houden. Maar de wet heeft geen macht meer om over ons te oordelen. We hoeven niet meer ‘goed’ of ‘slecht’ over onszelf te denken afhankelijk van hoe wij ons aan de regels houden. Het is juist de impact van de onvoorwaardelijke liefde van God waardoor wij ernaar gaan verlangen te leven op de manier die de wet beschrijft! De motivatie van buitenaf wordt motivatie van binnenuit, het gaat van extern naar intern. Paulus zegt ergens: ‘De liefde van Christus dringt ons ...’ Hij predikte niet uit schuldgevoel, niet omdat hij een bepaald quotum bekeerlingen moest halen, maar omdat hij het wilde, omdat hij wist dat God van hem hield en hij daar enthousiast over was. In Romeinen 8 noemt hij dit ‘leven door de Geest’. Het is de Geest van God die ons de liefde van God laat ervaren. Volgens het bijbelboek Johannes staan we door de Geest in verbinding met het leven van de drie-eenheid, met de wederzijdse opofferende liefde die de relaties van Vader, Zoon en Geest kenmerkt. En dit bruisende leven, dit levende water, is wat ons aandrijft in ons leven. Dit drijft ons aan om onszelf te respecteren, onze grenzen te bewaken en goed voor onszelf te zorgen. Dit drijft ons aan om onze medemens te respecteren, het goede voor hem of haar te zoeken en woorden van leven te spreken. En dit drijft ons aan om God te vereren, en Hem lief te hebben door zijn wil te doen. Het gedrag van de gelovige komt van binnenuit. Er komt geen oordeel aan te pas.

Toen ik in de loop van de nacht besefte dat ik mezelf wakker hield omdat ik over mezelf oordeelde, en dat ik dit mooi als voorbeeld kon gebruiken, kon ik een stuk beter slapen. Net zo geloof ik dat ik in staat ben om me vaker aan mijn dieet te houden als ik er geen oordelen aan verbind, als ik mezelf niet haat om mijn gewicht, en als ik er geen eis van maak. Ik kan me aan mijn dieet houden als ik mezelf zie als kostbare en waardevolle geliefde van God, en als ik mezelf in die positie ontspan. Als ik besef dat God van mij houdt, en als ik van mezelf kan houden, ga ik er ook naar verlangen om goed voor mezelf te zorgen. En daar hoort bij dat ik gezond eet. Mezelf ertoe dwingen loopt er op uit dat ik gefrustreerd raak. Als het mijn oprechte verlangen is om goed te eten (en als ik zorg dat het goede eten ook nog lekker is), wordt het voor mij een vreugde om me aan de voedingsvoorschriften te houden. Dan komt mijn motivatie namelijk niet van buitenaf, maar van binnenuit.

woensdag 21 juli 2010

Het zal wel aan mij liggen ...

Dat is eigenlijk mijn standaard reactie als er iets misgaat. Zoals vorige week woensdag, toen ik een telefoontje kreeg van een dierenarts, die adviseur is voor een van onze tijdschriften. Hij had al een tijd niks van mij gehoord. Zo had hij geen uitnodiging ontvangen voor de redactievergadering de dag daarvoor. Hij vroeg of we hem van de e-maillijst hadden afgehaald. Nu had ik een aantal weken daarvoor enkele artikelen voor het tijdschrift geredigeerd. Gewoonlijk stuur ik ze dan aan hem door zodat hij er nog even naar kan kijken. Nu had ik dat niet gedaan, omdat de deadline dichtbij was, en ik zijn reactie toch te laat zou terugkrijgen. Maar (en dit was wel verkeerd van mij) ik had daar niet naar hem over gecommuniceerd.
Nu, toen hij vroeg waarom hij de uitnodiging voor de vergadering niet gekregen had, herinnerde ik me dat ik me er ongemakkelijk over had gevoeld dat ik hem de artikelen niet had toegestuurd. Maar ik kon me niet goed herinneren wat er gebeurd was met de e-mail voor de vergadering. Nu ik terugkijk vind ik het onwaarschijnlijk dat ik er bewust voor zou kiezen hem van de lijst weg te houden. Toch was dat wat ik op dat moment geloofde: dat ik hem niet onder ogen durfde komen omdat ik de artikelen niet aan hem had toegestuurd en dus zijn naam maar niet bij de adressen boven de e-mail over de vergadering had gezet. Ik voelde me daar erg schuldig over. Ik bracht het incident in verband met andere gebeurtenissen en concludeerde dat dit wel een 'coping mechanism' van mij zou zijn: om conflicten uit de weg te gaan, zou ik het contact met anderen maar helemaal verbreken, om me niet ongemakkelijk te voelen. Nu is dat misschien inderdaad een van mijn tactieken, want ik zoek niet graag de confrontatie op. Nadat ik hem over de telefoon al mijn excuses had aangeboden, schreef ik hem nog een e-mail, waarin ik dat uitlegde, dat ik me ervoor schaamde en hem vroeg mij te confronteren als het nog een keer mocht voorkomen. Ik voelde me er erg rot over, want dit is een van de betere mensen met wie ik de afgelopen bijna vier jaar heb samengewerkt, en ik zou het heel naar vinden als het contact verbroken zou worden. Ik nam alle schuld op me, vertelde het ook aan een goede vriend, en vroeg hem me te corrigeren als hij dit soort gedrag bij me zou merken. (Een goede keus natuurlijk, we kunnen de correctie van vrienden wel gebruiken.)
Maar wat bleek: in dit geval klopte mijn spijtbetuiging niet. Gisteren moest ik de notulen van de vergadering van vorige week versturen en daarvoor opende ik de e-mail met de uitnodiging. Ik keek naar de lijst met geadresseerden en daar stond deze dierenarts gewoon bij. Wat er was misgegaan? Ik had zijn oude e-mailadres gebruikt, in plaats van zijn nieuwe dat hij sinds een paar maanden heeft. Ik moest een paar keer met mijn ogen knipperen. Het betekende dat ik even onoplettend was geweest, in plaats van dat ik een grove fout had gemaakt door iemand bewust uit de geadresseerden weg te laten. Ik was onschuldig! (Of in elk geval minder schuldig!). Ik voelde me natuurlijk opgelucht. (En ook wel een beetje dom dat ik niet direct was nagegaan of de dierenarts bij de geadresseerden stond.)

Deze gebeurtenis zette me natuurlijk wel aan het denken. Er was namelijk wel degelijk een patroon in mij ontmaskerd. Maar niet mijn vluchtgedrag in situaties die mij me ongemakkelijk laten voelen. Ik kon me niet goed herinneren wat ik gedaan had bij het opstellen van de mail (dat was twee weken voor de vergadering, dus ondertussen een maand geleden). En dus ging ik maar uit van het ergste: dat ik zijn adres met opzet had weggelaten. Waarom was dat mijn automatische aanname? Waarom was het voor mij vanzelfsprekend dat ik een grove misstap had begaan? Gezondere mensen hadden waarschijnlijk als eerste gedacht aan de optie van een verkeerd e-mailadres (die noemde deze dierenarts ook) en even de mail opgezocht om te controleren wie er boven stond. Het patroon dat zichtbaar werd, was mijn neiging mezelf en mijn motieven automatisch negatief te beoordelen.
Dit herken ik namelijk uit meerdere situaties. De ergste waren de schuldwanen tijdens mijn episodes van winterdepressie, waarbij er geen dag voorbijging waarop ik niet piekerde en mezelf voor van alles en nog wat uitmaakte. Maar ik herken het uit vele dagelijkse situaties. Ik wantrouw altijd mijn keuzes en motieven. Ik kan maar heel moeilijk toegeven dat ik iets niet wil (of juist wel). Ik zal bijna automatisch mijn voorkeur inwisselen voor die van de ander. Ik zal bijna voortdurend mijn eigen grenzen opzijschuiven om de ander ruimte te geven. Als iemand een beroep op mij doet, met mij wil praten, mijn tijd nodig heeft, zal ik bijna altijd 'ja' zeggen (en 'nee' alleen met veel moeite, en de neiging mezelf uitvoerig te verdedigen). Ik zal altijd mijn hart openen, vaak zonder eerst te hebben gecontroleerd of de ander betrouwbaar is. Meerdere mensen hebben me er meerdere malen op gewezen dat ik de lat voor mezelf te hoog leg. (Zo tweette ik vrij recent dat je pas over jezelf zou mogen beginnen te praten, als je de ander interessanter vond dan jezelf. Daaruit blijkt ook een onderwaardering van mezelf). Mede als gevolg van deze neiging heb ik het idee dat er weinig voor mijzelf overblijft, of van mijn meningen en overtuigingen. Ik loop mezelf voorbij. Ik probeer teveel ballen in de lucht te houden. Ik ga onrustiger slapen, wordt overspannen. En dan gebeurt inderdaad dat ik het contact verbreek, mensen afstoot, brieven niet beantwoord en telefoontjes niet opneem. Zonder duidelijk te communiceren.
Dat kan ik natuurlijk niet goedpraten. Ik kan mogelijke oorzaken aanwijzen (en daar moet ik nog eens over nadenken, maar zo'n blogbericht op het internet is daarvoor niet de juiste plek), maar ook die excuseren me niet. Het blijft een feit dat ik ermee moet ophouden steeds het slechtste van mezelf te denken. Ik hoop dat het eindelijk tot me door gaat dringen dat ik geliefd ben, en dat ik dus ook voor mezelf mag kiezen. Dat is geen zonde, want alleen uit mijn volheid kan ik aan anderen geven. Ik heb het zelf in mijn boek geschreven: ik kan niet 'ja' zeggen tegen een ander, als ik niet in staat ben ook 'nee' te zeggen. Het is geen kracht als ik mezelf opoffer, als ik niets anders kan dan de ander over me heen te laten lopen. Ik ben alleen vrij als ik mezelf zie als waardevol en geliefd en waard om voor op te komen. Pas als ik mezelf recht in de ogen kan kijken en mijn eigen noden en behoeften als waardevol kan erkennen, ben ik in staat om uit echte liefde mijn tijd, geld en energie te offeren. Dan is mijn aandacht onverdeeld. Dan leidt het bij mij ook niet tot depressie of overspannenheid. Dan doe ik het omdat ik het wil.
Kennelijk is dit nog niet mijn uitgangspunt. Maar ik wil wel veranderen. Dat is het proces waarin ik me de afgelopen weken bevindt. Daarvoor moet mijn theologie omver worden gegooid. Daarvoor moet ik echt in de onvoorwaardelijke liefde van God geloven (zonder 'maars ...'). Daarvoor moet de macht van de religie worden verbroken (die zegt dat het niet belangrijk is wat ik wil, als ik me maar opoffer). Daarvoor moet ik naar mezelf gaan kijken met Gods ogen van aanvaarding. Niet dat ik het al gegrepen heb, zoals Paulus zou zeggen, maar ik strek me hiernaar uit.
En in de tussentijd moet ik de betreffende dierenarts maar opbellen om het hem uit te leggen en mij te excuseren, maar dan voor wat ik echt heb nagelaten: het controleren van zijn e-mailadres, en niet voor iets waar ik mezelf ten onrechte van beschuldig.